• Er vallen geiten door het dak

    Er vallen geiten door het dak

    De Taiwanese Chen Mao-ping (1943-1991) beter bekend als Sanmao, is als schrijver een fenomeen in Taiwan. Een kwarteeuw na haar dood blijven er herdrukken van haar werk verschijnen en is ze met name in China en Taiwan nog steeds razend populair. Onder de reislustige Chinezen heeft zowat iedereen haar werk gelezen. De in Chongqing  geboren schrijver bood met haar verhalen een brede kijk op de wereld voor een publiek dat nog van die wereld was afgesloten. Ze woonde op verschillende plekken in de wereld, maar in deze verhalenbundel Berichten uit de Sahara doet ze het relaas van de jaren 1973-1975 die ze doorbracht in de Sahara met haar Spaanse echtgenoot José. Nadat haar man in 1979 na een duikersongeluk overleed, keerde ze terug naar Taiwan. Ze bleef schrijven en reizen, maar pleegde uiteindelijk in 1991 zelfmoord. Berichten uit de  Sahara dateert uit 1976 en kreeg nu een puike vertaling in het Nederlands door Annelous Stiggelbout.

    Woestijnverhalen

    Wat de verhalen in deze bundel bindt, is de plaats waar ze geschreven zijn, de plaats waar ze zich afspelen, de Sahara. Dat op zich is iets unieks, aangezien in de literatuur over deze regio weinig bekend is. Sanmao schrijft rechttoe rechtaan zonder in te gaan op de diepmenselijke psyche. Ze schrijft over wat ze ziet en meemaakt in het noorden van Afrika. Daardoor doen haar verhalen vaak aan als een non-fictie beschrijving van het leven in de woestijn. Wat het apart maakt is de ongedwongen en eerlijke stijl die Sanmao gebruikt, zonder daarbij enige zelfspot uit de weg te gaan. Ze beschrijft de fouten die ze maakte, de gebruiken van de bedoeïenen, de onhebbelijkheden van haar buren, de warme manier van omgaan met elkaar. Tegelijk voelt de lezer ook de beperkingen van de regio door de hitte, het gebrek aan grondstoffen en middelen. Soms voelt het aan als De Gouden Raad van Tante Kaat of Hoe te overleven in de woestijn?, maar allemaal op een zeer eenvoudige en eerlijke manier beschreven.      

    Op zich staande belevenissen

    De verhalen zijn een verzameling  losse belevenissen in de woestijn, die los van elkaar gelezen kunnen worden. Soms is het storend niet te weten of de verhalen elkaar chronologisch opvolgen of niet, maar eens die horde genomen, is het een aangenaam werk om te lezen. Verwacht geen lange of ingewikkelde literaire volzinnen, maar een objectief relaas van het leven in de hitte en de zon. Soms mist er enige duiding, maar Sanmao schrijft lustig door, zonder bedenkingen of eigen meningen. Wel waakt ze erover haar boek te spijzen met humor. Die komt veelal voor uit de bizarre gebeurtenissen die zich afspelen in haar dagelijkse leven in de woestijn. Zo vallen er regelmatig geiten door het dak, verdwijnen er  vaak spullen omdat de lokale bevolking zich dat gewoon toe eigent zonder zich daar vragen bij te stellen. Sanmao wordt zelf ook gezien als een soort attractie en ontpopt zich als het ware tot een genezeres binnen de leefgemeenschap. 

    Inzicht in het leven van Sanmao

    Naast de twintig verhalen die in Berichten uit de Sahara zijn opgenomen biedt deze uitgave ook een goed inzicht in het leven van Sanmao zelf. In een Woord Vooraf schetst vertaler Annelous Stiggelbout naast het leven van Sanmao, ook het belang van haar als schrijver  voor de Chinese literatuur. Daarna volgt een inleiding van de auteur zelf die ze schreef toen ze terug in Taipei aankwam en waarin ze mijmert over haar leven in de woestijn en haar lezers rechtstreeks aanspreekt. Ontroerend is ook de laatste bijdrage in het werk. Daar vinden we Een paar dingetjes over Sanmao waarin haar jongste broer dieper ingaat op de tragische figuur die zijn zus was. Het is een ode aan zijn zus die ‘anders’ was vanaf het begin. Iemand met een eigen mening en verborgen talenten, met een zwervende natuur die uiteindelijk haar ondergang zou betekenen. Het is voor haar broer een manier van afscheid nemen. Berichten uit de Sahara is een bijzondere bundel, een mix van verschillende genres – reisdagboeken, fictie en memoires –  in een heel eenvoudige no-nonsense stijl die een kijk biedt op een onontgonnen gebied.

     

     

  • Het mysterie van de eerste sekse

    Het mysterie van de eerste sekse

    In de door Maartje Laterveer samengestelde essaybundel Wolf uit 2019 beantwoorden dertien vrouwen de vraag ‘Wat maakt de vrouw?’ In Sfinx, het logische vervolg op Wolf, buigen dertien mannen (schrijvers, journalisten, redacteurs, historici en essayisten) zich daarom in even zoveel essays over het verschijnsel ‘man’. Volgens Simone de Beauvoir in De tweede sekse (1949) wordt een vrouw niet als vrouw geboren, maar tot vrouw gemaakt. Wat betekent dat dan voor de ‘eerste sekse, wordt die wel als man geboren, en zo ja, wat betekent dat dan? Het staat vooraf uiteraard buiten kijf dat ‘de man, net als ‘de vrouw’ niet bestaat. Toch is Sfinx een interessante bundel omdat de auteurs zich vanuit allerlei invalshoeken ‘eerlijk en diepgaand’ gebogen hebben over het fenomeen “man”.

    Achterstand van 1-0

    De rol van de man is in de afgelopen decennia veranderd, mede door de emancipatie van de vrouw, betoogt Laterveer in haar inleiding. Van oudsher is mannelijkheid verbonden met ‘dominantie, leiderschap, voetbal en onafhankelijkheid’, terreinen waar vrouwen steeds zichtbaarder zijn geworden. En om in voetbaltermen te spreken staan mannen volgens Laterveer inmiddels zelfs met 1-0 achter; waar meisjes namelijk het mooiste meisje van de klas zouden moeten zijn, moeten ‘jongens het mooiste meisje van de klas veroveren’. De wat mysterieus aandoende titel Sfinx wordt uitgelegd middels een kat die op het omslag prijkt, verwijzend naar een diersoort die relatief veel aandacht zou opeisen. In de Griekse mythologie stond een sfinx daarnaast bekend als half vrouw, half adelaar en in de Egyptische als half man, half leeuw. Mannen krijgen, net als vrouwen, ‘etiketten opgeplakt die helemaal niets met hun werkelijke identiteit te maken hoeven te hebben, en die hen in beginsel net zo onvrij maken als vrouwen.’ Vrijheid blijkt voor mannen dus evenmin een vanzelfsprekendheid te zijn als voor vrouwen. 

    Macht

    In Sfinx houdt Casper Thomas zich in het essay waar de bundel mee begint bezig met een zoektocht naar het succes van leiders als Trump, Poetin, Modi en Bolsonaro. Hij ziet een opkomst van een antiliberale politiek die gedreven wordt door ‘mannelijke dominantie en stoffige rolpatronen.’ In zo’n klimaat van macht en overheersing moest wel een beweging als MeToo ontstaan, volgens Hans Hogenkamp omdat ‘de man vindt dat de vrouw de macht heeft omdat zij hem kan weigeren, maar in de ogen van de vrouw de man de macht [heeft] omdat hij haar kan dwingen.’ Op humoristische wijze schetst Hogenkamp de verwarring waar mannen onder gebukt gaan als het gaat om die machtsverhoudingen. Rutger Lemm constateert dat hij als vader anders op zijn kind reageert dan zijn vriendin en vraagt zich af waar zijn egocentrisme en luiheid vandaan komen. Hij komt tot de conclusie dat ‘er altijd wel een vrouw is die dat mogelijk maakt.’ En over patriarchaat gesproken: ook Thomas Heerma van Voss en Lotfi El Hamidi zien daarmee een duidelijke relatie. De eerste vraagt zich af in hoeverre het feit dat hij als man geboren is doorslaggevend is geweest voor wie hij geworden is, de tweede legt uit dat wanneer mannen tot God bidden om hen een zoon te schenken, is dat niet alleen vanwege status of het doorgeven van een familienaam, maar ook ‘omdat ze zelf weten in welke niet te benijden positie vrouwen in de samenleving terechtkomen.’ Een pijnlijke constatering.

    Waar is de oerman gebleven

    Passages als bovenstaande zetten de lezer aan het denken. In vrijwel ieder essay zijn ook min of meer humoristische overwegingen te vinden, bijvoorbeeld het advies van Mohammed Benzakour aan ‘identiteitsworstelaars’ om een hengel aan te schaffen, of verhelderende uiteenzettingen, zoals het door Martin de Haan zeer genuanceerd uitgelegde standpunt van Michel Houellebecq over vrouwen en mannen, of verontrustende zaken zoals de cijfers die Nathan Vos schetst over het aantal zelfdodingen onder mannen. Maxim Februari schrijft een heel persoonlijk stuk waarin hij uiteenzet dat zijn manbeeld ooit ontleend was aan maatschappelijke structuren, dat mannen (en vrouwen) niet geboren worden maar gemaakt (zoals De Beauvoir indertijd ook al betoogde), maar dat hij tot de ontdekking is gekomen dat mannelijkheid in wezen ‘iets puur statistisch’ is. Peter Giesen relativeert de rol van de oerman als heroïsche jager; de ‘prehistorische rolverdeling was volgens hedendaagse archeologen lang niet zo stereotiep als vaak wordt aangenomen.’ Tjeerd Posthuma en Maurits de Bruijn maken de lezer er vooral van bewust dat mannen kwetsbare wezens kunnen zijn, dat er ook van hen misbruik kan worden gemaakt en dat kleedkamers het toneel van afwijzing kunnen zijn. Met het laatste essay, van Jan van Mersbergen, heeft Laterveer voor een prachtig en evenwichtig einde van haar bundel gekozen. Vanwege een nogal moeizame relatie met zijn ex besluit Van Mersbergen dat hij het niet meer wil hebben over mannelijk en vrouwelijk. Het gaat volgens hem om ‘evenwicht, verantwoordelijkheid, doen en zorgen’. Dat zorgen is niet typisch vrouwelijk, dat is volgens hem gewoon een werkwoord en egoïsme is niet typisch mannelijk, het is onzijdig.

    Genuanceerd en persoonlijk

    Laterveer heeft een bundel samengesteld waarin door de auteurs op genuanceerde en vaak ook persoonlijke wijze wordt nagedacht over de complexiteit van mannelijkheid. Er komen thema’s naar voren als vriendschap, macht, verantwoordelijkheid, kwetsbaarheid en schaamte die door mannen weliswaar anders worden beleefd dan door vrouwen, maar die voor beide seksen relevant blijken te zijn. Sfinx is een veelzijdige bundeling van essays die stuk voor stuk stof tot nadenken geven, maar waarin het verschijnsel ‘man’ gelukkig ook nog voldoende mysterie overhoudt.

     

  • Op weg naar huis met het lichaam van de Dokter

    Op weg naar huis met het lichaam van de Dokter

    Zoals Albert Camus het verhaal over een vreemdeling vertelde, zo schreef Kamel Daoud in Moussa of de dood van een Arabier vanuit die vreemdeling. Ook het verhaal van de Schotse arts, zendeling en ontdekkingsreiziger David Livingstone (1813-1873) is vaker verteld, meestal vanuit een blank gezichtspunt, nog nooit vanuit het oogpunt van sterven en dood. De Zambiaanse advocate en schrijfster Petina Gappah (1971), die afwisselend in Harare (Zimbabwe) en Berlijn woont, schrijft Vanuit het duister stralend licht vanuit het gezichtspunt van de slaven die door Bwana Daudi (Livingstone) uit de slavernij zijn gered. De tijd voor dit niet-westerse perspectief, is er in beide gevallen (Camus en Livingstone) rijp voor. 

    Een groot man

    De eerste helft van het verhaal wordt als een stream of consciousness verteld door Halima, een horige en kok van dokter Livingstone en vrouw van Hamoyadah (Amoda). Wanneer Halima begint te vertellen, is Bwana Daudi al zeer verzwakt en overlijdt kort daarna. Bwana Daudi was naar Afrika gekomen op zoek naar het begin van de Nijl. Hij was niet de enige in die tijd die dat ondernam. Halima vindt het allemaal maar waanzin, maar een groot man was hij volgens haar wel. Zó groot, ‘dat ze iedereen die de Bwana op weg helpt naar huis zullen hoogachten’. Alleen wordt daar in eerste instantie iets anders onder verstaan: hem een islamietische begrafenis bezorgen, maar dat roept bij Halima verzet op, want hij was immers ‘een Krisuman’. In tweede instantie wordt ermee bedoeld: hem thuis begraven, zodat niet alleen zijn kinderen zijn graf kunnen bezoeken, maar ook zijn geest rust krijgt en niet ‘misnoegd [gaat] fluisteren vanuit bomen en struiken, en huilen vanuit de grond’. 

    Halima is een vrouw die boven haar meer bekrompen denkende omgeving staat. ‘Als Amoda tegen me zegt dat ik maar een vrouw en een slavin ben, dan is dat een duidelijk teken dat hij zich onzeker voelt (…). Amoda boft maar dat ik een zachtmoedig, rustig type ben, echt niet zo’n ruziemaker die alleen maar doorkletst tot je er koppijn van krijgt’.
    Behalve de zelfverzekerdheid die hier spreekt, wordt het verhaal even boven tijd en plaats uitgetild. Onderling bedenken de vrouwen dat ze Bwana Daudi aan de koloniale machthebbers zullen overdragen en naar de haven van Zanzibar begeleiden, zodat hij per boot kan worden vervoerd en in zijn thuisland kan worden begraven. Mits ze de karavaanleiders van het belang daarvan kunnen overtuigen, én hun eigen mannen. Dat lukt ze uiteindelijk zo goed dat ze ‘gingen geloven dat ze het zelf bedacht hadden’. 

    Verschillende drijfveren

    Het tweede deel wordt verteld door de diepgelovige Johan Wainwright, een vrijgelaten slaaf die is opgeleid door een Christelijke missionaris. De wat gezwollen taal van Wainwrights verslag is rustiger van toon dan de meer opgewonden grondtoon van Halima. Zij was mondig, hij heeft misleidende overtuigingskracht. Zij was bang voor wat er na de dood van Dwana Daudi (die hier de Dokter wordt genoemd) zou gebeuren, terwijl Wainwright ernaar uitkeek zendeling te worden om degenen die hem ketenden te bekeren.  Knap van Gappah is dat deze verschillende drijfveren direct van invloed zijn op zowel haar schrijfstijl als op de lezer. Het is net zoiets als met de regie van een toneelstuk, dat – wanneer er geen lucht in wordt aangebracht – ook de zaal onrustig wordt. Dat geldt voor de onrust van Halima die afstraalt op de lezer, tegenover de rust van Wainwright.
    De bron waaraan Wainwright zich laaft, is een andere dan waarnaar de Dokter zocht en daarvoor in de Bijbel geen enkele aanwijzing vond. Het wordt hem zelfs kwalijk genomen: plekken te willen ontdekken waar al mensen wonen. Weer zo’n détail waardoor het verhaal loskomt van tijd en plaats. Wainwright noemt Halima ‘de allerleeghoofdigste der vrouwen’. Dat zegt overigens niet veel, want een man noemt hij een ‘alleronbekwaamste man’. Niemand kan immers tippen aan hemzelf en de manier waarop hij de reis met het lichaam van de Dokter voorbereidt.

    Krachtige taal

    Op 16 mei 1873 vertrekt de karavaan met het lichaam van Livingstone. Onderweg worden ze gekweld door ziekte, sterfgevallen, een muilezel wordt gedood door een leeuw,  de voorraad proviand slinkt en binnen de groep ontstaan ruzies. Het leest als een avonturenroman, geschreven in een krachtige taal: ‘Het hele gezelschap was toen reeds alle kracht en moed ontzonken, de vrouwen keven, de kinderen huilden’, of: ‘Duisternis, duisternis, alles is duisternis, een en al wanhoop’ zoals Jacob Wainwright het verwoord. ‘Het is ondragelijk’, schrijft hij, en daarmee bedoelt hij niet alleen het lichaam van de Dokter.

    Deze roman zet bestaande beelden over Afrika en Europa – Afrikanen en Europeanen op z’n kop. Het lijkt of de zwarte onderdrukten minder negatief over de witte Europeanen denken dan de onderdrukkers over de Afrikanen; het is grijs, een tussengebied waarin mensen elkaar kunnen ontmoeten.  Zoals dat ook benadrukt wordt in het denken van bijvoorbeeld de Beninese filosoof Paulin Hountondji, die in een interview zei dat je op moet passen niet slechts oog te hebben voor één denktraditie.
    ‘Dat geldt in twee richtingen. Ga niet denken dat een bepaalde groep mensen allemaal hetzelfde denkt. En hoed je ervoor dat je vastroest in één manier van denken, zonder oog te hebben voor andere manieren’. 
    Gappah zou het hem zo na kunnen zeggen. En wij na het lezen van deze ijzersterke, tweede roman ook. Zoals gezegd, tijd is er rijp voor. 

     

    Lees hier de recensie van Petina Gappah’s Het boek van memory (2016).

  • Oogst week 5 – 2020

    Bij ons in Auschwitz

    Op 27 januari 2020 was het 75 jaar geleden dat Auschwitz werd bevrijd. Ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog stelde Arnon Grunberg (1971) op verzoek van uitgeverij Querido de bloemlezing Bij ons in Auschwitz samen, een bundeling ooggetuigenverslagen van onder anderen de Joods-Italiaanse auteur Primo Levi (1919-1987) en de Joods-Slowaakse Filip Müller (1922-2013).

    Centraal staat het Sonderkommando, bestaande uit joodse kampgevangenen die onder dwang medegevangenen naar de gaskamers begeleidden en hun lichamen naar de verbrandingsovens brachten. De schuld en schaamte die hiermee gepaard gingen, waren lang na het einde van de oorlog nog even bepalend en ontwrichtend.

    Grunberg putte uit de verhalen die hem naar eigen zeggen ‘een leven lang begeleid hebben’ – ook uit het postuum gepubliceerde werk van zijn moeder Hannelore Grünberg-Klein, die in Auschwitz werd gescheiden van haar moeder en haar gevangenschap overleefde, maar daar altijd door getekend bleef.

    Bij ons in Auschwitz
    Auteur: Arnon Grunberg
    Uitgeverij: Querido

    Er is een band die rapemachine heet

    Er is een band die rapemachine heet is het poëziedebuut van Levina van Winden (1994), die in 2018 de Amsterdamse Festina Lente poëzieslag won. In haar gedichten, waarin zowel ironie als ernst doorklinkt, snijdt ze urgente en actuele onderwerpen aan. Van Winden ontleedt de kwetsbare maatschappelijke positie van vrouwen, waarbij ze ook zelfonderzoek niet schuwt. Soms doet ze dat haast terloops, om vervolgens confronterend dichtbij te komen, zoals in deze strofe uit haar gedicht “Opium”:

    ‘Tsja, zo zijn mannen,’

    zei mijn moeder toen ik haar vertelde over

    mijn eerste overmanning,

    waarbij ik mezelf had afgevraagd wat het ergste was,

    deze piemel of de freejazz op de achtergrond.”

     

    Er is een band die rapemachine heet
    Auteur: Levina van Winden
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De wereld van Italo Svevo

    In zijn debuut De wereld van Italo Svevo onderzoekt Rob Luckerhof het fenomeen Italo Svevo (pseudoniem van Aron Hector Schmitz, 1861-1928), een enigszins merkwaardige Italiaanse auteur en zakenman van rond het fin de siècle. Svevo schreef twee literaire romans die hem niet de roem opleverden waarop hij had gehoopt en hij trok zich terug, om in de jaren 20 van de twintigste eeuw plotseling tot grote hoogten te stijgen door het Parijse succes van zijn Bekentenissen van Zeno (1927). Luckerhof besteedt niet enkel aandacht aan Svevo’s merkwaardige carrière, maar ook aan diens vriendschap met James Joyce (1882-1941), die dankzij zijn magnum opus Ulysses (1922) tot de grootste moderne schrijvers wordt gerekend. Met zijn echtgenote Nora Barnacle woonde hij enige tijd in Triëst, de geboorte- en woonplaats van Italo Svevo.

    Rob Luckerhof is naast auteur de oprichter van de Kennemer Boekhandel, waarvan hij tot dit jaar eigenaar en directeur was.

    De wereld van Italo Svevo
    Auteur: Rob Luckerhof
    Uitgeverij: Uitgeverij Prominent
  • Rushdie en het einde van de waarheid en de wereld

    Rushdie en het einde van de waarheid en de wereld

    Het jaar 2016 wordt wel gezien als het jaar waarin fake news volwassen werd: het Brexit-referendum werd gewonnen door ‘Leave’ met aantoonbare leugens en de Amerikaanse presidentsverkiezingen werden gewonnen door iemand die ook niet bekend staat om zijn voorliefde voor feiten. In Quichot thematiseert Rushdie in feite de periode van post-truth waar we ons thans meer dan drie jaar in bevinden. Het hedendaagse Amerika is daarvan het decor. In dit verhaal over twee ‘Indiaas-Amerikaanse mannen, de ene echt en de andere fictief, allebei lang geleden geboren in wat toen Bombay heette, in naburige appartementen, die allebei echt bestonden’, gaat Rushdie (die je de derde man zou kunnen noemen, zij het dan Brits-Amerikaans) in op de vervaging tussen fictie en werkelijkheid.

    De roman gaat over Sam DuChamp, een weinig succesvol auteur die een boek aan het schrijven is over de queeste van een oudere heer die zichzelf Quichot noemt, verslaafd is aan televisie kijken en verliefd wordt op de eveneens Indiase Salma R, een voormalig actrice en nu talkshowhost.

    Wat is echt?

    DuChamp laat Quichot met zijn wagen door Amerika rijden, op zoek naar zijn heilige graal: een ontmoeting met Salma R. Zoals het een goede queeste betaamt maken Quichot en later ook zijn imaginaire zoon Sancho van alles mee. Zo worden de Indiase mannen abusievelijk (fake news!) voor islamterroristen aangezien en raken ze verzeild in een dorp dat getroffen wordt door een tamelijk absurde plaag.

    Sancho heeft als eerste de dubbele laag van het boek door: ‘Het lijkt net, op die momenten dat ik me een vreemde voel, alsof er iemand onder schuine streep achter schuine streep boven de oude man zit. Iemand – ja – die hem maakt zoals hij mij heeft gemaakt.’ Maar ook een familielid van DuChamp, een niveau hoger in het verhaal maar evengoed fictief, heeft vergelijkbare gedachten: ‘Misschien was het menselijk leven werkelijk fictief, in zoverre dat degenen die het leefden niet begrepen dat het niet echt was.’ Zodoende is de lezer getuige van het wordingsproces van de queeste van Quichot, opgetekend door DuChamp. Daardoor vloeien die twee werelden ook steeds meer in elkaar over: ‘Nu zijn Quichot en ik niet langer twee verschillende werelden, de een geschapen, de ander scheppend (…) Nu ben ik deel van hem, net zoals hij deel van mij is.’

    Op een zeker moment zijn de hoofdstukken niet meer netjes verdeeld tussen het ‘Quichot-universum’ en dat van DuChamp. Gebeurtenissen van de één hebben bovendien ook plotseling hun weerslag op de ander. De ene werkelijkheid wordt de andere en dat is buitengewoon verwarrend voor de personages.

    Te expliciet

    Quichot overtuigt uiteindelijk niet helemaal omdat Rushdie geen moment onbenut laat de lezer bij de hand te nemen. Hij laat DuChamp pagina’s lang reflecteren over wat hij Quichot nu weer zal laten doen. De verwarring van de personages dringt nooit echt door tot de lezer. Was het hem niet juist daar om te doen? Is de vervlechting tussen nep en echt nieuws niet soms juist subtiel? De uitleg over de vraag op welke plekken fictie en werkelijkheid door elkaar heen lopen is met andere woorden wel erg expliciet.
    Actueel is het boek wel: het zijn buitengewoon verwarrende tijden. Nepnieuws is aan de orde van dag en zelfs politieke instituten verzinnen alternative facts, zodat het zicht op de, voor hen mogelijk negatieve, werkelijkheid troebel wordt. De schrijver laat met het eveneens verzonnen Quichot zien dat dit onwenselijk is. Zoals de aantasting van het milieu onze aarde verschroeit, zullen leugens en verdraaiingen dat met onze wereld doen.

     

  • Een Amerikaanse vliegtuigkaper verdween in de bossen van Oregon

    Een Amerikaanse vliegtuigkaper verdween in de bossen van Oregon

    Debuutromans bepalen heel vaak de verdere carrière van beloftevolle auteurs. Jori Stam publiceerde eerder al een verhalenbundel Een volstrekt nutteloos mens (2016),  waarop verdienstelijke commentaren kwamen. Met Oregon waagt hij zich aan de nobele kunst van het romanschrijven. Hij doet dat met verve. In een stijl die je een mix kunt noemen tussen Hemingway en Hermans levert hij een uiterst aangename, verrassende en mysterieuze roman af die de lezer stemt tot nadenken of, beter nog, tot herlezen. Alleen al het uitgangspunt spreekt aan: een jonge schrijver besluit een roman te schrijven over D.B.Cooper, een Amerikaanse vliegtuigkaper, die met een parachute uit het vliegtuig sprong en landde in de bossen van Oregon, waarna hij nooit meer werd gezien.

    Rivaliteit in de blokhut

    De schrijver, Stijn, zit met een writer’s block en besluit naar Oakridge, Oregon te gaan om ter plaatse nieuwe inspiratie te krijgen. Om niet alleen te zijn en om de relatie met zijn oude vriend, de succesvolle schrijver Philip, wat aan te halen, nodigt hij hem uit om mee te gaan naar Oregon. Het verschil tussen de twee wordt al van bij het begin duidelijk en kan niet groter zijn. Stijn is een dwangneuroticus die het graag op orde heeft en alles tot in de puntjes heeft uitgekiend. Bang voor CO2-vergiftiging neemt hij zelfs koolstofmonoxidemelders mee naar de blokhut. Het menu is tot in de kleinste details uitgetekend en de aankopen zijn uitgeschreven op lijstjes. Philip daarentegen is al te laat op de luchthaven, blijkt ook een sloddervos te zijn, zeer sociaal en onbekommerd. Hij kiest het mooiste plekje in de blokhut, haalt  de ingrediënten van twee menu’s door elkaar, en natuurlijk zorgt dat al onmiddellijk voor wrevel bij Stijn. Nog een groot verschil: bij Stijn is het net uit met zijn vriendin, Philip heeft net een gezinnetje gesticht. Aangekomen in de blokhut in de besneeuwde bossen van Oregon ziet de lezer dat de twee mannen zich langzaamaan meer ergeren aan elkaar. Toch blijven ze beleefd en ondernemen ze wandelingen samen. Stijns boek wil niet vlotten, Philip daarentegen schrijft gretig door, maar wil niet meedelen waaraan hij werkt. Met mondjesmaat komen zowel Stijn als de lezer te weten dat hij aan een boek werkt over Stijn en diens vriendin Kirsten.

    Meerdere dimensies en een ongewoon slot

    De relatie tussen Stijn en Kirsten vormt de tweede verhaallijn in het boek. Jori Stam wisselt het blokhutverhaal af met de verhaal over de ontmoeting, de relatie en het einde daarvan tussen Stijn en Kirsten. Ook hier valt het verschil op tussen de eerder neurotische Stijn en de vrijgevochten Kirtsen en lijkt het vrij duidelijk dat de relatie gedoemd is om te mislukken. Toch krijgt de lezer gaandeweg medelijden met Stijn, die alles goed bedoelt, maar het moeilijk kan verwoorden of duidelijk maken wat voor hem belangrijk is. Bovenop het relatieverhaal voegt de auteur nog een derde dimensie toe aan zijn roman. Vanaf de eerste nacht in de blokhut brengt hij het aspect suspense naar boven.

    In ware Hitchcock-stijl bouwt hij spanning op, waar verder niets mee lijkt te gebeuren. Alleen de mysterieuze sfeer blijft hangen: rare geluiden vanuit de kelder, onbekende voetsporen in de sneeuw, uitgedrukte sigaretten in het bos, … Dit past natuurlijk allemaal in het beeld dat de neurotische Stijn voor zichzelf opbouwt. Hij slikt massa’s oxazepam, maar is ontzettend paranoïde, ook tegenover zijn vriend Philip. Aan het eind van het boek trekt Stijn het besneeuwde bos in en achtervolgt hij een hinde. In een zeer bevreemdend slot, dat het midden houdt tussen droom en hallucinatie, vindt hij kalmte in zijn hoofd. Of toch niet? Het slot zal vele lezers met een onbevredigend gevoel achterlaten. Ook na het herlezen van de laatste hoofdstukken, blijft de lezer met (te veel?) vragen achter.

    Uiterst aangename stijl

    Oregon is een boek met veel lagen en veel thema’s. Enerzijds is er de relatieanalyse op verschillende niveaus, daarnaast is er de rivaliteit tussen beide schrijvers, maar gaat het zeker ook over het schrijverschap an sich. Verder is er het aspect van de dwangneurose, paranoia en de mogelijke gevolgen daarvan. En wat te denken van het ongrijpbare einde? Misschien probeerde Jori Stam iets te veel elementen in het boek bijeen te brengen, waardoor het voor de lezer niet altijd even vatbaar is. Zijn grote verdienste is evenwel de fantastische en rake typering van de personages.  Zowel in de beschrijvingen als in de handelingen komen zijn karakters ten volle tot uiting. Bovendien heeft hij de gave van een eenvoudige en vlotte vertelstijl. Korte zinnen, rake beschrijvingen, spijkers met koppen slaan. Dat zorgt voor een zeer aangename leeservaring. Het is zonder meer een veelbelovend debuut, maar misschien de volgende keer de touwtjes nog strakker in handen houden en de lezer een aantal handvatten geven om het slot beter te begrijpen. Dat had het werkelijk afgemaakt.

     

  • Goed kijken

    Goed kijken

    Er zijn boeken waar je niets naast kunt doen als je ze leest, zoals de pas vertaalde roman Nacht en dag van Virginia Woolf, ze kluisteren je aan de bank. Er zijn boeken die je overal kunt lezen, de zogenaamde rugzakboeken, van Biesheuvel, Snijders, Amy Bloom, Maarten Asscher. Dan zijn er boeken die verspreid door het huis liggen. In sanitaire ruimtes, op nachtkastje, de makkelijk-te-lezen-boeken. De een leest graag Arthur Rimbaud voor het slapengaan, ik lees een roman in bed. Op de grens van waken en slapen neem ik de werkelijkheid met een korreltje zout. Ik volg de uitgezette ontwikkelingslijnen als was ik een naïeveling die enkel in het woord gelooft. Ik lees Adam, van Wanda Reisel, een bladzijde of vier/vijf per keer.

    Adam, eind veertiger, in het bezit van een George Clooney lookalike lachje, is op het punt beland dat het roer om moet. Tijd om zijn leven in eigen hand te nemen. Zonder geld geen veranderingen, hij ontneemt grote bedragen van de goede doelen stichting waarvoor hij werkt. Een charmante man, een slimme boef, niemand merkt iets. Dan is er een reeks ‘snoeiharde’ aanslagen op fallus-achtige monumenten in Europa, te beginnen met het monument op de Dam. Waarna Londen, Milaan, Oslo, Berlijn volgen. De tweede protagonist is Lili, een jonge fotografe. Zij volgt het spoor van een vluchtelingencircus dat jazeker, uit vluchtelingen bestaat en door Europa trekt. Adam ontmoet Lili, als hij op de vlucht slaat, in de City Night Line, nachttrein naar Duitsland. Lili is een uitzonderlijk personage, ze heeft iets jaloersmakends, bandeloos is een mooi begrip. Door de afbeelding op de omslag moet ik opeens denken aan de mythologische figuur Lilith, de eerste vrouw van Adam. Reisel zal niet voor niets een Lili in haar verhaal geplaatst hebben. En de gekozen afbeelding heeft wel degelijk met het verhaal te maken.

    In dit geval maakt het van Lili, Lilith, een oproerstoker, een verraadster. Lilith was de slang die Eva influisterde van de verboden vrucht te nemen. Zo nam de wereld een keer en zo blijkt Adam een meer vertellend-dan-je-leest-boek. En dat is mooi. Van het nachtkastje gaat het mee naar mijn werk, weer thuis naar de keukentafel. Ik speur naar de stem van de auteur, die het verhaal begeleidt, als een soort ondertiteling, over veranderende tijden, verschuivende morele grenzen. Hoe ze dat samenbrengt. En kijk, ik had eroverheen gelezen, in de openingsalinea van het boek staat klakkeloos: ‘Een naam is alles, dacht Adam.’  En ja, de eerste mens ooit was een man die bedrogen werd, slachtoffer van de vrouw. Zoals de Adam in het boek bedrogen wordt. Verleid en bedrogen door zichzelf en door Lili(th). Hoe dat bedrog plaatsvindt, en waarom er overal in Europa fallus-achtige monumenten worden opgeblazen moet je zelf maar lezen. Denk daarbij aan het citaat van K. Schippers, ‘Als je goed om je heen kijkt dan zie je dat alles gekleurd is’. Dan zie je wat een goed boek dit is.

     

    Adam / Wanda Reisel / Atlas Contact


    Inge Meijer (een pseudoniem) leest alle dagen en schrijft daarover en over haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Groepskenmerken houdt ongelijkheid in stand

    Groepskenmerken houdt ongelijkheid in stand

    Elma Drayer, oud-redacteur van Vrij Nederland en Trouw en huidig columnist bij de Volkskrant schreef een essaybundel onder de titel Witte schuld. De ondertitel luidt ‘Over identiteitspolitiek’ maar zou net zo goed hebben kunnen luiden:’tegen identiteitspolitiek’. Want daar gaat het in elk essay over. Drayer laat met talloze voorbeelden zien hoe het racisme-debat en andere identiteitskwesties (sexuele voorkeuren, man/vrouw-relatie) eerder leiden tot hokjesgeest en afkeer van ander-soortigen dan tot begrip en acceptatie. Ze belicht deze kwesties van alle kanten en laat duidelijk weten wat haar standpunt is: die van de redelijkheid.

    Wie hoort waar bij

    De vraag: hoe een essaybundel te bespreken waar je als blanke (correctie: witte ) man (dus vrouwonvriendelijk) telkens geneigd bent te denken: zeer juist – goed gezien – behartigenswaardig! Te vertrouwen is een wit en mannelijk recensenten-oordeel waarschijnlijk niet. Misschien helpt een citaat uit de bundel: ‘Identiteit, schreef de (..) Britse historicus Tony Judd in 2010 is een “gevaarlijk woord” zeker in de politiek. De term verwijst immers per definitie niet alleen naar wie jij zelf bent, ook naar wie daar níet bij hoort.’

    In elk essay laat Elma Drayer zien hoe slecht en zinloos het is als een groep mensen de wereld gaat onderverdelen in wij en zij (en niet behoren tot een ‘ons’). Tot welke merkwaardige taalconstructies het leidt als degenen die tot de zij-groep behoren, proberen in een goed blaadje bij de wij-groep te komen. Bijvoorbeeld door als beledigend ervaren benamingen te vervangen door andere, die vervolgens ook weer als beledigend ervaren worden omdat zij uiteindelijk – hoe je het ook draait of keert – hetzelfde benoemen.  Zo werd ‘blank’ vervangen door ‘wit’ en ‘neger’ door ‘zwarte’. Want ‘blank’ had positieve connotaties en ‘neger’ negatieve. Maar, redeneert Drayer, zo’n naamsverandering werkt alleen tijdelijk en is dus zinloos: ‘De verondersteld positieve connotatie van “blank” springt over naar wit. De veronderstelde negatieve van het n-woord naar “zwart’”.

    Daar is geen speld tussen te krijgen en te verwachten is dus dat ‘wit’ en ‘zwart’ als identiteitsbenaming hun langste tijd al hebben gehad. En, meldt Elma Drayer: ‘Onopgelost is ook nog de terminologie voor Nederlanders wier (voor)ouders kwamen uit landen als Marokko of Turkije. De handleiding Woorden doen er toe, in 2018 verschenen bij het Nationaal Museum van Wereldculturen (samenwerkingsverband Tropenmuseum, Afrika Museum, Rijksmuseum Volkenkunde en Wereldmuseum) opperde de intrigerende term “niet-zwarte mensen van kleur”. Die suggestie slaat voor zover ik kan overzien nog niet aan.’

    Toevoeging na toevoeging

    In het essay ‘Taalzuiveringen’ laat Drayer aan de hand van deze handleiding zien hoe een steeds verdere precisering en erkenning van seksuele identiteit tot onzinnige oplossingen leidt. ‘Nadat eerst “homofiel” en later “homoseksueel” uit de mode raakte, volstond aanvankelijk “lgb” – de beginletters van lesbisch, gay en biseksueel (…). Toen vroegen transpersonen om erkenning en werd het “lgbt”. Weer later wilden queers meedoen, ofwel “personen met seksuele interesses en identiteiten die maatschappelijke normen voor seksueel gedrag uitdagen”. Daarna “personen met een interseksconditie”. Zo werd het “lgbtqi”. Waarna de aseksuelen lobbyden voor toevoeging van de letter A. Laatste nieuws: ook “lgbtqia” krijgt kritiek “vanwege de westerse oriëntatie, en vanwege het gebruik van concepten die verbonden zijn aan de imperialistische en koloniale geschiedenis. Daarom moet “2S” erbij, afkorting van Two Spirit, de overkoepelende term voor “inheemse, seksuele tradities die lange tijd miskend waren binnen het antropologisch onderzoek”. Lgbtqia2s verdient volgens de handleiding de voorkeur.’

    Kleurenblindheid

    Wat wil Drayer zelf? ‘Kleurenblindheid (…) zou het streven moeten zijn. Precies de houding die antiracisme-ideologen van nu zo hartstochtelijk beschimpen. (…) Zo’n kleurenblinde samenleving komt er alleen als wij elkaar leren beoordelen op individuele talenten, kwaliteiten en verdiensten. Want het tamboereren op groepskenmerken houdt de ongelijkheid alleen maar in stand.’ Waarvan akte!

     

  • Schrijversjas

    Schrijversjas

    Er wordt een schrijver vermist op facebook. Al heb je duizenden vrienden, het zijn vaak dezelfden die langs komen, soms met in hun kielzog een nieuw gezicht, door algoritmes bepaald. Het gebeurt ook dat iemand uit het zicht verdwijnt. Tot voor enkele weken kwamen de berichten van schrijver Joubert Pignon geregeld voorbij. Hij berichtte veel over dingen die er misgaan in zijn leven, dat hij behoefte heeft aan wijn of rosé. Een half jaar terug ontving hij een brief van zijn uitgever, of hij een deel van het overschot van zijn in 2017 verschenen verhalenbundel Mooie lieve schat wilde overnemen. De titel werd zogenaamd afgeroomd. Zo gaat dat met boeken. De uitgever had er zesenvijftig verkocht, zelf nam hij zevenenvijftig boeken af. Via facebook verkocht hij in een paar dagen tijd alle zevenenvijftig boeken.

    Ik ben in het bezit van exemplaar 19/57, met ballpoint op de eerste bladzijde genummerd, daaronder: ‘Voor inge / Van jouBert’, precies zo staat het er. De titel, Mooie lieve schat lijkt misplaatst voor wat erin staat. Impressies van dagelijkse dingen, onwerkelijk vaak, maar zo is het leven. Soms onsmakelijke verhaaltjes over poep en pies, er wordt veel gedronken, drie flessen wijn op een avond is een begrip. Ik begrijp nu opeens niet meer, nu ik dit opschrijf, waarom ik ze zo graag lees. Het is iets met hoe hij de woorden rangschikt, wat hij erin stopt aan dagelijks leed. Wat hij schrijft gaat erin als koek, zelfs als ze over menselijke uitwerpselen en stinkende kattenbakken gaan. Een talentvol schrijver. Al wist zijn uitgever na jaren nog steeds niet wie hij was: schrijver Joubert Pignon, verhaaltjes schrijver, genomineerd voor de Biesheuvelprijs 2019.

    Toen viel ergens het besluit de schrijversnaam los te koppelen van de werkelijke naam, alsof je een jas uittrekt. Ik weet niet wanneer dit gebeurd is. Als ik nu googel op Joubert Pignon, komt de naam Robert Schuit naar boven. Achteraf gezien waren er voortekenen. Achteraf is alles eenvoudig. In maart postte hij op zijn tijdlijn dat hij iets gaat drinken met een uitgever die zijn schrijfstijl fileert. Het roer moet om. Drie jaar zal de uitgever hem bewerken tot ‘ik daarna misschien eindelijk eens iets goeds schrijf.’
    Enkele maanden daarvoor beschrijft hij een kerstborrel bij zijn uitgeverij. Iemand heeft zijn jas geleend, om buiten te roken. Dan wil hij naar huis. ‘Ik wil haar niet storen en loop de uitgeverij uit, de metro in, onder de grond, ooit kom ik, als het goed is, weer boven, op zoek naar een nieuwe jas.’ Het lijkt een verzinsel, een gekkigheidje. Ondertussen zoek ik nog dagelijks onversaagd door naar een spoor van Joubert Pignon.

     

    Mooie lieve schat / Joubert Pignon / Atlas Contact (2017)


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze reist met het OV, leest dagelijks en schrijft over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Stilistische rijkdom en ouderliefde in een realistische roman

    Stilistische rijkdom en ouderliefde in een realistische roman

    Een nieuwe roman van Jan Vantoortelboom, de auteur van het alom geprezen Meester Mitraillette. Jagersmaan speelt in de jaren na de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen, in een tijd van opbouw en grote armoede, net zoals Meester Mitraillette. Een tijd die nog steeds veel invloed heeft op het gevoel van achterstand dat veel Vlamingen hebben en op de geslotenheid van dorpsgemeenschappen. Hoofdpersonage Victor werkt op de boerderij van zijn moeder en heeft een meisje in het dorp zwanger gemaakt. Hij kan het kind niet erkennen omdat de moeder getrouwd is. Hij moet daarom en mede door de grote armoede, zijn dorp verlaten.

    Je zou het een vlucht kunnen noemen. Zijn moeder wil dat hij naar Amerika gaat, waar volgens haar de toekomst ligt. ‘Veel grond, veel beesten, vrouw en kinderen’. Victor scheept zich in en terwijl hij staat te wachten op de boot, wordt hij aangesproken door twee ronselaars die namens de Ierse Republikeinse Broederschap proberen hem te rekruteren voor de Broederschap. Victor gaat hier niet op in. Onderweg wordt hij opnieuw lastig gevallen door de ronselaars, een agressief stel. Victor voelt zich in het nauw gedreven en springt in een plotselinge opwelling op volle zee van het schip en spoelt uiteindelijk nauwelijks levend aan op de kust van Ierland.

    Ver weg van Amerika

    In Ierland wil hij niet kiezen tussen verschillende facties van de versplinterde Ierse Republikeinse Broederschap (IRB) en probeert de burgeroorlog te ontlopen. Hij komt terecht bij een schoolmeester die voor zijn dochtertje zorgt. De man wordt geëxecuteerd door een van de elkaar beconcurrerende facties van de IRB en Victor slaat op de vlucht met Kitty, het dochtertje. Na een aantal omzwervingen klopt hij ergens aan om geld te verdienen voor hun levensonderhoud. Hij komt in een slachterij te werken  als rattenvanger. Het is vuil werk dat hem echter goed afgaat. Het meisje brengt hij onder in een afgesloten ruimte bij het bedrijf. Op zeker moment wordt hij bij zijn baas, de Baron geroepen en wordt hij gedwongen een moord te plegen. Hij bedingt dat hij daarna vrij man is. Hij vermoordt uiteindelijk met een schot twee mensen van een concurrerende factie.

    Jagersmaan

    Met Kitty komt hij terecht bij Dolores, waar hij het feest van de jagersmaan meemaakt.
    ‘Het feest van de jagersmaan, het begin van de winter. Dan moeten eerst alle vuren worden gedoofd zodat het pikdonker is en alleen de maan licht geeft, en daarna wordt er een groot vuur gemaakt en er wordt gedanst en iedereen verkleedt zich… Er wordt geofferd, er wordt gejaagd en het zwakke vee wordt geslacht voor de komende winter en alle fruit moet voor vanavond worden geplukt, want daarna is het behekst…. Het is de nacht van de feeën en de geesten van de doden. Dan komen ze voor even terug naar ons, want de deur tussen hemel en aarde staat op een kier.’

    Hij gaat met Kitty naar Dublin om alsnog in te schepen voor Amerika. Onderweg naar de haven wordt de trein door opstandelingen beschoten en sterft Kitty. Voor Victor blijft er niets anders over dan met hangende pootjes in Dublin op zoek te gaan naar de Baron van wie hij wil dat hij een ticket betaalt om terug te gaan naar zijn dorp. Hij beseft dat daar zijn toekomst ligt, bij zijn moeder en zijn dochtertje, ondanks alles. Dat is een duur ticket, Victor. Dat is een erg duur ticket, zei de Baron.’

    Aantrekkende vertelling

    Jan Vantoortelboom is een geweldig verteller. De roman is stilistisch bijzonder knap, de lezer wordt meegezogen in de wereld van de twee vertellers, moeder en Victor, en leeft zich in de motieven van beiden in. Zowel het leven in Vlaanderen ten tijde van armoede als het leven in Ierland, verscheurd door de burgeroorlog, wordt levensecht beschreven. Een prachtige roman over de liefde tussen een vader en zijn dochtertje. Maar ook over de geslotenheid van een man. En over een moeder die uit liefde voor haar zoon hem wegstuurt. Vantoortelboom laat zien hoe sterk een man kan zijn in een overlevingsstrijd die hem uiteindelijk weer terugbrengt naar huis. Door zijn beeldend taalgebruik en inlevingsvermogen weet hij de lezer te overtuigen in deze psychologische en zeer realistische roman. Dit verhaal zou zich zomaar in de werkelijkheid kunnen hebben afgespeeld.