• Videogesprek met Salman Rushdie in De Balie

    De stem van Rushdie is er nog: Luister naar dit gesprek in de Balie met Chris Keulemans en Asis Aynan, zei vertellen over hun (zeer verschillende bevindingen) over Rushdie’s laatste boek Mes. Yoeri Albrecht is gespreksleider en interviewt Salman Rushdie via een videoverbinding. Rushdie spreekt over zijn antwoord op geweld en censuur als kunstenaar en beantwoordt vragen uit het publiek.

    Voor het eerst na de moordpoging op Salman Rushdie (12 augustus 2022) in de VS, spreekt hij in Nederland over zijn werk en over de aanslag.

  • Klein bier

    Klein bier

    Een Algerijnse schrijver die vermoord werd omdat hij volgens een van zijn moordenaars zo’n angstaanjagend goede pen had dat moslims erdoor van hun geloof zouden kunnen vallen, verdient diep respect. Tahar Djaout is die schrijver. Op 2 mei 1993 werd hij voor zijn deur in zijn auto door fundamentalisten tweemaal door het hoofd geschoten. Tien dagen later overleed hij op 39-jarige leeftijd aan zijn verwondingen. Djaout was een van de eerste intellectuele slachtoffers in de strijd die woedde tussen de Algerijnse staat en de islamisten in het laatste decennium van de vorige eeuw. De islamisten hadden de verkiezingen gewonnen, maar de westers georiënteerde regering weigerde plaats te maken waarna de rebellie begon.

    Ruim dertig jaar na zijn dood publiceert uitgeverij Jurgen Maas Djaouts roman De wachters, vertaald door Hester Tollenaar. Het oorspronkelijke werk verscheen in 1991 onder de titel Les vigiles en gaat niet over de burgeroorlog maar over de nasleep van wat de vuile oorlog werd genoemd; de onafhankelijkheidsoorlog die van 1954 tot 1962 duurde en het land bevrijdde van de Franse koloniale bezetter. Volgens het naschrift van schrijver Asis Aynan, tevens docent aan de opleiding Sociaal Juridische Dienstverlening van de Hogeschool van Amsterdam, gaat al het bij leven gepubliceerde werk van Djaout over die oorlog en niet over de latere burgeroorlog. Pas na zijn dood verscheen De laatste zomer van de rede, over een boekhandelaar die weigert zich te onderwerpen aan het dictaat van de fundamentalisten.

    Macht en onmacht

    Zijn werk over de onafhankelijkheidsstrijd moet de fundamentalistische opstandelingen in het verkeerde keelgat zijn geschoten, om het eufemistisch uit te drukken. Volgens de achterflap is de roman een politieke, morele fabel over kwaadaardige bureaucratie, gedachteloos extremisme en het opschorten van vrijheden uit naam van vaderlandslievendheid. Maar vreemd genoeg wordt in dit boek juist de machthebber aan de kaak gesteld, de macht waartegen de islamitische fundamentalisten de wapens hebben opgenomen.

    De uitvinder Mahfoudh Lemdjad probeert een innovatief weefgetouw gepatenteerd te krijgen en stuit op bureaucratie. Door regeringsgezinde, ex-onafhankelijkheidsstrijders wordt hij bovendien gewantrouwd, want hij lijkt geheimzinnige dingen te doen. Zij – de wachters uit de titel – beramen een inbraak, proberen Lemdjad in een kwaad daglicht te stellen en zijn zelfs bereid hem fysiek te intimideren. Aanstichter is Menouar Ziada, een veteraan van de onafhankelijkheidsstrijd die indertijd ‘per ongeluk aan de goede kant heeft meegevochten’. Maar dan wint de uitvinder met zijn weefgetouw zomaar een internationale prijs. De uitstraling daarvan op de staat is zeer welkom voor de zittende, opportunistische machthebbers en plotseling draait alles om. De veteraan Ziada is een verrader die zich moet verantwoorden voor de tegenwerking en de verdachtmaking van de uitvinder Lemdjad.

    Schaken

    Het boek is net zo schetsmatig opgezet als de korte samenvatting hierboven. De auteur laat het verhaal nauwelijks tot leven komen. De personages zijn als schaakstukken die door Djaout naar hartenlust worden verplaatst in een spel dat zich onvermijdbaar aankondigt. Enigszins verrassend is de omkering van het slachtofferschap, maar omdat de auteur nauwelijks heeft geïnvesteerd in het vlees en bloed van de personages, laat de lezer dat koud.

    Als het boek dus nauwelijks tot leven komt omdat de auteur niet een roman maar een politiek pamflet schreef, is het de vraag waarom Jurgen Maas dan toch juist nu dit boek heeft willen uitgeven. Is het omdat ook nu overal intellectuelen stelselmatig worden gewantrouwd door zelfbenoemde ‘wachters’? Voorbeelden daarvan buitelen dagelijks over elkaar. Wetenschappers die vaccins ontwikkelen worden verketterd. Een politicus die wikt en weegt en zijn woorden zorgvuldig kiest legt het genadeloos af tegen het gebral van de populist. Een agressieveling noemt een vredelievende regering neonazistisch, een president hitst zijn eigen volk op tot een (ternauwernood mislukte) staatsgreep en komt daar moeiteloos mee weg. Tegen deze achtergrond moet de uitgever gedacht hebben dat een geëngageerde schrijver als Tahar Djaout iets aan het discours heeft toe te voegen. En dat is ook zo, maar vooral vanwege de waarschuwing die zijn levensloop inhoudt, in veel mindere mate dankzij dit boek. Want wat er met Lemdjad en Ziada gebeurt, is in dit tijdsgewricht klein bier.

     

  • Oogst week 7 -2024

    De wachters

    In reactionaire tijden delven intelligentsia als eerst het onderspit. Sinds 1989 rust er een fatwa op Salman Rushdie, die een aanslag in 2022 ternauwernood overleeft. Anderen vergaat het slechter: Tahar Djaout (1954) wordt vóór zijn veertigste levensjaar geliquideerd door Algerijnse extremisten. Deze schrijver – tevens dichter, journalist en wiskundige – had immers het lef seculiere zinnetjes in zijn oeuvre te stoppen. Schrijver en werk hoeven niet per se dezelfde ideeën te uiten, maar bij fanaten van de Schrift vindt die stelregel geen weerklank. Djaout moest dood.

    Eén van zijn boeken die tegen fundamentalisme ingaan, luidt De wachters (Les vigiles, uit 1991). Centraal staat de geharde, verzuurde veteraan Menouar Ziada. Deze lepe opportunist scant zijn omgeving als een woestijnvalk. Ook de goedaardige uitvinder Mahfoudh Lemdjad verliest hij geen moment uit het oog. Druk bezig met bureaucratische klusjes, formulieren en patenten vormt Lemdjad een levensgevaarlijke dreiging voor Ziada en andere oud-veteranen. Althans, dat geloven zij. En die overtuiging doet rare dingen met hen. Tahar Djaout zou het later zelf ervaren.

    De wachters
    Auteur: Tahar Djaout
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    Het boek van de zwaan

    Zwanen inspireren niet alleen Tsjaikovski en Aronofsky tot kunst. Alexis Wright schrijft in 2013 The Swan Book, dat tien jaar later in Nederland verschijnt onder de titel Het boek van de zwaan. In Australië geniet Wright grote vermaardheid: haar fictie en non-fictie winnen vele prijzen. Haar literaire bijdrages aan het erfgoed van de Aboriginalcultuur (waar zij zelf een afstammeling van is) leveren zelfs de Lifetime Achievement of Literature op. In Het boek van de zwaan volgen we het meisje Oblivia. Zij leeft in een dystopisch Australië dat ten onder dreigt te gaan aan klimaatverandering.

    Klimaatfictie is actueel. Klimaatfictie vanuit het perspectief van tweedegraads onderdrukten, zoals vrouwelijke Aboriginals, is nog actueler. Achtergestelde bevolkingsgroepen wereldwijd ondervinden immers al decennia de fatale gevolgen van global warming. Wright combineert traditionele verhaalelementen met magisch-realisme, orale verteltraditie en passages over zwarte zwanen, aan Oblivia verteld door de Europese vluchteling Bella Donna. Deze zwanen inspireren de getraumatiseerde Oblivia tot een vlucht die ze nooit voor mogelijk hield. En dat is nodig ook, na een brute ontvoering.

    Het boek van de zwaan
    Auteur: Alexis Wright
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando

    Moet het zo

    Tegenwoordig lijkt ieder onderwerp een podcast te verdienen in plaats van andersom. Voor een goede poëziepodcast kun je gelukkig terecht bij dichter, vertaler en performer Daan Doesborgh (1988). Sterker nog: hij maakte er al vijf! Vijf jaar lang was hij bovendien stadsdichter van Venlo (2006 – 2011). Daarnaast trad hij op bij diverse festivals en werden zijn gedichten door onder meer NRC en Het Parool geprezen. Ilja Leonard Pfeijffer en Gerrit Komrij reserveren zelfs plek voor Doesborghs gedichten in hun bloemlezingen van de 21ste-eeuwse poëzie. Moet het zo is de recentste bundel van de Tirade-redacteur.

    De titel Moet het zo klinkt als een spagaat tussen experimentele en traditionele dichtkunst. Hoe zelfverzekerd Doesborghs verzen ook lijken, zijn twijfel is nooit ver weg. Zowel thematisch als stilistisch wisselt de dichter dan ook regelmatig van benadering. Nu eens ouderwets, strak en klassiek, dan weer avant-gardistisch, vrij en associatief. Bovendien blijkt Doesborgh verfrissend geëngageerd: gedichten mogen heus wel ergens over gaan. Een dichter hoeft niet alleen maar ijdel doch wereldvreemd te navelstaren. Moet het zo gechargeerd? Geen idee. We mogen het eind februari ontdekken!

    Moet het zo
    Auteur: Daan Doesborgh
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot
  • Hoe kan dat toch

    Hoe kan dat toch

    Er zetten zich allerlei dingen vast in mijn hoofd. De dreiging van een avondklok (waar komt dit vandaan, wie zei dit als eerste?). Dat Vicepresident Mike Pence, die vorige week nog zo kwaad was op Trump, gewoon met hem aan het werk gaat. Dat er geen persconferenties waren na de bezetting van het Capitool. Dat uitgevers geen boeken uitgeven omdat boekhandelaren ze niet verkopen kunnen. Dat de hamer niet meer werkt, festivals doorgaan zonder publiek, dat er een fittie is over badmatten en handdoeken. Hier aangekomen begreep ik dat enige afstand van lopende actualiteit noodzakelijk was. Er is een doofpot voor alle rafelige, misselijkmakende, kwalijke dingen. Geschiedenissen zijn er om onderzocht te worden, te zien hoe momenten van toen in het licht van nu betekenis krijgen. 

    Ik las over de geschiedenis van Marokko, een hartstochtelijk stuk van schrijver Asis Aynan, zoon van Berbers uit de Rif. Wist u dat het merendeel van de Marokkanen in Nederland, Riffijnse Nederlanders zijn? Ik niet, het doet iets keren nu ik het weet, er is een nuance aangebracht. Aynan onderzoekt zichzelf, zijn afkomst, de cultuur van zijn voorouders, hoe die verdween. Hij vroeg het zijn ouders die, eenmaal vertrokken uit de Rif, volgens de Islam gingen leven. ‘Vader, moeder, hoe kan dat toch? U weet toch dat iedere samenleving, iedere cultuur, net als het lichaam een samenspel van organen en ledematen is, net als de geest; een beetje religie, een beetje cultuur, net als de Marokkaanse stoofpot, van alles wat. Hoe kon u hier een leven inrichten waarin geen plaats was voor de dans, de liederen, de verhalen, de geschiedenissen, het bijgeloof van uw ouders? En laat ik de gedichten niet vergeten. Waar is de poëzie gebleven? Mierzoete gedichten, bijtende verzen, of rijmpjes die zelfs de grote God aan het lachen maken: God zij geprezen / neem de benen / Europa’s zegen / is beter dan uw regen.

    De vader van Aynan kwam in de jaren zestig vanuit de Rif naar Nederland. De Rif was een gebied waar honger heerste, oogsten mislukten als gevolg van mosterdgasaanvallen in de twintiger jaren vorige eeuw, het gif zat in de bodem, in bronnen. Hier komt het boek Hongerjaren van schrijver Mohamed Choukri bij me op, dat opeens een andere betekenis krijgt. Wat zijn we plat van geest als we de verbanden niet zien. Aynan schrijft over wat er kwijtraakt wanneer je alles achterlaat. In het geval van zijn ouders was dat hun taal, het Berbers, tradities, hun eigen geloof. Dan wil je in een ander continent iets nieuws opbouwen, maar Koning Hassan had lange armen, tot in Nederland legde hij zijn onderdanen op hoe te leven. ‘(…) eigenlijk moest de gehele cultuur van het volk verdwijnen. Het weerzinwekkende project dat die culturele genocide moest volbrengen droeg de naam het Zuiveren van de Marokkaanse Tong. Marokko moest een nieuw Arabisch koninkrijk worden, waar alle macht in de autocraat Hassan samenkwam.’ Aynan schrijft met een vurigheid die overslaat. Lees dit essay, ontdek dat we meer overeenkomen dan verschillen. Mèt recept voor erwtensoep, want ook in de Rif eten ze snert, heet het tamarakt.

     

     

    Eén erwt maakt nog geen snert, Het Rifgebergte, de dubbele nationaliteit en andere misverstanden / Asis Aynan / 71 pag. / Uitgeverij Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt antwoorden in een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

     

     

     

     

     

  • Oogst week 1 – 2021

    Ik ben er niet

    Lize Spits debuut Het smelt (2016) vielen overwegend goede kritieken en lovende lezersreacties ten deel, en het werd bekroond met de Belgische literatuurprijs De Bronzen Uil en de Hebban Debuutprijs. Onlangs verscheen haar langverwachte tweede roman, Ik ben er niet, waarin de tien jaar durende relatie tussen hoofdpersonen Leo en Simon onheilspellende barstjes begint te vertonen. Leo is snel jaloers, wil de controle hebben en houden, schaduwt haar vriend; Simon gaat zich in Leo’s ogen steeds vreemder en afwijkender gedragen, waarmee de verhoudingen op scherp komen te staan.

    Net als Het smelt is Ik ben er niet deels autobiografisch geïnspireerd, en net als Spits debuut is het een plot driven vertelling (Spit volgde een opleiding tot scenarioschrijver). Meteen wordt met de onheilspellende aankondiging ‘Nog elf minuten, winkel’ al duidelijk dat er iets vreselijks is gebeurd – maar wat dat dan is, dat ontvouwt zich langzaam.

    Ik ben er niet
    Auteur: Lize Spit
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij

    & rol door

    ‘Goed advies: struikel je voorover, hou je dan slap en rol dóór.’

    Deze regel uit & rol door, de nieuwste bundel van K. Michel, lijkt haast een optimistische oproep bij aanvang van een vers jaar. Het is ook in verband te brengen met een van de bijzondere vormexperimenten die hij uitvoert; een gedicht als een koprol.

    Michel (pseudoniem van Michael Maria Kuijpers) ontving onder andere de Herman Gorterprijs (voor Boem de nacht), de Jan Campertprijs (voor Waterstudies), de VSB Poëzieprijs (idem) de Awater Poëzieprijs en de Guido Gezelleprijs (beide voor Bij eb is je eiland groter). Werk van zijn hand werd vertaald in het Engels, Spaans en Zweeds.

    & rol door
    Auteur: K. Michel
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Eén erwt maakt nog geen snert

    In dit persoonlijke essay Eén erwt maakt nog geen snert, verschenen bij uitgeverij Van Oorschot, gaat Asis Aynan (1980) in op de komst van migranten uit het Rifgebergte en de vooroordelen die over hen zijn ontstaan in Nederland vanaf de jaren vijftig vorige eeuw. Aynan neemt de lezer mee langs wat de Riffijnen uit Marokko op hun weg naar Nederland verloren. Hij legt een groot aantal misverstanden bloot (zo wonen er nauwelijks Marokkanen in Nederland maar merendeels Riffijnse Nederlanders) en ontkracht hij de vaak onjuiste aannames en vooroordelen waaruit deze misverstanden ontstaan zijn.

    Naast schrijver is Aynan docent op de Hogeschool van Amsterdam. Zijn docentschap inspireerde zijn eerder verschenen Linoleumkoorts, over taal en identiteit door de lens van een schoolomgeving in de grote stad.

    Eén erwt maakt nog geen snert
    Auteur: Asis Aynan
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Alles wat ik doe is opgehangen aan contradicties

    Schrijver en bedenker van de BerberBibliotheek Asis Aynan (1980) groeide op in Haarlem  en verhuisde voor zijn studie filosofie naar Amsterdam. Van huis uit was hij niet bekend met het gebruik van boeken, toch werd lezen van literatuur en schrijven van boeken iets dat hem bovenmatig op dreef bracht. Op zevenentwintigjarige leeftijd debuteerde hij met Veldslag en andere herinneringen, in 2010 verscheen Ik, Driss, (een feuilleton voor het NRC samen met Hassan Bahara) en in 2014 Gebed zonder eind. Verder schrijft hij columns (Trouw) en essays voor de papieren media en geeft hij les aan de Hogeschool in Amsterdam. Literair Nederland bezocht de schrijver in zijn bovenwoning aan een van de (korte) grachten in Amsterdam.

    Wanneer ik het huisnummer heb gevonden en de twee treden naar de voordeur heb genomen, hoor ik iemand roepen. Als ik op kijk, zie ik Asis Aynan in het open raamkozijn op de eerste verdieping. Dat hij de deur voor me zal openen. Even later klinkt een elektronische zoemer, waarna ik de deur openduw. Een lange trap voert naar een op maat gemaakt appartement. Asis Aynan maakt thee; en er is witte wijn. We lopen van de keuken door de kleine overloop naar de woonkamer. Op de grond langs de muur staan honderden boeken gestapeld, tot ruim anderhalve meter hoog. Allen met de bladerkant naar voren. Een andere muur is gevuld met boekenkasten waarin volgens een eigen systeem de titels staan opgesteld. Tijdens het gesprek staat Aynan geregeld op om een exemplaar uit de kast te halen.

    Een gesprek over het schrijven van een migrantenfeuilleton, over het begrijpen en verdwijnen van taal, het geschreven woord, boeken, bibliotheken, verhalen en waar het echte leven zich ophoudt.


    Ik, Driss
    gaat over Marokkaanse jongemannen die een droom hadden en hun familie achter zich lieten. Hoe kwamen jullie op het idee en waarom was het gesitueerd in de jaren zeventig?

    ‘Ik wil je eerst vertellen dat ik deze week op een middelbare school een lezing gaf. Ik las een stukje voor uit Ik, Driss. Ze vroegen me, ‘Waarom schrijf je daarover? (migrantenlevens Iv/dG). Ik vertelde dat mijn vader naar Nederland was gekomen omdat hij honger leed en omdat de koning van Marokko niet zo aardig was en dat mijn vader hier in een hondenbrokkenfabriek kwam te werken. Op het moment dat ik “hondenbrokkenfabriek” zeg, komt er een hond binnenlopen. Die leerlingen vonden dat geweldig, dachten dat het een act was, dat die hond naar binnen was gestuurd. Ik was helemaal van mijn a propos en dacht: ‘Van wie is die hond?’ Ik had wel opeens de aandacht van die leerlingen. En dat magische van wat er gebeurde past wel bij het boek over Driss. In de tijd die ik met Hassan Bahara aan Ik, Driss, werkte was voor mij een  magische tijd. Hij was in 2006 gedebuteerd met Een verhaal uit de stad Damsko en ik een jaar later met de verhalenbundel Veldslag, toen we elkaar ontmoetten.’

    Dan wil Aynan eerst iets over de Marokkaanse verhalenverteller Mohammed Mrabet vertellen, die met zijn roman Liefde met een lok haar is vertegenwoordigd in de BerberBibliotheek. Hij wijst naar zijn boekenkast, naar het plankje waarop de boeken van Mrabet verzameld zijn.

    ‘In 2009 heb ik Mrabet ontdekt en ik werd betoverd door zijn verhalen. Er was één personage in zijn verhalen, Driss Tafersiti en ik dacht, hoe vet zou het zijn als we dat personage naar Nederland laten emigreren. Naar het Nederland van de jaren zeventig, de tijd van de gastarbeiders. Hassan en ik hebben veel gepraat over hoe dat zou zijn: een sprookjesfiguur uit de Marokkaanse literatuur naar IJmuiden laten komen. Niet naar Kanaleneiland in Utrecht dat veel in het nieuws was omdat daar altijd wat gebeurde, maar specifiek naar IJmuiden. Dat is Nederland op zijn lelijkst maar ook weer zo dat het aantrekkelijk is. Zo is Ik, Driss ontstaan.’

    Je geeft nog steeds lezingen over het boek. Staat het op de leeslijst voor scholieren?

    ‘Nee, het staat niet op de leeslijst. Dat zou wel iets zijn. Misschien als er een nieuwe druk komt, er moet echt een nieuw boek komen. Dat zou iets voor de uitgever zijn. Maar inderdaad, het zou mooi zijn als het op de leeslijst komt.’

    Wanneer ontstond het idee om een BerberBibliotheek op te zetten?

    ‘In de tijd dat ik aan Driss werkte, leerde ik Hester Tollenaar kennen. Zij was net afgestudeerd als vertaalster. We zaten wel eens in het theatertje en dichterscafé Perdu. Dan dronken we rode wijn aan de bar en toen ontstond het idee voor een  BerberBibliotheek. We dachten aan de Russische bibliotheek van Van Oorschot en ook aan een vriend van mij (dichter Mohamed Chacha Iv/dG). Hij leeft niet meer maar staat ook in Vallende tijd, het laatste deel van de BerberBibliotheek. Chacha zette in de jaren negentig uitgeverij Izouran (wortels Iv/dG) op. Hij gaf Riffijnse boeken uit in de Riffijnse taal. Het was de taal die we thuis spraken. Toen ik voor het eerst een boek in de Riffijnse taal zag, was dat heel onwerkelijk. Ik wist niet dat je de taal van mijn ouders kon lezen (pakt een boek met glanzend donkerblauwe omslag en witte Latijnse tekens daarop uit de boekenkast en houdt het me voor). Letterlijk vertaald staat er: “Breek het taboe zodat de zon kan gaan schijnen”. Van mijn ouders heb ik meegekregen dat Berbers geen geschreven taal heeft. De taal waarmee ik ben ik opgevoed, is voor mij een orale taal. En de indoctrinatie dat het geen geschreven taal kan zijn, is zo groot, dat ik een taboe in mezelf moest doorbreken. Ik heb mezelf inmiddels aangeleerd het te kunnen lezen. Het gekke was dat ik Arabische leestekens kan lezen, dat heb ik jong geleerd in de moskee. Ik kan het lezen maar begrijp het niet. Ik begrijp de Berberse taal, maar kon het niet lezen. Daar zit voor mij mijn schrijverschap, alles wat ik doe is opgehangen aan contradicties.’


    Welk soort tegenstrijdigheden?

    ‘Ik zal je een voorval vertellen. Ik ging deze week joggen in het Westerpark. Vaak hangen boven dat park politiehelikopters, dat is heel normaal boven Amsterdam. Maar terwijl ik daar rende, vroeg ik me opeens af: “Stel je nou voor dat ze iemand zoeken met zwart haar, donker uiterlijk.” Dat ben ik, die daar nu aan het rennen is. Maar ik bedacht ook, “Gelukkig heb ik wel een hysterisch gekleurde joggingbroek aan, dat is mijn redding. Met zo’n broek zouden ze me nooit aanhouden.” Terwijl dat zo door me heen gaat, komt een politieagent op een motor naast me rijden. Hij kijkt me van opzij aan, ik kijk terug en zie hem denken “Dat is ‘m niet”. De politieagent draait om en rijdt weg. Ik was verbaasd maar begreep ook dat ik als verdacht persoon bekeken werd. Dan gebeurt daar iets, en daar ben ik in geïnteresseerd als het om verhalen of literatuur gaat.’


    Denk je dat de BerberBibliotheek van enig belang kan zijn voor migranten in Nederland?

    ‘Migreren is een vermoeiende bezigheid. Ik wil de Nederlanders niet lastig vallen met Riffijnse poëzie. Wil niet steeds uitleggen dat Berbers geen Arabieren zijn en niet per definitie moslim zijn en dat we een eigen literaire traditie kennen. Als je teveel praat over je eigen traditie, je eigen taal dan ben je al gauw een nationalist. De eerste grote romanschrijver Apuleius, ( ± 150 na Chr. Iv/dG) is een Berber. Ik vond het zo’n leuke ontdekking, dat mijn ouders niet uit een of ander gat kwamen waar alleen maar honger en oorlog heerste. In culturele zin hebben zij ook bijgedragen aan deze wereld.


    Hoe draagt het bij aan de achtergrond van migranten?

    ‘Ik was vooral geïnteresseerd in hoe ik – Hafid Bouazza noemt dit hoe ik hier kan landen – met mijn achtergrond, hier mijn weg mee kan vinden. Ik zeg niet dat Apuleius iets aan mijn achtergrond heeft bijgedragen. De koran is vele malen meer van invloed geweest op mijn leven. Dat kerkvader Augustinus, die ook een Berber was, ontdekte ik toen ik filosofie ging studeren. Daarvoor had ik nooit van hem gehoord. Ik vind dat leuke historische feiten. Het enige wat ik hoorde over onze achtergrond was: Hassan is de koning en daar moet je voor uitkijken. De islam is onze religie en God is de baas en daar moet je voor uitkijken. En dat is je vader, daar moet je ook voor uitkijken. Mijn achtergrond, daar was niet veel aan, maar er was wel veel angst. Het was de bedoeling dat de cultuur waaruit ik kom, zou verdwijnen. Zoals dat met veel culturen en talen is gebeurd in Europa.

    ‘Ik weet dat ik uit een cultuur kom die geen boeken heeft, geen taal kent die erkend wordt en op het punt van verdwijnen staat. Wat ik kon doen was naar Marokko gaan om er tegen te protesteren. Maar daar zou ik het niet lang volhouden want de koning is een dictator en ik zou binnen een dag opgepakt worden. Maar ik wilde wel mijn verantwoordelijkheid nemen. En dat is door die boeken uit te geven. En dat is door die Berber boeken uit te geven. Ik ben er trots op dat dit is gelukt, dat we dit hebben kunnen doen. Wat erbij komt is het willen verrijken van de Nederlandstalige literatuur. De BerberBibliotheek is heel positief ontvangen. Onder andere Wim Brands en Mathijs Deen hebben zich hiermee bezig gehouden. Aan media-aandacht heeft het niet ontbroken. Nu het er is, zal het zijn weg verder wel vinden. Ik ben er heel positief over.’


    Wat was het moment waardoor je bent gaan lezen en wat waren je ontdekkingen in de Nederlandse literatuur?

    ‘Mijn held uit mijn jeugd is Evert Hartman. Ik las zijn boek Gegijzeld toen ik elf was. Ik vond het fantastisch. Mijn broers namen ons mee naar de bibliotheek. We hadden een gezin met negen kinderen en als mijn oudste broers ons mee namen naar de bibliotheek, ontlastten ze mijn moeder. In de bibliotheek waren mevrouwen die het leuk vonden om je wegwijs te maken. Voor mij is literatuur begonnen als uitje met mijn broers. Kruistocht in spijkerbroek, Oosterschelde dat ben ik toen gaan lezen.


    Hoe kwam je in een huis zonder boeken in aanraking met de Berber literatuur?

    ‘Toen ik twaalf was, las ik voor het eerst Hongerjaren van Mohamed Choukri. Dat was al vertaald en verschenen bij Novib Wereldvenster. Mijn broers haalden het uit de bibliotheek. Het was een super spannend dat boek, hoeren en snoeren, honger, gekte en dan die rauwe taal. Het was een uitgebeende taal, daardoor ook makkelijk te lezen, Toen begreep ik er niet veel van maar dat boek is mijn hele leven bij me gebleven. In 2007 heeft Van Gennep het opnieuw uitgegeven, bij Novib was het een bulkboek, er werden 50.000 exemplaren gedrukt. Toen zijn er bij Rainbowpockets ook nog eens drie drukken verschenen. Voor de BerberBibliotheek hebben we het opnieuw laten lezen en vertalen. Er zijn nog veel fouten uitgehaald. Binnenkort komt er trouwens een tweede druk bij de BerberBibliotheek. Het is gewoon een everseller.’


    Wat is de magie van Hongerjaren waardoor het nog steeds gelezen wordt? Welke titels zijn ook opmerkelijk te noemen.

    ‘Choukri’s  laatste boek Gezichten is stilistisch gezien zijn mooiste boek. Hongerjaren is als een vulkaanuitbarsting, als gestolde lava. Choukri komt uit grote armoede, toen hij dat was ontgroeid, wilde hij laten zien dat hij geen analfabeet is, dat hij gelezen heeft. Hij noemt veel Franse schrijvers in Gezichten. Emile Zola, Jean Genet en William Burrough. Dat was wel belangrijk voor hem. Hongerjaren is mijn lijfboek, ik kan hele passages uit mijn hoofd citeren. Maar een schrijver als Ibrahim al-Koni, (van wie Goudstof is opgenomen in de reeks Iv/dG), dat is echt een kathedraal van een auteur. Hij heeft een oeuvre van meer dan negentig boeken over één thema. Elk boek gaat over de woestijn, de Sahara. Ik zal je iets laten zien. (Hij loopt naar een ander vertrek en komt terug met een omvangrijk Engelstalig boek.) Dit is het magnum opus  van Ibrahim, hij is een echte schrijvers schrijver, niet met Mrabet te vergelijken.

    Wisten jullie van tevoren welke titels er zouden worden opgenomen in de BerberBibliotheek?

    ‘De eerste twee titels hadden we al toen we begonnen. Daarna was het al snel duidelijk welke er verder in zouden komen, tien klassieke romans. Maar daar kwam tussendoor De geschiedenis van mijn leven van Fadhma Aïth Mansour Amrouche, een katholieke Berbervrouw. We wisten, als we dit nu laten liggen wordt het nooit vertaald. Met dit boek konden we aangeven welk een grote rol het katholicisme speelde in die streken voordat de islam daar kwam. En het laatste deel Vallende tijd was ook niet gepland. We wilden daarmee de actualiteit een stem geven. In de streek waar ik vandaan kom wordt weinig proza geschreven, maar poëzie des te meer. Ik ben alle grote dichters weer gaan lezen en kwam uit bij deze vier dichters, Mohammed Chacha, Ahmed Ziani, Fadma el Ouariachi en Mimoun el Walid. De gedichten zijn geschreven tussen eind jaren zeventig en begin jaren negentig en hebben nog niets aan actualiteit ingeboet. Ik wilde hiermee de lezer laten zien waar de Marokkaanse mensen vandaan komen. En wil je begrijpen wat er in een land gebeurt, dan moet je niet de krant lezen, maar de dichters van dat land. Deze generatie dichters laat een schreeuw om emancipatie en vrijheid horen. Er is weinig hoop in Marokko, en ik vind het hoopvol dat dat dat nu zichtbaar wordt. Poëzie die een beetje tegenwicht biedt aan de leugen, zonder de pretentie te hebben dat het de waarheid vertelt.’


    De boeken van Mohammed Mrabet, waarvan Liefde met een lok haar in de reeks is opgenomen, zijn door de Amerikaanse schrijver Paul Bowles geschreven. Wat is hun verhaal?

    ‘Paul Bowles heeft vijftig jaar in Marokko gewoond, in Tanger. Dat was een vrijplaats voor alles in de jaren zestig, voor drugs, drank, vrouwen. Er werden daar veel internationale deals gesloten, maar ook gehandeld in jongens en meisjes. Op die plek kwam Paul Bowles terecht. Mrabet werkte voor hem, was zijn chauffeur, zijn kok. Bowles was aan het einde van zijn schrijverschap. Je zou kunnen zeggen dat de pen van Bowles was opgedroogd en daar was Mrabet die niet wist hoe hij een pen moest gebruiken maar die verhalen had. Daar ontstond de samenwerking tussen hen. Soms weet je in die verhalen niet waar Bowles en waar Mrabet is.’


    Heeft iemand dat kunnen checken?

    ‘Ik ben bij Mrabet op bezoek geweest in Marokko. Hij is nu tachtig jaar. In Liefde met een lok haar hebben de Amerikaanse hoteleigenaar en de jonge Marokkaanse chauffeur een seksuele relatie. Toen ik hem bezocht, vroeg ik of hij homo was, dat ontkende hij stellig. Mrabet gaf Bowles de schuld dat hij de indruk wekte dat ze een relatie hadden. Mrabet kan heel goed verhalen vertellen. Alles wordt een verhaal, wat ik af en toe wel ergerlijk vond. Dan vroeg ik hem hoe dat dan ging met die verhalen, hoe ze ontstaan. Hij vertelde dat er elke ochtend een vis hem kwam opzoeken, “die vertelt mij een verhaal en het enige wat ik hoef te doen is dat verhaal door vertellen”. Ik zei, “Nu even serieus.” Toen zei hij, “Iets anders kan ik je niet vertellen.” Ik was wel echt in de ban van die man. Ik heb hem toen ook naar Nederland gehaald en Wim Brands heeft hem geïnterviewd bij het Crossing Border Festival in 2009.’


    Wat heeft Mrabet aan zijn publicaties overgehouden aan roem, inkomsten?

    ‘Bowles speelde ook wel een spelletje met de lezer. Toen het debuut van Mrabet in de jaren zestig bij Gallimard in Frankrijk werd gepubliceerd, was er een recensent die er zelf van droomde bij die uitgever te publiceren. Toen kwam daar Mrabet, die hem volledig onbekend was. In zijn recensie voor Le Monde schreef  hij: “Mrabet bestaat niet. Hij bestaat alleen in het hoofd van Paul Bowles.” Uiteindelijk bracht dat alleen maar meer succes, Bowles zei niets.

    Mrabet heeft zich altijd goed kunnen redden. Nu zegt hij wel: “Het zijn allemaal dieven.” Er is wel gesjoemeld met zijn boeken en vertalingen. Maar dat kun je niet allemaal op het conto van Bowles schrijven. Het was interessant bezig te zijn met die twee, de schrijver en de verteller. Uiteindelijk is het ook niet boeiend waar de een begint en de ander eindigt. Er is veel gedocumenteerd over die tijd, Bowles schreef dagboeken, daar is veel in terug te vinden. Belangrijk is dat ze samen literatuur hebben geschreven.’


    In een eerste interview in 2012 over de BerberBibliotheek bij Wim Brands op de radio was er sprake van een grote migratieroman die je zou willen schrijven. Leeft dat nog?

    ‘Die gaat er nu nog niet komen. Maar ik denk er wel aan. Ik zou daarvoor eerst weer meer moeten gaan schrijven. Enerzijds zit ik te veel in mijn columnhoek en mijn docentschap. Ik ben wel blij dat de BerberBibliotheek nu gestopt is, nu kan ik nog meer een breuk forceren om richting die migratieroman te gaan.

    Wij zijn tussen alleen witte Nederlanders opgegroeid, en dat vind ik wel jammer. Ik had geen contact met mijn achtergrond. Maar de andere kant daarvan was dat we daardoor heel hard moesten migreren, ons aanpassen. Ik ben zelf nooit gevoelig geweest voor argumenten als, “Ja, Meneer. Wat ben ik nou? In Nederland ben ik een Marokkaan en in Marokko ben ik een Nederlander.” In Marokko was ik gewoon een verwend kind, met een horloge, en schoenen die niet kapot waren. Er wordt gesproken over tussen twee culturen opgroeien. Dat kan niet, je groeit ‘in’ twee culturen op. Tussen betekent dat de culturen los staan, en de persoon in een vacuüm leeft. Sartre zei het zo: “woorden zijn ook daden.”’

     

     

    Kijk hier voor alle titels van de BerberBiblitheek
    Uitgeverij Jurgen Maas

    Foto door: Friso Spoelstra

     

     

  • Oogst week 12 – 2019

    Ware aard gedichten

    In de oogst van deze week twee dichtbundels en twee vertaalde romans.

    Jan-Willem Anker (1978) debuteerde in 2005 met de bundel Inzinkingen. In de daaropvolgende vier jaar verschenen er nog twee dichtbundels. En daarna was het stil. Tot in 2012 Anker kwam met zijn romandebuut Een beschaafde man. Die zeer goed ontvangen werd. In 2017 verscheen de roman Vichy en nu zijn nieuwste dichtbundel Ware aard.

    In Ware aard maakt de dichter de balans op. Er lijkt een bepaalde leeftijdsgrens te zijn bereikt waardoor mogelijkheden beperkt blijken. In deze bundel vraagt Anker zich af wat hij nog kan worden en vooral hoe hij (voorwaarts) zou moeten leven. In zijn poëzie probeert hij antwoorden te formuleren. Hij doet dat langs de weg van kleine autoriteiten als de Vader, de Europeaan, de Weesper, de Dichter. Maar ook door zijn verontrusting uit te spreken over het klimaat en de verrechtsing in de politiek. Een bundel die na deze laatste verkiezingen wel eens de vinger op de zere plek zou kunnen leggen.

     

    Ware aard gedichten
    Auteur: Jan-Willem Anker
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    De Jacobsboeken

    De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk (1962), won vorig jaar de Man Booker International voor de Engelstalige uitgave van haar roman Flights. De Man Booker International is een prijs voor Engelstalige literatuur waar Tommie Wieringa met zijn vertaalde De heilige Rita dit jaar ook voor genomineerd staat.
    Tokarczuk schreef twaalf romans, en wordt sinds 2011 bij De Geus uitgeven. Niet alles van haar werd nog vertaald maar De rustelozen (2007) wel. Een boek over vluchten, thuisloos zijn en de op zoek zijnde mens en voor de goede lezer lijkt het een voorbode te zijn van  het omvangrijke De Jacobsboeken dat deze maand verschenen is. Het gaat over een historische sekteleider, Jakob Frank (1726-1791) die  duizenden joden bekeerde tot het ‘frankisme’. Het is een allesomvattend boek geworden over het leven, religie en de mens.

    In Polen werd het enerzijds ontvangen als het literaire meesterwerk dat het is (Tokarczuk won er de belangrijkste Poolse literaire prijs mee en werd een bestseller). Maar het ontketende ook een ware hetze jegens Tokarczuk, vooral nadat zij op tv sprak over de zwarte bladzijden in de Poolse geschiedenis en dat het land deze onder ogen moest zien. Het werk haar niet in dank afgenomen, ze werd met haat overladen en moest een tijdlang beveiligd worden.

    De Jacobsboeken
    Auteur: Olga Tokarczuk
    Uitgeverij: De Geus

    Vallende tijd

    Het tiende deel van de Berberbibliotheek is een poëziebundel. De Berberbibliotheek werd in 2007 geïnitieerd door schrijver Asis Aynan en vertaalster Hester Tollenaar. Hoewel het een proza reeks was, werd het nodig geacht – om een volledig beeld van de Marokkaanse literatuur maar ook een politiek beeld van Marokko te vangen – poëzie toe te voegen. Vallende tijd is een bloemlezing van gedichten die in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw geschreven zijn. Voor wie de gedichten leest en weet heeft van de situatie in Marokko moet wel vaststellen dat er in het land weinig veranderd is in de afgelopen decennia.

    Vallende tijd bevat een selectie uit het werk van de vier grootste dichters uit de Rif, in het noorden van Marokko. De dichters Mohammed Chacha (1955-2016), Ahmed Ziani (1954-2016) , Fadma el Ouariachi (1957) en Mimoun el Walid (1959) hebben hun leven gewijd aan de poëzie, op het gevaar af gevangen genomen te worden of verbannen. In de gedichten wordt de liefde bezongen, de migratie verfoeid en om emancipatie geschreeuwd. Stemmen uit de vorige eeuw die nu nog steeds weerklinken; luid en duidelijk.
    In een verklarend nawoord beschrijft Asis Aynan het ontstaan en het afsluiten van het Berberbibliotheek project.

    Vallende tijd
    Auteur: Mohammed Chacha ; Ahmed Ziani ; Fadma el Ouariachi ; Mimoun el Walid
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    De Poolse bokser

    Van de Spaanstalige schrijver uit Guatemala Eduardo Halfon (1971) de roman De Poolse bokser.
    Halfon schreef zo’n twaalf romans waarvan De Poolse bokser een eerst kennismaking is met zijn werk voor de Nederlandstalige lezers.

    Op het eerste gezicht lijkt De Poolse bokser net een verhalenbundel maar het is in werkelijkheid een web van vertellingen die op allerlei manieren met elkaar verbonden zijn. De vertellingen vloeien uit elkaar voort en beïnvloeden elkaar – voor wie na het laatste verhaal opnieuw begint, leest de eerste bladzijden alsof het een ander boek betreft.
    Al vertellend brengt Eduardo Halfon de lezers steeds dicht bij een antwoord, om ze er vervolgens weer van weg te voeren. Een boek om niet meer weg te leggen.

    In de buitenlandse pers werd Halfon geprezen als ‘Een ongelooflijk goede schrijver, (…) zijn woorden zijn droog als kiezelstenen.’

    De Poolse bokser
    Auteur: Eduardo Halfon
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Oogst week 48

    Het verlaten land

    Het verlaten land is het nieuwste deel uit De Berberbibliotheek, klassiekers van auteurs met een Berberachtergrond. Auteur Mouloud Mammeri (1917 – 1989) was een groot voorvechter van de Berbercultuur en -taal. Het boek behoort tot de vroegste Franstalige romans in Algerije en geldt daarmee als een belangrijke klassieker.

    De roman vertelt het verhaal van een vriendengroep in een Berbers bergdorp tijdens de Tweede Wereldoorlog. Algerije was nog een kolonie van Frankrijk en dus werden de mannelijke dorpsbewoners gemobiliseerd voor de strijd.
    Een roman over liefde, vriendschap en het leven in een dorp dat functioneert aan de hand van eeuwenoude tradities, maar waar steeds meer andere waarden binnensijpelen in de vorm van islamitische regels en Europese zeden.

    In een nawoord schrijft Asis Aynan:
    Dat maakt het eveneens een onthaastingsroman; de levens van de personages worden niet als een serie snapchatfoto’s gepresenteerd, maar als een panorama waar de tijd voor moet worden genomen.
    Het is ook een ontwikkelingsroman, niet van één persoon, maar van een vriendengroep, de vrienden van Taasast.’

     

     

    Het verlaten land
    Auteur: Mouloud Mammeri
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    Kleine helden

    In krachtige zinnen schetst Almudena Grandes (Madrid 1960) aan het begin van haar boek de omgeving en geschiedenis van de bewoners van een volksbuurt in Madrid. Rijk en arm, jong en oud, singles en gezinnen, Spanjaarden en immigranten. Zij hebben geen schuld aan de crisis, maar moeten haar wel dragen, en er ondanks alles proberen bovenuit te stijgen. Elk op hun eigen manier beleven buurtgenoten bitterzoete momenten van onverwachte solidariteit, van verontwaardiging en woede maar ook van tederheid en doorzetten. Samen blazen ze hun buurt nieuw leven in.

    In Spanje is Grandes een van de meest gewaardeerde literaire auteurs. Met Het ijzig hart (2010) won ze vele nationale en internationale literaire prijzen. Mario Vargas Llosa noemt haar ‘een van de beste romanschrijvers van onze tijd.’

     

    Kleine helden
    Auteur: Almudena Grandes
    Uitgeverij: Uitgeverij Signatuur

    Boven de straat hangt een witte lucht

    De prachtige titel van deze roman onthult de dichter achter auteur Anne Büdgen (1979). Bij De Arbeiderspers verschenen van haar eerder de dichtbundels Ik schrijf u nog en Ze hapte in een tomaat. Behalve poëzie schrijft ze ook voor theater.

    Boven de straat hangt een witte lucht gaat over de 14-jarige Anna die zeer gelovig opgroeit. Ze schrijft in haar dagboek. Ze houdt zich vast aan de woorden. Als ze ouder wordt slaat de twijfel toe. Ze schrijft over Jezus en Brad Pitt, een aardbeienmilkshake en het avondmaal. Zonder terughoudendheid schrijft ze over de buitenwereld die steeds meer binnendringt.

     

     

    Boven de straat hangt een witte lucht
    Auteur: Anne Büdgen
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers
  • Marokkaanse portretten

    Marokkaanse portretten

    Is dit een roman? Dat staat weliswaar nadrukkelijk op de omslag vermeld, maar het boek laat zich moeiteloos lezen als een reeks losse schetsen. De inhoudsopgave oogt als de opsomming van een reeks verhalen.
    Wat hen bindt is in de eerste plaats de wereld waarin ze zich afspelen: Tanger, en dan meestal de zelfkant van die Marokkaanse stad pal tegenover Gibraltar, en in de tweede plaats de verteller, de ‘ik’ (in op één na alle hoofdstukken), en dat is Mohamed Choukri zelf. Of is dat laatste te kort door de bocht? Literatuurtheoretici willen niet dat we de auteur en de verteller gelijkstellen, ook al komen alle gegevens die de laatste over zichzelf presenteert, en dat zijn er in dit geval nogal wat (zelfs titels van gepubliceerd werk), overeen met wat we weten van de eerste.

    Gezichten is het laatste deel van een trilogie. Eerder verschenen al Hongerjaren (o.a. in 2007, Rainbow-pockets) en Jaren van dwaling. In april 2016 zal in de Berberbibliotheek een heruitgave verschijnen van Hongerjaren, Choukri’s debuut, dat in 1973 in het Engels en pas later in het Arabisch verscheen. In Marokko, het land van herkomst van Choukri, werd het verboden. Internationaal werd het een bestseller. Gezichten is het laatste boek dat Choukri publiceerde. Het verscheen in 1996.

    Verloren paradijs
    Ongetwijfeld is Gezichten voor hen die de andere delen van de trilogie kennen een ander boek dan voor iemand die onvoorbereid begint te lezen. De laatste treft in dit boek veertien verhalen aan vol drank en armoede, vol levensmoed en berusting. Verwacht geen Carmiggelt. Daar is de verteltrant te meedogenloos voor. We ontmoeten overlevingskunstenaars, verslagenen, hoeren, junkies, thuislozen en criminelen. In hun midden de verteller, tegelijk één van hen en buitenstaander. Het is ál desillusie en uitzichtloosheid wat de klok slaat.
    Alleen het laatste hoofdstuk, ‘Mijn gezicht in de jaargetijden’, wijkt af. Daarin geeft de verteller een soort apologie van zijn bestaan, of laten we zeggen: een uiteenzetting van zijn levenshouding. Of is het een samenvatting van een door schade en schande verworven levenswijsheid? De moed der wanhoop; de weigering om het verleden te betreuren; de vervulling van het schrijverschap; het leven van een poète maudit. Nogal wat gemeenplaatsen, maar wel doorleefd.

    Wat alle verhalen, dus ook dat laatste, gemeen hebben, is het grimmige levensgevoel van mensen die weten dat ze weinig te verliezen hebben en dat dat weinige toch nog veel is – vergeleken bij wat hun te wachten staat indien ze zelfs dat weinige kwijt zouden raken. De blik waarmee de verteller de geportretteerden én zichzelf beschouwt, doet soms denken aan de tegelijk genadeloze en empathische blik van de verteller van Céline’s Reis naar het einde van de nacht. De burgerman huivert.

    Misschien moeten we Tanger als hoofdpersoon van dit boek beschouwen. ‘Tussen haar verleden en haar heden ligt een verloren paradijs’, zegt de verteller en die gedachte verklaart misschien de melancholie die hier en daar uit de verhalen spreekt en die de hardheid van de verhalen verzacht.

    Literatuur
    Choukri’s biografie wordt getekend, aldus alweer het voorwoord, door zelfdestructie, verblijf in psychiatrische inrichtingen, een arme, ongeletterde jeugd en de vriendschap met Paul Bowles. Uit de verhalen en de door de auteur zelf toegevoegde voetnoten blijkt ook zijn grote liefde voor de literatuur. De toewijding van de autodidact.

    Bijna elk hoofdstuk wordt voorafgegaan door een gedicht. Of is het een notitie in de trant van het slothoofdstuk? De vorm is vrij, dus dat valt niet goed uit te maken. Deze inleidende opmerkingen zijn moeilijk te doorgronden. Een kleintje als voorbeeld: ‘Ik gok / om te winnen, al is het niet veel. / Dat is mijn verdienste. / De zee. Wat een zee! / zijn we er niet uit geboren en keren we er niet naar / terug? / De zee is onze moeder, niet onze vader.’ Dit is de proloog tot ‘Hammadi de gokker’, waarin een compulsieve gokker aan een droevig einde komt. De zee speelt daar geen rol in.
    Zijn deze gedichten soms ’typisch Arabisch’? Ontoegankelijk voor een West-Europese lezer? Geen beter hulpmiddel om de verwarringen van de multiculturele samenleving de baas te worden dan de literatuur. In dit boek ervaren we dat de condition humaine voor deze Marokkaanse schrijver niet anders is dan voor wie dan ook.

  • ‘Het was alsof hij een muur kuste’

    ‘Het was alsof hij een muur kuste’

    ‘Het was alsof hij een muur kuste’

    Componist en schrijver Paul Bowles (1910 – 1999) werd wereldberoemd toen Bertolucci zijn roman The sheltering sky verfilmde. Hij speelde zelf een klein rolletje, als zichzelf: een oude westerling in Tanger. Naast zijn eigen werk legde hij in meer dan tien boeken de verhalen vast van de Marokkaanse verteller (en kunstschilder) Mohammed Mrabet (1936). Liefde met een lok haar (1967) was het eerste daarvan: een moderne roman gevoed door de orale traditie.

    Ooit werden verhalen verteld, door mensen van vlees en bloed, die ze uit hun geheugen opdiepten en op smaak brachten met fantasie en actualiteit. Literatuur was een verzameling gedeelde ervaringen. Dat is het soms nog, maar meestal gaat het om vastgelegde teksten, gestold op papier en bijgezet in boeken. En soms denken we dat daarmee iets verloren is gegaan, dat we willen terugvinden in culturen waar de orale traditie nog leeft. Bijvoorbeeld in Marokko. Bowles was een tamelijk ideale figuur om een brug te slaan tussen stem en schrift, oost en west. Hij woonde vanaf 1947 in Tanger, was geschoold componist en had dus oor voor verhalen. Bovendien keek en luisterde hij onbevooroordeeld naar uitingen van andere culturen – hij beschouwde zichzelf als reiziger: ‘Een belangrijk verschil tussen toerist en reiziger is dat de eerste zijn eigen beschaving accepteert zonder vragen; maar zo niet de reiziger, die hem vergelijkt met andere, en die elementen die hem niet bevallen verwerpt.’

    Tovervrouw
    Liefde met een lok haar is een roman, door Mohammed Mrabet verteld aan Paul Bowles en door hem opgetekend. Bowles was, geheel in lijn met zijn eigen werk, meer gefascineerd door het karige leven en de leegte van de woestijn, dan door Duizend-en-een-nacht-achtige sensualiteit en exotisme. Liefde met een lok haar is een sober verteld verhaal. Het speelt in Tanger en gaat over de 17-jarige Mohammed, die als barman werkt en woont in het hotel van de Engelsman Mr. David, met wie hij ook het bed deelt. Mohammed wordt echter verliefd op zijn overbuurmeisje Mina. Omdat hij er van overtuigd is dat de gevoelens niet wederzijds zijn, neemt hij zijn toevlucht tot een tovervrouw, die een haarlok van de aanbedene verwerkt tot een magisch middel dat de liefde ook van de andere kant op gang brengt. De twee betrekken een huisje en sluiten een huwelijkscontract bij de notaris. De wederzijdse families en Mr. David plus vriendenkring vieren het feest mee, maar tot een echt huwelijk komt het niet. Maar Mohammed betwijfelt of de met toverij verworven liefde wel echt kan zijn en Mr. David adviseert hem keer op keer om bij Mina weg te gaan voordat hij er gek van wordt. Drankmisbruik, achterdocht, overspel en valse beschuldigingen zijn het gevolg, en een scheiding is het resultaat. Mina vertrekt met haar kind en ‘Mohammed bleef bij Mr. David in het hotel, waar hij in de bar hielp, en ze waren allebei gelukkig’. Zo begint het laatste hoofdstuk, dat eindigt met de beschrijving van een ontmoeting, jaren later, tussen Mohammed en Mina. Een wrang slot.

    Bioscoop
    Liefde met een lok haar wordt verteld in kort aangebonden taal, verdeeld over 61 scenische hoofdstukken. Geen melodrama of talige arabesken, maar karige zinnen en stugge dialogen. Terwijl ze bij voorbeeld in de bioscoop zitten realiseert Mohammed zich hoeveel hij van Mina houdt, maar ook ‘dat ze nooit echte liefde voor hem kon voelen, omdat de toverspreuk die had vervangen door nepliefde.’ Als Mina later op de avond zegt: ‘Mijn hart houdt van jouw hart, Mohammed, en ik weet niet waarom,’ ziet hij daarin een bevestiging van zijn angst. Hoe hij dat ter sprake brengt? ‘Denk er niet over na, zei hij. Ze kusten elkaar en hielden elkaar stevig vast. Mohammed deed het groenige licht uit, waarna ze gingen slapen.’ Zo dus. Soms is de tekst zo droog dat het komisch wordt. ‘Die avond, toen Mohammed thuis kwam, kuste hij Mina, maar het was alsof hij een muur kuste.’

    Geest of handlanger
    Op één plek wekt de auteur de suggestie dat Mr. David probeert de werking van de toverij teniet te doen. Als Mohammed na de geboorte van zijn zoon dronken bij zijn hotel aankomt en uitgeput in bed valt, vertoont zich aan hem een verschijning – en of dat een geest is of een handlanger van Mr. David wordt in het midden gelaten: ‘Een helemaal in het wit geklede figuur kwam naar hem toe en zei: dat je altijd gezond moge blijven, Mohammed. Allah heeft je behoed voor veel kwaad. Binnenkort zul je een ander leven hebben.’

    Je kunt Liefde met een lok haar lezen als een verhaal over liefdespaniek in een samenleving die met liefde en hartstochten niet goed weg weet en veel bedekt met zwijgen. Je kunt het lezen als het verslag van een loyaliteitsconflict: trouw aan de westerse rijke relaxte Mr. David of de Oosterse arme verwarde Mina. Of je leest het als een tegenhanger voor alle rijk gestoffeerde exotische liefdesverhalen waar westerlingen zo graag bij weg zwijmelen: betaalde toverij brengt de magie van de liefde om zeep. Maar misschien kun je Liefde met een lok haar het beste lezen als een moderne roman, waarin de premoderne magische opvatting van liefde als een fatale macht in het hoofd van de hoofdfiguur botst met de moderne visie op liefde als een economische uitruil van geld, genegenheid en genot tussen weldenkende en calculerende burgers. In dat boek geeft de auteur Paul Bowles het woord aan vertelinstantie Mohamed Mrabet, die toevallig ook in de werkelijkheid rondliep en deels samenviel met zijn eigen hoofdpersoon. Ooit dan toch.

     

    Liefde met een lok haar

    Verteld door: Mohammed Mrabet
    Opgetekend door: Paul Bowles
    Vertaald door: Hester Tollenaar
    Voorwoord door: Asis Aynan
    Verschenen bij: Uitgeverij Jurgen Maas (2014)
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 14,95 (deel 5 in de Berberbibliotheek, onderdeel van de Schwob-reeks)

  • Leven in twee culturen

    Leven in twee culturen

    De schrijver van Gebed zonder eind, Asis Aynan is in Nederland geboren uit Marokkaanse ouders. Toen zijn moeder in 1980 uit Marokko vertrok met haar vier zoons om zich te herenigen met zijn vader, was zij in verwachting van hem.
    Aynan debuteerde in 2007 met het autobiografische Veldslag en andere herinneringen, in 2010 gevolgd door een feuilleton in NRC Handelsblad dat hij samen met Hassan Bahara schreef, Ik, Driss.

    Dit jaar verscheen Gebed zonder eind, een bundel korte verhalen over zijn tijd op school, over zijn reizen naar steden in Europa en Marokko, over zijn broers en zijn vader, over muziek, over de islam. Het zijn mooi geschreven impressies van zijn leven. Het boeiende in die verhalen is zijn zoektocht naar wie hij is, en waar hij zich thuis voelt.  Als jongen met een Marokkaanse achtergrond die opgroeit in Nederland, is hij zich al vroeg bewust van het feit, dat hij in en niet tussen twee culturen leeft. Hij moet zich zien te verhouden tot die twee culturen en in de bundel staan daarover enkele prachtige verhalen, zoals het titelverhaal Gebed zonder eind, Thuis, Vreemdeling, Loslaten en Al-Hoceima.

    Het verhaal Thuis gaat over zijn identiteit: dat hij zich niet vanzelfsprekend thuis voelt in het land waar hij woont en waarvoor hij niet gekozen heeft. Hij voelt zich geen buitenstaander maar wel ‘anders dan de anderen’ en illustreert dat met een mooi voorbeeld:
    ‘Mijn moeder draagt tatoeages. Berbertatoeages in het gezicht. Drie stuks markeren haar gelaat. Ze symboliseren een van de oudste beschavingen die onze wereld kent. Als ik met mijn moeder over straat liep dan bleef er niets over van die beschaving. In de ogen van voorbijgangers was mijn moeder een clown. Ik voelde de blikken ook op mij gericht. En ik schaamde me voor mijn moeder en voor mezelf. Het gevolg was dat mijn moeder en ik het  hoofd bogen. De blik gericht op de grond, dat was onze rol.’

    In Vreemdeling schrijft hij expliciet over zijn worsteling met zijn identiteit, zijn zoeken naar een plek waar hij zich thuis zou kunnen voelen, zijn tegenstrijdige loyaliteiten, zijn culturele ambivalenties en het diepe verlangen naar houvast. Dat houvast krijgt hij wanneer hij beseft dat deze levensvragen niet specifiek voor een migrant zijn, maar voor iedereen gelden. Hij besluit  met een ‘En sindsdien is niets menselijks mij meer vreemd’.

    Behalve zijn moeder is zijn vader van grote betekenis voor zijn zoektocht naar zijn Marokkaanse wortels. In het verhaal Loslaten vertelt hij er over. Hij ziet zijn vader vereenzamen wanneer het gezin herenigd is; het enige dat hetzelfde blijft is de drieploegendienst in de hondenbrokkenfabriek waar zijn vader werkt. Kroeg, vrienden en vertier, muziek maken werden vervangen door de islam. Die leefstijl hield hij vol tot het moment dat de kinderen op eigen benen konden staan. Toen ging hij weer muziek maken, maar ook tuinieren en verre reizen maken. De islam was niet langer de maat der dingen.

    In de laatste jaren van zijn leven hadden vader en zoon veel gesprekken over het leven. Daaruit bleken geen botsende visies. Hoewel de schrijver ‘een bidfrequentie van nul heeft’, neemt zijn vader hem dat niet kwalijk. Zijn vader maakte hem duidelijk dat hij zijn eigen keuzes moest maken en zich niet moest spiegelen aan hem. Dan volgt een mooie passage, tevens het slot van de bundel: ‘Vader duwde mij uit liefde met zijn woorden van zich af. Het leven in. Hij had het op zijn manier gedaan en nu was het mijn beurt. Lang heb ik gedacht dat ik zijn levensboom moest omhakken om verder te kunnen. Ik weet nu beter. Mijn boom staat in de buurt van zijn boom. Sommige van onze wortels zijn in elkaar gevlochten en anderen zoeken hun eigen weg.’

    De bundel begint met een motto van koning Hassan II van Marokko, die hij uitsprak tijdens een televisietoespraak tot zijn volk: ‘Jullie beesten, jullie wilden’. En als eindmotto een eerbetoon aan het Zuiderbad: ‘jouw water is als inkt voor mij’. Tussen deze twee uitersten staan negenentwintig verhalen die getuigen van zijn onvermoeibare zoektocht naar zijn identiteit in twee culturen. Stuk voor stuk mooi geschreven verhalen.

     

  • Eerste deel Berberbibliotheek was tot 2005 verboden in Marokko

    Eerste deel Berberbibliotheek was tot 2005 verboden in Marokko

    Mohammed Khaïr-Eddine wordt beschouwd als een van de grondleggers en het enfant terrible van de Marokkaanse literatuur. In 1965 werd hij verbannen naar Frankrijk waar hij jarenlang fabriekswerk verrichtte. Zijn eerste boek Agadir (1967) werd in Marokko geweigerd vanwege de kritische toon. Khaïr-Eddines boeken zijn een tijdlang verboden geweest, pas sinds 2005 mogen ze weer gelezen worden.

    Mohammed Khaïr-Eddine keerde in 1979 terug naar Zuid-Marokko. Met een soortgelijke terugkeer als uitgangspunt begint het boek. Een man keert na twintig jaar afwezigheid terug naar zijn land. Door de ogen van deze remigrant wordt de lezer  het verhaal binnen geleid. Er volgen beschrijvingen over het landschap en over de teloorgang van de Berbervrouw die, ‘immer hoedster is geweest van de verborgen betekenissen van de wereld. Zij was het die de kleine kinderen de voorouderlijke cultuur inprentte en niet de man, want die was te lui (…).’ Volgens de verteller waren deze vrouwen zich niet bewust van de paradijselijke staat waarin zij leefden, tot ze met hun mannen mee emigreerden naar Europa. ‘Zij waren toen nog vrij om waar dan ook te gaan in de vallei en de bergen; (…) Nu laten ze zich opsluiten in villa’s of benauwde appartementen, komen ze alleen onder begeleiding buiten (…).’

    Opnieuw beginnen

    De remigrant is in eerste instantie teleurgesteld door wat hij ziet en levert kritiek op de veranderingen in zijn dorp. Maar zo gauw hij herkend wordt als de lang geleden vertrokken jongeman, wordt hij overrompeld door de gastvrijheid van zijn dorpsgenoten. Hij raakt hierdoor zo ontroerd dat hij op onderzoek uitgaat naar het bestaansrecht van zijn volk, de Berbers.

    Dan verweeft  Khaïr-Eddine de terugkeer van de remigrant met de legende van Agoun’chich en begint het boek opnieuw met het sprookjesachtige:
    Er was eens… . We maken kennis met een herder die met zijn omvangrijke familie en enorme kudden geiten en schapen op de vlucht slaat voor een verwoestende natuurramp. Ze trekken door onherbergzame gebieden waar ze belaagd worden door wilde dieren en strijdlustige stammen. De afstammelingen van deze herder ontwikkelen zich tot een moorddadig en strijdlustig volk. Ze leven van plunderingen en ze gaan uiterst gewelddadig de strijd met elkaar aan. Het is een tijd van desperado’s: bandieten voor de eer die niets anders bezitten dan een muilezel, een patroongordel, geweer en een dolk. Een van die desperado’s is Lahcen Agoun’chich.

    De legende van Agoun’chich speelt zich af ten tijde van de Franse bezetting (1912-1925) in Marokko. Agoun’chich had nog nooit een mens gedood dan alleen uit zelfverdediging. Maar wanneer zijn zus door een bandiet wordt vermoord, raakt hij vervuld van wraak en onderneemt een strafexpeditie door de bergen en dorpen van de Anti-Atlas. Als een ware (geweldadige) Don Quichot trekt hij ten strijde met als enig gezelschap zijn dierbare muilezel waar hij een liefdevolle relatie mee onderhoudt.

    Naamloze bandiet

    Na enige tijd ontmoet Agoun’chich ‘de verkrachter’, een naamloze bandiet die elke vrouw die hij tegenkomt als zijn bezit beschouwt. Hij laat zich door de verkrachter overhalen hem te vergezellen naar het Noorden om moderne geweren te kopen. Dan wordt het een haast mythische vertelling waarbij ze bezocht worden door de doden, verleid door vrouwelijke demonen en gekweld door honger en kou. Wanneer Agoun’chich uiteindelijk arriveert in Taroudant, een stad aan de voet van de Hoge Atlas, ontmoet hij een kaïd (stamhoofd) die uit de gevangenis van de Franse bezetter is ontsnapt. Samen met deze man trekt Agoun’chich ten strijde tegen de bezetter. Hij is getuige van de gevolgen van een luchtbombardement op een dorp en van de executie van een zwakzinnige man die ten onrechte wordt verdacht van verkrachting en moord op de vrouw van een Franse officier. Op dat punt in het verhaal veranderd er iets in Agoun’chich’. ‘Alles wat hij had gekend en waarvoor hij vol overgave had gestreden zou verdwijnen. Ik heb niets meer te zoeken in deze wereld, dacht hij.’

    Het verzet van de Berbers wordt gebroken en Agoun’chich trekt zich in eerste instantie terug in de bergen en later in de stad Tiznit. Daar wordt zijn muilezel door een vrachtwagen aangereden. Agoun’chich verlost het dier met een dolksteek in het hart uit zijn lijden. Waarna het gevoel hem overvalt dat hij niet meer bestaat. Een grote verandering in zijn leven dient zich aan.
    ‘God! Moet ik net als de anderen worden, een gewone man, terwijl ik mijlenver van ze afsta?’
    Een stem fluistert hem in dat hij moet opgaan in de anonimiteit van de grote stad. ‘Word koopman of misschien politieagent, maar keer niet terug naar de bergen ze zijn niet meer van jou. (…) Neem de bus en ga!’
    En dat is wat hij doet. Hij begraaft zijn wapens nog diezelfde dag naast zijn muilezel en neemt de bus naar Casablanca.

    Het verhaal leest als een western. Het is een ruig en woest leven dat de mannen leiden die Khaïr-Eddine beschrijft. Op drift geraakte mannen zijn het, die zich door het leven slaan door ongestructureerde paden te betreden en over lijken gaan om hun (vaak primitieve) doel te bereiken. Helemaal geloofwaardig is het niet dat Agoun’chich zijn leven van vrijheidsstrijder aan de wilgen hangt en zich ontpopt als burgerman. Maar het is een legende, dan kan een karaktermoord uitkomst bieden om de legende een wending te geven waardoor het achterliggende verhaal meer zichtbaar wordt. Want het gaat natuurlijk over de grote veranderingen die de schrijver, daardoor geschokt, aantrof in het Marokko van de jaren zeventig/tachtig van de vorige eeuw.

    Eerbetoon

    Er zijn meerdere verhaallijnen waarvan er niet één tot echte ontwikkeling komt (zo is de verkrachter zomaar uit het verhaal verdwenen.) Maar zonder twijfel is Leven en legende van Agoun’chich in alle opzichten een eerbetoon aan de orale traditie van Berberverhalen, die terugklinkt in de toonwisselingen van de schrijver die dan weer explosief, dan weer lyrisch poëtisch of humoristisch is.

    Leven en legende van Agoun’chich van Mohammed Khaïr-Eddine is het eerste deel van De Berberbibliotheek die uiteindelijk tien klassieke, uit het Frans vertaalde Noord-Afrikaanse werken zal bevatten. Een initiatief van schrijver en columnist Asis Aynan die het NRC-feuilleton Ik, Driss schreef, en vertaalster Hester Tollenaar. Het feit dat er inmiddels miljoenen Berbers buiten Noord-Afrika wonen heeft geleid tot een wedergeboorte van de Berbercultuur buiten Marokko. Met name in Nederland ontstonden Berber muziekfestivals, is er Berbertelevisie op internet en zelfs een Berberfaculteit aan de Universiteit Leiden. Het is daarom niet vreemd dat de Berberbibliotheek in Nederland zijn oorsprong vindt en met  Leven en legende van Agoun’chich een intrigerende start maakt.