• Verrassende verhalen

    Verrassende verhalen

    De eerste J.M.A. Biesheuvelprijs voor het korte verhaal, een genre dat de beroemde naamgever Maarten Biesheuvel goed lag, is tijdens de vierde Week van het Korte Verhaal, februari 2015, uitgereikt aan de succesvolle schrijver Rob van Essen, die al wat titels heeft gepubliceerd. De jury – Arjen Fortuin, Esther Kuijper, Maarten Moll, Roos van Rijswijk en Edith Vroon –  loofde zijn grote fantasie, de variatie in sfeer binnen zijn korte verhalen en zijn uitstekende techniek.

    De Week van het Korte Verhaal is een bedenksel van een van de juryleden, die in een boekhandel werkt en daar, door hard te roepen dat het de Week van het Korte Verhaal is, dat ook werkelijk voor elkaar heeft gekregen. Een commercieel succes of niet? Rob van Essens prijs bedraagt het wat zuinige en tevens wonderlijke bedrag van € 4.867,- plus het lievelingsboek van Maarten Biesheuvel The Wind in the Willows, een tekening door Biesheuvel zelf gemaakt en twee stenen boekensteunen.

    Het prijswinnend boek Hier wonen ook mensen is Van Essens korte verhalenbundel uit 2014, met verhalen die soms al elders zijn gepubliceerd, in De Gids of De Revisor bijvoorbeeld of in verzamelbundels en één ook op Van Essens eigen blog Reddend zwemmen.

    De jury heeft gelijk. De situaties waarin de verhalen spelen, zijn zeer wisselend en verrassend. Het eerste verhaal al waarin God, op onverwacht bezoek kan je wel zeggen bij de meest rabiate godloochenaar van dit moment, de bestsellerauteur Richard Dawkins, de personen wisselt, belooft de lezer een paar leuke uren met Van Essen.

    Edgar Allen Poe, de vader van het genre, vond dat een kort verhaal toch wel in een half tot twee uur kon worden gelezen. Dat lukt met Van Essens verhalen uitstekend. Ze zijn heel verschillend van lengte, het langste van de vijftien is veertig bladzijden, het kortste drieënhalf.

    Andere eigenschappen die Poe aan het korte verhaal toeschreef, waren dat het zomaar ergens kon beginnen en dat het geconcentreerd was op een persoon binnen een bepaalde, centrale gebeurtenis. Het karakter van die persoon kwam daarin duidelijk aan het licht. Als het goed was, ging het daarbij ook nog over een algemeen herkenbaar, wezenlijk probleem.

    Nu gaat het in Van Essens verhalen zeker om herkenbare problemen, zoals toch erbij willen horen terwijl je jezelf maar een onbeduidend iemand vindt bijvoorbeeld, ontoereikend contact in een voortsudderende relatie, compleet verkeerde inschattingen, of wanneer mensen zomaar uit iemands leven verdwijnen. Hoe wezenlijk echter die problemen zijn,  kan je een punt van discussie noemen. Omdat ze in gewone omgevingen spelen, die Van Essen heel verrassend heeft gekozen en fantasierijk heeft benut en hij je af en toe mooie beelden voortovert, word je toch als nieuwsgierige lezer voortdurend meegesleept.

    Opvallend is daarbij dat Van Essen de meeste verhalen vanuit een ik vertelt. Dat stelt hem in staat makkelijk van tijd binnen het verhaal te switchen. Regelmatig geeft hij aan dat wat hij nu in het verhaal vertelt nog staat te gebeuren of eigenlijk al verleden tijd is. Toch wordt het niet onbegrijpelijk postmodern. Bij de beschrijving van een film zegt de ik in het verhaal bijvoorbeeld ‘dit is een vergelijking die ik pas later kan maken’. Hij speelt ook met formuleringen en herinneringen, zoals in ‘Ik weet bijna zeker dat ik die man heb verzonnen, ook al zie ik hem nog haarscherp voor me.’

    Toch lijkt er iets wezenlijks aan Van Essens verhalen te ontbreken. Ze zijn te vergelijken met dure, kunstige bonbons, die echter, nogal dwaas geformuleerd, een stevige afdronk missen –  wat je natuurlijk ook niet van bonbons kan verwachten. Beter gezegd, de combinatie van ingrediënten is verrassend, de verteltechniek is kunstig, maar de impressie die het geheel achter laat is ijl, vervliegt zo snel. De noodzaak van die lekkere bonbons blijkt niet uit wat ervan overblijft. Wellicht dat Van Essens stijl en het verrassende element van de gebeurtenissen sterker zijn dan de dwang van de problematiek binnen de verhalen.

     

     

     

  • De mens als wolf voor zijn medemens

    De mens als wolf voor zijn medemens

    Verleden jaar september vroeg een concertbezoeker zich, na een gitzwart concert door het Koninklijk Concertgebouworkest, af waar de hoop was gebleven. Zij had alleen maar verkeerd, zoals het programmaboekje kopte in ‘de schaduw van Het Sublieme.’ Een Kyrie en een Requiem, een stuk van Varèse en een ironische wals van Ravel waren over haar heen gedenderd. Monolieten hadden gechoqueerd, klankwolken hun bezwerende werk gedaan. Er was geen ontsnappen aan mogelijk geweest.

    Iets soortgelijks overkomt de lezer van de twintig verhalen van de vooral als reisschrijver bekend staande auteur Paul Theroux, die in een vertaling van Auke Leistra zijn verschenen onder de titel De vrouw van de reiziger. Theroux schept een beeld van de mens waarin je niet zou willen berusten, terwijl je ondertussen zoekend bent, of er niet iets achter of in de verhalen verborgen zit wat ontsnapping kan bieden en een beetje licht en lucht geeft. Al is het maar voor even. Als je het boek bijna uit hebt, lijkt er iets te dagen. In het titelverhaal en de verhalen erna.

    Maar voordat je bij die verhalen bent aangekomen, heb je als lezer al heel wat achter de rug. Een wasberenplaag rond het huis van een vader en twee zoons die met de dag erger wordt. ‘Ze nemen het over’, is de angst. Een galeriehoudster die mensen binnen haar invloedssfeer trekt en genoegen schept in hun ondergang. Een Engelse schrijver die in de tijd dat hij in Boston is voor een lezing dreigmailtjes krijgt. Pubers die met een modelspoortje op de muziek van Rip It Up van de Rolling Stones speelgoedvoetgangers dood rijden die staan voor medescholieren en ondertussen in staat zijn een bom te maken, wat ze een gevoel van macht geeft. Een man in Thailand, die omgang heeft met een ladyboy. En zijn collega die zegt: ‘Ik heb het over de vrouwen. Die glimlachjes, dat lievige. Dat is allemaal voor openbare consumptie. Privé is het het tegenovergestelde, alsof ze wraak nemen. Alsof ze ontaard zijn. En niet alleen hier. Ik heb ook een tijdje in Japan gezeten, voor een ander bedrijf. Die lieve geisha’s ontpopten zich thuis als draken.’

    , dood en verderf zaaiend, wraak nemend en genietend van het leed van de ander. Dat zijn enkele thema’s van de verhalen van Theroux. Soms komt het kwaad van buiten zoals bij de wasberenplaag en de dreigmailtjes, en soms komt het van binnenuit. ‘Zo ongeveer om de vier jaar ga ik terug naar mijn dorp, dat niet ver van Bergen ligt. Het is altijd een vreselijk bezoek. Ik word razend als ik zie wat er gebeurd is. Het is zo erg geworden dat ik er bijna niet meer heen durf. De bezoeken maken me van streek, omdat ze mij doen inzien dat ik hypocriet ben. Mijn prachtige dorpje biedt nu onderdak aan Pakistani’s, Indiërs, Afrikanen, Vietnamezen – bruine mensen die hier gekomen zijn als vluchteling, zogenaamd, omdat de Noren zo vriendelijk zijn om ze huizen en uitkeringen te verschaffen.’

    Zulke verhalen zetten aan tot zelfonderzoek. Je moet het kwaad misschien niet willen begrijpen. Alleen al het jezelf afvragen: waar sta ik, wat zou ik doen is al genoeg. Niet berusten, maar ook niet rusten. Misschien is het titelverhaal, De vrouw van de reiziger, daarom zo sterk, omdat het laat zien dat de mens zichzelf is en zichzelf wil zijn.
    De vrouw van … is een bekend fenomeen. Maar in het verhaal is zij het die op een gegeven moment besluit op reis te gaan en onderweg niets van zich te laten horen. Nu is het de man die thuis zit, bang dat er iets met zijn vrouw is gebeurd. De lezer kan sympathie opbrengen voor de vrouw, maar zich ook inleven in de angst van de echtgenoot.

    Niet alle verhalen zijn zo sterk als het titelverhaal en het qua thematiek eraan verwante verhaal De eerste wereld. Soms belooft de spanningsopbouw veel, zoals in het genoemde verhaal Rip It Up, maar is de ontknoping teleurstellend. Soms is het volstrekt onduidelijk waar de schrijver heen wil, zoals in Autostop in Italië. Soms is het taalgebruik te afstandelijk om je het verhaal in te zuigen. Maar de verhalen die wel raken of tot zelfonderzoek aanzetten, maken het lezen van de bundel uiteindelijk de moeite waard. Letterlijk en figuurlijk.


    De vrouw van de reiziger

    Auteur: Paul Theroux
    Vertaald door: Auke Leistra
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 421
    Prijs: € 21.99

  • De zoektocht van Henk van Woerden

    De zoektocht van Henk van Woerden

    De titel en de ondertitel van de biografie van schrijver, beeldend kunstenaar en fotograaf Henk van Woerden (1947-2005) geven meteen de insteek van de schrijfster ervan aan: als leidraad dienen zowel het gegeven dat Van Woerden vanaf zijn vroege jeugd slechts één oog had, als het feit dat hij een ontwortelde migrant was.

    Henk van Woerden komt uit een gezin met vier kinderen: Henk, Hans, Anneke en Carl. Zij hadden ziekelijke ouders: moeder Jopie had waarschijnlijk de ziekte van Crohn (een darmziekte) en vader Joop was manisch-depressief. In 1957 gaan zij naar Kaapstad (Zuid-Afrika). Daar overlijdt de moeder twee jaar later. Henk blijft als oudste zoon bij zijn vader en de daar ingetrokken hulp in de huishouding, de andere kinderen komen terecht in een weeshuis. Veel later komen de kinderen erachter dat de emigratie naar Zuid-Afrika een vlucht voor het NSB-verleden van Joop was. Emigratiepogingen naar de Verenigde Staten, Canada en Australië waren mislukt. Zuid-Afrika bleef over.

    Na zijn middelbare school gaat Henk naar de Michaelis School of Fine Art. Eigenlijk had hij arts willen worden, maar zijn kennis van Latijn was daarvoor beneden de maat. Op deze school leert hij zijn latere vrouw, Linda Pentz, kennen.

    In 1968 vertrekken Henk en Linda naar Nederland waar Henk depressief raakt. Al in 1969 besluiten Henk en Linda met hun inmiddels geboren dochter Nicky naar Kreta te emigreren. Op Kreta zelf verhuizen ze na een jaar al weer. Het huwelijk strandt en Henk keert terug naar Nederland, Linda vestigt zich na enkele omzwervingen in Rome. In 1971 is zijn eerste tentoonstelling in de Amsterdamse Galerie Espace. Tien jaar later, in 1981 hertrouwt Henk met Margot Groot. Samen krijgen zij een zoon, Njal. In 1991 leert Henk Nicole Müller kennen, een studente uit Enschede waar hij op dat moment les geeft aan de Academie voor Art & Design, en verlaat hij Margot.

    In deze tijd ontstaat zijn debuutroman Moenie kyk nie (1993). ‘Ik weet niet wat ik met mijn talent moet, maar het is het enige dat ik heb’, schrijft hij aan Margot. Als beeldend kunstenaar probeert Henk  ‘op een goed doek het fenomeen sfeer’ te vangen, aldus Jaeger. Jammer genoeg krijgen we in het boek geen indruk van zijn beeldende kwaliteiten, omdat er behalve een tekening op de uitnodiging van genoemde tentoonstelling verder geen afbeeldingen van zijn werk zijn opgenomen, in tegenstelling tot achttien privéfoto’s.

    Jaeger citeert, om de verhouding tussen woord en beeld in het werk van Van Woerden uit te drukken, diens vriend en collega Joris Geurts die stelt dat Van Woerden in woorden de diepte kon weergeven, waartoe hij door zijn eenogigheid in zijn beeldende kunst niet in staat zou zijn geweest. Een beetje gemakkelijke conclusie, als je weet dat Margaret S. Livingstone en Bevill R. Conway in het England Journal of Medicine (september 2004) hebben aangetoond dat je in dit gebrek ook een voordeel kunt zien dat tot uitdrukking komt in bijvoorbeeld de nauwkeurigheid  in het werk van schilders met deze of vergelijkbare oogafwijkingen.

    Maar het is wél een metafoor die Jaeger aangrijpt en uitwerkt als een mooi contrapunt bij het andere thema van de biografie: migrant-zijn.

    Van Woerden is bekend geworden door zijn Zuid-Afrikatrilogie: Moenie kyk nie (1993) – Tikoes (1996) Een mond vol glas (1998), en een roman waarin volgens Jaeger alle thema’s uit zijn werk samenkomen: Ultramarijn (2005).

    Ultramarijn heeft succes. Henk wordt writer in residence aan de Universiteit van Ann Arbor (Michigan). Het bevalt hem daar meer dan hij had verwacht. Lang duurt de vreugde echter niet. In november 2005 zakt hij in elkaar en overlijdt.

    Toef Jaeger, redacteur van de boekenbijlage van NRC Handelsblad die Van Woerden heeft gekend als programmeur van het festival Winternachten, heeft met dit boek een sterke biografie afgeleverd waarin de thema’s die al in de titel werden aangekondigd evenveel en zorgvuldig gedocumenteerde aandacht krijgen.

     

    Koning eenoog, een migrantenverhaal
    Leven en werk van Henk van Woerden

    Auteur: Toef Jaeger
    Verschenen bij uitgeverij: Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 320
    Prijs: € 24.99

  • Een leven mooi verwoord

    Een leven mooi verwoord

    De moeder van Adriaan van Dis, Marie, loopt tegen de honderd en woont in een rusthuis. Ze loopt steeds moeilijker en heeft een vleesboom in haar maag, die ze altijd bedekt met een kussen. Haar aftakeling gaat gepaard met het verval van haar woning. Een oude vrouw in een oude woning. Ze wil niet meer. Doorleven klinkt haar als een doodvonnis in de oren. Toch houdt ze vol. Ze wil haar verhalen nog kwijt: ‘Een dode moet licht reizen’. Ze is er nu klaar voor om na jaren zwijgen haar lange geschiedenis te vertellen: over Indië, de oorlogen die ze heeft meegemaakt en de grote verliezen die ze heeft geleden. Maar dit alles op haar manier en in haar eigen tempo.

    Adriaan van Dis, die tot dan toe weinig contact met zijn moeder had, komt vanuit Parijs terug naar Nederland. Hij begint haar te bezoeken. Eerst één keer per week,  maar al gauw nemen de bezoekjes in aantal toe. Ook zijn telefoon gaat regelmatig over: zijn moeder die zich weer wat herinnert, een boodschappenlijstje voor hem heeft, of die hem opnieuw vraagt of hij geen pil voor haar kan regelen waardoor het allemaal gauw afgelopen kan zijn. Wanneer zijn moeder verder achteruit gaat, besluit Van Dis in te trekken in een gastenkamer van het rusthuis. In die tijd ziet hij haar elke dag. Samen aan het ontbijt, samen de krant lezen. En alles wat ze vertelt wordt door hem nauwkeurig opgeschreven.

    Ik kom terug is een autobiografisch getinte roman. De grote lijnen komen overeen met de gebeurtenissen in het leven van Adriaans moeder en zijn familie, maar hoeveel precies waar is van wat Marie vertelt, weet je niet. Adriaan zelf weet ook niet hoeveel hij moet geloven van de verhalen van zijn moeder. Dat is ook niet belangrijk. In het boek gaat het om hun verhouding. Uit het verhaal komt een pijnlijke zoektocht naar boven van een zoon die, nog steeds, op zoek is naar de waardering en liefde van zijn moeder. Haar ervaringen en belevenissen hebben haar hard gemaakt. Ze schrikt terug voor een aanraking en wil het niet over persoonlijke gebeurtenissen hebben. Al helemaal niet over haar tijd in het Jappenkamp. Maar nu haar einde voelbaar dichterbij komt, begint ze te praten. Duidelijk wordt dat ze geen warme moeder voor Adriaan is geweest.

    Toch komen er ook verhalen boven waaruit duidelijk wordt dat ze wel een leuke vrouw kon zijn. Met behulp van zijn psychologe (her)ontdekt Adriaan van Dis de leuke kanten van zijn moeder en de grappige verhalen die ermee gepaard gaan. Ondanks het zware onderwerp, is Ik kom terug vanaf het begin humoristisch. Adriaan van Dis schrijft alles op: telefoongesprekken, brieven en de monologen die zijn moeder houdt. Losse herinneringen. Fragmenten uit een bewogen leven. De voorgeschiedenis van de verhalen die ze vertelt is nog onbekend, maar wordt duidelijker naarmate het boek vordert.

    Adriaan van Dis debuteerde in 1983 met Nathan Sid, waarvoor hij in 1984 het Gouden Ezelsoor ontving. In dit boek komen zijn familie en zijn Indische jeugd ook aan bod. Het is duidelijk dat zijn hele familie getekend is door de oorlog. Zijn vader, getraumatiseerd door de oorlog, slaat Adriaan regelmatig. Zijn moeder kijkt op deze momenten de andere kant op. In zijn andere boeken krijgt zijn vader vaak een grote rol toebedeeld, maar in dit boek is de hoofdrol weggelegd voor Marie.

    Ook al vormt de familiegeschiedenis vaak de basis voor zijn boeken, toch vraagt Adriaan van Dis zich in het boek meerdere malen af of hij er goed aan doet om alles op te schrijven. ‘Waarom gunde ik haar niet haar geheimen?’ Hij wil doorvragen, gevoelige onderwerpen aansnijden, maar hij wil haar ook niet kwetsen. Samen stellen ze een contract op: hij zijn verhaal en zij een pil.

    Het is een heel mooi boek geworden. Bij vlagen ontroerend, humoristisch, soms zelfs een beetje plat en dan weer hoogdravend. Terwijl je door het leven van de moeder bladert, begin je de hardheid en afstandelijkheid steeds beter te begrijpen doordat duidelijk wordt waar ze vandaan komt en wat ze heeft doorgemaakt. Het ene moment voel je sympathie voor deze vrouw en het andere moment snap je compleet de frustratie van haar zoon.

     

     

     

  • Een roman in een roman die maar geen roman wil worden

    Een roman in een roman die maar geen roman wil worden

    Lydia Davis is een veel geprezen schrijfster van (ultra) korte verhalen. In 2013 ontving ze voor haar bundel verzamelde verhalen de Man Booker International Prize. Twintig jaar geleden schreef ze haar eerste en tot nu toe enige roman, die nu heel mooi in het Nederlands is vertaald door Peter Bergsma. Lydia Davies schrijft prachtige zinnen, is een taalkunstenares, maar slaagt er niet in de lezer 250 pagina’s lang te boeien.

    In dit boek doet de vertelster minutieus verslag van een verloren gegane liefde. Al direct in het begin is duidelijk dat de relatie is verbroken en gaat het verhaal vooral over de obsessie van haar voor haar ex-geliefde. Zij is docente aan een universiteit, waar zij een 12 jongere student ontmoet: ook een dichter, boekenwurm (liefhebber van Faulkner) die in zijn onderhoud voorziet door te werken als pompbediende. Over hem komen we verder weinig te weten: centraal in het verhaal staan de zielenroerselen van haar en de manier waarop zij probeert met de verbroken relatie om te gaan. Zowel vertelster als ex-geliefde hebben geen naam omdat dat niet van belang is voor het verhaal dat Davis wil vertellen. Daarin staat haar obsessie centraal. Het verhaal eindigt wanneer zij erin is geslaagd die te beteugelen.

    Eén van de kenmerken van een roman is de ontwikkeling van een karakter, de loop van een verhaal. In deze ‘roman’  gaat het evenwel vooral om de herinneringen van de vertelster waarmee ze probeert haar verhouding te (re)construeren. Daar  heeft zij veel woorden voor nodig: ze probeert na te gaan wat er in haar is omgegaan, wat ze op diverse momenten in die relatie heeft gedacht, ze loopt alle ruzies na om te achterhalen aan wie het lag, ze twijfelt vaak aan de juistheid van haar herinnering, gaat zich gebeurtenissen inbeelden, etcetera. Als lezer  raak je in verwarring: wat eerst als een feit werd gepresenteerd, blijkt later in haar herinnering misschien toch anders te zijn. Ze gaat relaties aan met andere mannen om zo haar ex-geliefde te kunnen vergelijken. Ondanks dit alles krijgen de twee naamloze hoofdpersonen nauwelijks karakter en van een ontwikkeling is in het verhaal geen sprake. Kauwen en herkauwen en daarmee verwerken, dat is waar we pagina na pagina over lezen.

    Zoals gezegd kan Davis prachtig schrijven; een voorbeeld:

    ‘Nadat hij me zo abrupt had verteld dat het uit was, had ik voor niets anders meer belangstelling. Wat hij me nu aandeed, het feit dat hij niet bij mij was maar bij iemand anders, was een substantie geworden die door mijn hersenen sijpelde, die wegebde, weer oprees, aanwezig was en dan verdwenen, als een geur of smaak. Hij vervaagde een tijdje, en dan was ik me ervan bewust dat hij niet in me was. Dan rees hij plotseling, zonder enige reden, weer op en liet zijn bitterheid overal uitwaaieren en in doordringen.’

    Dat haar taal soms te ver is doorgevoerd , moge blijken uit het volgende citaat:

    ‘Die avond opnieuw op hem te moeten wachten, zonder dat hij kwam, creëerde een donkere ruimte als een grote kamer, een kamer die zich vanuit mijn kamer opende voor de nacht en hem vulde met donkere luchtstromen. Omdat ik niet wist waar hij was, leek de stad groter, en regelrecht mijn kamer binnen te komen: hij was op een of andere plek, en die plek, hoewel mij onbekend, was aanwezig in mijn gedachten en school als iets groots en duister in mijn binnenste. En die plek, die onbekende kamer waar hij was, waar ik me voorstelde dat hij was, met iemand anders, werd ook een deel van hem, zoals ik me hem voorstelde, zodat hij anders werd, hij omvatte die onbekende kamer en ik omvatte die ook, omdat ik hem in die kamer omvatte en die kamer hem.’

    Een tweede laag in het verhaal heeft te maken met het feit dat de hoofdpersoon een roman aan het schrijven is over…een verdwenen liefde! En die roman wil maar niet vlotten, ze is onzeker over de opzet, ze weet niet welke ervaringen ze wel en welke ze niet in die roman wil opnemen. Die onzekerheid wordt gevoed doordat ze onzeker is of haar herinnering de juiste is. Zo haalt ze verschillende van haar telefoontjes aan hem aan, maar weet dan niet meer of het een of meer telefoontjes waren. Ze wil daarover iets in haar roman zeggen en schrijft dan:

    ‘Ik schijn twee verslagen van een van deze telefoontjes en de dagen eromheen te hebben geschreven. Het eerste heb ik net weer opgedoken, en het lijkt minder nauwkeurig en sentimenteler. Ik zeg bijvoorbeeld dat het me pijn deed dat hij me vertelde dat hij met een andere vrouw omging omdat ik hem nog steeds in een hoekje van mijn hart droeg. Nu zit het idee dat mijn hart een hoek zou hebben me dwars, zoals ook andere dingen in de zin me dwarszitten. Ik zei ook dat ik me herinnerde hoe gelukkig het me maakte hem te horen lachen en hem te zien glimlachen, wat beslist niet waar was.’

    Het verwarrende is dat in het verhaal de telefoontjes een betekenis toegedicht krijgen, maar door de afweging of ze opgenomen zouden moeten worden in haar roman komt die betekenis in de lucht te hangen.

    De relatie tussen feit en fictie is erg dun, duidelijk is dat die roman moet gaan over de verdwenen liefde waar het verhaal ook over gaat. Dat brengt je als lezer in de war omdat de waardering van een gebeurtenis tweeledig is: wat in het verhaal gebeurt, sneuvelt in de fictieve roman en andersom. Voeg daarbij dat het verhaal geschreven is vanuit de herinnering van de vertelster die regelmatig twijfelt of ze het zich wel goed herinnert en de verwarring is compleet. Deze constructie maakt het verhaal moeilijk te verteren.

    Het eind van het verhaal wordt gepresenteerd als een roman, maar daarvoor zit er te weinig ontwikkeling in. Het is een monotoon, gedetailleerd en procesmatig beschreven verhaal over het zelfonderzoek van een vrouw met een obsessie.

    Wie van taal houdt, kan zijn of haar hart ophalen. Wie wil worden meegevoerd door een verhaal, kan er beter niet aan beginnen.

     

     

  • Van nobele wilden tot criminele opportunisten

    Van nobele wilden tot criminele opportunisten

    Midden jaren tachtig vorige eeuw verscheen de tweedelige roman Ségou van Maryse Condé. Een indrukwekkend epos over een Afrikaanse koninklijke familie in het 19e eeuwse Mali dat een avontuurlijk (dus romantisch) beeld geeft van de Toearegs en waarin Timboektoe nog Tombouctou heette.

    Als 24 jarige jongeman reist de latere Afrika- journalist Gerbert van der Aa in 1992 met de auto naar Mali om die daar met winst te verkopen. Hij wordt beroofd en ontvoerd door Toearegs en wat voor velen een reden zou zijn om daar nooit meer terug te keren, is voor hem het begin van een levenslange fascinatie voor dit volk. Hij schreef eerder boeken over Libië, Nigeria en Soedan. Terug naar Timboektoe is zijn meest recente reisverslag of beter gezegd, een bundeling reisverslagen waarvan het eerste in 1992 is opgetekend en het laatste in 2013.

    De Toeareg is een volk dat tot de verbeelding spreekt en het enige islamitische volk waarvan de mannen hun gezicht sluieren in plaats van de vrouwen. Ze bestaan uit tientallen stammen en strijden al decennia lang voor een onafhankelijke staat, Azawad. Ze noemen zichzelf Imouharen, ‘vrije mensen’ en kwamen voor het eerst in 1990 en voor het laatst in 2012, in opstand tegen de regering van Mali.
    Dat de Toearegs een blanke huiskleur hebben en zich daarop laten voorstaan, leidt tot veel achterdocht bij de donker gekleurde Afrikanen. Er zou zelfs sprake zijn van een blank complot tegen die laatsten, volgens hen. Dat is onder andere wat Van der Aa optekent tijdens zijn reizen door de Sahara.

    Onderweg naar Timboektoe bezoekt Van der Aa in Ségou zijn vriend Boubacar die hij in 2003 in Algerije heeft leren kennen. Deze vriend wilde ooit illegaal naar Europa reizen maar de boot die hem naar Malta zou brengen verdwaalde en keerde terug naar de Libische kust. Boubacar kan er om lachen dat zijn initiatief op deze wijze tot een einde kwam. Maar, schrijft Van der Aa: ‘In westerse kranten worden jongens als Boubacar afgeschilderd als wanhopige vluchtelingen, maar hij ziet zichzelf in de eerste plaats als avonturier.’

    Als reiziger laat Van der Aa zich niet van de wijs brengen en vormt steeds zijn eigen mening waardoor zijn boek een sterk autonoom karakter heeft. Nadat hij vier dagen in Timboektoe heeft doorgebracht, schrijft hij: ‘Timboektoe had me niet teleurgesteld. De negatieve verhalen vond ik onterecht. Dat de stad betere tijden had gekend, was een feit. Maar die vergane glorie vond ik juist een van de charmes. Als je goed zocht kon je overal de sporen van dat roemruchte verleden vinden.’
    Over de Toearegs doen veel verhalen de ronde. Ze verdienen hun geld met mensen- en goederen smokkel. In de buurt van Mali komt hij een transportondernemer tegen die zegt: ‘Overal waar ze opduiken is trammelant. Je kunt geen afspraken met ze maken. En als het wel lukt om overeenstemming te bereiken, zijn ze altijd ontevreden. Toearegs gedragen zich als kleine kinderen die hun zin niet krijgen.’

    Wat dit boek zo aantrekkelijk maakt is dat Van der Aa geen partij kiest, hij is verslaggever maar bovenal is hij reiziger. Vanaf zijn eerste ontmoeting met de Toearegs en de vele negatieve verhalen over hen later, blijft Van der Aa ze onbevangen tegemoet treden en dat maakt dat ook dit boek iets wegheeft van een avonturenroman. Wat je al vermoedde, geeft hij in het laatste hoofdstuk toe, als hij de moord op drie Nederlandse mannen in 2000 in de woestijn aanhaalt. Deze mannen maakten elk jaar een reis naar een gebied waar het niet helemaal pluis was. ‘Ik herkende in de drie mannen veel van mezelf. Ook ik reisde graag naar gevaarlijke gebieden.’ De gevaarlijke reizen geven hem energie. ‘De tochten door de Sahara vormden een spannende afwisseling voor mijn bestaan in Nederland.’

    Daar tegenover staan de momenten in de woestijn waar de schrijver het ook voor doet. Hij stond met autopech en drie Toearegs namen hem op sleeptouw. Na een uur stopten ze om op een houtvuur eten te koken.’Terwijl Rhissa thee zette, haalde een van zijn passagiers een gitaar uit de vrachtauto. Even later klonk de desert blues van de Toearegs door de woestijn.’ En even daarna legt de schrijver zich in het mulle zand te slapen.

    Al lezende groeit het besef dat elke reis met een ontvoering of erger kan aflopen.  Bewondering dan ook, voor een schrijver die steeds opnieuw en schijnbaar onbevangen de Sahara betreedt en verslag doet van een kant van een verhaal, waar we hier in Europa geen zicht op hebben.

     

  • ‘Roken brengt u en anderen ernstige schade toe’ 

    ‘Roken brengt u en anderen ernstige schade toe’ 

    Onder deze mild-ironische titel schetst de auteur de opkomst van de tabak in de wereld, later van de sigaret in het bijzonder. Hierna volgen discussies over de schadelijke neveneffecten van sigarettenrook; de toenemende bewijzen ten aanzien van het ontstaan van kanker en de verwoede, verbeten strijd van de tabaksindustrie voor marktbehoud.

    Wanneer er heden ten dage over de sigaret wordt geschreven gaat het meestal over de vraag: hoe komen we er vanaf? Een soort nasleep wellicht van het feit, dat in de jaren 50 en 60 bijna elke man rookte en vele vrouwen eveneens. Totdat bleek hoe schadelijk en zelfs dodelijk de sigaret kon zijn.

    De bevrijding van Nederland in 1944 en 1945 door Amerikanen en Canadezen bracht sigaretten en chocola. En met name de sigaretten vormden een zodanige behoefte dat  ‘de regering zich beijverde om de tabaksindustrie zo goed en snel mogelijk op peil te krijgen’. Aldus schreef in die dagen het Limburgs Dagblad op zijn voorpagina.

    Christoffel  Columbus landde in oktober 1492 op Cuba. Zijn landinwaarts gestuurde manschappen troffen aldaar geen hoogwaardigheidsbekleders aan – men dacht in de Oost te zijn – maar rokende Indianen. Die hadden de tabak in maisbladeren gerold, staken het ene uiteinde aan en zogen aan het andere uiteinde de rook naar binnen. De expeditie keert terug met tabak. Volgens toenmalige geruchten is de tabak heilzaam voor de gezondheid. En dat niet alleen, het is ook een genotmiddel. Overigens ook toen al niet onomstreden. Europa krijgt te maken met pauselijke verboden; tabak zou een duivelskruid zijn afkomstig van heidense, verachtelijke Indianen. Toch was de opmars van de tabak, aanvankelijk vooral als pijptabak, niet te stuiten. Opvallend is daarbij, dat de tabak van Nederlandse bodem niet alleen gerookt kan worden, maar vooral geschikt is om te snuiven en te pruimen. En… de Europese overheden hebben er een ontdekking bij gedaan: je kunt, net als bij zout, suiker en bier, belasting heffen over het populaire product. En dat is tot op de huidige dag gaande. Het heet accijns en levert veel inkomsten op.

    In de loop van de 19e eeuw ziet men vooral de opkomst van de sigaar. Vooral voor de hogere stand. Er ontwikkelde zich rond de sigaar een speciale etiquette. Zo mocht er aanvankelijk in het bijzin van dames geen sigaar worden gerookt. Maar na het gezamenlijke diner trokken de heren zich terug in de rookkamer; èn om de rooklucht uit de kleding te houden èn om de dames niet lastig te vallen met de stank, deden de heren speciale avondkleding aan, de smoking. Die kon dan na gedane zaken weer worden gewisseld voor het dinner jacquet.

    De opmars van de sigaret vindt plaats aan het einde van de 19e eeuw; in Leiden werden rond 1870 de eerste sigarettenrokers op straat gesignaleerd. Aanvankelijk bepaalden de loonkosten – elke sigaret moest handmatig worden gerold – de prijs van de sigaret maar na 1878 werd het Europese publiek verblijd met de komst van een Cubaanse sigarettenmachine, die 60 sigaretten per minuut kon maken! Deze machine kreeg navolging en terwijl de markt groeide en de prijs van de sigaret daalde deed de term ‘the poor man’s smoke‘ zijn intrede. En er werden grote reclamecampagnes gestart, deels gericht op de jeugd, die geacht werd het roken van sigaretten stoer te vinden én goed voor de gezondheid (!)

    Toch waren er – als altijd – tegenkrachten, en rond de wisseling van de 19e naar de 20ste eeuw was men algemeen van mening dat de sigaret niet zo gezond kon zijn. (In die tijd was men nog volstrekt onbekend met het feit, dat roken longkanker en hartziekten kon veroorzaken. Men meende veeleer, dat het roken nadelig was voor het verstand. In 1906 kregen schoolkinderen die op roken waren betrapt een briefje voor de ouders mee).

    Toch was de opmars van de sigaret niet te stuiten en tabak behoorde tijdens de Eerste Wereldoorlog tot de standaarduitrusting van soldaten uit beide kampen. En tijdens de beroemde kerstbestanden, zoals in 1914, is het uitwisselen van sigaretten een deel van de verbroedering tussen de strijders van beide fronten.

    Na de Eerste Wereldoorlog verdween grotendeels het taboe op het roken door vrouwen, hetgeen reclamemakers nieuwe impulsen gaf. Zij huurden bijvoorbeeld prominente vrouwen – actrices, zangeressen, sportsters – in om hun voorkeur voor Lucky Strike te beklemtonen. Tot hen behoorde de beroemde Amelia Earhart, die eerst als passagiere, later als solo-vliegenier de eerste vrouw was op een trans-Atlantische vlucht. Zij verklaarde, dat er tijdens de overtocht continu Lucky´s gerookt werden en dat dit de vriendschap tussen de reizigers verstevigde.

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt er in Nederland aanvankelijk nog stevig gerookt maar in 1942 gaat de sigaret op de bon. Iedere Nederlandse man heeft het recht op 40 sigaretten per week, vrouwen hebben het recht op hetzelfde aantal maar pas vanaf hun 25ste. Het blijft tobben met de tabak maar na de ellendige oorlogsjaren verblijdden de geallieerde bevrijders het volk met sigaretten en chocola. En de sigaret kreeg een imago van iets kenmerkends voor de intellectueel. De filosofe en politiek denker Hannah Arendt stak de ene sigaret met de andere aan, schrijver Albert Camus rookte non-stop, maar filosoof Jean-Paul Sartre spande de kroon; in een van zijn laatste interviews voor zijn dood (in 1980) antwoordde hij op de vraag wat hij als het belangrijkste beschouwde in zijn leven: ‘Ik weet het niet, alles, leven, roken’ .

    Vroeg in de jaren vijftig vond een kentering plaats. Toen publiceerde Britse onderzoekers Bradford Hill en Richard Doll de resultaten van onderzoek waar ze al in 1947 mee waren begonnen. Ze stelden – het betrof 2500 patiënten – een statistisch verband vast tussen roken en longkanker. Dit onderzoek stuitte op veel kritiek, maar uit diverse andere onderzoeken bleek hetzelfde. Maar de sigarettenindustrie liet zich niet zonder meer inpakken; de fabrikanten verenigden zich in ‘Tobacco Industry Research Company’. De strategie: zo veel mogelijk twijfel zaaien in de publieke opinie, ‘verkocht’ als bijdrage van de tabaksindustrie aan de wetenschappelijke zoektocht naar de waarheid. Tegelijkertijd deed de filtersigaret zijn intrede waardoor vele rokers gerustgesteld werden.

    Het jaar 1964, nu precies een halve eeuw geleden, wordt wel gezien als een definitieve doorbraak in de strijd tegen longkanker. In dat jaar waarschuwde de ‘Surgeon General‘, de hoogste adviseur van de Amerikaanse overheid op gezondheidsgebied, nadrukkelijk voor de gezondheidsschade door roken. Hij doelde daarbij niet slechts op longproblemen, maar ook op hart- en vaatziekten.

    Nederland is dan, in tegenstelling tot Engeland en de VS, nog niet toe aan rechtszaken van zieke rokers tegen de tabaksindustrie, maar toch gebeurt er wel het een en ander.  Dokter Lenze Meinsma, directeur van het Koningin Wilhelminafonds dat zich richt op kankerbestrijding, lanceert de ene actie na de andere tegen het roken. Hij krijgt hiervoor een overheidssubsidie van twee ton, maar de overheid blijft daarin uiteraard halfslachtig; diezelfde overheid toucheert immers enorme bedragen aan tabaksaccijns. Veel erger is natuurlijk, dat dr. Meinsma – een stugge onbuigzame Fries – nagenoeg geen bijval krijgt van zijn vakbroeders. En de industrie vecht maar door voor zijn bedrijfsresultaten. De ‘Marlboro Man’, een stoere rokende cowboy wordt een propagandistisch boegbeeld. (Hij overleed overigens in 1992 aan longkanker).

    Een soortgelijke propagandist is onze eigen Johan Cruijff, ambassadeur van een bepaald sigarettenmerk. De reclame-adviseurs laten hem onder meer zeggen: ‘ik vind: je moet wel verstandig roken. Dus rook ik teer- en nicotine-arme sigaretten’. En de onwetendheid en verwarring omtrent het beleid blijkt uit zijn verweer:  ‘er is ook door het Ministerie van Gezondheid en door het Kankerinstituut gezegd dat teerarme sigaretten onschadelijk zijn (….) dus, ik maak reclame voor iets dat onschadelijk is en vervanging voor iets dat ‘misschien schadelijk zou kunnen zijn’.
    Cruijff, die als trainer van FC Barcelona twee pakjes sigaretten per dag rookte, werd in 1991 getroffen door een hartaanval. Na een succesvolle bypassoperatie kwam hij terug in een opzienbarende anti-rook reclameboodschap. Die luidde als volgt, terwijl hij een pakje sigaretten omhoog houdt; ‘in mijn leven had ik twee passies: voetbal en roken. Voetbal heeft me alles gegeven, roken heeft me bijna alles afgenomen’, dan trapt hij de sigaretten weg… 

    In 1987 wordt in Nederland een nieuwe Tabakswet van kracht. Tot grote opluchting van de tabaksindustrie komt het niet tot een algeheel reclameverbod, maar wél wordt afgesproken, dat er geen pogingen meer zullen worden ondernomen om jongeren aan het roken te krijgen; tabaksreclame in scholen wordt gestaakt en die in het openbaar aan banden gelegd.
    De strijd tussen de roker en de niet-roker wordt er eentje tussen de gelovige en de ongelovige. De een kan zich niet voorstellen waarom de roker er niet mee stopt, de ander begrijpt niet waarom hem zijn vrijheid niet wordt gegund.

    Hoe zal het nu verder gaan? Verwacht mag worden, dat er in Nederland hoe langer hoe minder zal worden gerookt. Al kan men van rokers nog steeds argumentaties beluisteren in de trant van: ‘Nou, dan leef ik maar 10 jaar korter, so what?’ Die rokers moeten eens gaan kijken in een verpleeghuis waar een aanzienlijk percentage éénbenigen verblijft; het andere is eraf ‘gerookt’.

    Het verminderde rookgedrag voor de westerse wereld mag een gegeven zijn, in de ontwikkelingslanden – Afrika en Azië met name – zijn er groeimarkten. De sigaret wordt bijvoorbeeld op het Afrikaanse platteland met enorme billboards aanbevolen als onderdeel van een welvarend en succesvol bestaan. Ook in opkomende economieën (India, Brazilië en de Golfstaten) omarmt men de westerse leefstijl – vet en zout eten, alcohol drinken en roken.

    Het valt niet te ontkennen: de macht van de tabaksfabrikanten en de geraffineerde verdediging van hun financiële belangen maken het tot een enorme opgave de schade als gevolg van het roken te beperken. Zoals een historicus ooit schreef: ‘De geschiedenis kende nog nooit een product, dat zó populair, zó winstgevend en zó dodelijk is’. We zullen moeten aanvaarden, dat de opmars van – met name – de sigaret in andere dan onze delen van de wereld nog wel even zal voortduren.

    De beste sigaret voor uw gezondheid biedt de geïnteresseerde een vrijwel volledig overzicht van de plaats die de tabak zich in de loop der tijden in de wereld heeft verworven.

     

     

    Bronnen:  1) Friso Schotanus: De beste sigaret voor uw gezondheid. Uitg. Atlas Contact Amsterdam/ Antwerpen 2014. 2) Bolt T.L.; Huisman F.G. Roken in een risicocultuur. Ned Tijdschr Geneeskd. 2014; 18 oktober blz. 1828-50.
  • Biografische schets van zoon over succesvolle vader

    Biografische schets van zoon over succesvolle vader

    Dat Geert van Istendael (Ukkel, 1947) opkeek naar zijn vader blijkt wel uit de titel van zijn nieuwste boek Gesprekken met mijn dode god. Daar had hij alle reden toe. De Vlaamse August Vanistendael (1917-2003) (de spatie onderscheidt zoon van vader) groeide op onder armoedige omstandigheden en stierf met een eredoctoraat en de titel van Minister van Staat op zijn naam. Ook moet hij één van de meest bereisde mensen van zijn tijd zijn geweest, gemeten naar het aantal kilometers dat hij aflegde in vliegtuigen. Tel daarbij op dat hij drie dichtbundels gepubliceerd heeft en een grote rol speelde in de christelijke, internationale vakbeweging en je kunt begrijpen dat zoon een keer ‘over deze man moest schrijven’.

    Van Istendael, inmiddels 62 en vanaf 1993 voltijd schrijver, beschrijft het leven van zijn vader door hem aan te spreken, hem zich voor te stellen, zijn geschriften te lezen, zijn gedichten te bespreken en zijn oude vrienden na te reizen. Hij begint zijn verhaal min of meer in de vorm van een roman en gaat dan langzaam maar zeker over in een meer beschouwende biografische stijl. Latere hoofdstukken zijn in de vorm gegoten van een journalistiek verslag en het boek eindigt met een overzicht van de poëzie van zijn vader.

    In het begin is het dus proza dat je als lezer onder ogen krijgt. August, of Guske, is nog niet geboren als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt. Het gezin vlucht tijdens de Eerste Wereldoorlog naar Engeland, waar Guske geboren wordt. Twee jaar later zijn ze terug in Vlaanderen en straatarm.

    Het tweede hoofdstuk leest als een kort verhaal. Het wordt verteld door een gespierde kapelaan. Hij is het die de kleine Guske uit de armoede van de Rode Straat van Sint Truide tilt.

    Het is vlot geschreven proza met enkele romantische details. Zo maakt de kapelaan indruk op de arbeiders die hem met geweld de straat uit willen drijven door zijn spierkracht te tonen en een zware zak op te tillen. En alsof dat nog niet genoeg is, bijt hij ook nog de kop van een rat af. Een detail dat overigens niet representatief is voor de rest van het boek. De kapelaan maakt van de jonge Guske een katholiek en biedt hem via studie een uitweg uit de armoede.

    Met het beschrijven van de ontluikende liefde tussen zijn vader en zijn moeder loopt de trein uit de rails. Geert van Istendael merkt op dat hij zich nog steeds zijn ouders niet vrijend kan voorstellen. Vervolgens probeert hij wel hun meest intieme gevoelens voor elkaar aan de lezer voelbaar te maken. Dat lukt hem uiteindelijk niet goed.
    Foto’s met herinneringen voeren ons terug in de tijd met Van Istendaels commentaar als ‘voice over’. We ontmoeten zijn moeder als onderwijzeres. We kijken in de hoofden van de geliefden mee en lezen delen van de liefdesbrieven die ze elkaar schrijven. Van Istendael legt daarbij teveel nadruk op wat we nu eigenlijk lezen. Uit de citaten blijkt een net niet uitgesproken, groot verlangen naar elkaar dat door de sociale omstandigheden en het katholieke geloof pas met een huwelijk vervuld zou worden. Van Istendael legt het teveel uit, zodat je als lezer meer op Van Istendael let dan op het liefdesverhaal dat hij vertelt. Hij zit zijn ouders zo dicht op de huid dat we het drama niet meer kunnen zien. Toch weet hij het enigszins goed te maken door het verhaal te verplaatsen naar zijn tante en oom, hoe zij het huwelijk van hun zus met een groots etentje proberen te voorkomen. Het verhaal ademt even, krijgt kleur en glimlacht.

    Maar dan stopt het proza toch echt. Er volgt een vrij lang biografisch middenstuk over de succesvolle carrière van vader Gust bij de Internationale Christelijke Vakbond (ICV). De oorlogstijd is dan al met een paar bladzijden afgedaan. Het zijn de jaren vijftig en zestig waarin Gust voortdurend de wereld rondreist op zoek naar broeders in de strijd tegen armoede en voor solidariteit. Want niet alleen katholieken ook aanhangers van andere wereldgodsdiensten kunnen zich aansluiten bij de ICV, dat later Wereldverbond voor Arbeid is gaan heten. Het is een klein stukje, niet oninteressante, sociale geschiedenis waar we kennis mee maken. Over de christelijke, katholieke vakbeweging die in concurrentie met de socialisten de arbeidsomstandigheden wil verbeteren.

    Ondanks Van Istendaels vlotte stijl wordt het hoofdstuk vrij taai als hij aan de hand van citaten van zijn vader diens motieven en denkbeelden gaat analyseren. Wie en wat was August Vanistendael? Katholiek, met een grondige hekel aan het communisme, solidair met de armen, en vechtend tegen de gezagsdragers van het Vaticaan, wereldreiziger en dichter. Het is een biografische schets van een zoon over zijn succesvolle vader die overigens nergens echt kritisch wordt. Vader was nooit thuis, weten we al vanaf de eerste pagina. Ook na zijn pensioen was hij voortdurend op reis. Van Istendael draagt hem dat niet na. Zijn moeder noemt hij een onbestorven weduwe, maar wat de afwezigheid van haar man voor haar echt betekende, krijgen we niet te horen. Was hij haar wel eens ontrouw? Het is een vraag die van Istendael zich niet stelt.

    Voor mij wil vader dan ook niet echt tot leven komen. Van Istendael probeert dat goed te maken door terug te keren naar een prozastijl en vader zelf, fictief, aan het woord te laten. We lezen over een toespraak en het zingen van Schubert in Togo. Maar die overgang van een biografische stijl naar proza valt bij mij niet goed. Het eerste is iets te droog, het tweede te zoet. Het verhaal raakt uit evenwicht en vindt de balans niet meer terug.

    Het fragmentarische karakter van het boek wordt nog versterkt door twee journalistieke hoofdstukken die welbeschouwd niet over zijn vader gaan, maar over een vriend en naaste medewerker, Pater Vekemans. Deze zou in Chili banden gehad hebben met de CIA tijdens de verkiezingen in 1964, die niet door Allende maar door de katholieke Frei Montalva werden gewonnen. Van Istendael, voormalig verslaggever van de BRT, doet journalistiek verslag van gesprekken in Ecuador en Chili met oude vrienden van zijn vader. Aardig voor wie zich interesseert voor de buitenlandse inmenging in de Chileense politiek in die jaren, maar als literair verslag wat minder interessant.

    Ten slotte volgt nog een beschouwing over zijn vader als dichter. Zoals gezegd publiceerde August Vanistendael drie dichtbundels. Het is een liefdevolle beschouwing van een zoon van de poëzie van zijn vader. De gedichten doen mij persoonlijk te weinig om heel erg geboeid te worden.

    Al met al is Gesprekken met mijn dode god een teleurstellend boek voor een lezer die niet direct op zoek is naar informatie over August Vanistendael. Zoon Van Istendael heeft geprobeerd een monument voor zijn in 2003 gestorven vader te schrijven. ‘Het werd mijn moeilijkste boek’, schrijft hij op de achterflap en helaas worstel je als lezer soms mee. De liefde van de zoon voor de vader proef je wel, maar liefde alleen blijkt niet genoeg. 

     

  • Een bijzonder debuut

    Een bijzonder debuut

    In het debuut van Philip Snijder zien we Bickerseiland (Amsterdam) door de ogen van een 11-jarige jongen. Hij woont daar samen met zijn ouders. Zijn moeder heeft altijd op het Bickerseiland gewoond, evenals haar familie, ooms en tantes, neven nichten. Iedereen loopt bij elkaar in en uit, een privéleven is er nauwelijks. De familie bestaat uit sjacheraars, ze leven van de autosloop en louche handeltjes of zijn werkeloos. Iedereen was ‘eigen’ van elkaar. ‘Eigenlijk bewoonden wij gezamenlijk één enorm onderkomen, met lange gangen en vele kamers, dat zich uitstrekte van het Bickersplein tot de brug naar de Realengracht.’

    Zijn vader is een Groninger die moeite heeft met deze enorme familie, hij zal altijd een buitenstaander blijven. Wel komt iedereen naar hem toe als er ‘moeilijke’ brieven geschreven moeten worden. Maar de jongen begint zich steeds minder ‘eigen’ te voelen.

    ‘De gedachte die ik de afgelopen tijd steeds moeilijker kon wegduwen was dat er iets vanzelfsprekends aan mij ontbrak en dat in mijn familie dit besef aan het doorbreken was: dat die jongen van Beppie, als was hij tussen hen geboren en opgegroeid, niet een eilander was als zij.’

    Het probleem is dat hij goed op school is. Hij kan goed leren en wil gaan doorleren. Er is een heilig ontzag voor dit gegeven. Als de jongen zijn Franse les moet leren houdt heel de familie zich stil. Wat uniek is, alles zit altijd bij opa en opoe en ratelt en kwettert door elkaar heen. Ook de jongen gaat vanuit school nooit naar huis maar naar opoe.

    Via zijn heldere observaties maken we kennis met de handel en wandel van de familie. De oom die elke dinsdag beschonken thuis komt, maar hij is wel altijd vóór het eten thuis. De oom en tante waarvan de jongen het zondagskind is, wat inhoudt dat hij elke zondag even bij ze op viste gaat en een ‘piekie’ (gulden) krijgt. Opa en opoe die de spil van de familie zijn. De vrouwen die uit het raam hangen en overal commentaar op hebben. Geweldig is het verhaal van het feest waar iedereen opgedoft naar toe gaat. De hele buurt leeft mee. Maar ook maken we kennis met zijn ouders die steeds vaker ruzie hebben. De jongen ziet het maar sluit zich er voor af, totdat het niet meer kan.

    De buurt is benauwend en warm, hilarisch en triest, kleinzielig en groots. Philip Snijder heeft alles haarscherp geregistreerd, tot in details, de sfeer op Bickerseiland proef je, maar hij heeft buiten het verhaal van het eiland ook enkele personages neergezet die je niet snel zal vergeten. Vooral de vader die waardig overeind probeert te blijven onder het geweld van de luidruchtige, vrij platvloerse familie. Verder de jongen zelf, die een innerlijke ontwikkeling doormaakt waarin hij soms naïef en soms wijs is. Een bijzonder debuut en met veel plezier gelezen.

     

  • Een schrijver die het metier goed beheerst

    Een schrijver die het metier goed beheerst

    Schrijver en vertaler Rob van Essen (1963) schreef eerder vier romans waarvan vooral Kwade Dagen de nodige publiciteit genereerde. Hij heeft een christelijke achtergrond en dat wordt in dit nieuwe werk Het jaar waarin mijn vader stierf uit de doeken gedaan. Toch zou ik Van Essen absoluut geen typisch christelijke schrijver willen noemen. Hij zet zich niet af tegen zijn achtergrond, maar plaatst er wel de nodige vraagtekens bij. De vader van de auteur was in de Here en Van Essen schreef een roman in de vorm van dagboeknotities, waarin zijn vader een allesoverheersende rol speelt. Maar er is duidelijk meer.

    Van Essen heeft een gezond gevoel voor humor en dat geeft het boek ondanks de gitzwarte achtergrond de broodnodige luchtige noot mee. Het boek doet af en toe denken aan de mooiste werken van de te vroeg overleden Henk van Teylingen, die zich na een gereformeerde opvoeding bekeerde tot de Hare Krishna. Zo ver zal het bij Rob van Essen wel niet komen, want tussen de regels door deelt hij af en toe ferme tikken uit aan het New Age-gezweef. Aan de andere kant trakteert hij ons op humoristische, filosofische uitstapjes en kleine overpeinzende observaties. (‘Hij was zo overgevoelig, dat hij zich nog het liefst zou verontschuldigen als hij over iemands schaduw fietste.’)

    Het geloof staat ver van hem af, maar de vragen over de inhoud van het leven zijn duidelijk gebleven. Af en toe krijgen we de indruk dat de wapens hem uit handen zijn geslagen. Wat nu? Gelukkig doet hij ook aan zelfspot en schetst zichzelf als een onhandige knaap waar het vrouwen betreft, iemand die een drankverslaving wist af te zweren en nu aan de Prozac is. Zou dat allemaal waar zijn? Van Essen volgt behoedzaam het spoor terug. Hij spreekt zijn spijt uit over de vroege verhuizing van het gezin van Amstelveen naar het platteland. Als het gezin in Amstelveen zou zijn gebleven, hoe anders was de jeugd van Rob en zijn broers en zus dan verlopen? Rob – blijkt later – heeft zich uiteindelijk  gevestigd in Amsterdam, maar is hij daar niet zelf een buitenstaander, iemand die het gewoel van de stad maar al te graag verruilt voor lange fietstochten langs Ouderkerk, kortom langs de boorden van diezelfde stad.

    Vader was schoolmeester, later hoofdonderwijzer bij de School met den Bijbel en het gezin volgde hem steeds naar zijn nieuwe werkplek. Verder schreef vader kinderboeken, kindertoneelstukken en veel columns in o.a. het Reformatorische Dagblad. Een aantal jaren zwoer hij het geloof af, maar waarom dat precies was en ook vooral waarom hij later terugkeerde in de moederschoot der kerk wordt niet duidelijk. Het is een van de raadsels, die Rob van Essen graag had willen oplossen maar wanneer zijn vader gestorven is, blijkt dat hij verzuimd heeft de goede vragen te stellen toen het nog kon. Zou de cynische man er überhaupt op hebben geantwoord, wanneer het hem zou zijn gevraagd? De band tussen vader en zoon bestaat uit het samenwerken aan kleine projecten, Rob maakt enkele illustraties bij een kinderboek van zijn vader en zal later met zijn computerkunde op de proppen komen om verhalen voor hem te rubriceren. De illustraties worden door de uitgever geweigerd maar het boekje verschijnt toch. Dat is opvallend omdat Van Essens vader eerder had uitgeroepen: ‘Ze publiceren het maar met jouw tekeningen of helemaal niet!’ Een dubbele moraal?

    Aandoenlijk zijn de momenten waarin Van Essen citeert uit het werk van zijn vader. Een poging achter de persoon en de drijfveren van de gesloten man te komen, die maar ten dele slaagt. We zien de vader in – wat later zal blijken – zijn laatste levensjaar, snel achteruit gaan. Rob van Essen maakt dat proces, bewust en van heel dichtbij mee. Zelfs zo dichtbij, dat hij bij zijn vader in bed gaat liggen om over hem te waken in het ziekenhuis. Maar of hij hierdoor echt dichterbij komt blijft de vraag.
    De gedichten van zijn vader zijn nergens meer te vinden, ook niet nadat Rob alle spullen uit de studeerkamer van zijn vader nog eens heeft uitgezocht. Waren daarin niet juist de gevoelens van zijn vader vervat? Van Essen vraagt zich na de dood van zijn vader af waarom het hem zo weinig doet. Hij komt niet echt bij zijn emoties. Lijkt hij wellicht op zijn vader? Rob zelf wilde eerst dominee worden, maar waarom hij dat niet werd komen we niet te weten.

    Hilarische momenten beleven we verder tijdens een kunstweek op een camping, waarin Van Essen gestrikt wordt deel te nemen aan diverse activiteiten, waar hij niet op zit te wachten. De buitenstaander moet naar voren treden, maar wordt gered door de bel.
    De grote dilemma’s van het leven, hoe we met de dood omgaan, met roem, met ons verleden, met naastenliefde, vergeving, spelen luchtig door het boek heen, maar zijn er wel degelijk. Dat Rob van Essen deze thema’s niet uit de weg gaat is zeer in hem te prijzen, dat hij zichzelf op een badinerende wijze neerzet zo mogelijk nog meer. Ook de beschrijvingen van de natuur zijn van een ingehouden, haast metafysische kracht. De fragmenten uit popsongs en uit de filosofie, de ontmoetingen met andere schrijvers, alles staat in het teken van de eerdergenoemde thematiek. Het wordt tijd dat Van Essen met dit puntgave boek doorbreekt naar de plek in de Nederlandse literatuur die hij verdient. Een vakman, die het metier zo goed beheerst als hij, verdient dat. Zijn vader zou er om geglimlacht hebben.