• Hoe weten we wat een rivier wil?

    Hoe weten we wat een rivier wil?

    Heeft een rivier recht op een eigen, onbekommerd en gezond leven? Dat is de centrale vraag in het boek Leeft een rivier? van Robert Macfarlane. Om antwoorden te vinden doorkruist hij nevelige wouden in Ecuador, een dichtbevolkte rivierdelta in India en de uitgestrekte Saint Lawrence-baai in Canada. Hij dompelt zich onder in de geschiedenis en de verhalen van drie rivieren. En in een idee dat naar zijn mening de wereld verandert: het idee dat een rivier leeft.

    Tijdens drie expedities ziet Macfarlane hoe Rio Los Cedros, Chennai en Magpie River alle drie worden ingedamd, vervuild, weggemoffeld en gemolesteerd, ter meerdere eer en glorie van de menselijke of beter gezegd, economische ontwikkeling. ‘De rivier moest worden gedood zodat de stad kon leven,’ zegt Yuvan Aves, leraar, schrijver en wateractivist in India. Wat uiteindelijk een te hoge prijs is als je die stad gezond wil houden. ‘Steden groeien op de oevers van rivieren, […] en vergeten langzaam hun ecologische, hydrologische oorsprong. Later bezwijken ze langzaam onder hun eigen gewicht, tenzij datgene waaruit ze zijn ontstaan met kracht nieuw leven wordt ingeblazen: een rivier.’

    Het lijkt een eerste antwoord op de titelvraag: een rivier kan alleen gedood worden als ze leeft. Wat hij aantreft in India is geen beeld om blij van te worden: een zwaar gemartelde Chennai, verstikt door industrie en verstedelijking. Een lot dat veel andere rivieren in India treft. Tot de dood er volgens sommigen op volgt. Van de moord op de rivier de Yamuna werd zelfs aangifte gedaan.

    Wat gij niet wilt dat u geschiedt

    Twee dagen voor de aangifte van deze moord hadden rechters van het Indiase Hooggerechtshof de Ganges en Yamuna erkend als ‘levende entiteiten’ met bijbehorende rechten. Een besluit dat niet op zichzelf staat maar past binnen een wereldwijde trend om de natuur ook rechten toe te kennen, net als mensen, bedrijven en organisaties. Met als doel om de natuur beter te kunnen beschermen. Immers, als de natuur net als organisaties een rechtspersoon kan zijn, kunnen rechten en plichten beter worden onderscheiden: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. 

    De natuurrechtenbeweging vindt zijn oorsprong in de vraag die Christopher Stone, een jonge academicus, zijn studenten in 1971 stelde: wat zou er gebeuren als de natuur over rechten zou beschikken? Een vraag die in 2017, ruim veertig jaar nadat Stone zijn vraag had gesteld, in Nieuw-Zeeland leidde tot het toekennen van rechten aan de Whanganui rivier. Een wereldwijde primeur die navolging zou vinden. In 2008 werd water in de Ecuadoriaanse Grondwet 2008, erkent als collectief goed, ‘onoverdraagbaar, onvervreemdbaar, onbevattelijk en essentieel voor het leven’. Privatisering van water werd verboden, natuurrechten werden vastgelegd. Vanaf dat moment staan mensen in Ecuador niet meer los van de natuur maar zijn ze – ook in juridische zin – een onlosmakelijk deel van de natuur. En heeft de natuur omgekeerd dezelfde rechten als de mens. Of als bedrijven. Een benadering die de machtsverhoudingen tussen bedrijven en de natuur begint te beïnvloeden: in 2021 oordeelde het Constitutionele Hof van Ecuador op grond van de nieuwe grondwet dat mijnbouw de rechten van de rivier Los Cedros schond. 

    Een rivier leeft… in de harten van mensen

    De natuurrechtenbeweging krijgt volop aandacht van MacFarlane. In zekere zin is Leeft een rivier? dan ook meer een verhaal over de rechten van rivieren dan van het levend zijn van die rivieren. Maar toch is ook dat uiteindelijk niet het hart van het boek. Dat is veel meer de liefde van mensen voor rivieren en voor de natuur. Inderdaad, rivieren leven bij Marcfarlane zeker. In de harten van mensen.

    De liefde voor rivieren druipt van de pagina’s af. Bijvoorbeeld bij Giuliana Furci, die MacFarlane vergezelt bij zijn trip in de nevelwouden. Furci is schimmeldeskundige en valt keer op keer in extase op haar knieën als ze in het stroomgebied van Los Cedros opnieuw een zeldzame slijmzwam ontwaart, waarvan ze zegt dat die tot een ander ‘kindom’ behoren (geen kingdom), ‘een geheel van verwanten, een bos, een rivier’. Of Rita Mestokosho, een Canadese dichteres en natuuractiviste, die zegt altijd al geweten te hebben dat de rivier leeft. De rivier zit diep in haar: ‘Allemaal hebben we een rivier die tot ons spreekt’.

    Het is vooral deze liefde van mensen voor rivieren die Leeft een rivier? een lezenswaardig boek maakt. Al moet je er wel heel wat pagina’s voor doorploegen. Zonder een antwoord op de vraag te krijgen of de rivier leeft. Of op de vraag wat een rivier wil (handig te weten als je haar rechten wil beschermen). Maar zeker deze laatste vraag is misschien ook niet te beantwoorden. Dat lijkt althans aan het einde van het boek (spoiler alert) Macfarlane’s eigen conclusie: ‘Hoe weten we wat een rivier wil? De rivier wil… de zee bereiken. […] Het is alsof dat antwoord tekortschiet.’ 

     

  • Een literair laboratorium

    Een literair laboratorium

    Een verhaal dat ‘werkt als een talisman, een enigszins eigenaardig literair object dat hem nooit mag verlaten als de schrijver die hij is zijn koers wil bewaren, de klippen wil mijden’. Véronique Chovin geeft in haar voorwoord precies aan wat voor Louis-Ferdinand Céline de betekenis was van zijn wonderlijke ‘middeleeuwse’ verhaal over De legende van koning René en de latere uitwerking daarvan tot De wil van koning Krogold: een literair kompas dat hem in tijden van schrijfnood altijd weer op pad kon helpen. 

    Het manuscript van De wil van koning Krogold was tachtig jaar geleden door de schrijver achtergelaten in zijn appartement in Montmartre toen hij er hals-over-kop vandoor moest vanwege zijn foute houding in de oorlog. In 2021 dook het weer op en werd eindelijk gepubliceerd, samen met zijn voorloper De legende van koning René. De twee verhalen zijn meesterlijk vertaald door Tatjana Daan. Céline vertalen is hoe dan geen sinecure, maar hier gaat het ook nog eens om een taal die doordrenkt is van een soort eigengemaakte nabootsing van het Oudfrans. Waar nog bijkomt dat Céline zich in deze verhalen te buiten gaat aan een verteltrant die alle kanten opvliegt en waar soms geen touw aan vast te knopen is. Een willekeurig voorbeeld, bedoeld om zowel Célines exuberante schrijfstijl als Daans virtuoze vertaalkunst te illustreren (de stad Christiana wordt belegerd, het fragment gaat over de impact op de inwoners): ‘Burgers, ambachtslieden, provoosten, zure oude mannetjes, helemaal onder hun slijpstenen gekromde scharensliepen, blinden en klagers met ratel, mooipraters met ledige reiszakken, neuzelende menestrelen, bij de kookpot weggerukte, dikbuikige huismoeders, berenleiders en messenmakers schaarden zich in groepjes, diep weggedoken in de portieken, donkerder dan de nacht.’ 

    Frivool

    Voor de liefhebbers van het werk van Céline zal deze curieuze uitgave een sensationele verrassing zijn. Het laat een tot dusverre onbekende kant van zijn schrijversschap zien. Niet de pessimistische, cynische, zwartgallige misantropie van Dood op krediet, Oorlog en Londen, maar een middeleeuws, frivool sprookjesverhaal vol mystiek en tovenarij. Eigenlijk zijn het dus twee vertellingen, maar de personages, de thematiek en de motieven van De wil van koning Krogold vloeien direct voort uit De legende van koning René.

    In beide gevallen gaat het om de belegering van een stad ergens in Midden-Europa (alhoewel er ook Scandinavische elementen zijn), ten tijde van de middeleeuwen. Tegen die achtergrond volgen we de lotgevallen van een rondtrekkende minstreel (Thibaut – de spelling van de namen wil nog wel eens afwijken, geheel in de fictieve traditie van de middeleeuwse literatuur), zijn vriend Joad, koning Krogold (René in het bronverhaal) van de stad Christiana, diens dochter Wanda en zijn grote tegenstander prins Gwendor, geliefde van Wanda. De verhaallijnen zijn te gecompliceerd en uiteenwaaierend om hier in kort bestek samen te vatten, en in feite doen ze er ook niet zoveel toe. Het gaat veel meer om de betoverende, soms haast hallucinerende kracht van Célines taal (en nog maar eens, want haar prestatie kan niet genoeg geprezen worden, de vertaling van Tatjana Daan).

    Lees maar: ‘Op het eind van de dag kwam de koning de overwinning toe. Nog lang zag je aan de horizon de koninklijke cavalarie, met woeste lansbewegingen in alle richtingen, het gebied uitkammen, en de laatste vluchtende soldaten tot aan de bossen najagen. Het verzwakte en versnipperde leger van de prins liet zich aan flarden sabelen. Later op de avond veranderde het tumult van de gevechten en het geschrei van het strijdgewoel in een machtig, deerlijk weeklagen. Vervolgens viel tegen de nacht de stilte, die de aldoor zwakkere, aldoor doffere kreten en doodsreutels een voor een versmoorde.’

    Schrijfplezier

    Taal die vlamt en flonkert; in het oorspronkelijke relaas over koning René relatief nog toegankelijk en vertrouwd, in De wil van koning Krogold (‘waarvan het lezen enige concentratie’ vergt, aldus Alban Cerisier in zijn verhelderende nawoord) soms nauwelijks te volgen. Het is Céline nooit gelukt zijn middeleeuwse legende gedrukt te krijgen. Cerisier laat in zijn nawoord echter zien dat de stof wel degelijk zijn weg naar de drukpers heeft gevonden, als essentiële thematische ingrediënten in zijn grote romans Dood op krediet, Oorlog en Londen. Daarnaast is de legende, volgens Cerisier, ‘ook een laboratorium, waarin Céline in het geheim zijn romaneske taal ontwikkelt op een ander substraat, waarin hij zijn effecten uitbreidt, of het nu gaat om interpunctie of lexicale en syntactische inventiviteit.’ Zo is koning Krogold altijd een hoofdrol blijven spelen in het schrijversschap van Céline. Los van dat experimenteren met de taal en de verwerking van de stof in latere romans zal het creëren van zijn legende Céline veel schrijfplezier hebben bezorgd. Al hoeft dat niet per se tot léésplezier te leiden. 

     

     

  • Boeiende verhalen over een mislukte revolutie

    Boeiende verhalen over een mislukte revolutie

    Lang doet Wouter Linmans er niet over om de afloop van Revolutiekoorts, Onrust en oproer in november 1918 te verklappen. ‘Wat begon als een revolutionaire mars door Amsterdam, werd het bloedig einde van een links-radicale en anarchistische onderneming,’ schrijft hij al op bladzijde 11. Geen probleem, die spoiler. Het boek is immers niet bedoeld als een spannende historische roman. Revolutiekoorts is het onorthodoxe verslag van een vergeten episode in de vaderlandse geschiedenis.

    Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog broeiden op diverse plaatsen in Europa links-radicale sentimenten en ambities. In Rusland was de revolutie uitgebroken. In Duitsland werd massaal gestaakt door arbeiders en soldaten. Ook in Wenen, Boedapest en andere steden was er sociale onrust. In Nederland hield de socialistische voorman Pieter Jelles Troelstra begin november 1918 in de Tweede Kamer een vlammende, uren durende speech over zijn revolutionaire plannen. Afgelopen moest het zijn met de onderdrukking van het proletariaat. Weg met het kapitaal, tijd voor een beter leven voor de arbeider in een socialitische samenleving! Zijn vurige pleidooi kreeg weinig weerklank. Zelfs Troelstra’s sociaaldemocratische tijdgenoten moesten niets hebben van zijn oproep tot revolutie. De grote socialistenleider had zijn kruit verschoten. 

    Brede maatschappelijke onvrede

    Maar links Nederland bestond uit meer dan alleen terughoudende sociaaldemocraten. De bevolking had het in de oorlogsjaren, ondanks Nederlands neutraliteit, voor de kiezen gehad. Er was tekort aan alles. Voedsel en brandstof waren onbetaalbaar geworden; kinderen stierven van honger, ziekte en kou. En dat terwijl een kleine groep uitbuiters, oplichters, smokkelaars en louche handelaren zich schatrijk scharrelde. Dit alles leidde tot brede maatschappelijke onvrede. De in de negentiende eeuw ontstane arbeidersbeweging bewoog onder aanvoering van Ferdinand Domela Nieuwenhuis steeds meer in de richting van het anarchisme. Andere radicaal-linkse prominenten waren David Wijnkoop en Henriëtte Roland Holst. In Rotterdam, Leiden en vooral Amsterdam groeide eind 1918 de onrust.

    Na de ‘vergissing van Troelstra’ in de Tweede Kamer ontstond het besef dat het anders moest. Anarchisten en marxisten organiseerden op 13 november een massabijeenkomst in de Amsterdamse Diamantbeurs, een groot gebouw aan het Weesperplein. Wijnkoop en Domela Nieuwenhuis riepen op tot revolutie. Er hing een opgewonden sfeer, een gevoel van ‘nu of nooit’, schrijft Linmans: ‘De geestdrift stond op de gezichten geschreven.’ Na toespraken van de anarchistische dominee N.J.C. Schermerhorn en Henriëtte Roland Holst besloot men de straat op te gaan. Waarom precies is volgens Linmans nooit helemaal duidelijk geworden. Maar over de route was iedereen het eens: langs de Oranje-Nassaukazerne en de cavalariekazerne aan de Sarphatistraat. Daar stonden militairen te popelen om zich aan te sluiten, zo ging het gerucht. Bovendien viel er wat te plunderen: wapens en munitie. Drieduizend anarchisten, vakbondslieden en andere radicale Amsterdammers gingen luidkeels op pad, Wijnkoop en Roland Holst voorop. Linmans: ‘Voor de ramen van de woonhuizen langs de route verschenen silhouetten van bezorgde burgers. Zij zullen zich bij het zien van de demonstranten wel hebben afgevraagd waar deze avond toe zou leiden.’ Tot dodelijk geweld, bleek even later. 

    Kortstondig oproer

    Het ging mis bij de cavaleriekazerne. Een van de betogers, halverwege in de optocht, zwaaide met een bijl. Het toegangshek werd geforceerd, de militairen voelden zich bedreigd en grepen hun karabijnen. Na een waarschuwingsschot in de lucht volgde een tweede salvo, gericht op de aanvallers. Die schoten terug. Uiteindelijk kwamen bij de schermutseling vier arbeiders om het leven. Ondanks alles ging de demonstratie door. Op het Beursplein sprak Wijnkoop de betogers nog eens toe: morgen begint de revolutie, komt allen naar het Damrak! Maar het arbeidersvolk had z’n lesje geleerd: nog geen twintig man kwam de volgende dag opdagen. Linmans: ‘De revolutie ging eigenlijk nog voordat die goed en wel begonnen was uit als een nachtkaars.’

    De beschrijving van het kortstondige oproer beslaat in Revolutiekoorts maar een bladzijde of vijftien. Dat is nog heel wat meer dan Geert Mak erover schrijft in zijn ‘kleine geschiedenis van Amsterdam’, namelijk: ‘Op de 13de november kwam de revolutie in Amsterdam, en ging er direct ook weer ten onder.’ Linmans vindt dat die beperkte aandacht ‘geen recht [doet] aan de gewelddadige aard van de gebeurtenissen en de schok die dat teweegbracht’. In navolging van de Britse historicus George Rudé kiest Linmans voor een aanpak die verder gaat en dieper graaft dan het traditionele historische onderzoek naar collectieve protesten en politieke gedragingen. In plaats van containerbegrippen als ‘de massa’ en ‘het volk’ te gebruiken en de demonstranten als een homogene groep te beschouwen ‘probeer ik in dit boek het oproer van 1918 te reconstrueren en de betrokken personen beter te begrijpen. Het is de bedoeling om nu eens niet te blijven hangen in versimpelde voorstellingen van zaken, maar tot in detail weer te geven wat er gebeurde en wie daarbij betrokken waren. De ambities, ideeën en gevoelens van de oproermakers staan centraal. Wie waren zij, wat deden ze en vooral: wat waren hun drijfveren?’

    Dit lijkt een hachelijke onderneming. Van maar zo’n veertig betogers zijn de namen bekend. Het zijn degenen die zich uitten in artikelen, boeken of ingezonden brieven, genoemd worden in krantenartikelen of processen verbaal of de aandacht trokken bij vergaderingen of openbare bijeenkomsten. Op die manier verzamelt Linmans informatie over een aantal vooraanstaande (ook letterlijk) deelnemers. Zo komen we van alles te weten over aanvoerders als Domela Nieuwenhuis, Wijnkoop en Roland Holst, en over een aantal revolutionairen uit de tweede lijn. 

    Verhalen uit archieven en toevallige bronnen

    Maar om ‘de massa’ een gezicht te geven, moest Linmans ‘de archieven in’. Dat kunnen gemeentelijke registers zijn (geboorte, huwelijk, adressen, verhuizingen, boetes, veroordelingen), maar ook toevallige andere bronnen. Zo liepen op 13 november 1918 twee typografen mee, vader en zoon Hippe. Johan Hippe, de zoon, komt in 1977 aan het woord in de VARA-serie Voorwaarts en niet vergeten. Hij vertelt over de schietpartij, waar ze vlakbij stonden. Linmans gaat vervolgens dieper in op de rol die Hippe na de oorlog speelde in de arbeidersbeweging. Bijvoorbeeld over Hippes strijd tegen alcoholgebruik onder de arbeiders: ‘Schaart u onder de banier der onthouding, zoodat deze als een hoogen dijk, de alles met zich meesleurende stroom alcohol kan sluiten, dit tot verheffing der geheele menschheid.’ 

    De verhalen die Linmans uit de archieven opdiept, hebben – in diverse varianten – vaak een vergelijkbare strekking. Het gaat meestal om arbeiders met grote gezinnen, wonend in beroerde omstandigheden (weinig ruimte, veel vocht en kou) en dan ook regelmatig verhuizend (van twee hoog voor hier naar drie hoog achter daar). Vaak zijn ze opgegroeid in een links-radicale familietraditie, met ouders die ook al actief waren in de arbeidersbeweging.

    Zo weet Linmans heel wat boven water te krijgen en schetst hij op die manier een fascinerend beeld van de revolutionaire maatschappelijke context in de eerste helft van de vorige eeuw – en van het leven überhaupt in die periode, met name dat in Amsterdam. Zo verhaalt hij over de moeder van een van de demonstranten, die in 1916 in Amsterdam een leidende rol speelde bij een protestactie van honderden vrouwen tegen het voedseltekort: ‘De meesten waren nog in schort gekleed. Ze droegen een kind op de ene arm, en in de andere een paraplu tegen de regen. Op de punten van de paraplu’s waren  rotte aardappelen en ‘regeeringsbrood’ gestoken.’ Soms schiet Linmans wat door in zijn fact-finding. Ene Dirk Dech was ‘1 meter 62 lang, had blauwe ogen en bruin haar (net als zijn broer), zijn gezicht was ‘ovaal’ en zijn neus en voorhoofd waren door de keurmeester (van de militaire dienst/rl) als ‘gewoon’ beoordeeld.’ 

    ‘Het leidde tot niets’, is de conclusie van de auteur over de mislukte revolutie van november 1918. Maar daarmee doet hij zichzelf te kort. De gebeurtenis leidde op z’n minst tot een boeiend, goed geschreven persoonlijk feitenrelaas over een ten onrechte vergeten of gebagatelliseerd kantelpunt in de Nederlandse geschiedenis. 

     

     

  • Lust tot leven

    Lust tot leven

    Zeno Cosini, zakenman in Triëst, is al oud wanneer hij zijn psychiatrische behandeling om o.a. van het roken af te komen, beëindigt. Zijn psychiater heeft hem overgehaald zijn autobiografie te schrijven, wat toen – we schrijven 1923 – een nieuwigheid was in de psychoanalyse. Het was de tijd van de grote populariteit van Sigmund Freud en door zijn invloed was het schrijven van je levensverhaal erg in zwang. Zeno vindt het maar niks, vindt zijn psychiater een nul en een die hem niet van zijn ziekte heeft afgeholpen. Wat die ziekte is wordt niet echt duidelijk; wel dat hij verslaafd is aan roken, dat hij een hypochonder is en zich snel een ziekte inbeeldt. Wanneer hij bijvoorbeeld in het café een vroegere vriend tegenkomt, die met krukken loopt omdat zijn rechterbeen door reuma is aangetast, verlaat Zeno hinkend en strompelend het café. Vervolgens blijft hij zijn hele leven moeilijk lopen…

    Niettemin heeft hij wel zijn levensverhaal opgetekend en aan Dokter S. gegeven. Uit wraak om de beëindiging van zijn behandeling publiceert de psychiater die autobiografie.
    Daarin vertelt Zeno zijn leven: over zijn rookverslaving, over de relatie met zijn vader, over zijn huwelijk, over zijn maîtresse, over zijn commerciële activiteiten en compagnonschap en tot slot over zijn psychoanalyse.

    Besef
    De titel van het boek is in het Italiaans: La Coscienza, wat bewustzijn, of besef betekent (en ook geweten!). Die sluit iets meer aan bij de strekking van het boek dan de Nederlandse vertaling, omdat de bekentenissen die Zeno opschrijft doortrokken zijn van het besef dat zijn gedrag meestentijds niet strookt met zijn eigen moraal dan wel met de moraal van zijn tijd. Hij is zich zeer bewust van zijn tekorten, maar weet het tegelijkertijd zo te beargumenteren dat zijn abjecte gedrag – een minnares nemen – of zijn ongezonde gedrag – zijn rookverslaving – voor hemzelf aanvaardbaar wordt. Hij doet het met de beste bedoelingen en eigenlijk is iedereen enorm gebaat bij zijn gedrag.

    Een voorbeeld. Hij wilt heel graag van het roken af, maar hij merkt dat telkens wanneer hij probeert zijn laatste sigaret op te steken, hij hele mooie herinneringen heeft. Daar geniet hij zeer van, zodat hij besluit om dan toch maar weer een laatste sigaret op te steken: ‘Ik vind dat een sigaret een intensere smaak heeft als het de laatste is.’

    Een ander voorbeeld. Zeno is zakenman –hoewel dat niets om het lijf heeft, hij voert niets uit; hoeft ook niet want hij is bij toeval rijk geworden- en heeft daardoor kennis aan Giovanni Malfente; deze heeft vier dochters, waarvan er een, Ada, de knapste is. Al snel besluit Zeno dat hij met deze Ada wil trouwen, loopt jaren achter haar aan, alleen: zij wil hem niet. Om toch dicht bij haar in de buurt te kunnen zijn, trouwt hij uiteindelijk met de lelijkste van de vier, de loensende maar engelachtige Augusta. Zij is verliefd op Zeno, maar weet ook dat hij liever met Ada zou zijn getrouwd. Augusta legt hem zo in de watten, dat hij zelf begint te spreken van een gelukkig huwelijk. Niettemin begint hij al snel een relatie met het zangeresje Carla en weet dat voor zichzelf te rechtvaardigen door te denken dat die verhouding zijn relatie met Augusta ten goede komt. ‘Elk bezoek aan Carla betekende weliswaar een bedrog jegens Augusta, maar alles werd spoedig vergeten in een verkwikkend bad van goede voornemens.’ (…)’Ik kan dan ook zeggen dat Augusta het meest verrukt van me was wanneer ik niet geheel en in alle oprechtheid de hare was.’
    Wanneer Carla zijn vrouw wil zien, schaamt hij zich voor Augusta en zorgt dat zij Ada tegenkomt. Dat keert zich tegen hem: Carla is zo onder de indruk van de schoonheid van Ada, dat zij de relatie met Zeno verbreekt: ‘ik wil die mooie vrouw met haar droevige ogen nooit meer bedriegen!’

    Moderne negentigjarige 
    Jaren geleden had ik dit boek gelezen en ik vond het meesterlijk (of ‘mieters’ om met Voskuil te spreken). De hoofdstukken over Zeno’s rookverslaving, over de relatie met zijn vader, over zijn huwelijk met de lelijkste dochter van de vier zijn en blijven mooi. Het mooie komt niet alleen door de verteltrant, maar ook door het gevecht dat Zeno, een slapjanus van jewelste, met zichzelf voert. Hij weet precies wat hij doet, weet ook waarom, kan dat heel goed beredeneren, ook al weet hij dat wat hij doet eigenlijk niet deugt. En hij schrijft daarover met veel humor. De gevolgen van zwaktes en ijdelheden weet hij meestal zo te beredeneren dat die in zijn geval niet ernstig zijn. Zijn leugentjes keren zich regelmatig tegen hem, maar hij weet zich daar altijd wel weer uit te redden. Eigenlijk kent hij zichzelf goed en heeft zijn psychiater hem weinig te bieden. Daarom veegt hij in het laatste hoofdstuk ook de vloer aan met de psychoanalyse.

    De verstokte roker Henk Hofland benadrukt in het Nawoord de moderniteit van deze roman, ook al is het boek ruim 90 jaar geleden geschreven. En dat is terecht. De worsteling van Zeno om zijn leven zoveel mogelijk te vullen met lust en geluk, de moeilijkheden en weerstand die hij daarbij moet overbruggen, en de manier waarop hij daarmee omgaat, zijn van alle tijden. Een mooi en bij tijd en wijle melancholiek boek.

    Dit klassieke meesterwerk uit de Italiaanse literatuur heeft niets van zijn glans verloren.