• Ontroerende en intelligente roman over euthanasie

    Ontroerende en intelligente roman over euthanasie

    Er is heel wat afgeschreven over euthanasie, maar behalve een obscure dystopie (Tijd om te gaan), een mislukte roman die de De goede dood heet maar daar niet over gaat en een sleutelroman over de vervolgde huisarts uit Tuitjehorn (De jacht op de klaproos), heeft de Nederlandse literatuur zich bij mijn weten niet aan het onderwerp gewaagd. Paradijs van slapen van Joost Oomen is een goede aanvulling op het beperkte aanbod.
    Joost Oomen (1990) debuteerde als dichter: na zijn studie Nederlands was hij een tijd stadsdichter van Groningen en publiceerde hij een aantal dichtbundels. Hoewel hij zich al eerder aan proza had gewaagd (Het perenlied uit 2020), vreesde ik toch een typische dichtersroman: plotloze, gefragmenteerde mooischrijverij, maar dit bleek niet het geval: het plot is evenwichtig, hecht en elegant.

    Paradijs van het slapen bestaat uit twee verhaallijnen. De ene gaat over de alleenstaande, uitgebluste huisarts Theo Engel die zich heeft laten omscholen tot euthanasiearts voor het Expertisecentrum Euthanasie. We volgen hem op zijn tochten door Friesland langs weilanden met vers gemaaid gras en veel schapen, op weg naar de adressen waar hij zijn macabere diensten verleent. Geroutineerd vervult hij zijn taak, terwijl hij tegelijkertijd niet kan wennen aan zijn rol als engel des doods. Hij kan nergens meer van genieten, wat gesymboliseerd wordt door zijn verdwenen reuk die hem belet het geurende gras te ruiken.

    Terugblik op een leven

    De andere verhaallijn wordt geïntroduceerd door de gevonden-manuscript-techniek. Engel krijgt een pakket in de bus dat het levensverhaal bevat van Gerrit Blauw, een voormalig theatermaker die is teruggekeerd naar Friesland. Gerrit groeide op in Sneek en werd na het eindexamen, net als zijn beste vriend Douwe, verliefd op Saartje Schaap (er komen veel schapen in het boek voor), een meisje dat al op kamers woont omdat ze van Terschelling komt en die een paar klassen lager zit. Douwe krijgt haar, maar Saartje zal altijd de belangrijkste persoon in Gerrits leven blijven. Het is de melancholie van de terugblik op een leven, het verlies dat daarbij hoort en de romantiek van de ene ware liefde die we kennen van Plato, Petrarca en Tim Krabbé. 

    Natuurlijk komen de verhaallijnen bij elkaar zodat het perspectief van de arts en van de patiënt allebei aan bod komen. Op het eerste gezicht lijkt Oomen dit te doen om ook twee visies op euthanasie tegenover elkaar te stellen: de huidige praktijk versus een liberaler alternatief, maar bij nadere beschouwing lijkt hij vooral een ander punt te willen maken, over schoonheid.

    Wat euthanasie betekent voor de arts die de euthanasie moet uitvoeren wordt heel overtuigend beschreven in het verhaal van Engel waarvoor Oomen heeft geput uit de ervaringen van zijn vader die ook euthanasiearts was. Met name de opsommingen van geanonimiseerde fragmenten uit het artsendossier, ‘78-jarige man met levercarcinoom. “Ik heb mijn vrouw ontmoet in het spookhuis. Nu ben ik het spook.”’, zijn hartverscheurend, zonder sentimenteel te worden vanwege de droge opsomming en omdat het de bewijsvoering is die de arts tijdens zijn consult heeft verzameld. 

    Scénes die beangstigen

    Een ander procedé dat heel goed werkt om het leven van de arts invoelbaar te maken zijn de tegenstellingen die worden gecreëerd. Oomen laat de zon schijnen en het landschap naar gemaaid gras geuren terwijl hij de euthanasiescènes zakelijk beschrijft: de opeenvolgende handelingen die procedureel zijn voorgeschreven, de aanwezigen, het toestemming geven. Zonder melodrama of sentiment. Maar juist dat zorgt ervoor dat het heel hard binnenkomt. 

    De zomerse omstandigheden, de alledaagse kneuterigheid. ‘“Koffie”, vraagt de zoon terwijl we onze natte jassen over de eettafelstoelen in de hal te drogen hangen’, en de routinematige handelingen van Engel vormen een adembenemend contrast met de enormiteit en onbevattelijkheid van de toegediende dood die daardoor nog meer aan angstaanjagendheid wint. Het zijn scènes die ontroeren en beangstigen tegelijk, zonder dat daaruit een oordeel blijkt of gemakkelijk effectbejag. 

    Zo ziet de lezer wat je anders -gelukkig- nauwelijks meemaakt en doet dat bovendien als buitenstaander, een weekje op pad met de dokter. Wat dat voor die dokter zelf betekent om dat jaar in jaar uit te doen, wordt later uit de doeken gedaan wanneer Theo Engel en Monique -de Officier van Justitie die hem moet beoordelen- samen dronken worden in haar kantoor. In deze prachtige scène vertelt hij voor het eerst wat hem zo dwars zit aan het werk. Dat de intervisie die hij jaarlijks met collega’s doet gevuld wordt met een spervuur aan harde grappen, maar dat niemand in staat is om er echt over praten, om te delen wat er zo erg aan is. Volgens Engel is dat de eenzaamheid van de patiënten, niet omdat niemand hen meer bezoekt, maar omdat hun ervaring van de werkelijkheid zo fundamenteel is veranderd dat die niet meer gedeeld kan worden. Over zijn eigen eenzaamheid die hij -uit solidariteit?- lijkt te hebben overgenomen van zijn patiënten, zwijgt hij echter. Die conclusie, die de onmenselijkheid van zijn werk benadrukt, mag de lezer zelf trekken. Sterk en ontroerend.

    Schoonheid als rode draad

    Schoonheid is het andere thema dat in het boek centraal staat, schoonheid die de arts Engel niet meer kan ervaren maar de rode draad vormt in het levensverhaal van Gerrit, dat doet denken aan een hoofse ridderroman. Gerrit die als een moderne Lancelot Saartje Schaap wil redden van de duistere machten van de bekrompen burgerlijkheid door wie zij ontvoerd is (haar familie in Terschelling), en die het zwaard heeft ingeruild voor de kracht van de verbeelding om haar terug te winnen. Het verhaal is een beetje zoet, maar het clichématige, nogal bedacht aandoende plot weet je toch te raken door de fraai beschreven setting die het verhaal een exotisch-romantisch tintje geeft (Het Friese platteland, Terschelling, jaren 60) en een paar goede vondsten. 

    Wanneer Engel tegen het eind van het boek bij Gerrit op bezoek gaat met als inzet de kloof tussen hen te dichten, vertelt Gerrit in een geraffineerd betoog hoe het verlangen naar schoonheid Saartje, Douwe en hem bij elkaar bracht, hoe schoonheid het belangrijkste doel in zijn leven werd en hoe schoonheid gevonden kan worden. En nu wil Gerrit bewijzen dat een leven ook in schoonheid kan eindigen. Hierin klinkt duidelijk de stem van Joost Oomen door die zich in zijn theatervoorstellingen presenteert als een profeet van de schoonheid.

    Lelijkheid en storende elementen

    Terwijl de lezer door de opgeroepen contrasten op een waarachtige, onsentimentele manier wordt geraakt wanneer hij meerijdt met Engel, geldt dit volgens Oomen kennelijk niet voor de perceptie van de personagers zelf: doordat de arts te veel met ellende wordt geconfronteerd kan hij geen schoonheid meer ervaren. En theatermaker Gerrit toont aan dat schoonheid zichzelf kan tonen zonder lelijkheid nodig te hebben. In het geval van de arts is dit te begrijpen: hij voelt helemaal niks meer, maar Gerrit is duidelijk de spreekbuis van de profeet Oomen die met zijn roman eerder een punt over kunst en schoonheid dan over euthanasie wil maken. Dat schoonheid de wereld kan redden van lelijkheid, mits er offers worden gebracht. Het personage Gerrit is om die reden eerder allegorisch dan overtuigend.

    Het taalgebruik is niet altijd even sterk. Zo slaagt Oomen er niet in om de stem van Gerrit een andere taal te geven dan die van Engel. R0nduit storend zijn de vele vergelijkingen die nergens op slaan. ‘Tiemersma arriveert, een grijze man die een beetje op een boos potlood lijkt.’ Prima als hij op een potlood lijkt, maar een boos potlood zegt mij niets. Of, ‘Ze heeft een beweeglijk soort mond die het ene moment volks chic staat als de mond van de verwende dochter van een gerenommeerd [sic!] pandjesbaas in Manchester, dan weer daadwerkelijk chic maar verarmd, als de mond van een Franse zangeres met hoogtevrees en een drankprobleem.’  Onbegrijpelijk en lelijk bovendien.

    Hopelijk wordt er voor een nieuwe herdruk nog wat eindredactie gedaan op dit soort schoonheidsfoutjes van deze sterke en ontroerende roman die het tegendeel bleek van wat de verwachting was. Geen gefragmenteerde mooischrijverij, maar een hechte roman die zowel ontroerend is als intelligent.

     

     

  • Ingenieus gecomponeerde briefroman over de macht van de verbeelding

    Ingenieus gecomponeerde briefroman over de macht van de verbeelding

    Er is weer eens een briefroman geschreven! In De schim van Raamswolde, het debuut van Alexander Baneman, lezen we de brieven die correspondentieschaker Allard van Benniq Methorst gedurende ruim een jaar naar verschillende mensen verstuurt of niet verstuurt. Halverwege de achttiende eeuw zorgde Samuel Richardsons briefroman Pamela or Virtue Rewarded (1740) voor een Pamelamania die in Engeland en continentaal Europa tot een hausse aan imitaties, vertalingen (van vertalingen), schilderijen, toneelstukken en opera’s leidde.

    Decennialang was het genre dominant en zagen talloze briefromans het licht, zoals de klassiekers Les liaisons dangereuses van Pierre Choderlos de Laclos en Die Leiden des jungen Werthers van Goethe. In Nederland is Sara Burgerhart van Betje Wolff en Aagje Deken, onlangs fenomenaal hertaald door Tonnus Oosterhoff, verreweg de beroemdste briefroman. En allemaal gaan ze over jonge vrouwen die belaagd worden door mannen, over deugd, seks, liefde, huwelijk en de balans tussen hoofd en hart. Aan het eind van de achttiende eeuw is het genre over zijn hoogtepunt heen

    Voor hedendaagse schrijvers spreekt de keuze voor de briefvorm minder vanzelf. Veel moderne briefromans hebben een historische invalshoek: ze zijn ofwel gesitueerd in een verleden waarin de brief nog een belangrijk communicatiemiddel was of ze refereren aan briefromans van weleer, zoals De Daal-en-Bergse brieven van Hella Haasse, waarin de 20ste-eeuwse hoofdpersoon met Madame de Merteuil uit Les liaisons dangereuses correspondeert. Een andere legitimatie van de briefvorm is de functie van de brief als egodocument, als therapeutische uitlaatklep, zoals in de briefromans van Gerard Reve.

    De schim van Raamswolde combineert op eigen wijze beide invalshoeken: de roman speelt zich af in 1987 – niet lang voordat de brief plaatsmaakt mail en chat. De 45-jarige Allard van Benniq Methorst houdt uitsluitend per brief contact met de buitenwereld, omdat hij zijn huis niet uit durft. Hij schrijft brieven om boodschappen te bestellen, om schaakzetten door te geven, maar vooral om zijn gedachten over zichzelf kwijt te kunnen. Hiermee markeert de roman enerzijds het einde van een tijdperk van de persoonlijke brief als communicatiemiddel, anderzijds doet de roman, hoewel niet autobiografisch, denken aan therapeutische ego-literatuur. Dit wordt onderstreept door het feit dat we alleen Allards brieven te lezen krijgen.  

    Vivisectie

    Baneman maakt het zichzelf niet makkelijk. Omdat de hoofdpersoon een kluizenaarsbestaan leidt, levert het vertelheden nauwelijks spannende gebeurtenissen op. De roman moet gedragen worden door Allards bespiegelingen en herinneringen. En dat lukt ruimschoots. Het is een plezier om deze man steeds beter te leren kennen omdat hij een sympathiek, intelligent en aandoenlijk mens is van wie je graag een brief ontvangt. Hij heeft altijd wel iets interessants weet te melden en heeft oog voor het wel en wee van de ander. Zonder zelfmedelijden legt hij zichzelf op de ontleedtafel om als een patholoog-anatoom zichzelf en de oorzaken van zijn angststoornis te analyseren.

    De roman krijgt structuur doordat Allard dit systematisch doet. Zoals hij tijdens het correspondentieschaken meerdere partijen naast elkaar speelt die zich elk op hun unieke manier ontvouwen, zo beschouwt hij in elke briefwisseling een ander aspect van zichzelf.

    Met Trudy de Klerk, een vrouw die hij nooit heeft ontmoet maar heeft leren kennen omdat ze ooit het verkeerde nummer draaide, schrijft hij over zijn liefdeloze jeugd. Zij heeft namelijk ook een getroebleerde relatie met haar vader. Die brieven zijn ontroerend door de trefzekere typering van zijn kille, liefdeloze vader én omdat Allard ondanks zijn asociale leefwijze oog heeft voor Trudy’s leed en haar probeert te troosten, zich regelmatig verontschuldigend voor zijn onhandigheid. Baneman gebruikt briefconventies als de afsluiting effectief om de emotionele gesteldheid van Allard te onderstrepen, wanneer hij Trudy over de dood van zijn vader schrijft: ‘Volgende keer meer, het grijpt mij nu te veel aan’. 

    In de brieven aan Leopold Weijzer, een oude schaakvriend, wordt de aanhef effectief ingezet om de wisselende waardering voor zijn vriend uit te drukken: ‘Waarde wurgslang’, ‘Grote schoft’ of ‘Beste Lop’ maken Leopold en de lezer meteen duidelijk hoe de vlag erbij hangt. De rode draad in deze brieven wordt gevormd door Allards angststoornis die hij nu eens verdedigt als verstandig (de man die haaien rond zijn boot ziet zwemmen, besluit toch ook niet te gaan zwemmen), dan weer afkeurt als bron van praktisch, geestelijk ongemak.  

    In de correspondentie met Daniël Wolvecamp, de twaalfjarige domineeszoon uit het dorp, staat Allards liefde voor het schaken centraal. In uitgesproken filosofische verhandelingen (‘Misschien is dit wat lastig te begrijpen voor een jongen van 12’) zet hij de relatie tussen schaken, het onderbewuste en de kunst uiteen. Net als in de andere brieven en in een schaakpartij probeert hij zich in te leven in Daniël, geeft hem leestips en adviseert over de omgang met zijn religieuze vader, wat de serieuze bespiegelingen een komische toets geeft. 

    Met Dagmar Slotvoogd, die ooit een half jaar bij hem inwoonde, is de liefde het belangrijkste thema. Deze brieven hebben een uitermate romantisch karakter: verlangen, verlies, naïviteit en onvermogen geven de brieven kleur, versterkt door het feit dat Allard Dagmars adres niet heeft. En ten slotte probeert Allard in de brieven aan gemeenteambtenaar Den Andel steeds wanhopiger de dreigende onteigening van zijn huis te voorkomen. Hij is de onpeilbare, machtige en onberekenbare tegenstander die vanuit het duister opereert.  

    Verbeelding

    De verschillende briefwisselingen zijn met elkaar verbonden door het belangrijkste overkoepelende thema van het boek: de verbeelding die als `een laagje van glanzende schellak’ over de werkelijkheid ligt. Filosofisch als Allard is, ontvouwt hij zowel de positieve als de negatieve kanten van de verbeelding.

    Enerzijds is de verbeelding een manier om controle te houden. Producten van de verbeelding zoals kunstwerken kunnen daarvoor zorgen. ‘Schaken verhoudt zich tot oorlog als een speelfilm of een boek zich tot het ware leven verhoudt’, stelt Allard. De schaker wil de buitenwereld ‘opeten en verwerken tot iets wat, ja iets wat – tot wat? – laat ik zeggen tot iets wat acceptabel is. De buitenwereld mag niet bestaan, mag alleen onderdeel van het zelf uitmaken. Anders wordt het gevaarlijk en onberekenbaar. De scalp van een tegenstander aan het bord in je ransel is een stuk buitenwereld dat je opgegeten hebt’. 

    In een brief aan Trudy verwijst Allard naar de novelle Kurgast van Herman Hesse die hem geleerd heeft hoe verbeelding gebruikt kan worden om ergernis over een persoon – bij Hesse een Nederlandse gast, bij Allard zijn vader- om te buigen in positieve waardering door die allerlei meelijwekkende ervaringen en tragische omstandigheden toe te dichten. Dit werkt echter alleen wanneer zijn vader er niet is.

    De positieve kanten van de verbeelding delven het onderspit tegen de negatieve kanten. ‘Angst en verbeelding hebben een slepend huwelijk’, stelt hij in een brief aan Dagmar, waarbij hij zijn vermoeden uitspreekt dat de angsten in zijn onderbewuste de verbeelding versterken. Hij beschrijft in een andere brief hoe hij als achtjarige zijn reflectie in een etalage zag, wat hem tot de gedachte bracht dat hij niet echt bestond; hij was slechts verbeelding. Een inzicht dat hem letterlijk aan het wankelen bracht, waardoor hij zich bijna voor een auto wierp, om voor zichzelf zijn bestaan te bewijzen.

    Het is de lezer echter duidelijk dat de verbeelding ook de angst voedt. Zo neemt Methorsts angstgegner, de Russische topschaker Tsjacharin, in zijn verbeelding zulke groteske vormen aan dat hij de partij moet staken en – nog erger – dat alle volgende tegenstanders in Tsjacharin veranderen. Ook zijn angst om naar buiten te gaan samen wordt gevoed door de verbeelding: buiten is er nou eenmaal meer gevaar denkbaar dan binnen.

    Hoewel het einde wat geforceerd en ongeloofwaardig aandoet, is het fijn om in 2024 zo’n aardige, intelligente en aandoenlijke man uit 1987 te leren kennen die zijn best doet zich zorgvuldig uit te drukken, en even prettig ouderwets overkomt als de vorm waarin hij schrijft. Dat is wat literatuur vermag: een fictief verleden overtuigend tot leven te brengen en ons te herinneren aan het verleden zoals dat ooit echt was. De Nederlandse literatuur is een fijne, intelligente briefroman rijker. 

     

  • Sfeer uit B-film jaren vijftig met een dystopisch trekje

    Sfeer uit B-film jaren vijftig met een dystopisch trekje

    ‘Goede Dood wiens zuiver pijpen / Door ’t verstilde leven boort / Die tot glimlach van begrijpen / Alle jong en schoon bekoort.’ Zo begint het bekende gedicht van Boutens over de dood die het leven bezielt. De goede dood is de titel van de tweede roman van Klaas ten Holt die als schrijver bekendheid heeft verworven door zijn blogs na het overlijden van zijn vrouw.
    De roman opent met een beschrijving van een dorp vanaf een dijk gezien waar een man aan een vrouw vertelt dat de dijk opgehoogd gaat worden. Goed nieuws, vindt hij, want dan `hebben die jongens uit De Sluis eindelijk eens wat nuttigs te doen’. Als omineus voorteken drijft, vastgebonden aan een paaltje, een dode kat in zee.

    Vervolgens wordt hoofdpersoon Franz Czekalski geïntroduceerd die zijn vader begeleidt op de piano. Eventuele positieve gedachten over huiselijkheid worden de lezer niet gegund: de vader -ooit beroemd operatenor- weigert mee te zingen, heeft in zijn broek geplast (dement) en scheldt zijn zoon uit die prompt overweegt een eind aan zijn leven te maken met een overdosis slaappillen. Hij doet het niet want de volgende dag heeft hij een sollicitatiegesprek; er is een vacature van huisarts in het dijkdorp Houweningen.

    Anachronistische karakter

    Tijdens de reis ernaartoe wordt duidelijk dat de wereld van Franz Czekalski niet het hedendaagse Nederland is: zuur- en haringventers proberen hun waar aan de man te brengen, aan de provinciegrens is er controle, op het perron zitten kaalgeschoren jongemannen in rode overalls die door een soldaat bewaakt worden en tijdens het sollicitatiegesprek krijgt Franz Cichoreikoffie. Maar ook is er led-verlichting, zijn er computers en wanneer zijn vader ter sprake komt, merkt de gemeentesecretaresse op dat Houweningen een uitstekend euthanasieprogramma heeft. Dit anachronistische karakter is een van de aardigste kenmerken van de roman: iedereen zit overal te roken, er wordt korenwijn, vieux en jenever gedronken, mannen maken de dienst uit, vrouwen zijn alleen secretaresse, assistente, prostituee of jonge deerne die gered moet worden. Het ademt de sfeer van een B-film uit de jaren vijftig, maar tegelijkertijd heeft de roman ook een dystopisch trekje vanwege `de broederschap’ die sinds `de omwenteling’ aan de macht is en `onrendabelen’ in de gevangenis stopt en een euthanasieprogramma heeft ingevoerd voor mensen boven de zeventig.

    Natuurlijk krijgt Czekalski de baan en hij trekt meteen in het huis van zijn voorganger. Gezien de combinatie demente vader, euthanasieprogramma en de titel De goede dood verwacht je nu dat het dystopische element zal worden uitgewerkt: dorpelingen en partijfunctionarissen die steeds meer druk op huisarts Franz gaan uitoefenen om zijn eigen vader te euthanaseren met een interessant gewetensconflict tot gevolg. Een andere optie is dat Franz helemaal niet zo principieel of liefdevol is, maar zijn vader niet euthanaseert om diens leven zo ondraaglijk mogelijk te maken als wraakoefening voor een vervelende jeugd of iets dergelijks. Dit is echter niet het geval.

    Achter elk voorval zit iemand

    In plaats daarvan wordt Franz verliefd op het buurmeisje die hij de rest van de roman zal blijven lastig vallen (‘Ik wil je Meeke, ik wil je zo ontzettend graag’) en treedt hij als voorzitter van de feestcommissie toe tot het kringetje notabelen van het dorp: de burgemeester, de malafide aannemer, de fanatieke sociaal voorman, de kruiperige wethouder van onderwijs en de sympathieke (want homofiele) directeur van gevangenis De Sluis. De roman is vanaf dan een soap die stuurloos van de ene ontmoeting naar de andere gaat, waarbij steevast apen uit de mouw komen en achter elk voorval iemand blijkt te zitten zonder dat duidelijk wordt waarom.

    Franz en zijn vader lijken geen andere functie te hebben dan deze scènes met elkaar te verbinden. Hoewel de hoofdpersoon tal van problemen krijgt aangereikt (de vader die onsympathiek is maar toch verzorgd moet worden, Franz’ afwijkende ideologie, zijn gewetensbezwaren over het euthanasieprogramma, zijn verliefdheid op het buurmeisje dat het met de malafide aannemer houdt etc), heeft Franz over geen van deze onderwerpen een coherente gedachte. De hoofdpersoon is iemand zonder herinneringen, zonder ontwikkeling en zonder ideeën. Een man zonder eigenschappen dus. Om deze leemte op te vullen is Franz tijdens elke scène druk bezig `kelkjes’ te vullen met jenever, korenwijn of vieux, sigaretten op te steken of zijn seksuele behoeftes te lenigen.

    Hoop op ontknoping vervliegt

    Even lijkt de soap nog in een thriller te veranderen wanneer de halfbroer van het buurmeisje en tevens zoon van de burgemeester (hoe soapie wil je het hebben) uit De Sluis ontsnapt en Czekalski bij een plan betrekt om de dijk op te blazen. Waarom deze jongen zich uitgerekend tot hem wendt, zijn hulp nodig heeft en hem vertrouwt is onduidelijk, maar tegen die tijd is de lezer al zo gewend aan onduidelijke beweegredenen dat het nauwelijks nog opvalt. Er gloort dan wel enige hoop op een ontknoping waarbij misschien een complot of iets dergelijks aan het licht wordt gebracht, maar helaas, het mag niet zo wezen.

    Deze vreemde potpourri is opgediend in de stijl van een misdaadroman. Geen mooie metaforen of vergelijkingen, geen fraaie cadans, maar een zin als `vanaf de dijk heb je een goed uitzicht op het water’ (het zou gek zijn als dat niet zo was) en een hoofdstuk dat begint met ‘die zaterdag’ terwijl er nog over geen enkele zaterdag gesproken is. De malafide aannemer die bij elke ontmoeting knipoogt, Franz die voortdurend sarcastisch of geërgerd reageert en ‘sniert’. Hij stelt zich voortdurend vragen die nooit beantwoord worden en vooral het gebrek aan stuurmanskunst van de auteur onderstrepen. Het uitgangspunt van De goede dood is prima, maar doordat Ten Holt telkens de bakens verzet en geen idee heeft wie zijn hoofdpersoon is, is het geheel niet erg geslaagd.

     

     

  • Zeemansverhalen in een nieuwe literaire traditie

    Zeemansverhalen in een nieuwe literaire traditie

    In 1595 vertrok de eerste Nederlandse handelsexpeditie met vier schepen uit Texel om specerijen te gaan halen op Java. Van de 249 bemanningsleden keerden twee jaar later slechts 87 heelhuids terug met drie schepen; het vlaggenschip Amsterdam was wegens een gebrek aan matrozen voor het eiland Bawan in brand gestoken. De expeditie leverde niets op. De historische roman A.D. van Gustaaf Peek beschrijft in bloemrijke taal zo’n Nederlandse zeereis vol tegenslag en rampspoed, maar nadrukkelijk niet deze zeereis. Volgens de flaptekst is het 1597 en stuurt de jonge Republiek der Nederlanden reusachtige schepen oostwaarts om ‘buit te vergaren’. Opmerkelijk omdat er in dat jaar geen schip die kant op werd gestuurd.

    Het boek opent met een citaat uit de Aeneis, het heldenepos van Vergilius over de Trojaan Aeneas die van de goden de opdracht krijgt een nieuw wereldrijk te stichten, het latere Romeinse rijk. Hoewel dit boek bepaald geen heldenepos is, bevat de inhoud van het citaat een omineus voorteken: het beschrijft de wanhoop van de doden die geen graf in vaste aarde hebben gevonden, de verdronkenen dus, omdat hen de toegang tot de onderwereld wordt geweigerd.

    Geen mededogen

    Door middel van steeds wisselende perspectieven leeft de lezer mee met de bemanning die ziektes, straffen, windstiltes, stormen, honger en gevaarlijke inboorlingen moet trotseren. Het gebrek aan historische aanknopingspunten zoals tijden en plaatsen, maakt invoelbaar hoe de bemanning was overgeleverd aan het ongewisse. De kennis die de bemanning wel bezit, wordt specifiek benoemd: soorten schepen (Pinas, Lichter), scheepsonderdelen (het allemansend), verschillende functies (provoost, adelborst, bottelier), wapens (haakbus, hartsvanger), straffen (laarzing, drie sprongen van de ra) en ziektes (de rode loop). Alles zonder uitleg, wat de historische afstand van de lezer tot het verhaal tegelijk ontkent en onderstreept. Naar eigen zeggen wil Peek het de lezer niet makkelijk maken, maar wel een onvergetelijke en nieuwe ervaring bieden. Daar is hij goed in geslaagd.

    Het wordt de lezer niet gegund zich aan de bemanningsleden te hechten. Dat komt niet alleen door het voortdurend wisselende perspectief, maar ook doordat de een na de ander sterft door ziekte, ongeluk, straf, moord of suïcide. De bemanningsleden hechten zich ook niet aan elkaar. Ze geven elkaar bijnamen om de afstand zo groot mogelijk te maken. Er is nauwelijks mededogen of solidariteit, maar door de perspectiefwisselingen krijgt de lezer een rijk palet aan ontreddering, sadisme, verveling, onverschilligheid, haat en hebzucht voorgeschoteld. Zelfs het collectief van opvarenden voor de mast krijgt af en toe een stem, degenen die achter de mast leven (de kapitein, de kooplieden, de schipper en de officieren) nadrukkelijk niet. 

    De machtelozen

    Het zijn dus de machtelozen die in de geschiedenisboeken ongehoord blijven en in de sociologische tak van de literatuurwetenschap ‘de ander’ worden genoemd en die Peek alsnog een stem geeft. Het is niet de stem van een slachtoffer of een heilige, maar de stem van de wanhoop en de haat. Een uitstekend idee om een historische roman te schrijven die de ontberingen van een zeereis niet in verband brengt met heroïek en godvruchtigheid, maar met machtsmisbruik, klassenverschil, racisme, vrouwenhaat, sensatiezucht, lust en het recht van de sterkste. 

    A.D. biedt daarmee tegenwicht aan de heroïek die in boeken als De scheepsjongens van Bontekoe en films als Nova Zembla wordt opgevoerd. In A.D. is de kapitein erger dan de duivel. De bemanning schaamt zich, maar wil dat niet weten. En het is gevaarlijk om hen daaraan te herinneren: ‘Maak hen niet belachelijk want dat vrezen ze het meest. Maak hen niet kleiner, minder.’

    Aan het begin van het tweede deel staat het schip in brand voor de kust van een eiland, zoals het vlaggenschip van De eerste schipvaart ook in vlammen is opgegaan. Toch wijkt Peek zodanig af van historische gebeurtenissen en reisbeschrijvingen dat het duidelijk is dat hij zich niet heeft laten inspireren door één specifieke reis. De brand en de resterende verwikkelingen worden nu opeens allemaal vanuit hetzelfde perspectief verteld, dat van een jonge eilandbewoner, zoon van een verdwenen Portugees en een overleden inlandse vrouw. De hoofdstukken zijn niet langer genummerd om te benadrukken dat de verteller van dit tweede deel ongeletterd is.

    Wanhopige jongeman

    Met deze jongeman gooit Peek opeens een van zijn favoriete thema’s op tafel: een hoofdpersoon die los komt van zijn achtergrond. Deze jongen is wanhopig op zoek naar rolmodellen die hij niet kan vinden onder zijn stamgenoten noch onder de nieuwe kolonisten. De manier waarop de jongen als een kip zonder kop het eiland afschuimt en in een voortdurende existentiële crisis verkeert, is nogal over the top. De schaarse dialogen stuiteren heen en weer tussen onbegrijpelijk en ridicuul, de beschreven gruwelijkheden zijn misselijkmakend.

    Dit tweede deel is beduidend minder goed dan het eerste. De lezer moet per sé de politiek-correcte boodschap geserveerd krijgen dat kolonialisme, geweld, verkrachting, diefstal en toe-eigening betekent en tot verweesde bastaards en geknechte inlanders leidt. Onnodig, want waarschijnlijk vinden vrijwel alle lezers van dit boek dit al. Bovendien bleken die slechte bedoelingen al overduidelijk uit het eerste deel. Beter had Peek een historische roman over De eerste schipvaart geschreven. Die vertrok weliswaar al in 1595 in plaats van 1597 en resulteerde niet in de oprichting van een fort en de onderwerping van een eiland, maar bevatte voldoende materiaal voor een prachtige roman waarin Peek zijn opvattingen over het misplaatste gebral over het roemrijke VOC-verleden kwijt kan, precies zoals hij dit in het eerste deel van het boek geweldig heeft gedaan. 

    Als hij zich beperkt had tot een beschrijving van die ene reis, zou het boek een evenwichtiger indruk hebben opgeleverd. Dat laat onverlet dat dit boek door zijn stijl, invalshoek en opvattingen aan de fraaie Nederlandse literaire traditie van zeemansverhalen en reisbeschrijvingen een nieuwe richting geeft.

     

  • Ambitieus, maar als Grote Nederlandse Roman niet overtuigend

    Ambitieus, maar als Grote Nederlandse Roman niet overtuigend

    Met maatschappelijke discussies over VOC-mentaliteit, immigratie, moslimterrorisme, zwarte piet, seksuele intimidatie en de academische preoccupatie met gender en postkolonialisme is het identiteitsdenken helemaal terug. In romans wordt opnieuw gezocht naar ouderwetse concepten als volksaard en tijdgeest. Zo zou Ons soort mensen van Julia Zeh de Duitse volksaard typeren, De jaren van Annie Ernaux de Franse tijdgeest vangen en volgens de flaptekst zou De lange adem van Martijn Knol een Grote Nederlandse Roman zijn. 

    De term Grote Nederlandse Roman is afgeleid van The Great American Novel. De negentiende-eeuwse Amerikaanse schrijver John William DeForest muntte het begrip in een essay waarin hij zich afvroeg welke schrijver als eerste een roman zou schrijven die de Amerikaanse ziel wist te vangen. De Duitse filosofen Herder en Fichte hadden bedacht dat een volk net als een individu bepaalde onderscheidende eigenschappen bezat: de volksaard die zich volgens de tijdgeest op een bepaalde manier ontwikkelde. En zoals een mens zichzelf moet leren kennen om het geluk te kunnen vinden, zo moest een volk dat ook. 

    De Grote Nederlandse Roman

    Met de Max Havelaar schreef Multatuli dé Grote Nederlandse roman waarmee hij het Nederlandse volk confronteerde met diens gedragingen in Nederlands Indië en met zijn volksaard. De bekende Droogstoppel kreeg de ongebruikelijke voornaam Batavus mee: de Bataaf maar dan deftig gelatiniseerd. Hij stond voor de zelfingenomen kooplieden en machthebbers die zich op waarheidsliefde en godvrezendheid lieten voorstaan, maar in werkelijkheid egoïstische graaiers waren. Beter was het om als zijn arme, idealistische maar fatsoenlijke tegenpool Max Havelaar in het leven te staan. 

    Het etiket The Great American Novel wordt inmiddels op zulke uiteenlopende Amerikaanse romans geplakt dat men zich kan afvragen wat het precies betekent. De populariteit, mate van canonisering en ambitie van een roman lijken in ieder geval minstens zo belangrijk als de vraag of de roman de volksaard en tijdgeest weet te vangen. 

    De lange adem van Martijn Knol heeft twee hoofdpersonen: Robbert, oud-commando maar inmiddels beveiliger voor een groot warenhuis en Roman, een reclameman. Robbert is een jaar of dertig, serieus en wil verantwoordelijkheid voor anderen dragen: er zijn voor zijn vrienden, zijn vriendin en ‘het systeem’ beschermen -desnoods met geweld, wat hem voor sommige vrouwen spannend-gevaarlijk maakt. Na een leven als commando wil hij nu huisje, boompje, beestje. 

    Verantwoordelijkheid versus hedonisme

    Reclameman Roman is wat ouder dan Robbert. Hij is geestig, charismatisch en een levensgenieter. Hij leeft alleen voor zichzelf en houdt zich niet aan conventies of andere regeltjes. Na het faillissement van zijn succesvolle reclamebureau dreigt – o gruwel – de verveling toe te slaan en besluit hij een nieuwe poging te wagen. Wanneer het succes hem begint te vervelen, richt hij een politieke partij op om Nederlanders te doordringen van hun morele plicht te genieten van de consumptiemaatschappij zonder zich te laten afleiden door zeurende politici. Verantwoordelijkheidsbesef versus hedonisme wat eindigt in een klinkende overwinning voor lang leve zichzelf en zijn plezier.

    Hoewel de hoofdpersonen wat dat betreft enigszins clichématig en schematisch zijn, overtuigen ze toch in al hun oppervlakkigheid. Ook andere personages zoals Laura, de bitcherige carrièrevrouw die zich aan niemand wat gelegen laat liggen is ééndimensionaal, maar wordt wel goed neergezet. Dat komt vooral doordat Knol een goede monologue intérieur schrijft. De dialogen echter schieten regelmatig uit de bocht waarbij vooral de auteur zichtbaar wordt in plaats van het personage. Dit zorgt voor ongeloofwaardige passages en flauwiteiten. Zo reageert Laura op Robberts kinderwens met zinnen als: ‘Maar helaas, geen soelaas: zoals je weet vind ik de procreatie een stuk minder pregnant dan jij’.

    Daarnaast komt er een heel scala aan personages (familie, partners, vrienden en vriendinnen, collega’s, werknemers, kiezers) voorbij die niet tot nauwelijks gestalte krijgen. Evenmin wordt hun relatie met de hoofdpersonen geëxpliciteerd. Zo is er een paragraaf waarin een zekere Clothilde een dodelijke hoeveelheid slaappillen slikt en dan aan boord stapt van een vliegtuig. Tientallen pagina’s later pakt Roman een bord uit de kast van tante Clothilde zodat de oplettende lezer alsnog die paragraaf -enigszins – kan plaatsen. 

    Fictieve lezers

    De opbouw van de roman is zeer fragmentarisch. In 99 hoofdstukken worden in genummerde paragrafen van soms één regel en soms meerdere pagina’s flitsen getoond uit het verleden en de toekomst van de hoofdpersonen zonder dat de tijd ooit gespecificeerd wordt en enkel de seizoenen eruit af te leiden zijn. Die flitsen hebben iets met de hoofdpersoon te maken. Het kunnen dus andere mensen zijn, maar ook moppen, juridische casussen of reclamespotjes  en – de wat gedateerde kunstgreep van – postmodernistisch commentaar van fictieve lezers die over de roman in discussie gaan. 

    Deze opbouw stelt de lezer behoorlijk op de proef. De eerste tientallen pagina’s staat de lezer voortdurend voor raadsels: wie is er nu aan het woord, wat wordt er nu verteld, wanneer is dit? Naarmate de roman vordert, wordt steeds duidelijker waar, wanneer en bij wie de puzzelstukjes horen. Zo krijgen de twee hoofdpersonen langzaam steeds meer gestalte, overigens zonder dat je voor grote verrassingen komt te staan. 

    Dat is de grootste makke van De lange adem: terwijl de aanvankelijke bevreemding van de lezer geleidelijk afneemt, bevredigt het eindresultaat niet helemaal. Alsof je een puzzel van tweeduizend stukjes maakt en er langzaam een vrij saai plaatje tevoorschijn komt van twee mannen. Twee mannen zonder vermogen tot zelfreflectie die telkens weer tegen dezelfde muur aanlopen. Twee mannen die eigenlijk het tegenovergestelde belichamen van de introspectie en ontwikkeling waar  eerder genoemde Herder en Fichte in geloofden.

    Ambitie is niet voldoende

    De caleidoscopische opbouw getuigt van ambitie en is geschikt om vele aspecten van Nederland te tonen. Er komen uiteenlopende mensen aan het woord die overtuigen als zeer Nederlands, zij banjeren in Nederlandse steden en landschappen rond en ondernemen tal van lullige Nederlandse activiteiten zoals lasergamen, barbecueën en volkstuinieren. In dat opzicht voldoet de roman aan het criterium van Herder die stelde dat de waarde van een cultuuruiting bepaald wordt door de mate waarin het volk zichzelf erin herkent. 

    Toch overtuigt de roman niet echt, ook niet als Grote Nederlandse Roman. Knol is een goede character builder, maar hij lijdt aan hetzelfde euvel als zijn personages: veel interessants heeft hij niet te vertellen. Het maatschappelijk engagement van Max Havelaar ontbreekt, net als interessante of originele ideeën over de Nederlandse volksaard of tijdgeest. Het is dan ook te betwijfelen of deze roman een plek in de canon zal verwerven.

     

     

  • H.M van den Brink schreef een fijn vakantieboek

    H.M van den Brink schreef een fijn vakantieboek

    Vakantieverveling aan de Costa Brava leidde in 2005 tot de conceptie van Aurora schrijft, de nieuwe roman van H.M. van den Brink. Toen hij uit arren moede het schrijvershuis van Catalonië’s beroemdste schrijver Josep Pla (1897-1981) bezocht, wekte dit bij Van den Brink zoveel belangstelling dat hij het als  vakantieproject adopteerde. Vijftien jaar later, na uitvoerig onderzoek, besloot Van den Brink  zijn principes om niet over schrijvers en evenmin autobiografisch of biografisch te schrijven te ‘nuanceren’ en schreef hij een biografische roman waarin Pla’s verhouding met zijn grote liefde Aurora centraal staat.

    Josep Pla was in de eerste plaats journalist. Vanaf 1919 is hij actief als correspondent en later als parlementair journalist. Tijdens de Spaanse burgeroorlog vlucht hij naar Marseille waar hij als spion actief is voor Franco. Wanneer hij is teruggekeerd, schrijft hij een aantal boeken over zijn geboortestreek waardoor hij bekend staat als de chroniqueur van Catalonië. Vanaf de jaren vijftig schrijft hij reisreportages waarvoor hij zich bij voorkeur per olietanker verplaatst. In 1966, wordt zijn bekendste boek, Het grijze schrift, als eerste deel van het verzameld werk gepubliceerd- een soort dagboek waarin Pla’s herinneringen aan de periode 1918-1919 zijn beschreven. 1966 is ook het jaar waarin Aurora schrijft een aanvang neemt.

    Onzekerheid over Aurora

    Pla’s liefdesleven was in nevelen gehuld. Uit ongepubliceerde notities bleek dat Pla ooit met een zekere Aurora samenwoonde. De herinneringen die Pla aan deze relatie ophaalt – tijdens een reis per olietanker – staan centraal in deze roman waarin de gebeurtenissen op een heerlijk terloopse manier worden opgediend. De lezer verkeert vaak in lichte verwarring waar het verhaal naartoe gaat. Alsof je zelf ook een reis maakt en in prettige onzekerheid verkeert over wat de toekomst brengen zal.  

    Onzekerheid is een belangrijk thema in het boek. Onzekerheid over Aurora (Er is weinig over haar bekend en het personage Pla heeft weinig zicht op Aurora’s wensen en drijfveren) en onzekerheid over het verleden: stemt de herinnering overeen met de werkelijkheid? Als schrijver maakte Pla zich daarover weinig illusies. In zijn grijze schrift doet hij de werkelijkheid bewust geweld aan: onze herinneringen creëren de werkelijkheid.  Zonder dit allemaal uit te leggen refereert Van den Brink hieraan wanneer hij op de eerste pagina schrijft: ‘Het is, laten we zeggen, 21 januari 1966.’ 

    Dit wordt verder uitgewerkt wanneer blijkt dat Pla het laatste deel van Prousts Verloren tijd mee heeft genomen. Pla verwijt Proust zich te verschuilen achter de fictieve plaatsnaam Combray: ‘alsof je een alibi nodig hebt om de werkelijkheid zo te beschrijven als het je uitkomt’. Deze mopperkonterige weerspannigheid typeert hem als personage. Op zijn website noemt Van den Brink de schrijver Josep Pla een vreemd dubbelzinnig karakter waarvoor hij niet veel sympathie kan opbrengen. Hij vindt hem interessant, maar niet als schrijver. 

    Een sikkeneurige misantroop

    Deze distantie heeft een prachtig personage opgeleverd: Pla is neergezet als een sikkeneurige misantroop: eigengereid, geestig, egoïstisch, seksistisch, wispelturig, verre van politiek correct dus, zonder dat hij een karikatuur wordt. Terloops verweeft Van den Brink biografische feiten met interpretatie en fictie.

    Bovendien maakt Van den Brink tussen de regels zijn verhouding tot Pla subtiel duidelijk. Dit geestige, lichtvoetige spel met fictie en werkelijkheid manifesteert zich vooral aan het begin van het boek. Pla maakt regelmatig treffende en creatieve vergelijkingen, om er vervolgens aan toe te voegen dat alleen salonschrijvers dit zouden opschrijven. ‘Ze smeren er hun teksten vol mee als een hoer de groeven in haar facie, ze plamuren de werkelijkheid dicht met bloemrijke taal in plaats van gewoon de wereld te beschrijven zoals hij is.’

    Wie was Aurora?

    Dit getuigt van (zelf)spot van de schrijver, hij wordt als het ware beledigd door Pla die zijn beeldspraak belachelijk maakt. Tegelijkertijd benadrukt Pla’s decreet de wereld te beschrijven zoals hij is al zijn onbetrouwbaarheid, hij geeft de werkelijkheid weer zoals hij zich die wenst te herinneren. Wel pretendeert hij waarheidsgetrouw te zijn. Het benadrukt hoe Van den Brink zich als schrijver distantieert van de schrijver Pla. De journalistieke en autobiografische pretentie van Pla’s werk verschilt sterk Van den Brinks poëtica als romanschrijver die niet over zichzelf en niet over schrijverschap wil schrijven, maar over ‘echte mensen’ met ‘echte beroepen’. Het kenmerkt de relatie tussen Van den Brink en zijn hoofdpersoon. 

    In het tweede deel van de roman krijgt Aurora ook een stem. De vorm waarin dit gebeurt is opmerkelijk. Haar versie van het verhaal wordt in ik-perspectief opgevoerd, steeds afgewisseld door een hoofdstuk waarin Pla zijn licht op de gebeurtenissen laat schijnen in een personaal perspectief. Deze ongerijmdheid laat zich moeilijk verklaren. De hypothese dat het hele verhaal door Aurora zou zijn opgediend is niet houdbaar. Wanneer Pla het over Aurora heeft, spreekt hij van ‘Aurora’, ‘zij’ en ‘haar’. Als Aurora het hele verhaal had verteld, zou het ‘ik’ en ‘mij’ moeten zijn. 

    Ook inhoudelijk is Van den Brinks keuze niet goed te begrijpen. Misschien wil hij een spreekbuis zijn voor de stemloze Aurora als tegenwicht voor datgene wat de foute Pla over haar schrijft in zijn aantekeningen, en voor de geruchten die over haar de ronde doen. Maar als Van den Brink Aurora wil rehabiliteren, waarom heeft hij dan niet het hele boek vanuit haar beschreven? Op zijn website is te lezen dat Van den Brink de vraag wie zij nu eigenlijk was, belangrijk vindt. Maar geeft de roman daar uitsluitsel over?  In deze roman is het in ieder geval Pla die het beste in Van den Brink naar boven haalt en niet Aurora.
    Aurora schrijft is geboren tijdens een reis, gaat over een reis, en voelt als een reis. Een reis naar een andere tijd, een andere cultuur en een ander persoon. Een heerlijk vakantieboek dus, zeker als je thuisblijft.

     

     

  • Chroniquer van de Wallen terug met wijdlopige thriller

    Chroniquer van de Wallen terug  met wijdlopige thriller

    Liefhebbers van literaire thrillers kunnen wellicht plezier beleven aan de roman 23 seconden van Kees van Beijnum. Houd je niet van dit genre, laat deze roman dan aan je voorbij gaan. Kees van Beijnum brak in 1995 door met Dichter op de Zeedijk, een semi-autobiografische roman over zijn jeugd op de wallen in de jaren zestig en zeventig. Zijn moeder was uitbaatster van een hotel daar. De jonge Constant Wegman uit Dichter op de Zeedijk heeft literaire aspiraties en voert gesprekken met de zeventiende-eeuwse dichter Joost van den Vondel die hem voorbereidt op het auteurschap. In 23 seconden is de dertiger Anne van plan een boek te schrijven over haar jeugd op de wallen in de jaren tachtig en negentig, wanneer de gezelligheid van weleer heeft plaatsgemaakt voor junkieverdriet.

    Het boek opent met een scène waarin Anne aan de Instagram table van een Amsterdams café moed zit te verzamelen om sinds lange tijd de buurt te betreden waar ze is opgegroeid. De lezer krijgt meteen te lezen dat zij een boek over haar vermoorde moeder gaat schrijven omdat zij, (net gescheiden) geld nodig heeft. Dat de uitgever beter is in onderhandelen dan zij, dat haar moeder is vermoord toen zij zeventien was (‘wie had kunnen denken dat een dode hoer meer waard is dan levend’) en dat zij een vriendje had van wie de moeder een hotel op de Zeedijk uitbaatte.

    Telling en Showing

    Wanneer zij zich vervolgens door een groep Aziatische toeristen als ‘een bange verstekeling de grens over [laat] smokkelen’, wordt ze voor de voormalige bakkerswinkel bevangen door duizeligheid en krijgt het gevoel flauw te vallen. Ze leunt tegen een muur om bij te komen, zich afvragend waarom ‘de aanblik van dit even onschuldige als luisterrijke pandje’ zo’n hevige uitwerking op haar heeft. 

    Een opening die menig lezer zal afschrikken om de overige 380 pagina’s tot zich te nemen. In gedachten lepelt de hoofdpersoon de belangrijkste ingrediënten van het verhaal op, maar doordat deze verhaallijn niet als terugblik gebracht wordt, is het nogal vreemd dat iemand in zichzelf zit te vertellen wat de voorgeschiedenis is en waarom zij zo de wallen gaat betreden. Alsof de schrijver zich realiseert dat dit wel erg veel telling is, moet de lezer nu door showing (de duizeligheid) ervan doordrongen worden dat de jeugd van de hoofdpersoon diepe wonden heeft geslagen. Het beeld lijkt rechtstreeks uit een slechte B-film te komen en wat de hoofdpersoon zich afvraagt is ronduit bespottelijk. 

    Wie denkt dat dit jeugdtrauma vervolgens boeiend wordt uitgewerkt, komt bedrogen uit. De hoofdpersoon gaat de moord van haar moeder onderzoeken en doet dat onverschrokken; als een echte rechercheur bezoekt zij hoerenlopers, junks, tattoo artists, duivelaanbidders, psychiatrisch patiënten en gebrouilleerde familieleden zonder dat luisterrijke en onschuldige gevels voor veel duizelingen zorgen. Die komen voor rekening van de lezer die een eindeloze stoet aan bezoekjes en gesprekken moet verteren.

    In een interview vertelde Van Beijnum dat hij ooit een vriendje had wiens moeder de hoer speelde en dat hem dat kennelijk nooit heeft losgelaten. Dit vriendje zal dan niet model hebben gestaan voor hoofdpersoon Anne, daarvoor wordt zij te schematisch en clichématig opgevoerd. Conform de hoofdpersonen van literaire thrillers van Saskia Noort, Esther Verhoef, Suzanne Vermeer etc is zij een witte dertiger in een moeilijke fase (doorgaans door een moeilijke jeugd, verborgen verleden, scheiding, gevaarlijke man of een combinatie daarvan) die te veel geld uitgeeft aan mooie schoenen als het even te veel wordt of gewoon om lekker te ontspannen een fles witte wijn opentrekt, en natuurlijk naar een spannende maar toch lieve man hunkert. Een vervelend stereotype. Dat Van Beijnum maar meteen alle ingrediënten voor de moeilijke fase in het boek heeft gestopt, maakt het boek nodeloos wijdlopig zonder dat het ervoor zorgt dat de hoofdpersoon meer diepgang krijgt.

    Vermakelijk als chroniqueur van de Wallen 

    Wellicht dat het jeugdvriendje van Van Beijnum model heeft gestaan voor Haantje, de buurjongen van de hoofdpersoon die voor de moord op haar moeder is veroordeeld. Hij stuurt haar oude dagboekfragmenten toe zodat we ook vanuit zijn perspectief lezen wat er begin jaren negentig gebeurde. Dit personage is een stuk interessanter: zoon van een Leger-des-Heilssoldate en tegelijkertijd timide en onbeholpen, maar ook ondernemend en moralistisch, op het fanatieke af. 

    Dit belet hem niet om als klusjesman te gaan werken voor de bad guy die gemodelleerd is naar Maarten Lamers die in de jaren tachtig magister templii van de Satanskerk op de Oudezijds Achterburgwal was. Dit is de beste kant van het boek: als een modern soort exotisme kan de lezer zich vermaken met al die vreemde types die de wallen bevolken, deels dezelfde als in Dichter op de Zeedijk. Dan is Van Beijnum als chroniqueur van de Wallen vermakelijk. Tegelijkertijd is ook merkbaar dat hij er al lang niet meer woont: over de Wallen van nu komen we niet meer te weten dan dat ze erg toeristisch zijn, wat tot in den treure wordt herhaald en benadrukt.

    Jammer dat het boek op teveel gedachten hinkt (en een tijdsbeeld van de Wallen willen schetsen en iets met dat jeugdvriendje willen doen en een thriller willen zijn) en aan overdaad ten onder gaat. Als Van Beijnum zich had beperkt tot Haantje en de randfiguren was het een beter boek geworden. Nu moet de lezer 380 pagina’s door voor de obligate verrassende wending waarna de puzzelstukjes rond de moord op Anne’s moeder op hun plaats vallen.

     

  • Hoe te reageren op de belediging die seksueel misbruik is

    Hoe te reageren op de belediging die seksueel misbruik is

    Nadat klinisch psycholoog Iva Bicanic, gespecialiseerd in het behandelen van misbruikte jongeren, was geïnterviewd door De Volkskrant, wilde ze het artikel controleren voordat het gepubliceerd werd. Niet op feitelijke onjuistheden maar op uitspraken ‘die mensen [kunnen] raken in negatieve zin […] zodat niemand thuis beschadigd wordt, dat het alleen maar helpend, steunend en ontschuldigend is’. Daarom kiest Bicanic haar woorden altijd voorzichtig.

    Het illustreert hoe groot het taboe op seksueel misbruik is: je zegt snel iets verkeerds. Dat geldt niet alleen voor hulpverleners als Bicanic, maar ook voor de slachtoffers. Toen Griet op De Beeck bij De wereld draait door vertelde dat zij in haar jeugd was misbruikt, werden zowel haar betrouwbaarheid als de oprechtheid van haar motieven in twijfel getrokken. Een reactie die het argument van slachtoffers voedt om niet aan de bel trekken: ik word toch niet geloofd en het leidt tot nog meer inbreuk op mijn waardigheid. Geen aanlokkelijk vooruitzicht en een goede reden om alle ellende voor je te houden. In de roman Noodweer van Marijke Schermer wordt beschreven hoe dit nooit helemaal lukt: de ellende zoekt toch een uitweg.

    Niet te verdragen woede

    Ook bij Manon Uphoff. Haar nieuwe roman Vallen is als vliegen opent met de nu al beroemde openingszin: ‘Lezer, ik wilde dit verhaal niet vertellen.’  Waarna het hele eerste hoofdstuk leest als een apologie voor het schrijven van dit boek. Alsof zij, een schrijfster die haar sporen verdiend heeft, niet over haar meest verborgen zielenroerselen zou mogen schrijven. Van wie niet, waarom niet? Wanneer het misbruik in heel zijn verontrustende omvang al is beschreven, beantwoordt Uphoff deze vraag: ‘hoe je voor zo’n belediging [eufemistisch voor het misbruik] te revancheren en erop te reageren in een wereld die de woede van vrouwen niet verdraagt?’

    Zelf verdroeg de schrijfster haar woede echter ook niet meer. De dood van haar oudere halfzus Henne Vuur – ook slachtoffer van het seksueel misbruik – geeft substantie aan de depressie waarin ze op dat moment verkeert. Het hardnekkige zwijgen heeft zich geuit in zelfdestructie: ‘[Ik] heb geen andere mogelijkheid meer dan terug te keren naar een geschiedenis die ik dacht te zijn ontvlucht en die nooit alleen de mijne was, maar die van ons allemaal.’ Zo overstijgt deze roman het particuliere: zij schrijft ook voor haar zussen en daarmee voor iedereen die met seksueel misbruikt te maken heeft gehad.

    Vermijden van slachtofferschap

    Ook voor de daders, al weigert Uphoff begrippen als dader en slachtoffer te gebruiken: ‘die doen geen recht aan het weefsel, het web om alles heen, de inbedding in de zwijgende samenleving’, zegt ze in een interview met Het Parool. De roman maakt duidelijk dat het onverdraaglijk is om een slachtoffer te zijn, dat blijkt uit de schokkende gebeurtenissen die haar andere halfzus, Toddie Woddie overkomen. Met slachtoffers wil niemand omgaan, laat staan dat ze geholpen worden.

    Hoe je achteraf te verdedigen tegen die belediging die het misbruik is, hoe je te revancheren?  Niet met een keiharde afrekening dus, hoewel zij daar alle reden toe heeft. In plaats daarvan noemt zij haar vader ‘de briljante architect van onze angst en opwinding en regisseur van onze momenten van extreme verrukking en vrees’. Vervolgens beschrijft zij het misbruik zelf – de aard van het gezinsleven en de gevolgen ervan voor de levens van haar zussen (broers blijven buiten beschouwing), en alle verwarrende, tegenstrijdige gevoelens: ‘Ach, maar wat als alles wat je hebt geleerd en gezien over de liefde, tederheid en zorg ook daar, en voor het eerst (en zo krachtig!), tot leven is gewekt?’

    Taal verandert vallen in vliegen

    Kunst en met name literatuur boden tot dusver een ontsnapping aan de demonen. Ietwat cynisch memoreert Uphoff  hoe haar debuut, de verhalenbundel Begeerte, lovend ontvangen werd als een triomf van de fantasie. Pijnlijk als men nu terugleest dat het noli me tangere (raak me niet meer aan) dat ze op dertienjarige leeftijd tegen haar vader uitspreekt aan de orde komt in het verhaal Vlees waarin de dochter van een slager rond haar dertiende weigert nog langer vlees te eten, vlees dat haar enerzijds vervult van genot en tegelijkertijd van walging. Herlees de bundel – zeer de moeite waard – en men ziet dat in elk verhaal de thema’s macht, seks, erotiek en onschuld een rol spelen. Literatuur als middel om het onbenoembare toch te zeggen.

    Met open vizier

    Nu echter wordt de literatuur gebruikt om met open vizier de strijd met de demonen aan te gaan- het gif zoals Uphoff het noemt. Openhartig maar niet onverbloemd. De veelvuldige literaire en historische verwijzingen – die niet allemaal van toegevoegde waarde zijn – en het stilistisch machtsvertoon – Uphoff is werkelijk een voortreffelijk schrijfster – lijken als bescherming te dienen voor de uiterst pijnlijke en moedige confrontatie die ze aangaat: het is de taal die het vallen in vliegen verandert.

    Uphoff wilde deze roman niet schrijven. Soms ligt schoonheid in de eenvoud, hier is het andersom. Vallen is als vliegen ademt tot in elke zin, elk woord, elke letter wat een enorme krachttoer het is geweest om te vliegen. Dat maakt het boek niet makkelijk toegankelijk, maar wel boeiend en confronterend. Vallen is als vliegen is een monument van een boek en verplichte kost voor een zwijgende samenleving.