• En ik ben nu eenmaal een graver

    En ik ben nu eenmaal een graver

    In 1954 verscheen een boek van de Amerikaan Darrel Huff, How to Lie with Statistics (in Nederlandse vertaling in 2019 als Liegen met cijfers). Daarin laat de auteur zien hoe je de grootst mogelijke onzin kunt ‘staven’ met geraffineerd getekende grafieken die op zich niet onjuist zijn. Iets vergelijkbaars is How to Lie with Maps van Huffs landgenoot Mark Monmonier uit 1991, dat iets dergelijks uitlegt over het misbruik van (land)kaarten.
    Het nu onlangs verschenen Friezen in Rome van Atte Jongstra doet aan die boeken denken. Net als eerder werk van hem. Deze nieuweling roept ook veel reminiscenties op aan zijn De avonturen van Henry Fix II uit 2007, over een vergeten Zwolse burger met grote verdiensten. Net als in die roman breit Jongstra in Friezen in Rome over een fictief figuur een fantastisch verhaal dat volledig gestaafd wordt door feiten. Dat Friezen in Rome het in tegenstelling tot Fix II zonder illustraties moet doen is jammer – het zal mogelijk een kostenkwestie geweest zijn.

    Bouwstoffen
    Jongstra staat met zijn schrijversvoeten stevig in de 19de-eeuwse klei en buit die uit als bouwstof voor zijn absurdistische humor, mystificaties en hilarische verwikkelingen. ‘Bouwstof’ inderdaad. In Friezen in Rome zijn 96 in kleine letters dichtbedrukte pagina’s bronvermeldingen opgenomen die in de woorden van Jongstra bouwstoffen zijn. Door ze geen ‘Notenapparaat’ te noemen, maar ‘Deel III’ van zijn boek benadrukt hij nog eens dat ze er een essentieel onderdeel van zijn. Het zijn stuk voor stuk verwijzingen naar bestaande bronnen, ook al ben je wel eens geneigd aan de echtheid te twijfelen. Maar dat is juist de absurde kracht ervan.

    Jongstra voert in Friezen in Rome de onderzoeker Atte Sixma op die een spiegel is van de auteur zelf. Hij deelt niet alleen zijn voornaam met Jongstra, maar ook zijn geboortejaar (1956) en -plaats (Wispolia, het huidige Terwispel). Bovendien is Sixma aanhanger van de patafysica (de wetenschap van denkbeeldige problemen), waarvan Jongstra ook vertegenwoordiger is.

    Friese koeien
    Sixma heeft het voor elkaar gekregen dat hij zijn saaie baan bij de Provinciale Bibliotheek in Leeuwarden tijdelijk mag verlaten voor een fellowship bij het Academisch Instituut in Rome. Hij mag er zich namens het Fries Historisch Verbond volledig wijden aan het onderzoek naar Friese huurlingen in dienst van de paus van 750 – 1870. Hij presenteert zich in Rome als professor bij dat Verbond. In zijn koffer heeft hij een boek meegenomen waarvan maar één exemplaar bestaat en dat hij eigenlijk had moeten invoeren in de bibliotheek: een in bruinleren band gebonden verhandeling van Leeuwarder Johannes Buma uit 1767.
    Op grond van archiefonderzoek is hij, als hij in Rome aanbelandt, overtuigd van de grote invloed van de Friezen in de wereld. Hij slaat zijn medefellows aan het Instituut om de oren met Friese wortels in Punjab, Venetië, Chili, Zwitserland en Brooklyn. Zijn collega’s worden er bijkans gek van: ze kunnen het nergens met hem over hebben of Sixma weet wel een Friese link te debiteren. Hij herkent Friese koeien op een schilderij in Trastevere en begint over de kwaliteit van de Friese ‘Dokkumer Nije’ en de ‘Zoete van der Schoot‘(appelsoorten) nadat de directeur van het Instituut zich heeft laten ontvallen dat hij niet van appels houdt.
    Langzaamaan wordt Sixma versleten voor een halve gare (een ‘mad professor’) waartegen hij zich verdedigt door te zeggen dat hij nu eenmaal een graver is.

    Domheid
    De lezer wordt intussen duidelijk dat aan de collega’s van Sixma ook een steekje los zit. Zij zijn – in tegenstelling tot Sixma die zich zijn professoraat bij het Fries Historisch Verbond wederrechtelijk heeft opgeplakt – wel bevoegd, maar zijn evenzeer druk met achter waandenkbeelden aanhollen. Het levert kolderieke dialogen op tussen de fellows. Sixma verliest zich in die ontmoetingen nogal eens in de drank en slaat de plank regelmatig mis. Een gesprek met een collega die hij aan haar laptop ziet werken, gaat zo:
    ‘”Hi”, zeg ik, “Open for conversation?”
    “Even een zin afmaken, ogenblik.” Niet veel later: “So, what’s on your mind?”
    “Niets bijzonders. Human intercourse, meer niet.”
    “Je bedoelt human interaction mag ik aannemen”, zegt ze lachend.
    Ik bloos: “Oeps, slip of the tongue”’.

    Jongstra stopt heel wat humor in zijn boek: ‘Er zou eens een lijst van mooie Shakespearecitaten moeten worden gemaakt’, zegt Sixma, waarop de directeur van het Instituut repliceert: ‘Die lijst bestaat al. Shakespeares Verzamelde werken’.
    En in een ander gesprek verzucht Sixma: ‘De domheid. Daar valt zoveel wijsheid uit te putten. Er zou een encyclopedie van moeten komen’. Een leuke grap, als je als lezer tenminste weet dat die encyclopedie al in 2007 is geschreven door Matthijs van Boxsel, medepatafysicus van Jongstra.

    Verstand kopen
    Het kan niet anders of het onderzoek van Sixma moet helemaal fout lopen. Eerst komt het Friese Verbond er achter dat Sixma zich ten onrechte een professoraat aanmeet ‘terwijl je weet dat ons Verbond geen hoogleraren kent, nog geen halfvolle’, vervolgens werkt hij zich in de nesten door zijn gedraai over de vermissing van het vermiste boek van Buma uit 1767 en tenslotte wordt hij door het Verbond ook nog eens overladen met kritiek op het verslag van zijn onderzoek.
    Intussen heeft hij zelf al zijn hypotheses over de wereldwijde invloed van Friezen onder zich zien wegvallen doordat hij is gestuit op een geschrift van de Nijmeegse archivaris Albert Delahaye die beweert dat Friesland oorspronkelijk niet eens heeft bestaan. Veiligheidshalve besluit Sixma zijn verslag daarom maar liever een ‘historische roman’ te noemen.

    Dat we met zijn allen beter ons gezonde verstand kunnen gebruiken vervat Jongstra mooi in het korte tweede deel van Friezen in Rome, waarin hij het prachtige verhaal vertelt van de inwoners van het Kroatische eiland Brač die er ooit op uit trokken om elders verstand te kopen.

    Friezen in Rome is een op en top ‘Jongstra’. Smullen voor de liefhebbers, maar met de voortdurende verleiding om alle bronnen die in ‘Bouwstoffen’ vermeld staan te gaan checken. Nodeloos werk. Ze kloppen allemaal, inclusief het weetje dat Jongstra de naam Atte Sixma al eens als pseudoniem gebruikte in een artikel over Bonifatius’ dood in het periodiek Plompeblêden uit 2001.

  • Oogst week 27 – 2024

    Bechamel mucho

    Volgens de een kan lasagne niet zonder, volgens de ander juist liever wel: bechamelsaus. Bechamel mucho, het 59ste boek van Vlaming Dimitri Verhulst (Aalst, 1972), is in elk geval zo gelaagd als het pastagerecht, maar heeft er verder weinig mee te maken. In meer dan 30 landen is het werk van Verhulst vertaald, van De helaasheid der dingen en De laatste liefde van mijn moeder tot De intrede van Christus in Brussel en De laatkomer. Dit laatste boek gaat over dementie, maar Bechamel mucho zou zomaar net zo onvergetelijk kunnen worden!

    We volgen personage Alex, een animator in een hotel op vakantie-eiland Mallorca. Een echte charmeur bovendien, die met de ene na de andere vrouw in bed belandt. Hoe lichtvoetig dit ook klinkt, langzaamaan ontstaat een pijnlijk beeld van lege zomervakanties, die voor de eenzame dames niet meer zijn dan een doekje voor het bloeden. Of dit bloeden nu het weduwschap is, een verloren kind of een nare scheiding. Alex moddert aan en vraagt zich af, waarom de mensen om hem heen niet gewoon hetzelfde kunnen doen.

    Bechamel mucho
    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Na de komma – Hindostanen en de erfenis van het kolonialisme

    Op 1 juli wordt Keti Koti gevierd: de afschaffing van de slavernij. Langzamerhand ontstaat hierover steeds meer bewustzijn in Nederland, maar het blijft een gevoelig thema. Juist daarom verdient het boek Na de komma van Shantie Singh aandacht. De titel is geen willekeur: Nederland zet graag een punt, terwijl het slavernijverleden tot op heden doorwerkt in de levens van voormalig onderdrukten en hun nazaten. Dit geldt ook voor hindoestanen. Want nadat Afrikanen niet meer gebruikt mochten worden in Surinaamse plantages, liet Nederland gewoon werkkrachten uit Brits-Indië (Pakistan en India) overvliegen.

    Shantie Singh (Almelo, 1982) debuteerde in 2014 met Vervoering, een kroniek over een hindoestaanse familie, en schreef in 2020 de liefdesroman De Kier. Intussen had zij zich al aangesloten bij het schrijverscollectief Fixdit, dat zich hardmaakt voor sekse- en gendergelijkheid binnen de Nederlandstalige literatuur. Met de kritiek op het Nederlands kolonialisme geeft Na de komma andermaal blijk van Singhs maatschappelijke betrokkenheid.

    Na de komma - Hindostanen en de erfenis van het kolonialisme
    Auteur: Shantie Singh
    Uitgeverij: De Geus

    Friezen in Rome

    Atte Jongstra (1956) schrijft essays, dichtbundels en romans. Bovendien is hij redacteur van het Vlaamse literaire tijdschrift DWB en vaste medewerker van NRC Handelsblad. Voor de verhalenbundel De psychologie van de zwavel werd hij in 1989 beloond met de Geertjan Lubberhuizenprijs. Negen jaar later ontving hij de J. Greshoffprijs voor zijn essaybundel Familieportret. Publiekelijke bekendheid verwierf hij definitief met de historische roman De avonturen van Henry II Fix. En nu is daar het geestige, intrigerende Friezen in Rome.

    Fries geschiedkundige Atte Sixma werkt aan het Academisch Instituut in Rome, temidden van allerlei wetenschappers en kunstenaars. Hij doet onderzoek naar Friese strijders voor keizers en Vaticaanstad. Maar niet iedereen stelt zijn inbreng op prijs. Vooral vanuit Leeuwarden klinkt steeds hardere kritiek, zijn peers pesten hem en zijn seksuele uitspattingen komen hem ook duur te staan. Ineens wordt alles twijfelachtig: heeft het Friese volk überhaupt wel bestaan? En wat blijft er in roerige tijden over van Sixma zelf?

    Friezen in Rome
    Auteur: Atte Jongstra
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • De charme van het associatieve

    De charme van het  associatieve

    ‘Lijders heb je in soorten en maten. Er zijn er die hardnekkig lijder willen blijven, omdat die toestand hen tot Iemand stempelt, een mens dat aandacht verdient, zorg op zijn minst. Er wordt naar hen omgekeken, je bent geen Nobody. Ik hoor niet tot dat type, vandaar dit boek: een oprechte poging van Vrouwe Claustra te scheiden,’ zo valt te lezen in de essaybundel Hemelwortels, Avonturen van een lijder van Atte Jongstra (1956). Daarin gaat Jongstra op zoek naar de wortels van zijn claustrofobie. Angsten leiden bij hem tot lichamelijke reacties: ‘groot ongemak, fysiek. Huidverschijnselen (rillingen, jeuk), trillend rechteroog, onophoudelijk roken’. De oorzaak van zijn claustrofobie lijkt hij te vinden in een (opnieuw geactiveerde) herinnering aan een breed in de media uitgemeten mijnramp in Duitsland in 1963, Jongstra was toen zeven jaar. De schrijver, die in 2016 de Constantijn Huygens prijs ontving voor zijn oeuvre, gaat in deze bundel met eenenveertig korte essays de confrontatie met zijn angsten aan.

    De bundel opent met een stuk over het zogenoemde Wormergat dat aan het einde van de jaren vijftig verscheen in Wormer bij Zaandam. De herkomst van dit gat was onduidelijk en dat fascineerde de toen driejarige Jongstra in hoge mate. In wat volgt haalt de auteur veel overhoop: Don Quichote en de socioloog Gabriel Tarde passeren de revue en ook Shakespeare, E.T.A. Hoffmann en Hugo von Hoffmansthal. Het verband tussen al deze associatief bij elkaar geplaatste personen en personages is niet altijd duidelijk.

    Persoonlijk relaas

    In Hemelwortels, een pendant van zijn autobiografische roman Diepte! (2013), gaat Jongstra in op grotten en mijnen en de avonturen die speleologen en mijnwerkers er beleefden. In zijn breed uitwaaierende stukken put hij uit literatuur en journalistieke artikelen van soms obscure kranten. Hij diepte zijn materiaal veelal op uit het digitale krantenarchief Delpher van de Koninklijke Bibliotheek, dat geldt als een hoofdbron voor veel historici. Jongstra citeert uitvoerig uit de met het invoeren van trefwoorden gevonden krantenartikelen. Te uitvoerig soms: je had gehoopt dat hij meer zelf aan het woord zou zijn geweest. Meer zelfonderzoek, het diep graven in de eigen fascinatie en angst voor de afgesloten ruimte, zou interessant zijn geweest: wat zegt claustrofobie over iemands psyche? Sommige mensen lijden aan angst voor het oneindige, de kosmos, terwijl anderen niet zozeer de menselijke exploratie in de ruimtelijke omgeving vrezen, maar wat interne exploratie genoemd kan worden, het zoeken naar gegevens diep in de eigen geest, het nog grotendeels onontgonnen terrein van de hersenwetenschap, een terrein dat hopelijk nooit al zijn mysteries zal verliezen.

    Het was boeiend geweest als Jongstra meer had verteld over de relatie tussen aangeboren aanleg en omgevingsfactoren (datgene waar je veelal bij toeval tijdens je leven mee geconfronteerd wordt) bij het ontstaan van claustrofobie. Het bevindt zich op het raakvlak tussen de menselijke neiging om de leefomgeving (zowel onder de grond als diep onderzee) te onderzoeken en de angsten die dat kan oproepen aan de ene kant en aan de andere kant het graven in de psyche. Men graaft bij onderzoek naar claustrofobie zowel in de grond als in de eigen geest, zo lijkt het. De lezer leert in Hemelwortels uiteindelijk echter niet veel over de hem of haar misschien vreemde wereld van de claustrofobie en komt ook niet heel dichtbij de persoon van Atte Jongstra. Het had best wat persoonlijker gemogen, een inkijkje in de geest van een lijder aan claustrofobie. Nu is de bundel noch een heel persoonlijk relaas, noch een beargumenteerde studie.

    Charme van het associatieve

    Het gaat in de bundel nadrukkelijk niet om een wetenschappelijk vertoog, al is deze wel voorzien van eindnoten. De stijl van Jongstra is zonder meer goed, hij toont zich meer een zoeker dan een vinder, zoals voor veel literaire essayisten geldt. Het is waar dat met een meer gestructureerde aanpak een deel van de charme van het associatieve verloren zou zijn gegaan. Toch zullen sommige lezers vergeefs zoeken naar een strakkere betooglijn, een zorgvuldig opgebouwd relaas, of een beargumenteerd zelfonderzoek. Houvast in het schimmige rijk van de angst. Dat biedt Jongstra allemaal niet. In zekere zin blijft hij aan de oppervlakte. Wel wordt zijn fascinatie voor het onderwerp duidelijk, al komt de achter de fascinatie verborgen noodzaak om deze essays te schrijven niet heel helder naar voren. Je voelt niet met Jongstra hoe erg het is om aan claustrofobie te lijden, of het verschijnsel ontwrichtend is, of slechts enigszins belemmerend.

    Hemelwortels is rijk geïllustreerd – Jongstra deed zelf de beeldredactie – wat een deel van de bekoring van de stukken uitmaakt. De afbeeldingen nodigt de lezer uit zelf te fantaseren over het afdalen onder de grond, diep in de eigen psyche.

     

     

  • ‘Bij elke oorlog gaat het zo: de mensen copuleren zich er gewoon doorheen’

    ‘Bij elke oorlog gaat het zo: de mensen copuleren zich er gewoon doorheen’

    De oorlog laat ons kennelijk niet los. We krijgen geen genoeg van het inleven en het herdenken, gezien de aandacht van de media voor het 75-jarige jubileum van D-Day. Heroïsche anekdotes van de laatste overlevenden schreeuwen om gehoord te worden. Ook De Aardappelcentrale draait om de herinneringen van een overlevende. De schrijver, Atte Jongstra, krijgt bij toeval een pak papier in handen met losse aantekeningen van de beeldhouwer Chris Holtser, waarin deze schrijft over zijn belevenissen tijdens de oorlog. Hij benadert Jongstra met het verzoek daarvan een biografie te brouwen. Jongstra neemt de uitdaging aan.

    Cynische overlever
    Door de terugkerende ontmoetingen met Holtser krijgt het boek het karakter van een raamvertelling.
    Dit stijlmiddel zorgt voor een brug in de tijd waarmee het relativerende karakter van het boek versterkt wordt. De oude Holtser is een bedlegerige, cynische kankerpit, wiens leven, naar eigen zeggen, eigenlijk na de oorlog was afgelopen.

    (Jongstra) ‘”Het is geen oorlog meer, meneer. Gelukkig maar.”
    (Holtser) “Noem dat maar gelukkig,” zei hij. “Toen gebeurde er tenminste nog wat. Sindsdien is het allemaal niks. De oorlog… Geen meid was veilig, en dat vonden ze helemaal niet erg. Zelf wilden ze ook graag. Mooie avonturen hoor!”’

    Voor de onbekende overlever
    Chris Holtser is het klassieke type van de antiheld. Als, tijdens de bezetting, in 1942 de Arbeidsdienst wordt opgericht, moeten alle Nederlandse jongens tussen de 18 en 23 jaar zich melden om te gaan werken in Duitsland: spitten op de hei, exerceren, paraderen en zich afbeulen, kortom, naar analogie van de propaganda, ‘Koenraad van de Arbeidsdienst’ spelen. Dit lijkt Holtser maar niks. Als er dan ook een baantje als medewerker vrij komt op het Amsterdams Gemeentearchief aan de Amsteldijk waarvoor vrijstelling van de arbeidsdienst geldt, is Holtser er als de kippen bij. Hij wordt, vanwege zijn achtergrond als beeldhouwer, medewerker Gedenktekens en is belast met het inventariseren en documenteren van alles betreffende standbeelden en gedenktekens. Bovendien krijgt hij de beschikking over een dienstfiets, iets wat in die jaren gold als een grote bijzonderheid.

    Hoewel hij officieel nog thuis woont, bivakkeert hij doorgaans op het atelier van zijn vriend Bonaventura, vlakbij het Gemeentearchief. Dit atelier heeft Bonaventura ‘geregeld’ via een vriendje van de NSB en doet dienst als ontmoetingscentrum van kunstenaars die gelieerd zijn aan de Kultuurkamer. Het is een gemengd gezelschap van nihilistische lieden die in meer of mindere mate sympathiseren met de Duitsers en zich, naarmate de oorlog voor de Duitsers slechter lijkt te verlopen, vooral zorgen maken over hun eigen hachje na de oorlog. Via connecties bij de NSB weten ze aan eten en drank te komen, zodat er altijd wat te vieren valt. Zij laten het zich goed smaken en omringen zich voortdurend met mooie en willige meiden.

    Aardappelcentrale
    Als Chris Holtser besluit een standbeeld te maken voor de Onbekende Overlever, een standbeeld in de vorm van een aardappel, genaamd ‘Niemand’, wordt deze gedachte door iedereen enthousiast omarmd en feestelijk ingewijd. Voortaan gaat het gezelschap door het leven als de Aardappelcentrale. Het beeld wordt opgedragen aan de anonieme burger, die gewoon aardappelen op zijn bordje wil en verder niets, die zijn leven niet wil opofferen voor welke ambitie dan ook, maar gewoon wil overleven. Ze plaatsen het beeld op het pleintje voor bioscooptheater Thalia in de Tolstraat op 2 of 3 september 1944, vlak voor Dolle Dinsdag, de dag waarop talloze NSB’ers en Nazi-sympathisanten overhaast de wijk nemen naar het oosten in verband met de valse geruchten over de op handen zijnde bevrijding van Nederland. Op woensdag, als de Duitsers alle gekte van de vorige dag weer onder controle hebben, blijkt iemand een bord tegen de voet van het geïmproviseerde piëdestal geplaatst te hebben met daarop geschreven: ‘Weg met de pieper Adolf. Wij willen echte aardappelen!’ Zo is Niemand plotseling omgetoverd tot een verzetsmonument.

    Als het oog van de Duitse inlichtingendienst steeds meer begint te vallen op het illustere gezelschap van de Aardappelcentrale, zoeken velen een goed heenkomen. Zo ook Chris Holtser. Hij weet te ontkomen naar het bevrijde Nederland ten zuiden van de grote rivieren en België, samen met Willem Waterman, de schrijver van de na de oorlog ongekend populaire jeugdboekenserie over Bob Evers. Daar maakt hij nog vele avonturen mee, kenmerkend voor het vrijgevochten (over)leven in een ineenstortende wereld aan het eind van een oorlog.

    Aangenaam tegenwicht
    Hoewel De Aardappelcentrale een vlot geschreven boek is, niet gespeend van humor, beklijft het nergens. De karakters zijn nauwelijks uitgediept en soms zelfs karikaturaal zoals Holtser’s baas, de NSB’er Dieters, en diens hitsige vrouw en ordinaire dochter. Hoewel de setting van het eerste gedeelte van het boek, de bijeenkomsten van de leden van de Aardappelcentrale op het atelier van Bonaventura, volop gelegenheid biedt voor spannende gesprekken, conflicten of ontboezemingen, ontbreken deze grotendeels. Ze blijven doorgaans beperkt tot dialogen gericht op het zo snel mogelijk met een vrouw de koffer in duiken. De oorlog is eigenlijk nergens beklemmend aanwezig, hooguit in ‘overlevende’ zin van: ‘De Niemand spelen, dan krijg je de minste last’.

    Het tweede gedeelte is avontuurlijk, bizar en vol romantiek en speelt zich af in het zuiden van Nederland en in België. Het heeft het amusante karakter van de schelmenroman. Het boek overstijgt nergens het verhaal. Interessant is wel het feit dat Jongstra in Chris Holtser een volstrekte antiheld portretteert en in die zin een aangenaam tegenwicht biedt aan alle opgeklopte heldenverering waaraan in onze tijd kennelijk zo’n behoefte is.

     

  • Een bundel om van bij te komen

    Een bundel om van bij te komen

    De schrijver Atte Jongstra debuteerde in 1985 met een solide en aanstekelijk geschreven studie over de Multatulianen naar aanleiding van het 75-jarig bestaan van het Multatuli Genootschap. Hij gaf daarmee een goede doch misleidende indruk. Na dit boek volgden tientallen publicaties die moeilijk onder een noemer te vangen zijn, zeker niet onder de noemer literair-historische documentatie waar zijn Multatulianenboek toe gerekend kan worden. Met de dichtbundel Furunkel voegt Jongstra weer een noviteit toe aan zijn oeuvre: het is de eerste dichtbundel die hij – de zestig inmiddels gepasseerd –  onder eigen naam publiceert.

    Ongrijpbaar
    Furunkel
    bevestigt Jongstra’s reputatie van ‘nergens bij willen horen’. Épater le bourgeois – dat doet Atte Jongstra het liefst. Van ongrijpbaar naar onbegrijpelijk, Komrij meets Lucebert, zeg maar. Niet voor niks luidde de ondertitel van Jongstra’s autobiografie in de Privé-domein-reeks ‘bekentenissen van een zelfontwijker’. De signalen die Jongstra op zijn lezers afvuurt liegen er niet om. Een furunkel is een steenpuist. Het openingsgedicht van de bundel heet ‘Over de papegaai’. Het volgende fragment is ontleend aan de derde en laatste strofe:

    […] Wij dichters zijn rijk
    met kleur gezegend en voorzien de mensen,
    en om en om elkaar, van oude taal, van
    adeldom. Voor zolang de mensheid duurt.
    Daarna de papegaai, met zijn enige
    echte openbaring.

    Verwarring alom
    Welnu: de welsprekendheid van een papegaai mag bekend worden verondersteld. En dat is dus volgens deze dichter de ‘echte openbaring’. De lezer is gewaarschuwd. De dichter presenteert zijn nummers vervolgens als een dompteur in een vaudeville: hij verbluft, varieert en onderhoudt. Zo gauw de lezer denkt te weten wat ‘ie kan verwachten volgt er iets anders. Wat overheerst is verwarring.
    Het kortste gedicht van de voorstelling beslaat zes regels, het langste bestaat uit zes delen en omvat 8 pagina’s, inclusief drie motto’s: uit een Mariahymne, één van Goethe en één van Napoleon (‘Was je niet, ik kom eraan!’). De onbeheerste zinnelijkheid die in deze bundel frequent valt aan te wijzen, ook die is in alle directheid in de eerste plaats ongewoon – en zelden poëtisch.

    [ …] Ik had je graag op knieën
    willen dwingen en je volle lippen om
    mijn pik gevoeld … [etc.]

    of

    In de zomeravondzwoelte streel ik je altijd stuwend
    gat, je lubberende stoelzit, flodderend, vloeiend,
    luwend onder mijn vingeren, zachtjes veraambeiend
    […] (uit het gedicht ‘Cloacina, heilige’

    Podiumpoëzie
    Opmerkelijk is dat een zo veelzijdig, origineel en ‘postmodern’ auteur zich niet aan het schrijven van teksten voor toneel heeft gewaagd (de Nederlandse centrale catalogus kent althans geen toneelstukken van Atte Jongstra). Wellicht omdat hij beter zelf als performer kan optreden? Het moet gezegd: de bundel Furunkel schreeuwt om voordracht. Het vergt weinig fantasie om je voor te stellen welke indruk Jongstra zou wekken met een presentatie van gedichten uit deze bundel tijdens (bijvoorbeeld) de ‘Nacht van de Poëzie’. Zijn harde, nasale stem, het dreunende Friese accent – en dan een tekst als deze, uit het gedicht ‘Boekenwerk’:

    Uit mijn dikke ballen ruk ik zo gewoon waar ieder bij staat
    een hele berg gedichten, ik spuit gasten die zingen als bejaarden
    tot ze wit gaan zien. Verdiende loon. Hadden ze maar gestorven
    moeten zijn. En hé, over hun liggende figuren kom ik me daar
    zomaar nog een keer, ik moet me werkelijk beheersen om niet
    factor zeven op hun krengen los te laten. […]

    De liefhebbers van podiumpoëzie zullen, na de indringende voordracht van een tekst als deze, fluiten,  joelen en hun handen stuk klappen. Ten slotte: het laatste gedicht van de bundel heet ‘Wit’. Het is kort en ‘stil’ is het laatste woord van de laatste regel. Daar is de lezer dan ook wel aan toe: al was het maar om op adem te komen.

     

  • Constantijn Huygens-prijs 2016 voor Atte Jongstra

    Deze week werd bekend gemaakt dat de Constantijn Huygens-prijs is toegekend aan Atte Jongstra voor zijn hele oeuvre. De prijs bedraagt 10.000 euro en wordt uitgereikt tijdens het Schrijversfeest, de afsluiting van het internationaal literatuurfestival Writers Unlimited / Winternachten, op 22 januari 2017 in Den Haag.

    Jongstra behandeld zijn onderwerpen met een tegendraadsheid die fenomenaal is en hij is niet wars van een voetnoot hier en daar. In zijn debuut in 1989 De psychologie van de zwavel, waarin het verhaal Een perfect stuk, dat geïnspireerd is op het dagboek van de gebroeders Goncourt, waarbij hij op 18 paginas 68 voetnoten gebruikt. Hij presteerde het zelfs een verhaal te schrijven, Cicerone, dat uitsluitend uit voetnoten bestond. Andere titels van hem die zeer aanspreken zijn Groente (1991), en zijn autobiografie Klinkende ikken (2008) Met zijn debuut won hij zijn eerste literaire prijs, de Geertjan Lubberhuizen-prijs.

    Atte Jongstra (Terwispel, 1956) beoefent de literatuur als een aanstekelijk en lichtvoetig spel van stijlen en vormen. Gedurende zijn dertigjarige schrijverschap bouwde hij een veelkleurig oeuvre op waarin de liefde voor archieven, lexica en encyclopedieën een constante is. In elk van zijn boeken treft het de lezer telkens weer hoe hij citaten, verwijzingen en fictie weet samen te brengen in een kunstig, vermakelijk en vaak tegendraads werk van de verbeelding. Met veel genoegen bekroont de jury dit eigenzinnige oeuvre met de Constantijn Huygensprijs 2016.

     

    De jury bestond uit: Voorzitter Aad Meinderts, Erica van Boven, Jeroen Dera, Yra van Dijk, Arjen Fortuin, Jan de Roder, Carl De Strycker en Maria Vlaar.

    Eerdere laureaten: Adriaan van Dis (2015), Mensje van Keulen (2014), Tom Lanoye (2013).

    Het doel van de Jan Campert-Stichting is de bevordering van de Nederlandse letterkunde. De Campert-Stichting probeert dit doel te bereiken door de jaarlijkse toekenning van literaire prijzen waarmee zij bij willen dragen aan de publieke erkenning en een grotere bekendheid van een belangrijk geacht literair oeuvre.

     

    Foto:Bianca Sistermans

  • Vechten tegen een waanbeeld

    Vechten tegen een waanbeeld

    Van Atte Jongstra is inmiddels wel bekend, dat hij geen ouderwetse verteller is die een verhaal schrijft met een kop en een staart. Bij hem vallen meteen literair-theoretische termen als autofictie, meta- en intertekstualiteit, die gangbaar zijn voor de zogenaamde postmoderne romanproductie.

    Zijn nieuwste roman Aan open zee is daar geen uitzondering op. Jongstra schrijft over het schrijven, over de relatie tussen de schrijver en de personages in zijn roman. Hij gebruikt teksten van anderen, citeert met en zonder bronvermelding, laat zien dat een schrijver op de schouders van vroegere schrijvers staat. Een roman van Jongstra is een uitgeschreven kaartenbak, grappig of gewild grappig aan elkaar geschreven. Hij citeert niet alleen uit de ‘hoge’ literatuur, maar gebruikt net zo gemakkelijk een tekst uit Ja zuster, nee zuster: ‘Zwaaien met je onderbroek, zwaaien met je hemd’ of parafraseert de Bijbel: ‘God, ik weet niet wat ik doe.’

    De roman
    Het verhaal van deze roman is gauw verteld. De schrijver Borg komt aan op een eiland in de Oostzee en vestigt zich daar enige maanden, om te schrijven aan het nieuwe Werk, een roman die hem eindelijk het succes zal moeten brengen dat hij nooit heeft gekend. We leren door de schrijver allerlei mensen kennen die tijdelijk of permanent op het eiland wonen en het verhaal krijgt een thrillerachtige sfeer als er lichaamsdelen worden gevonden in de zee rondom de eilanden. In het tweede deel leert Borg Mette kennen, een verpleegster met wie hij een liefdevolle relatie onderhoudt, een vrouw uit één stuk die zijn humor en zijn levensgevoel deelt. Eindelijk vindt hij ‘de vrouw om in te verdwijnen’ naar wie hij altijd heeft verlangd.

    Jongstra legt in zijn roman sterk de nadruk op de omstandigheid dat het boek een schepping van de auteur is die in het boek een hoofdrol speelt. De auteur is de schepper, de almachtige, degene die aan de touwtjes trekt van elk personage. Hij schrijft zelfs zijn eigen leven. Hij kan een personage ook huppakee de roman uitknikkeren, zoals dat ook gebeurt met een soapster die in het werkelijke leven op reis moet of zwanger is.

    Het Werk dat Borg schrijft is de roman die de lezer op datzelfde moment aan het lezen is. De mensen die je in het boek tegenkomt zijn ook de mensen die de schrijver ontmoet. Geleefde en beschreven tijd zitten elkaar zo dicht op de huid dat ze samen vallen. Jongstra vertelt bij iedere scène waar de schrijver Borg zich bevindt, om aannemelijk te maken dat hij er zelf bij was en becommentarieert voortdurend de gang van zaken.

    Strindberg
    Daarnaast staat de roman vol verwijzingen naar romans van anderen. In de dialoog die voorafgaat aan de roman zegt Borg: ‘Een goede roman leunt altijd op eerdere boeken. Onzin om te denken dat alles helemaal nieuw is.’ Jongstra denkt zeker dat de lezer dit niet uit de roman zelf zou kunnen halen, omdat hij het zo nadrukkelijk vermeldt. Dat lijkt een gotspe, want de hoofdpersoon van Jongstra’s boek heet Axel Borg, dezelfde naam als de hoofdpersoon van Strindbergs roman, met dezelfde titel Aan open zee, die op dezelfde eilanden speelt waar Jongstra zijn roman heeft gesitueerd. Jongstra’s personage Borg leest Het ravijn van de Russische schrijver Gontsjarov en vraagt zich af of hij ook zo’n soort boek moet schrijven. Moet de lezer van Jongstra’s boek eerst Strindberg en Gontsjarov lezen om te achterhalen wat de meerwaarde van deze verwijzing is?

    De kracht van een roman kan naast de inhoud van het verhaal dat verteld wordt liggen in de manier waarop dat gebeurt. Zeker aan het begin van de roman lijkt de schrijver sterk associatief te werk te gaan met veel klankrijm (ij-ij en ui-ui). Zijn beeldspraak is er in veel gevallen net of behoorlijk naast. Een voorbeeld? Axel Borg ziet op tegen de reis. Alles in hem verzet zich ertegen: ‘De dieseldampen aan boord van de veerboot, het zeewater dat zich straks in snotgroene walmen, algachtig aan hem zou meedelen, het dreigend grijs, een eilandgemeenschap waar hij zich in zou moeten vechten, de eenzaamheid van de komende maanden die hem toegrijnsden.’
    Zoveel klankrijm bij elkaar in een zin is teveel. Zeewater dat zich ‘algachtig’ aan hem ‘zou meedelen’. Water kan praten! De eenzaamheid die hem toegrijnst. Hallo meneer Eenzaamheid, haal die grijns van uw gezicht!

    Spook
    Deze roman toont aan dat Jongstra vecht tegen een spook uit zijn jeugd. Het spook van de tekst als een door God ingeblazen tekst, die zonder tussenkomst van de mens als een blijde ware boodschap via een schrijver wordt neergelaten onder de mensen. Het lijkt wel alsof Jongstra nog steeds vecht tegen het beeld dat hij als kind van een tekst heeft meegekregen. Maar dat beeld bestaat al lang niet meer. Jongstra blijft echter maar doorgaan met de aanval op dat beeld, alsof hem voor de eerste keer is uitgelegd dat het niet klopt.

    In het laatste hoofdstukje van de roman zegt Axel Borg tegen zijn geliefde Mette dat het hem niet gelukt is om een samenvatting van zijn roman te maken. Hij vraagt zich af of Mette misschien uit de ‘baaierd aan stukken en brokken’ kan opmaken wat hij ‘eigenlijk met het boek zou willen zeggen.’ Wil Jongstra nog eenmaal duidelijk maken dat Borg echt wel doorheeft dat zijn boek geen traditioneel verhaal is?

    Aan de ene kant is de auteur volgens Borg almachtig, dat laat hij op bijna iedere pagina blijken en aan de andere kant weet Borg niet waar zijn roman over gaat. Dat is verwarrend. Weet Jongstra het zelf? Of doet hij maar wat, zo lang het maar lekker klinkt en literair aandoet. Verwarring stichten is wat mager voor een roman van 266 bladzijden. Mager ja, want het verhaal zelf is oninteressant en in een gekunstelde stijl geschreven. Verwijzingen naar andere teksten moeten er diepgang aan verlenen die er niet is.

  • Oogst week 11

    Aan open zee

    Na zijn voorlaatste, quasi roman Worst, heeft Atte Jongstra weer een echte roman geschreven die begint aldus:

    Er was de zee beneden, daarboven een zwerk van lood. Axel Borg stond met twee benen stevig op Bornholms graniet en liet de blik weiden over zijn reisroute. Hoe lang zou het duren voor de wateren zouden samenvloeien? Aan de einder was het silhouet van Christiansø zichtbaar, een minimale horizonverdikking in een smalle streep licht. Hij had een overtocht geboekt naar deze in de komende maanden schaars bevolkte, geologische ruïne, waar hij zich terug zou trekken voor het Werk.

    Aan open zee was ook de titel van een roman die de Zweedse schrijver August Strindberg in 1890 schreef en die zich eveneens afspeelde op een eiland langs de kust van Scandinavië waar iemand door de regering naar toegestuurd werd om de slechte visvangst te onderzoeken. De man krijgt te maken met onwillige eilandbewoners en brengt het er niet goed van af. In Jongstra’s roman trekt een auteur zich terug op het eiland Christiansø om daar aan zijn boek te werken. Maar het rustige eilandleven inspireert hem niet, tot er uit de zwaar vervuilde Oostzee een lijk boven water komt, gevolgd door een stortvloed van gebeurtenissen. Een commissaris met verlof, een ondergedoken crimineel en een Française die hongert naar liefde, proberen er hun eigen soep van te koken, net als de eilanders. En dat geschreven op zijn Jongstra’s, dat belooft wat.

    Aan open zee
    Auteur: Atte Jongstra
    Uitgeverij: Arbeiderspers

    De oogst is voorbij

    Geert van der Kolk is geen bekend gezicht binnen het Nederlandse literaire circuit, toch schreef hij al 16 romans en verhalenbundels. Dat hij sinds de jaren tachtig in Washington woont, heeft daar wellicht mee te maken. Van der Kolk was Amerika-correspondent van Het Parool en maakte verslagen over Mexico en de burgeroorlog in El Salvador. Hij publiceerde korte verhalen in Maatstaf, De Revisor en Tirade waarna hij in 1987 debuteerde met de verhalenbundel De nieuwe stad, dat in de jaren daarna gevolgd werd door nog twee verhalenbundels. In 1991 verscheen zijn eerste roman, Käthe Jahn, gebaseerd op de jaren dat hij in Oost-Berlijn woonde.

    Voor De oogst is voorbij zwierf hij een half jaar door Oost-Afrika met het idee een reisboek te maken. Het werd uiteindelijk een roman over de Wageningse ingenieur Andries Jordaan, die naar Afrika gaat om aan een ontwikkelingsproject te werken. Het project komt niet van de grond door tegenwerkingen van de autoriteiten en wantrouwen bij de lokale bevolking.
    Dan ontmoet Jordaan Pippa Roberts, een Engelse arts die een kliniek wil openen. Ze denken dat ze samen iets tot stand kunnen brengen, maar verliezen uit het oog hoe gecompliceerd, en gewelddadig de Afrikaanse werkelijkheid is. Het zou hier wel eens kunnen gaan om een literaire liefderoman.

    De oogst is voorbij
    Auteur: Geert van der Kolk
    Uitgeverij: De Kring

    Haar

    Kathleen Vereecken schreef verschillende historische jeugdromans. Haar is haar eerste roman voor volwassenen en vertelt het verhaal van drie zussen die na een leven van rivaliteit en gebrouilleerd met elkaar zijn, zich weer vinden rond het sterfbed van de vader. Ieder vraagt zich af wat er geworden is van hun kinderdromen en jeugdverlangens van weleer. Ze zijn van schaamte vervuld terwijl de vader, in de laatste fase van zijn leven, de schaamte heeft losgelaten. Hij denkt na over zijn dochters, zijn te vroeg gestorven vrouw en over een geheim dat hem kwelt.

    Haar gaat over vragen rond affectie en verraad en dingen als: waarom nemen vrouwen zo graag ritueel afscheid van hun meisjesjaren?

    Haar
    Auteur: Kathleen Vereecken
    Uitgeverij: Polis

    De slag om Berlijn ( Finale Berlin )

    Heinz Rein (1906-1991) was schrijver en sportjournalist tot hem, vanwege zijn linkse sympathieën in 1935 een schrijfverbod werd opgelegd door de nazi’s en hij veroordeeld werd tot dwangarbeid. Na de Tweede Wereldoorlog werkte hij als freelance schrijver in de toenmalige DDR en publiceerde meer dan tien boeken. De slag om Berlijn is zijn magnum opus. Het is een documentaireroman over de lotgevallen van Berolina; een kleine groep verzetsstrijders, tijdens de koortsachtige laatste oorlogsdagen van Berlijn.

    In het Berlijn van april 1945 verdedigen de achter gebleven soldaten de restanten van het Derde Rijk. Onder de colonnes vluchtelingen en het uiteenvallende Duitse leger, speurt de Sicherheitsdienst nog steeds naar joden en deserteurs. In die chaos is er een jonge soldaat die een schuilplaats zoekt, een ontsnapte gevangene die een aanslag voorbereidt, worden mensen geholpen onder te duiken en is de kroeg van ene Oskar Klose een ontmoetingsplek voor het verzet met de SS op hun hielen.

    De slag om Berlijn ( Finale Berlin )
    Auteur: Heinz Rein
    Uitgeverij: Lebowski
  • Op sterven na dood

    Als je niet oplet drijft het verleden ongemerkt uit beeld tot er niets van over blijft en neemt het heden het volledig van je over. Tot je door iets dat je ziet of hoort met dat verleden geconfronteerd wordt. Gistermorgen viel mijn oog op een kopje boven een kort bericht op de voorpagina van de Volkskrant. Ik las: ‘Vrij Nederland op sterven na dood.’ In werkelijkheid stond er: ‘Vrij Nederland gaat verder als maandblad.’ Door de schok had ik het bericht misvormd. Door de crue berichtgeving werd ik enkele decennia teruggeworpen in de tijd.

    In bed met een stapel kranten in een historisch pand in de binnenstad van Deventer waarvan mijn Lief en ik de verbouwing nooit helemaal voltooid kregen. Wanneer het cementstof was neergedaald en de kou door iets te enthousiast gesloopte tussenmuurtjes door het pand kroop en mijn Lief de kroeg om de hoek indook, was Vrij Nederland mijn baken.

    Met Bibeb, Dichters & Denkers, Boek van de maand, Nederlands proza, de stukjes van Rinus Ferdinandusse (die ik nooit helemaal begreep of gewoon geen geduld voor had), essays en veel, veel ruimte voor recensies. En op de achterkant het feuilleton Agnes, beslommeringen van een alleenstaande bijstandsmoeder met opgroeiende zoon, door Peter van Straaten. In mijn herinnering stonden er geen nieuws of opiniestukken in. Wat natuurlijk wel het geval was en ik zal er voor de vorm ook wel met mijn ogen overheen zijn gegaan, al staat me daar niets meer van bij.

    Boven in mijn werkkamer, die dit weekend als logeerkamer was gebruikt en er nogal aangedaan uitzag, trok ik een grote zwarte koffer onder mijn tafel vandaan en klikte de twee sloten open. Gravend door bergen correspondentie van vrienden en geliefden vond ik op de bodem twee dikke mappen met knipsels en vergeelde VN krantenbladen. Ik vond een recensie van Carel Peeters van De vriendschap, de tweede roman van Connie Palmen, 4 maart 1995. Peeters vond het boek een genadeloos filosofisch meisjesboek dat met niets te vergelijken was: ‘De roman ontwikkelt zich van meisjesboek tot filosofisch essay.’

    In de rubriek Ter zake, uit dezelfde editie een stuk over de taak van de openbare bibliotheken bij de verspreiding van literatuur. Het geval wilde dat de spraakmakende bundel De gevelreiniger en anderen van Arjen Duinker veel lovende recensies had ontvangen maar van de elfhonderd bibliotheken die Nederland toen rijk was, bestelden er maar elf een bundel! Het was een schande. De uitgever van Duinker, Maarten Asscher schreef een boze brief naar de directie van de NBD (Nederlandse Bibliothekendienst) waarin hij klaagde over het feit dat er van de meer commerciële literatuur altijd veel meer werd aangekocht. Een regelrechte schande voor de poëzie was het.

    Er stonden namen in waar ik toen nog nooit van gehoord had en ook later nooit meer iets van vernomen heb. Eendagsvliegen zoals Sammi Landweer die met de verhalenbundel Woestijn debuteerde. En op 3 februari 1990 besprak Frans de Rover De psychologie van de zwavel van Atte Jongstra, waarin feit en fictie een belangrijke rol spelen. In de serie Privé-domein was net Mijn leven door Alma Mahler-Werfel uitgekomen. Beide boeken staan nog steeds in mijn boekenkast en mijn heimwee naar de dagen dat literatuur er nog toe deed in de media, wordt meer en meer aangewakkerd.

    Maar hoe moet dat nu met de literatuur en zijn besprekingen nu VN, na een feestelijk gevierd 75 jarig bestaan op het punt staat te verdwijnen? Want maandelijks verschijnen nadat je decennia lang een wekelijkse gast was, wil zeggen dat je langzaam uit beeld verdwijnt.

     

     

     

  • De werkelijkheid is alleen van jezelf

    De werkelijkheid is alleen van jezelf

    Een huwelijk is net als worst. Je moet niet de hele tijd bezig zijn met de bestanddelen van je partner’, antwoordt de ‘ik’ uit Atte Jongstra’s nieuwste roman Worst. Hij krijgt tijdens een college in Berlijn vragen over zijn boeken; deze gaan over de psychologie in zijn romans. ‘Mijn personages houden er niet van. Ze denken liefst zo weinig mogelijk over zichzelf na’, antwoordt hij.

    Op 1 juni 2012 barst de bom. Schrijfster Ingrid Hoogervorst zet haar man buiten de deur omdat hij nooit ergens over wilde praten: ‘Je krijgt een uur om op te rotten’. De aanleiding was een compromitterend gedicht dat ze op zijn pc heeft ontdekt en heeft uitgedraaid. Duidelijk bewijs van overspel, smeet ze hem in het gezicht. Nee, vrijheid van de dichter, was zijn vergeefse repliek.

    ‘De heenzending’ noemt de aangesprokene, Jongstra, die gebeurtenis. In Worst kijkt hij op zijn manier terug op de 15-jarige relatie met zijn ex, die in de roman ‘Rosa’ wordt genoemd. Eerder dit jaar deed Ingrid Hoogervorst dat al in haar Privédomein, een roman met veel analyse en zelfbeklag en graven naar signalen die er bij nader inzien altijd al geweest waren. Jongstra zelf moet daar niets van hebben. Dat blijkt op een vermakelijke manier bijvoorbeeld uit een herinnering die hij beschrijft aan een gesprek dat ze samen hadden naar aanleiding van een artikel uit de NRC van 24 maart 2007 over de ‘Psychologische Alweter’. Rosa gaat er, fragmenten voorlezend aan haar man, eens goed voor zitten: ‘Moet je horen. Goed stuk. Over hoe slecht naar mensen wordt geluisterd.’ De ‘ik’ heeft er geen zin in, maar leest na enig aandringen een fragment voor over het analyseren van elkaars persoonlijkheid in een relatie en zegt dan: ‘Daar zouden ze eens mee moeten stoppen’. Rosa eist het katern terug: ‘Als je je mening al weer klaar hebt, geef dan maar hier.’
    Inderdaad. De signalen waren er vijf jaar voor de ‘heenzending’ ook al.

    Spreidde Hoogervorst de nukken en ongemakken van haar partner (zij noemt die in Privédomein consequent ‘de schrijver’) nogal venijnig ten toon in haar roman, Jongstra doet dat in Worst wat minder. Dat komt vooral door de verwevenheid van zijn terugblik met het verslag van één van zijn verzamelwoedes, worst deze keer. Die lekkernij zet hij in de roman meteen maar in als metafoor voor wat er mis ging: ‘Het was geweld dat ons huwelijk sneuvelen deed, en het peuren in de worst’.

    Nee, voor gepsychologiseer kun je de deur van Jongstra beter voorbijgaan. ‘Daar heb ik een ex-echtgenote voor’, zegt hij in Venetië tegen een Poolse doctor, die hij aan de ‘espressotoog’ heeft getroffen en die hem rondleidt in ‘het Giethoorn van Italië’. Iedereen heeft zijn eigen werkelijkheid, en laat dat in godsnaam zo blijven, lijkt Jongstra te denken. Dat is ook de toon van Worst. Natuurlijk stopt hij het nodige gif in de beschrijving van de breuk, maar het gebeurt op een manier die regelmatig op de lachspieren werkt.

    Jongstra wil er eigenlijk niet eens zoveel over kwijt: ja, een paar belabberde ervaringen, haar achterdocht, zijn zoektocht naar passende huisvesting na zijn ‘heenzending’, de sneren als hij in het huis spullen op komt halen, het gedoe over alimentatie enzovoort. Maar er is vooral zijn passie voor de worst in alle denkbare gedaantes en toepassingen. Hij struint er het internet voor af en leest oude kranten en de (wereld)literatuur door op zoek naar vermeldingen van worst.

    En ook in het verslag van die passie geldt: de werkelijkheid is die welke we creëren of waar we in wensen te geloven. Jongstra neemt onze opvattingen van de realiteit voortdurend op de hak. Het meest extreem deed hij dat in 2007 in De avonturen van Henry II Fix, waarin hij een compleet gefingeerde biografie presenteerde met een vérgaande schijn van gedocumenteerdheid. Veel van wat hij deze keer in Worst debiteert is ‘waar’, maar ook hier wordt het spel gespeeld, in tekst en afbeeldingen. ‘Jochem Rook huwde te Vollenhove (Overijssel) op 17 juli 1812 Margje Worst’; verzint hij dat? denk je als nieuwsgierige lezer. Nee, hoor. Het klopt. Maar die tekening dan op pagina 96, waarop iemand een ladder beklimt om Nietzsche een worst op zijn hoofd te zetten? De noten achterin de roman erkennen de manipulatie: ‘vrij naar Julius Hammer’. Jongstra heeft de lauwerkrans op het origineel voor de gelegenheid vervangen door een worst als hulde aan de – ja, dat wel – worstminnende filosoof. Of neem de grafiek op pagina 121 over de ‘Divorce rate in Maine per capita consumption of sausage’… Toch even googelen: nee, het ging niet over worstjes, maar over margarine! Daarentegen bestaat het muziekstuk Salute to a Sausage Society for Trombone Trio van de Zweed Christian Lindberg wel degelijk! Het is te beluisteren als track 12 op YouTube.

    In Nederland creëerde Atte Jongstra zelf ook maar meteen een sausage society. Worstclub Mondiaal. Hij is er erelid van. Daar had Rosa dan weer totaal geen begrip voor. In het eerste jaar na zijn ‘heenzending’ biedt zijn club hem meermalen vertroosting. Hij pikt er zelfs een nieuwe vriendin op bij wie hij zich kort kan warmen. Maar de nieuwe ware treft hij via een Facebookkennis. Het is Erminie. Hij krijgt haar, in tegenstelling tot eerdere vriendinnen, die weinig van zijn worsthobby moesten hebben, zelfs mee naar Mondiaal. Als de toenadering haar echter plotseling wat al te snel gaat haakt ze af.

    Een paar dagen later vergeet Jongstra, verteerd door minnepijn, naar een activiteit van zijn geliefde worstclub te gaan: ‘Ik zat met natte ogen voor het raam naar het park te turen en vergat er heen te gaan. Maar aan de janker in zichzelf krijgt men na een dag of wat een hekel. Ik kon haar zo niet laten schieten’.

    Sloeg zijn vrouw in 2012 toe na de vondst van zijn vermeende overspelgedicht, nu haalt hij Erminie terug met een vers per mail: ‘Val, neem, eet. Ik ben van jou’, is de laatste regel.
    Ze reageert nog dezelfde dag. Zonder gepsychologiseer.

     

     

     

  • Oogst van de Week 44

    Door Carolien Lohmeijer

    ‘Soms loop ik , de werkkamer beu, het museum in alleen om haar te zien. Of die andere. Of nog een andere.’

    Bernard Dewulf vraagt zich af waarom een geschilderd naakt hem zo kan bezighouden, wat de problemen waren die de schilder tegenkwam, met welke penseelstreek de kunstenaar begon en met welke hij besloot dat het kunstwerk af was. Hij mijmert verder: […] ‘Want telkens als ik voor haar sta, zie ik haar anders. Niet dat ze heeft bewogen, elke keer beweegt ze mìj anders. […]
    In zijn nieuwe bundel Toewijdingen is een aantal stukken bijeengebracht die Dewulf eerder schreef over de kracht van schoonheid. De dichter in hem klinkt door in de manier waarop hij schrijft. Lezers koesteren zijn taal. Zijn overpeinzingen doen je anders kijken naar schilderijen, eenvoudig bij jou thuis aan de muur of elders in een publiek toegankelijke omgeving.

    Laaiende kritieken en de Libris Literatuurprijs 2010 kreeg Dewulf voor Kleine dagen. Anita Meuleman schreef voor Literair Nederland: ‘Juweeltjes zijn het. De vertellingen van Bernard Dewulf. ‘

    Toewijdingen, Bernard Dewulf, Uitgeverij Atlas/Contact, 560 pagina’s, € 34,99

     

    Deze zachte witte kamer ‘Als ik op het podium sta, wordt klank de interpunctie’, aldus dichteres Runa Svetlikova (1982) in een interview uit 2010 in Meander.
    Een van haar meest memorabele podiummomenten noemt zij in datzelfde interview: ‘Een mooie houten tribune vol publiek. Daarachter kasten vol boeken, boeken en nog eens boeken. Alles in de open lucht. Ik bracht ‘De gebruiker van dit lichaam’, een cyclus rond mijn vader, en net toen ik de laatste zinnen – de zinnen van mijn vader – uitsprak

    en wie / zal bij je zijn / als de zon in / ’t zenit / langzaam-zeker / duistert?

    verdween de zon achter de bomen. Achteraf viel er een lange, lange stilte. Daarna kwam pas het applaus.’

    Haar poëziedebuut Deze zachte witte kamer is net verschenen. Uitgeverij Marmer, € 12,50

    Het is een opmerkelijke timing, het moment van verschijnen van De Joodse bruid.
    Dit boek speelt in Iraaks Koerdistan waar de Islamitische Staat (IS) momenteel het leven bedreigt van christenen en yezidi’s. In 1948, na de stichting van de staat Israël, waren het de Joden die uit Irak vertrokken. De Joodse bruid

    Judith Neurink raakte gefascineerd door dit vertrek, omdat vrijwel alle Joden verklaarden zich in de eerste plaats Iraaks of Koerdisch te voelen, en pas in de tweede plaats Joods.
    De hoofdpersoon in De Joodse bruid woont in een Koerdisch dorp op de grens van Iran en Irak. Ze is er geboren en getogen, en weet niet anders dan dat ze een jonge Koerdische, islamitische vrouw is, die binnenkort met een islamitische man in het huwelijk zal treden. Dan vindt ze een dagboek van een Joods meisje, geschreven in de jaren veertig en vijftig. Die vondst verandert haar leven.

    Judit Neurink is journalist en schrijfster en woont in Iraaks Koerdistan.

    De Joodse bruid. Het verdwenen verleden van Irak, Judit Neurink, Uitgeverij Jurgen Maas,€ 19,95

     

    WorstAtte Jongstra schreef in 2008 voor de reeks Privédomein (biografieën en autobiografieën) deel 266, Klinkende ikken, met als veelbetekenende ondertitel Bekentenissen van een zelfontwijker. In 2013 verscheen Diepte!, dat ‘misschien wel zijn meest autobiografische roman ooit’ werd genoemd. Jongstra heeft dus enige ervaring in het schrijven van een egodocument.

    Maar is het interessant om te weten hoe het huwelijk van een ander is? Wil je echt alle ins en outs te weten komen? Atte Jongstra en zijn ex-vrouw Ingrid Hoogervorst wilden in ieder geval allebei dat anderen inzicht hadden in hun voormalige huwelijk en schreven erover. Ingrid Hoogervorst in, -let op de titel- Privédomein dat in mei 2014 bij Prometheus verscheen, en Atte Jongstra in het onlangs verschenen Worst.
    Laten we het er maar op houden dat het nieuwe boek van Atte Jongstra over worst gaat.

    Worst, Atte Jongstra, Uitgeverij De Arbeiderspers, € 21,95

  • Het paradijs volgens Atte Jongstra

    Agenda

    De Houten Broek is een podium voor woordkunstenaars waarbij het gaat om de kracht en schoonheid van het woord en de kunst van het luisteren. Met onderwerpen die altijd tot nadenken stemmen.

    Dit nieuwe seizoen opent Atte Jongstra (1956) met een sermoen over Het paradijs, waarbij hij zich onder meer afvraagt waar het aards paradijs lag. In Mesopotamië, de Noordpool of in Oost-Pruisen? Verveelde men zich daar, droeg men er klompen en hoe oud zou Adam zijn als hij nu nu leefde.

    Atte Jongstra is met de houten broek geboren. Daarvan was al sprake in zijn literaire debuut De psychologie van de zwavel (1989) waarin hij zich een echte prediker toont die ondanks een niet-gelovige opvoeding nu en dan de ‘doe boete!’-toon van Savonarola weet te bereiken met een ontzagwekkend gemak. Een andere golflengte vinden we in Jongstra’s De tegenhanger (2003), een letterlijke tocht naar het paradijs, al beslaat de hel aanzienlijk meer pagina’s.  Dit jaar organiseerde Jongstra als gastcurator van het Rijksmuseum Twenthe te Enschede de tentoonstelling Paden naar het Paradijs, te zien vanaf 15 sept. 2013 tot en met 25 januari 2015. Tussen 1989 en 2003 publiceerde hij tal van romans en essays.

     

    Sermoen: Het Paradijs
    Spreker: Atte Jongstra
    Plaats: Geertekerk, Utrecht
    Datum: 29 september
    Tijd:17.00-18.00 uur.
    Entree: Vrij ( collectebijdrage dringend gewenst en welkom)

    Kijk op de website van De Houten Broek voor meer informatie en het terugluisteren van vorige sermoenen.

    Foto auteur: Sander Nieuwenhuys