‘Zonder woord geen verhaal en zonder verhaal geen samenhang en zonder samenhang geen gemeenschap’. Deze zin vat het besef samen dat Andries de Jonge treft nadat hij een gesprek heeft gehad met de Groningse professor in de godsdienstwetenschap, Gerardus van der Leeuw. ‘Hij leerde nu dat het absolute begin van alles het Woord was’. Het gesprek met de Groningse hoogleraar heeft hem doen besluiten toch predikant en dominee te worden. Tóch. Want er is een hevige strijd aan vooraf gegaan. Het ‘Kom verder!’, waarmee Andries in de kamer van Van der Leeuw was genodigd, heeft hem over de drempel geholpen.
Andries de Jonge is de vader van cabaretier Freek de Jonge. Deze beschrijft de scène in zijn onlangs onder de titel Kom verder! verschenen eerste deel van zijn memoires. Deel 2 daarvan, getiteld Reikhalzend verlangen was er al veel eerder (in 2017, en zelfs al gedeeltelijk in 1987 omdat het toen gepubliceerde Zaansch Veem er een groot deel van uitmaakt). De Jonge werkt momenteel aan deel 4, waarna ook nog een derde in het vat zit. Kom verder! beslaat de voorgeschiedenis van de schrijver tot 1951; hij is dan zeven en het gezin verhuist naar de Zaanstreek. Die voorgeschiedenis is een mengvorm van feitelijke beschrijvingen, theologische beschouwingen en veel verdichtsel; dat laatste omdat De Jonge zich veel vragen lijkt te stellen waarop hij zelf het antwoord moet bedenken. Dit eerste deel is daarmee veel beschouwelijker en serieuzer van aard dan vorige boeken en vooral zijn theatershows. De nar Freek is vrijwel volledig afwezig.
Opdracht
Freeks vader Andries is de zoon van Willem. Het gezin woont oorspronkelijk in Zeeland. Deze Willem hoort als hij met een bijbeltje in de hand in het weiland op de koeien past, de stem van de Heer. Hij voelt het als een roeping zijn leven aan Hem te wijden. Meer dan evangeliseerder en bijbelcolporteur is voor hem niet weggelegd. Wil je de gemeente als prediker of dominee leiden dan is daarvoor een universitaire studie nodig. Die ligt buiten zijn bereik. Zijn zoon Andries zal daarom deze opdracht voor hem in vervulling moeten laten gaan. De streng gelovige en dictatoriale Willem houdt zijn zoon als het ware gevangen in die goddelijke opdracht: hij wekt de indruk het een eer te vinden ‘in het spoor van Abraham zijn eerstgeboren zoon te offeren’. Andries zelf echter doet er alles aan om zich aan die druk te ontworstelen. Hij voelt zich niet thuis in het strenge geloof van zijn vader, haalt met opzet slechte punten op school om maar niet tot de theologiestudie te worden toegelaten en hij komt zelfs een keer ladderzat uit een kroeg. Die keer dat hij bij Van der Leeuw binnenstapt wil hij zijn twijfels niet langer verzwijgen. De man luistert naar hem, zoals nog nooit iemand dat deed. En hij komt met verrassende opmerkingen, zoals ‘Maar uw vader is God niet’ en ‘Een keertje goed dronken zijn kan geen kwaad’ en ‘Bang zijn voor twijfel is het wezen van de twijfel niet doorgronden’. Ineens wordt het domineeschap Andries’ eigen keus.
Leo Halle
Kom verder! is daarmee een vader-zoongeschiedenis die bijzonder boeiend is, mede doordat Freek de Jonge er zo respectvol over schrijft. Hij past daarin diverse literaire middelen toe, waarvan de talrijke verwijzingen naar het bijbelse verhaal over Abraham die van God de opdracht kreeg zijn zoon Izaak te offeren de meest sprekende is. Aangrijpend is hoe dit verhaal zelfs tegen het einde van deze memoires de uiteindelijke catharsis van Andries illustreert. Het thema van vader Abraham en zijn zoon paste Freek al eerder toe, onder andere in zijn programma Het Offer uit 2004 (integraal afgedrukt in Reikhalzend verlangen), dat toen deel uitmaakte van de theatercyclus De vergrijzing.
Maar de auteur gebruikt meer bijbelse stijlmiddelen. In een scène waarin de jonge Andries – in het boek wordt hij voortdurend aangeduid met ‘hij’ – bang is zijn vader te moeten bekennen dat hij de kerkgang verzuimd heeft omdat hij achter een fietser is aangereden in wie hij de beroemde voetballer Leo Halle meende te herkennen, moet hij denken aan het verhaal van Jacob die zijn vader bedroog om het eerstgeboorterecht van Ezau te stelen. Daarop laat Freek de Jonge volgen: ‘Hij [lees: Andries] zocht een steen om zijn hoofd op te laten rusten en concentreerde zich’, een zin die, op de laatste drie woorden na, letterlijk uit Genesis 28:11 komt waar het verhaal van Jacob wordt verteld.
Andries wordt inderdaad dominee. Van zijn door zijn vader opgewekte schuldgevoelens komt hij echter niet af. Het sterkst komt dat uiting in de passages waarin hij zich bij gemeenteleden thuis gaat verontschuldigen voor de voorechtelijke zwangerschap van zijn aanstaande vrouw Manny Furda. Hij lijkt een communicatief niet erg vaardige man, niet in zijn gezin en evenmin in situaties daarbuiten. Hij voelt zich het beste thuis in zijn studeerkamer en op de kansel: ‘hij was geen prater, hij was een preker’.
Galamadammen
Toch is Kom verder! licht van toon. De komiek Freek mag in dit deel dan wel zo goed als absent zijn, er passeren wel een paar zinnen en beschouwingen die meteen aan de theaterman Freek doen denken. Soms zijn het speelse opmerkingen zoals die waarin Andries speelt met mogelijk betekenissen van het woord Galamadammen (‘Lekker veel a’s’) of als hij merkt dat goederentrein en goedertieren bijna elkaars anagrammen zijn. Grappig is ook het detail over het roken van sigaretten in de oorlog toen zowel tabak als vloeitjes schaars waren. Daarin selecteert Andries zorgvuldig ‘minder bruikbare passages uit de dundrukbijbel’ waarmee van peukjes een nieuwe sigaret kan worden gedraaid: ‘Te beginnen met het verhaal van Onan’.
Freek de Jonge was al met Bram Vermeulen in ‘Neerlands Hoop’ één van de eersten die een cabaretprogramma bracht dat uiteindelijk een afgerond verhaal bleek. Dat is hij vooral gebleven: een verhalenverteller. Op het toneel, maar ook in deze memoires: ‘Wanneer worden letters woorden? Wanneer woorden zinnen? Hoe ontstaat uit een paar zinnen een verhaal? Wat geeft het een betekenis waardoor het verteld blijft worden? Na hoeveel keer vertellen wordt een betekenis de moraal?’
Vertellen, dat kan deze zoon van Andries, kleinkind van opa Willem en opgevoed met de Bijbel. Wie er achtergronden en foto’s bij wil kan de QR-codes scannen van elk hoofdstuk.
Niets is voor altijd. Wat blijft is omzien, gemiste kansen tellen, over de dood spreken we niet. Heimwee is een vals verlangen. Het buldert af en aan, als de Atlantische oceaan op de kust van Figueira da Foz. Als het buldert, sleep ik met meubels door de kamer, zet de tafel ergens anders, trek gordijnen voor de ramen weg, zoek naar een sfeer van toen. Van het boerderij-achtige huis aan de overkant van de IJssel, die zolderkamer, het huis in de stad, de driekamerwoning aan de voet van de Serra de Estrela. Pogend de losse delen waaruit ik besta samen te voegen. Ik zet het espressopotje op het gas, rooster brood, denk aan bacalhau com natas, een visschotel met de smaak van heimwee. Ik eet geen vis meer, zoiets kun je besluiten. In het weekend ging ik naar het filmhuis, zag de film Respect, over Aretha Franklin. Denk aan Martin Luther King, het Amerika van de jaren veertig, vijftig. Ongelijkheid van man-vrouw, zwart-wit, kind-volwassene. Het verhaal van Aretha Franklin voegt zich bij de verhalen in de boeken van Toni Morrison, James Baldwin, Ann Petry, over rassenscheiding.
De straat van Ann Petry (1908-1997) verscheen al in 1946, ik las het pas deze zomer. Petry was als journalist gestationeerd in Harlem waar ze geconfronteerd werd met de gevolgen van de segregatie. Ze begon erover te schrijven. De straat gaat over de strijdbare jonge vrouw Lutie Johnson, afkomstig uit de zwarte arbeidersklasse. Het boek werd een bestseller, anderhalf miljoen exemplaren werden er verkocht, nog nooit vertoond door een zwarte schrijfster in een tijd dat zwart èn vrouw niet gewenst was om gelijk te stellen aan blank èn man. Het speelt in de jaren veertig, 116th Street is een straat waar niemand fatsoenlijk kan blijven. Lutie Johnson leeft in de geest van Benjamin Franklin. ‘dat iedereen rijk kon zijn die dat wilde en hard genoeg werkte en genoeg vooruit dacht.’ Tot ze ontdekt dat dit niet voor zwarte mensen geldt. Petry benadert zwart zijn objectief, schrijft, ‘Zelfs al was het choquerend om mensen met een donkere huid te zien, dan nog had ze nooit begrepen waarom mensen met een blanke huid mensen met een donker huid haatten. Want wat anders kon er de oorzaak van zijn dat ze alle negers in een handzaam pakketje met daarop het stempel “zwart” stopten? Een pakketje dat om een bepaald soort baan en een bepaald soort behandeling vroeg.’
Woorden die nog steeds resoneren, dit boek schokkend actueel maken. Als haar huwelijk strandt, verhuist Lutie met haar zoontje naar Harlem, de enige plek waar ze een betaalbaar onderkomen kan vinden. Haar medeflatbewoners zijn werkeloze dronkaards, bedriegers, bordeelhoudster, louche huisbewaarder, depressieve vrouwen. Allen wonen in ‘smerige, donkere, akelige vallen. Trap op, trap af. Van het kastje naar de muur. Klik zegt de val na de eerste maand huur. Loop maar naar binnen. We leven in een vrij land’. Waar het slavernijverleden de zwarte landgenoten nog steeds in de nek hijgt. Weet dat het uitmaakt waar je ter wereld komt. Dat omkijken geen zin heeft, heimwee een privé aangelegenheid is.
De straat verscheen in vertaling van Lisette Glaswinckel bij AtlasContact (2020).
Inge Meijer is een pseudoniem, reist met een mondkapje, blijft op voor een goed verhaal.
In het nieuwe boek van de Japans-Engelse schrijver Kazuo Ishiguro, Klara en de Zon (2021) is de hoofdpersoon een geavanceerde robot: Klara, een Kunstmatige Vriendin, een KV.
De roman begint in de KV-winkel in een drukke straat met veel hoogbouw. Klara wacht met andere KV’s totdat een kind haar zal uitkiezen. De Cheffin, met hoofdletter, vertelt hoe ze zich moet gedragen om uitgekozen te worden. Als op een dag een kind in haar geïnteresseerd is, reageert Klara niet op haar, tot ongenoegen van de Cheffin. Klara verontschuldigt zich, legt uit dat ze zo reageerde omdat ze ‘voor dat bewuste kind, misschien niet de beste keus zou zijn.’ De Cheffin wijst haar terecht: ‘Het is de klant die de KV kiest, nooit andersom.’ De Cheffin benoemt Klara’s kwaliteiten: ‘Klara heeft zoveel unieke eigenschappen, we zouden hier de hele morgen kunnen blijven staan. Maar als ik er één zou moeten benadrukken, nou, dan zou het haar lust tot leren en observeren zijn. Haar vermogen om alles wat ze om zich heen ziet in zich op te nemen en te combineren is verbazingwekkend.’ De manier waarop Klara haar omgeving ‘scant’, in kegels, driehoeken en andere vormen benadrukken haar robotzijn. Ze ziet de patronen van de Zon op muren en vloeren.
De kracht van de zon
Twee belangrijke gebeurtenissen buiten de winkel zijn bepalend voor het verloop verhaal. In de etalage vangt Klara veel Zon en daardoor voelt ze zich energiek. Ishiguro gebruikt ook hier een hoofdletter. Klara ziet hoe een zwerver (‘Bedelman’) en zijn hond bewegingloos in de schaduw op straat liggen. Ze concludeert dat zij dood zijn. De volgende dag ziet ze ‘dat een speciaal soort voeding van de Zon hen had gered.’ Een tweede gebeurtenis heeft te maken met werkzaamheden in de straat. Een grote asfalteermachine – de ‘Cootings-machine’ – stoot zwarte rook uit en verduistert de winkel waardoor de KV’s een tijdje geen energie van de Zon meer krijgen.
Speciale hulp gevraagd
Klara komt bij Josie, haar Moeder en Melania Huishoudster in huis. Zij houdt Josie nauwlettend in gaten, geprogrammeerd als zij is om dienstbaar te zijn. Ook hier is Klara afhankelijk van de energie van de Zon. Ze ziet dat de Zon ondergaat achter de schuur van McBain en ze interpreteert dat als: de Zon gaat daar slapen. Dan blijkt Josie ziek te zijn. Moeder tegen Klara: ‘Het moet soms prettig zijn om geen gevoelens te hebben. Ik benijd je.’ Klara reageert: ‘Ik geloof dat ik veel gevoelens heb. Hoe meer ik observeer, des te meer gevoelens er voor me beschikbaar komen.’ Klara herinnert zich hoe de Zon Bedelman en zijn hond beter heeft gemaakt. Ze denkt dat de zon ook Josie kan genezen. Daarom wil ze naar de woonplaats van de zon, de schuur van McBain. In die bijna religieuze ruimte met oranje licht en stofdeeltjes dansend in het zonlicht, probeert ze de zon gunstig te stemmen. Ze stelt een overeenkomst voor: Stel dat ik in staat zou zijn de vervuilende machine kapot te maken, zou jij dan, in ruil willen overwegen je speciale hulp aan Josie te geven?
Elitemaatschappij
De wereld van Klara wordt groter. Eerst kent ze alleen de winkel en het huis van Josie. Later maakt ze met de familie uitstapjes naar de stad. Zo krijgt de lezer een idee van hoe de toekomstige maatschappij eruit ziet. Veel kinderen zijn genetisch gemanipuleerd, ‘opgetild.’ Deze elitekinderen krijgen les via beeldschermen en kunnen later naar de universiteit. Rick, het speelkameraadje van Josie, is niet opgetild en hij kan daarom niet studeren. Kinderen kunnen daardoor ‘in deze wrede wereld’ geen fatsoenlijk leven krijgen. Klara geeft hem daarom bijles. De tegenstellingen in de maatschappij zijn groter geworden. Veel ouderen zijn ‘vervangen’ door robots. ‘Uit dienst getredenen’ moeten geherhuisvest worden. KV’s mogen mee het theater in: ‘Eerst pikken ze de banen in. En daarna de plaatsen in het theater.’ Het is een maatschappij met veel veranderingen. ‘Iedereen moest nieuwe manieren vinden om zijn leven te leiden.’ Groepen komen gewelddadig tegenover elkaar te staan, de oude beroepselite bewapent zich. Drones worden ingezet om mensen te observeren.
Mooie beelden
Ishiguro heeft een sobere stijl. Veel dialoog, beschrijvingen zonder opsmuk. Af en toe maakt hij gebruik van mooie beelden. Bijvoorbeeld als Josie en Rick samen zitten te tekenen, over hun mogelijke toekomst samen. Hun tekeningen doen wel wat denken aan Chagall: ‘Tekening-Josie en Tekening-Rick leken door de hemel te zweven, de bomen, wegen en huizen ver onder hen gereduceerd tot miniatuurformaat. Achter hen, in de sectie van de hemel, vlogen zeven vogels in formatie. Tekening-Josie hield met twee handen een grotere vogel omhoog, die ze als een speciaal cadeau aanbood aan Tekening-Rick.’
Levenslessen
De roman van Ishiguro bevat meerdere levenslessen. ‘Opgetild of niet, echt talent mag niet onopgemerkt blijven.’ De diepere les van Klara en de Zon is dat ieder mens bijzonder is, dat wat het unieke van iemand bepaalt van binnen zit, het menselijk hart: ‘Iets wat ieder van ons bijzonder en individueel maakt.’
Ishiguro laat de lezer nadenken over de gevaren van robots met kunstmatige intelligentie. Hoe zit het met hun gevoelens, empathie en de manier waarop zij leren? Dergelijke robots kunnen op basis van foutieve observaties overgaan tot ongewenste acties. Zij maken mensen overbodig, waardoor spanningen in de maatschappij toenemen.
Veel vragen
Je blijft als lezer wel met een boel vragen zitten. Waarom is zo’n geavanceerde robot niet verbonden met het internet? Het apparaat krijgt ook geen updates en heeft geen toegang tot de wetenschap, maar kan wel een van de niet opgetilde kinderen bijles geven. En waarom weet ze niet dat ze opgeladen wordt door zonne-energie? De lezer moet het allemaal maar geloven.
Van de toekomstige maatschappij krijgt de lezer een akelige indruk. De tegenstellingen tussen groepen worden groter. Het kan zelfs uitlopen op geweld, maar Ishiguro werkt die verhaallijnen niet verder uit. Klara en de Zon bevat belangrijke levenslessen en geeft veel stof tot nadenken over de uitdagingen en gevaren van zelflerende kunstmatige intelligentie. De lezer blijft met veel vragen zitten. Van hem wordt een flinke dosis doorzettingsvermogen gevraagd om het boek uit te lezen.
Bekroond schrijver
Kazuo Ishiguro (1954) stond met zijn romans meerdere keren op de shortlist voor de Booker Prize. Voor zijn derde roman De rest van de dag (The Remains of the Day) uit 1989 won hij die prijs. Na een oeuvre van zeven romans ontving hij in 2017 de Nobelprijs voor literatuur. Ishiguro is geboren in Japan (Nagasaski, 1954), maar groeide vanaf zijn zesde op in Engeland. Peter Bergsma maakte van Klara and the Sun een uitstekende vertaling.
Schrijver en kunstenaar Anton Valens (1964, Paterswolde) is op 57-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amsterdam overleden. In 2016 werd bij Valens kanker geconstateerd. In oktober 2019 verscheen zijn laatste boek Chalet 152, volgens de Volkskrant een van de beste boeken in 2019 verschenen, en werd verder ook ontvangen als een onverwacht levendige roman. Ondanks zijn kleine oeuvre stond Valens bekend als groot en uniek talent.
Schilder en schrijver
Anton Valens volgde de opleiding schilderen aan de Rietveld Academie en de Rijksacademie. Na zijn studie werkte hij tien jaar in de thuiszorg. Daarvan maakte hij aantekeningen die aan de basis lagen van zijn debuut Meester in de hygiëne, negen portretten van oude mensen waar Bonne als thuishulp over de vloer komt. Het boek verscheen in 2004 bij uitgeverij Augustus. In 2005 won hij daarvoor de Geertjan Lubberhuizenprijs en in 2006 de Lucy B. & C.W. van der Hoogtprijs. Dagblad Trouw riep het uit tot een van de beste debuten van dat seizoen. Anton Valens was ook docent aan de Rietveld Academie en exposeerde met eigen werk op verschillende locaties. In 2008 verschenen de verhalenbundel Dweiloorlog en Ik wilde naar de rand van Bejing. Een reisverhaal.
In 2009 verscheen de novelle Vis, over een steuntrekkende kunstenaar die een week meevaart op een boomkotter naar de Duitse Bocht. Arjen Fortuin, toen nog literair criticus van het NRC, schaarde het bij de dertien onvergetelijke boeken uit zijn vijftienjarige praktijk als recensent.
Bescheiden persoonlijkheid
Ik herinner me Anton Valens uit interviews en publieke opstelling als een integer en bescheiden persoon. In een interview uit 2012 met Sara Berkeljon, noemde hij Het boek Ont dat in 2012 verscheen, ‘een vrij vreemd geheel’. De roman gaat over een groep mannen met postvrees. Er is een zelfhulpgroep ‘Man&Post’ waar ze elkaar helpen met het openen van enveloppen en rekeningen onder het mom ‘gedeelde post is halve post’. Hij was verbaasd dat het boek door de pers enthousiast ontvangen werd en grappig gevonden werd. Uit datzelfde interview: ‘Ik dacht dat voor Het boek Ont misschien hooguit dertig lezers te vinden waren.’ De roman haalde de longlist van de Libris Literatuur Prijs en werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs 2013, Beste Groninger Boek 2012 en de Halewijn Literatuurprijs 2012. Geen van die prijzen won hij, maar dat vond hij niet erg, de nominaties waren hem al genoeg. Zijn roman Het compostcirculatieplan uit 2016 werd bekroond met de F. Bordewijk-prijs 2016.
Colson Whitehead (1969) is geboren en getogen in New York. Na zijn studie aan Harvard ging hij aan het werk als recensent van boeken, televisie en muziek. In 1999 debuteerde hij met zijn roman De Intuïtionist en later werd hij in Nederland met name bekend door zijn romans De ondergrondse spoorwegen De jongens van Nickel. Beide romans werden bekroond met de Pulitzerprijs voor fictie. Colson kiest in zijn werk vooral voor thematiek rondom gelijkberechtiging van Afro-Amerikanen en plaatst zijn romans steevast treffend in een historische context. Al eerder schreef hij boeken die zich afspelen in zijn geboortestad: zijn essaybundel De Colossus van New Yorkwerd door de New York Times uitgeroepen als Notable Book of the Year; Sag Harboursitueert zich op Long Island en in het op de New York Times Bestseller lijst geplaatste Zone One beschrijft Colson een post-apocalyptische versie van zijn stad. En ook zijn laatste roman Harlem Shuffle(2021, vertaald door Harm Damsma) speelt zich af in het zwarte deel van New York, in de aanloop naar en tijdens de roerige Harlem riots van 1964.
Hoofdpersonage Ray Carney is meubelverkoper. Hij is getrouwd met Elizabeth en vader van twee kinderen. Zijn schoonouders zijn nooit enthousiast geweest over de keuze van hun dochter; hun zwarte schoonzoon Ray is ten eerste afkomstig uit een gebroken gezin en er ten tweede voor verantwoordelijk dat de huidskleur van hun kleinkinderen helaas niet even licht is als die van hun lichtgetinte moeder. Zijn schoonvader is lid van de chique Dumas club die uitsluitend lichtgetinte mannen toelaat. Ray is daar vanwege zijn iets meer getinte uiterlijk niet welkom, zelfs niet na een forse steekpenning. Elizabeth werkt bij reisbureau Black Star Travel dat toeristische trips en zakenreizen aanbiedt aan zwarte mensen. Eind jaren vijftig was het vanwege rassenongelijkheid en raciaal geweld voor hen een uitdaging om veilig te reizen. Het bedrijf waar Elizabeth werkt specialiseert zich in het in kaart brengen van veilige hotels, publieksvriendelijke restaurants en winkels en adviseert welke racistische witte stadjes zwarte mensen maar beter kunnen vermijden als ze ellende willen voorkomen.
Verborgen verleden
Het inkomen van Ray en Elizabeth is ontoereikend voor de levensstandaard die Ray nastreeft voor zijn gezin. Hij wil er graag goed voor zorgen en het gezin verhuist in de loop van het verhaal een paar keer naar een andere woning die niet alleen groter is maar ook gesitueerd in een betere wijk van Harlem. Ray wil namelijk dat zijn kinderen een andere jeugd hebben dan hijzelf. Hij voert geen overleg met Elizabeth over zijn plannen; Elizabeth vindt het op haar beurt wel prima dat haar gezin stijgt op de maatschappelijke ladder. Ondertussen houdt Ray angstvallig geheim dat hij afkomstig is uit een geslacht van bendeleden en boeven. Zijn vader was een beruchte crimineel die tijdens een kraak werd doodgeschoten door de politie. Neef Freddie is degene die nog een lijntje vormt met zijn verborgen gehouden verleden. Freddie duikt steeds weer op in het verhaal, dan weer om een alibi af te spreken (niemand verdenkt Ray van leugens, hij komt op iedereen over als volstrekt eerlijk), dan weer om gestolen spullen of spullen die ‘van een vrachtwagen waren gevallen’ in bewaring te geven. Ray verkoopt die spullen ook door, maar ziet dat zelf niet als diefstal, eerder als een welkome bijverdienste op zijn ontoereikende inkomen.
Keer op keer neemt Ray zich desalniettemin voor om zich niet meer in te laten met Freddie, want hij voelt wel aan tot welke problemen zijn duistere zaakjes zouden kunnen leiden. Whitehead weet deze ambivalente houding humoristisch onder woorden te brengen. Wanneer Ray bijvoorbeeld na de verkoop van een schitterende gestolen robijn geld opzij legt voor een beter appartement verzucht hij: ‘”Ik mag dan soms blut zijn, maar een schurk ben ik niet.” Hoewel hij moest toegeven dat hij het misschien toch was.’
Dorvei
Het middelste deel van het boek heeft als titel Dorvei, een in onbruik geraakt Frans woord waarmee een slapeloze tijd tussen middernacht en een tweede slaapfase bedoeld werd. Ray raakt steeds verder verstrikt in zaken die het daglicht niet kunnen verdragen en die hij daarom tijdens de dorvei uitvoert. Zijn vrouw heeft wonderlijk genoeg nooit enige argwaan waarom Ray ’s nachts regelmatig urenlang weg is en slikt de smoezen die hij daaromtrent ophangt voor zoete koek.
Harlem Shuffle krijgt steeds meer het karakter van een misdaadroman: er worden kluizen opengebroken, er wordt geschoten en gestoken, mensen worden afgeperst en geïntimideerd, er zijn foute agenten en er wordt een bebloed lijk in een vloerkleed gedumpt in een park. Toch vormen deze elementen gelukkig niet het belangrijkste dat Whitehead de lezer wil meegeven. Ze blijken vooral het decor te vormen van het gesegregeerde New York van de jaren zestig, waarin er in hetzelfde jaar (1964) zowel de Harlem Riots (waarbij de zwarte bevolking in opstand kwam nadat een vijftienjarige door politiekogels om het leven kwam) als de Wereldtentoonstelling plaatsvonden. Segregatie en racisme vinden zowel tussen wit en zwart als tussen zwarten onderling plaats, ondervindt Ray wanneer hij probeert op te klimmen op de maatschappelijke ladder.
In die zoektocht naar een plaats voor zichzelf en zijn gezin in deze wereld is het te begrijpen dat Ray iets beters wil voor zijn kinderen. Zijn gewetensontwikkeling is vanwege zijn criminele vader niet helemaal ideaal tot stand gekomen, maar de lezer hoopt toch dat hij niet in problemen komt wanneer hij zich voor de zoveelste keer inlaat met Freddie, wanneer die weer eens iets wil achterlaten in de kluis van Ray. Het geld hebben ze na verloop van tijd eigenlijk niet eens meer nodig: Elizabeth verdient inmiddels genoeg om in hun gewenste levensonderhoud te kunnen voorzien. Het is de vraag of Ray op het juiste moment zal weten te stoppen.
Forrest Gump
Zoals Forrest Gump in de gelijknamige film steeds zonder het zelf te beseffen opduikt bij tal van historische gebeurtenissen, zo heeft Colson Whitehead zijn protagonist Ray Carney eveneens knap in de Afro-Amerikaanse geschiedenis geplaatst. Je ziet hem als het ware rondrijden door Harlem in de oude bestelwagen van zijn vader. Whitehead weet precies de juiste couleur locale te schetsen door het bijvoorbeeld te hebben over het vluchten naar schuilkelders bij een luchtalarm vanwege de Koude Oorlog, of over een noviteit als een airconditioner in een privéwoning. De muziek, de meubels, de winkels, alles past in het New York van de jaren zestig. De historische gebeurtenissen passen daarnaast ook nog eens als een handschoen rondom de ondanks zijn duistere kantjes toch sympathieke Ray, alhoewel het naarmate het verhaal vordert steeds lastiger wordt om je als lezer met hem te identificeren.
De veelheid van namen en gebeurtenissen zorgen er soms wel voor dat de lezer de draad van het verhaal een beetje kwijtraakt; Whitehead heeft de neiging om enorm uit te weiden over details die later onbelangrijk blijken te zijn. De rauwe beschrijvingen van criminele handelingen ten slotte vormen een element waar niet iedere lezer even gecharmeerd van zal zijn. Het boek weet daarom minder te boeien dan de twee voorgaande boeken waarmee hij wereldwijd bekendheid kreeg, maar vormt desalniettemin een interessante inkijk in het New York van de jaren zestig.
Op een ochtend komt Jonathan zijn moeder tegen in de tram. Eén probleem: ze is al vier jaar dood. Toch gaan ze samen op zoek naar het landhuis waar zijn moeder is opgegroeid. Twee andere mannen verlaten de stad gelijktijdig. Het viertal ontmoet elkaar, letterlijk en figuurlijk, en leert dat de reis niet altijd belangrijker is dan de bestemming. Rob van Essen (1963) schreef meerdere romans. Met Visser werd hij genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en met De goede zoon won hij deze prijs zelfs in 2019. Zijn nieuwste roman Miniapolis bevat dezelfde humor en vervreemding als in zijn eerdere werk.
Auteur: Rob van Essen
Uitgeverij: Atlas Contact
Dit soort kleinigheden
De Ierse auteur Claire Keegan (1968) won verschillende prijzen voor haar romans en korte verhalen. Haar nieuwste roman Dit soort kleinigheden gaat absoluut niet over kleine thema’s. Het verhaal speelt zich af in de jaren tachtig, in het katholieke Ierland. Hoofdpersoon Bill heeft een bedrijf in hout en kolen. Hij is zelf de zoon van een tienermoeder die het huis werd uitgezet. Tijdens de feestdagen bezoekt hij vanwege zijn werk een klooster waar jonge vrouwen gedwongen worden om in de wasserette te werken onder de noemer ‘heropvoeding’. Deze roman is opgedragen aan de vrouwen en kinderen hebben geleden op de plaatsen waar ongetrouwde zwangere vrouwen werden weggestopt.
Auteur: Claire Keegan
Uitgeverij: Nieuw Amsterdam
Kluger Hans #41 Gêne
Kluger Hans is een platform voor nog onbekend literair talent, zowel in woord als in beeld, waarbij woord en beeld elkaar versterken. Twee keer per jaar komt er een nieuw nummer uit. Nummer #41 is net verschenen en heeft als thema ‘gêne’, en dan vooral in de literatuur. Is gêne iets wat overwonnen moet worden of juist iets wat je kunt vieren? Daan de Jager, Jonathan van der Horst, Bas Tuurder, Nic Wouters, Daan Kogelmans, Anna Wegloop, Anke Cuijpers, Hanne Craye, Nikki Dekker, Marloes van der Singel, Sixtine Bérard, Gaël van Heijst, Farīd ad-Dīn ʿAṭṭār in vertaling van Remi Hauman, Frederick Seidel in vertaling van Mattijs Deraedt en beeldend kunstenaars Corentin Grossman en Joëlle Dubois droegen bij aan dit nummer. Het nummer is hier te bestellen.
Vier kippen leven genoeglijk in de achtertuin van de vrouwelijke verteller van Broed, de debuutroman van de Amerikaanse Jackie Polzin. Ze hebben namen, kakelen tevreden, leggen eieren en zijn zich niet bewust van de gevaren die hen bedreigen: de harde winter, de hete zomer, roofdieren, onzekerheid over hun bestaan. Tegen dat alles probeert de ik hen te beschermen, in het begin onwetend en onzeker.
Dat dieren voor Polzin een thema zijn blijkt tevens uit het artikel dat ze schreef voor de StarTribune, een online nieuwskrant voor Minnesota. Ze vertelt hierin dat ze een rups in haar tuin vindt, die ze op een esdoorntak naar binnen haalt en verzorgt totdat de rups een cocon spint en uiteindelijk een vlinder wordt. Haar moeder, liefhebber van insecten, was haar voorbeeld met het jaar na jaar voeren en verzorgen van rupsen en cocons.
In Broed is de moeder van de verteller een van de liefdevolle mensen in haar omgeving. Ook een vriendin probeert haar en haar ondoorgrondelijke echtgenoot bij te staan bij het verwerken van een miskraam. Is het houden van de kippen een manier om toch het moederinstinct te kunnen uitleven?
Uitgeverij: Atlas contact
‘Alle dingen in de menselijke wereld zijn beelden die tot leven zijn ontwaakt,’ zei Franz Kafka, beroemd om zijn ongeëvenaarde verhalen. Maar in 2019 opende de Nationale Bibliotheek van Israël het Max Brod archief, waardoor de roem zich niet meer alleen tot zijn schrijverschap zal uitstrekken. In het archief werden tot dan toe onbekende tekeningen van de schrijver ontdekt. Hij maakte ze in de jaren 1901 – 1906. Tijdens zijn rechtenstudie aan de universiteit verveelde hij zich en krabbelde dan tekeningetjes op papier waarvan hij vond dat ze persoonlijk waren en niet mochten worden gedeeld met anderen. Aan zijn verloofde Felice Bauer schreef hij in 1913: ‘Ik was ooit een groot tekenaar, maar toen ben ik bij een slechte schilderes schoolse tekenlessen gaan nemen en heb ik mijn hele talent verknoeid.’
Uitgeverij Athenaeum doet nu een luxe kunstuitgave het licht zien met meer dan 200 van Kafka’s tekeningen. 140 daarvan worden voor het eerst aan de openbaarheid prijsgegeven. De uitgave is samengesteld door Andreas Kilcher, Pavel Schmidt en Judith Butler. Zij voegden ook begeleidende essays en een verantwoording toe.
Auteur: Redactie Andreas Kilcher
Uitgeverij: Athenaeum
Vleermuis in het ziekenhuis
Soms toont de schrijver zich woedend in Vleermuis in het ziekenhuis, soms onthutst, maar altijd is hij tot in zijn vezels betrokken bij de gebeurtenissen in het ziekenhuis. Schrijver en dichter Leo Hermens is fysiotherapeut in een ziekenhuis waar hij onder meer werkt met mensen met een hersenbeschadiging. Tijdens de coronapandemie zag hij van dichtbij hoe zorgverleners tot het uiterste gingen om opgenomen covid-patiënten te redden en hoe zwaar genezende patiënten het hadden. Het publiek zag en hoorde via de media voornamelijk cijfers, interviews en verhalen van professionals over een dan nog streng afgeschermde wereld.
Met de feuilleton van Leo Hermens op zijn facebookpagina kwamen er plotseling indringende en ontroerende verhalen rechtstreeks van de medische frontlinie beschikbaar. Op literaire en pakkende wijze deed Hermens verslag van de gebeurtenissen. De nieuwe uitgeverij Kwakman & Smet, gericht op specifieke projecten, gaf gehoor aan de oproep van vele facebooklezers om de verhalen en beschouwingen over het covid-jaar uit te geven.
Het Martyrium van Elias Canetti is sinds de eerste Nederlandse vertaling uit 1967 altijd wel verkrijgbaar geweest. Dat gold tot kort geleden alleen nog voor de uitgave in de stijlvolle Perpetuareeks. Voor wie de prijs daarvan een bezwaar was is er nu van dezelfde uitgever een zeer betaalbare achtste druk, net als alle vorige vertaald door Jacques Hamelink. Canetti schreef de roman met de Duitse titel Die Blendung (Verblinding) volgens eigen zeggen in één jaar in 1930. Het werk verkocht pas goed sinds de jaren zestig.
Het Martyrium is een allegorie over het verzet van de mens tegen de macht van het Kwaad. De wereldvreemde sinoloog Peter Kien, die volledig opgaat in zijn boeken, trouwt met zijn lelijke huishoudster Therese Krumbholz. Zij stort hem, louter belust op zijn geld, in het ongeluk. Het leidt er zelfs toe dat hij zijn huis wordt uitgezet. Zijn leven blijft zich echter rond boeken en bedrog afspelen en culmineert in de beroemde scène waarin hij zijn eigen bibliotheek en uiteindelijk zichzelf in brand steekt. Een nog altijd beklemmend en aansprekend boek.
Auteur: Elias Canetti
Uitgeverij: Athenaeum
Zelfmoord
De Franse schilder, fotograaf en schrijver Edouard Levé verhing zichzelf op 15 oktober 2007 in zijn appartement. Hij was 42. Tien dagen ervoor had hij het manuscript van zijn roman Suicide ingeleverd bij zijn uitgever.
De nu in het Nederlands als Zelfmoord vertaalde roman (novelle) vertelt het verhaal van een 25-jarige man, waarschijnlijk een vroegere vriend van de schrijver hoewel hij in de roman naamloos is, die met zijn vrouw wil gaan tennissen. Plotseling zegt hij haar dat hij thuis iets vergeten is. Zodra hij weer binnen is hoort ze een knal. Hij heeft zichzelf door het hoofd geschoten. Er wordt betwijfeld of hij met Zelfmoord een signaal afgaf voor zijn eigen plannen om een eind aan zijn leven te maken. De coïncidentie tussen de roman en de dood van de auteur is niettemin op zijn minst intrigerend.
Auteur: Edouard Levé
Uitgeverij: Koppernik
De hooier
‘Timo stapte uit bed, misschien voor de laatste keer als scholier’. Het is de eerste zin van de derde roman van Ricus van de Coevering, die in 2007 veelbelovend debuteerde met Sneeuweieren. Zeven jaar later volgde Noordgeest en nu, weer zeven jaar later, is er De hooier.
Timo zit die laatste keer te wachten op de uitslag van zijn vwo-examen en besteedt de tijd tot het verlossende telefoontje aan een terugblik op zijn leven. Daarin deed zich het ongeluk voor van Ruben, zijn broer met een verstandelijke beperking. Diens dood greep in de verhoudingen binnen het gezin diep in.
Op een dag sloeg boer Horssen met de hooier achter zijn Fordson Dexta Ruben een blauw oog in plaats van hem te betalen voor een klusje. Timo was weggerend. ‘Ruben had wraak willen nemen, Ruben wel, hij had het nog gedurfd ook als hij de kans gekregen had, maar het ongeluk was kort daarna’.
Gustaaf Peek (1975) schrijft onder meer proza, poëzie en filmscenario’s. Hij debuteerde in 2006 met de roman Amin. In 2015 won hij een Gouden Kalf voor zijn scenario voor de film Gluckauf. Zijn nieuwste roman A.D. speelt zich af aan het einde van de zestiende eeuw, als de Republiek der Nederlanden nog voor de oprichting van de VOC schepen naar het oosten stuurt om specerijen te halen. Het is een meedogenloze concurrentiestrijd: degenen die als eerste de kruiden vinden, verdienen het grote geld. Verschillende personages zijn aanwezig op een schip naar Indië, allemaal met andere verhalen en visies. De een sterft aan scheurbuik, terwijl de reis voor de ander hoop betekent. De aankomst in Indië vormt het begin van de geschiedenis tussen de twee volken.
Auteur: Gustaaf Peek
Uitgeverij: Querido
Na de moord in Amsterdam
Zeventien jaar geleden werd Theo van Gogh vermoord. Journalist en publicist Ian Buruma bezoekt de plaats delict en reflecteert op het Nederland voor en na 2 november 2004. Destijds schreef Buruma over de vrijheid van meningsuiting, maar kreeg felle kritiek. In een nieuw essay bij dit werk kijkt Buruma terug op deze kritiek, die vooral tegen de islam werd geuit, en stipt hij onderwerpen aan als rechts-populisme en de vermeende islamisering. Ian Buruma (1951) is sinoloog, japanoloog, journalist en publicist. Hij won verschillende belangrijke prijzen, zoals de Erasmusprijs in 2008 en de Gouden Ganzenveer in 2019.
Auteur: Ian Buruma
Uitgeverij: Atlas Contact
Vlieg weg, vlieg weg
Het werk van de Oostenrijkse auteur Paulus Hochgatterer (1961) kenmerkt zich door vele verhaallijnen die uiteindelijk samenkomen. Ook in zijn roman Vlieg weg, vlieg weg (uit het Duits vertaald door Gerrit Bussink) is dit het geval. Het verhaal speelt zich af in Furth am See, een stadje in Oostenrijk. Een gewonde man, die eruitziet alsof hij in elkaar is geslagen, beweert dat hij uit een appelboom is gevallen. Op de intensive care wordt een kloosterzuster verzorgd, die geen idee heeft hoe er kattenvoer in haar longen is gekomen. Ook wordt er een kind ontvoerd, maar zonder losgeldeis. Psychiater Raffael Horn en politie-inspecteur Ludwig Kovacs proberen de gebeurtenissen los van elkaar te duiden. Dit levert een kennismaking op met een reeks kleurrijke personages, waaronder een priester die tijdens de mis oortjes in heeft en naar muziek van Leonard Cohen luistert.
In autobiografische vertellingen dringt zich altijd deze vraag op: welke gebeurtenissen hebben echt plaatsgevonden en welke passages zijn meer aan de verbeelding ontsproten dan aan de realiteit? Bovendien staat het onderscheid tussen verzinsel en werkelijkheid voortdurend onder druk, omdat elke herinnering een subtiele vervorming of romantisering van de waarheid in zich draagt. Met In de voetsporen van mijn grootvader slaagt Margot Dijkgraaf, winnares van de Gouden Ganzenveer, er echter in minutieus verslag te doen van het leven van haar Zeeuwse opa: leraar Duits, poëzieliefhebber en kritische analist van het werk van schrijver Heinrich von Kleist.
Dat bepaalde passies een generatie overslaan, is een gevleugelde uitdrukking die andermaal haar geldigheid bewijst; Margot hervindt haar voorliefde voor literatuur via haar grootvaders artikelen. Ze ziet in hem een geestverwant, vooral als ze ontdekt dat hij Penthesilea, heldin uit het werk van Von Kleist, de heraldiek toedicht die normaal gesproken alleen aan mannelijke personages verleend wordt.
Honderd jaar eerder dan zijn kleindochter plaveide hij reeds de weg voor een modernere kijk op heldendom in de literatuur. Dijkgraaf schreef voor het verschijnen van deze roman reeds over rebelse, sterke vrouwen in de Franse verteltraditie. Al die tijd keek haar grootvader met haar mee. En voor wie dit een te rooskleurige afspiegeling vindt van Dijkgraafs onderneming, heeft zij een vrije interpretatie van Albert Einsteins wijsheid in petto: ‘Via de verbeelding kun je daar komen waar feiten tekortschieten.’
Auteur: Margot Dijkgraaf
Uitgeverij: Atlas Contact
Poezie als alternatief
Ontlezing is een groot probleem in Nederland, als we alle onderwijsrapporten moeten geloven. Literatuur, en vooral poëzie, geldt al decennialang als een bastion van de elite: zij is onbereikbaar voor het grote publiek en klaagt tegelijkertijd dat niemand haar consumeert. En áls een jonge stem zich aandient een nieuw geluid te vertolken, staan de poortwachters van de literaire elite klaar om deze te weren uit de canon. Zo blijft letterkunde een stoffiger dan stoffig studieobject, waaraan menig scholier zijn vingers niet durft te branden.
Jeroen Dera, universitair docent letterkunde in Nijmegen, toont met zijn boek Poëzie als alternatief aan dat de dichtkunst niet slechts voorbehouden is aan grijze heren die in een literair café Baudelaire reciteren. Nee, ook millennials (van wie de oudere generaties beweren dat ze geen ruggengraat hebben) kunnen poëzie leren waarderen. Met de juiste begeleiding, leestips en – het belangrijkste – een geduldige zoektocht ontdekken zij de schoonheid en de kracht van verzen.
Om het imago van poëzie onder jongeren af te stoffen gebruikt Jeroen Dera een beproefde tactiek: hij zet vol in op engagement, opdat de aanstormende generatie bij de dichtkunst betrokken raakt. Geen snobistisch gewauwel over het grote Niets, gefilosofeer in de leegte of mooischrijverij in deze bundel. Hij haalt gedichten aan over diversiteit, maatschappijkritiek, klimaatproblemen, neokapitalisme en hij geeft onderdrukte stemmen het woord. Dit boek is een absolute must have voor docenten Nederlands, mits zij hun passie voor gedichten ook maar enigszins willen doorgeven aan hun leerlingen. Dera zei het zelf al zo treffend in de Volkskrant van 4 juli jl.: ‘Gun ook VMBO-leerlingen de verbazing van een poëzieles.’ Dera keert met dit boek het tij tegen de ontlezing. Daarvoor verdient hij alle lof.
Auteur: Jeroen Dera
Uitgeverij: Wereldbibliotheek
Aardwrijvingen
Charlotte van den Broeck, schrijfster van het alom geprezen Waagstukken, merkt tijdens een interview in De Morgen op: ‘We behandelen de natuur alsof ze een decor voor de mens is.’ Dit zegt zij in het kader van haar nieuwste poëziebundel Aarduitwrijvingen, tot stand gekomen in Death Valley. De grillen der natuur zijn op weinig plekken ter wereld zo voelbaar als daar, en door die grillen heeft Van de Broeck zich laten meevoeren. Op haar gevoel heeft zij inmiddels meer durven vertrouwen; haar begaafdheid bewees zij reeds met de bundels Kameleon (2015, Herman de Coninckprijs) en Nachtroer (2017, Paul Snoekprijs).
De titel verraadt al een hoop over haar stilistische werkwijze. Aarduitwrijvingen zijn namelijk kunstwerken van Herman de Vries, waarin aardhoopjes uit alle windstreken van de wereld worden platgedrukt en uitgestreken over papier. Het resultaat? Zuivere aarde, waaraan niets is toegevoegd. De kracht van haar poëzie schuilt dan ook met name in taalzuiverheid en precisie. Op zoek naar de volle zeggingskracht van ieder afzonderlijk woord behandelt de dichteres de taal zoals de natuur eigenlijk behandeld zou moeten worden: zuinig, liefdevol, aandachtig en eerbiedig.
Aarduitwrijvingen doet qua spontaniteit en vitaliteit bij vlagen denken aan Hendrik Marsman. Vergis u echter niet in de inhoudelijke relevantie van Van den Broecks poëzie, het engagement van Dera zogezegd. Zij laat impliciet haar licht schijnen over vrouwelijkheid, feminisme en natuurbehoud zónder haar speelsheid en zintuiglijke verwondering te verliezen. Met deze prachtige bundel laat zij zien dat ook de mens slechts een aarduitwrijving is.
De Amerikaanse schrijfster Katherine Anne Porter (1890-1980) maakte aan den lijve de Spaanse griepepidemie van 1918 mee. De gruwelijke ervaring van de haar bijna fatale ziekte heeft zij verwerkt in de novelle Vaal paard, vale ruiter. In dit verhaal worden de journaliste Miranda – het alter ego van Porter – en de soldaat Adam meegesleurd in de draaikolk van vernietiging die wereldwijd voor zoveel slachtoffers zorgde. De novelle uit de verzameling van drie verhalen werpt een schrijnende blik op ziekte, oorlog en de gevolgen daarvan. In het licht van de huidige pandemie is dit verhaal niet alleen actueel maar ook ontnuchterend met zijn intense beschrijvingen van ziekte.
Porter is zelf journaliste geweest tot ze verhalen en essays begon te schrijven. Alle drie de novellen uit de bundel Vaal paard, vale ruiter (1939) spelen in het zuiden van Amerika waar ze zelf ook vandaan kwam. De schrijfsterhad een bewogen leven en was bekend door haar bestseller Het narrenschip, maar vooral vermaard om haar korte verhalen. Deze werden geprezen om het heldere en lyrische taalgebruik met geen woord op de verkeerde plek.
In het eerste verhaal van de bundel, Oude sterfelijkheid, werkt Porter een raamvertelling uit over de familie van dezelfde Miranda als in het titelverhaal en in het bijzonder over haar overleden en in de familie beroemde tante Amy. Door de ogen van Miranda volgen we de mythische verhalen over haar voorouders uit het Oude Zuiden. Via stoffige oude foto’s en verhalen van haar familie blikt Miranda terug in de tijd, en probeert ondertussen volwassen te worden. De flarden van familieverhalen, over onbeantwoorde liefdes en duels, voeden de verbeelding van Miranda en haar zusje. Ze vormen aanwijzingen voor een verleden waarvan de tastbare bewijzen al zijn vergaan, maar de herinneringen zijn voor hen even onwerkelijk als toneeloptredens of poëzie. Net als de exotische volwassenen uit de verhalen in werkelijkheid niet beantwoorden aan hun romantische ideeën. Als ze op bezoek gaan bij een oom leidt dit tot een tragikomische scène met zijn vrouw. De vroegwijze Miranda laveert tussen de verwachtingen van haar familie en de beloften van volwassenheid. Ze wil zich ontworstelen aan de bekrompen idealen van haar jeugd en de eerste stappen op het pad van de onafhankelijkheid zetten.
Huiveringwekkende geschiedenis
Het broeierige psychologische drama Noenwijn bevat de geschiedenis van een moord op een ranch in Texas. Op een dag komt een vreemdeling, de Zweedse Helton, het terrein van boer Thompson op lopen waarna hij wordt aangenomen als knecht. Hij bewijst zich als zeer nuttig maar is ook extreem zwijgzaam. Dag in dag uit speelt hij hetzelfde wijsje op zijn harmonica. Op de boerderij lijkt het voorspoedig te gaan, tot op een hete augustusdag het noodlot aan komt kloppen in de persoon van een zekere Homer T. Hatch die op zoek is naar Helton. Wat volgt is een ontknoping als in een Griekse tragedie. Hatch onthult dat hij een premiejager is en dat Helton ontsnapt is uit een nabijgelegen gesticht, waarna hij hem naar de boerderij gevolgd is. Thompson krijgt een heftige woordenwisseling met de premiejager, die al snel escaleert.
Het eindigt ermee dat Thompson zich moet verdedigen in de rechtszaal, hij is van onschuldig man tot moordenaar geworden. Het gaat van slecht tot erger als hij zijn buren langsgaat in een poging zijn verhaal te doen. Ze geloven zijn versie van het verhaal niet en het gerucht doet sneller de ronde dan hij dat kan. Zijn vrouw is als gevolg extreem nerveus geworden en zijn zoons vertrouwen hem niet meer. De conclusie die hij trekt is huiveringwekkend en de gevolgen van zijn daad zijn onoverzienbaar. Thompsons herinneringen zijn echter niet onfeilbaar en de lezer wordt in het ongewisse gelaten over de ware toedracht en de vraag wie Hatch werkelijk was. Het verhaal is een perfecte thriller met ijzersterke karakters, wat een groot verschil oplevert met de twee andere verhalen en dat nog maar eens wijst op de veelzijdigheid van Porter.
Pandemielectuur
In het titelverhaal, het indrukwekkende Vaal paard, vale ruiter wordt de journaliste Miranda verliefd op de soldaat Adam. Het is het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog en de stemming is grimmig. Overal klinken frontliederen als Its a long way to Tipperary. Er worden wervende speeches gehouden over plicht en iedereen moet zijn steentje bijdragen. De oorlog is onontkoombaar maar aan de horizon nadert een nog grotere tragedie: de Spaanse griep. Terwijl Adam nog verlof heeft brengen hij en Miranda een paar dagen samen door. Eigenlijk is Adam met zijn hoofd al in Frankrijk maar ze beleven nog een paar intense dagen met dans, etentjes en afspraakjes. Miranda beseft dat deze verhouding geen toekomst heeft: ‘Ze vond hem leuk, echt, en meer dan dat, maar het had geen zin om te fantaseren, want hij was niet voor haar bestemd, voor geen enkele vrouw, hij was de ervaring al voorbij, hij was al zonder het zelf te weten of ernaar te handelen overgeleverd aan de dood.’
Er doet een gerucht de ronde dat er een vreemde nieuwe ziekte heerst, maar er is nog geen enkel besef van de omvang van de tragedie. Mannen sterven bij bosjes volgens Adam, en als Miranda tekenen van griep begint te vertonen is er alle reden tot ongerustheid. Adam verzorgt haar één dag op haar kamer, tot er een ambulance vrij is om haar op te halen. Vanaf het moment dat ze in het ziekenhuis ligt is Miranda nog maar af en toe bij bewustzijn. Ze ligt een maand tussen dood en leven te ijlen, in koortsdromen flitst haar leven voorbij. Tussen korte oplevingen en nachtmerries door krijgt ze ook visioenen.
Het proza in deze passages is van een ongekendeintensiteit en waarachtigheid. Terwijl alles oplost in het niets blijven alleen zwevende gezichten over en een peilloos diepe afgrond. Miranda kijkt de verschrikking van de dood in de ogen: ‘Vergetelheid, dacht Miranda – met haar geest zoekend in haar geheugen naar woorden die ze had geleerd om het ongeziene, het ongekende te beschrijven -, is een draaikolk van grijs water dat zich eeuwig tegen zichzelf keert… eeuwigheid is misschien meer dan de afstand tot de verste ster. Ze lag op een smalle richel boven een put die bodemloos was, dat wist ze.’ Ze gaat onder in duisternis, maar onder alles ontdekt ze haar diepe wil om te blijven leven. De nachtmerries gaan over in een paradijselijk visioen van licht en zee. Als ze weer bovenkomt is er een maand verstreken en is de oorlog voorbij. Ze komt terug als vreemde, in een onbekende wereld moet ze weer leren leven.
De titel van het verhaal verwijst volgens Porter naar een oude spiritual. Miranda herinnert zich op haar ziekbed de tekst ‘vaal paard, vale ruiter, heeft m’n liefje weggehaald.’ Het is een verwijzing naar het boek Openbaringen, waar de vierde ruiter voor de dood staat. Porter heeft in een gecomprimeerde vorm alle ellende en lijden van ziek zijn gevangen en maakt daarmee het persoonlijke verhaal van Miranda universeel. Alles komt erin samen: de onzinnige oorlog, de blinde vernielzucht en de willekeur van de pandemie. Miranda keert terug als een veranderd mens, met een diep inzicht in de waarheden van het leven. Vaal paard, vale ruiter is duidelijkhet verhaal van een wijze, krachtige vrouw die het beschrevene zelf meegemaakt heeft. Stevig met ‘een voet in twee werelden’ zoals ze zelf zegt. De beelden die Porter oproept vinden een echo in de beelden van de huidige pandemie, wat ze op en top pandemielectuur maakt. Maar boven alles zijn de verhalen uit de bundel meesterlijke novelles.
In april van dit jaar debuteerde Vincent Merjenberg (1983) met de roman De grijzen, waarin hij op afgepaste toon het verhaal vertelt van onder de grond gevonden lichamen, graven die steeds maar weer opduiken. Er zijn de vluchtelingen die onderduiken of zich voortbewegen door een schimmige, mystiek aandoende stad, er is de jonge journaliste Lena die bij een krant wordt aangenomen om onderzoek te doen naar die gevonden lichamen. En er zit een boek in het boek, een soort sprookje van een fictieve schrijver die zich langs de randen van het verhaal begeeft. De grijzen is een knap geconstrueerde roman die de lezer uitdaagt verder te kijken dan wat er zo op het oog wordt aangenomen.
Op een zonnige dinsdagmiddag spreek ik Vincent Merjenberg bij hem thuis in de Kinkerbuurt in Amsterdam over zijn boek. Hoe het is om te debuteren nadat je vier jaar aan een boek hebt gewerkt. Merjenberg studeerde Nederlands en werkte jaren bij een uitgeverij. Tot het begon te kriebelen, er moest iets anders gebeuren. Hij wilde schrijver worden, fulltime, en besloot er een jaar voor uit trekken om te kijken of het lukte. Hij begon met korte verhalen te schrijven, en een reeks columns voor Literair Nederland. Zijn eerste verhaal werd gelijk gepubliceerd in De Gids.
Had je voor je besloot te gaan schrijven al eens wat geschreven?
‘Nee, eigenlijk niet. Dus toen ik begon met schrijven, heb ik me een bereikbaar doel gesteld: een kort verhaal. Dat heb ik opgestuurd naar De Gids waarin het gepubliceerd werd. Toen dacht ik, als dit lukt ga ik verder. Toen heb ik nog wat verhalen geschreven, tot ik aan deze roman begon. Ik ben nogal fanatiek aangelegd, dus het is algauw alles of niets. Ik zag dan ook niet zo gauw hoe ik het schrijven naast een baan zou doen.’
Om te schrijven wordt er tijd gereserveerd, in de ochtend moet er minstens vier uur achtereen gewerkt worden. Maar er is ook een kind, en een partner die onregelmatig werkt waardoor het schrijfschema nog wel eens afwijkt.
Heb je er al die vier jaar steeds aan door geschreven?
‘Toen mijn zoontje geboren werd, heeft het een maand of drie, vier stilgelegen. De eerste twee jaar heb ik het hele verhaal zo’n beetje lineair geschreven. De tweede helft van de tijd was ik vooral bezig met schrappen en herschrijven. Soms schreef ik een week niet, maar in mijn hoofd bleef ik er wel mee bezig’
De roman begint met de vondsten van al die lichamen onder de grond, hoe kwam je op het idee?
‘Een paar jaar geleden las ik een krantenartikel over een vrachtwagen op weg van Griekenland naar Duitsland. Die vrachtwagen werd langs de snelweg aangetroffen vol dode lichamen van mannen, vrouwen en kinderen. Later zijn er opnames gevonden van telefoongesprekken tussen de chauffeur en zijn opdrachtgever. Dat de mensen in de vrachtruimte aan het stikken waren. De chauffeur werd aangeraden de vrachtwagen achter te laten langs de weg. Het is een afschuwelijk verhaal, maar het intrigeerde me ontzettend.’
Waarom raakt je dat?
‘Ik denk dat ik wil begrijpen hoe mensen ertoe in staat zijn hun moraal opzij te zetten en op zo’n kwaadaardige manier misbruik maken van de wanhoop van anderen. Wat beweegt hen daartoe? Daar gaat mijn boek over. Ik merk dat mijn aandacht bij gruwelen, zoals misdaden in de Tweede Wereldoorlog, uitgaat naar de daders. Hoe komen mensen tot zulke dingen. Ik geloof niet dat het allemaal psychopaten zijn. Het zijn mannen zoals ik. Ik geloof en ben bang dat iedereen onder bepaalde omstandigheden overal toe in staat is. Wat mij interesseerde was dat deze mensen zoveel moeite doen om hun smokkelwaar naar de overkant te brengen. Want je loopt een enorm risico door met zo’n vrachtwagen met mensen door Europa te rijden. Smokkelaars zijn natuurlijk volkomen verknipt, maar toch komen ze hun afspraken na. Daarnaast ben ik ook nieuwsgierig waarom dit me boeit, waarom ik me in daders kan en wil verplaatsen.’
Heb je dit in je boek gebruikt, ben je in de rol van een dader gekropen?
‘Dat is eigenlijk wat mijn hoofdpersoon, de journaliste Lena doet. Het onderzoek dat zij doet, is ook wel de zoektocht die ik zelf heb gehad bij het schrijven. De zoektocht naar wat ik nou eigenlijk wil vertellen, wat is eigenlijk de waarheid?’
De roman is in korte korte stukken geschreven, er zijn verschillende verhaallijnen die hier en daar in elkaar overlopen, en dan zit er ook dat boek in, van de schrijver Onalov. Die schrijver krijgen we niet echt te zien, daar wordt alleen door anderen over gesproken. Als lezer ga je laag voor laag door het verhaal heen, ontdekt betekenissen die er ingenieus in verwerkt zijn.
Hoe heb je dit er allemaal in aangebracht. Is dat organisch gegaan of werkte je met een schema?
‘Aan het begin had ik wel een plan, ik wist een paar dingen waarmee het begon, een symbolische stad waar vluchtelingen aankomen en weer verder trekken. Een oude man die zich dingen herinnert en een jonge,ambitieuze vrouw die dingen wil weten. En een fictief verhaal waar de waarheid in zit, en dan die lichamen die onder grond zitten. Het zijn dingen die als inspiratie opkomen en daar moet ik het dan mee doen, daar hou ik aan vast.’
Er is weinig decor aangebracht in de roman, was dit opzet?
‘Ik ben er niet aan ontkomen, en eigenlijk ben ik daarmee een beetje overstag gegaan, om mijn personages toch wat karakter mee te geven, wat achtergrond, en aan het einde van het boek de boel weer bij elkaar te trekken. Ik had het misschien nog liever helemaal open gelaten. Het had nog extremer gekund.’
Wie les krijgt in schrijven leert dat je personages kenmerken moet meegeven, iets herkenbaars zodat de lezer zich ermee vereenzelvigen kan. Merjenberg kiest hier duidelijk niet voor, hij laat zijn personages zonder veel omlijning zijn roman binnen.
Waarom die keuze om veel weg te laten?
‘Denk aan Paul Auster, aan zijn wat meer schematische romans, de New York trilogie bijvoorbeeld. Of hoe hij schrijft over een man op een bed in een kamer. Auster schrijft filosofisch-symbolische romans. Ik wil mezelf niet met hem vergelijken, maar De grijzen is ook vooral een symbolische roman.’
Was je eigenlijk tevreden met het eindresultaat van het boek?
‘Nee, helemaal niet. Ik weet wel dat ik dit boek niet beter had kunnen schrijven dan hoe het nu is. In die zin is het perfect. Dit is het en ik sta er helemaal achter. Het is het soort boek dat ik wilde schrijven. In die zin ben ik er wel blij mee. Maar je bent zo lang met zo’n boek bezig, en als ik dan sommige zinnen teruglees! Als ik nu ga bladeren kom ik zo tien dingen tegen waarbij ik denk: “Oh, dat had anders gemoeten”.’
Is het moeilijk afstand te nemen van je eigen werk?
‘Toen het verscheen was het al een hele tijd af, omdat het vanwege Corona wat was uitgesteld. Toen heb ik het nog eens helemaal gelezen en lukte het me aardig het met wat afstand te bekijken. Toch blijf ik het spannend vinden wat anderen ervan vinden. Nu nog, voordat je binnenkwam overvalt het me, denk ik, ‘Oh, ze heeft het gelezen, wat vindt ze ervan?’ Toch een soort schaamte.’
‘Maar die schaamte is eerlijk gezegd een beetje dubbel. Want die mening van buitenaf heb ik wel nodig. Want zelf kan ik niet beoordelen of het wat is. En tegelijkertijd is er, als het verschijnt, een klein stemmetje dat fluistert, “stel je toch eens voor dat het een succes wordt?” Naast de schaamte is er dus ook een soort zelfvertrouwen. De allereerste reactie op het boek was een bespreking van Jan van Mersbergen. Hoe mooi hij het vond. Dan gaat er toch even door me heen, “Stel dat iedereen het zo goed vindt!” In die zin zijn alle reacties, zelfs de positieve, best vermoeiend (lachend).’
Dat het nog aan je blijft trekken?
‘Ja, dat. Over het geheel ben ik trots dat het boek er is. En dan gaat het vooral over het afmaken van een boek. Uiteindelijk is het heel onbevredigend als een boek af is. Er zijn weinig mensen waarmee ik over het boek praat zoals wij dat nu doen. Het is fijn als iemand het boek goed gelezen heeft. Zelfs als iemand niet enthousiast is, zoals in een recensie in Trouw. De recensent noemde het een deels geslaagde “ontheemde, non descripte roman”. Hoewel ik natuurlijk, (lachend) liever had gehad dat daar stond, “Ren nu naar de boekhandel”, was ik er in die zin wel blij mee dat hij op hetzelfde spoor zat als hoe wij het er nu over hebben.’
Heb je er dan wel eens aan getwijfeld of het boek af zou komen?
‘Ja, voortdurend! De eerste twee jaar werd het alleen maar steeds langer en steeds slechter vond ik. Op een gegeven moment ligt er iets voor je, heb je al die ballen in de lucht. Veel dingen hadden nog niet zoveel met elkaar te maken maar je weet gevoelsmatig dat het er allemaal in moet. Dat je dat bij elkaar moet krijgen. Dan denk je opeens, waar ben je nou mee bezig? Dan ga ik aan mezelf twijfelen. Terwijl dat tegelijk een stuwende kracht werd, dat je je eigen inspiratie serieus moet nemen. Want zo begon het, er komen een paar dingen in me op en daar moet je mee aan het werk. En dan komen die momenten dat je je afvraagt: waarom hou ik daaraan vast? Waarom wil ik Überhaupt een boek schrijven? Zodra dat gebeurt wordt schrijven moeilijk. Dus je moet je eigen verhaal serieus nemen en jezelf niet.’
Werd je geïnspireerd door andere schrijvers om te gaan schrijven, of wilde je gewoon schrijven?
‘Dat laatste eigenlijk. Mijn leven stond heel lang in het teken van boeken. Bij de uitgeverij en ook tijdens mijn studie Nederlands, was het ook wel intimiderend zoveel schrijvers om je heen, zoveel goeie schrijvers. Ik heb nooit genoeg zelfvertrouwen gehad om gewoon te gaan schrijven. Wel gedacht, als ik het ga doen, ga ik het ook helemaal doen, niet zomaar erbij. Ik denk dat ik daarom ook pas relatief laat ben gaan schrijven. Pas een paar jaar geleden had ik er vertrouwen in een boek te kunnen schrijven.’
Hoe begon je aan je eerste verhaal dat werd opgenomen in De Gids?
‘Dat was “Het verhaal”, over een redacteur bij een uitgeverij die een verhaal toegestuurd krijgt dat over hem gaat. Dan heb ik één zin, één gegeven, en dan begint het: Waarom dan, wat voor man is dat dan? Hieruit moet ik een verhaal bij elkaar verzinnen. Als ik het op die manier benader, kom ik er wel uit. Tot nu toe hou ik altijd vast aan dat allereerste gegeven: ik word er nieuwsgierig van, en het beperkt me op de juiste manier.
Is er een maatschappelijk thema dat je aanzet tot een verhaal?
Het gaat mij echt om het vertaal, en om de manier waarop een verhaal verteld kan worden. Het is meer een zin, een gegeven dat me aanzet tot schrijven, de thema’s uit de echte wereld komen er vanzelf wel bij. Zoals in de vorm van een krantenartikel zoals over die vrachtwagen met vluchtelingen langs de snelweg. Mijn meningen over dit soort dingen komen dan ook weer in het boek. Ik hou van boeken met een gebruiksaanwijzing, niet met een boodschap.’
Het gaat dus niet over vluchtelingenproblematiek?
‘Omdat ik vluchtelingen een rol geef in mijn boek, wordt al gauw gedacht dat het daarover gaat. Maar het gaat mij om het verhaal waar een twist in zit. Ik hou van onbetrouwbare vertellers: wat hebben ze te verbergen? Op een bepaalde manier is het gewone leven een aanzet tot de dingen waarover ik schrijf, maar het is niet een vooropgezet plan.’
In je verhalen en ook in je debuutroman zit een ontregelende ondertoon. In een column (voor LN) schreef je over je zoontje, een baby nog die, als de vader op de crèche komt, was meegenomen door een ander. Dat je die gedachte als jonge vader durft toe te laten?
‘Om een verhaal te schrijven over hoe mooi het vaderschap is, vind ik het interessanter een verhaal te vertellen die de donkere kanten van het ouderschap belichten. Dat ik er wel eens over fantaseer vrouw en zoon achter te laten en heroïneverslaafde te worden in een buitenwijk van Hanoi is inspirerender dan schrijven over hoe schattig mijn zoontje Roodkapje zingt.
Zijn er schrijvers die je tijdens het schrijven inspireren?
‘Alle schrijvers die ik lees, ten goede en ten slechte, zijn waardevol voor me. Tijdens het schrijven lees ik veel. Patrick Modiano bijvoorbeeld, wat hij schrijft lijkt op geen enkele manier op wat ik doe, behalve dat hij ook iets probeert. In zijn boeken gebeurt helemaal niets. Alles wordt met een zwaar melancholische toon vertelt, eigenlijk zijn al zijn boeken een beetje hetzelfde. Een man vindt in een oude jas een adres en gaat daar naartoe en daar herinnert hij zich dat ie daar dertig jaar geleden ook was, dat hij daar een meisje leerde kennen die Debbie heette. Dan gaat hij Debbie zoeken, maar die leeft niet meer, dan is het boek afgelopen. Er gebeurt helemaal niets maar tegelijkertijd zit daar zo’n essentieel levensgevoel in. Je verleden willen vasthouden, alsnog dingen willen begrijpen. Melancholie met een hoofdletter M.
Modiano is een schrijver dat als ik daar een alinea van lees denk: Man, als ik toch ooit eens zo’n volstrekt originele toon zou kunnen vinden!’
Foto: Fjodor Buis
Vincent Merjenberg / De grijzen / 332 blz. / Atlas Contact