• Dijk als Dorbeck

    Dijk als Dorbeck

    In de nieuwe roman van H.M. van den Brink krijgt de naamloze ik-persoon zijn gepensioneerde oud-collega Karl Dijk in een koortsdroom op bezoek. Althans: zo lijkt het op het eerste gezicht. Al lezend krijg je steeds meer het gevoel dat er iets anders aan de hand is. Is de koortsdroom een koortsdroom of is Karl Dijk echt aanwezig?
    De ik-figuur verzucht als hij zelf ook met pensioen is op een gegeven moment: ‘Nadat ik ook nog de trapleuning had geschuurd en afgelakt […..] was ik klaar. Maar klaar voor wat? Ik ben bang dat de verschijning van Karl Dijk bedoeld is als een antwoord op die vraag’.
    Is Dijk een demon die in dromen komt spoken of is het de vleesgeworden herinnering, een teken om niet(s) te vergeten.

    ‘Karl Dijk. Een naam als twee klappen met de vlakke hand op een hard oppervlak. Een schokvrije marmeren tafel met weeginstrumenten.’

    Dromen
    Dijk
    is een verhaal van verlangen en niet-weten: de ik-persoon kijkt terug op zijn werkende leven en vraagt zich af wie zijn collega Dijk was en ook wat hij was. Het is merkwaardig dat hij dat pas gaat doen als Dijk al lang weg is.
    De ik-figuur droomt nacht na nacht over een wandeling langs de gracht. Hij loopt achter een bekende gestalte, wil hem inhalen wat niet lukt. En dan is daar die koortsdroom. De gestalte uit zijn droom herinnert hem aan Dijk, zijn collega bij de Dienst voor het IJkwezen waar de twee hun hele werkende leven hebben doorgebracht. Dijk is niet aanwezig op zijn eigen afscheid. De ik schrijft de afscheidsspeech die de directeur zal voordragen.

    De roman is mooi opgebouwd in tijd, aan de hand van een aantal lijnen: één die begint met de droom, één waarin de directeur de afscheidsspeech voorleest, één met het schrijven daarvan en tot slot één met de hoogte- en dieptepunten uit de carrière van de ik-persoon. Van den Brink wisselt die verschillende lijnen mooi af.

    Evenwicht
    Dijk is een harde, stugge man; heel anders dan de zachtmoedige, wat softe ik-persoon. In de loop van de roman kom je summier iets over Dijk te weten (hij is te vondeling gelegd in de oorlog en zou een kind zijn van een Duitse militair), maar verder weet je niets over zijn privéleven. Ook niet over het privéleven van de ik-figuur overigens. Je weet nog net dat hij getrouwd is met (inmiddels oud-) collega Ada en dat hij twee kinderen heeft.

    Dijk is maar met één ding bezig: er moet juist gemeten worden: een kilo is een kilo, een meter is een meter. Er wordt dan ook verwezen naar de standaardkilo (Le Grand K) in Parijs als een soort relikwie. Dijk vertaalt alles in meten, wegen en feiten: ‘Evenwicht is op zichzelf niet interessant, evenwicht zegt niets over waarde’. Hij blijft ook zijn hele leven dezelfde Dijk, net zoals die standaardkilo. Je zou Dijk kunnen zien als De IJk: hij is de verpersoonlijking van het IJkwezen. Dijk is een man uit één stuk: hij heeft genoeg aan zijn achternaam.

    De ik-figuur is anders: ‘Gewoon geen mening hebben en geen conclusies trekken, dat lijkt niet erg bevredigend maar werkt soms wel het beste’.

    Terugblik
    Je kunt de roman lezen als een beschrijving van een voorbij leven: met weemoed en bijna met heimwee wordt terug gekeken naar vroeger. Van den Brink beschrijft dat mooi, bijna zoals Bordewijk: de jaren 50 met zijn kneuterigheid, de bakker, de slager, de schillenboer. Het IJkkantoor, later BV Metrifact, de avonturen die de ik-figuur in de polder meemaakt, de schrijnende armoede, de macht van de staat. Zoals de twee collega’s naar de Dienst kijken, kijken ze ook naar de staat.
    Ook de sfeer die op het kantoor heerst is tekenend: benauwend, maar ook gestructureerd en gezellig. Het gebouw waarin de dienst is gevestigd illustreert de macht: een grote, hoge hal, met een dreigend in de nok opgehangen kunstwerk en een geometrische vloer: Bordewijkiaans. De ik-figuur die de afscheidsspeech voor zijn directeur schrijft, mag daarvoor het dossier van Dijk inzien in een klein kamertje in de kelder: helemaal alleen en verlaten en weggestopt, alsof het niet gezien mag worden.

    Bewijs
    De ondertitel van deze roman is Een vergelijking. De vraag zou kunnen zijn: bestaat Dijk wel? In De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans werpt de schrijver het probleem op van het al dan niet bestaan van een dubbelganger die Dorbeck heet. Is Dijk een Dorbeck? Is de vergelijking niet alleen die tussen de ik en Dijk en tussen de standaardkilo en alle andere gewichten, maar ook in de ik? Wil de ik-figuur graag zijn zoals Dijk? Kijkt hij in de spiegel en bevalt het hem niet wat hij ziet? Is hij jaloers op Dijk die gewoon zijn gang gaat en zelfs niet op zijn eigen afscheid komt opdagen?
    Er is geen bewijs: de roman wordt vanuit het ik-perspectief verteld, je kunt niets controleren. Het lijkt logisch te constateren dat Dijk wel heeft bestaan: kijk maar naar zijn afscheid. Maar misschien moet je dat afscheid zien als het afscheid van de identiteit van de ik-persoon die op dat moment wel fysiek aanwezig is. Er zijn verschillende aanwijzingen voor die theorie bijvoorbeeld omdat de ik-figuur zich afvraagt: ‘Kun je een droom hebben in een droom?’, of vanwege de vele opmerkingen over de tijd, en het motto Time is the longest distance between two places.

    In deze prachtige, zeer gelaagde roman zijn er veel en mooie verwijzingen naar De donkere kamer van Damocles van Hermans.
    De mooiste is misschien wel dat dreigende kunstwerk dat in de hal van het IJkkantoor hangt, waarnaar de ik-figuur aan het einde van de toespraak opkijkt. ‘Ik zie een man die zijn werk doet, zijn werk afmaakt, op wie je rekenen kan. Ik weet het nu zeker: er staat een versleten leren tas naast hem op de loopbrug. Hij heeft een grote moersleutel in zijn hand.’

     

     

  • Meer dan een magische vertelling

    Meer dan een magische vertelling

    Wat gebeurt er als de grenzen tussen onze wereld en de wereld van de fictie vervagen? Dan ontstaat er een oorlog waarin zelfs het onmogelijke mogelijk wordt. Twee jaar acht maanden en achtentwintig nachten doet verslag van de Oorlog der Werelden en zijn effect op de menselijke realiteit. Met zijn nieuwe roman weet Salman Rushdie thema’s als geloof en rede naar een hoger plan te tillen.’

    Dit zijn de eerste regels van de recensie die Ruby Wolthuis voor Literair Nederland schreef. Haar recensie was nog niet af toen zij begin januari onverwachts overleed. Ruby Wolthuis was nieuw bij Literair Nederland. Als eerbetoon aan haar en als dank voor haar bespreking over het nieuwste boek van Salman Rushdie, publiceren wij hier hieronder delen uit die eerste versie van haar recensie.

    Duizend-en-één-nacht
    Rushdie slaagt erin de Arabische mythologie hedendaags te maken. Zowel de traditionele geest in de fles als een tot leven gekomen digitale stripfiguur komen voorbij. Hij toont aan dat verhalen tijdloos zijn, omdat ze altijd in een moderne vorm kunnen worden gegoten.’

    In Twee jaar acht maanden en achtentwintig nachten is er sprake van ‘Peristan, een wereld parallel aan de aarde, [die] wordt bevolkt door de jinns, die tegen alle wetten van de menselijke realiteit ingaan. Jinns kunnen in geestverschijning voorkomen, een menselijke gestalte aannemen of zelfs een mensenlichaam overnemen. Jinns kunnen zich razendsnel verplaatsen, voor mensen onhoorbare tonen waarnemen en maandenlang slapen. Verder zijn jinns onaandachtig, grillig en individualistisch.’

    De roman wemelt van de verschillende verhalen en personages. Als voorbeeld neemt Wolthuis het verhaal van de jinn Dunia die verliefd wordt op een aardbewoner en vele kinderen met hem krijgt.
    ‘Wanneer Dunia één van haar verre nazaten, hovenier Geronimo, ontmoet, herkent zij meteen het uiterlijk van haar grote liefde in hem. Op haar beurt probeert ze Geronimo’s wensen te vervullen door de gestalte van zijn overleden vrouw aan te nemen.

    Hij legde zijn handen om haar gezicht, en plotseling, ondraaglijk, voelde het verkeerd. Haar kin: een onverwachte verlenging. Je bent haar niet, zei hij, wie of wat je ook bent, je bent haar niet. Ze luisterde onder zijn woorden en veranderde iets. Probeer het nog eens, zei ze. (…) Zij kleedde zich in het lichaam van zijn geliefde vrouw, en hij besloot niet te merken dat Dunia’s stem niet die van Ella was, dat ze zich niet gedroeg als zijn vrouw, en dat de gedeelde herinneringen die een liefdespaar verenigen grotendeels ontbraken in haar gedachten.”

    Wolthuis schrijft dat Rushdie zijn personages door middel van een eigen taalgebruik herkenbaar neerzet. Ze vindt dat hij dat soms zo ver doorvoert dat het hinderlijk wordt, ‘bijvoorbeeld bij een jong personage dat wel heel erg ‘hip’ praat en veel ‘fuck’ gebruikt. Gelukkig gaat het om korte passages en is de rest van de roman prachtig geschreven, met relevante thema’s die Rushdie afwisselend groots en subtiel beschrijft.’

    Wolthuis sluit af met de volgende alinea:

    ‘Twee jaar acht maanden en achtentwintig nachten is meer dan een magische vertelling: het gaat om de tegenstelling tussen liefde en haat, tussen feit en fictie en tussen geloof en rede. De roman laat ons zien tot welke gruwelen zowel liefde als haat kunnen leiden. Maar het laat ons vooral zien wat er gebeurt als we de rede laten varen en blijven geloven in de grote verhalen.’

     

    Ruby Wolthuis had een bachelor Psychologie en een bachelor Nederlandse taal en cultuur behaald in Nijmegen en was dit studiejaar begonnen aan een master Neerlandistiek, Redacteur/editor aan de Universiteit van Amsterdam.
    Zij had zich november 2015 aangemeld bij Literair Nederland als recensent. Uit haar CV en een meegestuurde proefrecensie bleek dat zij een aanwinst zou zijn voor onze website. Ruby Wolthuis werd 24 jaar.

     

     

  • Wat is natuur nog in dit land?

    Wat is natuur nog in dit land?

    Zouden er nog mensen zijn die het de dichter Bloem nazeggen: ‘Natuur is voor tevredenen of legen’?

    In Woody Allen’s Manhattan stelt hoofdpersoon Isaac zich de vraag: ‘Why is life worth living?‘ Zijn antwoord: Groucho Marx, Willie Mays, het tweede deel van de Jupiter Symfonie, Potato Head Blues in de uitvoering van Louis Armstrong, Zweedse films, L’Education Sentimentale van Flaubert, Marlon Brando, Frank Sinatra, de appels en peren van Cézanne, de krab in een bepaald restaurant en, tenslotte, Tracey’s gezicht. Pas het laatste item op de lijst, het gezicht van het meisje waar hij verliefd op is, brengt hem in beweging.
    De natuur schittert hier door afwezigheid. De vruchten zijn geschilderd en de krab is gekookt.

    Nee, dan het volgende lijstje: egel, tuinslak, houtduif, zilvermeeuw, steekmug, veldmuis, pimpelmees, blauwe reiger, spreeuw, kruisspin. Tien dieren die we regelmatig te zien krijgen (als we onze ogen de kost geven) – en waar we mogelijk verveeld of geïrriteerd van wegkijken. Maar zijn het niet wonderen der natuur, met wie we de planeet delen en wat meer is, zijn ze geen familie?
    En is het besef dagelijks omringd te zijn door een verbluffende werkelijkheid, waar we bovendien zelf deel van uitmaken, niet een geweldige, troostrijke ondersteuning in het ongemakkelijke bestaan?

    Wat is zo’n braaf, cultureel kijk-mij-eens lijstje steriel en saai vergeleken bij wat de natuur ons biedt: het mirakel van de biodiversiteit en de spectaculaire levensvormen die we daar aantreffen. Richard Dawkins noemde niet voor niets een van zijn boeken over dit onderwerp The Greatest Show on Earth.

    Portretten
    Dat tiental beesten komt uit het boek In de ban van het beest, Nederlandse dieren door de ogen van hun kenners van Volkskrant-journalist Caspar Janssen, een erg fijn boek, waarin 65 in Nederland voorkomende dieren, sommige zeldzaam, andere algemeen voorkomend, worden geportretteerd in woord en beeld. 25 Van die 65 zijn vogels, 15 zoogdieren en 12 insecten. De rest is mengelwerk.
    De geschreven portretten beginnen en eindigen met een aanhalingsteken, want de auteur heeft zichzelf uit de tekst weggeschreven. Het zijn de enthousiaste kenners die het woord voeren. Het boek doet denken aan de natuurverkenningen van de onvolprezen Koos van Zomeren.

    De stukken, elk zo’n drie bladzijden groot, zijn wel wat opsommerig. Je moet er dus niet te veel achter elkaar lezen, want allemachtig, wat kom je veel te weten! En wat val je van de ene verbazing in de andere! Daarvan straks een paar voorbeelden.

    De begeleidende foto’s zijn mooi maar helaas erg gefotoshopt. Elke achtergrond is verwijderd. Hooguit is het takje te zien waar een vogel op zit; soms zie je de (kunstmatige?) schaduw van het dier. Erg onnatuurlijk. Bovendien doet het geen recht aan een onderwerp dat in dit boek telkens terugkomt, te weten de onverbrekelijke band tussen organisme en biotoop. Als illustratie zijn deze staatsieportretten eigenlijk nogal ouderwets.
    In het nawoord lezen we dat ‘bijna alleen foto’s van levende dieren’ zijn gebruikt. We kunnen dus gaan speuren naar de dode exemplaren. De insecten misschien? De raaf? Het fotoshoppen maakt het raden lastig.

    65 Dieren, dat betekent hier zo’n 60 specialisten. Daaronder zegge en schrijve vier vrouwen: voor de egel, het pimpernelblauwtje, de lepelaar en de boomvalk. De gemiddelde leeftijd is hoog; hele levens zijn vol toewijding in het veld doorgebracht. We komen bekende namen tegen, d.w.z. bekend bij het grote publiek, zoals Rob Bijlsma (maar niet met de wespendief), Remco Daalder (niet met de gierzwaluw) en Theunis Piersma (niet met de grutto). Menig geïnterviewde heeft gepubliceerd, is verbonden aan Wageningen of Naturalis en/of is actief in een gespecialiseerde studiegroep. Gezegend het land waar Stichting Anemoon actief is, Werkgroep Grauwe Kiekendief, de Oehoewerkgroep en nog zo veel andere clubs.
    Misschien doen we er bij In de ban van het beest goed aan, niet van 65 maar van 66 boeiende soorten te spreken, want hoort de toegewijde en enthousiaste geleerde niet ook in dat gezelschap thuis?

    Wat leert dit boek ons?
    We lezen over de achteruitgang van populaties in verband met de veranderingen in de landbouw (ook over vooruitgang, want er is soms gelukkig goed nieuws). Over de gevolgen van de klimaatverandering. Over opvattingen omtrent bepaalde soorten die dankzij langdurige observatie (‘monitoring’) en degelijk denkwerk misvattingen blijken te zijn. Over ‘uitsterven’ (het telkens weer misbruikte woord om het lokaal verdwijnen van een soort mee aan te duiden) enerzijds en over herintroductieprojecten en oprukkende exoten anderzijds. Over eten en gegeten worden en de dwingende voortplantingsdrang, het alfa en omega van het dierenbestaan. Kortom, over ontwikkelingen in de natuur, over gedragspatronen van soorten en over verbazingwekkend en soms ontroerend gedrag van individuele dieren. Macro en micro. Alles geïllustreerd met talloze soortspecifieke voorbeelden.
    Al deze dingen vindt u, globaal, ook wel in krant en weekblad. Maar dit boek geeft u daarenboven een schat aan miraculeuze wetenswaardigheden die een mens doen beseffen: de werkelijkheid is het ware wonder.

    Drie voorbeelden
    Over de haas: ‘(…) dat jonge hazen elke avond, drie kwartier na zonsondergang, terugkomen naar de plek waar ze zijn geboren (…) Een kwartier later komt ook de moeder en worden de jongen gezoogd. De moeder zit daar drie minuten; dan heeft ze er genoeg van en springt ze weer weg. Na ongeveer een maand komt de moeder niet meer (…) Sindsdien denk ik vaak, een uur na zonsondergang: op dit moment worden alle jonge haasjes in heel Nederland gezoogd’.
    Over de grauwe gans: ‘Grauwe ganzen zijn monogaam; ze blijven hun hele leven bij elkaar, totdat een van beide komt te overlijden. Dan zoekt de overblijvende meestal, na een tijdje, een nieuwe partner. Maar soms gaat de overblijvende gans ook snel dood, uit een soort verdriet. Ik heb het zelf wel gezien, zo’n beest dat heel hoog in de hiërarchie staat, zijn partner verliest en dan zieligjes, alleen, aan de rand van de groep zit. En vervolgens is hij binnen no time ook dood’.
    Over de rode bosmier: ‘Mieren hebben over belangstelling niet te klagen. Van ingenieurs, vanwege de constructie van mierenhopen, maar ook van filebestrijders vanwege het feit dat er op de mierenpaden geen files voorkomen. In het verleden bestudeerden veel paters mieren, waarschijnlijk omdat ze onder de indruk waren van de discipline en opofferingsgezindheid van de werksters, die zichzelf immers niet voortplanten’.
    Deze citaten laten meteen zien hoe voortreffelijk Caspar Janssen de verhalen heeft opgeschreven.

    Ach, die Isaac uit Manhattan, alter ego van zijn schepper, is een grootsteedse, ongehuwde, kinderloze, neurotische intellectueel voor wie Central Park al het summum van wilde natuur is. Hij zou dit boek moeten lezen.

  • Een ontroerend boek

    Een ontroerend boek

    ‘Ma ontving nooit post! De brief zag er formeel uit.´To miss Francelyne Cummings, afzender Sarah Cummings.´ Ma legde hem met een trillende hand op de keukentafel. Albert brandde van nieuwsgierigheid. De brief bleef twee dagen ongeopend op tafel liggen, toen was ie weg. Albert vroeg moesje ernaar. “Ik heb hem teruggebracht naar het postkantoor”, zei ze. “Waarom?’” Vroeg Albert. Moesje bromde: “M’n moeder wou me niet, nu is het te laat.” ‘

    Fancelyne Evelyne Cummings, Fansi, was de dochter van Sarah Cummings, een blanke vrouw, en een onbekende zwarte man.  Ze werd in 1905 in het noordwesten van Suriname geboren, in Nickery, een plaatsje waar ooit, ten tijde van de slavernij, het plantageleven bloeide, maar waarvan in Fansi’s tijd al weinig meer over was. Zij groeide op bij pleegouders en heeft haar eigen moeder nooit gekend. Zij had alleen een foto van haar. Dat zij een blanke moeder had, bleef voor haar kinderen lange tijd een goed bewaard geheim. Toen zij daar achter kwamen was de verbijstering groot. Fansi was ongetrouwd en kreeg negen kinderen uit verschillende relaties. Het gezin leefde in de jaren dertig in Paramaribo in armoedige omstandigheden, dicht op elkaar. Fansi had, als wasvrouw voor de blanken, weinig opleiding en stond er eigenlijk helemaal alleen voor. Om de armoede te ontvluchten, vertrokken bijna al haar kinderen in de jaren zestig naar Nederland. In 1970 vertrekt ook Fansi naar Nederland waar zij tot haar dood in 1979 is blijven wonen.

    Tessa Leuwsha werd in 1967 in Amsterdam geboren. Zij is de kleindochter van Fansi. Leuwsha volgt de omgekeerde route. Zij gaat in 1995 haar vriend achterna naar Suriname, sticht een gezin en besluit zich er definitief te vestigen. In Fansi´s tijd was Suriname nog een kolonie van Nederland, nu is het een onafhankelijk land.

    Tessa Leuwsha raakt steeds meer gebiologeerd door de vraag hoe Fansi het allemaal heeft gerooid. Wie was haar oma eigenlijk? Haar vader heeft haar nooit veel verteld, evenmin als haar ooms en tantes, die zij overigens zelden zag. Hoe kon een gezin dat in Suriname zo op een kluitje had geleefd in Nederland zo uiteen zijn gevallen? Zij besloot op zoek te gaan naar haar Surinaamse wortels door haar ooms en tantes te interviewen.

    Boeiende gesprekken

    Deze interviews leveren de structuur van het boek. Fansi had negen kinderen. Dit betekent negen gesprekken vervat in negen hoofdstukken. Elk interview wordt gevolgd door één of twee wat meer beschouwende hoofdstukjes, waarin Leuwsha reflecteert op de voortgang van haar onderzoek en de nieuw te nemen stappen. Zij begint de reeks met haar oudste oom Albert in Suriname en eindigt met haar jongste tante Mildred in Nederland. Het levert negen prachtige portretjes op van heel verschillende mensen met een gemeenschappelijke band, Fansi. Ontluisterend, maar ontroerend tegelijk is bijvoorbeeld het verhaal van Albert die met zijn vrouw een bezoek aan zijn moeder komt brengen in Nederland en ´s-avonds in het donker de weg kwijt raakt en langs de kant van de weg stopt om met een zaklantaarntje de kaart te bestuderen. ‘Een verblindend licht, een portier zwaait open, iemand hield een pistool in de aanslag. “Politie, uitstappen! Handen op het dak en benen spreiden!…………” Albert was maar wat blij weer naar Suriname te kunnen terugkeren.’ Daarnaast levert het een reis door de tijd op, van Albert, die nog dicht bij het leven van Fansi in Suriname staat en van Mildred, vergroeid met het leven in Nederland, maar ook door de geschiedenis van Suriname, van Nederlandse kolonie tot onafhankelijk land. Hoewel een echt inzicht in de persoon van Fansi nooit verkregen kan worden door enig historisch onderzoek, krijgen we toch steeds meer zicht op de wereld van Fansi en dus op Fansi zelf.

    Hartverscheurende ontdekkingen

    In het hoofdstuk ‘Huize Cummings’ blijkt Leuwsha feitelijk te zijn vastgelopen in haar onderzoek. Hoewel het duidelijk is dat er in het leven van Fansi nog sporen zijn achtergebleven van de slavernij, blijft het moeilijk die ook aan de hand van documenten echt zichtbaar te maken. Maar dan komt het toeval haar te hulp in de vorm van een mailtje van een nazaat van Fansi’s pleegfamilie. Plotseling komt zij veel meer te weten over de rol die de slavernij heeft gespeeld, vooral in het leven van de pleegmoeder van Fansi, maar waarschijnlijk ook in dat van Fansi zelf. Dit zorgt voor een versterking van de spanningsboog in het boek en levert onverwachte inkijkjes op in het leven van Fansi en haar pleegmoeder. Zo wordt steeds duidelijker waarom Sarah Cummings haar dochter meteen na de geboorte waarschijnlijk heeft afgestaan. De pleegmoeder blijkt nog geruime tijd slavin te zijn geweest. Daardoor komt zij gedurende het onderzoek wat meer in het brandpunt van de belangstelling te staan.

    Ook de speurtocht zelf die Tessa Leuwsha onderneemt langs allerlei archieven is boeiend om te volgen en brengt ons in contact met stukjes Suriname en Guyana buiten Paramaribo. Het maakt duidelijk wat voor diepe wonden de slavernij heeft geslagen, ook nog in de volgende generaties. Fansi vertelde nooit iets over het verleden en ook haar kinderen praten er eigenlijk nooit over. Als Tessa Leuwsha haar ooms en tantes benadert met de vraag of zij hen mag interviewen over dat verleden, zijn zij dan ook verrast en vaak in eerste instantie wat afhoudend. Als echter het moment van het interview is aangebroken, blijken zij er graag over te praten.

    Tessa Leuwsha heeft een prachtig boek geschreven vol liefdevolle portretjes van gewone mensen. De goed geconcipieerde structuur van het boek maakt het spannend en zorgt ervoor dat de lezer haar zoektocht geboeid blijft volgen. Haar betrokkenheid bij het onderwerp zuigt de lezer mee in de bizarre en vaak ontroerende restanten van het slavernijverleden die doorwerken in het individuele leven van de mensen. Prachtig zijn bijvoorbeeld de foto’s waarop Fansi alleen en samen met haar pleegzus staat afgebeeld met een traditioneel gevouwen hoofddoek op. Niet zozeer omdat buitenissige foto’s altijd leuk zijn, maar vooral omdat Tessa Leuwsha in haar boek schrijft dat deze hoofddoeken in de tijd van de slavernij op verschillende manieren gevouwen werden om bepaalde boodschappen aan elkaar duidelijk te maken. Zij mochten immers niet met elkaar praten tijdens het werk. Dit maakt de foto’s ontroerend.

     

     

  • Tussen prikkelende column en zure recensie

    Tussen prikkelende column en zure recensie

    De titel van het nieuwste boek van Jean-Pierre Geelen, van 2009-2015 tv-criticus van de Volkskrant, doet vermoeden dat hij ons met de balans van die zeven vette (en zo te lezen vooral magere) jaren wil leren zelf kritisch televisie te kijken. Door zijn ogen. Zijn ogen worden aan de ene kant getrokken door het beeld, maar aan de andere kant ergert hij zich er ook vaak aan. Eigenlijk zoals iedereen min of meer geniet van ‘pareltjes. Prachtige, ontroerende, humoristische, opwindende, informatieve en verdiepende programma’s’. En zich op z’n tijd ergert aan ‘middelmatige, platte of zelfs ronduit beschamende televisie’.

    Tv kijken moet je leren
    Het is volgens Geelen een misverstand dat iedereen tv kan kijken: het ‘is zoiets als kinderen krijgen en opvoeden: iedereen denkt het te kunnen, maar niemand heeft het ons ooit geleerd. Daar moet nodig iets aan gebeuren’.
    Hij leert, als het onszelf al niet was opgevallen, te letten op ‘kruisbestuiving’: gasten die om beurten bij elkaar aanschuiven. Iets dat overigens in enigerlei vorm voor de hele mediawereld opgaat. Of op de lach van iemand: is deze echt of ‘gemaakt’. Ook in technische zin wil Geelen dat we verder kijken dan onze neus lang is: naar ‘de opzet, de cameravoering, de regiekeuze, de montage’.

    Dat ís ook leerzaam en doet tevens denken aan de technische kant van films, hoewel de auteur zegt daar niet veel mee op te hebben, net zomin als met sport. Dat eerste is jammer, want je kunt je afvragen of de ‘kruisbestuiving’ die hier optreedt, tussen film en televisie, de film wel goed doet. Het antwoord op die vraag komen we niet te weten. Het tweede, de a-sportiviteit, heeft volgens Geelen ook een voordeel: ‘verwondering over de vastlegging die miljoenen kijkers zich laten welgevallen’.
    Dit neemt allemaal niet weg, dat Geelen het geziene dat hij beschrijft, wanneer er aanleiding toe is, niet in een context plaatst die het thema of programma overstijgt. Zo zou het best leuk zijn geweest, als Geelen nog steeds recenseerde, om te weten wat hij van de discussie over Sesamstraat vindt, geplaatst in de context van het kijkgedrag van kinderen en de opkomst van minder traditionele kanalen.

    Flauw
    Schrijven over tv zweeft op die manier tussen prikkelende column en ‘klassieke’ recensie in  – dat is zijn ideaal. Dit lukt niet altijd. Een conclusie over het weerbericht is een beetje flauw: ‘Het regende flink in het noorden, in Limburg daarentegen toonde het zonnetje zich van zijn beste kant. Alsof kijkers de hele dag op een andere planeet vertoefden’. Het is immers net als met de tv-kritiek zelf: de lezer van de recensie ziet zelden het besproken programma, maar leest er wel graag over. En de bewoner van Amsterdam weet graag wat voor weer het bij vrienden in Enschede is. En dan hebben we ’t helaas nog niet eens over soms al even flauwe woordgrappen als ‘obese is mij te vet’ en: ‘de gal van Galjaard’.

    De wat negatief ingestelde, humoristische en ironische toon lijkt halverwege het boek wat positiever te worden. Dan gaat het (even) over ‘prachtige en indrukwekkende televisie’. Over de film De regels van Matthijs en de documentaire Het beste voor Kees. Al kan het ook hier niet zonder een sneer: onbegrijpelijk ‘dat de publieke omroep het genre met zoveel onachtzaamheid en soms ronduit dedain lijkt te behandelen’.

    De troost van televisie
    Waar het adagium van kunst-, muziek-, film- en andere critici is dat je meer van dergelijke uitingen leert te genieten door je erin te verdiepen en erover te lezen, lijkt het doel van Geelen te zijn minder van tv te genieten door beter en kritischer te (leren) kijken. Soms heeft hij gelijk, maar heel vaak ook niet.
    Dan ben je toch liever, zoals hij het in het laatste hoofdstuk, ‘Uitgekeken’ omschrijft, een ‘vrij kijkende lezer’. Of een vrij lezende amateurkijker, die de knop omzet in plaats van zich gaat zitten ergeren. En dan een boek pakt. Bijvoorbeeld – al is er ondertussen veel veranderd, dat is duidelijk – De troost van televisie (1993) van Wim Koole. Want dat kan ook. Al zal Geelen het ten stelligste ontkennen.

     

  • De onbegrijpelijke muze van het boekenvak

    Jonathan Galassi debuteert met een satirische sleutelroman over de Amerikaanse uitgeverswereld Muse, vertaald als Toen boeken nog boeken waren. Galassi (1949) werkt al zijn hele leven in die wereld. Nu is hij directeur/uitgever van de New Yorkse uitgeverij Farrar, Straus and Giroux, bekend om haar Nobelprijswinnaars en de hoge kwaliteit van de boeken die zij uitgeeft. Galassi is behalve uitgever, ook dichter en vertaler van vooral Italiaanse boeken.

    Waar gaat zijn debuutroman over? Hoofdpersoon is Paul Dukach –alter ego van Galassi- die voor een uitgeverij, Purcell & Stern (P&S) gaat werken waar Homer Sterns (alter ego van Robert Straus) de scepter zwaait. De concurrerende uitgeverij, Impetus Editions, wordt gerund door Sterling Wainwright die de zeer succesvolle dichter Ida Perkins uitgeeft. Sterling is haar achterneef, met wie ze ook een relatie heeft gehad. Beide mannen gunnen elkaar niets en Sterns is erg jaloers op Wainwright; niet alleen omdat hij Ida Perkins uitgeeft maar ook omdat hij veel Nobelprijswinnaars in zijn fonds heeft.

    Ida Perkins werd al op jonge leeftijd geprezen om haar gedichten en zal haar hele leven blijven schitteren aan het literaire firmament tot zij in 2010 op vijfentachtig jarige leeftijd in Venetië overlijdt. Zij wordt beschouwd als een van de grootste dichters van haar tijd en president Obama heeft haar sterfdag uitgeroepen tot nationale vrije dag. Deze Ida Perkins is overigens een werkelijk fictief personage, zij staat niet model voor een bestaande Amerikaanse dichteres.

    Het hele verhaal is gedrapeerd rond Paul Dukach en zijn liefde c.q. obsessie voor de dichteres. Hij wil haar eigenlijk uitgeven maar zij zit bij de concurrent. Uiteindelijk weet hij op het einde van haar leven met haar af te spreken. Zij woont dan met haar man, graaf Leonello Moro di Schiuma, een notoire kunst- en vrouwenverzamelaar, in Venetië, in het zestiende eeuwse familiepaleis Palazzo Moro aan het Canal Grande. Wanneer Paul haar daar opzoekt wacht hem een aangename verrassing.

    Behalve over de relatie tussen Paul Dukach en Ida Perkins, gaat het boek vooral over het boekenvak in de VS. Veel bestaande schrijvers en de coterie eromheen passeren de revue; de lezer die goed is ingevoerd in het Amerikaanse boekenvak zal daarin veel herkennen, en kunnen (glim)lachen om de hilarische anekdotes die Galassi uit zijn rijke ervaring weet op te diepen en smeuïg opdist. Ook de Frankfurter Buchmesse en de wijze waarop uitgeverijen zich daar presenteren en handelen om uitgeefrechten komt uitvoerig aan bod. Wanneer verwacht wordt dat Ida Perkins de Nobelprijs voor de literatuur zal krijgen en gewacht wordt op de bekendmaking ervan, schrijft Galassie:

    ‘Na eindeloos lang wachten werd gezegd dat Hendrik David uit Nederland voldoende stemmen had weten te krijgen om de prijs in de wacht te slepen. Er werd gezegd dat hij dat al jaren verwachtte en dat hij elk jaar op de ochtend van de bekendmaking geduldig naast de telefoon zat.

    Maar het gerucht bleek niet waar te zijn. Dries van Meegeren, een andere, nog obscuurdere Nederlandse essayist, had gewonnen, en dat ontketende een ware run op de vertaalrechten, die nog beschikbaar bleken te zijn. Uitgevers uit de hele wereld, die nog nooit van de man hadden gehoord, dromden samen in de normaal gesproken lege Nederlandse hal in de hoop een Nobelprijswinnaar aan de haak te slaan. De stand van De Bezige Bij, de gelukkige uitgever van Van Meegeren, leek op een terminal van een vliegmaatschappij na een gecancelde vlucht. (David kwam de bittere teleurstelling nooit meer te boven en overleed enkele jaren later.)’

    Dit, voor de Nederlandse schrijvers niet zo complimenteuze citaat, is illustratief voor het boek. Het wemelt van dergelijke anekdotes en wie niet goed is ingevoerd in het Amerikaanse boekenvak, zal veel ontgaan. Veel personen passeren de revue, hun literaire prestaties, hun positie in de literaire Amerikaanse wereld, hun onderlinge verhoudingen en persoonlijke vetes, hun reisjes naar de Frankfurter Buchmesse, hun status aldaar, etc.

    Nu weten wij wel dat Hendrik David staat voor Harry Mulisch, maar Dries van Meegeren, wie wordt hier bedoeld? Wanneer je de talloze sleutels die in de roman staan niet kunt gebruiken, verliest het verhaal veel van zijn aantrekkingskracht. De schrijfstijl van Galassi geeft het boek ook meer het karakter van geschiedschrijving dan van een roman.

    En hoewel hij een vlotte pen heeft, kunnen al die anekdotes en plots een lezer die deze niet kan plaatsen niet tot het einde boeien. Zijn bedoeling om een satirisch inkijkje te geven in het wereldje van het Amerikaanse boekenvak, zal aan veel Europese lezers dan ook voorbij gaan.


    Toen boeken nog boeken waren

    Auteur: Jonathan Galassi
    Vertaald door: Lidwien Biekmann
    Uitgegeven door: Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen
    Aantal pagina’s: 238
    Prijs: €24,99

  • Oogst week 39

    Door Carolien Lohmeijer

    Aandacht schenken aan mooie literatuur. Aan bijzondere boeken van hoge kwaliteit. Dat is wat we graag doen bij Literair Nederland. Ook aan literatuur die niet overal in hoge stapels in de winkel ligt. Bij Uitgeverij Wilde aardbeien verschijnen prachtige boeken van gerenommeerde of veelbelovende Scandinavische schrijvers die hier nog niet ontdekt of uitgegeven zijn.

    Een van die boeken is Herinneringen aan mijn rampspoed, een klassieker uit de Deense literatuur. Gravin Leonora Christina Ulfeldt vertelt hierin over haar 21 jaar durende gevangenschap van 1663 tot 1675. Omdat haar iedere bezigheid was verboden moest ze vindingrijk zijn: ze maakte gebruik van het papier waarin de suiker zat verpakt, de inkt maakte ze van kaarsrook die ze opving in een lepel en mengde met bier. Haar pen was een kippenveer. Het dagboek wordt een ‘uniek document humain’  genoemd dat inzicht bied in de Deense 17e eeuw en de politieke verhoudingen binnen het Deense hof. Het bevat een reeks humoristische en raak getroffen portretten.

    Herinneringen aan mijn rampspoed, Leonora Christina Ulfeldt, vertaald door Jan Baptist, Uitgeverij Wilde aardbeien, € 15,00

    PulangHet omslag van de oorspronkelijke uitgave van Naar huis, Pulang, is een stuk minder lieflijk dan die van de Nederlandse uitgave. De opgestoken vuist illustreert waar de roman over gaat, de gebeurtenissen in Indonesië in de bloedige jaren zestig van de vorige eeuw toen er jacht werd gemaakt op (vermeende) communisten en veel jonge Indonesiërs geen andere uitweg zagen dan te vluchten. Het is een dapper boek. De Indonesische overheid heeft altijd de officiële geschiedschrijving over deze tijd verdraaid en gekleurd. Generaties lang kreeg iedereen vervormd onderricht over dit onderwerp. Ook schrijfster Leila S. Chudori.

    Naar huis van is met vaart geschreven. Dimas Suryo, een Indonesische journalist trekt met drie collega’s door de wereld, het avontuur en de vrouwen achterna. Maar na de communistische zuivering van 1965 kunnen ze niet meer terug. Jaren later bezoekt zijn Naar huisdochter Lintang het land van haar vader. Ze wil een documentaire maken over de ballingen, maar het loopt anders. Het is 1998: de revolutie die Soeharto ten val zal brengen, staat op het punt uit te breken. Met dit boek won de schrijfster in 2013 de belangrijkste Indonesische literaire prijs, Khatulistiwa Literary Award.

    Naar huis, Leila S. Chudori, vertaald door Hendrik Maier, Uitgeverij De Geus, 480 pagina’s, € 24,95

     

    SandelhoutstrafIn eerste instantie werd het werk van Mo Yan via een Amerikaanse bewerking vertaald voor de Nederlandse markt. Begin deze eeuw stelde vertaalster Silvia Marijnissen uitgeverij Bert Bakker voor om deze grote Chinese schrijver direct vanuit het Chinees te vertalen. Tevergeefs.
    Uitgeverij De Geus kwam 10 jaar later wel met een rechtstreekse vertaling van Kikkers.
    Het winnen van de Nobelprijswinnaar voor literatuur heeft de belangstelling voor Mo Yan in Nederland een duw in de rug gegeven. Meest recente bewijs daarvan is de verschijning van zijn lijvige roman Sandelhoutstraf.

    Sandelhoudstraf, Mo Yan, vertaald door Silvia Marijnissen, Uitgeverij De Geus, 544 pagina’s, € 29,95

    Mijn gedichtenschriftBij uitgeverij Atlas Contact is verschenen Mijn gedichtenschrift van Benno Bernard. Het is een bloemlezing uit de internationale poëzie. Bernard heeft gedichten opgenomen die hem raakten, (deze vertaald) en van commentaar voorzien.  Dit commentaar gaat over het gedicht, maar ook over de tijdgeest. Sarcastisch en melancholisch.

    Mijn gedichtenschrift, Benno Bernard, Atlas Contact, € 24,99

  • Momenten van wraak, woede en (voorbije) liefde

    Momenten van wraak, woede en (voorbije) liefde

    Joan-Marc Miró-Puig, hoofdpersoon in Echtscheiding in de lucht, is een wat zware veertigjarige man van goede komaf. Zijn tweede vrouw heeft hem onlangs verlaten, hij zit in een financiële crisis en heeft net van de dokter te horen gekregen dat hij zich moet onthouden van allerlei koolhydraat-rijke producten die zijn leven nog iets draaglijk maakten. Joan-Marc probeert zijn problemen te boven te komen door op Facebook op zoek te gaan naar oude klasgenoten om de goede oude tijd te kunnen herbeleven. Pedro Maria, de enige die hem wil helpen, blijkt echter net zo’n hopeloos geval te zijn als hijzelf is en Joan-Marc gaat op zoek naar een andere manier om uit zijn depressie te komen.

    In plaats van naar een psychiater te gaan besluit Joan-Marc zijn lief en leed op papier te delen met nota bene zijn tweede vrouw. Vanuit zijn kleine appartement in Barcelona bekijkt hij de situatie waarin hij verkeert, en vertelt vol zelfmedelijden over de erbarmelijke staat waarin zij hem heeft achtergelaten. Eigenlijk is het niet eens haar schuld dat zijn leven zo slecht is. Hij wijt zijn geestelijke, lichamelijke en financiële achteruitgang aan zijn eerste vrouw.

    Zijn eerste vrouw, Helen, was een Amerikaanse die met een sportbeurs naar Spanje was gekomen. Ze leerden elkaar kennen op een feestje en hij nam haar mee naar een hotel. De seks was goed, haar beurs liep af en hij vroeg haar ten huwelijk. Niet snel daarna komt hij achter de ware aard van haar karakter. Ze is veeleisend, onrustig en raakt snel verveeld. Bovendien laat ze zich inpalmen door zijn zus, waardoor zij hem dwingt een huis te zoeken in Barcelona. Haar zoektocht naar een baan loopt op niets uit en ze stort zich op de alcohol. Tot overmaat van ramp trekt ze haar zelfwaarde omlaag door herinneringen op te halen aan haar vader, die nooit van haar heeft gehouden. Haar neerslachtigheid maakt Joan-Marc radeloos en hij stuurt haar het huis uit. Met het ticket dat hij voor haar gekocht heeft gaat ze echter niet naar Amerika zoals hij gehoopt had. Op een feestje brengt een gemeenschappelijke vriend hen weer samen om het bij te leggen. Maar een opmerking van Joan Marc valt totaal verkeerd bij Helen en wanneer hij haar de rug toekeert, steekt zij hem met een mes. Tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis, komt Helen langs en vraagt hem om een laatste kans. In een staat van verwarring gaat hij in op haar aanbod om naar een kuuroord te gaan en het uit te praten. Daar aangekomen begaat Joan- Marc al snel een enorme fout, waardoor zijn eerste huwelijk definitief mislukt.

    Echtscheiding in de lucht bespreekt het eerste huwelijk van Joan-Marc van begin tot eind en geeft bovendien aan wat de impact op een leven kan zijn wanneer een huwelijk slecht afloopt. Het is vooral de bitterheid en de verwarring waar Joan- Marc mee achterblijft. Hij spuugt zijn donkere gedachtes, pijnlijke herinneringen en rauwe gevoelens uit. Een gedachte over een bepaalde episode in zijn leven doet hem terugdenken aan een ander moment en zo wordt zijn verhaal een aaneenschakeling van sprongen door heden en verleden. Een verhaal zonder adempauzes, zonder hoofdstukken. Ellenlange alinea’s zonder komma’s of punten, die het lastig maken dit werk te lezen, maar des te meer bijdragen aan het effect van verwarring, radeloosheid, pijn, verdriet en woede. Joan-Marc is zich wel degelijk bewust van dit hink-stap-sprong verhaal en legt uit: En dus is dit niet een verslag van het heden, het is alleen een geschiedenis: mijn geschiedenis met Helen, mijn geschiedenis zonder jou’.

    Niets en niemand laat hij heel, hij is extreem openhartig en kent schaamte noch schande wanneer hij praat over de mensen die deel uitmaakten van zijn leven. Over Helen doet hij graag een boekje open: ‘Dat hele met siliconen volgestopte lijf (betaald door wie?) dat de hysterische en paranoïde stem van Helen omhulde, en mijn landschap van pillen, aangevreten sokken, siësta’s, sjaals en onvaste scheerbeurten beheerste’. Maar ook zijn zus wordt door de mangel gehaald: ‘Onder een bepaald soort licht kon je haar verwarren met een mens, dat geef ik toe, maar dat was een optisch effect, een trompe-l’oeil’.

    Al lijkt Echtscheiding in de lucht vanwege de thematiek een bittere pil, de Catalaanse auteur Gonzalo Torné weet de huwelijksproblematiek een zekere luchtige toon te geven. De manier waarop Torné Joan-Marc neerzet is fantastisch. Joan-Marc is een prachtig, vol karakter die door zijn acties en gedachten als een pathetisch persoon overkomt. De schuld voor zijn mislukte huwelijken legt hij bij anderen en hij ziet zichzelf vol medelijden als onschuldig. Hij geeft spottend commentaar op alles en iedereen, zelfs degenen die hem proberen te helpen, zoals Pedro María. Hoewel Joan-Marc zijn jeugdvriend ziet als een mislukkeling, is hij zelf niet veel meer. Dit zal hij echter nooit erkennen, want daar is Joan-Marc simpelweg nog te zelfvoldaan en te egocentrisch voor.

    Betiteld in Spanje als één van de beste boeken in 2013 is Echtscheiding in de lucht een werk om eens goed voor te gaan zitten. Wanneer je gewend bent aan de stijl en de structuur kun je genieten van mooie, diepe psychologische observaties aangevuld met interessante beschrijvingen over de werking van het lichaam en heerlijke momenten van wraak, woede maar ook van liefde.

     

    Echtscheiding in de lucht

    Auteur: Gonzalo Torné
    Vertaald door: Arie van der Wal
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas/Contact
    Aantal pagina’s:  384 pagina’s
    Prijs: € 24,99

  • Tussen Oost en West

    Tussen Oost en West

    Terwijl journaliste en Slaviste Laura Starink bezig was aan een boek over de verwerking van de Tweede Wereldoorlog in Letland, Rusland, Polen en Oekraïne, werd ze ingehaald door de actualiteit die ze omschrijft als: ‘De ideologische wedergeboorte van een nationalistisch, orthodox, anti-Amerikaans Russisch rijk, dat geen behoefte heeft aan de morele zondeval en de democratische waarden van het Westen’.
    Zo zijn de kaarten aan het begin van het boek meteen geschud, hoewel de soms ‘bepaald onheilspellende woorden’ die ze optekende uit de mond van de mensen die ze interviewde haar in hun vergelijkbare ongenuanceerdheid toch ook te ver kunnen gaan.

    Het boek volgt twee lijnen: de kijk op het beladen oorlogsverleden in de grensstreek tussen de machtige wereldrijken Europa en Rusland, en de mogelijke gevolgen van de recente geweldsuitbarstingen in Oekraïne. Beide lijnen zijn sterk met elkaar verweven. In de landen zelf en in dit boek.

    Het boek begint in Letland, waar van de drie Baltische staten de grootste Russische minderheid leeft. De Russen hebben er het gevoel gedegradeerd te zijn tot tweederangsburgers. Omgekeerd werden de Letten jarenlang door de Russen vernederd en overheerst. De Letten die Starink interviewde en die hun angst voor de Russen eerst relativeerden, blijken bij een herhaald gesprek ondertussen op z’n minst bedachtzamer te zijn geworden.

    Het tweede deel van het boek gaat over Polen, ‘het verloren land van Jedwabne.’ Jedwabne is de plaats waar op 10 juli 1941 een groot deel van de joodse bewoners een schuur werd ingejaagd en levend verbrandde. De daders waren niet de Duitsers, maar enkele tientallen Poolse boeren op het moment van een machtsvacuüm, tussen het vertrek van het Rode Leger en de komst van de Wehrmacht. ‘Ook hier’, schrijft Starink, ‘hebben mensen het beest in zichzelf losgelaten toen de gelegenheid werd geboden.’

    Gelukkig, tekent de auteur op uit de mond van de Poolse schrijfster Anna Bikant, doen de joden ‘hun herintrede in de Poolse geschiedenis.’ Wat niet wegneemt dat een rake beschrijving doet vermoeden dat ze zich er niet helemaal op hun gemak voelen: ‘Hoewel de bontmuts [van de chassidiem, vS] oorspronkelijk natuurlijk uit deze koude contreien stamt, draagt de man hem zoals de orthodoxe Joden het in het warme Israël doen: op een luchtig verhoginkje. Maar het vriest vandaag in Warschau. Het is alsof de Jood wil laten zien dat hij zich in Polen niet meer thuis voelt.’ Starink, die goed kan kijken, noemt het een ‘komisch detail’, maar het blijft een feit dat dit gegeven ook geldt voor sommige joden in Nederland na Brussel, Parijs en Kopenhagen. Met of zonder bontmuts.

    Het derde deel van het boek speelt zich af in Kalingrad (oorspronkelijk: Königsberg), een Russische enclave in Europa, aan de grens met Polen en Litouwen. Laura Starink poneert dat Poetin de laatste jaren gaandeweg zijn invloedssfeer wilde uitbreiden via de Europese Unie en de NAVO. Een opvatting die echter ook andersom kan worden wordt uitgelegd: Poetin die zowel door het toetreden van enkele voormalige satellietstaten tot de EU en de NAVO als door het spierballenvertoon van recente militaire oefeningen met F15’s – waar Finland en Polen aan meedoen – in zijn wiek is geschoten en rare sprongen maakt. Misschien ziet de dichter Boris Bartfelt die Starink spreekt het goed: ‘Onze grootste bedreiging is nu isolement.’

    Het laatste deel van het boek heeft Oekraïne als decor. Hier deed Starink Odessa, Kiev en Dnepropetrovsk aan. Een hoofdstuk dat de ondertitel kreeg: ‘Oorlog tussen Oost en West.’ De vraag is of je in technische zin van een oorlog kunt spreken, of dat de politiek van Poetin eerder een continuïteit is van diens annexatiepolitiek en de gevolgen daarvan. Oorlog of niet: de uitwerking kan natuurlijk, zoals de joodse oligarch Igor Kolomojski zegt, ‘een catastrofe veroorzaken in de wereld.’
    Het boek eindigt met het neerhalen van de MH17. Een paar pagina’s maar, te midden van alle andere ellende in het voormalige Oostblok: geweld, werkloosheid en honger. Maar ‘nergens is de schaduw van de grote broer zo zwaar gevallen als in Oekraïne.’

    Starink weet hoe ze moet schrijven en de spanning erin kan houden. Met een zekere ironie en soms ook dubbelzinnigheid: ‘Anna sluit de stille demonstratie af door op een witte blokfluit het Oekraïense volkslied te spelen. De klanken vervliegen in de wind en de tranen springen in je ogen.’ Als lezer vraag je je af: van emotie en/of van de wind? Ze schrijft ook met grote empathie voor de mensen die ze ontmoet: ‘Als ik de kerk uit loop, kan ik een gevoel van tomeloze tristesse niet onderdrukken.’ En tenslotte verbloemt ze de angst die haar soms overvalt niet: ‘Ik krijg kippenvel en begin me onbehagelijk te voelen.’ Dit leverde een indrukwekkend boek op. Al mist het boek hier en daar soms ook wat nuance. Zaken als het lidmaatschap van de EU en de NAVO aan Ruslands grenzen, die aanleiding geven tot spierballenvertoon van Poetin, komen bijvoorbeeld slechts terloops aan de orde.

     

    De schaduw van de grote broer

    Auteur: Laura Starink
    Uitgever: Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 344
    Prijs: € 19,99

  • Kuifje bij de Bankiers

    Kuifje bij de Bankiers

    Ongeveer halverwege Dit kan niet waar zijn haalt Joris Luyendijk Greg Smith aan, die in 2012 in The New York Times een artikel schreef onder de titel Why I left Goldman Sachs (later in boekvorm uitgediept). Smith kon niet meer tegen de cultuur bij de bank: ‘Jaren geleden hadden we Griekenland geadviseerd hoe het land met derivaten de eigen schuldenlast kon verbergen. Nu waren de rapen gaar en adviseerden we hedgefunds hoe ze munt konden slaan uit de chaos in Griekenland. Aan de andere kant van de Chinese Muur probeerden intussen onze zakenbankiers contracten binnen te halen bij Europese overheden om hun te adviseren hoe de rotzooi kon worden opgeruimd.’

    Ter voorkoming van een misverstand: de Chinese Muur uit het citaat staat niet in Azië, maar in de bank zelf. Hij moet voorkomen dat koersgevoelige informatie van de ene afdeling van de bank doorlekt naar een andere afdeling binnen diezelfde bank. Met als gevolg dat bijvoorbeeld een afdeling die overnames van bedrijven regelt informatie achterhoudt voor de afdeling die juist klanten probeert over te halen om aandelen voor zo’n bedrijf te kopen.

    Balans van een onderzoek

    Is die Chinese Muur op zichzelf al een verontrustend gegeven, de verbazing van Luyendijk geldt vooral de verveelde reacties uit de financiële wereld op het boek van Smith. Wat de bank deed was toch legaal? En dat illustreert weer een ander verontrustend punt uit Luyendijks boek: de banken vragen zich niet af of hun gedrag immoreel is; ze bewaken slechts het amorele gedrag ervan. ‘Goed’ en ‘kwaad’ worden buiten de discussie gehouden; dat soort discussie moet vermeden worden. Er wordt niet gekeken of een plan moreel deugt, maar of het ‘reputatieschade’ meebrengt. In extremis leidt dat er toe dat belastingontduiking mag, als je maar binnen de marges van de wet blijft. Om de morele vraag te ontlopen noem je het ‘belastingoptimalisatie’.

    Wie moet hierbij niet denken aan de discussie van de afgelopen weken over de salarisverhogingen van een ton in de top van ABN/AMRO? Politici en burgers repten van onethisch gedrag, maar topman Zalm presenteerde de beloning als ‘inleveren’: de bank bleef binnen de wettelijke marges en had zelfs nog hogere beloningen mogen toekennen (zelfs toen de verhoging werd teruggedraaid, werd daaraan opnieuw toegevoegd dat er eigenlijk wel recht op bestond; alsof het goodwill was, maar geen moreel punt).

    Joris Luyendijk stortte zich in 2011 in de Londense bankwereld. Hij wist weinig van financiën, maar dat stelde hem juist in de gelegenheid beginnersvragen te stellen die de gewone burger ook heeft. Hij beschreef zijn ervaringen op een online blog van The Guardian (als columns in NRC Handelsblad). Nu is er het boek met de balans van zijn onderzoek.

    Luyendijk beschrijft de financiële wereld van binnen uit als antropoloog en journalist op zoek naar omgangsvormen, cultuur en denkwereld van medewerkers van hoog tot laag in de sector. Zijn werkgebied is de City, het financiële hart van Londen. Hij heeft het daar niet gemakkelijk, want aanvankelijk krijgt hij niemand te spreken. Als dat uiteindelijk wel lukt en zijn eerste blogs verschijnen komen er reacties los die tot nieuwe gesprekken (uiteindelijk 200 in zo’n twee jaar) leiden.

    Banken wisten van niets

    Al snel brengen die hem op een essentieel punt. In het bankwezen blijken de meesten de crash van 2008 niet te hebben zien aankomen. Dat zou je een gerust gevoel kunnen bezorgen omdat het dus geen complot of samenzwering was. En die geruststelling stralen de banken uit: het was een fout, maar die is bezworen, dus alles is weer in orde: het is weer business as usual. Maar voor Luyendijk is juist dat gegeven dat niemand het zag aankomen het angstwekkende. Met andere woorden: kent de financiële wereld de risico’s van haar eigen gedrag wel? Weten ze wel waar business as usual toe kan leiden?

    Een eerste verdienste van het boek is dat de auteur duidelijk maakt dat we geneigd zijn ‘de banken’ de schuld van veel problemen te geven, maar dat de organisatie van de financiële wereld veel ingewikkelder is. Naast banken spelen ook verzekeraars en vermogensbeheerders een grote rol. En binnen de bankenwereld maakt het een groot verschil of je het over consumentenbanken hebt of over zakenbanken (Luyendijk beweegt zich vooral in de laatste).

    Planet Finance, zoals hij de financiële wereld noemt, is dus niet één pot nat; zelfs de banken zijn dat niet. Een bank is geen samenhangende organisatie, ontdekt Luyendijk, maar een verzameling individuen in machtsposities, die ze gedecideerd afschermen. Er worden hoge beloningen betaald, maar daar staat tegenover dat er geen ontslagbescherming geldt. Bij een hoog inkomen hoort een hoge levensstandaard met dure huizen in de Londense City en duur particulier onderwijs voor je kinderen. Loop dan maar eens het risico van ontslag op staande voet, omdat je je targets niet haalt.  Je hoort ook niet veel kritiek over je wijze van leven want je sociale omgeving vernauwt zich door de stress en prestatiedrang steeds meer tot een wereld van louter collega’s.

    Het stimuleert om financiële producten te bedenken die op korte termijn hoge winsten opleveren; of die producten risicovol zijn moet de klant zelf maar beoordelen (opvallend genoeg komt het woord zorgplicht in het hele boek niet voor). Maar het houdt de interne controleurs er ook vanaf om zwakke punten in de producten te signaleren. Kritiek op een risicovol product dat een hoog rendement voor de bank heeft kan tot onmiddellijk ontslag leiden.

    Gebrek aan inzicht

    Daar komt bij dat sommige producten en diensten van de bank zo complex zijn dat zelfs binnen de bank niemand ze nog snapt. Dat leidt tot misverstanden, misrekeningen en de mogelijkheid van misbruik. Als Luyendijk iets duidelijk maakt, is het dat de problemen zoals in 2008 niet moedwillig werden veroorzaakt, maar juist – overdreven gezegd –  door gebrek aan inzicht. Het grote risico zit daarom niet in de mensen, maar in het systeem dat de financiële wereld overeind houdt.

    ‘De sector is immuun voor ontmaskering’, concludeert de auteur. Als het misgaat worden maatregelen genomen om de gaten te dichten en de banken worden gered door de belastingbetaler omdat we ons met zijn allen niet kunnen veroorloven dat grote banken omvallen. Ze zijn ‘too big to fail’, want dan dondert alles in elkaar. Daarna gaat de sector op de oude voet door.

    Maar met al die ingrepen blijft het systeem overeind. Een systeem met teveel belangenconflicten en perverse prikkels. Alles woekert gewoon door: banken blijven net zo lang fuseren tot ze te groot worden om nog failliet te kunnen laten gaan; zakenbanken gaan naar de beurs waardoor de winst belangrijker wordt dan de betrouwbaarheid van zijn producten voor de klant; opnieuw worden hypercomplexe producten gecreëerd die zelfs niemand binnen de bank nog kan volgen; maar ook: nog steeds wordt geaccepteerd dat kredietbeoordelaars worden betaald door de banken waarvan ze de producten moeten beoordelen en dat accountantskantoren mogen bijklussen als consultant voor dezelfde bank waarvan ze de boekhouding moeten controleren.

    Het is een gigantisch probleem om dat stelsel te veranderen. Dat vereist internationale politieke samenwerking. Een bescheiden journalist kan alleen maar laten zien hoe gevaarlijk de sector is geworden. Daarin is Luyendijk met lof geslaagd. ‘Het kan zo weer gebeuren.’

     

     

  • Hoe Donkers hoe beter!

    Hoe Donkers hoe beter!

    Jan Donkers (1943) is de vleesgeworden paus van de popmuziek in Nederland. Een onafzienbare lijst van artikelen over dit onderwerp staat op zijn naam. Hij schreef o.a. in De Volkskrant,  stond met Willem de Ridder aan de wieg van het undergroundblad Aloha/Hitweek en hij publiceerde in NRC, Wah Wah en America Magazine. Daarnaast was hij een veelgehoorde stem op de radio. De VPRO lijfde hem in. In de jaren 60 werkte hij mee aan de Joe Blow Show, Amigos de Musica en cultuurprogramma’s Het Gebouw en De Suite. Zijn samenwerking met Peter Flik en Wim Noordhoek is vermaard.

    Donkers heeft een aantal van zijn artikelen nog eens doorgenomen en levert daar op speelse manier commentaar op. Verbindend in de bundel is een cruise die hij een aantal keren maakt vanuit Miami naar bounty-eilanden met popartiesten die tijdens de cruisse optredens. Het zijn niet de eerste de besten, waaronder Emmylou Harris, Lyle Lovett en John Hiatt. Eigenlijk vindt Donkers, dat cruises voor oude zielenpieten zijn, maar hij laat zich het reisje niet ontgaan om met artiesten in contact te komen. En om de voortschrijdende tijd onder controle te krijgen. Is popmuziek iets voor ouderen? Moeten rockartiesten op hoge leeftijd nog wel optreden? Zijn de fans niet op zoek naar iets, wat er al lang niet meer is?

    De laatste vraag hield me ernstig bezig nadat ik Bob Dylan- ook een idool van Donkers- twee jaar geleden in de Heineken Hall zag optreden. Een man naast mij vroeg zich af, terecht, welk nummer Bob ten gehore bracht, zo onverstaanbaar en vals was de troubadour inmiddels bezig, alleen de rollator ontbrak nog. Was hij er eigenlijk nog of stonden we naar een opgewarmd lijk te kijken?

    Donkers pleit in bijna al zijn stukken voor het onvergankelijk maken van popmuziek en vergelijkt de poppers met klassieke musici, waarbij het niet om de leeftijd zou gaan maar puur om de prestatie. Aan de andere kant spreekt hij zichzelf tegen. Wanneer hij bijvoorbeeld Warren Zevon (1947-2003) ten tonele voert, krijgen we medelijden met deze zich snel opbrandende feestkaars. Zevon had een aantal hits maar verviel in drugs- en drankgebruik en mishandelde zijn vriendinnen. ‘I got to be Jim Morrison a lot longer than he did!’ Morrison (The Doors!) stierf aan de drugs op jonge leeftijd, Zevon hield het langer vol, maar liet een puinhoop achter en kon uiteindelijk nauwelijks meer spelen. Zonde! Vergankelijkheid der vergankelijkheden!

    Gelukkig gaat Donkers niet voor zijn eigen stukken staan, we komen over zijn privé niet zo veel te weten en hij toont  humor, bijvoorbeeld wanneer hij de excentrieke punkzangeres Nina Hagen met enig afgrijzen beschrijft en terloops meldt dat hij toen hij haar had zien optreden, opeens begreep waarom er nog steeds schuilkelders bestaan. En we krijgen een kijkje in de keuken van het in de jaren 60 vermaarde blad Hitweek/Aloha. Undergroundvijand nummer 1, Willem Duys, werd in het blad vilein op de hak genomen. Geen wonder want hij was in die dagen wel zo’n beetje alles waar rechts verzuurd Nederland voor stond. Het lot wilde dat Donkers een muziekprogramma kreeg nadat Duys was verdwenen met zijn populaire Muziekmozaïek op de zondag. Donkers draaide uiteraard volkomen andere muziek, maar kreeg toch veel luisteraars. Aanvankelijk draaide Donkers nog veel country (Byrds) maar spoedig werd zijn keuze ruiger.

    Donkers verloochent zijn achtergrond als socioloog niet. Hij probeert het belang van de popcultuur- vooral de teksten van popsongs- neer te zetten als een fenomeen, dat uitzonderlijke invloed op onze maatschappij heeft gehad. Van de blues naar protestsongs van Dylan, Seeger en Donovan en via de Woodstockgeneratie, Country Joe, die de Vietnamoorlog aan de kaak stelde tot Johnny Rotten, het boegbeeld van de punk.

    Hij laat de ruzies zien tussen de leden van de The Wainwright Family. Loudon was destijds getrouwd met een van de McCarrigle zusters en de vechtscheiding eindigde in het elkaar bestoken met in vitriool gedoopte songteksten. De vrede schijnt nu getekend, bovendien overleed Kate in 2010 hetgeen haar ex, Loudon dan weer veel verdriet deed. Rufus, de zoon uit hun huwelijk treedt inmiddels veelvuldig op maar weigert in interviews het verleden op te rakelen.

    Van de interviews is het gesprek met Allen Toussaint, de eminence grise van de pop, het interessantst. Toussaint schreef voor de New Orleansscene muziek in de jaren 60 en 70.

    Voor Lee Dorsey schreef hij het prachtige Working in a Coalmine. Voor Irma Thomas, Ruler Of My Heart. En een groot aantal klassiekers. Maar uiteindelijk werd zijn opnamestudio verwoest door orkaan Katrina en haalde Elvis Costello hem over weer songs te gaan schrijven. Toussaint treedt zelfs op en is een icoon voor singer songwriters. Donkers ontlokt hem mooie uitspraken

    Een prettig boek met interessant materiaal, overzichtelijk gerangschikt en in hapklare brokjes opgediend. Men leze!

     

    Rock-‘n-Roll voorbij de midlifecrisis

    Auteur: Jan Donkers
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 254
    Prijs: € 19,99

  • Een tussenwereld

    Een tussenwereld

    In de nieuwe roman van Pauline de Bok plaatst de auteur consequent twee dingen tegenover en naast elkaar: de mannenwereld van de jacht en de modewereld van Luise (één van de hoofdpersonen), oud en jong, heden en verleden, Oost- en West-Europa, de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog, verzet tegen kernenergie toen en megastallen nu, een dagpauwoog en poes Tijger in doodsnood die aan hun lot worden overgelaten, natuur en cultuur en alles wat daartussen zit. Vrouwen die verzeild raken in de nachtclub van een Zwitsers hotel, in de mannenwereld van de jacht, in de Zone waar het boek zich afspeelt. Dat wil zeggen het grensgebied tussen Oost- en West-Duitsland, in – symbolisch – een tussenwereld die niet zwart-wit is, maar de grijstinten vertoont als van de steenachtige rugtekening van een everzwijn.

    Om en om wordt het levensverhaal verteld van de ruim 80-jarige Luise Zingg, die een dubbelleven leidde als spionne en een Stasi-officier liefhad, en Merel Alvarez, een jonge vrouw van Nederlandse afkomst met ouders die actief waren in het verzet tegen de komst van een kernreactor in Gorleben. Luise Zingg pachtte een jachtrevier aan de Schwarze Laake. Merel, die na de dood van haar moeder weer in de oude vertrouwde buurt is neergestreken om aan een scriptie te werken, raakt geïnteresseerd in Luises leven. Ze hoort mensen uit, maar ‘het lijkt of iedereen de lust tot roddelen vergaat zodra Luise Zingg ter sprake komt.’ Zoals ze qua woonoord dichterbij haar ouders wil komen, zo wil ze Luise ook naderbij komen; ze besluit te leren jagen. Luise meent alleen dat de jager in haar is gestorven: ‘Ik heb hem al doodverklaard toen het IJzeren Gordijn werd afgebroken. Voor mij is hij mét de Zone in het moeras verdwenen, ik wilde hem zo snel mogelijk vergeten. En nu is hij onverhoeds toch weer opgestaan.’

    Het jagen staat symbool voor de jacht op het verleden, op de spoken uit zowel de Tweede Wereldoorlog als de Koude Oorlog. De symboliek van het jagen kennen we ook uit De Boks eerdere roman Blankow of het verlangen naar Heimat (2006), waarin de personages jagen op het wild rond Blankow én op verhalen van overlevenden uit de Tweede Wereldoorlog. Iets soortgelijks is in deze roman het geval. Merels interesse in een vrouwelijke jager groeit hier uit tot interesse in het dossier van Luise Zingg in het Stasi-archief. In dezelfde tijd dat Merel het dossier leest, worden de herinneringen van Luise met de dag levendiger. Zowel aan de Tweede Wereldoorlog en de Stasi-tijd als aan de jacht.

    Het dwingendste gedeelte uit deze roman is een passage over de zoon van Luise, Lothar. Ook meteen het gedeelte waarin je je als lezer overigens het meest kunt inleven, want dat is niet over de hele linie van het boek het geval. Lothar schiet een drachtig zwijn dood. Lothars vader, Holger, is woedend, maar dit neemt Lothar niet. Hij wijst zijn vader op de daden die hij in de Tweede Wereldoorlog heeft verricht: het ‘omleggen van mensen.’ Lothar is bang dat de bloeddorstigheid van zijn vader erfelijk is: ‘Er schuilt een beest in mij, een beest waarover ik niets te zeggen heb.’
    Dat laatste kun je je afvragen: kun je het beest in jezelf niet beteugelen? Luise vindt ook dat er niets valt te vergoelijken. Daarin zijn ze het eens.

    De auteur geeft de lezer van deze ideeënroman dergelijke wezenlijke vragen mee. Die over ‘de grote jacht’ in de Tweede Wereldoorlog (de jacht en moord op de joden) kan de lezer er zelf bij denken. In die zin valt de tweede roman van Pauline de Bok te vergelijken met het familie-epos De stamhouder van Alexander Münninghoff. Op die manier past het verhaal in het huidige tijdsgewricht, waarin de aandacht inmiddels ook uitgaat naar de daders.

     

    De jaagster

    Auteur: Pauline de Bok
    Verschenen bij: Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 288
    Prijs: € 21,99