• Oogst week 46

    Bakvis

    In de oogst van deze week twee verhalen van Yolanda Entius, een leesautobiografie in essays van Daniel Rovers, Zeeuwse verhalen van Carolijn Visser en een historisch boek over 300 jaar Nederlandse walvisvaarders.

    Wat je leest ben je zelf, of: wat je leest wordt je zelf. Bakvis is een verzameling essays van Daniël Rovers over boeken die hem vanaf zijn jongste jeugd hebben gevormd en tot schrijver hebben gemaakt. Te beginnen met Pluk van de Petteflet van Annie M.G. Schmidts, de jeugdromans van Thea Beckman, De vijf van Enyd Blyton, Dagboek van Anne Frank en verder opgroeiend met Franz Kafka, Penelope Fitzgerald, Nanne Tepper en David Foster Wallace. Door deze auteurs te lezen leerde hij spreken en schrijven over verlangens en gevoelens.
    Bakvis gaat daarnaast over de meest eenvoudige en tegelijk fundamentele vragen in de literatuur. Waarom geldt het als diepzinnig om cynische boeken te schrijven? Zijn tv-series werkelijk de romans van nu? Wat is eigenlijk het verschil tussen een gedicht en een geheim dagboek? De conclusie die je uit Rovers essays zou kunnen afleiden is dat als je iets van je leven wilt maken, je aan het lezen moet slaan.

    Bakvis
    Auteur: Daniël Rovers
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny

    De titel Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny vult het voorplat met tekst, daar tussendoor kruipen verschillende soorten slakken over de letters heen. Twee verhalen, met de lengte van een novelle over eenzame en zonderlinge figuren. Het verhaal van Benito Benin gaat over de vriendschap tussen het eenzame meisje Lieke en de slak Benito. Beiden zijn niet tevreden met hun leven, eerlijk gezegd zijn ze nogal ongelukkig. Vooruit dan, de eerste zin uit Het verhaal van Benito Benin luidt: ‘Dat hij verre van gelukkig was, met zichzelf en met zijn huis, ontdekte Benito toen hij op een ochtend in april voor het eerst van zijn leven in de spiegel keek.’

    In het tweede verhaal En dat van Fanny, volgen we de ontwikkeling van iemand die het leven ternauwernood aan kan, naar iemand die de grip op haar leven volledig verliest. Ze ontwikkelt in haar eenzaamheid een obsessie voor de beroemde Alma Hendriks, van wie zij alles volgt. Ze wordt geregeld opgenomen en haar zus is de enige die haar bijstaat.
    Ook hiervan de eerste zin: ‘Ze had met alles rekening gehouden: een gorsje, fluitend in een riethaag; een puttertje, happend in de pluizen van een paardenbloem; een vleermuis, hangend in een hoek van haar kamer; een gewone muis of mol – die nagels!’ Beide openingszinnen nodigen zeker uit om er meer van te willen weten.
    Yolanda Entius vond voor dit tweeluik inspiratie bij actuele thematiek, die ze met toegankelijke toon tot persoonlijke en ontroerende verhalen wist te smeden.

    Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny
    Auteur: Yolanda Entius
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Zeeuws geluk

    Wereldreizigster en schrijfster Carolijn Visser heeft inmiddels twintig titels op haar naam staan. Voor Zeeuws geluk hoefde ze niet ver te reizen. Op uitnodiging van een Zeeuwse zorgorganisatie logeerde ze op Walcheren en Noord-Beveland in woonoorden waar ouderen met dementie leven. Zij sprak met de bewoners en hun familie, met zorgmedewerkers en vrijwilligers over de watersnoodramp, klederdracht, de Duitse badgasten en de strenge kerk. Maar ook over de weidse landschappen, het silhouet van Veere en de levendige dorpscafés. De verhalen voerden haar terug naar haar eigen verleden, waarin ze op de fiets over Walcheren zwierf, waar ze vrienden maakte, en ruzie met een leraar kreeg en uiteindelijk vertrok.
    Ze sprak, at en wandelde met de bejaarden en tekende hun verhalen op. Met actuele landschapsgezichten en historische foto’s van de eerste helft van de 20ste eeuw.

    Carolijn Visser (1956) won vorig jaar de Libris Geschiedenis Prijs en de Zeeuwse Boekenprijs met ‘Selma’, over het dramatische leven van een Nederlandse vrouw in het China van Mao. In 2013 werd haar boek ‘Argentijnse avonden’ bekroond met de VPRO Bob den Uylprijs.

    Zeeuws geluk
    Auteur: Carolijn Visser
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Walvissen groot en vet

    Sinds 1986 is de jacht op walvissen verboden, maar daarvoor was het eeuwenlang een avontuurlijke maar ook risicovolle onderneming. Meer dan driehonderd jaar voeren Nederlanders ter walvisvaart naar het Hoge Noorden. Walvissen groot en vet is een bloemlezing waarin aan de hand van authentieke bronnen beschreven is hoe de jacht op de walvissen in het tijdperk van de arctische walvisvaart in z’n werk ging. In ijzige zeewateren speelden zich avonturen en rampzalige gebeurtenissen af. De teksten zijn veelal van opvarenden die het harde leven aan boord hebben meegemaakt en zijn hertaald door Hans Beelen en Ingrid Biesheuvel.
    Met afbeeldingen die het beeld bij de verhalen compleet maakt. Uit Walvissen groot en vet blijkt de historische betekenis van de walvis en de walvisvaart voor de Nederlandse economie, wetenschap en cultuur.
    Volgens de uitgever: ‘Een boek vol spannende en relevante verhalen!’

    Walvissen groot en vet
    Auteur: Diverse auteurs
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Al het voorbijgaande vastgelegd

    Al het voorbijgaande vastgelegd

    Volgens Van Dale’s woordenboek betekent de uitdrukking ‘waarvan akte: ‘Het staat genoteerd, het is vastgelegd’. Waarom het ook de titel is van de nieuwe en vijfde dichtbundel van Onno Kosters – die in 2012 de Turing Gedichtenwedstrijd won –  wordt al duidelijk bij het lezen van het eerste gedicht ‘Duisternis’. Daarin wordt verwezen naar het begin van alles: de oerknal, de chaos, de bron van alle leven. Kosters legt de geschiedenis van het leven vast in hoogtepunten, van alles wat voorbij is, om het op die manier te behoeden voor de vergetelheid. Sommige gedichten in deze bundel zijn al in eerdere bundels verschenen.

    Onno Koster is docent Engelse letterkunde en vertaler. Hij vertaalde onder meer werk van Seamus Heaney en Samuel Beckett. Zijn liefde voor James Joyce is ook aan te wijzen in zijn eigen werk; evenals Joyce hanteert Kosters ongebruikelijke composities en plaatst hij oude mythen in een moderne setting.

    Het eerste deel begint bij de Oude Grieken met gedichten over Heracles en de beoefenaars van de klassieke Olympische sporten als discuswerpen, speerwerpen en boksen, die afgebeeld staan op vazen waarvan een foto achterin de bundel is bijgevoegd. Sporthelden – ook in de oudheid – zien hun successen graag geboekstaafd. In deze gedichten verweeft Kosters zowel archaïsch taalgebruik als moderne taal. Naast versregels als ‘Vaarwel mijn vooruitsnellende voorgangers / die ik achter mij te laten dacht’ staan woorden als ‘fotofinish’ en ‘superslomo’ in hetzelfde gedicht bijeen. Het laatste gedicht van deze afdeling is een vertaling van het gedicht ‘Darkness‘ van Byron, waarmee de cyclus van deze eerste afdeling voltooid wordt.

    Gemakkelijk zijn de lange gedichten niet, al is het taalgebruik van Kosters uitnodigend helder. In één gedicht worden meerdere verhaallijnen doorgetrokken. Door de hele bundel heen lopen intertekstuele verwijzingen naar andere dichters als Donne, Dante en Dylan Thomas (‘Mijn moeder raast, raast tegen het sterven van het licht’ in ‘Hoe Heracles verdween uit Almelo’).

    Het tweede deel van deze bundel verhaalt van een reis van de dichter door Italië, maar ook hier wordt de klassieke oudheid nog niet losgelaten, getuige een gedicht als ‘Aphrodite’. De terugkeer naar de hedendaagse tijd voltrekt zich pas in het derde en laatste deel.
    In het bijzondere gedicht Geen dagje naar het strand, dat uit vier delen van elk zes strofen bestaat, heeft elke strofe per deel dezelfde begin- en eindregel. In het eerste deel begint elke strofe met: ‘Ik ging naar zee om de zee te zien’ in een verwijzing naar de eerste regel van het beroemde gedicht van Nijhoff De moeder de vrouw. Toch valt dit rederijkerskunstje niet als zodanig op, omdat Kosters in het gedicht klassieke stijlfiguren gebruikt in een rijmloze, strakke vorm, waardoor het geheel zich laten lezen als een oud epos. Zoals alle goede poëzie laat ook dit gedicht zich niet zo gemakkelijk in één uitleg vangen.

    In het laatste deel wordt de dichter persoonlijker: het gedicht Voltooid leven beschrijft een treurig oord waar demente vrouwen hun laatste dagen slijten:

    ‘Mijn moeder die ik voer
    als met de fles een kalfje
    in de dagbesteding op -1’

    Met in de versregel ‘De vrouw die eet of ze nooit at’ klinkt even een echo van Roland Holst: ‘Ik zag een vrouw die schreed alsof zij nooit zou sterven’.

    Ook dode dichters als F. Starik en Seamus Heaney worden hier herdacht, evenals de vader van de dichter, aan wie een ontroerend en opmerkelijk eenvoudig gedicht gewijd is. Maar het hoogtepunt van de bundel wordt toch bereikt in de serie van vijf gedichten die samen ‘Et in Arcadia ego’ vormen, waarin de dichter teruggaat naar zijn idyllische kindertijd op het platteland in de Achterhoek: ‘een jongen van acht uit een dorp in het Gooi / die mocht wat niet mocht waar hij was.’ Hier herinnert hij zich de oogsttijd, de gang naar de melkfabriek, het uitmesten van de varkensstallen, maar bovenal de vriend met wie hij de streektaal sprak:

    ‘In het Barlose spreek ik de taal
    waarin ik niet werd geboren:
    die mijn eerste tweede werd
    […]
    Vijftig jaar later of er niets is gepasseerd
    spreek ik de vorm van de taal nog van daar:
    […]
    geaard waar ik niet werd gepoot – hij wel
    die ik, met mijn vloeiend Achterhoeks
    ben kwijtgeraakt’

    Als dit een eerbetoon aan Seamus Heaney is, die volgens Arjan Peters (Volkskrant 12 oktober) ‘zo graag over de varkenstroggen en rapensnijders uit zijn Ierse jeugd dichtte’, dan is het laatste gedicht uit eerbied voor John Donne geschreven. Kosters vertelt achterin de bundel bij de verantwoording dat Donne het gedicht ‘Good-Friday, 1613, Riding Westward’ schreef, terwijl zijn hart naar het oosten trok. Kosters daarentegen vertrekt in tegenovergestelde richting, getuige zijn gedicht ‘Goede vrijdag, naar het oosten’, terwijl ook zijn eigen hart de andere kant opgaat:’

    ‘naar het oosten terwijl mijn gedachten
    voeren naar het westen waar het wacht
    de zonsondergang die mijn nu al zo lang
    doffer en doffer wordende moeder ontsnapt
    die in zichzelf een immer zwarter zwart verpakt
    dat niemand vat. De nacht die valt
    was er altijd al.’

    Het is slechts schijn dat deze gedichten glashelder lijken: niet voor niets doemt de duisternis op in bijna elk gedicht. Ook in Waarvan akte is de duisternis dreigend en onontkoombaar. Alles wat voorbijgaat, is vastgelegd in deze evenwichtige, zorgvuldig samengestelde bundel. Het zijn geen gedichten die zich gemakkelijk prijsgeven, maar wie aandachtig en geconcentreerd leest, wordt beloond met het beste wat de dichter te bieden heeft.

    ‘Ik keer het oosten de rug toe door erheen te gaan.
    Als dit is wat ik achterlaat, dan is het welgedaan.’

     

  • Van de hand gods geslagen

    Van de hand gods geslagen

    Scherpzinnige observaties, fijnzinnige aandacht voor gebeurtenissen en een schilderachtige pen maken het lezen van deze beschrijvingen van het dagelijkse leven tot een groot plezier. Dewulf deelt zijn levensgeluk en zijn verwondering daarover, maar ook zijn angsten en onzekerheden met de lezer, door deze toe te laten in zijn leven en dat van zijn vrouw, zoon en dochter.
    Late dagen is een vervolg op Kleine dagen, bekroond in 2010 met de Libris Literatuurprijs, waarin hij de betekenis van zijn vaderschap beschrijft.

    Jubel en angst
    In vergelijking met zijn vorige boek zijn zijn kinderen nu ouder, worden zelfstandiger, maken eigen keuzes en gaan steeds meer hun eigen leven leiden, wat voor hem als vader niet gemakkelijk te accepteren is. Hij beschrijft in heel mooi proza wat dat met hem doet. De zorg voor je kind, de angst dat hem of haar iets zal overkomen op de ontdekkingstocht van het leven, zal iedere ouder herkennen, maar Dewulf weet zijn gevoelens hierover zo mooi onder woorden te brengen, dat je met hem meevoelt. Zijn zeventienjarige zoon die zaterdagavond uitgaat, hem in angst achterlaat dat hij niet meer terugkeert, en hij niet veel meer weet te zeggen dat ‘wees voorzichtig’, beseft niet hoe zijn vader zich voelt. Een citaat:
    ‘Wat ik voel wanneer hij de hoek omgaat, jubel en angst. De angst dat om die hoek een 4×4 hem schept, het zo knakbare schepsel dat wij hebben gemaakt. Dat de dood daar en dan zijn kortste woord zal gebruiken.
    Het jubelen dat hij er wil zijn. De angst dat hij niet meer terugkeert, fluitend een zijstraat inslaat, niet eens omkijkt en zomaar wegrijdt uit ons bestaan.’

    Wanneer zijn vrouw hem vertelt van een busongeluk waarbij meer dan twintig kinderen zijn gedood, voedt dat zijn angst. Hij raakt ervan van de kaart, loopt naar de slaapkamers van zijn kinderen, loopt daar doelloos rond en schrikt van het ‘onmetelijke, onmenselijke geluid’ als de tijd op de wekker van zijn dochter verspringt.
    ‘Ik weet niet meer hoe lang ik, als een uil in de duisternis, naar haar wekker heb gestaard. Wat ik wel weet is dat ik dacht: tegen die verschrikkelijke klik van elk aantikkend ogenblik is alles, elk nu, elk heelal (…) kansloos.’

    ‘Verstrengelde sprakeloosheid’
    Dewulf beschrijft niet alleen zijn angsten en zorgen om zijn kinderen en zijn liefde voor hen, maar ook allerlei voorwerpen en gebeurtenissen die hem intrigeren.
    Zo schrijft hij wat de nieuwe gezinskalender bij hem doet, brengt hij een prachtige ode aan een tafel (‘het stille, staande hart van elk samenleven; het altaar voor dagelijks gebruik’), verhaalt over lezen (‘waarom leest u?’), over ouder worden,  (‘hoe ouder de jaren, hoe ritueler de dagen’) over opvoeden (‘opvoeden heeft maar een doel, jezelf als ouder overbodig maken’), over de dood (‘de doden zijn vaak uitstekende therapeuten’), over jaloezie (‘ik zie grofweg drie jaloezieën’), over schaamte (‘de diepste schaamte kijkt uit de spiegel. Over die schaamte is het moeilijk spreken.’), over het verschil tussen zoenen en kussen (‘een tongzoen is verstrengelde sprakeloosheid’), over de rituelen van het samen leven, over slapeloosheid (‘welke man van 54 ligt nu ‘s nachts sinterklaasliedjes te zingen?’), over vergeten herinneringen, over geschiedenis, over de MH17, over als het miezert op zondag, over de dood van zijn kat, en zo meer. Vervelen doet het nooit, omdat hij met zijn prachtig  proza jou deelgenoot maakt van zijn overpeinzingen.

    Onder al die mijmeringen zit een angst voor het leven. Nu hij ouder wordt en de vijftig is gepasseerd, wordt de eens zo stille angst manifest. Wanneer hij Alles wat is van James Slater heeft gelezen, voelt hij zich kwetsbaarder dan ooit.
    Vroeger kon het hem allemaal niet schelen, later zal het hem niet meer deren, maar nu nog wel. Hij zwaait elke dag zijn kinderen uit en gaat zitten voor ‘het vertrouwde gapende raam’, te peinzen over het leven: wat nu? ‘De dag keek mij koud aan en vroeg: Wat doe jij hier? Ik was net de vijftig voorbij en was van de hand gods geslagen’. Het is nu tijd om ‘de zegeningen te tellen, de zin van het bestaan te raden.’

    De schrijver probeert telkens opnieuw, in de meest kleine en dagelijkse dingen, de zin van zijn leven te ontdekken. Enige spleen is hem niet vreemd en de angst voor het leven duikt altijd wel even op. Maar zijn observaties en beschrijvingen ervan zijn zo mooi, dat hij daarmee zijn angsten – soms – een plek kan geven. De kunst overwint.

     

  • Bomaanslag? We nemen nog een glas

    Bomaanslag? We nemen nog een glas

    Doorzakken, is dat het ultieme gevoel van vrijheid? Voor de hoofdpersoon in Spoo Pee Doo van Dimitri Verhulst (1972) lijkt dat er wel op. Van kroeg naar kroeg, je vol laten lopen met drank en hier een daar een snuif cocaïne. Vooral niet denken aan de dag van morgen. Vrijheid als een roes die geen einde kent.

    In de nieuwe roman van de Vlaamse schrijver trekt de hoofdpersoon op vrijdagmiddag de deur van zijn huis achter zich dicht. Hij maakt het niet laat, zo belooft hij zijn lief. Een pintje met wat vrienden en op tijd weer naar huis. Terwijl hij naar de kroeg stapt, is hij de enige die daar nog in gelooft: dat hij op tijd thuis zal zijn. Zijn vriendin niet en de lezer evenmin.

    Wat Vannolle die avond en nacht in verschillende lokaliteiten, en met steeds weer andere drinkebroers aan zijn zijde, inneemt, verdient een buiging. Van trappist tot gin tonic en alles in grote hoeveelheden, in een voortdurende walm van sigarettenrook, van ‘travestietsafffies’ van Davidoff.  Met alle teer uit zijn longen kan de hele Shakespeare geschreven worden, schrijft Verhulst: ‘…er zijn zeker honderd ouderwetse inktpotten mee te vullen.’ Je mag het gerust een wonder noemen dat Vannolle aan het eind van het bacchanaal nog in een bed belandt en niet in het kanaal. Dat het niet het bed is van zijn vriendin, daar sta je dan als lezer ook niet meer van te kijken.

    Drankmaatje
    De taal van Verhulst is ook nu weer van grote klasse. Vond Vannolle de vrijheid in de cafés, dan vond Verhulst de vrijheid in de taal. De woorden zijn de woorden die horen bij een zuippartij, de woordenstroom hoort bij een roes in de nacht. Zie de taal als het onzichtbare drankmaatje van Vannolle. Zo hij zich al alleen voelt, dan is hij het toch niet. ‘Als een beek kabbelt het gekwebbel door de kroeg, de sterrenstoffigen raken elkaar aan, soms toevallig maar nimmer ongewenst, ze klinken de glazen, ze knikkeren met hun blikken en versieren elkaar, zomaar voor de vorm.’

    Ogenschijnlijk is Verhulsts roman de beschrijving van een uitgebreide stappartij van Vannolle. Maar natuurlijk biedt Verhulst ons meer. De regels van dat liedje van Archie Shepp, Spoo Pee Doo, klinken door: I’m free at last, my spirit is free. Tegenover de vermeende vrijheid van de losbol die zich niet hechten kan, plaatst Verhulst een keihard contrast: een nieuwsbericht waarvan de impact met het uur toeneemt. Er is een terroristische aanslag op Schiphol gepleegd en gedurende de nacht stijgt, met elk glas dat Vannolle achteroverslaat, het aantal slachtoffers met tientallen tegelijk. Dóórgaan met ongebreideld leven, in het geval van zijn protagonist: doordrinken, dat is de enige remedie, zo lijkt Verhulst ons te willen voorhouden. Het enig juiste antwoord tegen moslimextremisten die angst zaaien: het leven leven in de breedst mogelijke zin.

    Klinkt goed. Maar zelfs de losbol die zijn vrijheid vindt in alcohol en coke, weet diep van binnen dat vrijheid zijn beperkingen heeft. De volgende ochtend tonen de boeien zich onbarmhartig. Daar staat hij dan, Vannolle, gekreukt en moe gebeukt in de deuropening van zijn huis. En als zijn vriendin vraagt hoe het was geweest, weet hij niet meer uit te brengen dan: ‘Ça va’. Het ging wel.

     

  • Roman in twaalf stukjes

    Roman in twaalf stukjes

    Mensen zonder uitstraling zijn verschrikkelijke mensen. Ze zijn nog erger dan lelijke mensen. Dat vindt althans de moeder van de hoofdpersoon uit Jente Posthuma’s romandebuut. Het gaat er volgens deze moeder om dat je jezelf uitdrukt in de wereld. Maar moeder is dood en de ik-figuur moet zelf haar weg zien te vinden in het leven.

    Verbonden verhalen
    Jente Posthuma publiceerde tot nu toe vooral korte verhalen. Dat is te merken aan Mensen zonder uitstraling. Bij het lezen van deze roman valt namelijk op dat elk van de twaalf hoofdstukken ook op eigen benen kan staan. Het zijn allemaal kleine verhalen, afgeronde schetsen van de ik-figuur tijdens verschillende fasen in haar leven. Centraal staat de dood van haar moeder. Deze moeder was een actrice van het tweede garnituur, met een hang naar het theatrale. Dat ze is gestorven wordt reeds na de eerste paar bladzijden plompverloren duidelijk gemaakt: ‘Iedere zondag haalden we hier patat voor mij en frikandellen met currysaus voor mijn vader. Daar was hij dol op. Mijn moeder niet, maar die was toch dood.’

    Het naakte feit staat, de details volgen pas geleidelijk en niet in chronologische volgorde. Aanvankelijk is de hoofdpersoon nog een jong meisje van een jaar of acht. Door middel van kleine anekdotes worden de belangrijkste personages geïntroduceerd: de naamloze hoofdpersoon, haar vader, haar moeder. Latere hoofdstukken beschrijven het leven van de ik-figuur wanneer ze een adolescent is die naar Parijs trekt om iets van de wereld te zien en een boek te schrijven. Dat lukt gedeeltelijk: ze doorkruist 20 arrondissementen maar krijgt geen letter op papier. Haar vader haalt haar weer op. Wanneer de hoofdpersoon halverwege de dertig is, zoekt ze haar unieke expressie in een vaste relatie en het krijgen van een kind. Ze gaat in die tijd steeds meer de trekjes vertonen van de overledene (haar vriend merkt op: ‘Je bent een vrouw geworden die zeikt’). Dan zoomt het boek weer in op de dood van de moeder en wordt de hoofdpersoon opnieuw een meisje van acht of negen aan een sterfbed.

    De manier waarop de hoofdstukken zijn gerangschikt, drukt de verbondenheid tussen de ik-persoon en haar moeder uit. Zowel in het begin als aan het eind is de protagonist een kind en de dood van moeder is vlakbij. De opening van Mensen zonder uitstraling zit bovendien nog sterker aan het slothoofdstuk vast doordat ook bepaalde motieven overeenkomen. Daartussen maakt ze zich als volwassen vrouw steeds meer los van haar ouders en probeert ze zelf haar leven vorm te geven. Halverwege wordt dit proces tijdelijk onderbroken: in het hart van het boek komt de meest expliciete afscheidspassage voor. Als lezer beweeg je zo als het ware van ring naar ring (volgens een A-B-C-B-A-structuur).

    Kleinschalig
    Een boek over de dood dus, maar zwaar is het niet. Mensen zonder uitstraling zoekt het voortdurend in het kleine, het alledaagse:

    ‘”Het is tijd om afscheid te nemen,” zei mijn moeder, “want ik ga dood.” Ze zat rechtop in bed in een perzikkleurige balconette-bh met strikjes op de schouderbandjes. Haar borsten bolden hoog op en haar wangen waren zwart van de mascara. Ik zat op mijn knieën aan haar bed. Door een opening onder het laken kon ik een klein stukje van haar jarretel zien en een paar putjes in haar dij.’

    Deze manier van schrijven, nuchter op het zakelijke af maar niet kaal (let op de klankrijm in de middelste zin), is typerend voor het boek. De auteur vermijdt zorgvuldig om op het sentiment te spelen. Van de begrafenis komen we bijvoorbeeld hoofdzakelijk te weten dat de hoofdpersoon een blaar oploopt omdat ze de te grote schoenen van haar moeder heeft aangetrokken.

    Naast de dood komen er nog heel wat andere beladen onderwerpen voorbij: groepstherapie, de oorlogsjaren in Indonesië en een opa en oma die Jehova’s getuige zijn. Dat het boek ondanks deze thema’s niet uitgroeit tot een tragedie van mythologische proporties, is de verdienste van de onsentimentele verteltoon en de humor waar Posthuma zich van bedient. Zo blijft Mensen zonder uitstraling een hanteerbaar kleinmenselijk drama met zelfs een onmiskenbaar feelgood-accent. Hier bijvoorbeeld, de jonge hoofdpersoon zit bij het zwembad in de achtertuin: ‘Toen stak de buurvrouw haar hoofd boven de heg uit. “Lekker hé?” riep ze. Ze was pedagoog. Ik stond op en ging weer naar binnen.’ 

    Het lijdt dus geen twijfel dat het boek kundig in elkaar gestoken is en prima geschreven. De roman weet te onderhouden en staat vol aardige kleinigheden. Werkelijk bijzonder wordt het echter niet. Vooral inhoudelijk gaat Posthuma niet erg de diepte in. Juist omdat grote thema’s welbewust klein worden gehouden, blijft het gehele boek een beetje aan de oppervlakte. Daarom zal Mensen zonder uitstraling waarschijnlijk geen blijvende indruk achterlaten. Maar het is eigenlijk al een kunststukje dat een roman die zonder te dramatiseren een individueel levensdrama beschrijft, op elke pagina vermaakt.

     

     

  • Geluiden proeven en kleuren horen

    Geluiden proeven en kleuren horen

    Als je achternaam Kraak is en je waagt je aan een roman, dan wil je natuurlijk koste wat kost vermijden dat een recensie als titel krijgt: Kraak noch smaak. Dat kan mogelijk de reden geweest zijn waarom Haro Kraak (journalist en tv-recensent bij de Volkskrant) het bij zijn debuut gezocht heeft in juist een overdaad aan smaak en kleur.

    Zijn hoofdpersoon, Noah Kremer, kan geluiden en woorden proeven en ziet letters en cijfers in kleur. Dat vindt hij aanvankelijk heel normaal, maar op school merkt hij al snel dat hij toch een uitzondering is. Niemand neemt hem serieus als hij uitlegt dat een 8 in mintgroen geschreven moet worden. Pas als hij – inmiddels brugklasser – een andere eenling ontmoet die een klas hoger zit, krijgt hij zijn eerste vriend. Die ander is Teun Marsman. Noah vertelt er over:

    Op het schoolplein kwam hij zomaar op me afgelopen.
    ‘Ben jij die jongen die aan zijn potloden likt?’
    ‘Wie ben jij?’
    ‘Ik ben de jongen die al ongesteld is geweest. Misschien heb je het gehoord.’
    Zoiets ontging niemand op school. ‘Ben jij dat? Hoe is dat, ongesteld zijn?’
    ‘Ik vond het maar niks. Een hoop viezigheid. Drie keer per dag moet je de proppen wc-papier in je onderbroek verversen.’
    ‘Hoezo?’
    ‘Omdat ze helemaal rood zijn van het bloed, natuurlijk.’
    ‘O, ja.’
    ‘Ik denk niet dat ik binnenkort weer ongesteld ga worden. Eén keer is voorlopig wel genoeg.’

    En inderdaad blijft het bij die ene keer.

    Nadat Teun heeft laten zien dat hij wel degelijk een jongen is (Een dunne, gelige piemel bungelde tussen zijn benen, als een ongebakken kaasstengel) blijft de lezer toch wel zitten met de vraag of hij dan misschien hermafrodiet is. Maar de schrijver laat het onderwerp in de rest van de roman rusten en concentreert zich op wat de vriendschap tussen Teun en Noah de laatste oplevert: een intensieve inventarisatie van al zijn reuk- smaak- en kleur-waarnemingen, door Teun opgetekend na allerlei proefnemingen.

    En als het internet komt en hij zijn afwijkingen in de Alta Vista zoekmachine kan stoppen weet Noah eindelijk wat hij heeft: synesthesie, een afwijking waarbij de grenzen tussen verschillende zintuigen niet gesloten zijn, maar lekkages vertonen. Zodat je iets kan proeven wat je hoort en iets kan zien wat je ruikt. Eén op de tweeduizend mensen heeft het, las Noah op internet en beseft: ik ben niet alléén. Wel met weinigen.
    Het besef dat hij anders is dan anderen, de inventarisatie die zijn vriend Teun met hem maakt van zijn zintuigelijke combinaties en ten slotte de ontdekking van wat hij heeft, vormen het aardigste deel van deze roman.

    Jammer
    Daarna blijkt dat Noah ook nog epileptische aanvallen krijgt, en dat het gelukkige gezinnetje waarin hij opgroeit uiteen valt omdat vader vreemd gaat en moeder haar kleptomanie niet onder controle heeft.
    In dit tweede deel van de roman verdwijnen de bijzondere eigenschappen die Noah heeft naar de achtergrond. En dat is jammer. Haro Kraak had met Noah een heel bijzonder personage te pakken en het verhaal had aan sterkte gewonnen als gebleken was dat de jongen met die bijzondere eigenschappen bijzondere dingen had kunnen doen of bijzondere avonturen had kunnen beleven. Dat mocht de lezer ook verwachten na de gedetailleerde opbouw van het medische dossier waaruit het begin van de roman eigenlijk bestaat. Maar áls het verhaal op gang komt is dat juist niet gebaseerd op de zeldzame eigenschappen van Noah. Het wordt een dertien-in-een-dozijn-relaas over het leed dat jeugd heet, waarbij het uiteenvallen van het gezin centraal staat en het ene jointje na het andere wordt opgestoken. Dat hij zijn anti-epilepsie-medicijnen vergeet te slikken leidt tot een hersenbloeding en langzame revalidatie in een ziekenhuis. In dit derde deel van de roman beschrijft de ik-persoon in klein detail en met veel zelfbeklag zijn revalidatie en confronteert zijn ouders met hun gebrek aan belangstelling voor wat hem als kind bijzonder maakte. Na een op het laatste moment afgeblazen zelfmoord-poging volgt bij Noah het besef dat het leven toch maar weer opgepakt moet worden. En dan kan de lezer het boek met enige opluchting dicht slaan.

    Dat Haro Kraak kan schrijven heeft hij met deze roman overigens wel bewezen. En hopelijk lukt het hem om in een volgende roman het begin, het midden en het eind tot één overtuigend verhaal te maken. Dat is bij Lek hoofd helaas nog niet gebeurd.

     

     

  • Wel een naam, geen karakter

    Wel een naam, geen karakter

    Nadat Gil op zijn achttiende het gymnasium heeft afgerond, kan hij zich volledig richten op zijn grote droom: toegelaten worden tot het conservatorium van Parijs.

    Pianist in spé
    Het komende jaar zal in het teken staan van de piano, maar  eerst gaat hij op vakantie met zijn beste vriend Olivier. Ze besluiten samen naar een oom van Gil in Uzès te rijden. Tijdens deze rit komt er een nummer van de Smithsonians op de radio. Gil vindt dit nummer geweldig en begint mee te zingen.

    Olivier kon er niet over uit. In opperste verwarring draaide hij zich naar Gil, alsof hij zeker wilde weten dat hij het was die zong. Gil, die gewoonlijk zo schuchter was. Zo in zichzelf gekeerd. Die altijd zo zacht praatte. Die alles altijd twee keer moest zeggen.

    Voor Gil is dit ook een geheel nieuwe sensatie. Het zingen, zijn stem zo krachtig en helder. Toch denkt hij er verder niets van. Wanneer hij thuiskomt moet hij aan de bak. Hij gaat twee keer per week naar zijn pianolerares en sluit zich acht uur per dag op in het tuinhuisje waar de piano staat. Hier luistert hij de lessen terug en blijft oefenen tot in juni de dag van het toelatingsexamen aanbreekt. Hij wordt als beste op het conservatorium aangenomen.

    Passie voor zang
    Op het conservatorium omvat het curriculum voor de piano niet alleen piano-, maar ook zanglessen. De docent, Jacques Kiepfer, is meteen getroffen door de zuivere klank van Gils stem. Samen gaan ze aan de slag om zijn techniek te verbeteren. En omdat Gil in korte tijd grote vorderingen boekt, stelt Jacques voor dat Gil zich laat overplaatsen naar de zangklas. Gil betwijfelt of hij goed genoeg is, maar wil het wel proberen.

    ‘Op een maandag, na de les van Vlado Blasko, ging Gil naar een van de repetitielokalen en sloeg de pianoklep open. Hij bleef staan zonder te spelen. Hij voelde hoe er iets in hem verschoof. Hij ging een eindje opzij van de piano staan en begon met een paar oefeningen die Jacques Kiepfer hem had geleerd om zijn stem op te warmen.’ 

    Hij doet opnieuw auditie, deze keer voor het onderdeel Zang en wordt weer aangenomen.

    Glanzende carrière
    En zo komt hij in de les van Lucienne Franck terecht. Hij verbetert zijn techniek en leert hoe hij correct moet ademhalen. Dankzij Lucienne en haar connecties bij verschillende operahuizen krijgt Gil kleine rollen aangeboden.Zijn zelfvertrouwen groeit, zijn rollen worden groter en zijn naam steeds bekender, maar er wacht nog een diep dal voor deze jonge tenor zijn hoogtepunt kan bereiken.

    Van Franse bodem
    Célia Houdart is een Franse schrijfster. Met Het talent van Gil de Andrade heeft ze haar vierde roman geschreven. Het is haar eerste roman die vertaald is naar het Nederlands. De boeken die ze hiervoor heeft geschreven zijn in Frankrijk goed ontvangen. Ze ontving de Prix Henri de Régnier de l’Académie Francaise voor haar eerste roman, en in 2012 ontvang ze de Prix Françoise Sagan voor haar roman Carrare.

    Droge opsomming
    Alhoewel Célia Houdart en haar boeken in Frankrijk de hemel in worden geprezen, lijkt alle lof bij dit boek niet echt op zijn plaats. Gil geeft de piano op om te gaan zingen, maar zijn beweegredenen blijven vaag. Hij valt flauw tijdens een zangles, maar het is niet duidelijk waarom dit gebeurt. Zo’n tekort aan informatie kan spanning opbouwen of mysterie creeëren, maar doet geen van beiden in dit boek. Het zorgt zelfs voor een gevoel van dissociatie. Je voelt niet met het hoofdpersonage mee, want je leert hem niet kennen.

    Door een gebrek aan dialogen en emotie blijft het boek een beetje droog. Het is meer een aaneenschakeling van gebeurtenissen, dan een pakkend verhaal. Eerst gebeurt dit en dan gebeurt het volgende, maar Houdart gaat niet in op de gedachtes of het gevoelsleven van de personages. Hierdoor hebben de personages wel een naam, maar geen karakter. Net als dit boek.

  • Doordenken en wegwezen

    Doordenken en wegwezen

    P.F. Thomése is – met grote tegenzin, zoals hij frequent laat weten –  een hoog gewaardeerd schrijver van romans en verhalen, waaronder zelfs enkele bewust op vlotte, bijna joviale toon geschreven schelmenromans: J.Kessels, the novel en Het bamischandaal. En na zo’n succes ontvang je geregeld verzoeken van kranten, tijdschriften, radioprogramma’s en jubileum-vierende organisaties om een artikel, een essay of een lezing te schrijven. Als je zwak in je schoenen staat zorg je voor een partner die door de telefoon kan zeggen ‘Nee, dat doet P.F. niet’.
    Maar als je het gevoel hebt dat je best gelegenheidsstukken kan schrijven zonder door de mand te vallen, dan ga je aan de slag. De schoorsteen moet roken, niet? En als je in die stukken blijft betogen dat ze niks voorstellen, dat ze tegen heug en meug geschreven zijn en dat – á propos – de wereld van geen kant deugt, verloochen je jezelf niet.
    En zo schreef P.J. Thomése in de afgelopen zeven jaar ’s avonds en ’s nachts nogal wat af. Die gelegenheidsstukken zijn nu gebundeld onder de titel Verzameld nachtwerk. En dat is denkelijk niet zijn beste tijd om te schrijven. Want geregeld krijg je als lezer, maar ook als recensent, de indruk dat hij bij deze stukken per woord betaald werd, zo veel tekst gebruikt hij om ter zake te komen. En na zo’n lange aanloop volgt dan vaak een wel héél klein gedachtensprongetje.

    Te vroeg geoordeeld?
    Wanneer je als boekbespreker al na het lezen van pakweg 20 pagina’s het hierboven geformuleerde oordeel hebt, doe je het niet goed. Een faire benadering van de schrijver vergt dat de recensent door leest tot de aller- allerlaatste pagina. En eenmaal gewend aan de wat rond het onderwerp draaiende stijl van Thomése valt er toch geregeld iets te genieten in Verzameld nachtwerk.
    Peinzend over de verkoop van zijn ouderlijk huis aan mensen die het kopen vanwege het ‘retro’ karakter van de woning brengt hem de gedachte dat de hedendaags cultuur beheerst wordt door hokjesdenken en dat de hokjes bedacht worden door marketingstrategen.
    Dit idee, de overheersing van ons leven door de alles bepalende commercie komt in veel stukken naar voren. Ook het boekenvak wordt er door beheerst. Was vroeger de schrijver een onbekende, tegenwoordig gaat het primair om de auteur en is zijn boek een afgeleide van zijn persoon. En dat staat haaks op Thomése’s geregeld beleden behoefte onzichtbaar te zijn in en buiten zijn werk. De oneindigheid van internet, de oeverloze en per minuut verouderende informatie die je daar kunt vinden en de mogelijkheid die het iedereen geeft om zichzelf zichtbaar te maken is het volgende mikpunt van Thomése’s cultuurpessimisme.
    Hij schrijft ook over de onmogelijkheid elkaar te verstaan, al spreek je dezelfde taal. Over kunst die alles is en feitelijk ook niets. Tenzij men er iets van kan maken. Maar dan voor eigen verantwoordelijkheid!
    En eigenlijk gaat alles over het voor Thomése vaststaande feit dat zijn lezers nooit kunnen begrijpen waar hij het over heeft, ook al omdat hij er eigenlijk niet is. Of in elk geval niet wíl zijn.
    Als die lezer zich langzamerhand begint af te vragen wat het voor zin heeft verder te lezen in deze bundel, als hij toch nooit zal kunnen begrijpen wat de schrijver wil zeggen (en de schrijver zelf ook niet), komt Thomése ineens met een paar gewoon leesbare en boeiende verhalen en anekdotes.
    Een mooi kort verhaal over een noodzakelijke correctie van zijn te krappe voorhuid dat eindigt met:
    Na een week mochten de hechtingen er uit. Nog nooit hadden zoveel mensen eraan gezeten….hoe noem je die naamloze voorganger die ons voorgaat in de heerlijke dwaling? Nog even, en alles zou weer zijn als nooit tevoren. Het land was vol verpleegstertjes die op me lagen te wachten. De zon scheen. Ik had hem weer terug. Hij was mooi en groot als nooit tevoren. Fier wees hij me de weg. Eindelijk, mensen (meisjes dus), kon ik gaan leven.’

    En even verderop, in het hoofdstuk Openbaringen een mooi kort verhaal over maraboes in het park: ‘Eerst was er één enkele, die als een verwaaid oud mannetje bij het hek kwam staan, starend naar de spelende kinderen en de honden. Je had niet het idee dat hij kon vliegen en dat had hij zelf ook niet. Hij sjokte een paar meter, met de handen op de rug, zo hield hij zijn gevouwen vleugels, en bleef dan weer staan kijken. (….)  Op een dag liepen er twee. Ze sjokten naast elkaar langs de gevels van de grote woonhuizen rondom het park, als twee uitgeprate heertjes rondgaand op het oude vertrouwde ommetje.’ Het zijn dit soort teksten die bewijzen dat je met woorden beelden kan scheppen in andermans brein, hoezeer Thomése daar zelf ook aan twijfelt.

    Het blijkt ook in een ander fraai verhaal, over een schrijver die – na bekend gemaakt te hebben dat hij aan een terminale ziekte lijdt – plotseling veel aandacht krijgt van ‘de media’. Maar ook van een Belgische fan met wie hij een telefonische verhouding begint: ‘Ze had zo’n hese fluisterstem als omroepsters en nieuwslezeressen van de Vlaamse tv, dit heerlijke spreken was als zuchten en strelen, het kwam nabij als een meisjeshand op je huid.’

    Te grazen genomen?
    Maar dit zijn de krenten in de pap.
    Al lezend in het verder nogal dorre en omslachtige proza kan het zijn dat de lezer ineens bedenkt: die P.F. Thomése zet mij hier – naar zijn gewoonte – op het verkeerde been. Hij laat mij ernstige pogingen doen om zijn gewichtige en tegelijk wazige proza te vertalen naar iets wat ik begrijpen kan. Hij presenteert zich als diepdenker. Maar eigenlijk houdt hij me voor de gek.
    Die lezer kan gelijk hebben. Heeft vermoedelijk gelijk.
    Maar in deze recensie kan die stelling niet verkondigd worden. Dat zou zonde zijn.
    Want volgens P.F. Thomése hebben recensenten altijd ongelijk: ‘Ze weten dat ze fout zitten, maar kunnen niet meer terug. Ze zijn het levende bewijs dat je van lezen niet per se wijzer wordt. Ach, heb medelijden met hen, zij weten niet wat zij doen.’
    Waarvan akte!

     

     

  • Wat vliegt daar?

    Wat vliegt daar?

    In de uitstekende Vogelserie van uitgeverij Atlas Contact waren al boeken verschenen over de gierzwaluw, de grutto, de kauw, de koekkoek, de rotgans en de slechtvalk. Daar is onlangs een zevende deeltje bijgekomen, De spreeuw, van de hand van Koos Dijksterhuis, die in dagblad Trouw een dagelijkse natuurrubriek verzorgt.

    Het boek is van een encyclopedische grondigheid (het is daarom jammer dat een register ontbreekt). Op basis van literatuurstudie vermeldt Dijksterhuis alles wat er maar bekend is van deze ogenschijnlijk zo gewone vogel.
    Een greep uit de weelde die de lezer voorgeschoteld krijgt: spanwijdte, imitatiegedrag (tot het geluid van sluitende treindeuren aan toe), het voedsel, de kleur van het ei, het aanpassingsvermogen bij het nestelen (er zijn gevallen bekend van spreeuwen die hun nest op een schaap bouwden), de spreeuw en Mozart (KV 453), synchroonvliegen, het trekgedrag, de concurrentie met spechten en gierzwaluwen, overspel en polygamie, katten en het versieren van nestplaatsen met bloemen. Ook vertelt de schrijver over eigen waarnemingen en avonturen in het veld en doet hij verslag van gesprekken met onderzoekers.
    Het boek is geïllustreerd met zwart-wit foto’s die best mooi zijn maar weinig toevoegen. Voor degenen die ‘spreeuwen verwarren met merels’, iets wat volgens de auteur nogal eens gebeurt, zullen ze hun nut hebben.

    Noodklok
    Uit alles blijkt Dijksterhuis’ liefde voor deze vogel. Die begon in zijn tienertijd en maakte van hem een vogelaar en een natuurliefhebber. Bijzonder enthousiast is zijn bespreking van de zang en de imitatiekunst van spreeuwen. Zijn plezier in het doen en laten van het beestje heeft Dijksterhuis gemeen met de grote Jac. P. Thijsse, die in Het vogeljaar ook uitbundig de lof zingt van, in de woorden van Judith Herzberg, de ‘frivoolkelige imitator’. Hij plaatste hem dan ook op zijn ex-libris, met als motto ‘Onbekommerd’. Maar onbekommerd mag de spreeuw dan wel lijken, hij is als zoveel van onze gevederde vrienden op weg naar een plaats op de Rode Lijst. Gebrek aan nestelplaatsen, landbouwgif, de ‘sterilisering van het landschap’ en het daaruit voortvloeiende gebrek aan voedsel, ja, zelfs libido-dodende antidepressiva in het oppervlaktewater – veel factoren maken de spreeuw het leven moeilijk. Niet voor niets was 2014 het Jaar van de Spreeuw: de noodklok werd geluid.

    Helder en begrijpelijk 
    Het boek is eenvoudig van opzet. Na een uiteenzetting over hoe het beestje in elkaar zit en hoe het eruit ziet, volgt de hele levenscyclus. Paarvorming, nestbouw, voortplanting, eerste en tweede leg, de levenskansen van de jongen, voedsel, groepsgedrag, de trek en tenslotte de dood. Sommige onderwerpen hebben een wel erg groot soortelijk gewicht (door een zekere overdaad aan informatie), maar Dijksterhuis schrijft mooi, helder Nederlands, waardoor geen onderwerp ontoegankelijk is.

    Een stukje over de rui als voorbeeld van zowel de gedetailleerdheid als die helderheid: ‘Eerst schudt een spreeuw één voor één zijn handpennen af, van binnen naar buiten. Hand- of slagpennen zijn de veren die de vleugelpunt vormen. Als één oude veer uitvalt, is de nieuwe al in de maak, evenals de aangrenzende nieuwe veer. Eén veer is na twintig tot dertig dagen klaar en het vervangen van alle tien handpennen kost honderd dagen. Halverwege die periode begint ook de rui van de binnenste vleugelveren. Eerst de paar kleine veren die het dichtst bij het lijf zitten, de zogenoemde tertiairies. Dat gaat langzaam, het vervangen van die veren kan ruim vier weken duren en als het een week of twee bezig is, komt het middendeel van de vleugel aan de beurt: de zes armpennen’.

    Dit is zoals het hoort: toegankelijk en stap voor stap, met uitleg van de vaktermen. Dijksterhuis schrijft niet alleen goed, hij is bovendien een voorbeeldige schoolmeester. Ook daarin staat hij in de traditie van Thijsse.

    Het citaat laat zien hoe nauwgezet de spreeuw voor het voetlicht wordt gebracht. Nu is het verwisselen van de veren misschien iets eenvoudigs, maar neem nu het verschijnsel van de ‘magnetoreceptie’, het vermogen het magnetisch veld van de aarde waar te nemen en erop te koersen. Daarover zijn ontdekkingen gedaan op moleculair niveau. ‘Pure kwantummechanica’, aldus de schrijver, die er vervolgens in slaagt de natuurkundige verklaring voor leken uit te leggen, of daar in ieder geval een heel eind mee komt.

    Drie miljoen katten
    De vogeltrek met zijn onvoorstelbare prestaties is een onderwerp waar steeds meer over bekend wordt. Ook het veronderstelde vermogen onderling te communiceren is zo’n fascinerend onderwerp. Nog steeds ‘in raadselen gehuld’, aldus de auteur, maar een gebied waar in de toekomst ongetwijfeld ontdekkingen zullen worden gedaan waar het verstand bij stilstaat.
    En dat is per saldo wat een boek als dit je bovenal doet beseffen: dat de levende natuur niet alleen verrukt maar ook verbluft, en dat de diersoort mens, die zich zo aandoenlijk inspant zijn medeschepsels te doorgronden, nog maar aan het begin staat van kennis en begrip van zelfs de nietige spreeuw.

    Maar de mens doet meer. De moderne landbouw is al genoemd, en neem nu eens onze katten. In Nederland alleen lopen er tussen de drie en vier miljoen rond, een verdubbeling sinds 1980. Een flink aantal is verwilderd. De krant meldt dat ze verantwoordelijk zijn voor de dood van 20 miljoen beschermde dieren per jaar. Dat zal wel een ruwe schatting zijn, maar laat de cijfers eens goed tot u doordringen wanneer u uw poezelige Felix op schoot neemt. Dijksterhuis windt er geen doekjes om: ‘Er is één roofdier dat juist uitstekend in staat is zijn prooien uit te roeien en die dat ook voortvarend doet: de huiskat.’ De ambivalentie van onze omgang met de natuur; we vernietigen waar we van houden.

    Behalve bioloog is Dijksterhuis dichter. Geen wonder dus dat hij aandacht besteedt aan de spreeuw in de poëzie (o.a. Hillenius, Herzberg en Stip), de spreeuw bij Jacob van Maerlant, de herkomst van het woord ‘spreeuw’ en enkele andere taligheden. Alles even boeiend. Met zijn boek heeft hij een bijdrage geleverd aan de groeiende rij Nederlandse vogelboeken van hoog niveau. Van harte aanbevolen.

  • In het land van de gefrituurde chocoladetaart

    In het land van de gefrituurde chocoladetaart

    Paul Theroux schrijft zoals hij reist: hij heeft een begin- en eindpunt, en een vervoermiddel (vaak de trein, hier de auto) en de route dicteert zijn verhaal. Dit keer blijft hij dicht bij huis: in 4 seizoenen doorkruist hij het Zuiden van de Verenigde Staten.

    Het Zuiden, dat is Deltablues en gegrilde chilikip, moerassen katoenvelden, meerval en barbecue, maar ook slavernij, Ku Klux Clan en rassenrellen en het Amerikaanse broertje van apartheid: segregation. Het land van Uncle Ben en Bill Clinton. Het Zuiden, dat is met geheven pink met pinkring nippen aan cocktails op de veranda’s van witte landhuizen. Het Zuiden, dat is ook wonen in verwaarloosde huisvestingsprojecten in grotendeels ontvolkte stadjes. Meer dan 20% van de inwoners overleven op ontwikkelingslandniveau, zonder fatsoenlijke gezondheidszorg of onderwijs voor de kinderen.

    Paul Theroux (zelf een ‘noorderling´ uit Boston) wilde dat eigensoortige continent binnen zijn eigen vaderland nader leren kennen en reed van Arkansas en Mississippi naar Alabama en Carolina en keek rond in steden, dorpen en gehuchten met namen als Greensboro, Marion, Little Rock en Speed. Hij bezocht gospelkerkdiensten, bluesfestivals en wapenbeurzen, en sliep in mottige motels die allemaal in handen leken van leden van de Indiase familie Patel. Hij schoof aan tafel met goedwillende idealisten, zwaarmoedige hulpverleners en bij de ‘Southern’ schrijfster Mary Ward Brown, met haar 95 jaar nog scherp als een scheermes. Ze is zelf liefdevol opgevoed door een zwarte dienstmeid en vindt de slavernij een schande en racisme iets voor de dommen. Maar toch. En haar vriend, Randall Curb, een uitermate belezen en internationaal gewaardeerde literatuurkenner waar Theroux een paar keer langs gaat, lijkt het daar ondanks zijn verlichte denkbeelden mee eens. Hij klaagt over de zwarten die in zijn district de meerderheid van de raadszetels en bestuurlijke posten bezetten.

    Meerval en katoen
    Stug voortreizend en -schrijvend probeert Theroux de complexe problematiek van het Zuiden in kaart te brengen. De erfenis van de slavernij, racisme, raciale achterdocht en de maatschappelijk nog steeds acceptabele variant daarvan, ‘segregatie’, is daar een deel van. Scholen die pas in de jaren 90 gemengd werden, dorpen die nog steeds ‘blank’ zijn, restaurants waar ’s zondags de blanken hun maaltijd afhalen bij de achterdeur, terwijl zwarte families tafelen aan de voorkant. Nabestaanden van zowel daders als slachtoffer van een lynchpartij die decennia later nog steeds bij elkaar om de hoek wonen. Onwrikbaar gestolde achterdocht en wrok, woede en frustratie.

    De mensen die Theroux ontmoet zijn dan weer onverwacht warm, gastvrij, relaxed en behulpzaam. Iedereen neemt de tijd om bij een portie gegrilde meerval met koolsla zijn verhaal te doen. In die verhalen komt beetje bij beetje de complexe problematiek van het Zuiden tot leven. Economisch ontwricht door globalisering en sociaal verlamd door rassenwaan en slavernij. Ook nu nog wonen totaal verarmde zwarten op grote lappen grond die onbebouwd blijven. Zoals de directrice van een welzijnsprogramma zegt: ‘In de Afro-Amerikaanse gemeenschap is het doel om te bezitten en niet om bezit te zijn,’ – van de bank, bij voorbeeld. En dus verliezen ze de strijd in de steeds grootschaliger landbouw, terwijl de zegeningen van de industriële revolutie al weer zijn overgewaaid. Vietnam concurreerde de meervalkwekerijen uit de markt en China de katoenvelden (waar door mechanisatie toch al bijna niemand meer werk vindt). Elektronicafabrieken werden overgenomen en uitgebouwd door Japanners, maar verhuisden uiteindelijk naar overzee, of over de grens naar Mexico. Het landschap waar Theroux doorheen rijdt is dan ook deels lieflijk, deels verwilderd en deels het decor voor een postindustriële rampenfilm. Leegstand, verval en spookdorpen. Motels waarvan niet duidelijk is of ze nog open zijn, bewoond door mensen die uit hun huis zijn gezet.

    Pioniers en bluesrevival
    Hoe kan dit ooit nog wat worden, vraag je je af. Ook Theroux gaat wanhopig op zoek naar hoop: hij zoekt mensen op die in hun nadagen nog een hulporganisatie hebben opgezet, en mensen die actief zijn in sociaal werk, vaak verbonden met een van de vele kerken. Opvallend: ze richten zich op onmiddellijke noden (doktersrekening, voedselpakket, kapotte koelkast) en vooral op huisvesting, van opknapbeurt tot leeftijdbestendige sociale nieuwbouw. Het schoolsysteem, sociale zekerheid, omscholing naar nieuw werk, er wordt wel eens naar verwezen, maar het lijkt nauwelijks aanwezig – op de bijstand na, die geen garantie biedt voor een fatsoenlijk leven, inclusief opleiding en ontwikkeling, voor kinderen, of zelfs maar het overeind houden van een afbladderend en verkruimelend huis. En dan zijn er nog de idealistische avonturiers van elders die neerstrijken in halfverlaten dorpen en daar iets met kringloopwinkels opzetten, of een atelier voor fietsen met frames van lokale bamboe. Goed bedoeld, maar niet waar het ‘eigen volk’ op zit te wachten. Uiteindelijk lijkt Theroux een begin te zien van iets dat de goede kant op gaat. Hij spreekt een burgemeester die trots is dat hij het plaatselijke bluesfestivalletje weer tot leven heeft weten te wekken. En hij trekt een paar dagen op met een kleine maar groeiende groep zwarten die een boerderij is begonnen. Dat valt niet mee, want banken doen moeilijk over hun kredietaanvragen en het Zuiden behoort tot de ‘bankarme gebieden’. Maar toch: de pioniers van een nieuwe generatie lijken het te kunnen gaan redden en – tja, wie weet, hoop je mee met de schrijver.

    Vreemde achtergrond
    Theroux citeert collega-schrijver, Nobelprijswinnaar en ex-vriend V.S. Naipaul die zei dat de reiziger iemand is ‘die zichzelf definieert tegen een vreemde achtergrond.’ Wat de vraag oproept hoe hij zichzelf dan wel niet definieert in dit boek. Allereerst als een harde werker. Theroux pakt aan en pakt door, al een heel oeuvre lang: van noord naar zuid door Afrika  (Dark Star Safari), de hele omtrek van de Middellandse zee (Pillars of Hercules), of van Engeland naar Japan per trein en weer terug (The great railway bazar). Hij houdt niet van half werk. Ook hier niet. Het diepe Zuiden heeft veel te bieden, en soms en beetje té veel. Onder meer een overzicht van alle eerdere reisboeken over het Zuiden; een overzicht van ‘het Zuiden’ in de literatuur in het algemeen, niet één maar drie beschrijvingen van een wapenbeursbezoek. En heel intermezzo over (zijn afrekening met) William Faulkner, de grote romancier van het Zuiden, en ook nog eens een complete verhandeling over het N-woord (nigger) en de complexe politieke correctheidscultus daaromheen. Theroux definieert zich ook als goede observator en luisteraar die gewone mensen portretteert in hun uitzonderlijkheid: een kapper en een advocaat die ook dominee zijn. De sociaal werker en haar timide collega, die de ex-vrouw was van Muddy Waters. De geestelijk ontspoorde Vietnam-veteraan en de Irakese steengroeve-eigenaar. Theroux definieert zichzelf als literator en ook dat soms een beetje al te nadrukkelijk; vooral ook als hij stilistisch uithaalt: ‘Het voorjaar was ook een prisma van vochtige geuren die uitstraalden in een regenboog van aroma’s; er school hoop in die lentewasemingen – een overgang van de onwerkelijke geurloze, neusknijpende winterkou.’ Wat u zegt. Gelukkig houdt hij het meestal bij een meer journalistieke stijl. En dan zijn er nog de bijna obsessieve herhalingen van sommige thema´s, die een zekere drammerigheid oproepen. Wel tien keer verklaart Theroux geschokt te zijn dat in zijn eigen Amerika mensen leven als in ontwikkelingslanden. En al even vaak vertelt hij dat er honderden miljoenen dollars van Washington naar Afrika gaan, maar dat naar het Zuiden niet wordt omgekeken. De Clinton-foundation is een van die rijke organisaties die ver weg goed doen, maar voorbij gaan aan hun eigen thuisland (Bill Clinton kwam uit Littlle Rock). Veel interessanter dan de meningen van de schrijver zijn de verhalen van de mensen die hij aan het woord laat. En daarvan heeft Het diepe Zuiden er veel te bieden.

  • De weg van waarheid en begrip

    De weg van waarheid en begrip

    De ik-persoon heet Memory. Door haar adoptievader, Lloyd Hendricks, werd ze Mnemosyne (de personificatie van het geheugen en de herinnering) genoemd. Dat zegt al genoeg: het tweede boek van de Zimbabwaanse schrijfster Petina Gappah, dit keer een roman na een verhalenbundel, gaat primair over herinneren. Maar ook over zoveel meer. Het zijn grote thema’s waarover ze vertelt. Maar dat doet ze op een klein gehouden, bescheiden manier. Over recht en onrecht, overleven en zin geven aan het bestaan, over buitenstaander-zijn en racisme, menselijkheid en onmenselijkheid. Het komt allemaal, in een mooi verband, voorbij.

    Herinneren
    Memory is veroordeeld voor de moord op Lloyd Hendricks, de blanke adoptievader die haar, een albino waarop een vloek heet te rusten, opvoedde. Haar advocate zet Memory aan tot het vertellen van haar verhaal aan een Amerikaanse journaliste, en tot het opschrijven ervan. Dat zou kunnen helpen bij het indienen van een verzoek tot gratie. Het leidt dus zowel tot een orale autobiografie in de traditie van Zimbabwe als een geschreven autobiografie zoals we die in het Westerse wereld vanaf bijvoorbeeld Catharina van Siena kennen. Ook aan haar werd demonische bezetenheid toegeschreven.

    In korte zinnen schrijft Memory over haar jongste broertje Gift, dat is overleden, net als de jongste uit het gezin, Mobhi, die verdronk in een emmer. Om al snel over te springen op het leven in de gevangenis, waar ‘de hel inderdaad uit andere mensen blijkt te bestaan, vooral wanneer die andere mensen je vrouwelijke medegevangenen zijn en er een week lang geen water is.’ Zo’n sprong geeft het verwrongen tijdsbesef waarin Memory leeft treffend weer.
    Het opleidingsniveau van de bewaaksters wordt raak getroffen door tal van geestige en goed vertaalde taalfouten, zoals ‘verkeerd verzonden’ voor verkeerd verbonden, ‘organisme’ voor orgasme, ‘rigor mosterd’ voor rigor mortis en ‘doofdom’ voor doofstom. Mooi gedoseerd, zodat het niet melig wordt. Maar het lachen daarom ‘heeft iets hysterisch, want telkens wanneer ik lach, weet ik dat mijn lach in de duisternis vergaat.’

    Licht en duister
    Licht en duister liggen in deze schitterende roman dicht bij elkaar. Het is als de auto van meester Maenzanise, waarin een kind was geboren en een oude man was gestorven, ‘en ze waren allebei op weg geweest naar het ziekenhuis.’ De ene bewaakster was lichter van kleur dan de ander, de ene was schappelijker dan de ander. Of spelen deze verschillen zich alleen maar af in Memory’s hoofd?
    Het is een insteek die doet denken aan wat de filosoof Michel Foucault, die zich in het gevangeniswezen heeft verdiept, ergens schreef: te weten willen komen ‘in hoeverre het denken van je eigen geschiedenis het denken kan bevrijden van wat het stilzwijgend denkt en het de gelegenheid kan bieden anders te denken.’ Of, zoals Memory/Mnemosyne schrijft: ‘Soms ga je dingen begrijpen die je onmogelijk kunt hebben geweten; je snapt ze en je herschrijft je herinneringen om er een samenhangend geheel van te maken.’ Hiervoor staat het geld dat Memory haar moeder aan Lloyd Hendricks zag geven symbool. Ze denkt dat dit de prijs is die voor haar is betaald, maar dat blijkt anders te liggen.

    Verhaal
    Het kleine verhaal van haar leven dat Memory vertelt en opschrijft, wordt gespiegeld in het grote verhaal van de geschiedenis van Zimbabwe. Haar beroep zal ongeveer in dezelfde tijd dienen als er verkiezingen zijn. Beide zijn hoopvolle elementen: zal Memory gratie krijgen, zullen de vrijheidsstrijders winnen en misschien zelfs aan de macht komen? Gappah vlecht beide verhalen op een ingenieuze manier in elkaar.
    Maar niet in de laatste plaats schrijft Memory het verhaal ook voor zichzelf. Ze geniet ervan woorden, zinnen en alinea’s op papier te zetten, zoals een gevangene in een roman van Stephen King gedwongen werd een boek te schrijven en dit hem uiteindelijk op de been hield.

    Breuken en botsingen
    Gappahs boek wordt ook gekenmerkt door breuken en botsingen tussen het leven voor en na de dood van de kleine Mobhi, de periode in de gevangenis en de tijd ervoor, tussen hetgeen de Victorianen Rhodesië brachten aan Westerse cultuur en godsdienst en traditionele gewoonten, genezers en het atavistische geloof in voorouders.
    Zowel Memory als haar adoptievader vallen buiten de gangbare hokjes: Memory omdat ze albino is, Lloyd onder andere omdat hij zich in de ogen van de blanken teveel had aangepast aan de autochtone bevolking van het toenmalige Rhodesië. Je zou kunnen zeggen dat de overeenkomst tussen beiden is, dat ze allebei van binnen zwart waren. Maar er is nog een reden waarom Lloyd buiten de gemeenschap valt. De reactie van Memory daarop toont dat ze nog steeds een rooms-katholiek schoolmeisje is met bekrompen gedachten. Gaandeweg wordt ze zich daarvan bewust en bevrijdt ze zich daarvan.

    De roman is een subtiele, knap geschreven en vormgegeven aanklacht tegen alle kunstmatige scheidingen die Rhodesië/Zimbabwe, maar niet alleen daar, heeft opgeworpen om mensen, niet alleen blank en zwart, bij elkaar vandaan te houden. Het is echter geen pamflet, maar een grootse roman die tevens een ode is aan het verhaal, verteld en/of opgeschreven, als een weg naar waarheid en begrip.

  • Bill Bryson verkent opnieuw zijn tweede vaderland

    Bill Bryson verkent opnieuw zijn tweede vaderland

    Een nieuwe hogesnelheidslijn dwars door Engeland brengt je 20 minuten eerder in Birmingham. ‘Wat levert het op, behalve een aantasting van het Engelse platteland,’ vraagt Bill Bryson (1951) zich af in zijn nieuwe boek. ‘Denkt de overheid nou echt dat die 20 minuten per werknemer de economie een flinke boost zullen geven? Welnee. De gemiddelde werknemer zal, net zoals u en ik, die extra tijd gebruiken voor een extra kop koffie.’

    Het is maar één van de vele vermakelijke plaagstootjes die Bryson geeft in De weg naar Little Dribbeling. Een nieuw reisboek van de veelgelezen auteur van populair- wetenschappelijke boeken en reisverhalen. Je zou het als de opvolger kunnen beschouwen van het succesvolle Een klein eiland (1995), waarin de Amerikaan, die al meer dan 40 jaar in Engeland woont, in de vorm van een reisverslag de identiteit van het Engelse volk blootlegde. In zijn nieuwe reisboek keert hij terug naar een groot aantal van de dorpen, steden en bezienswaardigheden die hij jaren geleden beschreef. Hij vergelijkt de huidige situatie met die van toen en maakt de balans op. Die valt niet altijd gunstig uit.

    Kritiek
    Bryson is kritisch en soms vilein. Maar zijn lichtvoetige stijl en de typische Engelse humor– subtiele ironie, herhalingen, zelfspot en overdrijvingen – die de inmiddels tot Brits onderdaan genationaliseerde Bryson zich eigen heeft gemaakt, maken van zijn boek allesbehalve een zwartgallige afrekening van de moderne tijd. Integendeel, het is lachen geblazen met de toerist Bryson die zich, de ene keer gelaten en de andere keer verongelijkt, de merkwaardigheden van het Britse platteland laat welgevallen. Waar musea zomaar gesloten kunnen zijn op dagen dat je honderden toeristen zou kunnen verwelkomen. Waar je voor een veerpont naar het noordelijkste schiereiland volgens een telefoontje vooraf niet zou hoeven te reserveren, maar waar je bij aankomst, na een reis van anderhalve dag, zonder blikken of blozen wordt medegedeeld… dat je had moeten reserveren.

    Soms schrik je even. Wat zegt hij nou aan de telefoon tegen een winkelier die tegen de afspraak in gesloten was? ‘Je bent een kakkineuze, hersenloze kuttekop’. Oeps. Steekt daar toch nog een boers Amerikaans sentiment de kop op? Nee, je slaakt een zucht van verlichting als je verder leest: ‘Ik dacht het alleen maar. In plaats daarvan slaakte ik, echt op z’n Brits, een geprevelde verzuchting en hing op.’

    Leren
    Tussen de beschrijvingen door van wat brekebeen Bryson meemaakt tijdens zijn reisjes en wat hij als scherp observator noteert, leren we ook nog het een en ander. Bryson schrijft naast reisverhalen ook populair-wetenschappelijke boeken waarin hij ingewikkelde zaken op heldere wijze verklaart voor eenvoudige stervelingen die geen bètawetenschappen hebben gestudeerd. In Een kleine geschiedenis van bijna alles bijvoorbeeld legt hij, ook weer met veel gevoel voor humor, voor de leek uit hoe de aarde is ontstaan en wat sterrenstelsels zijn. In De reis naar Little Dribbling vertelt hij zijn lezer waar de stenen van Stonehenge vandaan komen en beschrijft hij heel aanstekelijk hoe amateurarcheologen de geschiedenis van het eiland bloot hebben gelegd. Maar ook over stormen die Britse marineschepen op de grillige kust hebben doen versplinteren, met honderden slachtoffers tot gevolg. Als een volleerd gids strooit hij droogkomische anekdotes in het rond. Geen bladzijde in het door Peter Diderich uitstekend vertaalde boek die niet minstens één glimlach ontlokt.

    De auteur is voorzitter is van een stichting die het Britse platteland wil beschermen. Dat merk je wel. Plannen om het groene gebied rondom de almaar uitdijende steden aan te tasten, voor een extra landingsbaan van Heathrow of de hogesnelheidslijn kunnen in zijn boek op fikse kritiek rekenen. Maar het wordt nooit storend, zijn kritiek ontstijgt de bijzinnen nooit, wordt nooit het hoofdthema. Bryson is ook geen purist die vindt dat alles bewaard moet worden. Hij maakt met zichtbaar plezier de 18.500 Engelse vrijwilligers belachelijk die de ruim honderd stoomtreinen rijdend houden. Ook de Engelse monumentenzorg krijgt er flink van langs omdat die club regeltjes volgens Bryson belangrijker vindt dan het werkelijke behoud van de monumenten en hij bespot de ongebreidelde groei van restaurants en souvenirwinkels in en nabij bezienswaardigheden.

    En toch zou je niets liever doen, nadat je de laatste bladzijde gelezen hebt, dan een ticket kopen. Snel naar Engeland.