• Een prachtige, poëtische en theatrale roman

    Een prachtige, poëtische en theatrale roman

    Volgend jaar viert Peter Handke zijn zestigjarig jubileum als schrijver. In 1966 verscheen zijn debuut Die Hornissen (De wespen, 1979) en trok zijn toneelstuk Publikumsbeschimpfung (Hooggeëerd publiek, 1968) internationale aandacht. Geboren in Oostenrijk, woonde de jonge Handke in de DDR. Later reisde hij over de hele wereld en sinds 1990 woont hij in de regio van Parijs. Handke is een bijzonder productief auteur, maar zelfs van een Nobelprijswinnaar wordt niet alles vertaald. Al kun je je afvragen waarom de roman Der Hausierer (1967) als enige van zijn vroege werk nooit in het Nederlands werd vertaald.

    Wanneer Handke, zoals vaak, zijn werk in Oostenrijk situeert, dan gaat het eigenlijk om een klein stukje van dat land, het deel van Karinthië dat grenst aan Slovenië. Zoals in Nog altijd storm (Immer noch Sturm, 2010) vertaald door Miek Zwamborn. Zij is dichteres en wellicht daardoor geschikt om deze tekst te vertalen die leest als een roman, maar ook als een toneelmonoloog. Zowel in Duitsland als in Oostenrijk kreeg dit boek een theaterprijs. ’t Barre Land speelde in april dit jaar, ter gelegenheid van de verschijning van Zwamborns vertaling een aantal monologen daaruit. Toch is de tekst moeiteloos als een poëtische, theatrale roman te lezen.

    De verteller en zijn overleden familie

    De verteller, die gezien zijn familiegeschiedenis sterk lijkt op Handke zelf, zit aan het begin van het verhaal op een bank naast een appelboom voor een boerderij in het Oostenrijkse Jaundal, aan de grens met Slovenië, dat Handke voor de gelegenheid als Jaunfeld heeft herdoopt. Er doemen plots overleden familieleden op die op deze plek hebben gewoond. Zijn grootouders en hun vijf kinderen: drie ooms, een tante en zijn moeder, leden van de ‘Svinec-clan’. Een of meer familieleden spreken de verteller toe. Als een clanlid zwijgt, houden de anderen hun adem in. De ‘droom’ van de verteller begint in 1936, ‘een gelukkig jaar’. Twee jaar voor de Anschluss, waarbij de ‘austrofascistische Bundesstaat Österreich’ werd ingelijfd in het Derde Rijk. Daarna volgen er scenes uit 1942, het geboortejaar van de verteller, ook het jaar waarin de drie broers moeten dienen in het Duitse leger, en uit 1945, het jaar van de Duitse capitulatie.

    De moeder van de verteller wil van het leven genieten. Haar zuster Ursula was werkster en woont daarna teruggetrokken in de koestal. De oudste broer Gregor heeft slechts een oog, studeerde over de grens in Joegoslavië voor fruitboom verzorger en heeft het ouderlijk erf van een appel- en perenboomgaard voorzien. Hij werd daarin een echte expert. Wanneer Gregor voor militaire dienst in Nederland verblijft, is zijn hoogtepunt dat hij oog in oog komt te staan met de Schone van Boskoop. Broer Valentin is een rokkenjager en een wereldburger. Hij wil per se goed Engels leren spreken en misschien ooit emigreren naar Amerika. Het nakomertje (Benjamin) valt in zeven sloten tegelijk en heeft een hekel aan alles en iedereen.

    In de oorlog zit Gregor als soldaat in Nederland, verveelt Valentin zich in Noorwegen en bevindt Benjamin zich in de Oost-Europese steppen, vanwaaruit ze brieven naar huis schrijven.

    Omdat de moeder de brieven van haar broers voorleest, speelt ze een belangrijke rol in het tweede deel van het boek. Daarbij is haar grote liefde, de vader van de verteller, een Duitser. Het kind wordt dan ook door de clan verwenst. Peetoom Gregor over de baby: ‘Ja, hij daar is mijn vijand. De koekoek die ons inheemsen tot op de laatste piep en donsveren uit het nest zal smijten. Futiel schepsel, vormbeginsel van de grote vijand, van de usurpator. Familievijand – volksvijand. De wieg uit met jou, het hondenhok in met dat bastaardkind.’

    Stel je voor: de verteller hoort dit aan, op de bank als bejaarde man, ouder dan zijn grootvader tegenover hem, in aanwezigheid van de zuigeling die hij ooit was. Fascinerend, maar ook ontroerend.

    Taal als motief

    Taal vormt een cruciaal motief in Nog altijd storm. Tijdens de oorlog is het in het Reich verplicht om in het openbaar Duits te spreken. Daarom is het Sloveens van de clan door de Duitsers verboden als ‘ondermensenkoeterwaals’, dat de censor in de soldatenbrieven van de broers zwart kleurt. Zelfs de namen worden officieel verduitst: Svinec wordt Swinetz. De grootvader vervloekt daarom alle Duitsers, ‘van Arnulf tot Ziegfried, van de Anneliesen tot de Zieglindes’.

    De clan heeft een visie op de eigen taal. Allerlei woorden mogen van de grootouders in hun huis niet worden gebruikt. Zoals ‘liefde’, ‘geschiedenis’, ‘tragedie’ en ‘ik’. De moeder van de verteller herkent haar zoon aan zijn taal, zoals ook de rest van de familieleden: ‘Aan jouw taal herken ik je, apenzoon. Wij allen hier verzameld zijn te herkennen aan onze taal (…). Niemand in het hele land spreekt zoals wij, zal zoals wij gesproken hebben.’

    In de oorlog sneuvelen twee broers. Ursula sluit zich aan bij de partizanen, gevolgd door broer Gregor, die deserteerde uit het Duitse leger. Na veel ontberingen en sterfgevallen heeft hun lokale verzet van Sloveense Karinthiërs uiteindelijk een deel van de streek in handen. Trots dat ze al voor het einde van de Tweede Wereldoorlog als enige verzetsgroep in heel het Derde Rijk zelf een gebied hebben veroverd. Waardoor Oostenrijk zelfs na de Nazi capitulatie bij de onderhandelingen met de geallieerden in een gunstige positie kwam te verkeren.

    Mede daarom en tot de grote teleurstelling van ‘dappere hazenharten’ als oom Gregor, kwam het Sloveense deel van Karinthië uiteindelijk niet bij Joegoslavië. Handke gaat hier verder niet op in, maar het nabije Tolmin, dat door Joegoslavische partizanen werd bevrijd, ging in 1947 wel degelijk van Italië naar dit buurland. Ondanks het ‘familievijand – volksvijand’ heeft oom Gregor een bijzondere band met zijn petekind, ook omdat hij de oorlog heeft overleefd. Overigens in een land dat de hevig ontgoochelde Gregor niet meer herkent, zijn boomgaard is afgebrand en vervangen door een parkeerplaats voor pantserwagens.

    Levensgeschiedenis als materiaal

    De boerderij, de grootouders en hun vijf kinderen komen ook in ander werk van Handke voor. Soms in iets andere gedaanten en omstandigheden. Het gaat er dan ook niet om, zo dicht mogelijk bij de werkelijke levensgeschiedenis van Peter Handke te komen, maar om de verschillende manieren waarop de schrijver die als materiaal gebruikt. Al in zijn debuutroman spelen brieven van en associaties over een oom Gregor die in november 1943 sneuvelde, een belangrijke rol. In Dwars door de dorpen (1981), net als Nog altijd storm een soort dramatisch gedicht, keert een Gregor terug naar zijn vaderland dat hij niet meer herkent. Vervolgens, in het epos Herhaling (1986) lezen we Filip Kobals zoektocht naar zijn verdwenen broer Gregor. En een zekere Gregor Keuschnig is een personage in zowel Het Uur van de Ware Sensatie (1975) en Niemandsbaai (1994) als Nacht op de rivier (2008).

    In Mein Tag in anderen Land. Ein Dämonengeschichte (2021) lijkt het personage dat jarenlang door demonen wordt geteisterd sterk op de fruitboomteler oom Gregor, met het petekind als de verteller en ‘chroniqueur’. Helemaal aan het slot van Nog altijd storm herinnert de verteller zich een epifane ervaring in een voormalig goudgraversdorp in Alaska, dat hij ooit bezocht. Tussen het massale gekrioel van de toeristen ontdekte hij een paar inheemse bewoners. Die bleken een eigen code te hanteren om over en door de toeristen heen met elkaar te communiceren.

    De lezer moet onmiddellijk denken aan de moeder van de vertellen die hem hierboven toevertrouwde: ‘Wij allen hier verzameld zijn te herkennen aan onze taal, kunnen elkaar zo tenminste herkennen, ieder van ons kan de ander als een van ons herkennen.’

    Handke herinnert ons hiermee aan de realiteit dat er tot op de huidige dag – en misschien meer dan ooit – veel en veelsoortige ontheemden in onze wereld bestaan. Daarmee is Nog altijd storm meer dan een prachtige, poëtische en theatrale roman alleen.

     

  • Postmodern meesterwerk uit Schotland

    Postmodern meesterwerk uit Schotland

    De roman Poor Things (1992) van Alasdair Gray, vertaald door Robbert-Jan Henkes als Arm ding, werd beroemd door de veelbekroonde verfilming van Yorgos Lanthimos in 2023 met Emma Stone in de hoofdrol. Alasdair Gray (1934-2019) was een bijzonder interessant auteur die voor een ware renaissance van de Schotse literatuur zorgde met zijn omvangrijke romandebuut Lanark. A Life in Four Books (1981). Hij was een van Schotlands belangrijkste beeldend kunstenaars en alleen al om de illustraties en de typografie is zijn literaire werk een waar genoegen. Dat geldt ook voor Arm ding. ‘Voorvallen uit het vroege leven van Archibald McCandless M.D. van de Schotse Dienst Volksgezondheid, bezorgd door Alasdair Gray.’

    Arm ding is zijn belangrijkste boek, meer nog dan in zijn debuut laat hij hierin zien hoe cruciaal de rol van de stad Glasgow in de Britse geschiedenis was. Eind negentiende eeuw stond Glasgow in wetenschappelijk en economisch opzicht boven Londen op nummer een in the British Empire.

    Verdronken vrouw tot leven gewekt

    Met Arm ding schreef Gray een verhaal over een anonieme vrouw in het victoriaanse Glasgow die zichzelf verdronk. Ze wordt door de geleerde Godwin Baxter gevonden en met het brein van haar ongeboren dochter weer tot leven gewekt en opgenomen in zijn huis. Hij noemt haar Bella Baxter. Baxter ontfermde zich ook over Archibald McCandless (Archie), een boeren bastaardkind dat op de universiteit gepest werd om zijn accent en kleding. Bella, die aanvankelijk de motoriek van een peuter heeft alsook het bijbehorende taalgebruik, ontwikkelt zich snel. Baxter laat Archie nauwkeurig Bella’s vorderingen noteren. Archie wordt verliefd op haar en Baxter besluit dat ze later met elkaar zullen trouwen.

    Ondertussen laat Bella zich ‘ontvoeren’ door de charmante losbol, advocaat Duncan Wedderburn, voor een tour door Europa. Tijdens haar afwezigheid ontvangen Archie en Baxter korte levenstekens van haar. Ondertussen beweegt Bella zich zowel geestelijk als fysiek steeds soepeler en begint ze na te denken over de samenleving.

    Wedderburn wil ook met Bella trouwen, maar zij is niet van plan haar belofte aan Archie te verbreken. De teleurgestelde advocaat vlucht in drank en gokken, waarna ze berooid stranden in Parijs. Om geld te verdienen werkt Bella een tijdje in een bordeel en maakt via een collega kennis met het socialisme.

    De werkelijkheid over Bella

    In Alexandrië wordt ze geconfronteerd met verschrikkelijke armoede en raakt overstuur, ook omdat ze plotseling aan haar dode dochtertje moet denken. Als ze uiteindelijk thuiskomt, vertelt ze over de ellende in Alexandrië en vraagt zich af wat zij kan doen. Baxter raadt haar aan de problemen dicht bij huis te bestrijden door arts te worden in het arme deel van Glasgow.

    Als Archie en Bella gaan trouwen worden ze in de kerk verrast door een gezelschap van vijf mannen. Ene Sir Aubrey de la Pole Blessington beweert dat Bella, Victoria heet en zijn vrouw is. Ook Bella’s vader, een steenrijke spoorwegmagnaat, is aanwezig, evenals een lijfarts, een advocaat en een privédetective. Baxter nodigt het gezelschap uit om in zijn woning van gedachten te wisselen. Dan blijkt Blessington zijn echtgenote jaren geleden aan clitoridectomie wilde onderwerpen. Ondertussen ging hij vreemd met een dienstmeisje. Als Bella vervolgens onthult dat Blessington de gemaskerde, prematuur ejaculerende ‘mister Spankybot’ uit haar Parijse bordeel is, wordt het de man te veel en pleegt hij zelfmoord.

    Bella en Archie krijgen drie zoons. Archie wordt voorzitter van de Glasgowse Burgerlijke Verheffingstrust en Bella leidt een kraamkliniek en schrijft pamfletten voor de beroemde Fabian Society en het vrouwenkiesrecht.

    ‘FINIS’

    Maar dan kennen we Gray niet: er volgen nog 35 bladzijden met kritische en historische kanttekeningen van bezorger Alasdair Gray, die ons al vergastte op een inleiding van acht pagina’s voor het relaas van Archie.

    Postmoderne trukendoos

    Zowel de inleiding als de kanttekeningen rammelen verdacht. Want Gray gebruikte voor Arm ding de hele postmoderne trukendoos. Verschillende ‘authentieke’ teksten die elkaar opzettelijk lijken tegen te spreken, plus de daarbij behorende typografie. Zo te zien komt het officiële cv van Blessington, de dertiende baronet van die naam, uit Who is Who? uit 1883. Maar de manier waarop het cv vermeldt hoe het latere parlementslid in alle mogelijke uithoeken van het koloniale Britse Imperium heeft huisgehouden, is zelfs voor die dagen hoogst overdreven en onwaarschijnlijk. Laat staan de locaties van sommige van zijn veldslagen: Fumuckenugger, Bullubgur.

    De intertekstualiteit gebruikt Gray dan ook op allerlei manieren. Hij verwijst indirect naar een hele reeks auteurs, van Dostojewski – De speler – en Dickens tot Arthur Conan Doyle. Ook speelt hij met de namen van zijn personages. Zo verwijst de tweede voornaam van Godwin Bysshe Baxter naar Percy Bysshe Shelley. Shelly trouwde met Mary Wolstonecraft, dochter van de politieke filosoof William Godwin en auteur van Frankenstein; or, The Modern Prometheus (1818). Het verhaal dat werd geconcipieerd in Byrons Villa Diodati bij het meer van Geneve. Daar denken we aan Lady Blessingtons uiterst populaire Conversations of Lord Byron (1834).

    Gray’s eigen scenario

    De verfilming is werkelijk bijzonder: ‘Frankenstein meets Pygmalion’, met een beetje ‘steampunk’. Maar Gray zou zeker teleurgesteld zijn geweest dat scenarist Tony McNamara de locatie heeft verplaatst van Glasgow naar Londen. Er is bewijs dat de auteur dat zelf nooit zou hebben gedaan. Namelijk Gray’s eigen scenario dat in zijn bundel A Gray Play Book (2009) staat.  Tijdens het schrijven van die roman wist Gray ‘zeker’ dat hiermee een carrière zou beginnen als schrijver voor het bioscoopscherm. Want Frankenstein en horror gothic waren destijds populairder dan ooit en hij had zijn roman met ruime hand voorzien van een negentiende-eeuwse sfeer en de bijbehorende kostuums.

    Een filmscenarioschrijver ziet een ander medium voor zich en moet daardoor afwijken van de gelaagde, postmoderne structuur van een tekst (en in dit geval, ook beeld). Vooral het probleem van de opzettelijke inconsistenties en contradicties oplossen. Wat te doen met de verschillende versies van de werkelijkheid? In dit geval: wie sprak de waarheid? Archie of de weduwe Victoria? Bovendien blijken vanuit het scenario-perspectief de dialogen in Arm ding soms wel er lang en de (bijna-) herhalingen tamelijk overbodig. Zo is Godwin Baxter in zijn sociale en politieke betogen langdradig, net als het lange verhaal van de spoormagnaat. Sterker is dat het geval bij de ‘missionarissen’ zoals Gray ze noemt, Hooker en Astley. Hun ellenlange redevoeringen om Bella te overtuigen, worden spoedig saai en vervelend als je ze door acteurs ziet uitspreken.

    Het boek vertaald naar een filmscenario

    De wanhopige en razende brief van Wedderburn in het boek heeft Gray ‘vertaald’ in een bezoek van twee artsen aan het gesticht waarin de advocaat verblijft. De man begint te vertellen en we zien hem, maanden eerder, opgewekt het huis van Baxter binnengaan en vervolgens Bella het hof maken. Dan zien we de reis van de minnaars door Europa, soms afgewisseld met scènes uit het gesticht, meestal met Wedderburns voice-over. Hetzelfde procedé hanteert Gray voor het weergeven van Bella’s lange reisverslagen.

    Na de zelfmoord van Blessington toont Gray een serie film stills, als uit een fotoalbum: Archie in zijn kantoor; Diens echtgenote in een geanimeerd gesprek met de Fabians Shaw, Wells en Webb; Victoria die de Royal Albert Hall toespreekt over vrouwenkiesrecht; Met haar assistentes in de geboortekliniek; Met haar drie kinderen.

    Arm ding in vertaling van Henkes leest prettig, al had de titel natuurlijk moeten zijn Arme dingen, zoals het origineel in meervoud. Het vertalen leek soms niet eenvoudig. Bella heeft bijvoorbeeld de gewoonte om voor- en achternamen in te korten waardoor ze een dubbelzinnige betekenis krijgen: God, Candle, Bell en Wed. Ze gebruikt ‘wed’ ook als werkwoordelijke aanduiding voor de geslachtsdaad. Maar wat moet de lezer met ‘Kaars’ en ‘huwen’? Blessingtons posh lost Henkes op door hem te laten spreken als corpsleden: ‘polisie’ en ‘justisie’. ‘Lame vrouw los, mneer’. Dat werkt niet altijd goed, maar we mogen Koppernik en Henkes dankbaar zijn dat een prachtboek als Arm ding nu in waardig Nederlands beschikbaar is voor de lezer.

     

     

  • Kees ’t Hart en de essentie van het warenhuis als museum en strijdperk

    Kees ’t Hart en de essentie van het warenhuis als museum en strijdperk

    Wie wil een boek lezen waarvan de verteller een consultant is, die het liefst honderduit over zijn werk zevert en vindt dat zijn betoog geen roman mag worden? Wij allen, mits het De Rode Olifant heet en is geschreven door Kees ’t Hart. 

    ’t Hart debuteerde in 1988 met de verhalenbundel Vitrines, waarover later. Geen familie van de bestsellerauteur Maarten, schreef een recensent in die tijd. Zevenendertig jaar en zevenentwintig boeken (romans, verhalen, essays, toneel, poëzie) verder zal niemand deze relatie meer leggen. Als er al een verwantschap zou bestaan is dat met collega P.F. Thomése, met wie ’t Hart korte tijd in de redactie van De Revisor zat. Beide auteurs zijn immers zeer bekwaam in het hanteren van zeer uiteenlopende stijlen en genres. Thomése schreef naast zijn ‘serieuze’ werk de drie slapstick-romans met J. Kessels als hoofdpersoon en in 2007 verscheen zijn roman Vladiwostok! met een spindokter in de hoofdrol, over het politieke bedrijf in Den Haag, de bijbehorende media en andere valkuilen.  

    Als ’t Hart een historisch roman schrijft over Aagje Deken en Betje Wolff, doet hij dat via een hedendaagse onderzoeker die met e-mailberichten strooit. En Wederzijds (2017) is een relaas waarin keurige Haagse burgers langzaam maar zeker politiek radicaliseren en uiteindelijk tot hun verbazing bij een gewelddadige groep terechtkomen. In De revue (1999) wekt ’t Hart het Amsterdamse theater Carré uit de jaren zestig tot leven via een licht schurend liefdesverhaal.  

    Een merkwaardig buitenbeentje

    Voordat we naar De Rode Olifant gaan, moeten we het verhaal ‘Warenhuis’ uit zijn debuut Vitrines bekijken. Daarin vertelt een jongen van twintig dolgraag te willen stagelopen in een warenhuis. Zijn opleiding heeft hij niet heeft afgemaakt, maar wel werkervaring in kampwinkels opgedaan.  Bijzonder is zijn motivering: hij hoopt door de aanwezige vitrines en bakken zijn herinneringen te kunnen ordenen tot een samenhangend geheel. Ik stel het nu wat simpel, de verteller houdt vrij gecompliceerde betogen over zijn herinneringen en die van anderen, vervolgens over herinneringen die een hele keten van andere kunnen veroorzaken etc. Hij schrijft sollicitatiebrieven en wordt soms uitgenodigd voor een gesprek. Vergeefs. Door zijn wat criminele vader en zijn broers wordt hij zowel geholpen als tegengewerkt. Ze moeten vooral lachen om het belang dat hij hecht aan een gele corsage.

    In dit verhaal zien we al de echte Kees ’t Hart opdoemen. De verteller is een merkwaardig buitenbeentje en blijkt ook onbetrouwbaar, want bijvoorbeeld de brieven zijn niet (alle?) verstuurd en die gesprekken hebben niet (alle?) plaatsgevonden.

    Over warenhuizen en winkelcentra

    De Rode Olifant begint met een anonieme consultant voor het winkel- en warenhuismanagement, die door ene dr. H. Fritzen per brief wordt gevraagd om eens te komen praten in de Rode Olifant. Een overbekend gebouw in Den Haag. Er bestaat geen hoge dunk van consultants. Ze verdienen te veel met vaag gebabbel in modieus jargon. Bullshit jobs. Maar net als de kleine minderheid van managers die bij het afscheid met huilende werknemers worden geconfronteerd die hen smeken alsjeblieft toch maar te blijven, zo bestaan er ook bekwame consultants. ’t Hart wekt de geloofwaardig indruk dat zijn verteller zo iemand is.

    Aan de ene kant is daardoor De Rode Olifant een interessant betoog over warenhuizen en winkelcentra, de essentie van retail business, waar over elk detail dient te worden nagedacht. De trekkers zonder welke winkelcentra niet kunnen floreren en het belang van een display. Logistiek als oorlogvoering, de rituelen waarmee het warenhuis lijkt op een museum. Het verrast ons niet dat de verteller was betrokken bij Westfield Mall of the Netherlands in Leidschendam.

    Maar zijn pogingen Fritzen te spreken te krijgen, verlopen moeizaam. Eerst wil de verteller weten wat voor vlees hij in de kuip heeft – ook zijn vriend Pim vindt desgevraagd echter erg weinig daarover. Wel heeft Pim onlangs ene Anna Postvelt ontmoet, die een kantoortje heeft in de Rode Olifant. Een zeer succesvolle standbouwer die alleen nog maar prestigieuze projecten aanneemt als de Arsenale tijdens de Bienale. Behalve in Den Haag heeft haar bedrijf vestigingen in Minneapolis en Parijs. En… zij blijkt ook het jeugdvriendinnetje van de verteller, die haar daarna uit het oog is verloren.

    Honderduit over Zola en Warhol

    We krijgen zijn uitgebreide terugblik die in ieder geval duidelijk maakt dat hij volstrekt geen oudere versie is van de jongen uit het verhaal ‘Warenhuis’. Integendeel. Want enig kind, met een brigadegeneraal als vader en na zijn middelbare school in Nijmegen student aan de KMA en de Erasmus universiteit. Alhoewel, zijn interesse in het warenhuiswezen werd gewekt toen hij als scholier een vakantiebaantje had bij de lokale V&D en met zijn ouders kamperend in Frankrijk bracht hij uren door in de grote supermarkten aldaar. 

    De andere kant van de roman leren we in tussenzinnen kennen, waarmee ’t Hart de spanning prettig opvoert. Een hoofdstuk eindigt bijvoorbeeld met het zinnetje ‘Niet verstandig.’ Waarom? Verder is er af en toe sprake van een ‘advocaat’, een ‘pleidooi’ en een ‘rechtszaak’. ’t Hart schotelt de lezer hierover telkens kleine brokjes informatie voor, net als over een ex die hem ‘emotioneel instabiel’ noemde, zijn ‘woedeaanvallen’, zijn ‘roes’ en ‘pathos’. Brokjes die vragen oproepen, maar ’t Hart leidt de lezer hiervan listig af door de wijdlopigheid van het verslag en de zelfingenomenheid van de verteller als professional. Honderduit vertelt hij over zijn vak en over Émile Zola’s roman Au bonheur des dames (1883) die hij als een bijbel annex handboek beschouwt. Over de dagboeken van Andy Warhol waarin die het over warenhuizen heeft. Over het schilderij Un bar aux Folies Bergère (1882) van Édouard Manet. Dat krijgen we ook te zien, net als de afbeeldingen van de Rode Olifant, waarmee hij zijn geschiedenis van het gebouw illustreert, begonnen als het Petrolea van Esso en eindigend als het bedrijvenverzamelgebouw Traces.

    Man met een opdracht of verovering van een jeugdliefde?

    Als hij de geheimzinnige Fritzen eindelijk ontmoet, blijkt hij een opdracht te krijgen: ontwerp een warenhuismuseum in de Rode Olifant. Dit is geen spoiler, want we zijn pas op drievijfde van de roman en hebben nog allerlei avonturen te goed, onder andere in Parijs en Minneapolis. Op een gegeven moment vraagt de lezer zich af waarover de roman eigenlijk gaat: een man die een moeilijke maar prestigieuze opdracht krijgt of een man die na decennia zijn jeugdliefde probeert terug te veroveren?

    Dan hebben we onze aandacht laten afleiden van de andere kant van de verteller, die van de terloopse zinnetjes die aangeven dat hij even onbetrouwbaar is als de jongen uit 1988. Veel boeken van retail-deskundigen die hij citeert, kunnen we direct op het internet terugvinden, maar andere heeft ‘t Hart verzonnen. Het bedrijvenverzamelgebouw Traces heet in werkelijkheid Spaces. En mag zijn verslag in geen geval een roman worden? Op nog geen vijfde van het boek vraagt hij al, ‘Zou het, na enige omwerking met andere namen, niet ook als roman kunnen worden gepubliceerd? Kent u mensen uit de uitgeverwereld?’

    De afloop – ’t Hart knoopt geloofwaardig diverse verhaallijnen aan elkaar – is vooral te verklaren vanuit de stukjes informatie die drijven in de woordenstroom.

    Een in alle opzichten interessante roman, De Rode Olifant. We hebben Herman Heijermans’ toneelstuk De opgaande zon (1908), waarbij het warenhuis uit de titel verwijst naar de bestaande Bijenkorf, zoals Zola’s warenhuis naar als Le Bon Marché verwijst. Maar het stuk van ’t Hart gaat vooral over de galanteriewinkel die wordt bedreigd door het naburige warenhuis. Het is zowaar spijtig dat de consultant zweeg over het echec V&D. En wat zou hij hebben gevonden van de manier waarop het Rotterdamse warenhuis Ter Meulen is getransformeerd?

     

     

    Lees ook: Victorien ik hou van je
    Theatro Olimpico
    Wim Brands en Kees ’t Hart in wederzijds-interview

     

  • Een belangrijke nieuwe schakel in De tandeloze tijd

    Een belangrijke nieuwe schakel in De tandeloze tijd

    Eindelijk is ook voor de gewone lezer Kastanje a/d Zee, dat in 2016 in een zeer kleine, bibliofiele oplaag verscheen, beschikbaar. Deze keer met een prachtig klassieke omslag van J. Tapperwijn in de stijl van het begin van de cyclus De tandeloze tijd. Plus een uitgebreider nawoord van de auteur, waarin hij Kastanje a/d Zee kwalificeert als ‘een erotische studie van de jaloezie in al haar facetten en verschijningsvormen.’

    Het grootste deel van deze roman is letterlijk een ‘Kammerspiel’, met als locatie het Nijmeegse zolderkamertje van Marike de Swart. Zij is een belangrijk personage in De tandeloze tijd, soms staat ze centraal, dan weer duikt ze via een korte passage in een nieuw deel op. Maar daarover later. We zoomen met Kastanje a/d Zee letterlijk in op de relatie van Albert en Marike in het Nijmegen van 1975, afgewisseld met passages uit het Geldrop van de jaren zestig. Misschien ook vanwege het aantal pagina’s, (231) maakt het geheel een strakker gecomponeerde indruk dan de lijviger delen van de cyclus.

    In de jaren zestig maken we de kennis met rivaliteit tussen de scholieren Albert Egberts en Hans Krop. De laatste is een knappe atleet, afkomstig uit de lokale goudkust, de wijk Skandia, vol hoogopgeleide ingenieurs die bij Philips in Eindhoven werken. Albert is intelligent en verbaal begaafd, maar woonachtig aan de verkeerde kant van het riviertje de Dommel, met een vader die drinkt en familieleden die in de oorlog aan de verkeerde kant stonden. Krop is ook de leider van een troepje jongens uit Skandia, waarin Albert zowaar wordt toegelaten. Onder de groepsdreiging dwingt Krop hem om zijn huiswerk te maken en ‘steelt’ hij Alberts bijzondere uitspraken om indruk te maken op meisjes als de schoonheid Wilma Allebrandi. Wanneer Albert De deur van Simenon leest, beseft hij wat voor een gecompliceerde wederzijdse rivaliteit er tussen hem en Krop bestaat. En dan blijkt tien jaar later in Nijmegen Alberts vriendin Marike enigszins verliefd op Krop te zijn en laait zijn jaloezie weer op, heviger dan ooit.

    Prachtige zinnen en bijzondere metaforen

    Van der Heijden gebruikt allerlei varianten van het begrip – minnenijd, ijverzucht, afgunst – en vertrouwt zijn rivaal toe dat hij alle passages uit Othello over jaloezie uit zijn hoofd heeft geleerd. Gezien de thematiek wemelt het in Kastanje a/d Zee van de seksscènes die door Albert van bloemrijk, soms grappig commentaar worden voorzien. Met name bij een NVSH-lezing over ‘vrouwelijke ejaculeren’, waarbij een assistente van de wetenschapper dit ook daadwerkelijk demonstreert.
    De roman staat ook weer vol met prachtige zinnen en bijzondere metaforen, waarvoor Van der Heijden nu eenmaal garant staat. Zo blikt de verteller vanuit het Amsterdam van eind jaren negentig terug op dat oude ‘dramma delle gelosia’: ‘Er waren mooiere vrouwen in zijn leven geweest dan Marike de Swart – vrouwen ook aan wie Albert op middelbare leeftijd betere herinneringen bewaarde dan aan haar.

    En toch… ‘als hij heel eerlijk was, vooral tegenover zichzelf, moest Albert toegeven dat geen van die vrouwen, ook zijn gouden Zwanet niet, hem fysiek zo diep geraakt had als de op het oog onaanzienlijke Marike. (…) Alleen met Marike de Swart was het in de kaalgeslagen Tuin der Lusten goed verboden vruchten plukken. Buitengewone uiterlijke schoonheid zou haar alleen maar op afstand geplaatst hebben.’ Albert zou er misschien net zo door verlamd zijn als in de tijd van Corinne, die aan de vooravond van haar carrière als fotomodel ‘zijn impotentie ontmaskerd’ had. De verteller besluit met de mededeling dat de oudere Albert op de drempel van de slaap geregeld Marike seks ziet hebben met een rivaal, waarbij ze hem een schuldbewuste blik toewerpt.

    En dan de kastanjeboom

    Terug naar 1975: De seks in Kastanje a/d Zee is niet altijd lief en aardig, want Albert wil doorgaan tot ‘het hele erge’, het weerzinwekkende. Merkwaardig dat sommige critici Van der Heijden verweten dat hij hierin opereerde als een relict uit de jaren zestig-zeventig. Ten eerste speelt de roman in die tijd en ten tweede verzet de verteller zich expliciet met zoveel woorden tegen de ‘vrijheid-blijheid’ uit die jaren. Ten derde is Alberts voorkeur voor het weerzinwekkende debet aan de enige remedie die hij kan bedenken voor zijn ondraaglijke obsessie met Krop. Namelijk een trio is, waarbij hij zijn rivaal met Marike ziet vrijen. Op Hemelvaartsdag, maar het zou voor Albert een ‘Hellevaartsdag’ worden.

    Dan gaat de boom uit de titel een rol spelen. ‘Ergens aan de Noordzeekust (…) In een van de duingebieden (…) In de voorste regionen. Vlak aan het strand’ bevindt zich een paardenkastanje. Albert werd daar in april 1973 met Marike bedwelmd door de zware geur van kastanjebloesem, vermengd met zilte zeelucht. Spermalucht, denkt Albert. Vooruitziend, want later meent hij te ruiken dat zijn rivaal Krop de geur van ‘Kastanje a/d Zee no 5’ bij Marike heeft veroorzaakt. Op een halfslachtige manier revancheert hij zich tenslotte voor de ‘Hellevaartsdag’, gevolgd door een vechtpartij met Krop op straat die door de politie wordt beslecht.

    Belangrijke rol Marike Swart

    Marike de Swart speelt met name in de delen Vallende ouders en De gevarendriehoek, waarin gebeurtenissen uit Alberts jeugd in Geldrop afwisselen met zijn dagelijks leven in Amsterdam en Nijmegen, een belangrijk rol. Het is in de ‘Keizerstad’ waar hij Marike leert kennen, ze helpt hem van zijn impotentie af en neemt een paar jaar later in Het hof van barmhartigheid en Onder het plaveisel het moeras met haar partner Gidion Schwantje deel aan seksuele groepsspelletjes waarbij ook Albert aanwezig is.
    De verteller van Kastanje a/d Zee, die hierboven terugkijkt vanuit het Amsterdam van eind jaren negentig, ‘verzwijgt’ hier dat Albert in De helleveeg (2013) wederom aan impotentie leed en naar eigen zeggen op bezoek ging bij het meisje dat ‘me vier jaar eerder zo geduldig van dienst was geweest bij het herstel van mijn krachten.’ Maar Marike stuurde hem weg.

    Er is nog meer. Decennia later – volgens de tijdrekening van de cyclus – speelt ze als Marique met haar Gidion een hoofdrol in de novelle Schwantjes’s Fijne Vleeschwaren (2019), waarin sprake is van een moord. In Stemvorken (2021) vertelt Alberts echtgenote Zwanet hoe ze ooit getuige was van het seksuele ongemak van Marike, die zij gefascineerd ‘Het Onaanzienlijke Meisje’ noemt. Tijdens haar liefdesspel met Corinne Suwijn voert ze dit verhaal geregeld op. Pas in Zogkoorts (2023) geeft Zwanet de gedetailleerde beschrijving van Marikes lesbische ontmaagding. Een jaar later, in 1975, ziet zij haar weer, in Nijmegen, bij de bovengenoemde NVSH-lezing. Overigens, voor het eerst ook Albert Egberts.

    Belangrijke nieuwe schakel

    Een complicatie voor sommige lezers van Kastanje a/d Zee is dat ze het personage Krop kennen uit deze twee romans, waarin Zwanet haar overrompelende relatie beschrijft met diens echtgenote Corinne. Ze bevatten daarnaast vooral via Krop, enige sporadische verwijzingen naar Kastanje a/d Zee, onder andere de homo-erotische spelletjes in 1965, Hemelvaartsdag 1975 en de vechtpartij op straat. Die verwijzingen vallen pas op bij herlezing. Voor degenen die nog moeten beginnen aan Stemvorken en Zogkoorts is Kastanje a/d Zee niet alleen een belangrijke nieuwe schakel in de De tandeloze tijd-geschiedenis uit de jaren zeventig. Dit boek bereidt hen ook, op een zodanige manier voor op de twee romans, dat die op hun beurt ook sterker verankerd worden in de cyclus. Het negende deel daarvan, De IJzeren Man verschijnt hopelijk nog dit jaar.

    Een voorproefje daarvan verscheen met de novelle Ik zou van de hoge, ik zou in het diepe (2020), over de mooie Geldropse zomer van de jonge Albert met zijn Duits vriendje Stefan. Een schaduw daarover wordt geworpen door een verzetsdaad van Stefans ooms Allebrandi twintig jaar eerder, waarover de waarheid pas weer een halve eeuw later wordt onthuld. De boerderij van de Allebrandi’s kennen we ook uit Stemvorken. In het Geldropse zwembad zien we bovendien een vijandige, jonge Krop, maar ook Alberts allereerste ontmoeting met Corinne Suwijn. En weer een boom – deze keer een grote eik – staat centraal in Ik zou van de hoge, ik zou in het diepe. Hoe Van der Heijden een en ander in de wederom omvangrijke roman De IJzeren Man gaat vormgeven? We zijn benieuwd.

     

     

  • Jonathan Coe blaast klassieke thrillergenre nieuw leven in

    Jonathan Coe blaast klassieke thrillergenre nieuw leven in

    Niet alleen Britten zijn dol op hun ‘knusse’ detectiveverhalen, die toevalligerwijze vaak rond de kerst of oud en nieuw spelen. Historische periode vaak het interbellum of de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog. Locatie meestal een lieflijk dorpje, omringd door weelderige natuur, plus een kasteel met een heuse lord. En laten we de dominee niet vergeten, in de oude pastorie naast het nog oudere kerkje. Onmisbaar zijn de rustieke winkeltjes en tearooms met de roddelende dames, de authentieke pubs met de roddelende heren. Dan is er een moord! Liefst in of nabij het kasteel, dan wel de kerk. Favoriet hierbij is een gesloten kamer (de moordenaar kon er in noch uit en toch…), verborgen gangen of trappen. En het wemelt van rode haringen.

    Steevast wordt de moord onderzocht door een excentrieke speurder die toevallig in de buurt is, of door een locale politieman die meestal slimmer is dan degenen die hij ondervraagt. Wanneer het verhaal zich ontwikkelt, blijken dikwijls personages anders te zijn dan wie wij dachten dat ze waren. Uiteindelijk is de dader iemand van wie de lezer het in het geheel niet heeft verwacht, maar door de uitleg van de slimme speurneus wordt die onmiddellijk overtuigd. 

    Steeds dezelfde misdaadformule

    Bovenstaande formule is duizenden malen gehanteerd, in boeken, toneelstukken en films. Tot de laatste categorie behoort de ondraaglijke tv-serie Midsomer Murders. Een schoolvoorbeeld. Honderdtweeënveertig afleveringen sinds 1997 en de opnames voor de tweehondervijfentwintigste zijn bezig. Kennelijk kunnen de kijkers daarvan geen genoeg krijgen of zijn ongeneeslijke masochisten. Voor hen bestaat een hele serie boekjes als Your Guide to Not Getting Murdered in a Quaint English Village, waarin de lezer zelf een moord moet oplossen. Tips hierin: kijk niet in de vijver, blijf uit het doolhof en vertrouw de dominee niet. Alleen al over Midsomer Murders verschenen twee van dit soort boekjes.

    Daarom is het hoogst interessant dat een belangrijke auteur als Jonathan Coe zich op het genre lijkt te hebben geworpen met The Proof of My InnocenceDe Nederlandse vertaling van de titel, Het bewijs van mijn onschuld, mist de dubbelzinnigheid van de originele. ‘Proof’ betekent namelijk eveneens ‘drukproef’ en die laatste vormt een belangrijk motief in het boek. Het bewijs van mijn onschuld begint met een raadselachtig tekstje van twee bladzijden over een witharige speurder in een trein die op het punt staat een medepassagier te arresteren. Wie is zij en wie is de arrestant?  Wanneer vindt dit plaats en wat is de misdaad precies? Pas daarna begint de roman met een ‘Proloog’ over Phyl, die net is afgestudeerd. 

    Vriendschap en ‘Friends’

    Ze woont bij haar ouders Andrew en Joanna in een dorpje bij Heathrow. Op dat vliegveld heeft ze een lullig baantje in een Japans fastfoodrestaurant. Haar moeder is dominee en haar vader een gepensioneerde landmeter met veel te veel boeken. Begrijpelijk dat ze zich ongelukkig voelt en zelfs dat ze als troost altijd kijkt naar de tv-serie FriendsDan komt Christopher Swann, een interessante studievriend van haar moeder op bezoek, vergezeld van zijn dochter Rashida. Een wetenschapper die al decennia de radicalisering van de Britse conservatieven volgt op zijn blog. Een aantal conservatieve sleutelfiguren hadden hij en Joanna decennia geleden al in Cambridge ontmoet, onder wie ene Roger Wagstaff. Dat vindt Phyl allemaal interessant.

    Het klikt tussen de twee dochters, ook omdat Rashida evenzeer verslaafd is aan Friends. Phyl vertrouwt haar toe dat ze ervan droomt een roman te schrijven. Ze twijfelt tussen drie genres: ‘cosy crime’, ‘dark academia’ en autofictie. Eigenlijk een gewone Coe, denkt de lezer tijdens deze ‘Proloog’, want de actuele politiek speelt weer een belangrijke rol – Liz Truss wordt premier – en dit soort personages kennen we uit eerder werk van Coe. In Deel 1 wordt het dan toch echt een ‘cosy crime’, zelfs ‘voorzien’ van een passend, beduimeld omslag. Swann is aanwezig op een congres van een conservatieve denktank in een kasteel met een echte lord (de elfde van die naam). In een liefelijk dorpje bovendien. Voor de keynote speech was Kwasi Kwarteng aangetrokken, maar die is zojuist door Truss tot minister benoemd. Hij wordt vervanger door een professor gespecialiseerd in een literaire auteur die een paar decennia geleden een eind aan zijn leven maakte, en mede door hem populair werd als een conservatieve voorloper. Swann raakt geïntrigeerd door deze schrijver Peter Cockerill en diens laatste roman, Mijn onschuld.

    De Britse koningin sterft

    Tussen de bedrijven door heersen er spanningen tussen Swann en de al genoemde Wagstaff. Het congres moet echter stoppen door een ‘Nationale Ramp’: de Britse vorstin overlijdt. Dan is er opeens een moord, plus een geheime gang en een – excentrieke – lokale inspecteur die de zaak moet oplossen: Pru Freeborne (lees de naam hardop!). Authentiek ‘dark academia’ – inclusief omslag – is Coe’s tweede deel. Brian, een studievriend van Joanna en Christopher, heeft zijn herinneringen aan die jaren geboekstaafd. Daarin is meer informatie te vinden over genoemde sleutelfiguren. Wagstaff bijvoorbeeld bleek al in 1980 te pleiten voor het afbouwen van de ‘National Health Service’ en andere publieke voorzieningen. Brian staat ook stil bij Cockerill. Met name bij diens obsessie met een zeventiende-eeuws volksliedje, dat ook al in de twee vorige delen een rol speelt. Een rode haring?

    Het genre is bekend geworden met Donna Tartts De verborgen geschiedenis (1992) en ook het Cambridge van Coe biedt de lezer statige oude zalen, bruine pubs en een heus geheim genootschap, de Processus Group. Maar bij hem is dat uiteraard politiek en met de Brexit is dit aartsreactionaire gezelschap in het centrum van de macht belandt.
    Wat zou Coe doen met autofictie, het derde deel, waarmee hij als auteur in het geheel geen ervaring heeft? Hij laat de vriendinnen Phyl en Rashida afwisselend vertellen over hun speurtocht naar het verband tussen de nieuwe moord en de oude zelfmoord. Die brengt hen achtereenvolgens bij een Londens antiquariaat, een stokoude voormalige redactrice van Cockerills uitgeverij plus een steenrijke Britse miljonair die om fiscale redenen in Monaco woon, en…de drukproef van de roman Mijn onschuld bezit. Hun autofictionele wegen kruisen die van inspecteur Freeborne, met wie ze enthousiast gaan samenwerken. 

    Politieke ontwikkelingen

    Heeft Cockerill werkelijk zelfmoord gepleegd? Het antwoord op die vraag zou het plezier voor de lezer bederven. Idem bij Coe’s ‘Epiloog’, die de recente misdaad oplost. Wel exit Liz Truss. Zelf heeft hij een cameo à la Alfred Hitchcock als een onopvallende student die nooit enig blijkt heeft gegeven van een politieke interesse, maar later als auteur van verhalen en romans ‘een bescheiden succes heeft’. Maar Het bewijs van mijn onschuld blijft, ook ondanks de soms hilarische en aanstekelijke humor, een bloedserieus boek over een tragische politieke ontwikkeling waarbij giftig ultra-conservatisme en het grote geld de macht overnemen. Terwijl de genoemde genres just druipen van de nostalgie naar de tijden dat Engeland nog gezellig was en de universiteit een bolwerk van conservatieve tradities. 

    Als illustratie van het groeiende complot verwijst Coe naar de werkelijkheid: het pamflet Brittania Unchained uit 2012. Een pamflet dat niet overal bekend is, maar alle usual suspects droegen eraan bij: onder anderen Truss, Kwarteng, Patel en Raab. Desondanks heeft Coe overduidelijk veel plezier gehad in het zich eigen maken van de verschillende genres, die hij superieur onder de knie blijkt te hebben. Wat een genoegen om te lezen!



  • Elizabeth Strout en haar bijzondere verhalen

    Elizabeth Strout en haar bijzondere verhalen

    Met de tiende roman van Elisabeth Strout is iets interessants aan de hand. De levens van verschillende personages uit haar vorige, op zichzelf staande boeken, raken in Vertel mij alles sterk met elkaar verweven. Dat gebeurt niet vaak in de literatuur. Nooit liet Agatha Christie haar Hercule Poirot en Miss Marple samen een moord oplossen. Hermans’ Onder professoren en Uit talloos veel miljoenen spelen in hetzelfde Groninger academisch milieu, maar het enige personage dat in beide romans optreedt is marginaal, de psychiater Eddie Barend. Recentelijk liet A.F.Th. van der Heijden zijn twee prozacycli De Tandeloze Tijd en Homo Duplex in elkaar overvloeien met Stemvorken (2021) en Zogkoorts (2023). Elisabeth Strout weeft haar werelden subtieler ineen, pas gaandeweg valt het de lezer op.

    Zoals William Faulkner met Yoknapatawpha County een omgeving schiep – herkenbaar als zijn geboortegrond, als ook volkomen fictief gezien de verzonnen namen van de locaties in zijn romans en verhalen – doet Elizabeth Strout dat met de omgeving van Sabbanock Valley in Maine. Dit universum ontplooide zich vanaf haar debuut Amy en Isabelle (1998). Het stadje Shirley Falls in Maine kent een arm en een rijk deel, gescheiden door de Sabbanock rivier. Alleenstaande moeder Isabelle Goodrow woont met haar tienerdochter Amy in een bouwvallig huis aan de rand van het welvarende deel. Isabelle werkt in een fabriek als secretaresse. Amy gaat naar de middelbare school, waar haar kleding afsteekt bij die van haar welvarender klasgenoten. Moeder en dochter zijn elk op hun eigen manier eenzaam en raken van elkaar verwijderd.

    Oliver Kitteridge

    Olive Kitteridge (2008) is een verhalencyclus die bij Shirley Falls speelt in het kuststadje Crosby. Met personages voor wie het leven hard is, maar zelf ook harteloos tegenover anderen zijn. Olive Kitteridge is wiskundelerares, echtgenote van drogist Henry en moeder van Chris. Ze is onafhankelijk. Niet echt aardig, eerder direct en impertinent, maar met compassie voor de zwakkeren. Tegenover haar zoon, die twee keer trouwt en wiens keuze ze afkeurt, speelt ze geen mooi weer. De verhalencyclus neemt een decennia in beslag. Uiteindelijk is Olive weduwe, gepensioneerd en ontmoet ze weduwnaar Jack. Het boek werd in 2014 bewerkt tot een tv-serie voor HBO met de briljante Frances McDormand in de hoofdrol.

    In 2013 verscheen The Burgess Boys, dat nog niet vertaald is. Bob en Jim Burgess groeiden met hun zuster Susan op in Shirley Falls, voor ze beiden naar New York vertrekken. Bob werd een sociale advocaat, zijn broer een beroemde misdaadadvocaat. Zijn tweelingzuster Susan bleef in Maine wonen. Hun vader stierf toen ze kinderen waren door een vreemd auto-ongeluk. Wie heeft aan de versnelling geprutst, Bob, Jim of Susan. De sympathieke Bob heeft er een trauma aan overgehouden. Naast de broers, zijn er hun echtgenotes, Pam en Helen. In deze roman zien we, zoals in haar andere romans, huwelijksbedrog, echtscheiding en vervreemding van de kinderen. Beschadigde mensen, maar ook ex-partners die met elkaar bevriend blijven.

    Werden deze drie boeken in de derde persoon geschreven, met Ik heet Lucy Barton (2016) slaat Strout een andere weg in. Geen samenhangende verhalencyclus, maar een roman in de eerste persoon, zodat we dicht bij de verteller blijven. De kern van het boek is een ziekenhuisopname van Lucy in New York in de jaren tachtig. Lucy ontwaakt en ziet haar moeder, waar ze geen goede relatie mee heeft, naast haar bed zitten. Ze is overgekomen uit het gehucht Amgash in Illinois. Lucy is beginnend auteur, getrouwd met William en ze hebben twee jonge dochters. Met haar moeder praat ze over mensen uit Amgash, hoort ze wat er van hen geworden is en herinnert ze zich hoe straatarm ze waren. Als kind zochten ze naar voedsel in afvalbakken. Hun vader gedroeg zich vreemd en haar moeder was afstandelijk. Of Lucy door het ziekenhuisbezoek van haar moeder nader tot haar gekomen is, is de vraag. Ze verzint een dode moeder die wel lief voor haar is en haar op belangrijke momenten nuttige adviezen kan geven.

    Succesvol schrijfster

    Niets is onmogelijk (2017) gaat ook over Lucy, maar nu in de derde persoon geschreven en in de vorm van een verhalencyclus. Lucy is inmiddels hertrouwd en een succesvol schrijfster geworden. Sommige personages uit Amgash krijgen een eigen verhaal, onder wie Lucy’s broer en zuster. Andere verhalen gaan over mensen die Lucy ontmoet. Ze brengt een bezoek aan haar broer en zuster en dat loopt niet goed af. Want Lucy mocht studeren, maar zij bleven als outcasts in Amgash wonen.

    Opnieuw Olive (2019) is een verhalencyclus met Olive Kitteridge als verbindende figuur. Soms heeft ze een cameo. Zoals in het verhaal ‘Ballingen’, waarin Jim Burgess met zijn vrouw Helen op bezoek gaat bij broer Bob en diens echtgenote Margaret in Crosby. Olive ontmoet later een voormalige leerlinge die de Amerikaanse Poet Laureate is geworden en beseft dat zij alleen maar om die reden op de vrouw is afgestapt. Aan het begin is Olive gelukkig getrouwd met Jack, aan het eind is ze 86 en woont ze als weduwe in een bejaardentehuis. Daar leert ze Isabelle Goodrow (uit Amy en Isabelle) kennen. De twee ontwikkelen een bijzondere vriendschap. En Olive begint haar memoires op te tekenen.

    Knap van Strout is hoe zij de essentiële gebeurtenissen die wij over de personages uit vorige romans kennen, zo gedoseerd weet samen te vatten dat ze zowel duidelijk genoeg zijn voor de nieuwe lezer als niet hinderlijk voor degene die haar werk kent. Eigenlijk wordt de kern van haar romans niet zozeer door een plot bepaald, als door de ketting van verhalen die de personages aan elkaar vertellen, over zichzelf en de merkwaardige mensen die ze ooit hebben ontmoet.

    In Het verhaal van William (2021) vertelt Lucy wat meer over haar huwelijk met William en over diens moeder bij wie ze zich nooit op haar gemak voelde. Na hun scheiding trouwde ze met de musicus David. Als David is overleden en William is verlaten door zijn veel jongere vrouw trekken ze weer naar elkaar toe. Williams blijkt een halfzus  in Maine te hebben. Om allerlei redenen is Lucy degene bij haar op bezoek gaat en een schokkende ontdekking doet over Williams moeder. Ze geeft ook meer details over de scheiding en de slechte relatie met haar dochters in de periode daarna. Ondanks het verleden voelt Lucy zich merkwaardig genoeg veilig bij William. In Lucy aan zee (2022) – een echte covid-roman met de pandemie als rode draad – verhuist ze dan ook met William naar Maine, in Crosby. Twee mensen die in hun jeugd met elkaar trouwden, slechts hun in New York gebleven dochters als verbindende factor hebben, zitten tijdens de lockdown opeens in een onbekend huis aan zee. Het is fascinerend hoe Strout het proces van een groeiende vertrouwdheid tussen beiden weet te schetsen.
    Ze zien de gruwelen van de pandemie in New York op tv, maar ook de moord op George Floyd en de Trumpiaanse bestorming van het Capitool. Mensen die zij kennen worden ziek, sommigen sterven. De communicatie met de dochters wordt problematisch, en niet alleen door de pandemie.

    Programma voor haar romans

    Vertel mij alles begint zo: ‘Dit is het verhaal van Bob Burgess, een grote, stevig gebouwde man, die in Crosby, Maine woont, en op het moment van schrijven is hij vijfenzestig. Bob heeft een groot hart, maar dat weet hij niet van zichzelf; zoals zovelen van ons kent hij zichzelf minder goed dan hij denkt, en hij kan zich onmogelijk voorstellen dat hij iets in zijn leven heeft dat het waard is om te worden opgetekend. Maar dat heeft hij wel, net als wij allemaal.’ Dit kan worden opgevat als een programma voor de hele roman: het leven van ieder mens is de moeite waard om te vermelden, ondanks zijn of haar onvolkomenheden. Strout is hierin verre van klef, in een bepaalde mate liegen, bedriegen en manipuleren haar personages partners, vrienden en familieleden en als dat niet het geval is schuren hun betrekkingen voortdurend. Net als in haar vorige romans. Waardoor dit citaat uit Vertel mij alles ook het programma is voor haar hele oeuvre.

    In dit boek ontmoet Lucy Olive voor het eerst. De bedoeling is dat Lucy haar bezoekt om elkaar verhalen te vertellen over de mensen die ze in hun leven hebben gekend. Olive heeft de boeken van Lucy gelezen, maar anders dan Bob en zijn vrouw Margaret is ze kritisch. En van de verhalen die Lucy – de beroemde schrijfster – haar vertelt, is ze niet altijd onder de indruk. Omgekeerd vindt Lucy de levensverhalen die Olive haar vertelt wel interessant: ‘Vertel mij alles!’

    Een terugkerend genoegen voor Lucy  zijn haar wandelingen met Bob, op wie ze zeer gesteld is. Tijdens hun wandelingen praten ze over mensen uit hun respectievelijke verleden. Lucy over mensen uit haar jeugd, over haar dochters en Olive. Bob over zijn broer en zuster en hun partners, over zijn ex-vrouw Pam en zijn huidige vrouw Margaret. Bovendien heeft hij de verdediging op zich genomen van een man die ervan wordt verdacht zijn moeder te hebben vermoord. Moe als Bob is en twijfelend of hij zijn advocatenkantoor nog moet aanhouden, heeft hij medelijden met de man die verdacht wordt, en wiens families elkaar kennen vanaf hun middelbareschooltijd.

    Alles is een vorm van liefde

    De verwikkelingen rond de moord op de moeder vormen een boeiende rode draad in Vertel mij alles, maar het bepaalt nooit de andere verhaallijnen. Zoals de nieuwe relatie van Bobs zuster, de alcoholproblemen van zijn ex en de relatieperikelen van Lucy’s dochters. Of het gevaar dat Olive’s boezemvriendin Isabelle door dochter Amy naar California wordt gehaald.

    Misschien omdat Lucy uit New York komt, valt in dit boek sterk op hoe belangrijk de natuur in Maine voor de personages is, met name bij de wisseling van de seizoenen. Wel en wee, lief en leed, maar bij Strout geen eind goed, al goed. Enerzijds zorgt het ‘lot’ ervoor dat eenzame personages een partner krijgen en sommige zelfs uit de armoede geraken. Of dat een wanhopige vrouw na een serie miskramen een gezond kind krijgt. Anderen verliezen hun partner en zien de relatie met hun kinderen onherstelbaar verslechteren of blijken als kind misbruikt en kunnen het leven niet meer aan.

    Als uiteindelijk de mogelijkheid voor een heerlijk leven met hun grote liefde in het verschiet ligt, zijn er mensen die terugschrikken voor de ‘collateral damage’ die dat in hun omgeving zou veroorzaken. Dat is een verhaal dat Lucy aan Olive vertelt aan het slot van het boek. De strekking is volgens haar dat het belangrijkste principe tussen mensen, of het nu partners, vrienden, kennissen of familieleden zijn, een vorm van liefde is. Strouts hele oeuvre laat dit zien, maar in deze roman stelt ze het heel expliciet. ‘Telling’, maar ze laat het natuurlijk vooral zien, ‘Showing’. In de laatste regels kijkt Olive Kitteridge, 91 jaar oud, naar haar slapende vriendin Isabelle en constateert dat Lucy gelijk heeft. Liefde. Voor wie nooit iets van Strout heeft gelezen, kan zonder meer beginnen met Vertel mij alles. Het zal ongetwijfeld aanzetten tot het lezen van haar voorgaande romans.

     

     

  • Ierse en Amerikaanse intriges

    Ierse en Amerikaanse intriges

    De film Brooklyn (2015) geldt als een doorslaand succes. Deze verfilming van de gelijknamige roman van Colin Tóibín uit 2009 won drie Oscars. Dit jaar verscheen Tóibíns roman Long Island, een vervolg op Brooklyn. Beide boeken brengen zowel het Ierland van het begin van de jaren vijftig, als het New York uit die tijd via allerlei mooie en sprekende details tot leven. Het boek Brooklyn is interessanter en schrijnender dan de wat zoetsappige verfilming. Het slot van de roman roept juist veel vragen op. Met die vragen gaat Tóibín in Long Island aan de slag.

    In de roman Brooklyn woont hoofdpersoon Eilis Lacey met haar moeder en oudere zuster Rose in Enniscorthy, in zuidoost Ierland. Ze kan geen behoorlijk werk vinden. Via Rose ontmoet ze een pater uit Brooklyn, vader Flood. Hij ziet haar kwaliteiten en besluit haar te helpen. Hij regelt een baan en onderdak voor haar in New York. Tóibín schetst een prachtig beeld van de lange overtocht in de derde klasse van de oceaanstomer en van het verblijf bij een Ierse pensionhoudster en haar medebewoonsters. Het enige contact met haar familie in Ierland verloopt per brief. Eilis heeft hevig heimwee en als vader Flood dat doorkrijgt, schrijft hij haar in op een avondcursus waarmee ze haar boekhouddiploma kan halen.

    Terug voor rouw

    De pastoor organiseert van alles voor zijn parochianen, onder andere een wekelijkse dansavond. Daar ontmoet Eilis, die de problemen van aanpassing en heimwee te boven is gekomen, de jonge loodgieter Tony Fiorello, zoon van arme Italiaanse migranten. Als ze haar diploma voor boekhouden heeft behaald, krijgt ze bericht dat Rose plotseling is overleden. Totaal van de kaart gaat Eilis voor de rouw terug naar Ierland en neemt een paar beslissingen die bepalend zijn voor haar verdere leven.

    De hechte relatie via de katholieke kerk tussen de Amerikaanse oostkust en Ierland, het netwerk van de sociale controle dat twee continenten omspant, is ook een centraal motief bij andere Ierse auteurs. Bijvoorbeeld in de Quirke-verhalen van John Banville, die overigens opgroeide in Wexford, vlakbij Enniscorthy.

    Nora Webster

    In 2014 publiceerde Tóibín de roman Nora Webster, die lijkt te beginnen als een vervolg op Brooklyn. De hoofdpersoon is een weduwe van veertig met twee thuiswonende zoons en twee uitwonende dochters. Ze woont eveneens in Enniscorthy. Al in het begin zien we moeder Lacey bij Nora op bezoek komen en horen we haar een anekdote vertellen over schoonzoon Tony in Brooklyn. Nora verkoopt ook een weekendhuis aan Eilis’ broer Jack, omdat ze dat niet meer kan onderhouden. Voor de rest van de roman blijven de verwijzingen beperkt tot de namen van Rose en Eilis’ vriendin Nancy.

    Desalniettemin is Nora Webster een aanrader voor de lezers van Brooklyn en Long Island, al was het alleen al om te zien hoe de Ierse samenleving is veranderd sinds de meer dan vijftien jaar die inmiddels verstreken zijn. Nora heeft bijvoorbeeld een auto en iedereen ziet de maanlanding op tv. Belangrijker zijn de toenmalige spanningen in Noord-Ierland die op tv worden uitgezonden, waarbij het Britse leger keihard optreedt tegen de katholieke bevolking. Zagen we in Brooklyn vader Flood op te achtergrond het leven van Eilis manipuleren, in Nora Webster heeft een non, zuster Thomas, deze rol. De substantiële steun die Tóibíns vrouwen via de kerk ontvangen, heeft uiteraard ook een prijs. Ze dienen zich wel keurig aan de regels te houden.

    Vreemd Iers eendje in de bijt

    Zoals gezegd schreef Tóibín Long Island na het succes van de film Brooklyn. Het begin van dit vervolg slaat in als een bom. We zijn weer wat jaren verder, in de tijd vlak na Watergate. Eilis Fiorello, née Lacey, woont zo’n twintig jaar met Tony in een gehucht op Long Island. Ze heeft een baantje als boekhouder bij een bedrijf in de buurt, haar dochter Rosella gaat bijna studeren en zoon Larry doet het goed op de middelbare school. Tony en zijn broers hebben voor elk gezin en hun ouders een rijtje huizen gebouwd. Maar dan belt een man aan die Eilis meedeelt dat Tony tijdens een klusje zijn vrouw zwanger heeft gemaakt en dat hij het kind na de geboorte bij hen voor de deur zal deponeren.

    Vanaf dat moment begint Eilis langzaam maar zeker in te zien dat ze in de familie Fiorello niet zozeer een vreemd Iers eendje in de bijt is, als wel een volkomen buitenstaander. Met name schoonmoeder Francesca, die instrumenteel poeslief doet tegen haar schoondochter, intrigeert achter haar rug om dat het een lust is en tutta la famiglia blijkt daaraan mee te doen. Zelfs haar kinderen weten meer dan Eilis, bijvoorbeeld dat de Fiorello-clan het nieuwe ‘kleinkind’ dolgraag in zijn midden wil verwelkomen. Wat Eilis daarvan vindt, zal hun een zorg zijn.

    Wat moet ze doen? Keurig haar plaats innemen? Nee, ze grijpt de tachtigste verjaardag van haar moeder aan om een tijdje in Ierland door te brengen. Daar ziet ze ook Nancy en haar oude vlam Jim weer. We zien hoe de welvaart is gestegen. Moeder Lacey krijgt dan ook van haar dochter een koelkast, een wasmachine en een cooker.
    Overigens merkwaardig dat Tóibín dingen ‘onthult’ die bij de lezer van Nora Webster al bekend waren. Bijvoorbeeld dat Eilis’ broer Jack van Nora het vakantiehuis aan de kust heeft gekocht voor hun broer Martin.

    Verwarring

    Wie denkt dat Long Island een herhalingsoefening is van Brooklyn, heeft het mis. De nieuwe roman is – nog – beklemmender dan Brooklyn en Nora Webster omdat Eilis nu zowel in Ierland als in Amerika met intriges wordt geconfronteerd. Iedereen lijkt een verborgen agenda te hebben en zelfs een personage dat – als een grote uitzondering – haar onvoorwaardelijk steunt, blijkt deel uit te maken van het tribale complot. Eilis’ verwarring is aan het slot dan ook veel groter dan in Brooklyn. De lezer weet niet wat haar keuze zal worden. Een zoetig einde als in de film wordt bij een eventuele bioscoopversie van Long Island volkomen onmogelijk, zonder de hele roman van Tóibín geweld aan te doen.

    De auteur heeft zijn jeugd in Enniscorthy doorgebracht en de omgeving is ook het decor voor ander werk, maar die wereld is slechts een deel van zijn oeuvre. Hij heeft interessante romans gewijd aan de schrijvers Henry James en Thomas Mann. En ook een aan Maria, volgens de christelijke legenden de moeder van Jezus, en een romanbewerking gemaakt van Euripides’ Oresteia. Al deze boeken zijn door critici geprezen en met literaire prijzen bekroond.

     

  • Europese cruise onder ongelukkig gesternte

    Europese cruise onder ongelukkig gesternte

    Een tocht rond de Middellandse Zee in een cruiseschip. Voor velen staat dat gelijk aan een gedwongen verblijf in een vervuilende gevangenis, maar voor gemakzuchtige consumenten schijnt het de hemel op zee te zijn. In Die Erweiterung,  door Wil Boesten vertaald als De uitbreiding – de tweede Europa-roman van de Weense auteur Robert Menasse – vaart een Europees topgezelschap mee in het luxe deel van zo’n cruiseschip. Alle regeringsleiders van de Balkanstaten, de EU-ministers van buitenlandse zaken en andere vertegenwoordigers, plus hun ambtenaren. Dit op uitnodiging van de regering van Albanië, die de onderhandelingen wil beginnen over toetreding tot de EU en het gezelschap gunstig wil stemmen voor een aan de uitbreiding gewijde conferentie drie weken later in Poznań. Menasse baseert zich in De uitbreiding op een historische gebeurtenis, en wel het veto van Macron (en Rutte) in 2019 op de toetreding van Albanië. De spanning zal niet bedorven worden door te vertellen hoe de cruise afloopt.

    Zo er een Dichter des Vaderlands is, zou Menasse Schrijver van Europa kunnen zijn. Al decennia geldt hij als een warm pleitbezorger van een verenigd Europa. Verschillende essays en twee dikke romans heeft hij daaraan gewijd. En zojuist verscheen het essay, Die Welt von morgenMenasses Europa-project begon meer dan dertig jaar geleden, in 1992. Toen publiceerde hij de lange beschouwing over de Oostenrijkse identiteit, Das Land ohne Eigenschaften. Over het verleden van zijn land, de onprettige erfenis van het austrofascisme en de enthousiaste ‘Anschluss’ bij het Derde Rijk, plus de incompetenties van hedendaagse Oostenrijkse politici. Dat het land beter kon opgaan in een post-nationaal Europa was daarin vrijwel de automatische conclusie. 

    De titel verwees uiteraard naar Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften (1930-1933), vertaald door Ingeborg Lesener als De man zonder eigenschappen, (1988-1991). Aan deze voor Oostenrijkers iconische roman ontleende Menasse ook het thema voor Die Hauptstad (2017, door Paul Beers vertaald als De hoofdstad (2018). Bij Musil moet aan de vooravond van de Grote Oorlog het jubileum van de Oostenrijkse en Duitse keizers worden gevierd. Menasses ‘Big Jubilee Project’ moet dat van de Europese Commissie voorbereiden.

    Tweede Wereldoorlog nooit ver weg

    De hoofdstad werd bevolkt door verschillende EU-ambtenaren. Via het jubileum-project jagen zij hun ambities, dan wel hun ondergeschikten die de plannen moeten ontwikkelen en de boven hen gestelden die kunnen dwarsliggen, na. Het belangrijkste personage is de sympathieke Nederlandstalige Brusselaar die Auschwitz overleefde. Deze oude Joodse man, die telkens opduikt tussen de ambtelijke machinaties, overlijdt bij een islamistische aanslag. Hij was de beoogde overlevende die het EU-jubileum in Auschwitz moest symboliseren. Volgens een Oostenrijkse professor zou het voormalige kamp zelfs de hoofdstad van de EU moeten worden. Opmerkelijk is dat de Tweede Wereldoorlog nooit ver weg is bij Menasse. Ook in De uitbreiding komen veel verschillende personages voor – net als Balzac, waar Menasse in vaak naar verwijst – maar hij weet zijn verhaal wederom overzichtelijk te houden. Ten eerste omdat hij veel ruimte aan hun voorgeschiedenis besteedt, ten tweede omdat hij zijn scheppingen met elkaar verbindt via collegiale-, familiale- of liefdesrelaties.

    Ging De hoofdstad over Brussel, in De uitbreiding zoekt Menasse de periferie op. Polen en Albanië. De Poolse EU-ambtenaar Adam Prawdower was in de katholieke strijd tegen de communistische dictatuur de bloedbroeder van de huidige premier van zijn land, de conservatieve PiS-nationalist Mateusz. Adam is geschokt dat een andere bloedbroeder zich uit protest tegen het PiS-beleid in brand heeft gestoken. Wanneer hij Mateusz opzoekt in Warschau reageert deze cynisch en – Adam is Joods – antisemitisch. De premier heeft hun eed verraden en de consequentie daarvan is dat zijn bloedbroeder hem zou moeten doden.  Overigens is het katholieke Polen tegen de toetreding van Albanië omdat het een islamitisch land is.

    Verbeelding aan de macht

    Een belangrijk personage is de premier van Albanië, voormalig kunstschilder en sportheld die een dichter heeft benoemd tot cultuurhoofd. De verbeelding aan de macht bij Menasse. De dichter bedenkt na het veto van Macron en c.s. een zeer creatieve vlucht naar voren. Wanneer Albanië geen toegang krijgt tot de EU, streeft het naar een Groot-Albanië zoals dat zeshonderd jaar geleden bestond onder de vorst Skanderbeg. Het gegeven dat Skanderbeg tegen de Ottomanen vocht, kan in hun voordeel zijn. Ismail Fati, hoofd voorlichting heeft moeite met het feit dat de premier de helm van Skanderbeg daarbij op zijn eigen hoofd moet zetten. Hij heeft ook individuele problemen. Zijn ouders behoorden tot de ‘inner circle’ van dictator Enver Hoxha, waardoor hij een soort prinsje was en daardoor onder het nieuwe bewind enigszins verdacht. Daarenboven lijkt zijn verliefdheid voor een journaliste niet enthousiast te worden beantwoord.

    Net als bij De hoofdstad heeft De uitbreiding een thriller-laag. De helm van Skanderbeg met geitenkop bevindt zich in de Weense Hofburg en wordt gestolen. Omdat het hoofd van de premier groter is dan dat van zijn ‘voorganger’, laat hij in Tirana een passende kopie maken. Ook die wordt gestolen, wat leidt tot allerlei komische verwikkelingen. Al heeft de Albanese maffia weinig om te lachen. Een EU-collega van Adam Prawdower is de Oostenrijker Karl Auer, belast met de portefeuille Albanië. De Wener commissaris Franz Starek die de gestolen helm moet opsporen, blijkt zijn neef. 

    Dan zijn er de moeizame liefdesrelaties van Ismail Fati en de journaliste Ylbere Lenz, en die van Karl Auer en de Albanese ambtenaar Baja Muniq Kongoli. De laatste relatie kent het gebruikelijke, aanvankelijke ongemak van mensen uit verschillende culturen. Een gering Bouquet-reeks gehalte dus.

    Sluier als hommage Moeder Theresa

    De beschrijvingen van het dagelijks leven in Albanië zijn bijzonder boeiend. De inwoners blijken bijvoorbeeld geen bewonderaars te zijn van de VS, maar juist van de Bondsrepubliek. De voornaam Baja Muniq betekent bijvoorbeeld Bayern München. Grappig is de scene waarin Baja haar Oostenrijkse minnaar Karl Auer, Iraanse moslims laat zien die na het vrijdaggebed op een terras aan de overkant van de moskee een biertje drinken. De enige vrouwen met een hoofddoek die Karl tegenkomt zijn christelijk, als hommage aan de ultraconservatieve Moeder Theresa die oorspronkelijk uit Albanië kwam.

    Indrukwekkend is de Albanese ‘kanun’. ‘O ja, bloedwraak’, zegt Karl, maar het blijkt een erecode die ook gasten onder alle omstandigheden beschermt. Hierdoor lieten islamitische Albanezen tijdens de Duitse bezetting (gevluchte) Joden massaal onderduiken, (jammer dat Mona Keizer geen boeken leest). Zoals de Joodse grootvader van Yberle die als jongeman bij een boer was ondergedoken. De bezetters klopten aan de deur, maar zijn gastheer had de ‘Besa’ (belofte van eer, een Albanees cultureel gebod) gezworen en gaf de bezetter zijn zoon die later in een kamp overlijdt. Yberle viert nog elk jaar met haar familie de sterfdag van de boerenzoon. Zij wil meer weten over de toedracht en gaat vergezeld van Ismail naar het dorpje aan de grens waar ooit de gastvrije boer met zijn familie woonde. Onderweg horen ze gruwelijke verhalen over Servische ‘ordetroepen’ die daar aan het eind van de vorige eeuw op zoek naar gevluchte Kosovaren, het vee doodden en vrouwen verkracht hebben. In het dorp waren veel vluchtelingen uit Kosovo die samen met de dorpelingen door Servische mijnen invalide werden.

    Hoe alles mislukt

    Menasse laat impliciet de eed van de bloedbroeders uit het katholieke Poolse verzet echoën met de ‘Besa’ die de overgrootvader heeft gezworen over zijn gastvrijheid. Bij overtreding daarvan zou hij bloedwraak over zijn familie kunnen afroepen. Het einde van De uitbreiding is even somber als dat van De hoofdstad. Ylbere heeft niets naders over haar voorouders gevonden. Adam Prawdower wilde zijn bloedbroeder op het schip in de internationale schijnwerpers aanklagen. Lukt niet. Commissaris Franz Starek wist zeker dat hij daar het geheim van de gestolen helm zou ontraadselen. Neen. De Albanese premier en zijn helm? Mislukt. Over de belangrijkste oorzaak van die mislukkingen kan weinig gezegd worden, dat zou een spoiler betekenen. Tip: bewaar het kaartje met de vaarroute voor het allerlaatst.

    Op 6 juni kiezen de EU-landen een nieuw parlement en velen houden hun hart vast voor de uitslag. Meer radicaal rechts en nationalisme, precies waarvoor Menasse al jaren waarschuwt. Daarom lijken zijn boeken onder een zeer ongunstig gesternte te verschijnen. Zeker als het om de uitbreiding van de EU gaat. Dat Albanese cruiseschip, weliswaar ‘state of the art’ als het om duurzaamheid gaat, illustreert ook het onvermogen van landen die tot de EU willen toetreden en om zich in te leven in de publieke opinie. Cruiseschepen gelden voor steeds meer Europeanen als uiterst vervuilend en eerder als last voor de plaatsen die ze bezoeken – Amsterdam, Venetië, Barcelona, Mallorca – dan een lust. Albanië zelf pakt de toeristenindustrie ouderwets aan. De kust volstampen met betonnen kolossen en goedkope eettentjes, met als belangrijkste attracties de duizenden kleine bunkers die de paranoïde dictator Enver Hoxha ooit liet bouwen. 

    De wereld van morgen

    Albanië neemt sinds kort vluchtelingen op uit het Italië dat de onafhankelijke omroepjournalistiek wurgt. De politieke verhoudingen van het land lijken niet erg stabiel en de persvrijheid laat te wensen over. Albanië zou bovendien een ‘Erdoğannetje’ kunnen doen: wetten en maatregelen invoeren, zogenaamd om aan de EU-eisen te voldoen, maar die de facto de oppositie uitschakelen. In Georgië kiest de regering uiteindelijk voor een pro-Russische koers. Het door Poetin geteisterde Oekraïne wordt er niet democratischer onder. Illiberale regeringen zijn de baas in Hongarije en Slowakije. Polen leek bevrijdt te zijn van PiS, maar die partij werd opnieuw de grootste bij recente gemeenteraadsverkiezingen. Eenzelfde ontwikkeling is te zien in Slovenië. 

    In de Baltische landen en Kroatië dreigt al jaren radicaal-rechts met rechts te gaan regeren. In Zweden, waar de rechtspopulisten zelfs de grootste regeringspartij vormen, is dat al de praktijk, net als recent in Finland. En nu is Nederland aan de beurt. Als het grootste gevaar beschouwt Menasse in zijn recente essay Die Welt von morgen dan ook niet de groei van radicaal-rechts, maar de keuzes van rechts om uit opportunistische, machtspolitieke motieven met radicaal-rechts samen te werken. Zoals tegenwoordig Ursula von der Leyen met Marine Le Pen. Maar nog steeds wil Menasse dat de mensen in het Europa van de regio’s een ‘demos’ gaan vormen. Een gemeenschappelijke democratie en rechtsstaat, op basis van mensenrechten, gelijke randvoorwaarden en kansen voor allen die in Europa wonen en hun geluk proberen te vinden. We blijven met hem mee hopen.

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Peter Middendorp maakt wederom indruk met zijn vervolg op Jij bent van mij

    Peter Middendorp maakt wederom indruk met zijn vervolg op Jij bent van mij

    Een roman opnieuw verteld vanuit een ander personage dan de oorspronkelijke hoofdpersoon is geen vreemd verschijnsel. Jean Rhys wijdde in 1966 The Wide Sargasso Sea aan de eerste echtgenote van Mr Rochester uit Jane Eyre (1847) van Charlotte Brontë. Kamel Daoud deed hetzelfde in 2013 met Meursault, contre-enquête met de anonieme Arabier uit L’Étranger (1942) van Albert Camus. En vorig jaar verscheen Julia van Sandra Newman, dat Orwells Nineteen EightyFour (1949) herschreef vanuit het perspectief van de geliefde van hoofdpersoon Winston. In deze drie gevallen gaat het om kritiek op het origineel. Bij Rhys en Daoud vanuit een postkoloniaal perspectief. Bij Newman, en ook enigszins bij Rhys, vanuit een feministisch perspectief. Heel interessant, want meer dan een wetenschappelijke beschouwing spoort zo’n nieuw perspectief je aan om het oorspronkelijke werk voortaan met andere ogen te lezen.

    Wanneer echter een auteur zelf een werk vanuit een ander perspectief herschrijft, is dat geen kwestie van kritiek, maar het uitdiepen van een personage. Dat deed Albert Helman in De laaiende stilte (1952) met Agnès d’Esternay uit De stille plantage (1931). Net als Hugo Claus in Onvoltooid verleden (1998) uit het koor van figuren in De geruchten (1996) Noël, de broer van het belangrijkste personage, plukte, evenals ex-commissaris Blaute die hem verhoort.

    Gedurfde verteller

    Jij bent van mij is een knappe en gedurfde roman. Nog sterker dan bij De geruchten van Hugo Claus, waar de affaire-Dutroux doorheen schemert, is Middendorps roman geënt op de moord op de zestienjarig Marianne Vaatstra in 1999. Een paar jaar na de ontknoping in 2012, waar de media wekenlang over berichtte,  schreef Middendorp het boek. Noemenswaardig is hoe Middendorp de valkuil van de sensatie weet te vermijden. Zo werd Vaatstra vermoord in de nacht na Koninginnedag, Middendorp gebruikte dit gegeven niet voor zijn Rosalinde. Geen spectaculair dorpsfeest dat in een drama eindigt.

    Dat hij de moordenaar Storkema het verhaal laat vertellen, is gedurfd. Jij bent van mij is geen chronologisch verslag van fatale gebeurtenissen, eerder een arrangement van belangrijke momenten uit het leven van de verteller. Daarin wordt de moord vanaf het begin via flashbacks gedoseerd, indirect en verhuld beschreven. Volgens de manier waarop Storkema zijn relaas arrangeert. De eerste keer spreekt hij over ‘het ongeluk’ met Rosalinde. Pas later weten we dat het om moord, verkrachting en verminking gaat. Middendorp psychologiseert niet door zijn verteller langzaam maar zeker naar de fatale daad te dirigeren, noch doet hij het tegendeel – een aardige vader en echtgenoot met twee jonge kinderen wordt getroffen door een plotselinge vlaag van waanzin. Hij blijft er tussenin. We zien iets aankomen en worden toch verrast als het noodlot toeslaat. Storkema is, zoals veel vaders, dol op zijn dochtertje, maar tegen de tijd dat zij de leeftijd bereikt van de gestorven Rosalinde en hij beseft dat er nooit vriendinnetjes op bezoek komen, krijgt zijn fixatie op haar lichaam voor de lezer iets griezeligs.

    Invloed media

    Middendorps beginzin staat als een huis: ‘Ik stond achter op het veld, toe te kijken hoe het linkerbeen van mijn vader door een maaidorser werd opgegeten.’ We weten direct twee dingen. Ten eerste dat Storkema destijds twaalf was en deze gebeurtenis traumatisch voor de jongen moet zijn geweest. Ten tweede dat hij een toeschouwer is, geen handelend persoon, waardoor hij niet door de omgeving wordt opgemerkt. Verlegen als hij is, ontstaat er desondanks een relatie met een meisje uit een dorp twintig kilometer verderop, Ada. Ze trouwen, krijgen twee kinderen en hebben na het vertrek van Storkema’s ouders, de boerderij voor zich alleen. Hun dagelijks leven vormt het belangrijkste deel van Jij bent van mij. De roman is daardoor meer dan alleen het verhaal over een moordenaar en zijn gezin. Middendorp laat ook terloops, maar ondubbelzinnig de vernietiging van de natuur door schaalvergroting zien en staat stil bij de xenofobie van de plattelanders.

    Doordat de media de moord ‘On-Nederlands’ vond, ontstaat er opschudding onder de bevolking die meteen twee asielzoekers verdenkt. Navrant dat juist Storkema degene is die Ada en haar buurvrouwen erop wijst dat er een haar van een Nederlandse man op het lichaam is gevonden. Als er jaren later een DNA-onderzoek komt waaraan hij meedoet. Had hij al die jaren over zijn daad gezwegen om zijn jonge gezin te sparen, en was dat ook het motief voor de houding van zijn vrouw? 

    De lezer van De kant van Ada hoopt uiteraard op antwoorden. Dat ligt gecompliceerd. Middendorp vertelt De kant van Ada in een heel andere stijl. De eerste roman was na de proloog over het vaderbeen, keurig en symbolisch verdeeld in vier seizoenen. Eindigend met de ‘winter’ waarin het net zich sluit en de politie aanbelt om Storkema te arresteren. De kant van Ada vertelt Middendorp eveneens in de eerste persoon, maar in de vorm van een uit 21 fragmenten opgedeelde theatermonoloog. Geordend via de jaren 2010, 2021 en 2022. De zinnen hebben geen punt en beginnen met een hoofdletter als ze op de volgende regel verder gaan.

    Gegevens over het verleden

    Net als bij Hugo Claus is deze tweede roman vooral een sequel. Weliswaar blikt Ada terug op haar leven tot het moment dat de politie aanbelde. Interessant is de spanning die Ada vanaf het begin in het huis van Tilles ouders voelde, en dat die niet is verdween met hun verhuizing. Maar we vernemen vooral wat er vervolgens gebeurde met de leden van het gezin. En met Storkema, die Ada een keer per week opzoekt in de gevangenis. Wat treft, is het besef hoe weinig we over Ada’s achtergrond te weten kwamen in het eerste boek over deze zaak. In het begin vermeldt de verteller dat Ada Hofstra ‘zo weinig verleden heeft’: ‘Ze sprak nooit over ouders, vrienden of kennissen. Voor zover ik wist had ze geen broers, zussen, tantes, ooms of ook maar een huisdier.’ Daaraan wordt in de rest van de roman niets toegevoegd. Zou dat Middendorps motivatie zijn geweest voor De kant van Ada?

    Het weinige dat hij van haar verleden invult, is veelzeggend. Haar vader liep weg toen ze heel jong was, in zijn plaats kwam een stiefvader die haar misbruikte. Ada’s ideaal was daarom de familiecyclus te doorbreken van vrouwen die op de verkeerde mannen vallen en dat blijkt niet gelukt. Ze wil vooral een goede moeder (en grootmoeder) zijn. Ada wordt verteerd door de vraag of ze medeschuldig is aan het feit dat haar man een verkrachter, een moordenaar is. Had ze het kunnen voorkomen? Had ze haar zwijgen eerder moeten doorbreken? Of is zij ook een slachtoffer? 

    Vervreemding binnen het gezin

    De kinderen groeien op met een vader in de gevangenis en een moeder in een nieuwbouwwijk. Ze leiden steeds meer een eigen leven waardoor ze vervreemden van hun moeder. Net als Ada’s twee buurvrouwen die haar daadkrachtig door het eerste helse jaar hebben geholpen, naar de achtergrond verdwijnen. Ada vereenzaamt en wordt steeds vaker lastiggevallen door mensen die menen dat zij het ‘heeft geweten’. Des te acuter naarmate de vrijlating van Storkema dichterbij komt.

    Wanneer je De kant van Ada uithebt, word Jij bent van mij dan met andere ogen gelezen? Nee, en we weten nog steeds niet precies wat Tille en Ada bewoog. Zoals ze dat uiteindelijk ook niet precies van elkaar weten. Het slot van De kant van Ada is niet de vrijlating van Tille, maar een korte epiloog waarin Ada droomt van een kleine verbouwde woonboerderij. Met een moestuin en boomgaard, twee honden en een oude koe. Een paradijsje voor haar twee kleinkinderen met pannenkoeken en al. Kennelijk zonder haar echtgenoot. 

    Net als het begin van deze cyclus staat Middendorps slotzin als een huis: ‘Toe omi, lees nog wat verder, het is zo spannend. Toe omi, alsjeblieft, een paar bladzijden nog.’ De laatste bladzijden over Tille en Ada laat Middendorp aan de verbeelding van de lezer over. Zoals hij zelf op een uiterst boeiende manier zijn verbeelding voedde met de krantenberichten over de Vaatstra-geschiedenis. Waarover hij onlangs bij Sophie & Jeroen de oren werd gewassen door Henk Kamp, de minister die zich rond de Groninger gasbevingen grotelijks misdragen had en daarvoor beloond werd met het erelidmaatschap van zijn partij. Hoe Middendorp ook zijn best deed om uit te leggen dat beide boeken vanuit zijn verbeelding zijn geschreven en dat hij juist afstand had genomen van de werkelijke personen, de bekroonde politicus bleef erin volharden dat de auteur met alle betrokkenen had moeten spreken. De literaire ontlezing is dus al veel verder verspreid dan men vreesde.

     

     



  • Stripheld Guust Flater keert terug

    Stripheld Guust Flater keert terug

    Na zevenendertig jaar is er weer een nieuwe Guust Flater. Zitten we daarop te wachten?  Een strip die begon in 1957, het jaar waarin de EEG werd opgericht, de eerste knipperbollen verschenen en de maximumsnelheid in de bebouwde kom op vijftig kilometer werd vastgesteld? Toen Willem Drees onze premier was en Dorus een hit had met Twee motten? Toch is Flater slaat weer toe! (het origineel heet Le Retour de Lagaffe) de moeite waard. Dat is te danken aan Delaf (Marc Delafontaine), opvolger van de overleden schepper André Franquin, die zeer subtiel en consciëntieus met de erfenis is omgegaan. 

    Franquin (1924-1997) was een van de grootse Belgische striptekenaars van de vorige eeuw. In 1947 nam hij de strip Robbedoes over en bracht die al spoedig tot grote hoogte. Niet alleen door de fraaie tekeningen en de aanstekelijke grappen, maar ook door het verzinnen van interessante bijfiguren naast de hoofdpersonen Robbedoes en Kwabbernoot, en vooral ook de locaties. Kortom een eigen wereld. Voor die wereld bedacht Franquin in 1957 Gaston Lagaffe (Guust Flater), een personage dat de redactie van het tijdschrift Robbedoes moest opvrolijken als sullige postsorteerder. 

    De sullige postsorteerder

    Een groot deel van de dag slaapt hij. Maar als hij wakker is, probeert hij op allerlei manieren stiekem onder zijn werk uit te komen. Ook veroorzaakt hij de ene ramp na de andere. Hij experimenteert met van alles, bedenkt de ene na de andere ‘handige’ uitvinding en verwezenlijkt die ook. Daardoor ontstaan overstromingen en ontploffingen, zelfs vliegtuigen en ruimtevoertuigen worden niet gespaard. Zijn Flaterfoon veroorzaakt aardbevingen. Redactiemedewerkers krijgen geregeld Flaters bowlingbal op hun kop, worden dagenlang opgesloten of kleven een weekend aan elkaar. Is dat leuk?

    Alsof dat nog niet genoeg is, heeft Guust een verschrikkelijke meeuw en een dito kat die de redactieruimte terroriseren. Maar zijn grootste slachtoffer bevindt zich daarbuiten. Meneer De Mesmaeker, een zakenman die door de akelige experimenten van ‘de nozem’ Flater telkens zo kwaad wordt dat hij zijn contracten verscheurt of opeet. En vooral de arme parkeeragent Vondelaar die de meest verschrikkelijke dingen wordt aangedaan. Bij de zakenman kun je nog denken aan slordige samenlopen van omstandigheden, maar bij de – inderdaad wat ijverige – agent gaat het om kwalijke pesterijen. Lachen?
    Aanvankelijk is op de redactie Kwabbernoot de chef van Flater, met een enkele cameo van Robbedoes. Verder hebben is er de tekenaar Krasser, een anonieme collega, de boekhouder Van Gestel en juffrouw Jannie van het secretariaat, die verliefd is op Guust. Vergeefs. Komisch?

    Veel van hetzelfde

    Hierboven zijn al wat kanttekeningen geplaatst bij het grappigheidsgehalte, en wie de verzamelde Flaters (twintig albums in het Nederlands, eenentwintig in het origineel) herleest, wordt er inderdaad niet erg gelukkig van. Het begint met gags die een halve pagina beslaan. Ze krijgen pas jaren later het formaat van een hele pagina en nog later beslaan ze er twee of drie. Dat leest boeiender. Want telkens weer die ontplofte Kwabbernoot en verbrande contracten, dat verveelt. 

    De recente definitieve uitgave van de albums is opgevuld met losse tekeningen en redactionele teksten uit het blad. Duidelijk van mindere kwaliteit en ze leiden de aandacht af van de strips. Op een cd kunnen de bonusnummers worden overgeslagen, maar bij een stripalbum werkt dat niet. Franquin had veel werk overgelaten aan assistenten, maar als hij in 1967 ophoudt met de strip Robbedoes, overigens in een daverend laatste album met Flater en de hele cast van beide strips, krijgen we de pijp rokende Pruimpit in diens plaats. Toch ook dan telkens weer die ontplofte chef, verbrande contracten, gepeste agent en Flaters vreselijk auto, een taxi-achtige Fiat 509.

    Gaandeweg toont zich de meester als Franquin steeds meer zorg besteedt aan de plaatjes, met rare figuurtjes op de achtergrond en elke gag voorziet van een signatuur waarin een grappige commentariërende tekening – soms met tekst – is verborgen. En…Franquin wordt politieker. Hij laat Guust deelnemen aan een ban-de-bom-demonstratie en een door Greenpeace geïnspireerd fulmineren tegen het walvisjagen, waarbij de flaterfoon een positieve bijdrage levert. Ook protesteert Guust tegen het martelen van politieke gevangenen in een advertentie voor Amnesty International. 

    En Last but not least, emancipatie! Aanvankelijk was juffrouw Jannie een onaantrekkelijke, bebrilde hobbezak met een paardenstaart, alleen geschikt om met Guust op een gemaskerd bal als achterste helft van een paard op te treden. Een schril contrast met de andere secretaresses die, zoals Bomans dat destijds zou hebben omschreven, ‘een leuk figuurtje’ hadden. Na enige tijd maakt Franquin van haar een wulps, huppelend meisje, met een klein stukje onderjurk onder haar rok uit piepend. Uiteindelijk krijgt ze een sexy strakke spijkerbroek en geruite blouse. De verliefdheid blijkt nu ook wederzijds. Jannie en Guust dromen zelfs op kantoor tegelijkertijd van hun romantische verblijf op een onbewoond eiland. 

    Gecomponeerd als een geheel

    In december 1996 was Franquin drieënzeventig, de lezers hadden veertien jaar moeten wachten op een nieuw album, maar toen verscheen Van Flaters tot kraters. Een bestseller. Een paar weken later overleed de schepper.
    Met enige sceptisch werd er aan deze Flater slaat weer toe! begonnen. Al lezend ontstond er steeds meer bewondering voor Delaf. De strip begint alsof Flater een lange vakantie heeft genomen. Eerst met gags van een pagina, maar allengs lopen ze door en introduceert Delaf subtiel een verhaallijn. Namelijk de stapel tekeningen van Franquin die telkens verdwijnt (en weer opduikt) met als risico een blad met lege pagina’s en een toptekenaar die naar de concurrent stapt. Bovendien keert Kwabbernoot weer terug als chef omdat Pruimpit overspannen is geworden, met af en toe Robbedoes en de marsupilami in zijn kielzog. Flater slaat weer toe! is dus gecomponeerd als een geheel.

    Het verwachte defilé van de personages en de Flater-attributen doseert Delaf eveneens kundig en hij varieert de grappen zodanig dat we niet steeds dezelfde krijgen voorgeschoteld. De agent Vondelaar neemt nu eens Flater te pakken en die is op zijn beurt ook vaker slachtoffer van zijn eigen strapatsen. Hij neemt zelfs ontslag bij Robbedoes omdat hij het blad niet verder in gevaar wil brengen. Netjes, dat Delaf Franquin buiten beeld houdt, evenals het personage dat Franquin gedeeltelijk op zichzelf had gebaseerd, Bertje Blunder. 

    Veel strips die door anderen worden voortgezet, concentreren zich op de gouden jaren. Blake & Mortimer liepen oorspronkelijk door tot begin jaren zeventig, maar de nieuwe avonturen spelen in de jaren veertig en vooral vijftig. Delaf heeft zich dan ook bewust op jaren zeventig geconcentreerd. De madammekes en de heertjes uit het begin van de strip, tuttig getekend ook, bestaan nog net. Aanvankelijk had Flater, net als cowboy Lucky Luke, een onafscheidelijk sjekkie in de mond, maar dat verdween al vroeg. Nu is ook Pruimpits pijp verdwenen.
    Alle nostalgie op een rijtje, paradoxaal genoeg is Flater slaat weer toe! de beste en leukste introductie in het oeuvre. Wel jammer dat de latere politiek afwezig is, evenals de emancipatie van Jannie. Weer een piepend stukje onderjurk en geen gezamenlijke dromen meer van een paradijsje.