• Waarom ze schreef had ze zich nooit afgevraagd

    Waarom ze schreef had ze zich nooit afgevraagd

    De Amerikaanse schrijfster Annie Dillard moet je een keer zijn aangeraden door een bewonderaar. Iemand die begeesterd spreekt over haar prachtige taal, metaforen en rijke fantasie. Ze is vooral bekend van haar verhalend proza in zowel fictie als non-fictie. Haar roman The Maytrees (2008) is misschien wel de ultieme liefdesgeschiedenis, waarin zelfbewustzijn versus de onzekerheden van het leven het grote thema is. Pilgrim at Tinker Creek (1974) wordt gezien als een voorbeeld van Amerikaanse natuurbeschrijving geïnspireerd door Henry Thoreau’s Walden en werd in 1975 beloond met de Pulitzer Prize voor non-fictie. Gedurende een jaar verbleef Dillard in het Amerikaanse Virginia, in een vallei waar de Tinker Creek doorheen stroomt. Ze beschreef haar slenteren langs de oevers van Tinker Creek als een soort reisjournaal. 

    De essays in Schrijversleven verschenen oorspronkelijk in 1989 onder de titel The writers life en zijn nu uitgegeven door Atlas Contact in de vertaling van Henny Corver. Aan de hand van talloze voorbeelden geeft Dillard in Schrijversleven een beeld van de eenzaamheid, de werkdrift, de onzekerheid en het niet aflatende doorzettingsvermogen van een schrijver. Tussen de regels door valt te lezen dat als je dat niet in huis hebt, je geen echte schrijver bent en er ook zeker niet een moet proberen te worden.

    Spring toch gewoon

    Ze vergelijkt het schrijfproces met een spanrups die langs een grasspriet omhoog kruipt. ‘Het onfortuinlijke dier bungelt aan een grashalm en gooit wild zijn kopje heen en weer alsof hij jammert: Wat?! Niets meer?’ Hij verdwaalt, raakt in paniek en begint aan een volgende grashalm. ‘Ik heb het vaak gezien. Het blinde, paniekerige sukkeltje weet van de ene halm over te stappen op een andere […]’ Maar opnieuw zonder resultaat, wat Dillard doet uitroepen: ‘Spring toch gewoon, verlos jezelf uit je lijden!’ Met andere woorden: Durf gewoon te schrijven.

    Dillard beschrijft haar werkplek, die groot genoeg moet zijn voor één persoon. ‘Prettige werkplekken zijn iets om te mijden. Wat je nodig hebt is een ruimte zonder uitzicht, zodat verbeelding en herinnering elkaar in het donker kunnen tegenkomen!’ Over haar methodes schrijft ze: ‘De laatste tijd houd ik me bezig met schema’s. […] Een schema beschermt tegen chaos en grillen. Het is een net om dagen te vangen. Het is een steiger waar een bouwvakker op kan staan zodat hij een tijdje met beide handen kan werken!’

    Zoeloekrijger of Azteekse maagd

    Ook de stoffelijkheid van het schrijven komt aan bod, de verschillende versies van een manuscript. Over de eerste versie zegt Dillard dat die een merkwaardige innerlijke toestand teweegbrengt. Zoals een Zoeloekrijger die zich prepareert op oorlog of een Azteekse maagd die al weken weet dat ze in een hete vulkaan wordt gegooid. ‘Hoe brengt een schrijver zichzelf aan het spinnen?’

    Veelzeggend is het gesprek met de veerman die ze beter heeft leren kennen. Hij vroeg een keer naar haar schrijven. ‘Ik, sukkel zag niet aankomen dat ik mijn eigen wereld kletterend om me heen liet instorten en zei dat ik schrijven haatte. Hij zei stomverbaasd: “Dat is net alsof je in een fabriek werkt en het werk haat.” […] Zo was het precies. Waarom deed ik het? Dat had ik me nou nooit afgevraagd.’

    De schrijver krijgt vaak niet de waardering die hij zou willen. Haar essay The death of a moth werd afgedaan als te obscuur, te symbolisch, te intellectueel. Tot een jongen van een jaar of acht tijdens een bezoekje aan haar een tekening van de mot zag en zei: ‘Gaaf verhaal was dat. Heb je het geschreven of getypt?’ 

    Leren over schoonheid

    In het laatste essay van Schrijversleven heeft Dillard het over de stuntvlieger David Rahm, die in een vliegshow voor koning Hoessein tragisch aan zijn einde kwam. Bij haar in de buurt was ze getuige van een vliegshow waarin Rahm stuntte. ‘Ik dacht dat ik wel wat afwist van schoonheid. Ik wist dat ik er een flink deel van mijn leven aan had gewijd door gedichten van buiten te leren en mijn aandacht met name te richten op ritmische complexiteit, kracht, beweging, herhaling en verrassing in proza zowel als poëzie. Nu had ik in een paardenbloemenveld tussen een start- en een landingsbaan in Bellingham gestaan en eindelijk iets geleerd over schoonheid. Zelfs het Boston Museum of Fine Arts had me nooit zo kunnen inspireren als dit vliegveldje in het noordwesten op die verloren zondagmiddag in juni. Niets op aarde stemt zo blij als de wetenschap dat we de mouwen moeten opstropen en de grenzen van het menselijk mogelijke opnieuw moeten verschuiven.’ Ze vloog een keer met hem mee en de beschrijvingen van haar angst en bewondering zijn even ijselijk als sterk. Je zit gewoon naast haar in de kist en beleeft wat zij beleeft. 

    Je kunt Schrijversleven steeds weer oppakken en openslaan om ergens willekeurig een anekdote of een mooie metafoor als een feest der herkenning te begroeten. Dillards toon is toegankelijk en licht, soms streng en vaak niet gespeend van humor en zelfspot. De auteur verwoordt haar plezier en haat jegens het schrijverschap bijzonder treffend en toont tussen de regels door hoe je zou moeten schrijven. En zegt: ‘Oké, doe dat dan ook.’

     

  • Hoe dan?

    Hoe dan?

    In het algemeen en gedurende de afgelopen twee jaar in het bijzonder, hebben boekwinkels het lastig gehad in Nederland. Zo ook de boekhandel van Helen Brand, de hoofdpersoon van het nieuwe boek van Nelleke Noordervliet getiteld Wij kunnen dit. Zij bestiert een winkel in Rotterdam in haar eentje maar teert vooral in op haar reserves. Het feit dat ze door een aangeboren handicap niet goed kan lopen, maakt het voor niet gemakkelijker. De zaak, die ze overnam van haar vader, lijkt ten dode opgeschreven. ‘Heel langzaam was dit echec aan komen wandelen, vanaf de introductie van het internet, de e-boeken, Bol en Amazon, ontlezing, zonder aarzelen, recht op het doel af, de onafwendbare genadeklap voor Boekhandel Brand. Ze gaf zichzelf en de winkel hooguit twee jaar bij ongewijzigd beleid en doorgaande daling van de inkomsten.’

    Verandering

    Helens leven wordt opgeschrikt door ene Leo Wasserman die allerhande dure boeken aanschaft over de geschiedenis van Rotterdam. Leo blijkt een geslaagde ondernemer die zijn bedrijf voor de nodige miljoenen verkocht heeft en bezig is zijn eigen geschiedenis te herontdekken. Ze vinden elkaar wel leuk – althans daar lijkt het op, maar zijn wat te ongemakkelijk met elkaar om dat ook daadwerkelijk uit te spreken.

    Helen en Leo beginnen daarom een wat hoogdravende e-mailcorrespondentie, waarin zij zich voordoet als de dichteres Sappho en hij zich de rol Anamixander aanmeet, een presocratische filosoof. In die brieven voelen ze zich kennelijk wél vrij hun gevoelens te uiten in hoogdravende, wat lyrische bewoordingen. Dat dat gekunsteld is, voelen ze zelf ook wel aan: ‘Ook deze brieven zijn in zekere zin belachelijk. Surrogaat-aanwezigheid. In een surrogaat-werkelijkheid. Zwevend in een eigen tijd. (…) Waarom vluchten we toch in illusie?’ De lezer bekruipt soms hetzelfde gevoel; zeker gezien de veelheid aan brieven en mails die niet altijd evenveel bijdragen aan het verhaal. Waren echt al die mails noodzakelijk?

    Voorgeschiedenis

    Hoewel Helen en Leo heel erg verschillend zijn – dat ligt er gelet op hun achternamen misschien wel wat te dik bovenop – groeien ze steeds meer naar elkaar toe, en krijgen uiteindelijk zelfs een relatie. Beiden proberen, als veertiger, de relatie als een soort nieuwe start te zien waarin de vroegere relaties geen rol meer spelen; zij kunnen dit (of hopen dat te kunnen). Toch blijft in het vage waarom die vorige relaties uitgewist zouden moeten worden. Heeft Helen te maken gehad met een heel nare man? Waarom viel Leo steeds op de verkeerde vrouwen? De lezer komt het niet te weten.

    Of het moet door de traumatische jeugd van Leo zijn, die op zijn vijftiende zijn ouders verloor bij een vliegtuigongeluk. Hij probeert dan ook, terwijl hij ook nog een nieuwe app ontwikkelt, zijn familiegeschiedenis te reconstrueren, daarbij geholpen door een wat mysterieus figuur genaamd P.V. Spin die telkens in een ander gedaante opduikt. Het blijft gedurende het hele boek onduidelijk wie of wat die P.V. Spin nu precies is.

    Pandemie

    Terwijl dat zich afspeelt slaat de coronapandemie toe. De taal en de gebeurtenissen van dat moment komen op de lezer (nu al) bijna clichématig over. De anderhalve meter, de ontsmettende handgel, ventilatie, afhaalloketten, thuiswerken, het uitkijken naar een vaccin, het voelt op een bepaalde manier sleets, hoewel dat Noordervliet niet per se te verwijten valt.

    Tegelijkertijd zijn die herinneringen ook heel vers, wat ervoor zorgt dat kleine omissies meteen opvallen, omdat je ze zelf nog zo levendig herinnert. Leo gaat bijvoorbeeld doodleuk boodschappen doen terwijl hij in quarantaine zit, wat niet mocht en bovendien niet past bij zijn personage. Daarnaast lijkt Helens boekhandel telkens open te zijn tijdens de harde lockdown. Ook dat stoort aanvankelijk bij lezing omdat je weet dat dit simpelweg niet zo was; boekhandels moesten in vrijwel alle lockdowns als één van de eerste dicht.

    Een gedachte die zich opdringt is dat de openstelling van Helens boekhandel misschien wel een protest is van Noordervliet zelf -of Helen- tegen het feit dat boeken en hun verkopers kennelijk niet essentieel genoeg waren tijdens de lockdowns. Je zou kunnen zeggen dat Noordervliet toch een subtiel ander universum creëert waarmee ze zich in staat stelt de houding te bekritiseren van de Nederlandse overheid om boeken en hun verkopers niet als essentieel te beschouwen via datzelfde medium, wat een mooie en ingenieuze manier zou zijn om op die manier haar mening daarover naar voren te brengen.

    Hoewel vlot en geestig geschreven overtuigt Wij kunnen dit niet helemaal. De verhouding tussen Leo en Helen blijft uiteindelijk toch een beetje aan de oppervlakte. Ook het opgediepte verleden van Leo, ondanks uitgebreide conversaties met P.V. Spin, is uiteindelijk niet zo interessant. Het is alsof Noordervliet te veel thema’s wilde behandelen: én ontlezing, én corona, én een traumatisch verleden, én een rollenspel van twee klassieke schrijvers, én een ingewikkelde relatie – het is simpelweg te veel. Dat lijkt ook de reden dat veel van die thema’s uiteindelijk aan de oppervlakte blijven.

    Wellicht had het boek eigenlijk beter over een aantal jaar geschreven kunnen worden, wanneer we weten op welke manier we ons de afgelopen twee jaar zullen herinneren. Je kunt de geschiedenis misschien ook te veel op de hielen willen zitten.

     

     

  • Meneer Markowitz

    Meneer Markowitz

    Iemand vroeg of ik ‘al die’ boeken die in deze columns voorkomen, ook echt gelezen heb. Ik antwoordde, dat wat niet gelezen is, niet genoemd wordt. De vraagsteller vroeg verwonderd, ‘Wanneer lees je dan, waar vind je de tijd?’ Ik zei dat wanneer  je lezen niet beschouwt als lezen, zoals je lopen niet beschouwt als lopen, maar een drang om ergens te komen, gaat het vanzelf. Ik zei, zoals je ademhaalt om te leven, zo kan er gelezen worden. Soms is het moeilijk te geloven, (geloven is accepteren) dat een ander, anders in elkaar steekt dan jijzelf. Ik las Minjan van Margot Vanderstraeten in de trein naar Groningen, in de badkamer, op de bijrijdersplaats onderweg naar vrienden, in bed, aan de keukentafel, in afwachting van een pakketje. Ik stond er niet bij stil, maar er zijn vele plekken (en momenten) om te lezen. Vanderstraeten publiceerde vier romans voor in 2017 Mazzeltov verscheen. Over haar kennismaking met een orthodox joodse familie waar ze in de jaren tachtig als werkstudent bijles gaf aan de vier kinderen. Daarna bleef ze betrokken bij het leven van de orthodox-Joodse samenleving.

    Bij  een van haar lezingen over Mazzeltov is een chassidische vrouw aanwezig die haar vraagt, ‘Kunt u zich voorstellen wat antisemitisme is?’ Vanderstraeten antwoordt dat ze gevoelig is voor elke vorm van racisme, discriminatie en antisemitisme. ‘Op die manier weet ik misschien een beetje wat het is.’ De vraagstelster knikt minzaam, ‘Dank u.’ En vraagt, ‘Denkt u, mevrouw, dat u weet wat het Jodendom is?’ Ter illustratie vertelt Vanderstraeten over meneer Markowitz, een gepensioneerd diamantkliever die ze ontmoette om over de teloorgang van de Belgische diamantindustrie te spreken. Hoe de edelsteenambachten zich van Europa naar Azië verplaatste. Waar de lonen laag zijn, de mensen fijne vingers hebben. Markowitz, op zijn beurt, vraagt waarom ze dit wil weten. ‘Omdat ik een boek over het jodendom schrijf.’ Waarop Markowitz haar feliciteert om haar kundigheid. ‘Want weet u, ik belijd al bijna tachtig jaar het orthodoxe Jodendom, en toch zou ik, die van Joodse cultuur en godsdienst ben doordrenkt, tot op de dag van vandaag niet durven zeggen dat ik een boek over het Jodendom zou kunnen schrijven…’  Ze kijkt zwijgend de zaal in. De vraagstelster leunt glimlachend, in zekere tevredenheid achterover in haar stoel.

    Na de lezing stelt ze zich voor als Esther Apfelbaum, zegt dat meneer Markowitz een slimme man is, wil haar onder vier ogen spreken. Ze hebben het over Joodse scholen, zijn het niet eens over elkaars opvattingen over vrijheid van onderwijs. Apfelbaum zegt, ‘U denkt: hoe meer visies je aan een kind geeft, hoe minder je het beperkt.’ Geregeld zegt Esther de vriendschap op, ze wil niet dat er over haar geschreven wordt. Over joden die uit de gemeenschap stappen is ze duidelijk, OTD (Off the derech) genoemd. Unorthodox van Deborah Feldman, dat ze niet gelezen heeft, staat volgens haar vol leugens. Ze vindt dat Vanderstraeten Mazzeltov nooit had mogen schrijven. Wat ze later weer terugneemt. Ze is opgegroeid zonder grootouders, een witregel in vele joodse generaties. Zo veel om te beseffen. ‘Hoe kan een ‘gitte Frau’ nu een boek over ons schrijven? zegt Esther op het einde van het boek. Margot Vanderstraeten, balancerend op een koord van mededogen en oprechte belangstelling boven schijnbaar onverenigbare werelden, kan dat. Schrijven over dat wat niet ten volste begrepen kan worden, is nochtans een begin van weten, van acceptatie. Zegt het voort.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

     

  • Boeken die je bijblijven, dit is zo’n boek

    Boeken die je bijblijven, dit is zo’n boek

    Recensie door Arie Biesheuvel

    Broed is de debuutroman van de Amerikaanse schrijfster Jackie Polzin en werd vorig jaar genomineerd voor de prestigieuze First Novel Prize van The Center for Fiction; het wordt thans verfilmd door Haley Bennett, die ook de hoofdrol speelt. Broed is het verhaal van een naamloze vertelster die kippen houdt om te verwerken dat ze geen kinderen kan krijgen. Het boek behoort tot het genre van de ‘auto-fictie’, zoals ook het werk van Rachel Cusk en Annie Ernaux. De vertelster woont in een buitenwijk van Minneapolis, net zoals de schrijfster toen deze, inderdaad, kippen hield om haar te helpen bij haar worsteling met onvruchtbaarheid en het verwerken van een miskraam. Een belangrijk punt evenwel, is dat Jackie Polzin thans twee kinderen heeft, zodat het verdriet van de vertelster niet de werkelijke worsteling van de schrijfster zelf is.

    Er zijn boeken die met plezier gelezen worden en vervolgens vergeten worden, en er zijn boeken die je bijblijven. Broed is zo’n boek. De reden is dat de naamloze vertelster weliswaar zeer oprecht is, maar dat de lezer soms het idee krijgt dat ze niet door heeft dat er iets anders aan de hand kan zijn dan zij denkt.

    Opmerkelijke beschouwingen

    Het verhaal van Broed begint op het moment als de vertelster vier kippen gaat houden. Ze praat daarover met haar beste vriendin, een makelaar die niets met kippen heeft; vanaf daar luisteren wij naar ‘het verhaal’ van de vertelster. Broed kent prachtige observaties, een beetje zoals een documentaire waarbij de lezer als een Frans Bromet, de vertelster dicht op de huid zit en tussendoor tegen de camera praat. Vaak zijn dat kleine, opmerkelijke beschouwingen, die het geheel een meerwaarde geven. De scènes zijn niet gemonteerd in de volgorde waarin ze zijn opgenomen waardoor de indruk gewekt wordt dat het boek één jaar bestrijkt. 

    Er is een subtiele, terloopse manier van vertellen en het boek zit vol mooie Amerikaanse details die ook Nederlanders niet vreemd zullen zijn, zoals: ‘De postbode opperde, op niet onvriendelijke toon, dat onze kippen te dik zijn. Hij is een immigrant uit een arm land en zijn beeld van kippen is on-Amerikaans.’ 

    In het begin van de roman bezoekt ze haar moeder in Riverton, een plaats niet ver van Minneapolis en waar ze zelf is opgegroeid. Moeder en dochter zitten in een typisch Amerikaanse ‘donut place’: ‘Ik zou denken dat niemand aan deze tafels zou willen zitten, in de nepfruitige tocht van zwaaiende wc-deuren, ware het niet dat er alom bewijs was voor het tegendeel. In de triplex zijkant van het tafelblad waren namen gegroefd die ik kende.’
    Haar moeder wijst haar op het meisje achter de toonbank: ‘”Dat is de oudste dochter van de Thompsons,” zei mijn moeder, wat betekende dat ik bij haar moeder in de klas had gezeten. Het meisje achter de toonbank had dezelfde gepijnigde blik en haar oogleden hadden dezelfde afschuwelijke tint blauw. Zo voelt het hele dorp voor mij, bekend maar erop achteruitgegaan. De apotheek is nu een pub, en de jurkenwinkel een kringloop en er draait één film in de bioscoop, drie keer per week.’ Waarmee Polzin ook meteen de economische neergang van het Amerikaanse platteland heeft neegezet.

    Van geen kwaad bewust

    De gelaagde constructie en het ambigue van de tekst worden zichtbaar als de reden van het bezoek aan haar moeder duidelijk wordt. Haar man Percy zit een paar dagen in Los Angelos voor een sollicitatie aan een vooraanstaande universiteit. ‘Mocht Percy de baan krijgen, dan zullen we een nieuw onderkomen voor de kippen moeten vinden. Ik zou de kippen het liefst aan mijn moeder nalaten.’ Percy, is een analytisch ingestelde man die gevraagd is te solliciteren bij een vooraanstaande Amerikaanse universiteit. Werken aan zo’n universiteit is niet alleen lesgeven, maar ook keihard werken, en de onzekerheid of je contract wel zal worden verlengd; zoiets doe je alleen als de wetenschap je droom is. Onwillekeurig rijst dan ook de vraag in hoeverre de vertelster haar man kent. Zij lijkt zich van geen kwaad bewust en zegt: ‘Ik vermijd het zoveel mogelijk zijn werk te lezen, maar kan bevestigen hoe uitputtend dat is. Zijn boeken zijn moeilijk en dus saai, en daarbij heeft Percy altijd belangstelling gehad voor de raarste dingen.’

    ’s Avonds ligt ze wakker in bed: ‘Percy heeft geen moeite met slapen. Zijn geheim – weet ik omdat ik ernaar heb gevraagd – is dat hij het nut niet inziet van wakker in bed liggen. […] Als ik wakker lig, denk ik soms aan zijn ex-vriendin die ongetwijfeld naast hem aan dezelfde kant van het bed wakker lag, en hem misschien ook wel had gevraagd naar zijn slaapgeheimen terwijl ze wakker lag en dacht: het is hem gegund.’ 

    Innerlijke verandering

    Is de vertelster misschien jaloers op de ex-vriendin van haar echtgenoot? Is die echtgenoot zo harteloos om gewoon te gaan slapen als zijn vrouw met al haar twijfels en verdriet niet kan slapen? Heeft de schrijfster hier een illustratie willen geven van een huwelijk waarin de partners elkaar niet volledig kennen en begrijpen, waardoor het soms lijkt dat zij langs elkaar heen leven?

    In deze roman wordt veel getoond in plaats van expliciet beschreven; het is aan de lezer er betekenis aan te geven. De kinderwens en de onmogelijkheid daarvan wordt duidelijk door de vele opmerkingen over het moederschap. En dan is er de bijna obsessieve aandacht van de vertelster voor schoonmaken (in ere herstellen, nieuw leven inblazen, tevoorschijn toveren), de kijk op het schilderij van een rokende vrouw. En de verandering die voor het eerst aangeeft dat ze op weg is om de onmogelijkheid van moederschap te accepteren; het schoonmaken van de villa aan Queen Street, wat suggereert dat dit proces van innerlijke verandering nagenoeg is voltooid, maar ook dat de acceptatie nooit volledig kan zijn. Broed is een prachtig gecomponeerd en gelaagd boek, vol met subtiele details en kleine observaties, een mooi debuut.

     

       

  • Over William de ex-man van Lucy Barton

    Over William de ex-man van Lucy Barton

    De recent verschenen roman Het verhaal van William van Pulitzerprijswinnaar Elizabeth Strout begint een jaar na de dood van David, een mank lopende cellist en tweede echtgenoot van de ik-figuur, schrijfster Lucy Barton. Met zijn dood komen de herinneringen weer boven aan haar ex-man, William, een academicus. Over William gaat dit boek, vanuit het gezichtspunt van Lucy, vanaf het moment dat hij negenenzestig jaar is.

    Lucy Barton kent de doorgewinterde Strout lezer al van de boeken, Ik heet Lucy Barton en Niets is onmogelijk. Lucy heeft iets mysterieus over zich, waarbij het broeit onder de oppervlakte. Ze is onsentimenteel, onuitgesproken in haar behoeften. Strout verwijst in Het verhaal van William soms naar haar eerdere boeken: ‘Dat heb ik al eens gezegd’. Zo schept ze een band tussen haar boeken over Lucy en een eenheid in haar oeuvre. 

    Kleine en grote angsten

    William is half Duits, half Amerikaans. Hij is voor de derde keer getrouwd met Estelle. Zij hebben samen een dochter, Bridget. Uit het huwelijk van Lucy en William zijn er twee dochters: Chrissy en Becka. William lijdt ’s nachts aan angstaanvallen. Sommige daarvan hebben te maken met de oorlog. Zijn vader was een Duitser en had in de oorlog gevochten aan de kant van de nazi’s. Andere angsten zijn gerelateerd aan zijn moeder, Catherine. Lucy is ook niet vrij van bange gevoelens sinds haar moeder haar langs de kant van de weg liet staan en wegreed. Ze wil zich ‘onzichtbaar’ maken – een omschrijving die doet denken aan de essaybundel Herinneringen aan mijn onzichtbaarheid van Rebecca Solnit. ‘Ze wil’, zo schrijft Solnit (Strout vult het niet in) ‘een zo klein mogelijk gebiedje dat niet opviel’ innemen om veilig te kunnen zijn.

    In vergelijking tot William zijn het ‘kou en kiezeltjes angst’ waar ze zelf last van heeft. Of is het zo dat William een man van het kinderachtige soort is, die van een beetje een boel maakt? Terwijl Lucy door periodes van depressie gaat, haalt hij zijn schouders daarover op. Ze laat William gaan, en denkt: ‘Ach, William’ – wat een adequatere vertaling van de Engelse titel Oh William was geweest. Ook William zegt het: ‘Ach, Lucy’. Op momenten dat ze elkaar nog steeds na staan, alsof er spiegelneuronen werkzaam zijn.

    Spiegelingen en harmonie

    Op een gegeven moment vraagt William aan Lucy of ze met hem op zoek wil gaan naar het kind dat zijn moeder voor hem had bij een andere man. En dan komt het: zijn moeder had het kind, een meisje dat Lois Trask heet, achtergelaten om met zijn vader te gaan leven. Dat hebben we eerder gelezen. Lucy’s moeder reed weg, Williams moeder wandelde zomaar de deur uit en liet haar dochtertje achter. Bovendien doet het denken aan de manier waarop Estelle, Williams derde vrouw, hem verliet en daarvoor hoe Lucy hem had verlaten om zijn buitenechtelijke relaties. 

    Het zijn die grote en kleine spiegelingen die Strout zo vernuftig door haar verhaal weeft. William droomt op een nacht van hun baby Beckya. Op Luzy’s vraag of hij wel goed had geslapen, antwoordt hij: ‘Als een baby’. Het spiegelt ook een beetje de manier waarop ze als vrienden met elkaar omgaan; ‘voor ons klopte het helemaal’ meent Lucy op een gegeven moment, zoals ze denkt dat Houlton, een stadje ‘al jaren in harmonie was met zichzelf’. En de halfzus Lois, wanneer ze is gevonden, in harmonie was met zichzelf is, ‘zoals iemand is, denk ik, wanneer allebei zijn ouders van hem hebben gehouden’. Dit harmonieus-zijn, wat voor Lucy een gemis betekent, is een centraal thema in Strouts boeken. We komen het ook tegen in Olive Kitteridge (2015), waar Denise en apotheker Henry’s wezen zich even gemakkelijk met elkaar verbonden, ‘als aspirine met het enzym COX-2’. 

    Determinisme en vrije keus

    Je kunt je afvragen, of het niet iets met determinisme te maken heeft, omdat William zich op een gegeven moment afvraagt: ‘Hoe vaak kiest iemand echt iets?’ Lucy had geen keus om haar gezin achter te laten, ze moest wel. William had naar eigen zeggen, geen  keus om vreemd te gaan. Bovendien – zo lezen we – leek het huwelijk tussen Lucy en David, haar overleden tweede man, ‘made in heaven’Je kunt je óók afvragen of dit ook voor de negatieve uitingen opgaat. Lucy’s schoonmoeder Catharine zegt bijvoorbeeld tegen haar: ‘Donder op!’ Haar dochter Chrissy (beide namen met een C) zegt tegen haar: ‘Ik kan je niet uitstaan’, zoals William opbiecht dat hij zijn moeder niet kon uitstaan. Inleven in elkaar lijkt niet de sterkste kant van de personages in Strouts roman. In die zin hebben ze allemaal een rafeltje, zijn ze allemaal gecompliceerde ‘round characters’.  

    Tot in detail vertelt Strout haar verhaal. Zo sabbelde William als kind op de kraag van zijn jas, en later op zijn snor. Een snor die hij op het eind afscheert. Je kunt als lezer lang op de betekenis hiervan kauwen. Valt wat je overkomt en wat je kiest niet gewoon soms samen, omdat het niet anders kan ? Zo is dit een boek dat je bijblijft, dat is een ding dat zeker is.

     

     

  • Kunstmatig of matige kunst?

    Kunstmatig of matige kunst?

    De voetbalwereld en de autobranche kennen al jaren een geduchte concurrent wat de oververtegenwoordiging van mannen betreft: de informaticawereld. Met haar essaybundel Twaalf Bytes bindt Jeanette Winterson de strijd aan met seksisme en misogynie in haar werkveld. Klinkende cijfers, harde statistieken en inspirerende verhalen bewijzen dat genderongelijkheid zelfs in de hoogste regionen van de computerwetenschappen voortwoekert. Winterson heeft echter meer willen schrijven dan een activistisch pamflet, getuige de ondertitel Heden en toekomst van kunstmatige intelligentie. Dat maakt van Twaalf Bytes een boek met twee gezichten.  

    Waar Winterson de stand van zaken rond AI beschrijft en feminisme propageert, overtuigt haar werk. Maar regelmatig waagt ze zich aan filmische speculaties zonder onderbouwing, met veel misschien-zinnetjes. Ten slotte probeert ze te bewijzen wat er deugdelijk zou zijn aan kunstmatige intelligentie, maar verslikt ze zich in haar ambitie naar alomvattendheid. Religie, mythologie, literatuur, ras, sociologie, genderpolitiek, geschiedenis, film, liefde en Big Tech. Al deze thema’s propt ze in amper 300 pagina’s; de rode draad wordt algauw een onontwarbare knoop.

    Vrijheid, gelijkheid, zusterschap

    Voor progressievelingen is Twaalf Bytes een feest van herkenning. In haar pleidooi voor emancipatie binnen de informatica houdt Winterson zich bij de feiten. Zo had het Duitse ENIGMA-systeem in de Tweede Wereldoorlog nooit gekraakt kunnen worden zonder vrouwelijke, zwaar onderbetaalde rekenaars. Ada Lovelace, Lord Byrons dochter, is dé grondlegger van de hedendaagse pc en Spotify, maar waar haar mannelijke tijdgenoten de credits voor krijgen. Over deze vrouw die nota bene Alan Turing inspireerde, wordt gezegd ‘dat ze meeliftte op andermans succes, dat haar berekeningen niet klopten, dat ze de aantekeningen waarin ze de werking van de analytische machine uitlegt niet zelf heeft geschreven. Dat ze zichzelf overschatte, ijdel was en dat Babbage haar alleen maar tolereerde.’ 

    De revanche voor de vrouw gaat gestaag, maar niet snel genoeg. Winterson haalt John Stuart Mill aan die in 1869 zegt: ‘‘‘Geen slaaf is in dezelfde mate – en in de volle betekenis van het woord – slaaf als een getrouwde vrouw.’’’ Tot ver in de 20ste eeuw blijft de vrouw wilsonbekwaam en financieel afhankelijk van haar man in het ‘beschaafde’ Westen. En tegenwoordig verergert kunstmatige intelligentie dit probleem slechts. Banken maken bij kredietverstrekkingen gebruik van algoritmes die discrimineren op geslacht. Oftewel, vrouwen hebben een lagere bestedingslimiet dan (witte) mannen. Drie keer raden welke soort mensen de algoritmes vormgeeft? Juist. Bovendien is deze doelgroep fervent liefhebber van een wel heel specifieke vorm van kunstmatige intelligentie.

    Eigenlijk keurt Winterson maar één kunstmatige levensvorm af: de sekspop. Sekspoppen zeggen nooit ‘nee’, zijn in 99 van de 100 gevallen veredelde pornopitspoezen en hebben soms zelfs een verkrachtingssimulatie als nieuwste gadget. Daarnaast hebben ze geen eigen wil. Winterson weet dr. Kathleen Richardson van De Montfort University aan haar zijde: ‘Als hoogleraar Ethiek en AI is ze bang dat seksrobots stereotypes zullen versterken, objectificatie en commercialisering van het vrouwenlichaam zullen bevorderen en tot meer geweld tegen vrouwen zullen leiden.’ Als consument kan de man zichzelf wijsmaken dat hij echt wel weet dat seks met een vrouw van vlees en bloed niet zo werkt, maar corruptie van de geest gaat sluipenderwijs: ‘Als ze het niet zo doet, zich niet zo kleedt en zich niet zo gedraagt, is ze gewoon frigide. En als ze het wel zo doet, is ze een slet.’
    Waarvoor dient kunstmatige intelligentie dan wel? Daarin is Winterson niet altijd even duidelijk.

    Confucian confusion

    In de inleiding stelt Winterson haar bescheiden doel voor Twaalf Bytes vast: ‘Ik wil lezers die denken dat ze geen belangstelling hebben voor AI, biotech, Big Tech of datatech laten ontdekken dat deze verhalen boeiend (…) angstaanjagend zijn en allemaal met elkaar samenhangen.’ Vooral dat laatste punt, de onderlinge samenhang van haar subonderwerpen, nekt de schrijfster. Omdat haar bundel essays bevat, en geen wetenschappelijke artikelen, neemt Winterson alle ruimte om uit te weiden over talloze niet-wetenschappelijke kwesties. Aangezien het wetenschappelijke kader ontbreekt waaraan ze haar onderwerpen toetst, bezigt ze het holistische cliché dat alles uiteindelijk allemaal naar hetzelfde wijst. 

    Theoretisch vormt de vermenging van allerlei mythes met de Verlichting en de evolutiebiologie het grootste bezwaar. Het Gilgamesj-epos, het Thomasevangelie, het taoïsme, Jezus Christus, Frankenstein; al deze literaire en religieuze fenomenen koppelt ze aan theorieën van de verlichters John Maynard Keynes, René Descartes en Charles Darwin. Onwillekeurig roept Twaalf Bytes herinneringen op aan het omstreden 12 Rules for Life van pseudo-intellectueel Jordan Peterson, die ook niet vies is van een psychoanalysetje hier en een Oedipuscomplexje daar. Bovendien noemt Winterson de Industriële Revolutie de zwartste dag voor de mensheid, terwijl volgens haar het kapitalisme – dé aanjager van massaconsumptie, klimaatproblemen en inkomensongelijkheid – de oplossing is waarmee kunstmatige intelligentie de mens op aarde redt. Om de verwarring compleet te maken bombardeert Winterson even later de venture capitalists Elon Musk, Richard Branson en Peter Thiel dan wel weer tot volksvijand nummer één. Volgt u het nog?

    De filmcultuur komt in Twaalf Bytes eveneens rijkelijk aan bod. Het geeft te denken dat Wintersons toekomstverwachtingen meer op kaskrakers dan op wetenschap gebaseerd zijn. De bundel barst van de aannames, eventuele mogelijkheden en plompverloren filmfantasieën: ‘In het komende decennium zal het internet van dingen de gedwongen evolutie en de geleidelijke verdwijning van Homo sapiens zoals we die kennen in gang zetten.’ Het majesteitelijk wij tiert welig: ‘We stellen ons God altijd voor als een niet-belichaamd netwerksysteem.’ Dit soort verkondigingen doen mij smachten naar de roman Mogelijkheid van een eiland, waarin Michel Houellebecq op overtuigende wijze een wereld van gekloonde, via fotosynthese levende post-mensen creëert. Waarom overtuigt dat wel? Omdat de Fransman zijn boek niet over álles wil laten gaan, zoals Winterson dat wel tevergeefs probeert. Ook in het vrije genre van de essayistiek geldt blijkbaar het devies: vrijheid schuilt ‘m in de beperking.

    SkAI Radio

    Kunstmatige intelligentie wordt binnen de muziekwereld gebruikt om klassieke composities te simuleren. Zo bestaan er machines die stukken componeren met de complexiteit van Bach, om maar iemand te noemen. Sceptici zeggen dat op deze wijze gecomponeerde muziek onvolwaardig is, want de mens heeft haar niet zelf gemaakt. Voor velen is het onderscheid tussen AI en de mens dus: het een is gemaakt door machines, het andere is ontstaan. Winterson noemt een ander verschil, waar zij meer in gelooft: ‘We hebben de technologie. We hebben de wetenschap. We hebben de kennis. We hebben de gereedschappen. We hebben de universiteiten, de instellingen, de structuren, het geld. Where is the love?’ Met liefde is alles mogelijk. Zo springt Twaalf Bytes van Bach naar de Black Eyed Peas, van #MeToo naar #Doeslief. Door verwarring en open deuren boet Twaalf Bytes in aan relevantie, hoe krachtig Winterson de maatschappijkritiek op het patriarchaat ook optuigt.

     

     

  • Oogst week 2 – 2022

    Sloop

    Anna Enquist (1945) is het pseudoniem van Christa Widlund-Broer. In 1991 debuteerde ze met de dichtbundel Soldatenliederen, waarmee ze de C. Buddingh’-prijs won, en inmiddels heeft ze een veelomvattend oeuvre met romans, novelles, korte verhalen, monologen en poëzie op haar naam staan. In 2014 en 2015 was ze stadsdichter van Amsterdam. Enquist volgde een conservatoriumopleiding. Muzikaliteit komt terug in een groot deel van haar werk, zo ook in haar nieuwste roman Sloop. Hoofdpersoon Alice is een componist met een grote toekomst die de belangrijke opdracht krijgt een jubileumstuk te componeren voor het Koninklijk Symfonie Orkest. Ondertussen houdt ze geheim dat ze om geld te verdienen onder een schuilnaam geluiden voor reclames schrijft. Verder wil ze, ondanks haar eigen moeilijke jeugd, niets liever dan een kind. Deze roman gaat over maken, scheppen, creëren, en vooral over het leven zelf.

    Sloop
    Auteur: Anna Enquist
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Wij kunnen dit

    Nelleke Noordervliet (1945) heeft niet alleen hetzelfde geboortejaar als Anna Enquist, maar al net zo’n uitgebreid oeuvre. Ze debuteerde in 1987 met Tine of de dalen waar het leven woont, een historische roman over Tine van Wijnbergen, de vrouw van auteur Multatuli. Hierna volgenden verhalenbundels, toneelteksten, poëzie, columns en romans. In 1994 won ze de Multatuliprijs voor een andere roman, De naam van de vader. In 2018 kreeg ze de prestigieuze Constantijn Huygens-prijs voor haar gehele oeuvre. Noordervliets nieuwste roman, Wij kunnen dit, gaat over de liefde tijdens het coronatijdperk. Helen en Leo zijn allebei de veertig gepasseerd. Zij is een boekhandelaar die probeert het hoofd boven water te houden, hij een succesvolle ondernemer die een doel in zijn leven zoekt. Behalve Noordervliets liefde voor details bevat dit verhaal ook veel humor.

    Wij kunnen dit
    Auteur: Nelleke Noordervliet
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Ik zing in een andere taal

    Jila Mossaed (1948) is een auteur uit Iran die sinds 1986 in Zweden woont en ook pas vanaf dat moment Zweeds leerde, een taal die ze ‘de taal van ijs’ noemt. Ze bekleedt een positie als een van de achttien leden van de Zweedse Academie, een eeuwenoud instituut dat de kwaliteit van de Zweedse taal bevordert.  De Academie heeft ook de verantwoordelijkheid om de winnaar van de Nobelprijs van de Literatuur te benoemen. Soms schrijft Mossaed ook in het Perzisch. Ik zing in een andere taal is een poëziebundel met gedichten die geschreven zijn tussen 1997 en 2018 én de eerste vertaling van Mossaeds werk naar het Nederlands. Sjoerd-Jeroen Moenandar vertaalde deze poëzie niet alleen, maar schreef ook een nawoord.  In deze gedichten roept Mossaed beelden op die vertellen hoe het is om onderdrukt te worden, te vluchten en een nieuw thuis in een ander land te vinden.

    Ik zing in een andere taal
    Auteur: Jila Mossaed
    Uitgeverij: Wilde Aardbeien
  • Transitroman met een skyline aan stijlen

    Transitroman met een skyline aan stijlen

    In de roman Miniapolis van Rob Van Essen is het plot een plaats waar de alwetende verteller rondjes draait. Omwegen, zwerftochten en doelloze fietstochten dienen om het verhaal niet te snel in het hart te treffen. De twee hoofdpersonages Wildervanck en Scherpenzeel lijken alle tijd van de wereld te hebben. Scherpenzeel is net aangenomen op het bijkantoor van een verzekeringsmaatschappij waar Wildervanck de scepter zwaait. Deadlines, kwartaalcijfers en geldzorgen zijn meer een zaak voor het hoofdkantoor, want Wildervanck en co hebben geen schroom om alle stress koeltjes te seponeren. De baas van het bijkantoor doet zelfs zijn uiterste best om niet te vlug de doodse sfeer van dat gebouw op te snuiven. Elke ochtend maakt hij steeds grotere lussen met zijn fiets. Van de ietwat vervallen herenhuizen, langs de verderop gelegen bedrijfsterreinen, tot aan de monotone nieuwbouwwijken aan de rand van de stad. Van Essen besteedt veel aandacht aan de betonnen jungle,waarin de personages hun weg zoeken. Die uitvoerige beschrijvingen dienen niet om orde te scheppen, want volgens de verteller ‘was dat maar schijn, alles was een momentopname, alleen voor de eendagsvlieg was de stad statisch, en dan nog moest-ie niet al te goed om zich heen kijken.’ 

    Actie à l’adagio 

    Wanneer de lezer toch een kaart van dat architecturale labyrint zou kunnen natekenen, dan moet hij zonder twijfel de punaise van het plot vastpinnen op de grote brug die over de rivier loopt. Het is daar dat Scherpenzeel een jongen aan een pijler heeft zien hangen, nadat hij in zijn appartement een briefje had gevonden waarop stond ‘Ga smorgens naar de brug.’ Diezelfde jongen blijkt dan ook nog eens een trouwe en om geldverlegen cliënt van het bijkantoor te zijn. De spanning wordt opgebouwd en Scherpenzeel gaat op speurtocht om te achterhalen wat Wildervanck allemaal weet over die zogenaamde Jonathan. 

    Als de fascinatie van de lezer tot een hoogtepunt is opgevoerd, zouden de meeste auteurs hun personages langs allerlei intriges sturen om ze dan met een rotvaart richting de finale ontknoping te laten snellen. Van Essen haalt hier zijn schouders voor op. Hij legt de beide heren van het bijkantoor geen strobreed in de weg, wanneer zij doodgemoedereerd de stad uit fietsen. Ze belanden op het platteland, overnachten in hotels en lunchen op picknickbanken. Ondertussen verslindt Wildervanck de ene detectiveroman na de andere, maar niet om te weten wie het gedaan heeft. Volgens hem is het plot daarbij een noodzakelijk kwaad. Het is de sfeer die telt. Dat lijkt ook het adagium dat Van Essen zelf tijdens het schrijven van deze roman heeft gehanteerd.

    Gondelmetaforen

    Met originele zinsneden en aaneenschakelingen van beelden weet hij bij wijlen een intieme en haast mythische atmosfeer te scheppen. Wanneer Jonathan op zoek gaat naar zijn moeder, vindt hij haar terug tussen de daklozen bij het station. Ze is ‘een klein segment van de reusachtige, donkergrauwe mensenrups die zich tegen de tunnelwand aanschurkt’. Het is in de mijmeringen van diezelfde moeder dat de sfeer het meest intrigeert. Er is sprake van een groot gebouw met een plat dak waarlangs glazenwassers in gondels door de lucht bewegen. Dat staat soms in een paginalange zin geformuleerd, zodat er in dat ene beeld een ritmische dynamiek tot stand komt en de lezer er heerlijk in kan verzinken. Die hallucinerende waas bevindt zich in schril contrast met de landerige en slome ontwikkeling van het fietsuitje van Wildervanck en Scherpenzeel. Bij hen heerst de banaliteit. Al weet Van Essen te vermijden dat het ronduit saai wordt door pareltjes van metaforen in het rond te strooien. Het hoffelijke bekvechten over wie de rekening betaalt, wordt ‘de moeizame dans van zal-ik-ook en nee-dat-is-echt-niet-nodig’.  

    Moedermanco

    Af en toe schemert de plot door de metaforen heen. Dat gebeurt meestal tijdens de ontboezemingen van Scherpenzeel over de afwezige relatie ten opzichte van zijn ouders. Of tijdens de dialogen tussen Jonathan en zijn moeder. Net als in De goede zoon is een verstoorde moeder-kind relatie het hoofdthema van deze roman. Een moedermanco zo u wil. Dat moedermanco weet Van Essen op uiteenlopende wijzen te bestrijken. Thema’s als suïcide en psychiatrische behandeling komen op een nuchtere manier aan bod. En toch past de taboesfeer, die al te vaak rond deze onderwerpen hangt, naadloos in de labyrintische wereld waarin de personages zich bevinden. Zinnetjes als ‘ik heb je gekregen maar nooit gehad’ maken dat de combinatie van ontwapenende intimiteit bij momenten wonderwel kadert in de bevreemdende atmosfeer van het verhaal. Die paradox vormt ook de grootste sterkte van deze roman en kan enkel voortkomen uit het watermerk van een schrijver, die zijn arsenaal aan technieken op een beheerste manier weet te benutten.

    Eclectische voorstudie

    Dat levert evenwel een scala aan stijlen op, waardoor het geheel lastig te balanceren valt.  Er is het narratief van Wildervanck en Scherpenzeel dat goed past in de naoorlogse traditie van lanterfantende personages. De verhalen van Jonathans moeder over glanzenwassers in gondels evoceren dan weer een mythologische sfeer, die doet denken aan postmoderne romans zoals Tongkat van Peter verhelst. Een van de dingen die beide vertelstijlen gemeen hebben is hun relatieve plotloosheid. Het feit dat Van Essen juist een plotlijn gebruikt om beide met elkaar te verbinden is daarom des te opmerkelijker. Het resultaat zou gekunsteld aandoen als de rake metaforen en hilarische opmerkingen er niet waren geweest. ‘Ergens iets van zeggen was nutteloos… Het liefst had hij die tekst op een tegeltje geschreven, een flink dikke tegel, en er iemand de hersens mee ingeslagen.’ Als zo’n zin u zelfs niet doet grinniken, dan wendt u zich beter tot de doodserieuze literatuur.

    Ondanks de kwinkslagen en de tedere zinnetjes blijft Miniapolis bij momenten overkomen als een, weliswaar zeer goed uitgevoerde, voorstudie van dat wat Van Essen ons in de toekomst kan voorschotelen. Het bouwplan voor een lanterfanterboek of net de blauwdruk van zijn eigen hedendaagse mythe. Miniapolis is een transitroman vol straten, tramlijnen en fietspaden. Het plot is een bouwput van waaruit de auteur een literaire skyline laat verrijzen. Hopelijk laat Van Essen bij zijn volgende worp de lezer de stad even ontvluchten, zodat die vanop een afstandje op zijn minst eens één wolkenkrabber in volle glorie kan aanschouwen.

     

  • Fraai essay met hier en daar een misser

    Fraai essay met hier en daar een misser

    Recensie door Arie Biesheuvel

    In Eenzaamheid in eindeloos meervoud  geeft literair-criticus Lodewijk Verduin een analyse van het werk van Jeroen Brouwers. In bijna zestig jaar heeft Jeroen Brouwers een zeer groot oeuvre opgebouwd. Een diepgaande analyse van een dergelijk veelomvattend oeuvre lijkt haast ondoenlijk. Maar Lodewijk Verduin is daar wonderwel in geslaagd door zich te concentreren op Brouwers’ twaalf romans, en waar nodig verhelderende elementen uit Brouwers’ novellen, verhalenbundels, essays, en vooral autobiografische werk toe te voegen.       

    Literair-critici en liefhebbers van het werk van Jeroen Brouwers zullen dit essay zeker willen lezen, de eersten teneinde te weten te komen hoe hun jonge vakbroeder het er vanaf heeft gebracht, de laatsten om hun ideeën te toetsen en er wellicht nog wat van op te steken.  Echter, dit essay is ook, of juist vooral, aan te bevelen aan lezers die het werk van Jeroen Brouwers niet of nauwelijks kennen, of die zich door zijn werk niet voelen aangesproken.  

    Schrijven om het leven aan te kunnen   

    Lodewijk Verduin heeft er voor gekozen om deze twaalf romans van Jeroen Brouwers als de kern van het essay te nemen. Ze worden chronologisch besproken in hoofdstukken die accentueren dat er een zekere ontwikkeling in thematiek en stijl van het werk is. Elke roman wordt kort samengevat, thema en stijl worden toegelicht en in verband gebracht met eerder werk, waarbij geschikt gekozen citaten uit autobiografische geschriften de visie van Verduin ondersteunen. Aldus wordt duidelijk dat Brouwers erin is geslaagd een waarlijk literair-oeuvre te creëren, een oeuvre dat, om hem zelf te citeren ‘bestaat uit boeken die elkaar steeds maar aanvullen in onderdelen of als geheel, zodat men […] in ieder geval van mijn werk […] kan zeggen: het vormt een eenheid’.    

    Het essay is helder en vlot geschreven, wordt nergens langdradig, en verwordt niet tot een opsomming. Het geregeld onderbreken van de tekst door citaten is nergens hinderlijk en werkt juist verhelderend. Maar bovenal is het een boeiend en leerzaam essay; Lodewijk Verduin verstaat zijn vak. Een goed boek nodigt voortdurend uit tot reflectie op het gelezene, en dat gebeurt bij lezing van dit essay veelvuldig. 

    Het werk uit de ‘gelukkige jaren’, van Zonsopgangen boven zee (1977) tot Zomervlucht (1990), wordt door Verduin gezien als het hoogtepunt van Brouwers’ oeuvre. Traumatische jeugdervaringen hebben een enorme invloed gehad op de mens Jeroen Brouwers; door een diepgaande psychologische zelfanalyse en deze analyse literair te verwoorden is de schrijver in deze ‘gelukkige jaren’ de therapeut van de mens. Verduin concludeert:

    ‘Als er één geestestoestand alomtegenwoordig is in het werk van Jeroen Brouwers, dan is het angst. Zijn personages lijden onder meer aan mensenangst, verlatingsangst, mislukkingsangst, vergetelheidsangst, verstikkingsangst, autoriteitsangst, overbodigheidsangst, ouderschapsangst, bindingsangst, vrijheidsangst, eenzaamheidsangst, levensangst – al dan niet in combinatie met elkaar. Het is een oeuvre van onrust en onheil, vol mensen zonder zekerheden die twijfelen aan wat zich aan hen voordoet en vrezen voor noodlottige veranderingen.’  

    Dit ‘lijden’ moet letterlijk genomen worden. Dat Jeroen Brouwers aan het schrijverschap lijdt (‘literatuur is een kanker, wie is aangetast zal niet genezen’) maakt het triest. Toch ontkomt men niet aan de indruk dat dit leed wat dik is aangezet, een idee dat wordt versterkt door Brouwers’ uitbundige, geëxalteerde stijl, die niet iedereen weet te bekoren.  Brouwers heeft, beginnend met Geheime Kamers (2000) en eindigend met Cliënt E. Busken (2020), ook een reeks minder ‘persoonlijke’ boeken geschreven in een meer ingetogen stijl.. 

    Persoon en persoonlijkheid van de schrijver 

    In de inleiding wordt de voor een literair-criticus wezenlijke vraag gesteld of het voor een analyse en waardebepaling van de romans van een schrijver nodig is diens persoonlijke geschiedenis te kennen. Verduin geeft antwoord, en lijkt aldus zijn positie als literair-criticus in te nemen op een voor het essay kenmerkende wijze door vermelding van citaten van beroemde schrijvers en gezaghebbende critici. Wat volgt uit deze citaten is een ontkenning. De persoonlijkheid, het unieke wezen, van een schrijver is de vorm van het werk: de taal en de thema’s, de persoonlijke stijl waarin de schrijver een unieke ervaring weergeeft van wat gezien is omtrent de ‘condition humaine’. Natuurlijk worden ook persoonlijke ervaringen gebruikt om het verhaal te vertellen, echter de schrijver als persoon vindt men hoogstens gestileerd terug in het werk, wat voor de beoordeling van het werk geen rol speelt.  

    Verduin gaat in de fout als hij zich in zijn positie als literair-criticus gesteund voelt door Andrew Field, een omstreden biograaf van Vladimir Nabokov. Brian Boyd, de grote kenner van leven en werk van Nabokov, heeft in zijn definitieve tweedelige biografie Vladimir Nabokov: The Russian Years, Vladimir Nabokov: The American Years overtuigend laten zien dat Field als biograaf en literair-criticus van Nabokov weinig betrouwbaar is en terecht in de ban werd gedaan door de familie Nabokov. 

    Nabokov versus Brouwers

    Evenzeer is de vergelijking van het werk van Nabokov en Brouwers wat misplaatst: Tussen Vladimir Nabokov en Jeroen Brouwers bestaan fundamentele overeenkomsten: beide schrijvers staan bekend als weergaloze stilisten, en de gedeelde bron van hun enorme oeuvres is een uitzonderlijk krachtig geheugen. Nu is Nabokov als stilist hors concours, maar dat is hier niet van belang. Wel dat hun beider krachtige geheugen betrekking heeft op hun jeugd, die voor Nabokov een gelukkige was, en voor Brouwers een traumatische. Verduin merkt op:

    Voor de een was herinneren een genot, voor de ander een kwelling – Nabokov was dan ook nostalgisch en conservatief, Brouwers ‘links naar het anarchistische toe’Dit is wat al te eenvoudig gesteld: een gelukkige jeugd impliceert toch niet een latere conservatieve opvatting (als Nabokov die al had), en een ongelukkige jeugd toch niet een progressieve of ‘linkse’ opvatting? 

    Nu is het is waar dat in romans als Glorie en De gave de jeugd van Nabokov een rol speelt, maar nooit als iets particuliers, eerder als iets algemeen herkenbaars, passend bij het thema ‘het verlies van de jeugd’.  Zelfs in de autobiografie Geheugen, spreek laat de schrijver weinig van zichzelf zien.  Dat ligt anders bij de romans van Brouwers; het werk uit  ‘gelukkige jaren’ immers, is de literaire weerslag van een psychologisch zelfonderzoek; met name in de roman Het verzonkene laat Brouwers veel van zichzelf zien. Zo wordt Verduins positie als literair-criticus wat onduidelijk, en dat blijft zo als in het essay zelf Brouwers’ autobiografische geschriften veelvuldig worden aangehaald ter duiding van zijn romans. Maar laten deze mild-kritische opmerkingen u vooral niet weerhouden dit fraaie essay te lezen.

     

  • Oogst week 49 – 2021

    Een geest in de keel

    Caoineadh Airt O Laoghaire is een gedicht van de Ierse Eibhlín Dubh Ní Chonaill uit de 18de eeuw. Het is een ‘keen’, een traditionele klaagzang over de dood zoals die in de Schotse en Ierse orale literatuur bekend zijn. De ‘Airt O Laoghaire’ uit de titel is de man van de dichteres, die in 1773 werd doodgeschoten. De 21ste eeuwse Ierse Doireann Ní Ghríofa (1981) kende het als kind al van school.

    In haar debuutroman Een geest in de keel is ze een moeder van vier kinderen die tussen het stofzuigen en kolven door een verweerde kopie van de klaagzang terugvindt. Ze herleest en het gedicht gaat steeds meer spoken in haar keel. Ze zet zich aan een vertaling, maar verdiept zich ook in het leven van de dichteres en zet dat af tegen dat van haar zelf. Zo wordt Een geest in de keel een confrontatie tussen twee levens die in tijd twee eeuwen uit elkaar liggen en toch een verwantschap hebben. Het boek begint en eindigt met de diverse malen als een mantra herhaalde zin: ‘Dit is een vrouwelijke tekst’.

    Een geest in de keel
    Auteur: Doireann Ní Ghríofa
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Altijd weer opstaan

    Helga Schubert was tachtig jaar toen ze in 2020 de Ingeborg-Bachmann-Preis kreeg voor haar autobiografische verhalenbundel Vom Aufstehen. Ein Leben in Geschichten. Het opvallende was niet zozeer deze bekroning, want voor eerder werk sleepte ze ook al eens prijzen in de wacht, maar dat deze bundel het eerste boek van haar is dat na een stilte van achttien jaar weer eens verscheen. Ze noemde in een interview dat deze verhalen het beste waren dat ze geschreven heeft. Helga Schubert is het pseudoniem van Helga Helm.

    De verhalen in de bundel die nu in het Nederlands zijn vertaald als Altijd weer opstaan (ook de titel van het laatste verhaal) bestrijken een periode van ongeveer haar hele leven. Ze beschrijven in de ik-vorm haar tijd in de DDR en na de Wende in het nieuwe Duitsland en geven daarmee ook een persoonlijke schets van acht decennia Duitse geschiedenis. Sommige (jeugd)verhalen zijn verschrikkelijk (over haar liefdeloze moeder en over de controle door de Stasi bijvoorbeeld), andere juist poëtisch en begripvol. 

     

    Altijd weer opstaan
    Auteur: Helga Schubert
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Om het hart terug te brengen. Liefde en geweld in Zuid-Afrika

    In Om het hart terug te brengen gaat de sinds 2004 in Nederland wonende Annemarié van Niekerk terug naar haar geboorteland Zuid-Afrika. Ze heeft op 15 augustus 2015 bericht gekregen dat haar vriend Ruben Gouws en diens moeder Tannie Hermien zijn vermoord. De twee moordenaars, twintigers, waren bekenden van Ruben. De reis terug is er niet alleen één in geografische zin, maar ook naar de tijd van haar jeugd.

    Het eerste deel van deze ‘memoir’ zet de schijnwerpers, onder de titel Die dag, op de dag van de moord in het onooglijke boerengehucht Ida in de Oostelijke Kaapprovincie. Op die 15de augustus wordt er op de deur geklopt van de woning bij het winkeltje van de moeder. Schoolhoofd Ruben woont bij haar in huis: ‘”Wie in vredesnaam kan dat zijn op de late zaterdagmiddag?” hoort Ruben zijn moeder roepen. “Dat komt wel heel erg ongelegen”. Nu is het hún tijd samen en die laat ze zich niet zomaar afpakken.
    “Blijf maar, Mammie, ik ga wel even kijken.” Als hij langs het keukenraam loopt ziet hij ze staan, Lucy en Matoni. Een paar jaar geleden had hij ze nog in de klas.’

     

    Om het hart terug te brengen. Liefde en geweld in Zuid-Afrika
    Auteur: Annemarié van Niekerk
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Oogst week 48 – 2021

    Nicolien Mizee's Vogelboek

    Nicolien Mizee (1965) schrijft romans en briefbundelingen. Ze werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs en de BookSpot Literatuurprijs. Vorig jaar kreeg ze voor haar boeken De kennismaking – Faxen aan Ger en De porseleinkast – Faxen aan Ger de Henriette Roland Holst-prijs, die driejaarlijks wordt uitgereikt aan een literair werk dat niet alleen van hoog niveau is, maar ook sociale betrokkenheid toont.

    Behalve auteur is Mizee ook vogelspotter. Ze houdt met de precisie van een schrijver bij welke vogels ze al heeft gezien, inclusief rake en grappige beschrijvingen. Daarnaast tekent ze de vogels. In Nicolien Mizee’s Vogelboek zijn deze teksten en illustraties gebundeld.

    Nicolien Mizee's Vogelboek
    Auteur: Nicolien Mizee
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Oktober is de mooiste maand

    Johanna Spaey (1966) debuteerde in 2005 met de misdaadroman Dood van een soldaat. Hiermee won ze de Gouden Strop en de Hercule Poirot-prijs. Vervolgens schreef ze meerdere romans. Oktober is de mooiste maand is haar nieuwste boek. Het gaat over Stefan, die in de jaren tachtig tot levenslang wordt veroordeeld in Duitsland.

    Na twintig jaar komt hij vrij, al mag hij Duitsland niet verlaten. Dit doet hij toch, want zijn vroegere geliefde woont in België. Terwijl hij haar al vluchtend voor de politie probeert te vinden, overdenkt hij zijn leven: ooit was hij een gewone geschiedenisleraar die veranderde in een moordenaar.

    Oktober is de mooiste maand
    Auteur: Johanna Spaey
    Uitgeverij: De Geus

    Een kleine geschiedenis van de (grote) neus

    Caro Verbeek (1980) is kunsthistoricus en geurwetenschapper. In 2021 promoveerde ze op kunsthistorische geuren. Ze werkt als conservator bij het Kunstmuseum in Den Haag en doceert aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Haar boek Een kleine geschiedenis van de (grote) neus is een lofzang op de neus.

    Verbeek leidt de lezer door de geschiedenis, langs grootheden als Rembrandt, maar ook langs speelgoediconen als Barbie. Ook gaat ze in op schoonheidsidealen, zo werden grote neuzen vroeger nóg groter gemaakt, want dat straalde status uit. De neus van Cleopatra blijkt een knap stukje politieke strategie, dodenmaskers werden aangepast (wij zouden nu ‘gephotoshopt’ zeggen) om de neus van de overledenen nóg markanter te doen lijken en zelfs hashtags neemt Verbeek onder de loep.

    Een kleine geschiedenis van de (grote) neus
    Auteur: Caro Verbeek
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Doodsverlangen in een dorp

    Doodsverlangen in een dorp

    Klachten over de jeugd zijn ouder dan Methusalem. Voor onze jaartelling verafschuwden Socrates en Aristoteles al haar spilzucht, betweterigheid en arrogantie. Ook in China deugt de aanstormende generatie nergens voor. Confucius predikt: ‘Je weet niet hoe ze zich ontwikkelen zal.’ Koen Caris heeft een boek geschreven dat die jeugdige wispelturigheid ten volle belichaamt. In de Bildungsroman Stenen eten volgen we de zeventienjarige eindexamenkandidaat Ben, wiens zus Kim zich drie jaar eerder voor de trein heeft geworpen, ze was net achttien geworden. Om duistere redenen verspreidt zich op school een doodscultus, waarin ongegeneerd gedweept wordt met depressie, suïcidale neigingen en destructief gedrag. En bleef het daar maar bij, denken de machteloos toekijkende Ben en zijn vrienden Hettie en Tom.

    Koen Caris trekt alle registers open om de extreme facetten van de adolescentie voelbaar te maken. Zijn geloofwaardige stijl is afwisselend grappig, hoogdravend, soms ronduit lomp. Ook het gevaar van de plattelands verveling krijgt een schrikwekkend gelaat: steeds draagt de landelijke sfeer bij aan een broeierige hysterie in de gemeenschap. Ten slotte verdicht Stenen eten Bens ontluikende verlangen naar Tom, dat wel wat meer is dan kalverliefde. De zelfbewustheid die pubers eigen is, maakt het er niet makkelijker op: ‘… als ik leerlingen hoorde lachen, wist ik zeker dat het over mij ging.’ 

    Puberen in stijl

    Tijdens de puberteit en adolescentie ervaren mensen de grootste hormonale verandering in hun leven. Daarmee zijn aardedonkere en hemelsblauwe gevoelens gemoeid. Caris verwoordt ze origineel en doeltreffend. Aan de vooravond van zijn eindexamen denkt Ben terug aan de gelukkige momenten met zijn zus. Lees hoe deze zoete omschrijving van de omgeving, door subliem binnenrijm, onheilspellend nasmeult: ‘Vanaf de top keken we in de ondergaande zon uit over de voortuinen met het zomerdorre gras, de grijze cirkels as onder de barbecues.’ Een beetje puber vindt zichzelf bovendien spuuglelijk. Ben kijkt in een fotoalbum en smaalt chagrijnig: ‘ik met een gebit van Stonehenge, dan een paar jaar met de dichtgeknepen glimlach van een beugeldrager en ten slotte onwennig grijzend met tanden die te knap zijn voor de rest van mij.’

    Een kniesoor zal de talloze stijlbreuken niet ontgaan. Iemand kijkt ‘ostentatief’ de andere kant op, er klinkt een ‘liturgie der kwetsbaren’ en buurtbewoners voeren een ‘empathisch offensief’ dat Bens moeder ‘reduceerde’ tot Kims daad. Toegegeven, zeventienjarigen drukken zich doorgaans simpeler uit. Maar laten we wel wezen: soms zeggen ze dingen die niet bij hun leeftijd passen. Is de jongvolwassenheid niet dé vleesgeworden stijlbreuk van het leven? Een periode vol ingrijpende momenten, voor wie nog niet de bagage en de ervaring heeft het tijdelijke van heftige emoties in te zien? Ben fantaseert over een nog levende Kim, die met meer levenservaring zou hebben beseft dat ze in haar jeugd ‘dacht dat emoties voor eeuwig waren.’ Adolescenten zijn te oud voor het kindzijn, voor volwassenheid te jong. Daartussen gaapt een kloof van onzekerheid die iedereen naar eigen inzicht overbrugt: ‘vormloze maanden die naar onze enkels happen’. Deze vormloosheid drijft de gemeenschap tot waanzin.

    Ontspoord dorp

    Ben denkt tot gekwordens toe terug aan de zelfmoord van zijn zus en wil geen aansteller zijn, rouwend om Kim. Had hij haar namelijk niet kunnen redden? Hierin speelt zijn schoolomgeving een kwalijke rol: ‘Ik kreeg hun niet uitgelegd dat ik niet zat te wachten op hun verdriet. Dat het al verrot genoeg was zonder dat mensen me bleven vertellen hoe erg ze Kim misten.’ Bens verdriet wordt continu geclaimd en daarmee gesmoord: door Kims vriendinnengroepje of overbezorgde ouders die het voorval op henzelf projecteren. Zelfs leerlingen uit lagere jaren die van toeten noch blazen weten, meten zich een gênant fake levenservaring aan. Bij de herdenking van twee meisjes die zich evenals Kim van het leven beroofden, kotst Ben van hun opgeklopte plichtstatigheid: ‘‘‘Zo waren zij’’, zegt het meisje. De rest knikt ernstig. ‘‘Zo waren zij.’’’ Voor velen vormt de obsessie voor zelfdoding een welkome afwisseling, een interessant verzetje waaraan ze zich kunnen laven en vergapen.

    In de Nederlandse literatuur was verveling op het platteland al eerder de aanjager van boeiende verhalen. Tommy Wieringa situeert Joe Speedboot in het fictieve slaapstadje Lomark, met De Heilige Rita bezingt hij Twente en in beide vertellingen drukt de verveling zwaar op de inhoud. Stenen eten verbeeldt dit niet alleen in bacchanalen, half afgebrande tuinen en het krijsende remmen van een locomotief, maar ook in een ‘bucket list’: mijlpalen die leerlingen afvinken, voor zij zichzelf ombrengen. Hieraan onttrekt Ben zich volkomen en hij zoekt zijn toevlucht tot de bar van Dina, een transgender die doet denken aan Wieringa’s Heilige Rita: ‘Het zijn vooral de dagelijkse drinkers die een onverwachte thuishaven hebben gevonden in het lage barretje naast de velden; de half verdampte mannen die worden weggekeken (…). Dina veroordeelt hen niet.’ Ook Ben voelt zich verstoten door de bekrompen gemeenschap, zij het niet vanwege zijn drankzucht.

    Liefhebben is loslaten

    ‘Het ergste wat ik kan hebben, is hoop,’ aldus Ben over zijn verliefdheid voor Tom. Gedurende zijn bovenbouwjaren cijfert hij zichzelf en zijn gevoelens vakkundig weg. Dat moet ook wel in dat boerengehucht: ‘Er zit iets in het water hier wat ons een zesde zintuig heeft gegeven voor alles wat te ver afwijkt van de norm.’ Toch is dit niet een standaard liefdeslijntje, dat ternauwernood een noodlottig einde afwendt. Caris kiest voor die eeuwig knagende onzekerheid waarmee Ben zichzelf kwelt, maar waardoor de erotiek ironischerwijs opflakkert. Zelfs op het summum van geluk pijnigt hij zichzelf met doemscenario’s en trekt een absurde parallel: ‘als wat nu in het dorp gebeurt stopt, dan stoppen Tom en ik ook. Als iedereen straks wakker schrikt, zal ook hij op de afgelopen weken terugkijken als een koortsdroom, een delier; iets waar je niet te lang bij stil wil staan.’ Als een dolleman klampt hij zich vast aan Tom en leert een levensles uit onverwachte hoek.

    Kims ex-vriendje Jack is persona non grata in het dorp: hij zou haar er wel toe hebben aangezet haar leven te beëindigen. Met één rake zin verklaart Jack waarom de goegemeente hem tot zondebok brandmerkt: ‘… even niet erkennen dat sommige dingen gewoon gebeuren.’ En zo heeft hij Kim tot op de dag van vandaag lief. Hij accepteert dat ze dit nu eenmaal gedaan heeft. De volgende taalkundige uitweiding zegt eigenlijk alles: Caris fileert namens Ben het woord ‘suïcide’ en doet dit als een echte hoorspelschrijver: ‘zo’n formeel woord, met twee chique s-klanken die voor in je mond samen helemaal het heertje zijn. Een woord dat in niets lijkt op zijn betekenis, het tegenovergestelde van een onomatopee.’ Inderdaad. Die benaming is geen klanknabootsing, maar een klankverzwijging. Gelukkig zwijgt Koen Caris niet in zijn taboedoorbrekende Stenen eten.