• Bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen en desinformatie

    Bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen en desinformatie

    Babi Jar heeft als ondertitel ‘een document in de vorm van een roman’. De Oekraïens-Russische schrijver Anatoli Koeznetsov (1929-1979) schreef de eerste versie van Babi Jar als veertienjarige in een dik schrift tijdens de Tweede Wereldoorlog nadat hij de gruwelijkheden rond het ravijn Babi Jar bij Kiev had meegemaakt. In 1966 werd het zwaar gecensureerde boek in twee miljoen exemplaren in de Sovjet Unie gepubliceerd en in Nederland verscheen de vertaling ervan in 1967. Na zijn vlucht uit de Sovjet Unie kon Koeznetsov de ongecensureerde versie met aanvullingen in 1970 in Londen publiceren. 

    Hoe het mogelijk is dat die laatste versie van het boek nu pas in het Nederlands is vertaald, vermelden de flaptekst en inleider Arnold Grunberg niet, maar vorig jaar verscheen ook een Amerikaanse herdruk ter gelegenheid van één jaar Russische inval in Oekraïne. In zijn voorwoord schrijft Grünberg dat een voorwoordschrijver ‘angstaanjagend veel op de recensent’ lijkt, omdat er van hem wordt verwacht dat hij veel in eigen woorden samenvat, maar hij laat Koezetsov zelf aan het woord als deze cynisch schrijft over het Duits humanisme van de moordenaars: ‘(…) er zijn evenveel humanismes op de wereld als moordenaars. En elke moordenaar heeft zijn eigen, edelste humanisme, en zijn eigen culturele vernieuwing.’ 

    Catastrofale goedgelovigheid

    In het ravijn Babi Jar bij Kiev werden door de nazi’s meer dan 100.000 mensen vermoord, te beginnen met ruim 33 duizend Joodse burgers op twee dagen in september 1941; zij waren een dag eerder opgeroepen voor een gedwongen verhuizing onder bedreiging van executie voor het niet opvolgen van de oproep. Opvolgen of niet, het maakte in feite niet uit wat je deed, maar goedgelovigheid deed de meeste Joden het bevel opvolgen. Koeznetzsov schrijft daarover: ‘De systemen gebaseerd op leugen en geweld hebben handig een zwakke plek in de mens ontdekt en tot eigen nut aangewend: zijn goedgelovigheid.’ Ook dit maakt het boek bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen, nepnieuws en desinformatie.     

    Volgens Grünberg heeft ‘wie meent alles over de Tweede Wereldoorlog te weten (…) geen recht van spreken’ als hij niet dit boek van Koezetsov heeft gelezen. En terecht, dit boek laat door de dagboeken van de jonge Russische Koeznetsov zien wat in Kiev is gebeurd en de nazi’s aan het eind van de oorlog geprobeerd hebben te verbergen. Net als dit na de oorlog door de Sovjet Unie onder leiding van Stalin nogmaals is geprobeerd, omdat de dood van de Joden niet belangrijk genoeg werd geacht en bovendien in het verlengde lag van het antisemitisme en de moord op Joden in de Sovjet Unie in de vooroorlogse jaren. 

    In de uitgave van het boek in 1970 zijn, net als in deze vertaling, drie verschillende soorten tekst te onderscheiden: de eerste uitgegeven tekst uit 1967 – in normaal lettertype – , de door de censuur geschrapte tekst – in vet lettertype – en wat Koeznetsov na 1967 heeft toegevoegd – tussen vierkante haakjes.  

    Gecensureerde bladzijden

    De vet gedrukte, gecensureeerde  tekst komt  op iedere bladzijde voor, soms bladzijden achter elkaar en bevat volgens Koeznetsov  in zijn voorwoord ‘Aan de lezers’, ‘de belangrijkste betekenis waarvoor het boek geschreven werd’. Het begint al in het inleidende hoofdstuk waar hij schrijft: ‘Ik ben vaak begonnen met het schrijven van een gewone documentaire roman, maar zonder enige hoop die ooit gepubliceerd te zien.’ En even verder: ‘Ik schrijf alsof ik onder ede voor het hoogste gerecht een getuigenverklaring afleg en ik sta in voor elk woord. Dit boek vertelt alleen de waarheid.’ Een onvoorstelbare waarheid waarin mensen niet alleen werden neergemaaid door machinegeweren, maar ook tot worst werden vermalen door een Oekraïense slachter in deze tijd van onvoorstelbare hongersnood.

    De roman begint in september 1941 als het Rode Leger zich heeft teruggetrokken uit Kiev, de Duitsers binnentrekken en het plunderen begint, door de Duitsers … en door de inwoners. Voor een groot deel bestaat het boek uit de observaties die de jonge Anatoli in een dik schrift heeft geschreven dat hij later had verstopt. Zijn moeder vond het schrift na de oorlog en moest erom huilen. ‘Zij was de eerste die zei dat ik er een boek over moest schrijven.’ Koeznetsov woonde in een buitenwijk in de buurt van het ravijn dat een van de speelplekken in zijn jeugd was. Het werd een verboden zone, met prikkeldraad onder hoogspanning. Hij hoorde er ‘machinegeweren ratelen, met verschilende tussenpozen: ratata,rata…Twee jaar lang heb ik dat gehoord, dag in, dag uit, en ik hoor het nog steeds. Tegen het eind steeg uit het ravijn een dikke, vette rook op. Dat duurde drie weken.’

    Ooggetuigenverslagen

    Nadat hij met een vriend in het ravijn had rondgelopen en zij er geen grof zand vonden zoals vroeger maar witte steentjes die restanten van botten bleken te zijn in grijze mensenas, besloot hij dat hij alles moest opschrijven zoals het echt gebeurd was. Naast zijn eigen dagboeken gebruikt Koeznetsov documenten, onder meer bekendmakingen in het Oekraïens  Parool, later het Nieuw Oekraïens Parool toen het bestaande werd verboden wegens ‘verraderlijke doelen’ en de hoofdredacteur in Babi Jar werd gefusilleerd.  En hij citeert uit Sovjetpublicaties uit de jaren zestig over de nazi-Duitse bezetting. Koeznetsov beschrijft zijn eigen observaties, die van vrienden en familie en de verhalen die hij hoorde van overlevenden die hij na de bezetting opspoorde.  Eerst zijn de Okraïeners opgelucht dat ze van de Sovjets af zijn na jaren uithongering en onderdrukking, en hebben ze sympathie voor de bezetter, maar dat verandert als ze er al snel achter komen dat ook zij gebruikt worden voor de Duits oorlogsindustrie en met razzia’s opgepakt konden worden.  

    De ooggetuigenverslagen van de explosies in de binnenstad van Kiev, van de executies in Babi Jar en over de arbeiderswijk Darnitsa, die was afgesloten met prikkeldraad om zo’n 60 duizend gevangenen vast te houden, behoren tot de gruwelijkste over de Tweede Wereldoorlog. Evenals de bekende verhalen over concentratie- en of vernietigingskampen in Oost Europa. Deze tragische gebeurtenissen zijn nog schrijnender met de huidige oorlog van Rusland in het nu zelfstandige Oekraïne. Het boek eindigt met de lafhartige pogingen van de Duitsers om voor hun terugtocht de moord op ruim honderdduizend slachtoffers in Babi Jar te verbergen en de latere ontkenning door de Sovjet Unie van wat er zich heeft afgespeeld. Op de plek van het ravijn van Babi Jar werd een woonwijk gebouwd en er was lang – tot 2001 – geen aandenken of monument. 

    Koeznetsov bespiegelt tussen zijn ervaringen door zijn eigen lot en dat van de mensheid. Zijn toon is niet alleen dramatisch. Hij vindt dat hij mazzel heeft gehad: ‘ik hoefde door mijn leeftijd niet naar Duitsland, bommen en kogels raakten me niet, patrouilles vingen me niet (…)’. Maar hij is ook geschokt, misselijk en wanhopig. ‘Waarvoor ben ik geboren, waartoe kruip ik rond in deze wereld als in een gevangenis?’ Hij vraagt zich af wat er morgen zal gebeuren. ‘Staat ons meer barbarij te wachten?’ Zijn boek is een onmisbaar pleidooi voor de vrijheid van de mens als kostbaarste bezit. 

     

     

  • Reisimpressie Kiev (2018) – deel 3

    Reisimpressie Kiev (2018) – deel 3

    Reisdoel Kiev! Deze miljoenenstad is, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, zowel de hoofdstad van het nieuwgevormde land Oekraïne als ook de bakermat van ‘moedertje’ Rusland, waarmee Oekraïne ondertussen op voet van oorlog leeft.


    Een miezerig regentje verwelkomt mij bij het verlaten van metrostation Dorohozhychi. Het door de regen grijsglimmend stralende plaveisel van het stationsplein contrasteert mooi met de kleurenpracht van de bloemen- en fruitkraampjes. Diep weggedoken in de beschutte krochten van mijn winterjas trek ik erop uit. Babi Jar is mijn doel. Een huiveringwekkende naam van een luguber ravijn in Kiev. Hier zijn in september 1941, volgens Duitse bronnen, in 36 uur tijd meer dan 33.000 joden vermoord. Opgebracht, naakt, door mitrailleurkogels doorzeefd, sommige vrouwen eerst verkracht, dood of soms nog levend in het ravijn gedonderd, bedekt met aarde, groep na groep. De daders: keurige politieagenten uit Bremen zonder speciale opleiding voor het verrichten van hun wandaden. Na afloop van de klus was er een feestje. Later keerden zij weer terug naar Bremen om daar bijvoorbeeld het verkeer te regelen (Timothy Snyder, Zwarte aarde, geschiedenis van de holocaust, blz. 268/269). Keurige mensen eigenlijk!

    Herinnering
    Wat herinnert nog aan die moordpartij? Marc Jansen spreekt in zijn boek Grensland, een geschiedenis van Oekraïne over ‘Lieux sans memoire’ (blz. 207 e.v.) en hij heeft gelijk. Niets, lange tijd was er niets dat herinnerde aan de gebeurtenissen bij Babi Jar. Na de moordpartij in september 1941 zijn er daar in de rest van de oorlog, naar schatting, nog eens zo’n 100.000 tot 150.000 Oekraïense nationalisten, Sovjet krijgsgevangenen, communisten, joden en zigeuners vermoord.

    Speciale aandacht voor de moord op de joden, zigeuners en homoseksuelen tijdens de Tweede Wereldoorlog paste niet in de Stalinistische kijk op de oorlog. Het ravijn werd gebruikt als vuilstortplaats voor de gemeente Kiev. Geen monument, geen tentoonstelling, geen plaquette, geen gedicht. Of toch….? De in een Oekraïens-Joodse familie geboren schrijver-journalist Ilja Ehrenburg schreef in 1944 een gedicht zonder titel. De goede verstaander kon slechts uit het herhaalde gebruik van het woord ‘ravijn’ opmaken dat het hier ging om Babi Jar. Pas veel later publiceerde hij het ook onder die naam. Een fragment:

    Waartoe dienen woorden en wat is een ganzenveer
    Wanneer deze steen op mijn hart rust,
    Wanneer ik, zoals een dwangarbeider
    een kogel,
    andermans herinnering meesleep?
    Ik woonde eens in steden,
    En de levenden waren mij lief,
    Nu moet ik in vergeten woestenijen,
    Graven openen,
    Nu is ieder ravijn mij vertrouwd,
    En ieder ravijn voor mij een thuis.

    Als de dichter Jevgeni Jeftoesjenko samen met zijn collega-schrijver Anatoli Koeznetsovin augustus 1961 aan de rand van het ravijn staat, besluit hij daar een gedicht over te schrijven dat later onsterfelijk is geworden. Een fragment:

    Boven Babi Jar, daar staat geen monument.
    Een steile helling – de ene ongehouwen grafsteen
    Bang ben ik.
    Ik ben nu oud, oud als het Joodse volk.
    Ik denk nu
    Jood te zijn.

    Hierover zegt Katja Petrowskaja in haar in 2015 in het Nederlands vertaalde boek ‘Misschien Esther’:

    ‘De mensen belden elkaar op, vertelde mijn moeder, we huilden van geluk dat er nu eindelijk openlijk over het ongeluk werd gesproken. Een Russische dichter had zich het lot van de Joodse slachtoffers aangetrokken, van alle slachtoffers, het leek een wonder. Het leek alsof dat wereldongeluk niet meer dakloos was, alsof de eer van de herinnering was hersteld.’

    Sjostakovitsj heeft het gedicht kort na de publicatie in 1961 op muziek gezet in zijn Dertiende Symphonie die kort na de dood van Stalin, tijdens de zogenaamde dooi ten tijde van Chroesjtsjov, verscheen. Het is in dubbel opzicht symbolisch voor de holocaust. In de eerste plaats voor de gruwelen zelf waaraan in het gedicht gerefereerd wordt, maar in de tweede plaats voor het verzwijgen van de holocaust in de tijd daarna. Later, onder Breznjev, werden ook in cultureel opzicht de teugels weer aangehaald en werd Jevtoesjenko gedwongen zijn tekst aan te passen en het niet meer alleen te hebben over het droevige lot van de joden, maar dat van de Russen en Oekraïners samen met dat van de joden. Koeznetsov, die de verschrikkingen als twaalfjarige jongen zelf heeft meegemaakt, wordt door Jevtoesjenko aangemoedigd zijn getuigenis aan het papier toe te vertrouwen. Dit heeft zijn beslag gekregen in de documentaireroman Babi Jar, die pas in 1970 volledig en ongecensureerd in Engeland kon worden gepubliceerd. Pas in 1976 wordt er bij het ravijn een monument onthuld, een verschrikkelijk megalomaan geval, dat met geen enkel woord verwijst naar het specifieke lot van de joden in Babi Jar. Pas sinds 1991 staat er een joods herdenkingsteken in de vorm van een grote bronzen Menora. Vanaf de oude joodse begraafplaats loop je over een ‘Path of Sorrow’ naar de Menora. Langs dat pad is een permanente tentoonstelling te zien, waarin vooral veel aandacht wordt besteed aan het lot van de vermoorde joodse kinderen.

    Getekend landschap
    Het besef te staan aan de rand van het ravijn waar deze verschrikkelijke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden heeft iets onwerkelijks. Het vervult niet alleen met weerzin, maar ook met een gevoel van vervreemding. Nu liggen er nog wat sneeuwresten en verkleurde bladeren, restanten van de herfst en de op zijn eind lopende winter. Er is eigenlijk nog nauwelijks sprake van een ravijn, hooguit een verzakking in het landschap. Waarom zoek ik dit soort plaatsen eigenlijk op? Je zoekt veel, maar je vindt weinig of niets en dat weet je vooraf. ‘Schuldig landschap’ noemt Armando dat. Mooier kan ik het niet zeggen. Het leidt tot momenten van introspectie. Tijd en ruimte worden onduidelijke begrippen, evenals zin en betekenis. Om Caspar Janssen te parafraseren: ‘Als je echt weet wat er allemaal is en was, dan gaat het pijn doen om buiten te lopen’ (Volkskrant 02-02-2018). Toch wil ik graag buiten lopen.

     

    Deel 1 verscheen op zaterdag 19 mei, deel 2 op zaterdag 26 mei.


    Huub Bartman is historicus en liefhebber van Oost-Europese en Russische literatuur. Voor een goed begrip van het werk van deze schrijvers bezoekt hij graag de plaatsen waar ze hebben geleefd en gewerkt. Het afgelopen jaar was zijn reisdoel Kiev.