• De lezer een voyeur

    De lezer een voyeur

    Het motto waarmee de novelle Elders opent ‘Pleased to meet you. Hope you guess my name.’ – overgenomen uit het controversiële rocknummer Sympathy for the Devil van The Rolling Stones – is meteen al goed voor een koude rilling. Alsof de schrijver op voorhand een waarschuwing wil afgeven, een ‘bezint eer ge begint’.’ IJzersterke actie van Martijn Knol (1973): het verhaal nog niet begonnen, de toon al gezet.

    Een gezinnetje – vader, moeder, twee zoons – viert een weekje vakantie in de Italiaanse Alpen. Nazomers familiegeluk. Alhoewel? Ze blijken niet alleen te zijn. Op het terras is ongezien een mysterieuze figuur neergestreken, de verteller van het verhaal. Van een afstandje volgt hij nauwlettend de gezinsleden. Verdacht hoeveel hij van hen weet. Zelfs in hun gedachten, gevoelens en toekomst kan hij kijken. Wie is deze sinistere – met haviksogen, waakhondoren en oververhit brein uitgeruste – gedaante die zich in toenemende mate aan hen opdringt? Is hij een bekende of wellicht een zinnebeeld? Welke boodschap komt hij brengen?

    Knol – die al drie romans op zijn naam heeft staan en van wiens pen we ook op Tirade.nu volop kunnen genieten – speelt in Elders een gedurfd literair spel met lezer en personages. Het verhaal wordt verteld in de tweede persoon enkelvoud. Een tricky perspectief dat in de regel gekunsteld aandoet en nogal steriele teksten oplevert. Zo níet bij Knol, die er een spannende draai aan weet te geven door de verteller rechtstreeks – en zeer nadrukkelijk – tot één van zijn personages te laten spreken, de jongste van de twee zoons. Het is deze pakweg tienjarige jongen die de ‘je-/jij’ vertolkt. Doordat de verteller ook nog eens alwetend is (zoveel meer weet dan de personages), krijgt het geheel een ongewoon intiem en manipulatief karakter. De lezer wordt gedwongen dichtbij te komen, beschamend dichtbij: ‘Ik ben hier niet uit vrije wil. Ik ben hier omdat jouw moeder wil dat ik hier ben. […] Je moeder verlangt naar een ander leven. Maar de waarheid is dat ze ook in dat andere leven naar een ander leven zou verlangen. […] Je moeder houdt ervan om af en toe tegen de grond getrapt te worden. Jij wilt vernederd worden om te voelen dat je leeft, is de strekking van wat je vader soms naar haar schreeuwt. En helemaal onwaar lijkt me dat niet.’

    Ook Knols compositie is onalledaags en getuigt van lef. Geen hoofdstukken, geen titels. Wél 130 opzichzelfstaande blokken tekst die in grootte sterk variëren – er zijn zelfs blokjes van één enkele zin: ‘Als je moeder met haar vriendinnen over je vader praat, heeft ze het over Meneer Bouwhuis.’ Waar Knol de jongens aanhoudend met een frisbee laat werpen, laat hij de lezer springen van blok naar blok. Je vliegt heen en weer tussen gisteren, vandaag, morgen. Én tussen fantasie en werkelijkheid. Maakt een uitdagende hink-stap-sprong door tijd en ruimte. Meermaals land je ook in een tijdloze dimensie – Knols ‘filosofische brein’ – om je daar al dolend  af te vragen of de sprongen die je eerder maakte op waarheid berustten of enkel werden gedacht, wie weet zelfs geprojecteerd. Knol laat het ‘bouwen’ volledig aan jou. Daagt je uit de mogelijkheden te onderzoeken.

    Is de toon in aanvang nog ingehouden en hartelijk, wordt deze allengs destructiever, obsessiever. Met het oplopen van de spanning weet de verteller zich steeds minder binnen te houden. De jongen wordt niet langer keurig aangesproken maar bestookt met – nee meer nog belaagd door – wraakzuchtige demonen. Er is geen houden meer aan. Onthulling volgt op onthulling: ‘Ik vervuil jullie gezin, puur door mijn bestaan. Ik ben de rot in jullie fundamenten. De roofvogelschaduw die over het open veld naar een kluitje dwergkonijnen scheert.’ Heldere taal. Hier spreekt duidelijk een getormenteerde ziel die een belangrijke boodschap heeft. Maar is het wel wraak, een gefrustreerd verlangen? Of handelt hij uit medelijden? Is het een persoonlijk offer dat hij komt brengen?

    Eerst blik je rustig mee. Gaandeweg wordt het blikken een loeren. Voel je je steeds ongemakkelijker worden. Er bekruipt je een gevoel van medeplichtigheid. Meermaals vraag je je af waar je het lef vandaan haalt zo mee te gluren – het familiegeluk te verstoren – om in the end geschokt te moeten constateren dat je níet hebt ingegrepen. Dat je met ingehouden adem en wijdopen ogen bent blijven kijken. Dat de nieuwsgierigheid het won. Ik lezer, een laffe voyeur.

    Hope you don’t guess my name.


    Elders

    Auteur: Martijn Knol
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 79
    Prijs: € 9,95

  • Voel het water gestaag tot aan je lippen komen

    Voel het water gestaag tot aan je lippen komen

    Tussen al het wit, grijs en blauw – de oranje Van Dis daargelaten – ligt een opvallend rode kaft. Drie witte bergtoppen in vuurrode wolken waarboven robuuste letters prijken: HOOGVLAKTE. Het is de nieuwste pennenvrucht van Naomi Rebekka Boekwijt (1990), een roman deze keer. Hoogvlakte een titel die nauw aansluit bij de verwachtingen, want já, ook die zijn hoog na haar indrukwekkende debuut nu bijna twee jaar geleden.

    Boekwijt debuteerde veelbelovend met de verhalenbundel Pels (2013). Zeven ijle vertellingen – meer nog karakterschetsen – over buitenstaanders en vrijheidsdrang. De bundel werd genomineerd voor de Academica Literatuurprijs (shortlist) en bejubeld in de pers. NRC vond het debuut ‘reden tot een feestje’, De Volkskrant was ‘benieuwd naar wat deze jonge schrijfster nog ontketenen zou’, De Standaard bestempelde haar als ‘dé verrassing van 2013’ en ook Literair Nederland was onder de indruk van de jonge schrijfster, sprak van ‘een prachtig debuut’. Unaniem was de roep om meer van haar te zien, bij voorkeur een roman.

    En daar is ie dan: de roman waar we zo nieuwsgierig naar zijn. ‘Het is altijd feest als je jong bent, zeggen ze’, zo schreef Boekwijt zelf – in Pels notabene. En? Heeft ze het bij het rechte eind? Mogen de slingers opnieuw uit de doos?

    Hoogvlakte speelt zich af op een boerderij in Zwitserland. De keuze is niet zo verrassend als je weet dat Boekwijt zelf – na haar studie Wijsbegeerte – naar Zwitserland is getogen en daar een boerderij bewoont. Ook hoofdpersoon Maite van Veen besloot Nederland te verlaten. Ze kreeg het er benauwd, dacht dat het afstand was die ze zocht. In het Zwitsere Feldi – eenzaam bergoord of all places – weet ze die te vinden. Op een ouderwets boerenbedrijf, gerund door de zwaar godsdienstige Moser (gelovend in God als straffende instantie: ‘toegeven dat hij ergens van genoot was voor hem als het begaan van een zonde’), gaat ze als knecht aan de slag. Stront scheppen, aardappels sorteren, koeien melken, de hele rataplan. Kortom handen uit de mouwen en werken geblazen.

    Tussen stugge Zwitsers, suikerbietensnippers, beesten en hooi – probeert Maite letterlijk werk te maken van het beklemmende gevoel. Wat het behelst? Dat blijft gissen. Dichtbij laat ze ons niet komen: ‘Er was iets wat het hoofd geboden moest worden. Het harde werken hielp daarbij. Het hield de boel ingedamd, zoals de dijken de Thur.’ Al gauw heb je zo’n donkerbruin vermoeden dat het probleem niet zozeer in Nederland ligt, als wel in de bevroren – louter in hoofd en handen levende – Maite zelf. Gevoelens zijn er wel degelijk, maar die mogen niet gevoeld en worden linea recta rationeel afgeserveerd, zoals indringend mooi beschreven bij de dood van een koe: ‘De brok in mijn keel was zo groot dat het zeer deed. Ik had nu wel genoeg beesten zien sterven om te weten dat je ze niet helpt als je ernaar staat te kijken. Dus ik wendde mij af.’ Veelzeggend zijn de scènes met ‘de grauwe’ – een robuust werkpaard – in wie Maite veel van zichzelf herkent. Via het beest krijgen we iets van haar binnenwereld te zien: ‘Hij herkende mij. Hij wist dat we wat met elkaar te maken hadden. […] Mooi of elegant zou hij niet worden, maar hij kon toch wat waard zijn vanwege zijn karakter. […] Zijn bestaan ging in ledigheid voorbij.’ Dat de identificatie met dieren behoorlijk ver gaat, blijkt uit de wijze waarop ze zichzelf beschrijft: haar handen zijn ‘klauwen’ en als ze straalt van geluk krijgt ze haar ‘bek niet terug in de plooi.’

    Veel spectaculairs gebeurt er niet in Maites leven. Het zijn vooral lange, elkaar opvolgende, monotone dagen die Boekwijt beschrijft. Werkdagen vol handelingen – zonder kleur en emotie – die zich bewegen naar het ritme van de beesten. Gaandeweg krijgt dit eentonige bestaan ook vat op de lezer. Maar gelukkig, op het moment dat de suikerbieten en het zurig kuilvoer je zo ongeveer de strot uitkomen, de landerigheid je aanvliegt, je net als Maite aan verveling ten onder dreigt te gaan, weet Boekwijt trefzeker het tij te keren. Een witte Volvo rijdt het erf op. Een charmante dame stapt uit met ‘een lach groot en gul, bijna te veel van het goede’. Leven op de boerderij! Spanning alom.

    Met de komst van deze vrouw wordt Maite duidelijk wat het werkelijke probleem is, beseft ze dat de oplossing niet in de afstand moet worden gezocht maar juist heel dichtbij: ‘Ik wist dat ik niet jankte omdat ik zo graag bij haar wilde zijn. Het was om de eenzaamheid die ik opnieuw verworven had. […] Dit oord benauwde me evenzeer als Nederland, alleen op een andere manier.’ Lukt het Maite los te breken, een wak in het ijs te slaan? Durft ze eindelijk de wereld binnen te stappen?

    Ondertussen dreigt het water van de Thur buiten zijn oevers te treden, is de buurman een egocentrische aasgier en schreeuwt God almaar harder in Mosers hoofd. Temidden van hoge bergen wapent eenieder zich op zijn eigen manier tegen dat wat is of nog kan komen …

    Boekwijts werk moet het overduidelijk niet hebben van kleurrijke scènes, een sprankelende dynamiek en hoogdravend taalgebruik. Het is de stilistische ingetogenheid – de resonantie van het verzwegen woord – die haar proza kenmerkt en zo krachtig maakt. Een knap staaltje ‘show, don’t tell’ waarbij de show vooral niet al te letterlijk dient te worden genomen. Boekwijt observeert, registreert, denkt zo nu en dan hardop na en laat de rest graag aan de lezer.

    Ze schrijft in kale, afgemeten zinnen – bijvoeglijke naamwoorden zijn een zeldzaamheid. Prachtig is hoe Boekwijt de klankkleur van de tekst mee laat groeien met de persoon. Waar in aanvang de taal overwegend gecontroleerd, ruw en stug is, wordt deze naarmate Maite meer ontdooit vrijer, rijker en warmer van toon. Ja, dat doet Boekwijt verdomde goed, evenals het beroeren van al de zintuigen, zie je de ploegen gestaag in de aarde zakken, hoort God tekeer gaan en voelt het water aan je lippen.

    En dan na 174 pagina’s verlaat je de bergen, ligt het boek dichtgeslagen op schoot. Je kijkt nogmaals naar de kaft. Ineens zie je iets anders: topjes van de ijsberg en een vurige, kolkende binnenwereld. Waarachtig, daar ligt Maite. De titel Hoofdvlakte was ook mooi geweest, schiet het door je heen. ‘Het is altijd feest als je jong bent, zeggen ze.’ En of!

     

     

  • Leestips voor de decembermaand – Astrid van Wijngaarden

    Onwetendheid van Milan Kundera
    Deze in 2002 verschenen 132 pagina’s tellende roman verdient het om herlezen te worden. Met de val van het communisme was daar ineens de mogelijkheid voor Oosteuropese emigranten om terug te keren naar hun geboortegrond. Wat betekent dat?

    Een meesterlijke verhaal over verandering, heimwee, terugkeer. Over de onmiskenbare invloed van geschiedenis op de levensloop. ‘De dag werd verlicht door de schoonheid van het land, dat ze had verlaten, de nacht door het schrikbeeld van de terugkeer. De dag toonde het paradijs dat ze had verloren, de nacht de hel die ze was ontvlucht.’

     

     

    Het hout

    Het hout van Jeroen Brouwers

    Nu al vrees ik de dag dat hij niet meer zal schrijven: Brouwers mijn literaire held met zijn vileine, genadeloze pen. In Het hout rekent hij meedogenloos af met de misstanden in de katholieke kerk. Beklemmende literatuur doordrenkt van alleszeggende beelden ‘Zijn haar was toen nog minder wit, van boven schemerde wel al de glimmende waarheid.’

    Waarachtig hij bestaat – de hemelse vader. God onder de schrijvers. Schepper van ongeëvenaarde literatuur: Jeroen Brouwers.!
    Geen zin in dit blasfemisch geraas? Laat je dan overweldigen door De zondvloed. Brouwers’ meest indrukwekkende werk.

    Zeer helder lichtZeer helder licht van Wessel te Gussinklo
    Niet eerder had ik van deze 71-jarige schrijver gehoord toen ik het recensie-exemplaar van Zeer helder licht in de brievenbus aantrof. Wat een bijzondere leeservaring – terecht genomineerd voor de AKO literatuurprijs. Behoefte aan een allesomvattende innerlijke afdaling?

    Te Gussinklo dwingt je mee te spartelen in gepijnigde zielekrochten, megalomane opvlammingen, tedere droomgedachten, hysterische razernij, obsessief verlangen en uitvergrote schrikgezichten. Soms – hoe aangenaam – mag je ook even deinen op het gladde oppervlak maar ja, je zou als schrijver geen Te Gussinklo heten als je uiteindelijk niet toch weer kopje onder gaat. Of erger nog, door koude golven genadeloos wordt uitgespuwd. Spartel mee, besta!

    AnnaAnna – Ode aan een kattenstaart van Ru de Groen
    Twee verliefde pubers, ieder kwetsbaar op hun eigen manier. Wat doet het met je identiteit als je door je vriendje publiekelijk wordt vernederd tot op het bot? Wat is hierop jouw antwoord – nu en in de toekomst? Een indrukwekkende liefdesgeschiedenis die tot nadenken stemt. Wie is er eigenlijk nog zichzelf? Hoe kwetsbaar mogen we werkelijk zijn?

    De lichte toon, het spel dat De Groen speelt met woorden en de blik die ons wordt gegund in de zieleroerselen van het gekwetste brein maakt dat Anna een groot genot is om te lezen.

     

    Ik kom terugIk kom terug van Adriaan van Dis
    Schrijnende kost over Van Dis’ complexe zoektocht naar zijn moeder die tegelijk een afscheid is. ‘Prik prik. Je laat mij toe, ik laat jou toe. Langzaam breken we uit onze kluis en we knipperen met onze ogen.’ Eerlijk proza tot op het bot waarin Van Dis zowel zichzelf als zijn mammie niet ontziet.

    ‘Ze keek naar me op met waterige bruine ogen, trok het kussen naar zich toe, hield het met twee handen voor haar mond en vroeg me het op haar gezicht te duwen. ‘Nee, ben je gek,’ riep ik. Ze keek me smekend aan, ik ging op mijn knieën voor haar zitten en we streelden samen het kussen. De lavendel geurde onder onze warme handen. ‘Zo gaat het niet,’ fluisterde ik, ‘zo kan het niet.’ Ze rukte aan de leuning van haar stoel en stampte boos op de grond.’ Pagina na pagina ervaar je hoe beider onmacht de relatie regeert.

     

    Het Rosie projectHet Rosie project van Graeme Simsion
    Zo knap verbeeld, zo geestig beschreven. Maak kennis met Dons onhandige geworstel in de liefde, zijn eigenaardige autistische brein. Lachwekkend relaas om bij uit te buiken.

    Bevalt het? Dan mag je je gelukkig prijzen met het onlangs verschenen vervolg: Het Rosie effect.

     

    Astrid van Wijngaarden

  • Droogkomisch avontuur als politiek pamflet

    Droogkomisch avontuur als politiek pamflet

    Liefhebbers van gitzwarte humor kunnen zich in de handen wrijven met Haas & bedelaar, de onlangs in vertaling verschenen Finse bestseller van Tuomas Kyrö (1974). Een sterk staaltje maatschappijkritiek opgetekend in een droogkomisch avontuur dat zich het best laat typeren als een bijzondere mix van schelmenverhaal, road trip en modern sprookje. Maar bovenal is het een satire. Geen pagina gaat voorbij of de Finse samenleving wordt op de korrel genomen. Bij tijd en wijle vliegt Kyrö met zijn provocerende statements uit de bocht, maar door de bank genomen heeft hij met Haas & bedelaar een uiterst vermakelijk – en tot nadenken stemmend – boek afgeleverd.

    ‘Uiteraard zouden er alternatieven zijn geweest; onze hoofdpersoon had auto’s kunnen gaan stelen, koperen telefoonkabels kunnen verzamelen of zijn nieren kunnen verkopen. Maar van alle slechte opties was die van Jegor Koegar de beste. Het garandeerde hem een arbeidsovereenkomst van een jaar, vervoer naar de werkplek en ook opdrachten voor zijn zus, met als bonus nieuwe tanden en borstimplantaten.’ De openingsalinea van de roman. Welkom in het met ironie doorspekte rijk van Haas & bedelaar.  

    Vatanescu – een bescheiden, naïeve goedzak zonder angsten en ambities – heeft slechts één grote wens: voetbalschoenen voor zijn zoon. Geen eenvoudige opgave in uitzichtloos Roemenië waar God van de aardbol lijkt verdwenen en geen cent te verdienen valt. Vastberaden als hij is, laat Vatanescu zich door mensenhandelaar Jegor Koegar naar Finland sluizen om daar als bedelaar aan de slag te gaan. Geld bij elkaar sprokkelen, het gedroomde schoeisel scoren en hup terug naar huis om zoonlief te verblijden. Dat is het idee. Fantastisch plan, ware het niet dat alles in werkelijkheid toch net even anders verloopt …

    Alras ontpopt mensenhandelaar Jegor zich als agressieve, zelfzuchtige schurk en ook het  bedelaarschap – ‘mondhoeken naar het zuiden, van je smoel naar je reet’ – blijkt één grote fysieke en financiële martelgang, een hypocriete bende. Time to wake up, Vatanescu, time to break free! Op listige wijze weet Vatanescu zich uit handen van de bruut te werken om in vrijheid zijn missie te vervolgen. Lang blijft hij niet alleen. Onderweg redt hij een haas die eigenlijk een konijntje is (een vette knipoog naar de fabel ‘Haas’ van Kyrö’s grote voorbeeld Arto Paasilinna, overigens niet de enige verwijzing naar zijn held in dit boek). Het blijkt de ideale reisgenoot, dit fabelachtig wezen met bovennatuurlijke krachten dat op onvoorziene momenten in de meest bizarre situaties precies het juiste weet te doen.

    In tien hoofdstukken, alle voorzien van uitvoerige titels -‘hoofdstuk 5: waarin Vatanescu de eerste klasse wil binnengaan, een babbeltje maakt en een Volvo onder zijn kont krijgt’ -, beschrijft Kyrö in ongepolijste rauwe taal en met moordend tempo op onnavolgbare, droogkomische wijze de strijd die Vatanescu – met haas in zijn kielzog – levert om het lot te bestieren. Met zowel de internationale misdaad als politie op de hielen, de spotlights van de media in het gezicht, de talrijke obstakels en zonderlinge mensen op de weg een ware Odyssee door het Finse ongewisse. ‘Ja zoon, Papa regelt voetbalschoenen voor jou.’ Nou en of!

    Uitgekauwde materie, denk je nu wellicht, de Odyssee van de underdog die huis en haard heeft verlaten. Hoe cliché. Mis! In deze roman gaat het in essentie helemaal niet om de bevrijding van de zichzelf en geluk zoekende antiheld maar wordt onder het mom van avontuur en zege stevig politiek bedreven. Of het nu gaat om de armen & de rijken, de sterken & de zwakken, arbeid & kapitaal, liefdadigheid & hebzucht, natuur & milieu, vrijheid & onderdrukking, onbekendheid & beroemdheid, natuur & technologie, autochtoon & allochtoon: Kyrö zet ze stuk voor stuk op de maatschappelijke kaart. Elk item wordt met verve geserveerd en rijkelijk voorzien van een zwart – of geschift – sausje. Tel daar het meervoudig gekozen vertelperspectief, de fabelachtige reisgenoot en het spel met understatements bij op en de clichégedachte kan overboord. Kyrö’s Haas & bedelaar is zonder twijfel originele kost.

    Hoewel ontvlucht, blijft schurk Jegor het hele boek volop in beeld. De bruut krijgt zowaar een eigen stem – fonetisch plat jargon – tussen Vatanescu’s bedrijven door als dagboekfragmenten opgetekend. Het zijn vooral zijn woede en frustratie die worden neergepoot. Daar waar het leven van Vatanescu zich in opwaartse richting beweegt, lijkt Jegor steeds dieper in ellende weg te zinken. Allerminst toevallig is dat met het stijgen van Vatanescu’s roem Jegors toon almaar grimmiger wordt: ‘Godverdegodverdegodverdekut!!! Een mythe? Halloo! Zo’n Vatanescu heb net zo weinig met ’n mythe van doen as de handzeep van de Lidl.’. Vatanescu zelf ontbreekt het aan dialoog, wel worden in cursief zijn gedachten en gevoelens met regelmaat verwoord, waardoor zijn innerlijk extra body krijgt. Ergens halverwege wordt ook nog een alwetende verteller geïntroduceerd, maar díe had Kyrö beter thuis kunnen laten. Het verhaal heeft deze metadimensie helemaal niet nodig. Het helikoptergeluid werkt eerder storend dan dat het iets toevoegt.

    Ontroerend mooi is de kinderlijk lief beschreven verwantschap tussen haas en bedelaar die in schril contrast staat met de doorgaans zo rauw beschreven wereld: ‘Een stapje. Nog een stapje. Loop maar achter me aan, loop zoals ik het doe. Voorzichtig, maar met blind vertrouwen in iets. Er is alleen dit moment. We herinneren ons gisteren niet, weten niets over morgen.’ Om even later onder de sterrenhemel samen in slaap te vallen ‘op een bed van mos, tevreden met zichzelf, hun daden en de hen omringende werkelijkheid.’ Ook relaties weet Kyrö schitterend te typeren: ‘Wanneer Harri Pykström zijn vrouw een godvergeten gehaktbal noemde, was mevrouw Pykström de enige die de onderlinge betekenis van de woorden kende. Liefste, mijn waardevolste. Kom mee het bed verwarmen.’ 

    Terug in de realiteit, na het dichtslaan van Haas & bedelaar, rijst de vraag of Kyrö zichzelf met dit boek heeft willen troosten. Achter het satirisch pantser gaat voelbaar een enorme  woede schuil: de kapitalistische samenleving, de groeiende economische ongelijkheid, de individualisering, het gebrek aan medemenselijkheid, het privacy-schendende internet… Kreeg de schrijver zijn morele verontwaardiging niet meer weggeslikt dus serveerde hij die aan ons? Een smaakvol doch bitter gelag. Het zou niet verbazen als Piketty op zijn nachtkastje prijkt.

    Achtergrond

    ‘Voor de lezers van Arto Paasilinna’ stelt de rode sticker op de kaft van Haas & bedelaar. Een aanbeveling van betekenis! Zo blijkt het boek niet alleen te zijn opgedragen aan Kyrö’s  grote voorbeeld en landgenoot Paasilinna maar zelfs in navolging van diens Haas (1975) te zijn bedacht en opgetekend. Deze in Finland bejubelde en veelgeprezen auteur heeft ruim veertig werken – in 45 talen vertaald, enkele zelfs verfilmd – op zijn naam staan, waarvan Haas (vertaling 1995) en De zelfmoordclub (1990, vertaling 2004) in Nederland het meest bekend zijn.

    Kyrö zelf mag als schrijver ook niet klagen. In Finland worden zijn boeken stuk voor stuk bestsellers en is hij welbeschouwd één van de interessantste auteurs van zijn generatie. In 2005 won hij de De Kalevi Jäntti-prijs, een literatuurprijs die jaarlijks aan veelbelovende jonge schrijvers wordt toegekend en voor zijn belangrijke bijdrage aan de Finse literatuur ontving hij in 2011 een medaille. Naast zijn schrijverschap timmert Kyrö ook als cartoonist aardig aan de weg.