• Rondhangen in niemandsland

    Rondhangen in niemandsland

    Hoe leer je een land echt kennen? Bezoek je hotspots en toeristische trekpleisters, plekken die als ‘typisch’ bekendstaan? NRC-journalisten Carola Houtekamer en Freek Schravesande pakten het voor hun boek Afrit Akersloot, een bundeling van stukken die eerder al in de krant verschenen, helemaal anders aan: ze zochten onbestemde plekken op, ‘non-descripte plaatsen waar je met grote vaart doorheen rijdt op weg naar je bestemming, maar nooit halverwege even uitstapt en een ommetje maakt’. Snelweghotels, industrieterreinen, luchthavens, campings, volksbuurten, kerncentrales: op het eerste gezicht valt er niets te beleven en wil je er zo snel mogelijk weg, maar als je lang genoeg blijft rondhangen en je ogen flink de kost geeft, zijn het boeiende bestemmingen. Ze tonen een land zonder opsmuk, naakt, gewoon zoals het is.

    Het concept is niet helemaal nieuw. In 1983 ondernam de Argentijnse schrijver Julio Cortázar (1914-1984) bijvoorbeeld al eens een reis door Frankrijk met zijn vrouw Carol Dunlop. Zonder de snelweg te verlaten bezochten ze toen alle vijfenzestig parkeerplaatsen tussen Parijs en Marseille alsof het wereldwonderen waren in plaats van banale doorgangsplekken. Het verslag van die reis, De autonauten van de kosmosnelweg, is een heerlijk boek, een lofzang op de verwondering over het alledaagse.

    Maar het uitgangspunt van Afrit Akersloot is anders. Er staan echte fly-on-the-wallreportages in, journalistieke stukken met veel human interest die meer willen registreren dan uitleggen. Interessant wordt het vooral wanneer ons een blik achter de façade van het dagelijkse leven wordt gegund, bijvoorbeeld door het onderbetaalde kamermeisje dat de spullen terugvindt die we hebben achtergelaten in de hotelkamer die zij moet schoonmaken: ‘De sokken, de vieze onderbroeken, de lege glazen, de lachgaspatronen, de drugs, de vlekken, de volle condooms, mensen kennen geen schaamte.’ Of door de koks en obers die met plaatsvervangende schaamte toekijken terwijl hotelgasten zich volvreten aan het all-you-can-eatbuffet waar zij al voor dag en dauw eten naartoe slepen. Alleen is het jammer dat de auteurs op zulke momenten niet een beetje doorvragen. Hoeveel van dat voedsel wordt er eigenlijk weggegooid? En als er ontradingscampagnes bestaan tegen roken of alcohol, waarom dan niet tegen horecagelegenheden die hun klanten stimuleren om zich op korte tijd vol te stouwen met calorierijk voedsel?

    De rafelrandjes van de samenleving, de dingen waar we liever van wegkijken, van fetisjisten die op Schiphol rondhangen bij de damestoiletten tot kleine criminelen op campings of in achterstandswijken, zijn ruimschoots vertegenwoordigd. Soms leidt dat tot verrassende inzichten. Neem bijvoorbeeld de reportage over de Haagse Spoorwijk, thuisbasis van de Quote 500-bende, die de lijst met rijke Nederlanders gebruikte om in te breken op interessante plekken. Voor justitie of de buitenwereld is zo’n bende een vorm van ‘georganiseerde misdaad’, terwijl uit die reportage nu net blijkt dat die jongens maar wat aanmodderen en niet veel kaas hebben gegeten van organisatie.

    Toch hadden de auteurs ook voor deze reportage een beetje meer mogen doorvragen. De solidariteit van een achterstandswijk met lokale criminelen (‘een Spoorwijker schijt niet in zijn eigen nest,’ noemen de locals dat fenomeen), roept nogal wat vragen op. Heeft die samenhorigheid niet net zo goed te maken met een angstcultuur, met omerta? Ook in Napels zijn er wijken waar niemand met de politie spreekt, maar dat is niet alleen een kwestie van al dan niet misplaatste solidariteit: het is er gewoon verdomd gevaarlijk om misdadigers aan te geven.

    Naar hedendaagse normen zijn de krantenstukken in dit boek al behoorlijk lang: het moet blijkbaar steeds korter en beknopter. Toch zouden ze dus nog wat diepgravender mogen zijn, al lijkt het onwaarschijnlijk dat kranten nog veel tijd en plaats kunnen of willen maken voor ‘slow journalism’ en lange reportages. Tot slot had dit boek op stilistisch gebied nog wat meer ademruimte mogen krijgen: korte, jachtige zinnetjes overheersen. In de journalistiek is snelheid misschien de norm geworden, voor een boek willen lezers nog wat tijd nemen en mag het allemaal wat trager gaan.

     

     

  • Oogst week 22 – 2019

    Schemerland

    Drie titels van Nederlandse auteurs, Adam van Wanda Reisel, Ik ga het donker maken in de bossen van Tsead Bruinja en het debuut Schemerland van Berthe Spoelstra.

    Berthe Spoelstra (1969) is huisdramaturg van het Frascati Theater en schreef verschillende essays over het theater. Schemerland is haar romandebuut over een oude vrouw die niet meer praat en een passief leven leidt in haar Parijse appartement. Zittend in haar stoel kijkt Jeanne enkel naar het kleed aan haar voeten en de schilfers op het plafond. Haar kinderen vinden dat het zo niet langer kan en willen haar verhuizen naar een verzorgingshuis. Jeanne heeft ondertussen te maken met spoken uit het verleden en het onvermijdelijke einde. Zittend in haar stoel, aanschouwt ze via de televisie hoe de wereld, net als zij, ten onder gaat. De uitgever noemt het boek ‘een taalbouwwerk over menselijk onvermogen’.

    Schemerland
    Auteur: Berthe Spoelstra
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Ik ga het donker maken in de bossen van

    Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja (1974) debuteerde in 2000 met de Friestalige dichtbundel De wizers yn it read, in 2003 verscheen zijn eerste Nederlandstalige bundel Dat het zo hoorde. Hij is altijd in het Nederlands en het Fries blijven schrijven. Zijn recentste bundel is Hingje net alke klean op deselde kapstôk / Hang niet alle kleren op dezelfde kapstok (Afûk, 2018). Daar volgt nu de nieuwe bundel Ik ga het donker maken in de bossen op.

    In deze bundel figureren bomen, brommers, vliegtuigen, bossen, cirkelzagen, Nederland en politiek. En volgens zijn uitgever spat het talent ‘in al zijn facetten van deze nieuwe bundel af’ en is Bruinja een dichter die het gevoel en het experiment in zijn werk toelaat. ‘als deze wereld onderdeel is van iets wat één is / dan is dat één een één waaraan iets mist’.

    Volgens de benoemingscomissie ‘Dichter des Vaderlands’ is Bruinja ‘een bevlogen ambassadeur voor de poëzie in de breedste zin: als bloemlezer, performer op podia en in de media, organisator van evenementen en aanjager van kruisbestuivingen met andere kunstvormen. Hij beweegt in zijn vaak geëngageerde poëzie moeiteloos tussen binnenwereld en buitenwijk – en waar het wel moeite kost, levert dat spannende poëzie op.’

    Ik ga het donker maken in de bossen van
    Auteur: Tsead Bruinja
    Uitgeverij: Querido

    Adam

    Wanda Reisel schrijft sinds 1985 romans, filmscenario’s en theaterstukken. Adam is haar twaalfde roman en kwam begin dit jaar uit. Het gaat over een man die onder en boven de wet leeft en daarmee weg denkt te komen. Het boek opent met een spectaculaire beschrijving van een aanslag op het Monument op de Dam, dat met een klap uit elkaar knalt. Er zijn vele gewonden en doden. Adam Landau is ter plekke en neemt het besluit het geluk naar zijn hand te zetten. Dat doet hij door in het geheim miljoenen naar banken in het buitenland over te sluizen. Hij reist over de wereld, van Amsterdam, via Zürich en Shanghai, om zich later terug te trekken in een doodstil fjord in Noorwegen. Ondertussen worstelt hij met de consequenties van zijn daad en met zijn vrijheid.

    Adam
    Auteur: Wanda Reisel
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Oogst week 18 – 2019

    Ik heb het de tuin nog niet verteld

    In de oogst van deze week de laatste roman van de Italiaanse schrijfster Pia Pera, de vijfde roman van Jan Vantoortelboom, literair tijdschrift Tirade, en een bericht van de Turkse schrijver en politieke gevangene Ahmet Altan.

    Pia Pera (1956-2016) was een Italiaanse auteur en vertaalster Russisch. Ze schreef verschillende romans. In 1995 verscheen haar Dagboek van Lo, een hervertelling van Nabokovs Lolita, maar dan vanuit het vrouwelijke hoofdpersonage verteld. Later specialiseerde ze zich in boeken over tuinieren. Pia Pera overleed in 2016 aan de gevolgen van ALS. Ik heb het de tuin nog niet verteld is een semi-autobiografische roman en tevens haar laatste werk.

    Als Pia Pera ongeneeslijk ziek is, trekt zij zich steeds meer terug in de natuur. Zo lang als ze kan blijft ze actief om in haar Toscaanse tuin te kunnen werken. Wanneer haar spierkracht afneemt, ze invalide raakt is de Sri Lankaanse tuinier, Giulio, die voor haar en haar tuin zorgt. Naast meditatie, het lezen van enorme hoeveelheden boeken en lezingen die haar dagen structureren, is er ook de foxterriër die altijd bij haar is en een groot aantal vrienden die komen en gaan. Maar het is de tuin die als een spiegel elke stemming en elk teken van haar ziekte reflecteert. Het is een boek waar beweging in zit en leidt naar donkere diepten, naar geliefde dichters, filosofen en de muziek van Abba (een Chinese dokter adviseerde haar naar hen te luisteren, omdat het therapeutisch zou werken). Een zelfonderzoek over leven en dood, reflecterend op vragen waarop ze geen antwoord heeft. Vragen die een ieder raken, vroeg of laat.

    Ik heb het de tuin nog niet verteld
    Auteur: Pia Pera
    Uitgeverij: Cossee, Uitgeverij

    Jagersmaan

    De West-Vlaamse scrhijver Jan Vantoortelboom (1975) schreef sinds 2011 vijf romans, zijn tweede roman Meester Mitraillette, werd boek van de maand bij DWDD.

    In zijn nieuwste roman Jagersmaan schrijft Jan Vantoortelboom met over waar de grenzen van de liefde van een ouder voor een kind liggen en speelt in 1922. De jongeman Victor Vanheule leeft in armoedige omstandigheden en heeft een onwettig kind. Om de schande te ontvluchten vertrekt hij per boot naar Amerika. De boot verongelukt en Victor spoelt aan op de kust van Ierland. Daar woedt een burgeroorlog met een versplinterde Ierse Republikeinse Broederschap. In zijn poging een nieuw leven te beginnen, wordt Victor gedwarsboomd door anderen. Hij treft een gelijkgestemde ziel in een meisje waarvan de vader net geëxecuteerd is, samen hopen ze op betere tijden.

    Een sfeervol vertelt verhaal dat als volgt begint:
    ‘Ineens staat ie voor m’n neus, ‘k viel bijna achterover van ’t verschot. Hij komt zomaar via de achterdeur binnen, de smoelentrekker.’

    Jagersmaan
    Auteur: Jan Vantoortelboom
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Tirade

    Een dik nummer van de nieuwe Tirade plofte op de deurmat. Het is dan ook een dubbele editie, de nummers 474 & 475, met bijdragen van twaalf auteurs. Opvallend is dat de korte verhalen, van een behoorlijke omvang zijn en het middenstuk, het artikel Het literaire werk tussen feit en fictie van H.U. Jessurun d’Oliveira, ruim veertig pagina’s beslaat. Een zeer interessant stuk over het domein van de schrijver, die van de wereld literatuur maakt. En wie is er verantwoordelijk voor de karakters in het boek die de werkelijkheid weergeven? Moet de rechter de plaats innemen van de literatuurwetenschapper? Denk aan Peter Koelewijn die A.F.T. van der Heijden aanklaagde, en de rel rond Charlotte Mutsaerts over haar boek Harnas van Hansaplast, waarin haar broer als fictief hoofdpersoon fungeerde en natuurlijk ook het ‘Ezelproces’ van Gerard Reve.

    Daarnaast bevat Tirade poëzie van de Engelse dichter Christopher Levenson (1934), ingeleid en vertaald door Ad Zuiderent, en van Myrte Leffring. Verder verhalen van Willemijn Kranendonk, Rino Gouw (debutant in het tijdschrift), Pieter Kranenborg, Gilles van der Loo, Lia Tilon en Nathanael West (vertaling Caspar Wijers). De tirade van… is deze keer door Daan Doesborgh gevuld. Illustraties Cheerted Keo.

    Een nummer om de maand mee door te komen, met mooi proza en poëzie.

    Tirade
    Auteur: Redactie: Dean Bowen, Daan Doesborgh, Julien Ignacio, Anja Sicking, Marko van de Wal
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Ik zal de wereld nooit meer zien

    De Turkse schrijver Ahmet Altan kreeg vorig jaar levenslang. In Ik zal de wereld nooit meer zien doet hij verslag.
    In 2016 werd er op een vroeg zomerochtend aangebeld bij de Turkse journalist en schrijver Ahmet Altan. Hij  wist meteen dat de politie voor de deur stond. Hij en zijn broer Mehmet werden gearresteerd in de nasleep van de mislukte staatsgreep in Turkije. De verdenking: verspreiding van verborgen boodschappen ter aanmoediging van de coupplegers. Begin 2018 werd Altan veroordeeld tot levenslang in eenzame opsluiting.
    Altan beschrijft op urgente wijze de politieke situatie in Turkije en zijn leven in de gevangenis. Hij overstijgt daarmee zijn eigen tragedie en schrijft over universele thema’s als vrijheid en het verloop van de tijd. Vanuit zijn cel kan Altan nog maar één ding doen: een verhaal vertellen dat zijn lezers niet meer loslaat.

    Een fragment:
    ‘Terwijl de politiemannen het huis doorzochten, zette ik thee-water op.
    ‘Willen jullie thee?’ vroeg ik.
    Ze zeiden dat ze niet hoefden.
    De stem van mijn vader nabootsend zei ik: ‘Het is geen omkoperij. Jullie kunnen gerust drinken.’
    Exact vijfenveertig jaar geleden, op een ochtend als deze, waren ze ons huis binnengevallen om mijn vader te arresteren.
    Mijn vader had ze koffie aangeboden en toen ze het hadden afgewezen had hij lachend gezegd: ‘Het is geen omkoperij. Jullie kunnen gerust drinken.’
    Wat ik meemaakte was geen déjà vu.
    Het was een herhaling van dezelfde werkelijkheid.’

     

    Ik zal de wereld nooit meer zien
    Auteur: Ahmet Altan
    Uitgeverij: Bezige Bij, De
  • Oogst week 17 – 2019

    Het beroep van mijn vader

    Deze week uit elk boek een klein citaat. Te beginnen bij Het beroep van mijn vader, de nieuwe roman van de Franse journalist en schrijver Sorj Chalandon (Tunis, 1952).

    Hij begint als volgt:

    ‘Zaterdag 23 april 2011

    We waren maar met z’n tweeën, mijn moeder en ik. Toen het karretje met daarop de doodskist van mijn vader werd binnengereden, moest ik aan een serveerwagentje in een restaurant denken. De lijkdragers waren met zijn drieën. Vale gezichten, zwarte jassen, slecht geknoopte dassen, te korte broeken, witte sokken en slappe schoenen. Ze hadden niets plechtigs of ernstigs, wisten met hun blik en hun handen geen raad. Ik verjoeg een glimlach. Mijn vader zou worden afgevoerd door uitsmijters van een nachtclub.’

    Chalandon had geen gemakkelijke vader. In Het beroep van mijn vader, zijn meest autobiografische roman, stelt hij de vraag hoe je je als kind het beste kunt wapenen tegen de uitbarstingen van een paranoïde vader.
    Hij schreef het na de dood van zijn vader.

    Het beroep van mijn vader
    Auteur: Sorj Chalandon
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De kamer waar alle verhalen beginnen

    De kamer waar alle verhalen beginnen van Wouter Godijn (1955) gaat over een redacteur van thrillers, fantasy en sciencefiction die zo door zijn werk in beslag is genomen dat hij ervan droomt. Opvallend is dat hij droomt in de stijl van die genres, en de inhoud van de dromen is te herleiden tot de trauma’s die hij opliep in zijn eigen jeugd.

    Het boek begint als volgt:

    ‘De redacteur was zich aan het uitkleden. Zijn pantalon, als hij hem aanhad een nogal intimiderend kledingstuk, glanzend blauw als de avondhemel vlak voor het écht donker wordt, lag al in een enigszins ambivalente houding, een kruising tussen een prop en netjes opgevouwen, op een parmantig stoeltje niet ver van zijn bed. Hij stond voor een smalle, langgerekte spiegel, waar hij niet in keek en tegelijk wel, en knoopte zijn wit-lichtblauw gestreepte overhemd dat nu een beetje op een jurkje leek open, werktuiglijk speurend naar urinevlekken op het onderste deel (sinds de operatie was het risico daarop groter geworden) en andersoortige ongerechtigheden- hoewel hij de volgende dag sowieso een schoon overhemd zou dragen. Beroepshalve diende hij frisheid en reinheid uit te stralen.’

    De uitgeverij omschrijft De kamer waar alle verhalen beginnen als een ontroerend verhaal over waarschijnlijk de laatste nacht uit het leven van een man die zich heeft geprobeerd te verzoenen met iets wat dat leven heeft verruïneerd, en noemt het spannend, humoristisch en de verbeelding overstijgend.

     

    De kamer waar alle verhalen beginnen
    Auteur: Wouter Godijn
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Afhankelijkheidsverklaring

    De proloog van Afhankelijkheidsverklaring van theatermaakster Rebekka de Wit begint als volgt:

    ‘Het schijnt dat Aboriginals een absoluut gevoel voor richting hebben. Als ergens aan de linkerkant van een Aboriginal een gigantische rots staat te blinken in het zonlicht, zal hij die rots lokaliseren aan de hand van de windrichtingen. “Opmerkelijk”, zal hij mompelen. “Een blinkende rots in het noordoosten” Of er loopt een mierenkolonie voorbij, terwijl twee Aboriginals wat ditjes en datjes uitwisselen. Een van hen zou dan kunnen zeggen: “Kijk! Een Australische mierenoptocht, ongeveer tien centimeter ten zuiden van je enkel!”’

    Afhankelijkheidsverklaring is min of meer een logisch vervolg op haar debuut uit 2015 We komen nog één wonder tekort waarin De Wit schreef:

    ‘Ik zou een Declaration of Dependence willen schrijven, omdat dat veel minder bezijden de waarheid klinkt en troostender is dan de gebalde vuist, en independence me vrijwel uitsluitend doet denken aan het alleen zijn, wat er sowieso is.’

    En nu is die afhankelijkheidsverklaring er dus. Volgens Atlas Contact is het een bundel met bespiegelingen, verhalen en essays over het meest vanzelfsprekende. Rebekka de Wit probeert als een antropoloog te doorgronden waarom iedereen van zijn doodsangsten uitdagingen probeert te maken, waarom afhankelijkheid als falen wordt gezien en waarom mensen die graag te boek staan als ‘no nonsense’ doorgaans veel nonsens uitkramen.

     

     

     

    Afhankelijkheidsverklaring
    Auteur: Rebekka de Wit
    Uitgeverij: Atlas Contact (2019)

    QualityLand

    ‘Come to where the quality is! Come to QualityLand!’

    Zo begint de inleiding van het bij uitgeverij De Harmonie verschenen boek QualityLand.

    Het gaat verder:

    ‘Je gaat dus voor het eerst van je leven op reis naar QualityLand. Voel je de spanning stijgen? Nou? Volkomen terecht! Want nog even en je zet voet in het land dat zo belangrijk is dat de stichting ervan een nieuwe jaartelling inluidde: QualityTime

    Na de zoveelste crisis in korte tijd onderneemt de regering actie: ‘Meegesleurd in de blinde paniek van de markten vroeg de regering de bedrijfsadviseurs van Big Business Consulting (BBC) om hulp, en zij besloten dat het land vooral een nieuwe naam nodig had. […]

    De bedrijfsadviseurs gaven de creatieve geesten van WereldWijdeWarenhuis (WWW) niet alleen de opdracht om met een nieuwe naam voor het land te komen maar meteen ook een nieuw imago, nieuwe helden, een nieuwe cultuur, kortom: een nieuwe Country Identity.’

    In QualtiyLand vertelt QualityPartner je wie het beste bij je past en zelfrijdende auto’s weten precies waar je naartoe wilt. Werk, vrije tijd en relaties, alles wordt door algoritmes bepaald.

    De Duitse auteur Marc-Uwe Kling is kleinkunstenaar en poetryslammer. Hij was zeer succesvol met zijn debuut De kangoeroekronieken.Daarvan werden in Duitsland een half miljoen exemplaren verkocht. Ook werden de filmrechten verkocht.

    QualityLand
    Auteur: Marc-Uwe Kling
    Uitgeverij: Uitgeverij De Harmonie (2019)
  • Oogst week 16

    Een zomer in Venetië

    In de oogst van deze week een kleine roman van de Poolse schrijver Włodzimierz Odojewski, evenals van de Duits/Franse schrijfster Cécile Wajsbrot, nagelaten werk en brieven van Franz Kafka en het laatste deel uit de Cazelets-reeks.

    Włodzimierz Odojewski (1930-2016) schreef vele romans, verhalen, theaterstukken en gedichten. Zijn werk werd onder meer in Frankrijk, Duitsland en Spanje vertaald. Een zomer in Venetië is het eerste boek van Odojewski dat in het Nederlands vertaald is.

    Een zomer in Venetië gaat over het negenjarige jongetje Marek dat op vakantie gaat naar Venetië. Hoewel hij pas negen is, weet hij alles over de stad. Maar de zomer van 1939 heeft andere verrassingen voor hem in petto. Vanwege de dreigende oorlog moet hij in Polen blijven en wordt hij naar zijn tante Weronika op het platteland gestuurd. In haar landhuis ontdekt hij op een dag een plas water in de kelder, die snel groter wordt. Een heilzame bron!

    Zijn lievelingstante Barbara gaat meteen met dit idee aan de slag. Stoelen worden bruggen, de pingpongtafel wordt het San Marcoplein. En terwijl buiten uit de blauwe lucht de eerste bommen vallen, beleeft Marek onder de lampionnen in de verduisterde kelder een reis die het echte Venetië ver overtreft.

    Een zomer in Venetië
    Auteur: Wlodzimierz Odojewski
    Uitgeverij: Querido

    Caspar David Friedrichstrasse

    Tijdens de oorlog waren de ouders van Cécile Wajsbrot naar Frankrijk gevlucht waar zij in 1954 als dochter van Poolse joden in Parijs geboren werd. Tegenwoordig leeft ze afwisselend in Parijs en Berlijn.

    Caspar David Friedrichstrasse is een bitter relaas van een leven voor en na de muur in Berlijn. Over levens die verscheurd werden. De Duitse kunstenaar Caspar David Friedrich (1774-1840) was een schilder uit de romantische periode. In het Berlijn van na de muur wordt een straat naar de kunstenaar vernoemt.

    Een dichter wordt gevraagd te spreken op de openingsceremonie van de straat, hij laat zich meeslepen door herinneringen aan een geliefde aan de andere kant van de muur. Midden in zijn  gepassioneerde lezing over het werk van de romantische schilder, verbindt hij heden met verleden. Dan verandert zijn toespraak in een bekentenis over een leven dat even verscheurd is als de geschiedenis van zijn land.

    Caspar David Friedrichstrasse
    Auteur: Cécile Wasjbrot
    Uitgeverij: Vleugels

    Veranderingen

    Voor de trouwe  Cazalets lezers is er goed nieuws (of niet). Het vijfde en laatste deel van de Cazalets-serie van Elizabeth Jane Howard (1923-2014) is verschenen. Op zesendertigjarige leeftijd debuteerde Howard met The Beautiful Visit. Na een aantal mislukte huwelijken maar wel succesvol als schrijfster, werd ze de tweede vrouw van Kingsley Amis. Het was op aanraden van haar stiefzoon, de schrijver Martin Amis dat Howard in 1982 begon aan de romanreeks geënt op haar eigen familiegeschiedenis, de Cazalets.

    In het vijfde en laatste deel Veranderingen is het halverwege de jaren vijftig. De baronie is overleden, en met haar is een heel tijdperk voorgoed verdwenen. Hoewel de oorlog al tien jaar voorbij is, voelen de Cazelets kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen nog steeds de naschokken ervan. Veel staat er op het spel, het voortbestaan van hun geliefde Home Place, het familiebedrijf, familierelaties en huwelijken. En de nichtjes Polly en Clary proberen het huwelijk en moederschap te combineren met professionele ambities.

    Veranderingen
    Auteur: Elizabeth Jane Howard
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap

    Franz Kafka (1883 – 1924) schreef voornamelijk proza, waarvan zijn romans Het proces (1925), Het slot (1926) en Amerika (1927) de bekendste zijn. Later vonden ook enkele prozavertellingen hun weg naar het grote publiek. Pas in de jaren dertig van de negentiende eeuw groeide de belangstelling voor zijn werk, dat mede dankzij zijn vriend Max Brod postuum verscheen.

    ‘Mijn schrijven ging over jou,’ luidt Kafka’s oordeel over zijn eigen literaire werk in Brief aan mijn vader. Veel van de teksten in deze verzameling alsook veel van de ‘Aforismen’ gaan over de verhouding van het individu tot de ander, de samenleving, de macht.

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap bevat een keuze uit nagelaten verhalen en fragmenten. Kafka schreef de Brief vijf jaar voor zijn dood, in 1919. Opmerkelijk is dat hij de brief typte, waaruit kenners opmaken dat hij met deze brief niet enkel privé bedoeling had. Toch was de brief wel degelijk voor zijn vader bedoeld, al durfde Kafka hem niet zelf op te sturen. Hij vroeg zijn moeder de brief door te geven, maar zij weigerde. Het is een uiterst persoonlijk, pijnlijk en aangrijpend document waarin de vaderfiguur bijna mythische vormen aanneemt.

     

    Brief aan mijn vader en ander proza uit de nalatenschap
    Auteur: Franz Kafka
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Zoeken en vinden als vorm van genade

    Zoeken en vinden als vorm van genade

    Jutka Horvath, het hoofdpersonage in Vonne van der Meers roman Vindeling, lijkt het zusje van Ramses Shaffy’s Sammy. ‘Waarom loop je zo gebogen Sammy’, zingt Shaffy en geeft allerlei suggesties op het waarom. Ook Jutka loopt gebogen en kijkt constant naar beneden. Zij doet dit, omdat ze hoopt op straat iets te vinden. Urenlang loopt ze ‘door de stad in de hoop iets te zien liggen wat een ander was kwijtgeraakt’. Zoals een damestas, die ze als zesjarige vindt en die haar leven verandert, doordat ze van de eigenaresse ervan een boek, Winterboek, cadeau krijgt. Daarin staat onder meer een verhaal over een kind dat een speelgoedvis kwijt raakt.

    Vis als bijbels symbool

    Jutka weet als kind nog niet wat wij, als volwassen lezers erin vermoeden: de vis als symbool voor het christendom;  zoeken en vinden als Bijbelse notie. Met al dat zoeken, vinden en teruggeven kan het thema van de dertiende roman van Van der Meer dan ook niet mis verstaan worden. In het grote en in het kleine. Groot, omdat Jutka haar vaderland Hongarije, of, ‘waar wij vandaan komen’ als vluchteling in 1956 kwijt was geraakt. Klein omdat haar vader dood is, of beter: doodgezwegen wordt omdat hij vreemd ging. ‘Ze probeerde te vergeten dat hij haar vergeten was’. Tenminste, dat dacht ze.

    Subtiliteit wordt pathetiek

    Vinder zijn is, zegt de moeder van Jutka, een vorm van genade. Het terugbezorgen van een vondst aan de eigenaar, is het brengen van geluk. Vinden lijkt op vissen, waarmee het eerder genoemde thema ‘vis’ en de christelijke connotatie daarvan op een subtiele manier wordt hernomen. Dit geldt ook voor het beeld van Jutka, die door al dat gestaar naar de grond krom groeide en op school werd nageroepen als ‘kolensjouwer’ of ‘dromedaris’. Het is een beeld dat in de literatuur oude papieren heeft: een Messiasachtige figuur zoals Lev Nikolayevitch Myshkin in Dostojevskis’ De idioot. Een personage dat in Zwitserland vervreemdt van zijn vaderland, zoals Jutka in Nederland van Hongarije, en wordt bespot. Met dit verschil, dat Jutka in tegenstelling tot de Russische prins wél wat te bieden heeft, als vindeling.

    De filosoof Peter Sloterdijk noemt Myshkin een engel zonder boodschap, zoals een priester van een kerk waarin je de Sint Nicolaaskerk in Amsterdam zou kunnen herkennen, in Jutka’s gekromde rug engelenvleugels meende te kunnen zien, ‘als handen die zich smekend samenballen’. De subtiliteit van het beeld van de vis, maakt hier plaats voor pathetiek, die misschien alleen te pruimen is binnen de geschetste intertekstualiteit en de lichtere passages over Jutka’s moeder, die ’s avonds als de pianiste Miss Chris optreedt in Hotel Rembrandt.

    Tijdens een van die avonden vindt Jutka, die alleen thuis is, in de kledingkast van haar moeder een schoenendoos waarin zo’n honderd ansichtkaarten zitten die haar dood gezwegen vader gedurende zeven jaar (het getal van de volheid) aan zijn dochter schreef en die haar moeder altijd voor Jutka verborgen hield. Het lijkt of Jutka hiermee zichzelf vindt en ze besluit, omdat ze er inmiddels de leeftijd voor heeft, uit huis te gaan.

    Dilemma’s 

    Er ontstaat een nieuwe verhaallijn, wanneer Jutka in Parijs, waar ze als au pair werkt, de Algerijn Hamid ontmoet die haar een dilemma voorlegt: moet je het belang van een groep mensen voor laten gaan boven dat van bijvoorbeeld je eigen kind? Hier schemert de filosofie van iemand als Thomas Hobbes en het communitarisme doorheen, wat verder niet wordt uitgewerkt. Met een beetje fantasie kun je deze verhaallijn opvatten als het vinden van een man. Door dergelijke verhaallijnen, waarbinnen het thema zoeken en vinden wordt verschoven naar hervonden herinneringen met haar vader, die ze na veertien jaar (twee maal zeven) in Parijs ontmoet, verbrokkelt het thema steeds meer, zodat je je als lezer soms afvraagt of Van der Meer er niet beter aan had gedaan het op zich fraaie gegeven van de Vindeling uit te werken tot een verhaal, een novelle of – zoals in Eilandgasten (1999), waarin ook een soort engel een verbindende schakel is, – een roman in verhalen.

    Het lezen van de schrijfster

    Soms is er een moment waarop je denkt te begrijpen wat de schrijfster aan het doen is. Namelijk in het laatste hoofdstuk, wanneer Jonas – een jongeman in een honkbaljack – Jutka een map terugbrengt die ze was verloren, met ‘losse fragmenten van verhalen’ die ze al vijftien jaar met zich meezeult. Bijvoorbeeld over een kind dat in een container werd gevonden. Op deze manier vallen vorm, inhoud en boodschap van de roman even samen, want vijftien is het symbool van genade.
    Jammer is alleen dat dit soms wat pathetisch wordt verwoord ten koste van een subtiliteit die wel degelijk in de roman aanwezig is. Niet alle (niet-christelijke) lezers zullen dit helemaal kunnen waarderen. Maar dat is waarschijnlijk niet Vonne van der Meers primaire doelgroep.

     

  • Oogst week 9 – 2019

    Uiterste dagen

    De verhalen van zijn Finse grootmoeder over haar vader in een oorlog uit een ver verleden en zijn fascinatie voor ‘geschiedenis en geweld, en vooral de ambivalentie van geweld’ (interview De optimist), vormen de basis voor het debuut Uiterste dagen van Ferdinand Lankamp (1989).

    Een historicus bereist het land van zijn familiegeschiedenis en vertelt het – al dan niet ware – verhaal.

    Uit het eerste hoofdstuk:

    (…) ‘De lente dreigt vooral zwaar te worden vanwege de brief die hij vrijdag heeft gekregen. Die brief had hij al verwacht, hij had haver apart gehouden voor het geval er een beroep op hem zou worden gedaan. De veearts van het leger was in de herfst langsgekomen. Hij bekeek Edvards merries, noteerde hun gewicht, hun leeftijd, stelde vragen over hun karakter. Toen de Russen een paar weken later aanvielen begreep Edvard dat het een kwestie van tijd was. In de brief die hij vrijdag ontving stond het onvermijdelijke: de Finse krijgsmacht vordert Ida, zijn merrie van zeventien jaar, de lieveling van het gezin en vooral van zijn dochter Cecilia. Op maandag, vandaag, zou hij nadere instructies ontvangen. Hij tilt de melkbussen van de kar. Op het licht achter de vensters van de boerderij na is het donker, maar toch denkt hij, kijkend naar het noorden, de boomtoppen in de verte te zien, de heuvel waarover de weg richting de stad loopt en waarvandaan hij vandaag een bode verwacht. Een lente zonder Ida. Wat moet hij zonder Ida?’

    Uiterste dagen
    Auteur: Ferdinand Lankamp
    Uitgeverij: Atlas Contact (2019)

    Salomons oordeel

    De nieuwe roman van Robert Vuijsje geeft weer stof tot nadenken en discussie. Het thema identiteit wordt vanuit alle hoeken aanschouwd en beschreven. Het is een eigentijdse roman waarmee Vuijsje de huidige tijd afzet tegen die van een kleine 10 jaar geleden toen zijn boek Alleen maar nette mensen verscheen en zeer uiteenlopende reacties teweegbracht.
    Salomons oordeel gaat over Max en Alissa. Max is een jood uit Amsterdam-Zuid, Alissa is zwart en komt uit de Bijlmer. Hun zoon Salomon is 17 en wil rapper worden.

    ‘Ik heet Salomon, en dan ook nog Cohen?’ vraagt hij aan zijn ouders. ‘Wat denk je dat mijn vrienden daarvan vinden?’ 
    Max en Alissa denken dat ze alle moderne valkuilen van racisme en antiracisme hebben doorstaan. Salomon staat voor de keuze: hoor ik bij de mensen die op mijn vader lijken of bij de kinderen die zwart zijn, net als ik? Max en Alissa denken dat ze op dezelfde manier naar de wereld kijken, tot Salomon door zijn vriendinnetje wordt beschuldigd van verkrachting.

    Salomons oordeel
    Auteur: Robert Vuijsje
    Uitgeverij: Lebowski (2019)

    Vos 8

    In 2017 ontving de Amerikaan George Saunders (1958) de Man Booker Prize voor zijn roman Lincoln in de bardo dat de jury ‘geestig, intelligent en een diep bewegende vertelling’ noemde.
    Saunders vooralsnog vooral bekend om zijn korte verhalen schrijft ook romans en novellen, essays en kinderboeken.

    Vos 8 gaat over een vos die een dromer is. ‘Zijn medevossen nemen hem niet altijd even serieus. Maar hij spreekt mooi wel Mens, een taal die hij zichzelf heeft geleerd door bij een raam naar verhaaltjes voor het slapengaan te luisteren. Vos 8 heeft dus best wat in zijn mars. En wanneer het nieuwe gebouw VosZichtStaete de leefwereld van de vossen bedreigt, vindt hij het geen tijd meer voor dromen maar voor daden.’

    Vos 8
    Auteur: George Saunders
    Uitgeverij: De Geus (2019)

    Als de tijd daar is

    Maurice Blanchot (1907-2003) is zijn leven lang ziekelijk geweest en de dood, zijn eigen of die van de mensen om hem heen, is altijd aanwezig geweest in zijn leven en werk.

    Blanchot lijkt een weinig toegankelijk schrijver. Over Als de tijd daar is schrijft uitgeverij Vleugels: ‘een radicale en bevreemdende roman, die een aantal conventies van de literaire roman doorbreekt. Zelden zal een lezer van een boek zo moeilijk kunnen doordringen in wat de taal beschrijft. En zal deze daardoor beseffen dat taal niet zo’n directe verbinding heeft met een werkelijkheid als men doorgaans denkt. De eerste dertig pagina’s gaan bijvoorbeeld over iets wat misschien drie seconden in beslag neemt: de verteller komt een huis binnen. Hij neemt zoveel tijd om alle indrukken, gedachten én hypothetische mogelijkheden te benoemen dat de taal hier de geschetste werkelijkheid geheel overwoekert. De taal, het vertellen, de manier waarop iets wordt verteld is duidelijk veel belangrijker dan het vertelde zelf. De taal speelt dus eigenlijk de hoofdrol in dit boek, zoals in alle boeken van Blanchot – en de nouveau roman in het algemeen. Het lijkt alsof er meer taal is dan werkelijkheid.’

     

    Als de tijd daar is
    Auteur: Maurice Blanchot
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    De Hollandse reis

    De Hollandse reis verscheen als Le voyage de Hollande voor het eerst in 1964 in Frankrijk en was voorzien van een tekening van Jongkind, een typisch Hollands landschap met windmolens, beemden en scheepjes onder een lage wolkenlucht.
    Het werd een jaar later al herdrukt, en daarna in 1981 en 2005 opnieuw uitgegeven.

    In de zomer van 1963 verbleven Louis Aragon (1897-1982) en zijn vrouw Elsa Triolet (1896-1970) een maand in Nederland. Tussen 29 juli en 26 augustus bezochten ze onder meer Texel, Zuid-Holland (Wassenaar) en Utrecht. De neerslag van die reis vinden we terug in De Hollandse reis, een dichtbundel die bestaat uit zes delen van wisselende lengte (twee tot twaalf gedichten).

     

     

    De Hollandse reis
    Auteur: Louis Aragon
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels
  • Aansprekende poëzie dicht bij huis

    Aansprekende poëzie dicht bij huis

    In 2016 werd de jury van de C. Buddingh’- prijs overrompeld door de debuutbundel Kalfsvlies van Marieke Rijneveld (1991): ‘We waren unaniem weerloos tegen de explosie van talent die Marieke Rijneveld in Kalfsvlies aan de dag legt’, oordeelde de jury toen. In 2015 werd de piepjonge dichteres al in de Volkskrant uitgeroepen tot ‘hét literaire talent van Nederland’. Haar prozadebuut De avond is ongemak uit 2018 werd een bestseller en haar bekendheid werd vergroot door diverse tv-optredens, waaronder bij de De wereld draait door, waar ook haar roman verkozen werd tot ‘Boek van de maand’. Ook baarde ze opzien door de toevoeging van ‘Lucas’ aan haar naam: hiermee gaf ze uitdrukking aan haar reeds lang bestaande gevoel zowel jongen als meisje te zijn.

    Geen eendagsvlieg

    Met zoveel aandacht en lof is het voor een dichter vaak moeilijk zichzelf staande te houden in een volgende bundel, omdat alle kritiek zich zal richten op de vraag of de kwaliteit overeind zal blijven, of dat de dichter een eendagsvlieg blijkt te zijn. Maar Rijneveld heeft met haar tweede bundel duidelijk bewezen dat zij zich als dichter weet te handhaven: het is een verrassende bundel die haar ongewone talent onomstotelijk aantoont.
    In Fantoommerrie blijft Marieke Lucas Rijneveld opnieuw dicht bij zichzelf. Net als in Kalfsvlies waaieren de gedichten lang en breed uit en bestrijken de hele bladspiegel. De vorm is veelal die van een prozagedicht: aan één stuk, of bestaat uit strofes van vier, drie of twee regels. In haar gedichten neemt Rijneveld de lezer mee naar haar kinderjaren op de boerderij van haar ouders in Brabant, waar God en nuchterheid overheersten in de opvoeding: ‘Op zondag mocht de Libelle uit het plastic net als ik uit mijn schoolkleding. […] Mama bladerde vluchtiger door / mij dan door het blad’.

    De jeugdjaren

    Een veelheid van onderwerpen komt aan bod, die alle deel uitmaken van de wereld van Rijneveld: haar verhouding tot haar ouders – een vader als God en rechter, een moeder van wie moeilijk hoogte te krijgen was, lijkt uit de gedichten naar voren te komen –  haar schooltijd, haar angsten, kinderziektes, maar ook de spelletjes en dromen. En zoals je mag verwachten van iemand die op een boerderij leeft: heel veel dieren. Fazanten, schapen, kikkers, poezen en paarden bevolken deze bundel in ruime mate, meestal met de functie om mensen mee te vergelijken. Ook aan haar gestorven broer worden enkele gedichten gewijd, zoals in haar eerste bundel ook het geval was, maar het lijkt terloops te gebeuren en de toon is minder zwaar:

    ‘Heel lang niet weten wat je moet zeggen is nog altijd korter dan er steeds
    naar moeten zoeken, zes woorden: broer in de grond, kerstboom gerooid.’

    Rijneveld beschrijft haar jeugd in haar gedichten: ze idealiseert die niet, maar valt die ook niet af. Uit sommige gedichten is op te merken dat ze afstand heeft genomen van haar kinderjaren en nu als volwassene erop terugkijkt:

    ‘Op de rand van het bed – een nieuwe pyjama waar ik eens in de
    zoveel tijd van vervelde –fluisterde ik alles waar ik spijt van had, man ik
    was pas acht […]’

    Keerpunt

    In andere gedichten is zij nog steeds het kind dat in het hier en nu van de gedichten leeft, zoals in het gedicht ‘Kindertelefoon’. Dit tweevoudige uitgangspunt veroorzaakt een spanning die voelbaar is in een spel van aantrekken en afstoten van het onderwerp. Het duidelijkst komt dit naar voren in het gedicht ‘Instabiele pengreep’, waarin beschreven wordt hoe de onderwijzers op de basisschool de verwachting uitspreken dat er van de ik-verteller niets terecht zal komen, waarop ze op een ochtend, ‘die niets noemenswaardigs in zich had om dat/ later wel te worden, haar potlood inruilde voor een vulpen’. Een keerpunt dat later in haar leven dus een roman en twee dichtbundels opbracht.

    Originaliteit

    Rijneveld schrijft zo beeldend dat de lezer zich moeiteloos kan inleven in haar gedichten. De belevenissen uit haar kinderjaren zijn herkenbaar, maar door haar indringende en tegelijkertijd zo diep doorgronde beschrijvingen, worden gewone voorvallen iets bijzonders. Haar vergelijkingen zijn origineel, maar lijken vanzelfsprekend voort te vloeien uit haar manier van kijken en doen nergens geforceerd aan:

    ‘ juffen en meester die zeiden dat ze nooit zou kunnen schrijven, dat/
    ze meer kanten heeft dan een Rubiks Kubus maar geen één de juiste kleur/
    heeft’

    Enkele gedichten zijn speciaal voor andere schrijvers geschreven: F. Starik, Joost Zwagerman, A.F.Th. van der Heijden, Hugo Claus. Hoewel ze een heel ander thema beroeren dan de meeste gedichten in deze bundel, vallen ze niet uit de toon al zijn ze minder intens. Het gedicht voor F. Starik treft nog het meest – een persoonlijk gedicht waarin  ze de overleden dichter rechtstreeks aanspreekt.
    Met Fantoommerrie heeft Rijneveld opnieuw het bewijs geleverd het dichterschap te beheersen. Een bundel om in te blijven hangen, net zolang tot de volgende zich aandient.

     

  • Oogst week 6

    Het heterogeen

    In de Oogst van deze week twee poëziebundels, een debuutvertaling van een roman uit het Engels en een boek dat niet geschreven zou zijn als Donald Trump in 2016 niet tot president gekozen was.

    Elly de Waard was jarenlang popjournalist voor de Volkskrant en Vrij Nederland, voor ze als dichteres naam maakte. Vanaf haar eerste bundel Afstand (1978) was ze spraakmakend omdat ze duidelijk stelling nam tegen de vijftigers die in die tijd nog bepaalden wat goede poëzie was. De liefde tussen vrouwen werd een van haar belangrijkste thema’s. Haar werk is daarom geliefd evenals om haar zorgzame omgang met taal. Het heterogeen is de negentiende dichtbundel van Elly de Waard.

    Het werk van Elly de Waard wordt al veertig jaar trouw uitgegeven bij De Harmonie. Dat mag wel eens gezegd worden in een tijd van dolende schrijvers.

    Het heterogeen
    Auteur: Elly de Waard
    Uitgeverij: De Harmonie

    Identiteit

    Francis Fukuyama is docent internationale economie aan de John Hopkins University en werd wereldwijd bekend met zijn boek Het einde van de geschiedenis en de laatste mens (1992).
    Met zijn nieuwe boek Identiteit laat hij zijn licht schijnen op het electorale succes van populisten. Een succes dat verklaard wordt vanuit economische motieven, maar in feite voortkomt uit een behoefte aan identiteit. In Het einde van de geschiedenis schreef Fukuyama al dat mensen hechten aan erkenning van hun waardigheid. In Identiteit verklaart hij dit begrip vanuit het huidige tijdsgewricht.

    ‘Ik heb de laatste decennia veel nagedacht over de ontwikkeling
    van moderne politieke instellingen: hoe de staat, de
    rechtsorde en democratische verantwoording zijn ontstaan,
    hoe ze zich ontwikkelden en op elkaar inwerkten, en ten
    slotte, hoe ze in verval hebben kunnen raken,’ schijft Fukuyama in zijn voorwoord.

    Identiteit
    Auteur: Francis Fukuyama
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Lief slecht ding

    Dichter en essayist Frank Keizer (1987) is redacteur bij nY en medeoprichter van het online tijdschrift Samplekanon. Zijn eerste bundel Onder normale omstandigheden werd genomineerd voor de Poëziedebuutprijs Aan Zee.

    Zijn nieuwe bundel Lief slecht ding is, zo de uitgever laat weten, ‘een zoektocht naar wat aantrekt en afstoot, naar wat beter maakt en wat zeer doet. Ikken en jijen (soms een jullie) verzamelen zich rondom vuren en keukentafels, liggen op beton of in een kapot bed. Ze begeven zich op een postmilitante weg naar iets wat toekomst heet. Ze wachten, bereiden zich voor. Ze praten over het wij dat nog moet worden aangeleerd of eerst afgeleerd.’ Want geluk zal collectief zijn, of niet.

    ‘Zijn poëzie is witty – geestig én intelligent – en bij vlagen messcherp en puntig’, oordeelde de Jury van de Poëziedebuutprijs Aan Zee over de poëtische kunsten van Frank Keijzer.

     

    Lief slecht ding
    Auteur: Frank Keizer
    Uitgeverij: Polis uitgevers

    Veenland

    De verhalenbundel Fen van Daisy Johnson (1990) werd vertaald als Veenland, door Callas Nijskens, die hiermee haar debuut als vertaalster maakte.

    Daisy Johnson (Oxford, 1990) schrijft over vrouwen die de grenzen van hun kracht opzoeken. Het speelt in de moerasgebieden van Engeland en gaat over een tienermeisje dat zichzelf uithongert tot ze zo dun is als een paling. Over een huis dat verliefd raakt op een meisje en een jongen die uit de dood herrijst als een vos. Het moerasgebied is een plek waar dieren en mensen in elkaar overgaan, waar vreemde metamorfosen plaatsvinden en waar mythe en donkere magie zich ophouden.

    Veenland
    Auteur: Daisy Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik
  • Bevoorrecht in de jaren zestig

    Bevoorrecht in de jaren zestig

    Hilary Mantel won twee keer de Man Booker Prize, voor Wolf Hall (2009) en voor Bring up the Bodies (2013), vertaald als Het boek Henry. Vorig jaar bestond de Booker Prize vijftig jaar en ter gelegenheid van dit jubileum werden er vijf boeken genomineerd voor de Golden Man Booker Prize. Wolf Hall was een van de vijf genomineerden voor deze ‘special one-off award to celebrate the 50th anniversary’. Helaas viel Wolf Hall buiten de prijzen; de prijs ging naar de The English Patient van Michael Ondaatje.

    Nu Hilary Mantel weer volop in de belangstelling staat – veel lezers wachten met spanning op het laatste deel uit de Cromwell-trilogie – is het een goede zaak dat uitgeverij Atlas Contact haar boek An Experiment in Love uit 1995 opnieuw heeft uitgebracht onder de titel Liefde verkennen.

    Liefde verkennen vertelt het verhaal van Carmel, Karina en Julianne die na hun middelbare school in de provincie, gaan studeren aan de universiteit in Londen. Het boek begint zo: ‘Vanmorgen zag ik in de krant een foto van Julia.’ Julia heette vroeger Julianne. Carmel kent haar al vanaf haar negende. Julia is psychotherapeut geworden. Zij behandelt mensen met vermageringsziekte. De ik is Carmel MacBain. De foto en het krantenartikel zetten het verhaal in gang. Ze schrijft: ‘Ik tuurde vanmorgen zo ingespannen naar die krant dat de letters leken te versmelten, alsof ik ergens in de structuur van het papier, ergens in het weefsel ervan, een draad hoopte te ontdekken die me door mijn leven zou leiden, vanaf het punt waar ik me toen bevond tot aan waar ik nu ben.’

    Het is alsof je als lezer aanschuift bij Carmel. Zij vertelt je over haar leven en dat van haar studiegenoten. ‘Nu wil ik verdergaan en je vertellen hoe Karina en ik Julianne Lipcott hebben leren kennen, uitleggen hoe onze levens onlosmakelijk verweven zijn geraakt. Maar als ik te snel ga raak ik de draad kwijt, of krijgt het verhaal iets van een breisel dat in een boze bui is gemaakt.’

    Carmel is net als Karina afkomstig uit de arbeidersklasse, als enig kind van oude ouders; Julianne noemt haar een ‘werkstersdochter’. Bij Carmel thuis, in Lancashire (Noord Engeland), is het troosteloos. Weinig geld en eten. Haar moeder naait de kleren voor het gezin. Carmel moet de dromen van haar bozige moeder waarmaken; het liefst premier worden. ‘Er gaat niets boven een goede opleiding,’ zei ze, ‘maar die was voor mij niet weggelegd.’ Carmel is een dromerig kind, houdt van lezen en dichtregels. Karina is haar gezette buurmeisje met wie ze van haar moeder moet oplopen naar school. Niet echt een vriendin, maar een meisje dat hatelijke opmerkingen maakt: ‘ze doet aardig in je gezicht, maar toch akelig.’

    Ze vertelt over de belevenissen op de basisschool, de Nonnenschool (Christus Verlosser) en de universiteit (Tonbridge Hall). Het hoofdverhaal is dat van Tonbridge Hall, tussendoor blikt Carmel terug op de tijd op de twee andere scholen. De tijdsaanduidingen in het boek zijn vaag – de geschiedenis van de meisjes speelt zich af in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Soms zijn er verwijzingen die houvast geven: ‘Het was het jaar na Chappaquiddick, het jaar dat Julia en ik het huis uitgingen.’ Carmel droomt nog vaak over die ‘afschuwelijke gebeurtenis’. Haar dromen geven een aanwijzing waar dat over gaat: ‘als ik wakker werd kon ik me de dromen nog herinneren: het longweefsel en het water, het uitwaaierende haar en de zuigkracht van de kou.’ De naam van het eilandje is de geschiedenis ingegaan door het verkeersongeluk van Edward Kennedy in 1969. Hij reed met zijn auto van een brug; zijn medepassagiere verdronk in de rivier. Een andere aanwijzing: ‘De invoering van het decimale muntstelstel stond voor de deur.’ Dat was op 15 februari 1971. Zo valt te herleiden dat de meisjes in 1970 en 1971 op Tonbridge Hall studeerden.

    De periode op de basisschool typeert zij als het ‘vroegere leven.’ Carmel en Karina slagen voor hun toelatingsexamen voor de katholieke middelbare school, de nonnenschool Christus Verlosser. Dat is in de jaren zestig uitzonderlijk voor kinderen uit de arbeidersklasse. Nadat zij het toelatingsexamen voor de nonnenschool hebben gehaald, kijken klasgenootjes hen met de nek aan; zij worden beschouwd als de ‘bevoorrechten’. Zij zijn van alle basisscholen de eerste meisjes die naar de Christus Verlosser komen. Voor arbeiderskinderen is het ook niet makkelijk zich te handhaven tussen de kinderen uit de hogere klasse. Julianne is zo’n meisje, een ‘doktersdochter’.

    Het meest verhaalt Carmen over hun studietijd op Tonhall Bridge. De meisjes zijn dan achttien, negentien jaar oud. Onderwerpen die bij die leeftijd horen zijn de ontdekking van de liefde, mannenbezoek, zorgen over al dan niet zwanger zijn, wel of niet aan de pil, wel of geen abortus. Dat laatste was een belangrijk onderwerp in die tijd. Engeland liep eind jaren zestig voorop met een nieuwe abortuswet. Op de nonnenschool hadden de meisjes allerlei verwachtingen voor de toekomst, diploma halen, moeder worden, verpleegster of lerares; op de universiteit strijken de meisjes de overhemden van hun vriendjes.

    De Carmen van het ‘verhaalheden’ reflecteert op de Carmen van toen: ‘Als ik in de tijd kon reizen zou ik terugvliegen, terug in de tijd naar de strijkkamer; ik zou naar die meisjes terugvliegen en ze een klap geven. Ik zou ze tot bezinning willen brengen en zeggen: hoe komt het dat je, na al die jaren leren en studeren, niets anders ambieert dan de wastobbe? Laat liggen dat karweitje en ga het land besturen.’ De directrice van Tonhall Bridge zei toen al tegen Carmen: ‘Voordat je aan en man en een gezin gaat denken, moet je jezelf op de eerste plaats stellen en iets zien te bereiken in het leven. Wie weet zien we jou nog eens in het parlement.’

    Vertaalster Marijke Versluys heeft haar vertaling uit 1995 herzien. An Experiment in Love vertaalde ze als Liefde verkennen. Op pagina 189 komt letterlijke vertaling van de Engelse titel voorbij: ‘Het kwam bij me op dat ik wellicht het onderwerp was van een experiment, een experiment in de liefde, bij wijze van spreken: dat ik mijn leven leidde onder Juliannes onderzoekende blik en bepaalde beproevingen voor haar doorstond opdat zij ze zelf niet hoefde te doorstaan.’

    Versluys’ vertaling leest net zo vlot als het origineel. Het is knap hoe ze het ritme van Mantels zinnen in het Nederlands heeft weten over te brengen. Een voorbeeld:

    ‘I place my forefinger on the knots in de wood, those knots that, though they run against the grain, seem more satin-like, more glassy than the wood itself: I think of my life, and the lives of the women I knew, and I say, tapping softly, tapping decisively on the dark and swirling node, that is where we went wrong, just there, that is the very place.’

    ‘Ik leg mijn wijsvinger op de knoesten in het hout, van die knoesten die weliswaar tegen de draad ingaan maar satijnachtiger en doorschijnender lijken dan het hout zelf; ik denk aan mijn leven en aan het leven van de vrouwen die ik heb gekend, en ik zeg, terwijl ik zacht, gedecideerd op die donkere, kringelende knoest tik: daar zijn we in de fout gegaan, daar, op die plek.’

    Het citaat is afkomstig van de laatste bladzijde. Het sluit aan op het citaat uit het begin van het boek over het lezen van de krant waarbij Carmel in de structuur van het papier, ergens in het weefsel ervan, een draad hoopte te ontdekken die haar door haar leven zou leiden.

    Liefde verkennen is geen verhaal over het kostschoolleven zoals bijvoorbeeld Enid Blyton dat beschreef in haar Mallory Towerreeks. Carmel tegen haar medestudenten: ‘Dit is Mallory Towers niet’. Ook is het geen verhaal over anorexia, eerder een boek over ‘eetlust in alle facetten en aspecten, te veel of te weinig trek.’ Bovenal is het een verhaal over keuzes maken in het leven en hoe je als vrouw een onafhankelijke en zelfstandig leven opbouwt.

    Mantels boek heeft een strakke structuur. Het is knap hoe ze bijvoorbeeld de angst voor verdrinking uit de Chappaquiddickdroom in het begin van het boek laat terugkomen. Carmel: ‘/…/ verdrinking is de manier van doodgaan die ik het meeste vrees.’ Dit sluit aan op de literaire verwijzingen naar de dichtregels uit The Rime of the Ancient Mariner.
    ‘En versregels schoten door mijn hoofd: Onder water rommelde het voort, / steeds luider, dreigend als de dood; / ’t Bereikte ’t schip, het spleet de baai; / ’t Schip ging ten onder als lood.’
    Hierdoor verwacht de lezer dat er wellicht iets ergs kan gebeuren, alleen hij weet nog niet wat.

    Daarbij heeft het boek een goed tijdsbeeld van de grote veranderingen in jaren zestig en zeventig voor de positie van meisjes en vrouwen in de maatschappij. Liefde verkennen is het verhaal van Carmel en dat van haar generatie. De kracht van het boek zit hem vooral in het reflecterende commentaar van de vertelster op keuzes die in het verleden werden gemaakt.

    Tot slot: het boek bevat meerdere verwijzingen naar Jane Eyre. Een goede reden om naast Liefde verkennen dat boek te herlezen.

     

  • Iets ongemoeids

    Iets ongemoeids

    Een druilerige zondagmiddag dient om te lezen, boek op bank. Al wordt het steeds moeilijker onbevangen te lezen. Het gebeurt te vaak dat in één week een boek en zijn schrijver op radio/tv èn in de opiniebladen breeduit besproken wordt. Dat er nog andere boeken bestaan buiten die uitzonderlijk lovend en doorbesproken boeken, lijkt nauwelijks een mogelijkheid. De veelheid aan reacties op de nieuwe roman van Pfeiffer maakte mij uiteindelijk leesdoof (de betekenis kon ik niet zo gauw vinden maar het is zoiets als wanneer de inhoud van een boek zo vaak en meerstemmig geduid is, dat je niet meer kunt horen wat de schrijver vertelt). Ik zocht dus iets ongemoeids, een boek waarnaar niemand nog taalde.

    Vanaf de bank tuurde ik naar de stapels boeken op de grond, (de bank een boot, de boeken het water waarop ik drijf), en zag De wateraap. Een witte cover waarop een dierlijk schepsel met een vogeltje op zijn puntige oor op de rug van een goudbruine vis met kippenpoten zat. Wezens van een ander land. Een debuutroman van een mij onbekend auteur. Er zijn schrijvers die in hun proza lijken te roepen ‘kijk mij, kijk naar mij!’ En er zijn schrijvers die zich verbergen voor de lezer, die lijken van geen lezer te weten. Zoals het werk van Minke Douwesz en Miek Zwamborn, daar moest ik aan denken toen ik in De wateraap begon te lezen:
    ‘Naar de slapenden kijk je niet, naar de doden wel. Zonder schaamte. We vonden hem ’s ochtends, liggend in een krul alsof hij sliep, zomaar een ding geworden. Ko legde haar hand op haar smalle keel, alsof ze de groeven en plooien wilde beschermen, en zei dat het nu begonnen was. Ik keek weg. Ze zei het tegen zichzelf, niet tegen mij.’

    Die ‘mij’ is Elke, student biologie, die haar afstudeeronderzoek richt op het fruitvliegje en zijn alcoholadaptatie. ‘Waar het op aankwam was steeds maar weer bewijzen dat de evolutietheorie klopte.’
    Wat daar ligt, ‘in een krul’, is een dode vos. Ko is een zelfvoorzienende oudtante en woont in een huisje onderaan de dijk bij de IJssel. De vos, Ko en de rivier zijn de peilers in deze roman waar de wateraap zich omheen slingert.
 Elke logeert veel bij Ko en helpt met de groentetuin. Elke is zoekende, naar een huid waarin ze past, een identiteit, een oorsprong die haar ruggensteun geeft. Ze gelooft in de hypothese van de wateraap. Een hypothese die aanneemt dat onze voorouders lange tijd in water hebben geleefd. ‘…hoe hij ooit door het water had gewaad, rechtop, met trage passen, hoe zijn handen tot de polsen in het water hingen, de vingers gespreid,…’.

    Elke verlaat Ko en gaat op reis naar Wenen, waar ze de schrijfster van haar lievelingsboek over de wateraap zal ontmoeten. Het wordt een enorme deceptie, die het boek naar een intens mooi beschreven einde leidt.

    Daarbij heb ik nog nooit in de literatuur zo’n mooie echo van Rutger Kopland horen weerklinken als in De Wateraap:
    ‘Ik verzweeg hoe het was om op je knieën sla te oogsten. Wanneer je met een blikkerend mes de krop van de aarde lossneed, bleef het bittere melksap nog even doorstromen, de voldongen feiten tartend. Maar het was vooral de aanblik van een leeg geoogst bed dat ik slecht verdroeg.’
    Een boek om stil van te worden. Laat Mariken Heitman de lezer vergeten en verder schrijven.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Oogst week 5

    De hoogste tijd

    In 1919 wordt het algemeen kiesrecht in Nederland van kracht. Precies 100 jaar geleden dus.
    In het voorwoord schrijven de auteurs dat Hoogste tijd ‘gaat over de strijd voor het vrouwenkiesrecht én over de gevolgen van het verkrijgen daarvan. Wat doen de vrouwen die zich actief hebben ingezet met het veroverde kiesrecht? Gaan ze stemmen en zo ja: op welke partijen stemmen ze en in hoeverre verschilt hun kiesgedrag van dat van mannen? Gaan ze de politiek in en zo ja, wat gaan ze daar doen? Zijn ze wel welkom in de politieke arena? Hebben ze een andere politieke agenda dan de mannen die ze hebben bestreden, of voegen ze zich netjes in de rijen van de politieke partijen waar ze nu eindelijk deel van mogen uitmaken? En hoe staat het met de vele vrouwen die zich niet hebben gemengd in de strijd voor het vrouwenkiesrecht, maar die vanaf 1919 wel mogen gaan stemmen?’

    Het is niet het eerste boek dat over vrouwenkiesrecht geschreven is, dat is de auteurs ook duidelijk, daarom geven ze aan: ‘Nu, bij de honderdste verjaardag van het vrouwenkiesrecht, doen wij het nog eens over omdat iedere generatie nu eenmaal anders tegen het verleden aankijkt, maar bovendien omdat wij het niet alleen over de strijd willen hebben, maar ook over wat er daarna is gebeurd.’

    Om dit 100-jarige feest te vieren wordt er dit jaar een aantal evenementen georganiseerd. Op dit moment is tot en met 21 februari 2019 in het Atrium, de grote centrale hal van het stadhuis in Den Haag, de tentoonstelling ‘100 jaar Algemeen Kiesrecht’ te bezichtigen.

    De hoogste tijd
    Auteur: Monique Leyenaar, Jantine Oldersma, Kees Niemöller
    Uitgeverij: Athenaeum (2019)

    Ons leven in de bossen (2019)

    De Franse schrijfster Marie Darrieussecq won in 2013 de Prix de Médicis met haar roman Je moet veel van mannen houden. In 2015 verscheen op deze site een bespreking van het boek Zeewee, die recensent Joost van der Vleuten de titel meegaf ‘hermetisch maar indrukwekkend’. Hij schreef dat ‘het leidt tot heftig proza, op het hallucinante af.’

    Op de website van uitgeverij Vleugels is te lezen dat Darrieussecq ‘is gefascineerd door de tussenwereld, de grens tussen de werkelijkheid en het fantastische. Daar houden zich schimmen op, maar daar kunnen mensen ook ineens zomaar verdwijnen. Dat vaste en vervloeiende gebied bestrijkt zij in haar romans.’

    In de dystopische roman Ons leven in de bossen heeft een vrouw zich teruggetrokken in de bossen, op de vlucht voor een vijandige maatschappij. Ze zit er te schrijven. En ze heeft daar haast mee, want haar lichaam en de wereld om haar heen verkeren in een staat van afbraak. Voorheen was ze psychologe. De mensen met wie ze zich in de bossen heeft verschanst zijn drop-outs die offline zijn gegaan en hun geïmplanteerde chip hebben verwijderd. Ze behoren tot de geprivilegieerde groep die in het bezit is van een andere helft. Een kloon.

    Ons leven in de bossen (2019)
    Auteur: Marie Darrieussecq
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Een kamer met een tafel met schrijfgerei

    Ivo van Strijtem (1953) is dichter, literair vertaler en leraar Engels. En een groot poëzieliefhebber. Hij vertaalde gedichten en schreef ze zelf.

    Hij schreef ook enthousiasmerend over poëzie door al dan niet in samenwerking met anderen boeken en bloemlezingen te publiceren zoals bijvoorbeeld de reeks De mooiste van… samen met Koen Stassijns, of de bloemlezing Van Heer Halewijn tot Hugo Claus en Iedereen dichter, met als ondertitel Poëzie is een manier van leven. Zijn drijfveer: ‘Poëzie wordt onterecht als wereldvreemd, moeilijk en bovenal totaal nutteloos ervaren. Hoog tijd om het roer om te gooien.’

    Zijn nieuwste bundel met eigen gedichten Een kamer met een tafel en schrijfgerei is net verschenen. De uitgeverij over deze bundel: ‘wanneer voor de dichter alle zekerheden wegvallen, blijft dat gereedschap over. In de bundel gaat het om wat er echt toe doet. In taal die de lezer niet op afstand wil houden, schrijft de dichter over de grote onderwerpen, over wat echt belangrijk is: liefde, mededogen, het onbegrijpelijke, en – onontkoombaar – de dood.’

    Een kamer met een tafel met schrijfgerei
    Auteur: Ivo van Strijtem
    Uitgeverij: Atlas Contact (2019)