• Reizen en dromen met Zwier

    Reizen en dromen met Zwier

    Wat doet een reisauteur tijdens een pandemie? Zich omscholen tot volbloed romancier. Meer te weten komen over lucide dromen. Reizen door zijn kamer…
    De kamer van antropoloog, bioloog, geograaf en reisauteur Gerrit Jan Zwier blijkt een museum zelf, met Noorse tijdschriften, reisverhalen, een schelpencollectie. Zwier verbindt vele vakken. Ooit volgde hij colleges meteorologie bij W.F. Hermans. Stof genoeg en een boeiend gegeven: een boek van een reisauteur tijdens de lockdown.

    Boom in een winters bos voert de lezer langs herinneringen, verwijzingen, dagboekfragmenten. Zwier schetst een manier van reizen die dicht bij het romantische levensgevoel ligt: beschouwen en zwerven tegelijk. Een manier die geschiedenis, natuur en kunst samenbrengt.
    De jongeren die tijdens de pandemie feestjes bleven houden of toeristen die niet zonder ‘hun pleziertjes’ konden, krijgen er geregeld van langs. Hun houding contrasteert met de filosofie van Zwier, brompot of niet en zeker geen toerist. Hij steekt zijn mening niet onder stoelen of banken.

    Draden en sporen

    In Boom in een winters bos volgt Zwier een spoor van landschapsschilders zoals Johan Christian Dahl en van de Noorse trollentekenaar Theodor Kittelsen. Hij vertelt over schilderijen, plaatsen, muziek en een enkele schrijver van de noordelijke romantiek. Ook Grieg en Ibsen passeren de revue. Corona vormt een spanningsboog door het boek heen. In dagboekfragmenten brengt Zwier verslag uit van de pandemie. Dat doet vaak opschrikken uit de dromerige romantiek van een ver verleden of een uitgestrekt landschap. Het heden vormt een boeiende dialoog met de romantiek van het verleden. Ook de lockdown noopt tot verlangen, maar een ware romanticus als Gerrit Jan Zwier kan daarmee omgaan.

    De auteur geeft aan dat hij zelf maar half de manier begrijpt waarop allerlei zaken uit zijn verleden en binnen zijn interesses met elkaar samenhangen: Tolkien, Kuifje, Eric de Noorman, Heer Bommel, trekvogels, hunebedden, landschapsschilders, Boudewijn Büch, Paaseiland, Slauerhoff, antropologie, reisboeken, Faust. Soms zijn de sprongen in de draden en sporen groot en blijft onduidelijk waar het verhaal heengaat, want als lezers zijn wij gewoon om vakken gesegmenteerd op een bordje te krijgen. De verbindingen die Zwier legt zijn reispaden. Soms verdwaalt hij in zijwegen – ‘nog een terzijde’ – maar gaandeweg lijkt alles op zijn plaats te vallen en volgt het gevoel een groot schilderij langs alle kanten en door vele lagen te hebben bekeken.

    Facetten van de romantiek

    Zwier belicht de noordelijke romantiek in vele facetten. Hij toont aan dat Hans Christian Andersen, tijdens zijn leven versmaad door zijn landgenoten, met hart en ziel thuishoort in de negentiende-eeuwse romantiek. Andersen was een gekwelde kunstenaar bij wie de spreuk ‘Nooit hier, altijd daar’ paste. Hij was ijdel en bitter maar niet nationalistisch.

    ‘De faustische mens staat open voor de donkere regionen in zijn ziel. Hij is de eenzame wolf die de grenzen van zijn mogelijkheden opzoekt. Net als de wijngod Dionysos is hij afkerig van het gematigde, apollinische denken, dat streeft naar harmonie,’ schrijft Zwier. Het begrip ‘faustisch’ duikt ook op in De ondergang van het Avondland, van Oswald Spengler. Zwier haalt er Jan de Vries bij, de germanist en volkskundige die een hekel had aan de moderne tijd en de oude plattelandscultuur zag verdwijnen. Hij zocht zijn heil, zoals wel meer volkskundigen destijds, bij de ideologie van de nazi’s.

    Romantische schilders wilden het echte, ongerepte landschap vastleggen. Een nationaal-romantische schilder moest niet zozeer een spiegelbeeld van de werkelijkheid weergeven als wel doordringen in wat eigen en oorspronkelijk is. Een ware romanticus zoekt de eenzaamheid en grootsheid van de wilde natuur, en als die niet voorhanden is, stelt hij het platteland boven de stad. Zwier kaart, gedocumenteerd door verschillende bronnen, ook de valse verheerlijking van het platteland aan, met haar vaak starre en onbeschaafde mentaliteit. Er bestaat ook een noordelijke romantiek die aanschurkt tegen de rechtse ideologie.

    De romantiek die Zwier vooropstelt, lijkt onschuldiger. Het is die van de dromer die met een schetsboek en veldfles door het landschap trekt. Gedreven door Wanderlust, het diepe verlangen om door de natuur te trekken. Zelf reisde Zwier dikwijls al liftend, lopend, kamperend. Hij ging op zoek naar afgelegen eilanden, vuurtorens, hunebedden, natuurschilderingen, dichtregels vol verlangen en verhalen over avonturiers en Einzelgängers. Doet dit niet denken aan het schilderij De wandelaar boven de nevelen van Caspar David Friedrich?

    Al toont Zwier zich zelf geen nationaal-romanticus, soms laat hij dubieuze ballonnetjes op: ‘Ik kon er maar moeilijk aan wennen dat je zelfs in Lapland groepen zwaar gesluierde vrouwen tegenkwam. Soms heb je het idee dat al dat goedbedoelde laisser-faire rijkelijk naïef is, of het nu om asielzoekers of corona gaat.’ Hij vertelt dat er twee donkere vrouwen met hoofddoekjes zijn boeken op een marktje links laten liggen omdat ze geen connectie met de Nederlandse cultuur hebben. Hun interesse wordt wel gewekt door de kraaltjes van zijn buurvrouw. Zwier was ook in De dwaze eilanden al bezig met botsingen tussen beschavingen.

    Feit, verbeelding en verzinsel

    Interessant is de link die Zwier legt tussen kunst en wetenschap. Dat geeft stof tot nadenken, zeker met corona op de achtergrond en lieden die het virus en de wetenschap minimaliseren of ontkennen. De vaak getrouwe weergave van de natuur op romantische schilderijen, soms magischer gemaakt om een spiritueel effect te bereiken, bevat ook een grote kennis, zo betoogt de auteur.
    Ook als hij over trollen en andere verzinsels vertelt, is dat doordacht. Hij zegt niet steeds iets letterlijks, maar door de compositie van feiten en beschouwingen reikt hij inzichten aan, bijvoorbeeld over fictie en werkelijkheid.

    Op de achtergrond van zijn beschouwingen over het noorden maken complotdenkers steeds vaker furore. Voor hen is corona een verzinsel. In dat licht krijgen de kobolden, trollen en elfen plots een nieuwe betekenis. Zij komen vaker voor op het platteland en in uitgestrekte landschappen. Trollen verstenen bij het zonlicht. Ook complotdenkers en hun aanhang lijken rigide en versteend. De verzonnen mythische wezens met hun grimassen zijn een uitdrukking van realistisch gedrag.

    Zwier merkt ook op dat Andersen en zijn sprookjes vroeger werden verguisd en pas veel later nationaal geroemd. Met sprookjes werd gelachen, terwijl Denen nu in verzinsels van complotdenkers trappen…  Wel vaker toont Zwier het weefsel van geschiedenis, wetenschap en mythen. Soms verwijst hij naar zijn andere werk. Dat komt soms zelfgenoegzaam over, later blijkt het informatief en een oprecht verslag van een zoektocht in de reis door zijn kamer.

    Het omslag van het boek is een schilderij van Peder Balke (1804-1887) over wie Zwier ook al eerder schreef, met als titel Boom in een winters bos. Balkes werk werd sterk beïnvloed door Johan Christian Dahl en Caspar David Friedrich. Het kijken naar een schilderij heeft vaak dezelfde meditatieve uitwerking als kijken naar een landschap of naar een hunebed in dat landschap, zegt Zwier. Vaak probeert hij de verbeelding te vergelijken met de realiteit. ‘Nadat we door een stoppelveld rond de tuin zijn gelopen staan we opeens oog in oog met de inspiratiebron van het beroemdste schilderij van Lundbye.’

    Het romantische levensgevoel laat zich niet zo makkelijk definiëren. ‘Het gaat daarbij om sfeer en herkenning,’ concludeert Zwier. ‘Wie met een onverschillige blik naar het maanverlichte hunebed van Carus op Rügen kijkt, hoeft zich verder niet in de romantiek te verdiepen, of die nu noordelijk is of niet.’ Lees Boom in een winters bos. Het met subtiele ironie geschreven boek is een boeiende reis.

     

     

  • Oogst week 48 – 2022

    Wulk – Vallen – Opstaan

    Myrte Leffring (1973) is dichter, hoofdredacteur van poëzietijdschrift Awater en geeft schrijfcursussen poëzie. Van haar hand verschenen gedichten in diverse tijdschriften en zij treedt op festivals en andere podia op met het lezen van haar werk, al of niet begeleid door een pianist. In 2015 verscheen haar debuutbundel Om je schouders hang ik de nachten, en in 2016 haar tweede bundel, De tere bloemen van het verstand.  

    Uitgeverij De Meent heeft nu een tweeluik van Leffring het licht doen zien, waarvan het ene boek, Vallen, een roman is en het andere, Opstaan, een poëziebundel. Ze vertellen hetzelfde verhaal. De twee paperbacks zijn samengevoegd in een kartonnen stofomslag. De roman is Leffrings prozadebuut.

    De onbewogen advocaat Lea Noorderveen krijgt een bericht van haar jongere zus Kim met wie ze al jarenlang geen contact meer heeft. Twintig jaar eerder verdween hun moeder tijdens een zomervakantie in Normandië. Lea heeft een drukke baan met een mooi kantoor en een ruim appartement en heeft de herinneringen en gevoelens over het gebeuren in Normandië effectief weten te verdringen. Door het hernieuwde contact met Kim wordt duidelijk waarom de zussen elkaar zo lang niet hebben gezien en welke rol hun vader, die het gezin had verlaten, heeft gespeeld. Vallen vertelt het verhaal, Opstaan gaat over wat er is verzwegen. De hoofdstukken en gedichten kunnen apart gelezen worden maar ook gelijklopend aan elkaar.

    Wulk - Vallen - Opstaan
    Auteur: Myrte Leffring
    Uitgeverij: Uitgeverij De Meent

    Licht in het duister – Veertien historische miniaturen

    In de novelle-achtige vertellingen uit Licht in het duister van Stefan Zweig (1881-1942) staat steeds een bijzondere historische “persoonlijkheid” centraal, waaronder Cicero, Händel, Dostojevski en de Marseillaise, aan de hand waarvan Zweig historische momenten in de geschiedenis belicht.

    Zweig zegt dat als er in de kunst een genie opstaat, dit zijn tijd overleeft en lotsbepalende momenten in de geschiedenis teweegbrengt die grote invloed op de mensheid hebben. Hij noemt dat kantelmomenten of Sternstunden ‘omdat ze al schitterend en onveranderlijk als sterren de nacht van de vergankelijkheid verlichten’. Ze zijn bij toeval ontstaan en voor tientallen of honderden jaren ‘van beslissende betekenis’, zo staat in het voorwoord te lezen.

    Stefan Zweig was een echte Europeaan, ingebed in het Europese culturele en intellectuele leven. Europa was voor hem één gemeenschappelijk en samenhangend cultuurgebied en hij reisde er haast onafgebroken in rond. Zo bezocht hij onder meer Nederland, België, Zwitserland, Duitsland, Italië en Groot-Brittannië.

    Zijn literaire productie is groot. Zweig schrijft novellen, romans, essays, gedichten en artikelen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werkt hij een tijdje als correspondent in het neutrale Zwitserland. Als in 1933 de nationaalsocialisten in Duitsland aan de macht komen verhuist Zweig, van Joodse afkomst, naar Londen. In 1941 vertrekt hij met zijn vrouw naar Brazilië. In 1942 kiest het echtpaar voor de vrijwillige dood, uit verdriet over de vernietiging van Europa, dat nooit meer zou zijn zoals het was.

    Licht in het duister - Veertien historische miniaturen
    Auteur: Stefan Zweig
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer

    Ruimte

    Meer dan een miljoen Nederlanders wil een boek schrijven. Uitgeverij Atlas Contact geeft voor hen de reeks ‘De literaire gereedschapskist’ uit, waarin nu de delen Tijd en Ruimte zijn verschenen. Eerder dit jaar al verscheen Plot. Schrijver ervan is Louis Stiller, onder andere redacteur, journalist en schrijver van essays, scenario’s en non-fictie. Hij ontwikkelde ‘De Schrijfbibliotheek’, een serie waarmee diverse schrijvers hun vakmanschap en schrijfinzicht kunnen verdiepen en vergroten.

    Een verhaal vertellen kan op veel manieren. In Tijd behandelt Stiller structuren als de cirkelvertelling, het lineaire verhaal, de spiraalvorm en andere. Hij besteedt aandacht aan het tempo, welke uitwerking heeft welk tempo, aan de wijze waarop flashbacks en flashforwards worden gebruikt en de mate waarin je deze elementen met elkaar kunt verweven.

    In Ruimte stelt hij aan de orde wat het belang is van de omgeving, hoe landschap het verhaal sfeer kan geven, waarom de binnen- en buitenruimte ertoe doet. Hoe kan de ruimte het drama in het verhaal versterken?

    De Schrijfbibliotheek richt zich op de middelen waarvan de schrijver zich bedient: personages, scènes, plot, tijd, ruimte en showing of telling. De boeken uit deze serie zijn voorzien van voorbeelden en tips uit de wereldliteratuur, uit films en andere verhalende kunsten en bevatten interviews met gerenommeerde schrijvers.

    Ruimte
    Auteur: Louis Stiller
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Relevant, sappig en genuanceerd

    Relevant, sappig en genuanceerd

    Recensie door Peter Samuel

    In zijn nawoord begint essayist en historicus Ian Buruma onmiddellijk met een overduidelijke boodschap: ‘Het was niet mijn bedoeling om Kawashima Yoshiko, Felix Kersten en Friedrich Weinreb te veroordelen omdat ze slechte mensen zouden zijn. Daarvoor is het te laat’.

    Genoemde hoofdpersonen in De fantasten lijken op het eerste oog nauwelijks iets met elkaar gemeen te hebben, maar toch. Het ‘Oosterse Juweel’ (bijnaam van Mantsjoeprinses Yoshiko), de ‘magische Boeddha’ (bijnaam van Himmlers privémasseur Kersten) en de Joodse immigrant, van de gelijknamige affaire (Weinreb) brachten ieder op hun beurt tijdgenoten en historici op een dwaalspoor. Zij maakten door in hun eigen verhalen te geloven bedrog tot zelfbedrog. Buruma is er uitstekend in geslaagd om hun levens, waarin de Tweede Wereldoorlog een hoofdrol speelt, met elkaar in verbinding te brengen.

    ‘Het geheugen en beoordelingsvermogen van de mens zijn niet onfeilbaar…’

    Scherpe analyse en subtiele ironie

    Ian Buruma, geboren op 28 december 1951, is een Nederlandse sinoloog, japanoloog en publicist. Hij wordt geroemd om zijn eruditie en beschouwende publicaties. In 2008 ontving hij de Erasmusprijs, in 2018 de Gouden Ganzeveer. Volgens de jury van de Erasmusprijs wordt het werk van Buruma gevoed door een fascinatie voor de wereld aan gene zijde van de burgerlijke bekrompenheid en door ondogmatisch, kritisch denken. Buruma ziet zichzelf meer als beschouwend schrijver dan als activist. Hij hanteert in zijn schrijfstijl een scherpe analyse, waarin zowel identificatie als distantie een plaats vinden, doordrenkt met subtiele ironie. Al deze kenmerken zijn in De fantasten terug te vinden. Hij heeft het boek in de Engelse taal geschreven, onder de oorspronkelijke titel The Collaborators. De Nederlandse vertaling – onder de kennelijk ‘neutralere’ titel – is van de hand van Arthur Wevers.

    Het centrale thema in het oeuvre van Ian Buruma is de Tweede Wereldoorlog. Hij beluisterde van jongs af aan zijn vaders verhalen die was ondergedoken, opgepakt, bombardementen overleefde en aan executie ontsnapte. Na zijn eerdere werken, waaronder 1945, Biografie van een jaar, lag het voor de hand dat hij voort zou gaan met schrijven over zijn fascinatie voor de Tweede Wereldoorlog, het drama dat hij zelf nooit heeft meegemaakt. In De fantasten weeft hij in tien hoofdstukken de levensverhalen van drie bijzondere, wonderlijke figuren ineen.

    ‘De wonderlijke levens van Kersten, Kawashima en Weinreb bevatten wel elementen die de verhalen van veel collaborateurs kenmerken: hebzucht, idealisme, sensatiezucht, machtshonger, opportunisme en zelfs de niet altijd misplaatste overtuiging dat ze ook iets goeds deden.’

    Historische les

    Om Friedrich Weinreb kon Buruma vanuit zijn wantrouwen over het tijdperk van verzetshelden en collaborateurs sowieso niet heen. Deze Joodse immigrant liet Joden in Den Haag geloven dat hij hen tegen betaling voor deportatie kon behoeden. Uiteindelijk heeft hij een aantal aan de Duitse politie verraden, hetgeen Buruma nauwkeurig weet te verwoorden. De tweede persoon die de schrijver in beeld brengt, Kawashima Yoshiko, gaf hij in The China Lover een bijrol. In De fantasten staat deze beeldschone Chinese prinses centraal. Zij was spionne voor de Japanse geheime dienst, had affaires met hoge officieren, maar doste zich soms ook als man uit. Haar haast mythische status leverde de sluwe heldin, tegelijkertijd verraadster, de bijnaam ‘Mata Hari van het Oosten’ op. Met de derde hoofdpersoon, Felix Kersten, houdt Buruma zich al langer bezig. Hij schreef eerder in krantenartikelen over deze persoonlijke masseur van Heinrich Himmler, als zijnde een voorbeeld van vele oplichters, die tot de achterkamertjes van de macht wisten door te dringen.

    Ian Buruma heeft met De fantasten een historische les over de betrekkelijkheid van identiteit en over de kijk op het verleden geschreven. In zijn analyses, even sappig als genuanceerd, onderscheidt hij op zorgvuldige wijze feiten, waarschijnlijkheden en beweringen. Het boek is een boeiende reconstructie van verhalen over drie verguisde en gemythologiseerde figuren. Engelen of duivels? Leugens of zelfbedrog? Ook in onze tijd zijn dit soort verhalen over collaborateurs c.q. fantasten onmisbaar om te begrijpen hoe gemakkelijk het is om geweld en ongekend lijden door de vingers te zien. Het is een les van en voor alle tijden, die door Ian Buruma in De fantasten op voortreffelijke wijze is gecomponeerd.

     

     

  • Elizabeth Finch blijft onbekend

    Elizabeth Finch blijft onbekend

    Julian Barnes is met zeventien boeken op zijn naam een van de grootste Britse schrijvers van deze eeuw. Voor The Sense of an Ending (Alsof het voorbij is in Nederlandse vertaling van Ronald Vlek) kreeg Barnes in 2011 de Man Booker Prize voor fictie. Zijn ideeëngoed en onderwerpen grenzen aan een intellectuele en erudiete bagage, die resulteren in literatuur met een grote L. Dat geldt ook voor zijn voorlaatste roman, De man in de rode mantel, een levendig verhaal over de baanbrekende chirurg Samuel Pozzi in het Parijs van de Belle Epoque. Barnes vergelijkt daarin de Britse met de Europese cultuur. 

    Barnes’ laatste roman Elizabeth Finch valt ook onder het kopje erudiet en intellectueel, filosofisch wellicht ook. Maar op de een of andere manier werkt het dit keer niet. Neil, de verteller van het verhaal, volgt een cursus ‘cultuur en beschaving’ bij professor Elizabeth Finch. Vanaf dag een is hij in de ban van de veel oudere vrouw, hij wordt zelfs verliefd op haar en ze sluiten (een platonische) vriendschap. De cursus is allang afgelopen, maar de volgende twintig jaar gaan ze regelmatig samen lunchen, altijd in hetzelfde Italiaanse restaurant, en zij betaalt. 

    Wijsheden en oneliners

    Elizabeth Finch leert haar volwassen studenten onafhankelijk te denken en wijst hen, volgens Neil, ‘elegant de weg naar het voor de hand liggende.’ Tussen neus en lippen door worden tal van wijsheden door haar aangereikt, zoals ‘acteren is het perfecte voorbeeld van kunstmatigheid die authenticiteit voortbrengt’. ‘Mislukking kan ons meer vertellen dan succes.’ ‘Beledigingen komen het vaakst voor wanneer een ruzie verloren gaat.’ ‘Anarchisme heeft een zekere intellectuele aantrekkingskracht, maar realistisch gezien zou het nooit werken.’

    De eerste veertig bladzijden geeft Neil een karakterschets van de vrouw, die ontegenzeggelijk intrigerend, mysterieus en geleerd is, maar we leren haar niet echt kennen. EF, zoals Neil haar noemt, blijft een personage dat oneliners ventileert, en de ene keer is ze empathischer dan de andere keer. Een van haar stokpaardjes gaat over begrippen waar mono voorstaat. ‘“Monotheïsme,” zei Elizabeth Finch. “Monogamie, monotonie, wat zo begint kan niet goed zijn.” Ze zweeg even. “Monogram – een teken van ijdelheid. Monocle idem. Monocultuur – een voorbode van de dood van het rurale Europa.”’ Monotheïsme zou het einde van onze cultuur hebben ingeluid, zo laat Barnes Finch vertellen.

    Neil’s essay

    Ondertussen geeft Neil ook een beeld van zichzelf. Bedoeld als zelfspottend staat hij bekend als de man van de mislukte projecten, heeft hij drie kinderen bij verschillende vrouwen, heeft hij iets vaags als acteur gedaan. En zoals het een echte Engelsman betaamt, doet hij zichzelf als minder voor dan hij is. 

    Tijdens de cursus wordt van de studenten verwacht dat ze een essay schrijven, maar Neil lijdt aan uitstelgedrag. Als EF jaren later overlijdt blijkt Neil haar boeken en notities te hebben geërfd en ontmoet hij Elizabeths broer. Pas in en na deze passages komt EF vreemd genoeg meer tot leven dan voorheen. Neil wordt opnieuw met haar geconfronteerd en gaat op zoek naar haar verborgen leven en overweegt zelfs haar biografie te schrijven. Niet gemakkelijk, want hij heeft weinig houvast aan haar papieren, behalve dat er aanwijzingen zijn voor een obsessie met Julianus de Afvallige, de enige Romeinse keizer die nooit een voet in Rome heeft gezet. 

    Neil besluit postuum het essay te schrijven over Julianus de Afvallige. Dit essay is integraal opgenomen in het boek en beslaat deel twee. Het is een taai, maar niet oninteressant stuk over deze laatste ‘heidense’ Romeinse keizer, die twintig maanden rond 363 heerste. Hij verloor zijn leven op het slagveld, uitroepend: ‘Gij hebt overwonnen, o bleke Galileeër.’ De bleke  Galileeër was Jezus van Nazareth, ‘waarmee Julianus de overwinning van het christendom over het heidendom erkende.’ Over Julianus is veel gepubliceerd, schrijft Barnes in Neils essay, en hij staat te boek als een empathisch staatsman, bekend om ‘vervolging door middel van zachtaardigheid’. Door de tijden heen heeft hij veel schrijvers en denkers beïnvloed die schreven over de opkomst van het christendom in Europa. Hij was Elizabeth Finch’s grote voorbeeld en daarom schreef Neil dit essay, omdat EF en keizer Julianus zelfs op elkaar zouden lijken.  

    Als lezer verlang je naar iets stouts

    In het derde en laatste deel zijn we terug bij Neil en zijn herinneringen aan EF, ze zou betrokken zijn geweest bij een schandaal, Neil praat met andere oud-studenten over haar, wat hem meer inzichten geeft over wie ze was. Als lezer verlang je naar iets stouts, een misstap van Finch of Neil, een stevige affaire, maar het blijft allemaal erg fatsoenlijk, behalve dat Elizabeth rookt als geen ander. En wie ze eigenlijk was, of niet was, mag je als lezer zelf uitvinden. 

    Barnes laat zijn personages discussiëren en stellingen poneren over cultuur en beschaving, heel legitiem binnen de cursus die EF geeft en hij reikt daarmee de lezer de nodige stof tot nadenken aan. Daarmee is Elizabeth Finch een ideeënroman, al zal de auteur voor dat etiket wellicht zijn neus optrekken. Zijn lezers boeien hem niet, wat jammer is omdat hij ze daardoor op afstand houdt. 

     

  • Van droomfabriek naar nachtmerrie

    Van droomfabriek naar nachtmerrie

    No good deed goes unpunished, luidt het bekende Engelse gezegde. Dat zou een goede ondertitel zijn voor De droomfabriek, geschreven door Gerwin van der Werf (1969). Van der Werf, behalve auteur ook muziekdocent op een middelbare school, liet eerder in zijn succesvolle roman Strovuur al zien dat hij zich goed in jongeren kan verplaatsen. In De droomfabriek gaat hij nog een stap verder: dit boek gaat niet alleen over jongeren, maar ook over degenen die deze jongeren iets bij proberen te brengen – hun leraren.

    De tweeëndertigjarige Josie, die geen onderwijsbevoegdheid heeft, wordt aangenomen als docent wiskunde. De dag na haar sollicitatiegesprek moet ze al beginnen, terwijl ze nog geen schoolboek heeft gezien. Haar eerste les begint chaotisch: ‘“Het is hier fokking warm mevrouw, ik ga hier echt niet zitten.”
    “Gatverdamme, het stinkt hier.”
    “Jij stinkt zelf gast, je hebt zeker een dampoe gelaten.”
    “Hebben we buiten les? Wij gaan hier niet zitten hoor.”
    “Wiskunde is echt zooo kut.”
    Twee jongens begonnen te vechten […].’

    Thuissituaties leerlingen

    Deze stijl doet denken aan de onderwijsklassieker De aftrap op van Bel Kaufman, waar de eerste les van de kersverse docent vol goede bedoelingen exact hetzelfde begint. Ook schetst zowel De aftrap op als De droomfabriek een beeld van het onderwijs door verschillende leraren aan het woord te laten, van de hoopvolle docenten die in iedere leerling wat goeds zien tot een leraar die een klas ‘een open inrichting’ noemt. Tevens krijgen de leerlingen een stem, bijvoorbeeld via ingeleverde opdrachten. In De aftrap op is er echter een stijgende lijn zichtbaar: de docent raakt bevriend met collega’s en voelt uiteindelijk zelfs waardering van haar leerlingen.

    De droomfabriek verloopt anders. Het verhaal begint relatief onschuldig met Josie die zich zorgen maakt over haar leerlingen, omdat ze in de rook van een fabriek wonen, omdat ze geen fijne thuissituatie hebben en omdat de gymleraar wel erg veel belangstelling voor de meisjes lijkt te hebben. Ze fietst zelfs naar het appartement waar Carmen uit klas 3A met haar moeder woont en loopt Carmens kamer binnen om met haar te praten. Hiervoor krijgt ze complimenten, want op deze school gaan ze nét een stapje verder in leerlingenbegeleiding. Later wil Carmen bijles – bij Josie thuis.

    Leerling slimmer dan leraar

    Van wiskunde komt er weinig. De twee maken foto’s voor Carmens zestigduizend volgers op Instagram. Josie maakt ook een account voor zichzelf. Dat is meteen het enige stukje van De droomfabriek dat niet geloofwaardig is: voor iemand van pas tweeëndertig jaar is Josie wel heel onhandig met sociale media. Langzaam ontspoort het contact tussen Carmen en Josie verder, van blowen tot logeerpartijen: ‘“Echt weird,” zei Carmen.
    “Wat?”
    “Dat ik op de slaapkamer van een leraar ben.”
    “Denk er maar niet te veel over na.”’

    Uit het bovenstaande citaat blijkt dat de leerling slimmer is dan de leraar, de grenzen beter herkent. Dat is niet de enige kritiek binnen De droomfabriek op het onderwijs: zo kan Josie haar gang gaan. Daarnaast staat ze onbevoegd voor de klas, hebben de lokalen niet eens een smartboard en lopen er leerlingen rond voor wie geen plaats is op het speciaal onderwijs.

    Het meest beklemmende is de herkenbaarheid. Iedere beginnende docent heeft radeloos voor een klas gestaan waar van alles gebeurde behalve wat de docent in gedachten had. Iedere docent maakt zich zorgen over leerlingen. Iedere docent wil helpen. Op de lerarenopleiding – in ieder geval op de opleiding die deze recensent volgde – wordt geen aandacht besteed aan grenzen. Op de school waar Josie werkt wordt het overschrijden van de eerste grens (het bezoek aan Carmen op haar kamer) als iets goeds gezien. Josie beseft pas wat er aan de hand is als het te laat is, als ze tegen anderen liegt over haar contact met Carmen.

    Een finale die je bijblijft

    Doordat Van der Werf veel nadruk legt op Josies goede intenties, leef je met haar mee en hoop je tot op zekere hoogte zelfs dat ze niet in de problemen zal raken. Dit zorgt voor een zekere nuance binnen een beladen onderwerp. Ook de humor en de stereotype collega’s van Josie maken vooral de eerste helft van de roman niet te zwaar. Zeker wanneer Josie lesgeeft, is de sfeer energiek en levendig. Deze combinatie met het naderende onheil maakt De droomfabriek ongelooflijk spannend. Van der Werf houdt zich niet in en eindigt met een misselijkmakende finale die je dagenlang bijblijft.

    Dit boek is niet alleen een waarschuwing, het is ook een ode aan degenen binnen het onderwijs die positief blijven en hoop houden, iedere dag weer. Het is een ode aan de grappige, onzekere, gretige of juist opstandige leerlingen. Het is een actueel verhaal in de nasleep van #MeToo dat mogelijkheden biedt tot een gesprek, tot het verscherpen van je eigen grenzen. Een onderwerp dat nog niet uit de taboesfeer is, terwijl er op iedere school verhalen of vermoedens rondgaan. Jeugdboekenauteur Helen Vreeswijk schreef ooit: ‘Lezen is weten. Weten is herkennen. Herkennen is voorkomen.’ De droomfabriek zou verplicht moeten zijn voor iedereen die leraar is of dat wil worden.

     

     

  • Oogst week 27 – 2022

    Alles echt gebeurd

    ‘Echt gebeurd is geen excuus’, beweerde Gerard Reve ooit. Het is ook de Nederlandse titel van een verzameling anekdotes van Heinrich von Kleist die onlangs verscheen. Er wringt iets tussen fictie en waarheid: blijkbaar is er behoefte aangetoond te zien dat het onwaarschijnlijke tóch waar is (vergelijk ook de titel van het laatste boek van Frank Westerman, Te waar om mooi te zijn). Omgekeerd zijn we vaak nieuwsgierig naar verbanden tussen de roman van een schrijver met zijn eigen leven. Jeroen Brouwers moest niets hebben van dat neuzen naar autobiografische verwijzingen in zijn romans. Amper een maand na zijn dood is nu toch Alles echt gebeurd verschenen. Het is een verzameling teksten waarin Brouwers het heeft over zijn eigen leven, verhelderende teksten die ‘niettemin alle gelogen zijn’:
    ‘Ik ben steeds een buitenbeen geweest, mijns ondanks een outsider, steeds ‘anders’ dan mijn omgeving. Waar ik was, sprak men een andere taal dan de taal die ik sprak, in letterlijke en in figuurlijke zin. Hoe gangbaar mijn lichaam, mijn geest en mijn karakter ook zijn, ik pas op een of andere manier niet in het bestaan dat voorbestemd was het mijne te worden. Waar ik kom, wek ik agressie op omdat ik er niet bij hoor. Ben ik hier, hoor ik eigenlijk daar. Ben ik daar, heb ik heimwee naar hier. Steeds heimwee, maar ik weet niet meer waarnaar. Steeds zwerven, al kom ik al jaren nog nauwelijks mijn tuintje uit. Hoewel in volle vrijheid, voel ik mij gevangen. Hoewel in het genot van alles wat het hartje begeert, toch met zo goed als niks tevreden of blij. Wil ik deelnemen aan ‘de revolutie’, ‘de revolutie’ is net voorbij. Zo is mijn leven’

    Alles echt gebeurd
    Auteur: Jeroen Brouwers
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Je krijgt van mij een wit paard cadeau

    Amalia de Tena werd geboren in Mérida, studeerde Spaanse taal en letterkunde in Barcelona, maar woont al lang in Nederland. Op haar 64ste komt ze met haar debuutroman:  Je krijgt van mij een wit paard cadeau voert de lezer naar haar geboorteland onder Franco.
    Ze kwam tot schrijven omdat ze maandenlang niet kon praten ten tijde van een behandeling wegens stembandkanker. Ze keerde op papier terug naar het meisje van acht dat ze eens was. In de roman is dat Ana, het zusje van María del Mar. Hun vader is bezeten van geld. Eens zal hij volgens hem de hoofdprijs winnen in de loterij: ‘Papa, María del Mar en ik zijn er dus zeker van dat wij dit jaar de hoofdprijs gaan winnen.
    Nadat hij de borden had weggeruimd, vroeg papa mij fluisterend wat ik als cadeau wilde krijgen. Dat had ik al lang geleden bedacht.
    ‘Ik wil een wit paard’, zei ik.
    ‘María del Mar heeft ook een wit paard gevraagd’, zei hij.
    We spraken af dat papa haar zou overhalen om een zwart paard te kiezen, zoals Furia van televisie. Dat van mij zou Terry heten, net als het paard dat in de bioscoop reclame maakte voor cognac’.
    Later, wanneer Ana volwassen is en haar familie financieel ten gronde is gegaan, zal ze de geschiedenis van haar vader moeten herschrijven.

    Je krijgt van mij een wit paard cadeau
    Auteur: Amalia de Tena
    Uitgeverij: Ambo/Anthos

    De kwestie van de grilligheid van de verloren tijd

    Ook in De kwestie van de grilligheid van de verloren tijd van Rune Christiansen wordt de lezer meegenomen in de beschouwingen van een jonge vrouw, Norma, dertig jaar, over haar eigen leven en dat van haar (gescheiden) ouders. En ook hier een paard dat haar gedachtestroom op gang brengt. Terwijl Norma op haar vader staat te wachten ziet ze in de verte een wazige verschijning van een ruiter op een paard. Wie is die ruiter? Wat is de betekenis van dit beeld? Vragen die Norma zich stelt, gevoelig als zij is voor tekenen die wijzen op geheimen.
    Opvallend is dat het de derde roman is van deze Noorse schrijver, een man, waarin hij zich verplaatst in het hoofd van een vrouw. In De eenzaamheid in het leven van Lydia Erneman was dat een vrouwelijke dierenarts en in Fanny en het mysterie in het treurende bos een dromerige pubervrouw.

    De kwestie van de grilligheid van de verloren tijd
    Auteur: Rune Christiansen
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Oogst week 20 – 2022

    De doden houden we bij ons – Een moord op Harvard en een halve eeuw stilzwijgen

    Aan de prestigieuze en conventionele Harvard Universiteit studeert in 1969 Jane Britton, een jonge vrouw die geheel volgens de dan heersende cultuuromslag een ongebonden leven leidt. Aan de universiteit wordt ze met haar studie archeologie nauwelijks serieus genomen – net zo min als andere vrouwelijke studenten. Op een dag wordt ze vermoord aangetroffen.

    De omstandigheden zijn duister, onderzoek faalt en een dader wordt nooit aangehouden. Maar de geruchten en roddels zijn veertig jaar later nog niet verdwenen. Jane zou vermoord zijn door haar hoogleraar antropologie, tevens haar minnaar, tijdens een mysterieus ritueel.

    Als Becky Cooper aan Harvard gaat studeren raakt ze geïntrigeerd door het verhaal. De hoogleraar loopt vrij rond. Na haar studie werkt Cooper onder meer als redacteur bij The New Yorker. Ze houdt zich ook bezig met onderzoeksjournalistiek en omdat de dood van Jane Britton haar niet loslaat keert ze terug naar Harvard om de onopgeloste moord te onderzoeken.

    Tien jaar lang speurt ze naar wat er is gebeurd en legt haar bevindingen vast in De doden houden we bij ons. Het resultaat is een verbijsterende inkijk in de al eeuwenlang vastliggende machtsverhoudingen binnen een elite-instituut. Jane Britton leren we kennen als een vrouw die droomde van gelijkwaardig functioneren in een mannenbolwerk.

     

    De doden houden we bij ons - Een moord op Harvard en een halve eeuw stilzwijgen
    Auteur: Becky Cooper
    Uitgeverij: De Geus

    De jacht op het snoekje

    De Finse journalist Juhani Karila (1985) won met zijn debuutroman De jacht op het snoekje meteen twee prijzen en was voor een derde genomineerd. Het boek kwam in 2019 in Finland uit en is inmiddels in dertien andere landen verschenen, waaronder nu Nederland.

    De jacht op het snoekje is een noodlottig liefdesverhaal gecombineerd met magische natuur en een zonderling avontuur. In het oosten van Lapland, waar haar geboortehuis zich bevindt, gaat Elina Ylijaako in drie dagen tijd proberen om volgens de jaarlijkse traditie een snoek te vangen. ‘Een ongelukkige opeenvolging van gebeurtenissen had ertoe geleid dat Elina de snoek ieder jaar vóór 18 juni uit het ven moest halen. Haar leven hing ervan af.’
    Uit het meertje waarin de snoek verblijft, verrijst een watergeest die van wat een eenvoudige opdracht leek een ijzingwekkend avontuur maakt. Elina raakt betrokken bij een magische wereld en mysterieuze wezens die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Zelf wordt Elina gezocht voor moord. Een vloek uit haar verleden moet worden verbroken om haar te redden van een strijd op leven en dood.

    Finse en buitenlandse recensenten reppen van grote fantasie en humor, van originaliteit en virtuositeit, van een verbluffend detectiveverhaal.
    Voor De jacht op het snoekje publiceerde Juhani Karila twee verhalenbundels.

    De jacht op het snoekje
    Auteur: Juhani Karila
    Uitgeverij: Koppernik

    Hebben en zijn

    Malodot is dood. Maar toch niet helemaal. Na een auto-ongeluk waarbij hij overlijdt verhuist hij niet meteen naar het land der doden. In Hebben en zijn van Dimitri Verhulst blijkt hij te zijn beland in een ontwenningskliniek om af te kicken van het leven. Pas als dat is gelukt zal Malodot volledig dood zijn.

    Hij deelt een kamer met drie andere bijna-dode mannen. De ene heeft een lamme linkerarm en ‘een tong die ietwat lusteloos uit zijn mond hangt, als wasgoed uit het raam om te drogen.’ De volgende heeft brandwonden, de meeste in zijn gezicht en meldt: ‘Terpentine op de barbecue is nooit een goed idee.’ En de derde heeft een oog dat met een 9 mm Luger is doorboord door een echtgenoot van wie hij de vrouw op de wasmachine nam. En hoe is Malodot aan zijn eind gekomen, willen ze weten. ‘Daar moet hij nog even over nadenken, eigenlijk, hetgeen normaal schijnt te zijn, iedereen heeft in het begin last van een beetje geheugenverlies.’ Er zijn groepstherapieën en individuele gesprekken met een counselor, allemaal bedoeld om van de verslaving aan het leven af te komen. Als de overledenen dat niet voor elkaar krijgen, moeten ze hun totale leven overdoen, op precies dezelfde wijze.

    Dimitri Verhulst biedt een onvervalste, filosofische blik op de eindigheid, op leven en dood. Hij liet zich voor dit boek inspireren door het Franse existentialisme. Hebben en zijn doet dan ook denken aan Met gesloten deuren – ‘De hel, dat zijn de anderen’ – van Jean Paul Sartre. Daarin discussiëren drie overleden personages in een kamer voortdurend met elkaar om te proberen aan hun situatie te ontsnappen.

    Hebben en zijn
    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • De hoop die wegvloeide

    De hoop die wegvloeide

    Waar zijn de Belarussen gebleven nu hun buurland in oorlog is met Oekraïne? Het antwoord op deze vraag vind je in Dagen in Minsk, dagboek van een opstand van de Belarussische dichteres en vertaalster Julia Cimafiejeva. Niet letterlijk, want Oekraïne wordt nergens genoemd; er was ook nog geen sprake van oorlog toen in de zomer van 2020 in Wit-Rusland de verkiezingen plaatsvonden en Loekasjenka opnieuw werd verkozen. Hij was al sinds 1994 aan de macht en aanvankelijk eerlijk verkozen, maar het land veranderde in een dictatuur en Loekasjenka werd een marionet van Vladimir Poetin.

    De verkiezingen in Belarus begonnen hoopvol toen er sprake was van serieuze oppositie. Drie mannen, Sergey Tichanovsky, Viktar Babaryko en Valeri Tsepkala, spraken het volk rechtstreeks aan en wilden allemaal verandering. Weg met de dictatuur. Ze kwamen alleen nooit op het stembiljet, ze werden zelfs opgesloten. Alleen Tsepkala wist het land te ontvluchten. Zijn vrouw Veranika Tsepkala plus Svetlana Tichanovskaja en Maria Koleskinova – die de verkiezingscampagne van Barbaryko leidde – sloegen de handen dapper ineen en stelden zich vervolgens kandidaat. In de vrouwen zag men geen gevaar en ze werden toegelaten tot de verkiezingen. Ze hadden geen interesse in het presidentschap, maar pleitten voor eerlijke verkiezingen en voor de vrijlating van alle politieke gevangen.

    ‘Gezamenlijk gingen ze de strijd aan met de uitwassen van de dictatuur. Dat sloeg aan. Hun campagnebijeenkomsten werden door duizenden bezocht, waren drukker dan de meeste demonstraties in alle jaren ervoor.’ Aldus Franka Hummels, freelance journalist en Belarusexpert, die in het voorwoord van Dagen in Minsk de context beschrijft van het dagboek dat volgt. Ze meldt daarin ook haar keuze voor de schrijfwijze van de namen. 

    Slechte internetverbinding

    Dat dagboek begint op 5 augustus 2020 kort voor de verkiezingsdag, met een toon die eufoor is van hoop en belofte. Duizenden kiezers, getooid met witte lintjes aan hun armen en kleding, en met vlaggen, tonen zich solidair met het drievrouwschap. Ze willen allemaal verandering en zullen niet op Loekasjenka stemmen. Cimafiejeva beschrijft haar dagen en het leven met haar man, de Belarussische schrijver Alhierd Bacharevič, die ze steevast met je aanspreekt. Dat geeft haar teksten een wonderlijke lading, alsof hij er niet meer is. Ze schilt aardappels voor een soep. Ze checkt voortdurend haar telefoon op nieuwe berichtgeving over de demonstraties. Vooral Telegram en Facebook zijn de media waar ze vrienden virtueel ontmoet, ook in het buitenland. Maar de internetverbinding ligt er vaak uit en proxyservers zijn vaak traag en bemoeilijken het downloaden van filmpjes. 

    Cimafiejeva schreef drie dichtbundels: The Book of Mistakes (2014), Circus (2016) en ROT (2020), die vertaald zijn in onder meer het Engels, Oekraïens, Zweeds, Sloveens, Litouws en Tsjechisch. In het dagboek uit Minsk heeft ze het over de verschijning van haar derde verzameling met gedichten. ‘Samen haalden we mijn presentexemplaren op bij de uitgeverij. Je nam een foto van me tegen een achtergrond van blauwe sparren: blote schouders, mijn armen vol wit-rood-witte boeken, een lachend gezicht erboven. Ik weet niet wat ik moet voelen. Mag ik me trots voelen? Voldaan? Vast wel.’ Het is haar dierbaarste boek, maar de ontvangst sneeuwt onder in het belang van het nieuws. 

    Gewelddadige kosmonauten

    Dat de verkiezingen doorgestoken kaart waren, bleek de ochtend na de verkiezingen. Loekasjenka won met 80 procent van de stemmen en werd door Xi Jinping en Vladimir Poetin als eersten gefeliciteerd. Cimafiejeva beschrijft de samengebalde hoop die wegvloeit. ‘Wat we hadden gehoopt was niet uitgekomen, en wat we niet hadden durven toegeven dat waarschijnlijk zou gebeuren, was tóch gebeurd. De pijn spatte als een enorme zwarte bloem open in mijn maag. Ik voelde me misselijk.’

    Na deze corrupte verkiezingen gaan honderdduizenden mensen de straat op om te protesteren. Aanvankelijk houdt de politie, in zwarte uniformen met helmen, die Cimafiejeva ‘kosmonauten’ noemt, afstand. Maar het is onvermijdelijk dat ze steeds vaker gewelddadig optreden en de demonstraties worden bruut uit elkaar geslagen. Er vallen slachtoffers en honderden mensen worden opgepakt en gevangen gezet onder erbarmelijke omstandigheden.
    Julia Cimafiejeva en haar man lopen ook mee met de betogingen en ze beschrijft wat ze zien en meemaken, de angst en de wanhoop. Ondanks dat proberen ze hun leven voort te zetten. Ze gaan met vrienden naar een theatervoorstelling en literaire bijeenkomsten, maar ondertussen is er ook nog corona, wat door Loekasjenka wordt ontkend.  

    Zullen de brieven de lezers bereiken?

    Wanneer haar broer, een historicus en muzikant, is opgepakt, wordt het ook voor Cimafiejeva en haar man gevaarlijk. Ze gaan naar de  broer op zoek in een gevangenis buiten Minsk en horen schandelijke verhalen over marteling en terreur, geen eten en geen medicijnen.
    Uiteindelijk wordt het voor de kunstenaars van het woord ondoenlijk om te leven in een dictatuur. Cimafiejeva en Bacharevič verlaten in november 2020 hun land. Ze leven nu in ballingschap in Graz in Oostenrijk waar meer gevluchte Belarussen wonen. Cimafiejeva schrijft opbeurende brieven, gedichten en verjaarswensen aan de duizenden gevangenen in haar thuisland en vraagt zich af of die brieven de lezers ooit zullen bereiken of dat ze door de autoriteiten meteen versnipperd zullen worden. Toch blijft ze hoop houden en nadenken over een toekomst. En zo is het overduidelijk en begrijpelijk waarom het Wit-Russische volk niet in opstand komt tegen de oorlog in Oekraïne. De mensen zijn monddood gemaakt. 

    My European poem

    Cimafiejeva schreef haar gedichten in het Belarussisch. Dit dagboek echter – dat ze bijhield voor en tijdens de opstand na de verkiezingen – schreef ze in het Engels om wat meer afstand te creëren en wellicht ook uit veiligheid. Het is een indringend relaas, een ooggetuigenverslag van moed en angst, hoop en wanhoop, dat in 2020 als essay verscheen in The Financial Times.
    Een paar dagen voor de presidentsverkiezingen in Belarus plaatste Cimafiejeva haar indringende European poem op internet. 

    ‘Sorry, het is een lang gedicht/Omdat het een lang verhaal is/Ik heb meer dan twee derde van mijn leven doorgebracht/Onder de macht van de man/ op wie ik nooit gestemd heb.

    Dit gedicht moet in het Engels zijn geschreven.
    Dit gedicht moet in het Duits zijn geschreven.
    Dit gedicht moet in het Frans zijn geschreven,
    In het Zweeds, in het Spaans, in mijn mooie Noors,
    Misschien in het Fins, Deens en Nederlands.
    Baltische talen moeten zelf beslissen.
    Geen Wit-Russische versie van het gedicht,
    Geen Russische versie van het gedicht,
    Geen Oekraïense versie van het gedicht.
    De rest moet zelf maar kiezen.
    Dit gedicht moet worden geschreven in de taal
    van mensenrechtenorganisaties,
    van vaak geuite bezorgdheid van Europese politici.’

    Lees hier verder 

     

  • Jeroen Brouwers (1940-2022) – De reden waarom

    Jeroen Brouwers (1940-2022) – De reden waarom

    Ik waste mijn handen onder de kraan, er reed een auto door de straat, de stem van de nieuwslezer wrong zich in flarden door deze ruis heen, ‘vanmorgen… na een kort ziekbed… schrijver…’. Ik opende mijn laptop, mail van de uitgeverij van de schrijver van wie ik vermoedde dat hij het was die op het nieuws bezongen werd als ‘overleden schrijver’. Ik las, ‘Vanochtend bereikte ons het verdrietige bericht dat Jeroen Brouwers, na een kort ziekbed, is overleden.’ De komma’s negeerde ik. Bij het verscheiden van een bewonderd auteur komt altijd mijn eerste kennismaking met het werk van de schrijver in me op. Midden jaren tachtig had ik mij losgeweekt van gezins- en samenleven, ik betrok een etage boven een groenteboer in de stad, ging schrijven. Wat vooreerst inhield dat er gelezen moest worden, en wel veel. Ik kocht Privédomein boeken, De Beauvoir, Kierkegaard, Philip Roth, Doris Lessing, en Brouwers. Het verzonkene, over zijn moeder. ‘Ik herinner mij haar groene ogen. Dat zij koninklijk was.’ Maar ook, ‘Ik ga haar, als zij eerdaags komt te sterven, niet mee begraven. Haar laatste woorden heeft zij al tegen mij gezegd.’ Over haar verval, ‘Zo wenste ik mij haar niet te herinneren.’ Na haar dood in 1981 schreef hij Bezonken rood, uitgangspunt was het bericht van haar overlijden. Daar doorheen herinneringen aan zijn moeder en grootmoeder in het jappenkamp waar hij als peuter/kleuter met hen verbleef.

    Ed van Thijn, die als kind tijdens de oorlog op achttien onderduikadressen zat, vertelt in een aangrijpende documentaire over zijn getroebleerde kinder- en jeugdjaren, dat zijn moeder hem kort na de oorlog bij een psychiater bracht omdat hij ‘zo druk’ was. Dat hij alles doorstaan had, niemand hem tijdens die verschrikkelijke oorlogsjaren ooit een klap had gegeven, maar dat zij het toeliet dat hem elektroshocks werden toegediend. ‘Nou, toen was het wel over’, zegt Van Thijn in de camera, waarbij uit de blik in zijn ogen de schok van verraden te zijn door zijn moeder nog spreekt. Brouwers wordt na de oorlog, als ze naar Nederland zijn gerepatrieerd, als tienjarige direct op pensionaat gedaan. Het verblijf in het interneringskamp heeft hem volgens zijn ouders verwilderd, heeft geen gevoel voor wat ‘deugt’ en ‘nietdeugt’ ontwikkeld. Zijn moeder brengt hem weg. Zegt dat hij ‘gezeglijk’ moet zijn, dat hij over vijf weken ‘alweer’ een weekend naar huis mag. ‘-mijn haat jegens mijn moeder siert sedertdien mijn “levensbesef”.’ Lees hierin de blauwdruk voor een getormenteerd schrijversleven.

    Er was een levenslange weerstand aan het leven te moeten deelnemen, te converseren met mensen. ‘Puur uit mensenangst was ik weer zo zenuwachtig geweest om van huis te moeten, helemaal naar Tilburg, dat ik mij de dag tevoren tussen 16.00 en 21.00 uur heb lens gezopen.’ Het lijden onder kritieken. In een brief aan Harry Prick schrijft hij over een recensie in De Volkskrant van De laatste deur. ‘Zo’n kritiek als laatst in De Volkskrant, geschreven door een Heumakers of zoiets (wie is dát nou weer?), waarin stond dat mijn zelfmoordboek hoofdstukken vol ‘bric à brac’ zou bevatten, daar ga ik van door de muur door drift en verdriet. Zo’n Heumakers zal wel even in een paar kwartiertjes een stukkie plengen over een 500 pagina’s boekwerk waar ik zo’n jaar of 15 mee aan bezig ben geweest.’ Het literaire bedrijf was een levenstaak. Zijn boek Client E. Buskens noemt hij ‘een boek over niks’. Alles een schrijfoefening, ook als er niets gebeurde, al was de dood nooit ver weg.

    Hij schrijft, ‘Doos nietjes gekocht. Vijfduizend stuks. Nu heb ik wel regelmatig iets te nieten, maar er gaan ook weken voorbij dat er niets te nieten valt. Wanneer kocht ik een vorige doos nietjes? In ieder geval toch wel zoveel jaren geleden dat ik nu licht draaierig word van de gedachte, dat ik over nog eens hetzelfde aantal jaren best dood kan zijn, zonder alle vijfduizend thans aangeschafte nietjes te hebben gebruikt.’

    Aan Cliënt E. Busken werkte Brouwers vier jaar, onderbroken door ziekenhuisopnames. Met de pen schreef hij soms vijf, soms tien regels op een dag. Daar bewonder ik de schrijver om. Na voltooiing, dacht hij dat het niks was (Het is niets). Hij won er de Librisprijs mee. Arjan Peters vroeg hem wat er voor nodig was geweest om zich al die tijd voor Busken te kunnen openstellen. Brouwers zei, ‘Gewoon, pak je pennetje en begin maar.’ Je hoort het hem zeggen. Wie wil weten wat deze schrijver bewoog, kennis wil nemen van zijn vertelkracht, zijn zinnen wil bewonderen, lees Kroniek van een karakter, Het verzonkene, Bezonken rood, De Zondvloed, de rest volgt vanzelf. Brouwers wenste dat zijn boeken hem zouden overleven, ‘dit is de enige reden waarom ik schrijf.’ Schrijven was zijn leven en maakt, zoals hij zelf zei, een biografie overbodig. Ondertussen zoek ik een kamertje om zijn boeken, zijn epistels opnieuw te ondergaan.

     

     

    Bronnen: Het verzonkene / Bezonken rood / Het vliegenboek / Kroniek van een karakter / Het is niets / Interview Volkskrant 


    Inge Meijer is een pseudoniem. 

     

     

     

  • Oogst week 19 – 2022

    Vaderskind. De oorlog van Renate Rubinstein

    Al in 1995 kreeg historicus Hans Goedkoop, bij een groter publiek misschien het meest bekend van het TV-programma Andere Tijden, de opdracht de bibliografie te schrijven van Renate Rubinstein. Zij zal bij velen het bekendst zijn door de columns die ze jarenlang schreef voor Vrij Nederland. Toen ze in 1990 stierf kreeg de wereld uit een nagelaten manuscript te horen dat ze een geheime relatie had gehad met Simon Carmiggelt. Het was niet de enige ervaring uit haar leven die ze verzwegen had. Vooral over haar oorlogservaringen als kind liet ze weinig los. Over die vroegste jaren van Rubinstein gaat het pas verschenen Vaderskind. De oorlog van Renate Rubinstein. Het boekje telt amper 160 pagina’s maar is meer dan een opwarmertje voor de komende biografie.
    Het boekje opent met een voorval uit 1979 toen de schrijfster bijna vijftig was. Een astrologe concludeerde op grond van de horoscoop van Rubinstein dat ze wel iemand moest zijn die alleen maar schrijfster kon worden, niet van boeken, maar van korte stukjes. Het verbaasde Rubinstein, die altijd zo sceptisch stond tegenover astrologie, hoezeer dat klopte. Tot bleek dat de sterrenwichelaar zich had vergist.
    ‘Zij was door bedrog omringd’, schrijft Hans Goedkoop verderop in het boek.

    Vaderskind. De oorlog van Renate Rubinstein
    Auteur: Hans Goedkoop
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Identitti

    In Identitti, de debuutroman van de Duitse Mithu Sanyal, die als journaliste vaak schrijft over thema’s al vrouwenemancipatie, postkolonialisme, racisme en identiteit, zijn de protagonisten professor Dr. Sarawati en haar studente Nivedita. Deze studente ontdekt dat de door haar bewonderde Sarawati zich als Indiase voordoet maar in werkelijkheid een Duitse witte vrouw is die haar huid heeft laten kleuren. Het wordt een schandaal.
    Nivedita heeft een blog met de naam Identitti waarin ze echter niet klakkeloos met de schandaalroepers meegaat. Voor haar werpt de kwestie vragen op over haar persoonlijke conflict tussen bewondering en het gevoel bedrogen te zijn. En, nog fundamenteler, gaat ze zich vragen stellen over wat eigenlijk iemands identiteit bepaalt. Zowel de fictieve Nivedita als de auteur Mithu Sanyal hebben zelf Indiaas bloed in de aderen.

    Identitti
    Auteur: Mithu Sanyal
    Uitgeverij: Cossee

    Borsten en eitjes

    Time nam het boek op in de Top 10 van beste boeken uit 2020: Borsten en eitjes van de Japanse Mieko Kawakami.
    Nu is er een Nederlandse vertaling. De titel heeft alles te maken met de drie belangrijkste vrouwen in het boek.  Allereerst schrijfster Natsu die in het land, Japan, waar ivf is verboden, een kind wil maar geen partner. Verder haar zus Makiko die haar borsten wil laten vergroten en Makiko’s dochter die worstelt met haar puberlichaam.
    De roman beweegt zich rond vragen over vrouwelijkheid, schrijverschap, moederschap en familierelaties. Natsu:  ‘Het is nu 2008. Als je me zou vragen of ik me nu, op mijn dertigste, bevind waar ik mezelf zag in het vage toekomstbeeld dat ik op mijn twintigste van mezelf had, dan zou ik daar volmondig nee op antwoorden (…)In mijn leven, dat lijkt op een kast in een oude boekhandel waar nog altijd de boeken staan die in mijn ouders’ generatie zijn geleverd, is mijn lichaam dat in tien jaar tijd compleet afgepeigerd is, het enige wat veranderd is’.

    Borsten en eitjes
    Auteur: Mieko Kawakami
    Uitgeverij: Podium
  • Verlangens zonder samenhang

    Verlangens zonder samenhang

    Wanneer een absolute liefde je dwingt om je grootste geheim aan diegene te verklappen, dan kan dat achteraf grote gevolgen met zich meedragen. Hierover kan Domenico Starnone (1943) meepraten. Hij heeft er namelijk het speerpunt van zijn roman Geheimen (Confidenza) van gemaakt. Het meervoud in de titel is geen toeval, want het plot draait eigenlijk om twee geheimen die worden uitgewisseld. Pietro Valla laat zich verleiden door de eis van zijn ex-vriendin Teresa om het zijne op te biechten, indien zij het hare ook aan hem meedeelt. Een paar dagen later gaan ze uit elkaar. Sindsdien vormen hun gedeelde geheimen hun enige en allesoverheersende band.

    De angsten van Pietro

    Die band zal Pietro blijven achtervolgen en kopzorgen bezorgen tijdens zijn lessen, zijn lezingen en zijn buitenechtelijke avontuurtjes. Als professor aan het lyceum is hij namelijk niet te beschroomd om zijn leerlingen mee uit eten te nemen en zijn tong speels langs hun handpalm te laten glijden. Zijn avances werpen hun vruchten af. Net als Teresa is zijn volgende vlam, Nadia, ook een leerling van hem. Ze trouwen bijna onmiddellijk en voor je het weet, vormen ze een heus gezinnetje met een driekoppige kroost. De charmes van Pietro hebben niet enkel effect op de hartslag van tienermeisjes. Na de publicatie van twee boeken over onderwijskwesties zal hij door heel Italië lezingen geven. Ook tijdens die presentaties hangt het publiek aan zijn ‘beheerste lippen’ en Pietro slaagt er zelfs in om intellectuele dwarsliggers als Franchino te overtuigen. De twee heren zullen naderhand per brief intensief met elkaar ideeën blijven uitwisselen. Die illusie van de intellectuele posterboy laat Starnone echter nooit ingang vinden bij de lezer, die Pietro’s façade direct doorziet.

    In het eerste van de drie delen krijgen we immers Pietro’s gedachten voorgeschoteld, die vaker wel dan niet beheerst worden door twijfels en angsten. Gauw blijkt dat die kwellingen niet enkel voortkomen uit de onzekerheid over Teresa’s onvoorwaardelijke discretie. In de achterkamers van zijn geheugen sluimeren andere zaken, zoals jeugdtrauma’s in verband met zijn vader en een droom die hem een blijvende vrees voor open ramen en vensterbanken heeft bezorgd. De angst dat de ‘twistzieke’ Teresa zijn geheim zal onthullen, veroorzaakt dus niet zozeer nieuwe problemen, als wel dat ze reeds bestaande wonden openrijt. Starnone laat zien hoe krampachtig Pietro probeert om toch zo goed mogelijk zijn rol als vader te vervullen aan de zijde van Nadia. Zij gaat gebukt onder de druk om zowel een goede moeder als een gerespecteerd academica te worden. Dat resulteert in hevige stemmingswisselingen, een toenemende afgunst voor Pietro’s populariteit en argwaan tegenover diens pogingen om terug contact met Teresa te zoeken. Bij de bevalling van hun derde kind vermoedt Pietro dat het tentoonspreiden van haar pijn ‘slechts een toneelstukje van haar lichaam was om mij erop te wijzen hoe onverdraaglijk het voor haar zou zijn als ik naar de hyperintelligente praatjes van Teresa zou gaan luisteren.’

    Het psychologisch vernuft van Starnone is op zijn best wanneer de focus niet zozeer ligt op de inhoud van de angsten, als wel op het effect dat die uitoefenen op Pietro’s dagelijkse leventje. Langzaam creëren zijn twijfels een complexe dynamiek van verlangens, die zijn routines verstoort. Zo blokkeert Pietro wanneer vrouwen met hem naar bed willen. Er ontstaat een groter wordende kloof tussen zijn gevoel dat hij nergens meer grip op heeft en het beeld van de succesvolle en charmante intellectueel dat de buitenwereld van hem ophangt. De angst blijft dat Teresa alles zou verpesten, zoals ‘je ziet gebeuren bij figuren die in stoepkrijt op het trottoir zijn getekend wanneer het regent en de voorbijgangers met hun schoenen kleuren, water en vuil door elkaar mengen.’

    Passe-partout roman

    Omdat de psychologische inzichten door losstaande zaken worden opgedaan, boet de roman aan scherpte in. Ze fungeren slechts als franje bij het plot. Dat gebrek aan noodzakelijkheid is een gemis. Bij maatschappelijk gevoelige onderwerpen verwacht je als lezer een navenante urgentie. In Italië is het boek in 2019 verschenen. Het lijkt dus weinig waarschijnlijk dat Starnone tijdens het schrijven geen weet had van de #metoo-beweging. In de roman tast professor Pietro herhaaldelijk de lichamelijke integriteit van zijn studentes aan. Anderzijds ondervindt Nadia zelf hoe seksistisch het er in de academische wereld aan toe kan gaan. Het is best begrijpelijk dat een schrijver zich niet geroepen voelt om als intellectuele zedenpolitie op te treden. Toch is het jammer dat Nadia Pietro niet confronteert met zijn eigen hypocrisie, wanneer hij haar promotor uitmaakt voor ‘ouwe smeerlap’. Het onderwerp van Pietro’s boeken stipt eveneens maatschappelijk controverses aan. Ze handelen over hoe het Italiaanse onderwijssysteem ongelijkheden in stand houdt. Wederom laat Starnone het na om dit verder uit te diepen of te verbinden met de hiërarchische spreidstand tussen leraar en leerling. Dat laatste zou een interessant bruggetje naar Pietro’s affaires met zijn studentes kunnen hebben opgeleverd. Als hij zulke zaken al zou suggereren, dan doet hij het uiterst subtiel en haast onmerkbaar.

    Ook het feit dat zowel zijn dochter Emma als Teresa in de twee andere delen van de roman aan het woord komen, biedt weinig meerwaarde. In zijn geheel oogt het boek te veel als een passe-partout roman. Het verhaal had zich overal kunnen afspelen. Bij momenten verliezen de psychologische karakteriseringen daardoor hun specifieke waarde en vervallen ze tot algemeenheden. In het begin van de roman stelt Pietro: ‘voor zover ik me kon herinneren was ik nooit blij geweest met mezelf’. Wanneer een auteur bij zo’n uitspraken de verankering van het personage in zijn leefwereld onvoldoende uitwerkt, dan loopt Pietro het risico om de zoveelste ongelukkige man in de geschiedenis van de literatuur te worden.

    Voor wie tevreden is met toch een aanzienlijk aantal observaties, die wel een universele waarde bezitten en benieuwd is naar welke impact geheimen en angsten hebben op iemands leven kan dit boek zeker in de smaak vallen. Wie echter een interessante wisselwerking tussen de samenleving en het individu verwacht, zal meer zijn heug vinden bij pakweg Madame Bovary van Flaubert of Anna van Kosztolanyi. En wie deze hele bespreking enkel heeft gelezen om de aard van Pietro’s geheim te ontdekken, wacht een teleurstelling. In tegenstelling tot Pietro respecteert de recensent van dienst wel strikt de ethische code van zijn vakgebied en blijft de ontknoping van het plot geheim.

     

  • Heruitgave laat kans op reflectie liggen

    Heruitgave laat kans op reflectie liggen

    Na de moord in Amsterdam van Ian Buruma verschijnt zeventien jaar na de moord op Theo van Gogh. Wie denkt dat dat een mooie gelegenheid is om terug te blikken op de analyse van de conflicten waarvan de moord destijds een uitbarsting was, komt bedrogen uit. Het boek is een ongewijzigde herdruk van Dood van een gezonde roker (meteen daarna ook verschenen in het Engels – de taal waarin Buruma het boek zelf schreef – onder de titel Murder in Amsterdam) uit 2006. Het enige verschil is dat nu een Voorwoord is opgenomen dat Buruma voor deze heruitgave (2021) schreef.

    Filmmaker, presentator, scenarioschrijver en columnist Theo van Gogh, in al die hoedanigheden graag een provocateur, werd op 2 november 2004 vermoord door Mohammed Bouyeri. Dat was ruim twee maanden nadat zijn samen met Ayaan Hirsi Ali gemaakte film Submission op de Nederlandse TV te zien was geweest. De dader schoot hem neer en stak daarna een mes in diens lichaam met een pamflet dat duidelijk moest maken wat zijn missie was. Eén van zijn bedoelingen kwam niet uit. Mohammed Bouyeri had zelf gedood willen worden om zoals martelaar te sterven. Hij werd echter gearresteerd.

    Voor Ian Buruma was het drama aanleiding zijn gedachten te verwoorden over de staat van tolerantie van Nederland. Buruma is sinoloog en japanoloog en als zodanig kenner van Aziatische culturen, maar hij is in Nederland veel bekender als publicist over de  gevaren die de democratie in het Westen bedreigen en over het fundamentalisme in de islam. In 2018 was hij onderwerp van een rel toen hij een Canadese radio-dj die door ruim twintig vrouwen werd beschuldigd van seksueel grensoverschrijdend gedrag de kans gaf zijn kant van het verhaal te vertellen in The New York Review of Books, de krant waarvan Buruma op dat moment hoofdredacteur was. Buruma zag zich gedwongen op te stappen. Even vroeg hij zich af wat er in Nederland in zo’n geval zou zijn gebeurd; een vraag die zich opdrong omdat hij beide culturen kent en die opnieuw over tolerantie ging. Buruma werd in 1951 geboren in een gezin met een joodse moeder en een doopsgezinde vader. Hij woonde afwisselend in Nederland, Hongkong en Amerika.

    Vreemd

    In zijn Murder in Amsterdam onderzocht hij de tolerantiegraad in Nederland aan de hand van drie hoofdfiguren: Theo van Gogh, Ayaan Hirsi Ali en Mohammed Bouyeri. Hoe werden deze drie tot wie ze in het jaar van de moord, 2004, waren. Waarom werden de twee eerstgenoemden door het ene kamp van Nederlanders (en immigranten) gehaat en door het andere juist bewonderd? Hoe kon een op zich slimme jonge Marokkaan als Mohammed Bouyeri zich in enkele jaren ontwikkelen tot een fanatieke moslimfundamentalist van wie alle ongelovigen dood moesten en wiens hoogste doel was te sterven als martelaar voor Allah? Wat was het aandeel van het zogenaamd tolerante Nederland in dat geheel?
    Het boek dat Buruma in 2006 rond deze vragen publiceerde bevat nog altijd interessante beschouwingen. De meest opvallende grondtoon daarvan is hoezeer de Nederlandse omgang met wat vreemd is wordt gekleurd door de ervaring van het eigen tekortschieten in Tweede Wereldoorlog en de haat tegen een vreemde indringer die dat schuldgevoel weer oproept. Daarnaast: het effect van de Nederlandse omgang met immigranten die soms de schijn heeft van een uitgestrekte hand, maar die hen het gevoel geeft er nooit echt bij te horen.

    Verwijten

    De recente heruitgave wordt ingeleid door een Voorwoord, dat helaas weinig toevoegt. In plaats van te duiden wat er in de zeventien jaar sinds de moord is veranderd of wat we er eventueel van hebben geleerd, houdt Buruma het hoofdzakelijk op een korte uitleg van zijn boek uit 2006 en een apologie tegen de kritiek die het destijds opriep. Die kritiek was niet mals, met misschien wel als hoogte- (of diepte-?)punt de scheldpartij van columnist Theodor Holman (Vriend van Van Gogh) in De Groene Amsterdammer. Maar er waren meer verwijten. Buruma zou de Nederlandse vuile was hebben opgehangen in het buitenland en hij zou een postmoderne relativist zijn van de bedreiging van ‘onze vrijheid’ door de islam. Buruma verdedigt zich ertegen met de opmerking dat hij ‘best de intellectuele verworvenheden van bepaalde Europese denkers [ hij doelt vooral op de Verlichting] (wil) koesteren, maar niet omdat de westerse beschaving per se superieur is aan andere’. Dat is duidelijk.

    Maar bij een andere opmerking zou je juist meer uitwerking verwachten: ‘Eén tendens die ik vijftien jaar geleden beschreef is alleen maar sterker geworden: als reactie op de moord op Theo van Gogh en de vermeende vertroeteling door linkse elites van “allochtonen” heeft radicaal rechts, ooit een marginaal verschijnsel, een nog grotere mond – en meer zetels in het parlement – gekregen. Maar ik heb me verkeken op de manier waarop dat in zijn werk zou gaan, en wie de hoofdrollen zouden gaan spelen’, waarna hij Wilders, Baudet en Pastors noemt, van wie hij de laatste twee in 2006 nog niet noemde. Echter geen woord over hoe die ‘manier waarop dat in zijn werk zou gaan’ er dan uitziet, wat er slechter aan is, hoe dat mogelijk was en wat het effect is op de ontwikkelingen die hij in 2006 beschreef. Daar heb je als lezer temeer behoefte aan omdat Buruma zijn Voorwoord juist begint met de zin: ‘Nu hoor je niet meer zoveel over de islam als de grootste bedreiging voor de westerse beschaving, althans niet in Nederland’. Waar heeft hij zich dan precies op ‘verkeken’?

    ‘Huidige’

    Na dat Voorwoord laat Buruma een kans liggen om de herdruk te actualiseren door het niet te laten bij een letterlijke herdruk maar hier en daar enige reflectie toe te voegen. Je hebt soms de indruk dat je een verouderd boek zit te lezen: De VS zitten al lang niet meer in Irak en de website De gezonde roker werd eind 2004 al opgeheven. Soms roepen die gedateerde gegevens extra behoefte aan duiding op. In het boek uit 2006 is Aboutaleb ‘de huidige wethouder van Amsterdam’, maar dat maakt nu juist nieuwsgierig naar de effecten van zijn optreden als burgemeester in Rotterdam, een stad met veel migranten(kinderen) in de vijftien jaar die we intussen verder zijn. En bij de aforistische zin ‘Ironie kan een gezond tegengif tegen dogmatisme zijn, maar ook een vrijbrief voor onverantwoordelijkheid’ is er toch alle aanleiding om het even over Baudet te hebben.
    Het is jammer dat die kansen niet benut zijn.