• Vruchtbare Kunstwerken

    Vruchtbare Kunstwerken

    Soms baart een kunstwerk nageslacht. En dan bedoel ik geen kopie, of kleine replica’s. Nee, ik bedoel dat een kunstwerk echt een ‘kindje’ krijgt, dat een zelfstandig leven leidt. Auguste Rodin is hier een meester in. Voor hem was elk kunstwerk nimmer het eindstation, maar louter beginpunt voor een volgende generatie kunstwerken. Als geen ander zette hij onderdelen van zijn kunstwerken op een zelfstandig podium, of combineerde ze met elkaar tot nieuwe werken. Met als mooiste voorbeeld het nageslacht van zijn Hellepoort. Deze poort, waarover ik al eerder schreef in de column Verhalende beelden, is waarschijnlijk één van de meest vruchtbare kunstwerken ooit. Er kwamen bijna honderd kinderen uit voort, waaronder de Denker, Danaide, Kariatide met steen, De Kus, Ugolini en zijn kinderen, Drie Schaduwen, Fugit Amor, Paolo en Francesca, Meditatie, De Oude courtisane, Eeuwige lente, Vallende man, Adam en Eva. Niet slecht voor een sculptuur die zelf de volmaaktheid niet bereikte. Rodin zou de Hellepoort immers nooit zelf tot bronzen volwassenheid brengen; dat gebeurde pas met behulp van zijn assistenten na zijn dood.

    Ook literaire kunstwerken baren soms nageslacht. Zelfstandige literaire pareltjes, die ook als ze de moederschoot niet verlaten, eigenlijk wel een eigen leven verdienen, zoals De Parabel van de Gouden Muur uit De Ontdekking van de Hemel (Harry Mulisch, 1992). Dit ‘ongeboren’ kindje beschrijft hoe de wereld in feite uit twee werelden bestaat, die worden gescheiden door een gouden muur. De eerste wereld is die van de gewone man uit de straat, van Henk en Ingrid en al die anderen die geregeerd worden en hun tijd doorbrengen in de “luidruchtige chaos van het dagelijkse leven”. Waarin zij berusten omdat ze ervan uitgaan dat het achter de gouden muur allemaal anders is en daar de orde en tucht van koningen en ambtenaren heerst. Totdat ze er in slagen een blik te werpen in dat vermeende paradijs van paleizen en ministeries en de ontdekking doen die Mulisch zo aanstekelijk beschrijft dat ik hem al jaren gebruik als intro op lezingen over mijn werk als beleidsmaker: “Wie mocht ontdekken – wat vrijwel onmogelijk is – hoe beleid wordt gemaakt, die zal zijn verdere leven moeten slijten met een fundamenteel gevoel van onveiligheid.”

    Waar de Parabel van de Gouden Muur nog niet echt op eigen benen staat heeft De verdrinking (Roger Martin du Gard, 2008) zich wel weten te ontworstelen aan het ouderlijk huis. Dit dertiende hoofdstuk van de onafgemaakte roman Luitenant-kolonel de Maumort werd als zelfstandige novelle uitgebracht. Met daarin dezelfde angstaanjagende scène die ook voorkomt in Luitenant-Kolonel de Maumort, waarin de zeventienjarige bakkersknecht Yves de rivier overzwemt, naar sergeant De Balcourt toe. Een overtocht die zoals de titel van de novelle reeds verraadt niet goed afloopt. “Hij was ver, ik kon hem niet goed zien. Een kleine blonde vlek, half weggezonken in het water… Hij verdween, kwam weer boven, verdween opnieuw, om nog één keer boven te komen.” Maar voordat Yves wegzinkt in het troebele water is hij door Martin du Gard aan de vergetelheid ontrukt. Zoals Rodin de Lente tweemaal eeuwigheid verleent, schenkt Martin du Gard de bakkersknecht Yves tweemaal het leven. Omdat een kunstwerk soms nageslacht baart.

     

    Verhalende beelden

     

     

  • Verhalende beelden

    Eén van de grote verschillen tussen geschreven en beeldende kunst is de factor tijd. Een beeld of schilderij geeft meestal één scène; een boek honderden. Soms smokkelt een schilder of beeldhouwer wat, en beeldt hij twee of drie scènes uit. Maar veel verder komt een kunstenaar bijna nooit.

    Tenzij je natuurlijk Auguste Rodin heet, het Franse genie dat aan het einde van de  negentiende eeuw de beeldhouwkunst op zijn kop zette. Een onvermoeibare verhalenverteller in klei, brons, gips en marmer, die geen genoegen nam met de beperkingen van zijn metier. En soms driedimensionaal probeerde te doen wat schrijvers op honderden pagina’s doen: een amalgaam van verhalen, als een weldadig woud waarin je – in de beste zin des woords – naar hartenlust kunt verdwalen.

    Zelf had Rodin één boek waarin hij het liefst verdwaalde: het eerste deel van Dante Alighieri’s Goddelijke Komedie, waarin diens tocht naar de Hel centraal staat, met die prachtige eerste regels:

    In het midden van de reis door ons leven,
    hervond ik mij in een duister woud,
    want de rechte weg was geheel verloren

    Volgens de overlevering las Rodin het liefst elke dag iets in Dante’s Hel. Steeds weer nieuwe verhalen opsnuivend die zich in zijn hoofd mengden met zijn sculpturale ideeën en vervolgens via zijn handen in klei en gips een ongekend energieke uitweg zochten. Leidend tot de Hellepoort (1880-1917), de meest geweldige poort die je je kan voorstellen. Niet erg praktisch als poort, maar even gevarieerd en overvol als het meest schitterende woud, waarbij Danteske figuren de plaats van de bomen innemen: zoals Ugolini die zijn eigen kinderen op eet of de verdoemde geliefden Paula en Francesca uit Rimini. Die laatste twee zelfs meerdere keren op de deur, waaronder eenmaal innig kussend. Wereldberoemd en onvergetelijk. Deze scène is dan ook met de Denker, die overigens bovenop de Hellepoort zetelt, misschien wel het bekendste beeldmerk van Rodin.

    Al met al is duidelijk dat Rodin’s verbeelding van Dante’s Hel een explosie van verhaallijnen is, waarin Rodin uiteindelijk net zo verdwaalde als Dante in het woud. Met dat verschil dat hij niet in het midden van zijn leven, maar in het tweede deel ervan verdwaalde. Rodin werkte 37 jaar aan zijn Hellepoort, zonder deze ooit af te ronden. Pas na zijn dood werd het door zijn assistenten in de huidige vorm in elkaar gezet en in brons gegoten. Maar toen Rodin nog leefde was de Hellepoort al wel tot leven gekomen. De Kus, de Denker, de Drie Schaduwen, Adam en Eva. Ze zijn voor de poort gemaakt en later als apart beeld uitvergroot. En de lijst sculpturale nakomelingen van de poort is nog veel langer. Weliswaar niet zo lang als de lijst figuren uit de Goddelijke Komedie. Maar Rodin komt als één van de weinige kunstenaars met zijn Hellepoort wel in de buurt. En bewijst zo dat beeldende kunst soms net zo verhalenrijk is als het meest uitgebreide boek.

     

    Vertaling citaat door Frederica Bremer, uitgever Tjeenk Willink en Zoon, 6e druk, 1965