• Spotprenten van een erudiet dichter

    Spotprenten van een erudiet dichter

    Normaal gesproken zouden we geen belangstelling hebben voor schunnige gedichten van een zeventienjarige. Wel als het Arthur Rimbaud (1854 – 1891) betreft. De tweeëntwintig gedichten die in de tweetalige bundel Perverse verzen zijn opgenomen schreef hij van half oktober tot half november 1871, kort nadat hij op uitnodiging van Paul Verlaine in Parijs was komen wonen. Verlaine had hem geïntroduceerd bij de ‘Cercle zutique’, een gezelschap jonge dichters dat zich verzette tegen de gevestigde orde. ‘Zut’ is een eufemisme van ‘merde’ en betekent zoiets als ‘shit’.

    Gelegenheidsgedichten

    De gedichten van de Zutistes zijn minder bekend, omdat het gelegenheidsgedichten waren, bedoeld voor vermaak tijdens alcoholische avonden, die buiten het officiële werk bleven. Ze werden genoteerd in een soort gastenboek dat waarschijnlijk in de Tweede Wereldoorlog verloren is gegaan. Omdat de in pornografie gespecialiseerde schrijver Pascal Pia er foto’s van had gemaakt, zijn ze bewaard gebleven. In 1991 verschenen negen van Rimbauds zutistische verzen in de bundel Obscene gedichten, ter gelegenheid van zijn honderdste sterfdag, in vertaling van Judith Mok. Nu is er een compleet overzicht, vertaald en van een uitgebreide inleiding en toelichting voorzien door Rimbaud-kenner en -vertaler Paul Claes.

    Zowel de inleiding als de toelichting is onontbeerlijk om de gedichten te kunnen plaatsen en begrijpen. De tumultueuze liefdesrelatie tussen Rimbaud en Verlaine is algemeen bekend, net als Rimbauds status van poète maudit. Het eerste verklaart het homoseksuele karakter van veel van de gedichten. Maar de ‘Cercle zutique’ en de tijd waarin zij hun gedichten schreven moeten geduid worden, alsmede het slang dat Rimbaud hanteerde. Claes doet dat op een zeer verhelderende manier.

    Spotprenten in classicistische vorm

    De Zutistes sympathiseerden met de revolutionaire Commune van Parijs, die eerder in 1871 na het einde van de Frans-Duitse oorlog was uitgeroepen en die daarna met steun van Pruisen door regeringstroepen omver werd geworpen. Rimbaud bespot in zijn gedichten de oude machthebbers, onder wie keizer Napoleon III, en de dichters die tot het establishment behoorden en gekant waren tegen de Commune. Namen als Armand Silvestre, Léon Dierx, Louis Ratibonne en François Coppée, die – in tegenstelling tot Rimbaud en Verlaine – in de vergetelheid zijn geraakt. Het meest gebeten was Rimbaud op Coppée, die, na eerst de kant van de revolutionairen te hebben gekozen, nu pleitte voor verzoening van de partijen. Aan hem wijdde hij zeven van de gedichten, waarin hij het sentimentele karakter en de zoetsappige stijl van diens poëzie hekelde. 

    Het geestige is dat Rimbaud voor zijn spotverzen de classicistische vorm van de gehate ‘Parnassiens’ handhaafde. Zo bevat Perverse verzen sonnetten en dizijnen (gedichten van tien versregels) bestaande uit alexandrijnen en met over het algemeen ijzeren eindrijm. Wel schreef hij enkele sonnetten met ultrakorte versregels, zoals in de ‘Conneries I’ (‘Lulkoek I’):
    Jonge slokop // ‘Meneer / Trekt met /Zijn pet / Van leer. // Paul zet / Zich neer / Voor meer / Buffet. // Hij plet / Vol pret / Een peer: / In ’t net / Toilet / Valt beer.’

    Vertaling volgt origineel op de voet

    Het handhaven van de vorm was voor de vertaler een uitdaging. Claes schrijft in zijn inleiding dat hij ook het poëtische van de gedichten recht heeft proberen te doen. Hij volgt Rimbaud zo precies mogelijk. Zo laat hij bijvoorbeeld de regels met de rijmwoorden ‘gauche-sacoche’ ook onzuiver rijmen: ‘Seine’ – schrijnen’ en hij handhaaft in ‘De onthullingen van de oude gek’ de prozaïsch klinkende alexandrijnen waarmee Rimbaud de stijl van Coppée belachelijk maakt. Een andere opdracht was om de dubbelzinnigheden waar deze gedichten om draaien adequaat weer te geven. Volgens Claes was dit alleen mogelijk dankzij het erotisch woordenboek van Alfred Delvau uit 1864 en recente analyses van diverse commentatoren. Rimbaud heeft zich in obsceniteiten uitgeleefd. Het meest beruchte gedicht is het ‘Sonnet van de reet’ (‘Sonnet du trou du cul’), waarmee de reeks opent. Verlaine schreef hiervan de kwatrijnen en Rimbaud de terzinen:

    ‘Mijn Droom is door dit tochtgat meer dan eens verleid;
    Mijn ziel, die het lichamelijk genot benijdt,
    Heeft snikken voor dit rossige vat en nest vergoten.

    O hijgende olijf en fluit vol lieflijkheid;
    O buis waardoor de hemelse praline glijdt;
    Vrouwelijk Kanaän in klammigheid besloten!’

    Erudiet dichter kende zijn vijanden

    Verder valt Rimbauds enorme eruditie op. Hij kende zijn vijanden goed en verwijst regelmatig naar hun werk. In zijn gedicht ‘Lelies’ persifleert hij de voorliefde van contemporaine dichters voor lelies, zoals in de volgende regels van Armand Silvestre (1837 – 1901):

    ‘In de lucht vol zijden draden
    Rezen sidderend de lelies,
    De lelies die de dag ontplooit.’

    Rimbaud heeft een totaal andere associatie:

    ‘O klokkenspel! O lelies! Zilveren klysmaspuiten!
    Werken en honger lijden zijn niet jullie stijl!
    Het ochtendgloren laat je liefdessap ontspruiten!
    De hemellust maakt je meeldraden botergeil!’

    Betekenissen van de leliebloem

    Behalve naar mannelijke voortplantingsorganen is de lelie ook een verwijzing naar het Franse koningshuis dat de leliebloem in zijn wapenschild voert en waar men niet werkt of zich om het hongerlijdende volk bekommert. De tweede regel is een zinspeling op een passage uit de Bergrede, Mattheüs 6:28: ’Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld; zij werken niet, en ze weven niet’ (Nieuwe Bijbelvertaling).

    Ook de kerk krijgt ervan langs.  In het gedicht ‘‘k Zat in een derdeklaswagon’ (slang voor een goedkope hoer, maar hier – heel geestig – juist letterlijk bedoeld) bedelt een priester in een trein om een seksuele gunst: ‘De paap trotseerde de schimpscheuten welgezind, / Keerde zich naar me om en vroeg op een al even / Ferme als droeve toon of ik een pruim kon geven’.
    Rimbauds ‘Vers zutiques’ vormen een ludiek literair-historisch document. Perverse verzen is een vermakelijk boekje, waarin Paul Claes deze weinig bekende gedichten tot leven weet te wekken. Het is ook nog eens mooi vormgegeven. En dat alles voor een tientje. 

     

  • Rimbaud had dit prachtig gevonden

    Deze maand verscheen een nieuwe bundel zkv’s van A.L. Snijders. Doelloos kijken bevat een keuze uit de zkv’s die in 2017 en 2018 zijn verschenen in De Standaard, de VPRO Gids en de gesproken zkv’s op zondagochtend bij Radio 4. De bundel is bezorgd door uitgeverij AFdH die sinds 2006 bijna jaarlijks een bundel zkv’s uitgeeft.

    A.L. Snijders (1937) is schrijver, voormalig docent Nederlands, bedenker van het zkv en pseudoniem van Peter Müller. Zijn schrijversnaam koos hij in de jaren tachtig toen hij columns ging schrijven voor Het Parool. De naamskeuze was een willekeurige, zoals veel zonder voorbedachte rade lijkt te gebeuren in het leven van Snijders. Een schrijver die zich erover verwondert dat hij bij optredens nog steeds wordt aangekondigd als de schrijver die een prestigieuze prijs (met nadruk op dat prestigieuze) heeft gewonnen, jaren geleden alweer. Nooit wordt, om als interviewer maar eens wat te noemen, aangehaald dat Snijders bijvoorbeeld in 1992 al in het spraakmakende programma ‘Een uur Ischa’ door Ischa Meijer in café Eik & Linde werd geïnterviewd. Ziehier de verhouding van belangrijkheid en vergankelijkheid binnen de literatuur.

     

    Als ik het erf van de blauw/grijs geverfde woonstee op fiets, staat A.L. Snijders opzij van het huis te overleggen met zijn jongste dochter en, zoals Snijders haar voorstelt, zijn verloofde. Er is iets gaande, er zijn sleutels zoek, er moet een apparaat gevonden worden, zijn jongste zoon, die sinds enkele maanden in het nabijgelegen Zutphen woont, komt langs en dan moet er ook nog een interview plaatsvinden.


    Een standbeeld als vriend

    Binnen wijst Snijders naar de lange keukentafel die voor de helft volgepakt ligt met papierwerk, stapels boeken, kranten, pillendoosjes, enveloppen en nog meer boeken, om plaats te nemen. Er wordt koffie gemaakt. Langs de lange muren van de voorheen varkensstal staan meters boekenkasten, jaloersmakend goed gevuld. We besluiten elkaar te tutoyeren. Op de vraag naar het manshoge houten beeld dat met uitgestoken rechterhand bij de entree staat, vertelt Snijders dat het een eerste kunstproject van zijn jongste zoon is, ‘Uw nieuwe vriend’ getiteld. ‘De bedoeling is’, Snijders gaat voor het beeld staan, ‘dat als je hier binnenkomt het beeld een hand geeft. Nou is mijn ervaring dat handarbeiders, timmerlui enzo die hier komen, die geven het beeld een hand. Maar mensen die aan de universiteit gestudeerd hebben, die doen dat niet.’ Hij gaat zitten. ‘Dit is natuurlijk een zeer persoonlijke constatering die ook best niet waar kan zijn. Begrijp je?’

    Voor we goed en wel zijn begonnen, komt de dochter binnen. ‘Hij zit er niet in Peter.’ Ze zet een bak met sleutels op tafel. ‘Dat meen je niet’, roept Snijders. ‘Verdomme, wacht even.’ Hij staat op en helpt zoeken, ook de verloofde komt erbij. Snijders zegt: ‘Dit is geen manier om een interview te doen.’ Er wordt naarstig gezocht in doosjes en trommeltjes. Tot onder ah- en oh-geroep, de sleutel gevonden is. Dochter en verloofde gaan weer naar buiten. Snijders kijkt hen na.
    ‘Sinds een maand ben ik weer verloofd, jij bent nu getuige van mijn nieuwe leven. Drie jaar geleden is haar man overleden, en een paar maanden geleden hebben wij elkaar gevonden.’

    Het leven van A.L. Snijders speelt zich af rond de landelijk gelegen plek bij Lochem waar hij in 1971 met vrouw en vijf kinderen is neergestreken. De kinderen zijn allang volwassen en zijn vrouw overleed in de lente van 2018. Het is een plek waar het leven onvoorbereid lijkt en alles zich tot een zkv vormt, inclusief de onbegrijpelijke elementen die daarin voorkomen.

    Ik sprak met de schrijver over wat een zkv is, over eenzaamheid, bekend zijn en onbegrijpelijk te willen schrijven. Het gesprek wordt omlijst door bijgeluiden als het verplaatsen van spullen, gerommel in de keuken, piepend opengaande deuren, heen en weer lopende vrouwen en het blinde hondje, Besje. Soms vallen er hiaten in het gesprek, omdat namen zich niet aandienen of wordt de lijn van het te vertellen verhaal zo ver uitgesponnen dat de draad even losraakt. Om dan uit te komen bij de vraag: ‘wat is de betekenis van de zkv’s van A.L. Snijders in de Nederlandse literatuur?’ Niet dat we dat van tevoren bedacht hadden.


    Niet al je stukjes zijn een zkv las ik eens, welke zijn het wel?

    ‘Laatst heb ik er een geschreven over een bezoek aan Deventer, waar het oudste huis van Nederland staat met een 375 jaar oude beuk. Ik zat in tijdnood en dan krijg ik iets onverschilligs, kan het me niet meer schelen of het te begrijpen is of niet. Ik deed er nog een gedicht van een Chinese dichter bij uit een bundel die ik net had ontvangen van een man waar ik al veertig jaar mee correspondeer. Dat bundeltje ligt nu boven want daar lees ik ‘s avonds uit voor aan mijn verloofde. Maar dat stukje is voor mij een echt zkv, omdat ik in het eerste gedeelte een kunstenares noem, maar niet zeg wie het is, wat ze doet. Ik leg niet uit dat zij een Nederlandse kunstenares is die erg onbegrijpelijke beelden maakt. In een langer stuk zou ik uitleggen dat ze de vrouw van de zoon van een broer van mijn overleden echtgenote is. En dat gedicht is uit de elfde eeuw, maar dat zeg ik er ook niet bij. Wat begrijpelijkheid betreft is dat zkv op het nippertje. Het intrigeert mij bovenmate dat in de elfde eeuw Japanners en Chinezen de meest fantastische poëzie schreven, poëzie die wij nu pas maken. Het is mijn grote ideaal om er dingen in te zetten waarvan je denkt ”wat heeft dat te betekenen?” .’
    ‘Je kijkt nooit naar het aantal woorden?’
    ‘Nee, daar heeft het niks mee te maken. Als er op zijn minst maar één dingetje raar is, dan reken ik het tot een zkv. Dus niet als een zeer kort verhaal, maar die afkorting die een eigen leven is gaan leiden.’


    Overbodige voegwoorden

    Er is sprake van een ontstaansgeschiedenis van het zkv. In de jaren vijftig, toen Snijders op het Spinozalyceum in Amsterdam zat lag hij altijd overhoop met zijn leraar Nederlands. Deze wilde hem leren dat in een samengestelde zin de verschillende delen aan elkaar gekleefd moeten worden met een voegwoord. Dat vond Snijders ‘volkomen nonsens’, al wist hij nog niet waarom.
    Snijders: ‘Die leraar gaf als voorbeeld: “Ik pak mijn paraplu, omdat het regent.” Dat ‘omdat’ of ‘want’ moest er per se bij. Dat gaf aan dat het een bij het ander hoorde. Ik vond dat onzin.’ Die leraar werd overigens zijn opmerkingen zat en verbood hem op een gegeven moment nog iets in te brengen tijdens de les. Daar begon iets, werd een kiem gelegd.

    ‘Later met die zkv’s wilde ik het korter maken en ik zag dat je veel van die voegwoorden gewoon weg kunt laten omdat je hersens een volkomen eigen manier van denken hebben. Die maken de verbinding ook zonder dat voegwoord wel. Zo nam ik dus wraak op die leraar Nederlands. In het begin van het zkv werd ik soms kwaad als mensen daaraan vasthielden. Als ik schreef: ‘Ik neem mijn paraplu mee, het regent.’ Dan kon dat niet. Voor sommige mensen schrijf ik nu eenmaal onbegrijpelijk.’


    Lees je de kritieken op wat je schrijft?

    ‘Het is allemaal toeval als ik dat hoor, ik ga er niet naar op zoek. Ik zal je een voorbeeld geven. Ik ken een man uit Zutphen, Hans Heesen, die veel organiseert op literair gebied. Hij is negen jaar geleden begonnen met het lezen van Mei van Gorter in Utrecht, en doet dat nu in Zutphen.’
    Gekrabbel aan de buitendeur. Snijders staat op, hond Besje dribbelt schijnbaar doelbewust naar binnen.
    ‘…Heesen heeft verschillende jaren Mei-lezingen georganiseerd en op één keer na deed ik altijd mee. De laatste keer bij Mei lezen, een paar weken geleden, vertelde Heesen dat er twee mensen zijn die het langst meedoen, dat zijn Wim Noordhoek en ik. Wim was afwezig, want hij is erg ziek. Er waren deze keer honderdnegenentwintig dichters en schrijvers die meededen. Ik werd daar met alle egards behandeld. Na afloop kwam er ook nog een meisje naar me toe dat zei: “U was de beste.” Later sprak ik een jongeman die ook had meegedaan, die vertelde dat er mensen waren die hadden gezegd: “Die Snijders, die kan er echt niets van. Zoals hij het heeft voorgelezen, zo staat het er helemaal niet.” Kijk, en dat vind ik nou interessant. De een zegt, je was de beste en de ander vond hetzelfde helemaal niks.’


    In de supermarkt

    Snijders is een landelijke bekendheid, zelf lijkt hij dit maar amper te beseffen. Zijn verbazing is oprecht wanneer hij vertelt met ‘alle egards’ behandeld te zijn. In 2011 werd er werk van hem vertaald door kortverhaal schrijfster Lydia Davis voor Asymptote, een internationaal online tijdschrift voor vertaalde literatuur.
    ‘Weet je wat nu curieus is? In Lochem zijn vier supermarkten, maar er is er maar één waar ik aangesproken wordt als schrijver, en dat is bij Albert Heijn. Daar komen, denk ik, mensen die Radio 4 luisteren en boeken kopen. Bij die andere supermarkten ben ik nog nooit aangesproken.’


    Is het lezen van zkv’s dan toch een elitaire aangelegenheid?

    Lacht, ‘Ja, elitair als de pest. Ik gebruik teveel moeilijke woorden. Wat heeft dat nou te betekenen wat ik schrijf vragen mensen zich af, ze ergeren zich er wel aan. Ik probeer nu verder te gaan met het zkv, het nog onbegrijpelijker te schrijven. Al wil ik niet volkomen onbegrijpelijk schrijven.’

    Veert op en kijkt me enthousiast aan. ‘Weet je, dat is nu het aller, aller interessantst, de schrijver die door de hele moderne literaire wereld als een van de allergrootsten wordt beschouwd, die deed dat wel. Die schreef absoluut onbegrijpelijke dingen. Arthur Rimbaud wordt beschouwd, en terecht, als de grote vernieuwer van de poëzie. Hij heeft een boekje geschreven, Les illuminations, in moeilijk Frans en er is geen touw aan die stukjes vast te knopen. Ik lees ze bijna elke avond die stukjes waar ik niets van begrijp. Ik vind dat werkelijk fascinerend. Toen Rimbaud vijfentwintig was heeft hij gezegd dat het allemaal flauwekul was wat hij geschreven heeft. Hij vertrok naar Afrika om in wapens te gaan handelen, wilde niets meer met literatuur te maken hebben. Zijn moeder en zuster waren erg bezorgd, bang dat hij ziek zou worden. En dat werd hij ook, hij stierf voor zijn dertigste. Dat leven van die man, onbegrijpelijk.’

    De verloofde komt binnen, vraagt waar ze moeten zoeken naar het apparaat, een Kärcher, dat de dochter mee naar Amsterdam wil nemen. Dochter komt erbij, ‘Op de deel moet je kijken’, zegt Snijders. ‘De hele deel moet je bekijken.’ De vrouwen lopen samen naar achteren. ‘En daartussen ook, en de vaaltstal’, roept hij ze nog na. Dan: ‘Rimbaud had dit prachtig gevonden.’


    Plaats in de literatuur

    Als we het hebben over de betekenis van het zkv in de literatuur, komt de verwachte zoon binnen, enthousiast en even praatgraag als zijn vader. Hij zet koffie voor ons terwijl Snijders een anekdote vertelt, hoe hij een paar dagen terug met zijn verloofde op een bankje voor het huis zat.
    ‘We hadden het over de betekenis van de zkv’s van Snijders in de literatuur. Er kwamen een man en vrouw op de fiets voorbij, ze stopten en ik vroeg: “Wat vindt u nou van A.L. Snijders, hoe schat je Snijders in binnen de literatuur? Toen zei die man: “De beste schrijver ter wereld is Toergenjev, de tweede plaats is ook voor Toergenjev, de derde is ook voor Toergenjev, de vierde is voor Karel van het Reve en de vijfde is voor A.L. Snijders.” Zomaar, een onbekende man die met zijn vrouw op de fiets voorbij komt. Dat kun je niet bedenken. Nou ja, en je weet’, gaat hij nog even verder, ‘wie van Toergenjev houdt, die houdt niet van Dostojevski, dat weet ik weer van Karel van het Reve die daarover heeft geschreven.’

    De vrouwen komen weer terug, ze hebben het apparaat gevonden. Snijders vraagt of alle onderdelen erbij zitten. ‘Er hoort wel een heleboel bij hoor.’ ‘Oh, zegt dochter, dit is toch goed met zo’n spuitding. Dat is het toch?’ ‘Jaha’ zegt Snijders, ‘maar je moet toch nog eens kijken of er nog een andere is. Zou best kunnen dat er meer zijn. Nog zo’n heel ding.’ ‘Oh, zegt dochter, ‘dat dit ‘m niet eens is. Dat er een met een andere kleur is.’ Beide vrouwen verdwijnen weer naar achteren. Snijders roept tegen de dichtvallende deur, ‘Of je moet even proberen of deze het doet.’


    Zelf gelooft Snijders niet dat het zkv van enige literaire betekenis is.

    ‘Wat mij opvalt is dat schrijvers, en dit is natuurlijk een open deur, zo gauw ze dood zijn helemaal weg zijn. Vestdijk wordt niet meer gelezen, terwijl dat een fantastisch schrijver is. Dat lijkt ook alleen maar in Nederland te gebeuren, het onderwijs helpt daar natuurlijk ook niet aan mee. In Frankrijk kun je jong en oud nog een boek van Flaubert in de metro zien lezen.’


    In een interview zei je eens het liefst zonder publiek te willen zijn, is dit een pose of zit hier een kern van waarheid in.

    ‘Dat moet je niet te letterlijk nemen maar ik herken dat nog wel ja, dat ik het liefst een schrijver zonder publiek ben. Als ik word geconfronteerd met dingen die ik eerder heb gezegd, dan ben ik het er bijna altijd nog steeds mee eens. Het heeft ook wel te maken met toen mijn echtgenote gestorven was. Veel mensen zeiden, “Nu ga je hier zeker wel weg, want je wilt hier toch niet in je eentje zitten.” Qua Nederlandse begrippen woon ik erg eenzaam, zeker als de buren op vakantie zijn. Dan komt er helemaal niemand op dit paadje voorbij. Maar de eenzaamheid staat me absoluut niet tegen. In dat kader moet je volgens mij de opmerking dat ik geen publiek wil, begrijpen. Ik ben niet tegen publiek, maar ik doe er niets voor. Tot voor kort woonden al mijn kinderen in Amsterdam, dat is de weg die ik het meeste rijd. Wat cultuur betreft gebeurt het meeste daar. In mijn eentje hier blijven wonen heeft een verband met de opmerking geen publiek te willen. Dan is er ook de variant, “zou ik ook schrijven als ik niet werd uitgegeven?”, dat denk ik eigenlijk wel, ja. Ik denk dat ik zou blijven schrijven.’


    Heb je er wel eens over gedacht geen letter meer op papier te zetten?

    ‘Dat zou ik wel eens gedacht kunnen hebben om een reden. Als ik nu zonder druk stukjes zou moeten schrijven, zou ik wel minder schrijven. Omdat ik ook wel behoorlijk lui ben, dat komt er ook nog bij. En mijn dochter, vlak voordat jij kwam, zei me nog dat ik moest ophouden met dat schrijven. Want ik had gezegd dat er nog iemand kwam voor een interview. Toen zei ze: ‘Hou daar toch eens mee op, ga nou eens een makkelijk leven leiden.’


    De gedachte om te stoppen is er dus niet?

    ‘Die is er net zo min als als de gedachte dat ik hier weg zou gaan. En dat wist ik dus niet dat dat echt zo zou zijn, tot mijn vrouw werkelijk dood ging, begrijp je? Al twintig jaar leed ze aan de gevolgen van longkanker, aan de gevolgen van de medicatie is ze overleden. Dat wisten we, dat dat zou gebeuren. Maar het hoorde ook heel erg bij haar en bij mij dat we het negeerden. Dus toen het gebeurde, bleek dat we ons er mentaal op hadden voorbereid, maar niet door middel van gesprekken met elkaar. Dat moest op een andere manier worden opgelost, namelijk door de praktijk van het leven. Toen ik dus hier in mijn eentje kwam te zitten, merkte ik wat ik op dit punt waard was.’
    ‘Je bedoelt los van je levenspartner?”
    ‘Ja, dat, en in je eentje wonen in een veel te groot huis dat veel aandacht behoeft. Toen is mijn leven wel grijs en traag geworden. Ik kreeg allerlei kwalen die ik daarvoor nooit had gehad en waarvan de dokter zei dat dat te maken had met het verlies. Dan dacht ik, ja, hoe weet je dat nou? Maar toen leerde ik deze dame kennen’, kijkt naar buiten waar ze  met zijn zoon voor het huis zit, ‘en nu is het leven lichter.’


    Duizenden zkv’s schreef Snijders

    Eerst werden ze alleen verstuurd naar zijn kinderen en vrienden, later werden ze gepubliceerd, werd hij gevraagd om te schrijven. Hierover een anekdote die waar is zegt Snijders:
    ‘Ik heb in mijn leven nooit iets opgestuurd naar een uitgever of tijdschrift om mezelf aan te bieden. Nooit, niks. Alles wat er gebeurde ging via via, het breidde zich vanzelf uit. Ik doe wat bij me past. Nog altijd word ik aangekondigd als de schrijver die de Constantijn Huygensprijs heeft gewonnen, maar zelf had ik er geen idee van dat iemand mij een prijs zou geven. Dus toen ik opgebeld werd, nou ja daar heb ik wel over geschreven, toen was ik alleen thuis en ik dacht dat het iemand was die me een telefoon wilde verkopen of zoiets. Toen werd er gezegd dat ik een prijs had gewonnen. Ik kon dat bijna niet geloven. Want iedereen denkt dat bij een literaire prijs er eerst een aantal genomineerd worden en dan een shortlist van drie bekend wordt gemaakt. Bij dit soort prijzen, zoals de Constantijn Huygensprijs weet je helemaal niet dat je genomineerd bent. Dat is een volkomen andere prijs. Dat vind ik dan weer erg leuk, het hoort veel meer bij mij dan die andere, meer commerciële prijzen.


    Had je er wel eens over gedacht hoe het zou zijn om een literaire prijs te winnen?

    ‘Niet echt nee. Maar ik kende wel de uitspraak van, kom, hoe heet ie, de grootste katter van literair Nederland, Gerrit Komrij. Die heeft die uitspraak gedaan dat als je in Nederland schrijft en nog nooit een prijs hebt gewonnen, je volstrekt talentloos bent. Een fantastische uitspraak. En dat gold dus voor mij, want ik had nooit een prijs gewonnen. Toen ik dan die prijs kreeg, heb ik in een stukje daarover geschreven dat die uitdrukking van Komrij altijd als een aap op mijn schouder had gezeten en mij liet voelen dat ik niks waard was. Tot iemand mij belde en zei dat ik een behoorlijk prestigieuze, dat zegt iedereen erbij dat het een prestigieuze prijs is, gewonnen had. En dat toen die aap door mij losgelaten kon worden. Ik zag hem uit het huis verdwijnen, ik geloof zelfs dat het die dag nog sneeuwde ook. Die aap vertrok en daardoor was ik bevrijd van Komrij’s uitspraak. Volgens zijn norm hoorde ik er nu behoorlijk bij. Eigenlijk werkt het zo nog steeds, bij iedereen.’

    ‘Wat die prijs betreft heb ik me ook ongelofelijk vergist. Ik was er echt trots op en ik kreeg ook nog tienduizend euro. Ik dacht, dat ebt weer weg. Maar dat is niet zo, want bij elke voordracht die ik doe, kijken de mensen van de bibliotheek onder mijn naam en dan zien ze ‘Oh! prestigieuze prijs!’ En die wordt elke keer genoemd. Zo werkt dat  dus. Het gaat helemaal niet voorbij, ik ben gewoon een naam daarin. Begrijp je?’

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto © Bas Uterwijk

     

  • Teksten tentoonstellen

    Ik kwam – natuurlijk – voor The Elgin Marbles, maar was misschien wel meer onder de indruk van wat er tijdelijk in één van de vitrines lag: het manuscript van Alice in Wonderland van Lewis Carroll. De door Carroll zelf geïllustreerde eerste versie van het verhaal maakte deel uit van een tentoonstelling waarin nog veel meer bekende werken in het handschrift van hun maker te zien waren. Alice’s Adventures under Ground – die titel gaf Lewis Carroll zijn kerstcadeautje voor Alice Liddell – bewonderend, had ik het gevoel dat ik  Lewis Carroll aan kon raken.

    Het zal de samensteller van de tentoonstelling in The British Library – toen nog gevestigd in hetzelfde gebouw als het British Museum – weinig moeite gekost hebben om met al het materiaal dat voorhanden was die mooie expositie te maken. Terwijl tentoonstellen eigenlijk niet de core business van deze bibliotheek was en is. Laten zien wat ze in huis hebben, is in zekere zin bijzaak. Het gaat The British Library net als de Nederlandse evenknie – de Koninklijke Bibliotheek – om het verzamelen van wat verschijnt, zodat het culturele erfgoed behouden blijft en bestudeerd kan worden.

    Voor musea ligt dat anders. Van musea wordt juist verwacht dat zij iets laten zien. Dat zij aan de hand van voorwerpen een verhaal vertellen.
    Bij voorwerpen denk je in dit verband niet meteen aan teksten, maar soms durft een museum het aan om documenten en teksten centraal te stellen in een expositie. Veertien jaar geleden zag ik zo’n tentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel: Arthur Rimbaud (1854-1891). Een seizoen in de hel. Zorgvuldig uitgelicht waren daar onder andere de processtukken van de zaak Rimbaud versus Verlaine te zien, maar ook andere paperassen, en wie dat wilde kon op een bed in de ziekenzaal naar Un saison en enfer luisteren. Ik las, luisterde en keek mezelf aandachtig door de veertien zalen die de tentoonstelling telde.

    Aan die voorbeeldige tentoonstelling moest ik denken toen ik op de laatste zondag van de Boekenweek gratis met Griet naar Leeuwarden reisde en in het Fries Museum Mata Hari: de mythe en het meisje zag. Vooraf verwachtte ik vooral voorwerpen te zien. Ik hoopte op een tentoonstelling à la Sarah Bernhardt – De Kunst van het Grote Drama, die de actrice tot leven bracht aan de hand van objecten die haar omringden.
    Ik kwam enigszins bedrogen uit. Er waren voorwerpen te zien, maar de meeste verkeerden nooit in de nabijheid van Mata Hari. Er was vooral veel te lezen, waaronder de aanklacht, het bewijsmateriaal, het doodvonnis en de brief waarin zij zichzelf vrijpleit en om gratie vraagt (en fanmail in een glazen kastje).
    Het zag er mooi uit, maar inhoudelijk schoot de tentoonstelling wat mij betreft tekort. De mythe en het meisje kwamen allebei onvoldoende uit de verf. Na afloop wilde ik vooral meer weten, bijvoorbeeld of er terecht vraagtekens gezet worden bij het jaar waarin Isaac Israëls Mata Hari portretteerde. Daarom ben ik inmiddels weer in een biografie over Margaretha Zelle begonnen. Weer, want ik las er het afgelopen jaar al drie.

     

    Foto: fanmail in een glazen kastje

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Lezen zonder last en ruggespraak

    Lezen zonder last en ruggespraak

    Het kan geen kwaad als ik af en toe duidelijke leesafspraken met mezelf maak. Doe ik dat niet, dan loopt een boek dat onverdeelde aandacht verdient het risico dat het gezelschap van verwante titels moet dulden. Voor de duidelijkheid: ik ben geen lezer die meer dan één boek tegelijk leest. Ik kan alleen de verleiding moeilijk weerstaan als het ene boek het andere uit de kast lokt.
    Omdat ik de bui al zag hangen, sprak ik mezelf streng toe voordat ik in De haas en de regenboog van Paul Claes begon. Onder het mom van ‘deze roman moet voor zich spreken’ verbood ik mezelf ook maar één boek van of over Arthur Rimbaud uit de kast trekken.

    De haas en de regenboog gaat over de Londense periode van de dichters Arthur Rimbaud (de regenboog) en Paul Verlaine (de haas). Zij onderhielden een vriendschap met homo-erotische trekken die met een knal eindigde. Verlaine schoot Rimbaud in zijn arm, werd veroordeeld (niet vanwege het schieten, maar vanwege de tegennatuurlijke aard van zijn omgang met de minderjarige Rimbaud) en belandde in de gevangenis. Het kwam tussen de twee nooit meer helemaal goed.
    De feiten zijn mij bekend sinds ik in 2004 op de tentoonstelling Arthur Rimbaud (1854-1891). Een seizoen in de hel in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel de processtukken inzag. Ik zou me tijdens het lezen tot die feiten en wat weetjes beperken en voor de rest vertrouwen op wat literatuur zoal vermag.

    Ik weet niet meer precies vanaf welke bladzijde ik excuses begon te verzinnen om op mijn voornemen terug te kunnen komen, maar na verloop van tijd wilde ik toch weten waar in deze historische roman de werkelijkheid ophoudt en de verbeelding begint. (Het viel vervolgens helemaal niet mee de betreffende periode in Arthur Rimbaud, de biografie van Enid Starkie, te traceren).
    Door al die strofen die Paul Claes citeert, kreeg ik bovendien heel veel zin in Rimbaud zelf, en zo zat ik nog voordat ik De haas en de regenboog goed en wel uit had al met Een seizoen in de hel – het prozagedicht dat bij verschijnen een experiment heette te zijn, maar tegenwoordig een meesterwerk gevonden wordt – op schoot.

    Paul Claes heeft Een seizoen in de hel vertaald en met veel kennis van zaken geannoteerd, maar wel zo gedetailleerd dat het nog maar voor één uitleg vatbaar lijkt. Die aantekeningen sloeg ik over. Ondanks De haas en de regenboog hoopte ik Een seizoen in de hel redelijk blanco te kunnen herlezen.
    Dat lukt natuurlijk niet, want de roman van Paul Claes leest als één lange voetnoot bij het prozagedicht van Rimbaud. Nu ik net heb gezien en gehoord dat Arthur Rimbaud en Paul Verlaine in Londen allesbehalve liefdevol samenleefden, en gelezen hoe radicaal Rimbaud brak met literaire conventies en in Een seizoen in de hel alles op alles zette, kan ik onmogelijk doen alsof dit boek niets te maken heeft met het leven van de negentienjarige die het schreef. Ik is niet altijd een ander.

     

     

  • Rimbaud de zoon

    Door Wil van Basten-Malipaard

    ”…o moeder die me niet leest  (…) vader die nooit met me zal praten”.

     Bij toeval belandde deze korte ‘biografie’ van Pierre Michon (1945) over een deel van het turbulente leven van de jonggestorven Franse dichter Arthur Rimbaud (1854-1891) in de sublieme vertaling van Rokus Hofstede op mijn bureau. Vooral door de kwaadaardige eerste twee zinnen werd ik weer, exact zoals destijds in 1991 bij de eerste Franse uitgave, aangezet om verder te lezen.

    “Men zegt dat Vitalie Rimbaud, geboren Cuyf, een dochter van het platteland en een boosaardige vrouw, een vrouw die leed en boosaardig was, het leven schonk aan Arthur Rimbaud. Men weet niet of ze eerst vervloekte en pas daarna leed of dat ze haar lijden vervloekte en toen in die vervloeking volhardde; ofwel dat in haar geest vervloeking en lijden elkaar overlapten, aflosten, aanwakkerden onlosmakelijk met elkaar verbonden als de vingers van haar hand, die zo geïrriteerd waren geraakt door het contact met haar leven, haar zoon, haar levenden en haar doden dat ze ze tussen haar zwarte vingers vermorzelde.”

    Deze twee zinnen zeggen veel, zo niet alles over het begin van de carrière van Rimbaud als dichter.

    Michon suggereert dat zij de oorzaak is van Rimbauds niet aflatende opstandigheid, die hem als een wervelwind door de porseleinkast van de Franse letteren jaagt en hem na een literaire bliksemcarrière van vijf jaar en na veel omzwervingen uiteindelijk als wapenkoopman in het Afrikaanse Harrar, ver van alle verzen van de wereld, doet belanden.

     En deze twee zinnen tonen het fraaie en rijke proza van Michon waarvan de stijl in hoge mate doet denken aan de poëzie van Rimbaud. Wilde Rimbaud zoals Victor Hugo het vers in eigen persoon belichamen ‘le vers personellement’, zo lijkt het erop dat Michon door zijn werk dit ideaal eveneens voor zijn eigen proza nastreeft. Zijn taal is rijk, poëtisch, confronterend en soms verpletterend. Hij werkt met veel tegenstellingen, synoniemen, woordomwisselingen, metaforen. Lange zinnen. Veel prachtige stijlfiguren zijn in zijn werk moeiteloos te vinden.

    Voor de liefhebbers van literatuur is ook dit werk een juweeltje van vertelkunst. Niet voor niets is Pierre Michon in oktober 2009 onderscheiden met de Grand Prix du roman de l’Académie française voor zijn werk Les Onze waar hij vijftien lange jaren aan werkte.

     

    Michon heeft niet gekozen voor de traditionele biografie.  De vorm die hij kiest is uniek. Het perspectief wisselt voortdurend. Michon kruipt in de huid van de alleswetende schrijver die zich overigens bescheiden opstelt, of richt zich als verteller rechtstreeks tot de dichter of tot de lezer.

    Volgens de informatie op de achterflap bestaat het verrassende vertrekpunt voor deze biografie uit de weinige foto’s en portretten die van Rimbaud bewaard bleven. Helaas zijn in dit werk slechts twee van deze foto’s opgenomen, uitgebreid beschreven en becommentarieerd.

    Carjat_Arthur_Rimbaud_1872

    Foto 1: ‘Hij kijkt naar zijn model. Hij ziet dat de stropdas scheef zit; hij ziet de kleur ervan, die wij niet kennen. Het vest is rood of zwart, dat zal onduidelijk blijven, de foto is in zwart-wit. Hij bedenkt dat die stropdas straks rechtgetrokken moet worden ? of toch maar niet, deze jongeman is een dichter, het is goed dat de stropdas van dichters scheef zit.’ blz. 79. De ‘hij’ in dit citaat is de Parijse fotograaf Etienne Carjat die onsterfelijk is geworden door dit beeld van Rimbaud voor de eeuwigheid vast te leggen in een ovaal portret. Een soort aureool. Die ‘mandorla’ die tegenwoordig in de wereld bekender is dan de doek van de heilige Veronica, die betekenisvoller en leger is, die zeer verheven icoon waarop de stropdas voor eeuwig scheef zit, de stropdas waarvan we nooit zullen weten welke kleur hij had.  (…) het portret dat even zwaar weegt als het hele dichtwerk bij elkaar, of bijna’, zo schrijft Michon op blz. 88. De foto werd gemaakt in 1871! De begintijd van de fotografie.

     

    Henri_Fantin-Latour_005

     Foto 2 op de voorkant is een deel van het schilderij Le Coin de table. Het fabuleuze groepsportret van Verlaine en Rimbaud met zes andere, inmiddels vergeten dichters. Wij zien hier alleen hoofd en haardos van Rimbaud. De andere ‘foto’s’ die als basis dienden zijn geschreven portretten van de voor Rimbaud belangrijke personen in zijn (literaire) leven en komen min of meer chronologisch voor in de zeven hoofdstukken van het boek.

    Zijn vader, Frédéric Rimbaud, is kapitein bij het Franse leger en vaak uithuizig. Zijn moeder, Vitalie Cuyf, een boerendochter, voedt de (vier) kinderen met ijzeren hand op. Frédéric Rimbaud verlaat haar in 1860. De 22-jarige Georges Izambard, leraar op het Collège van Charleville stimuleert de vijftienjarige Rimbaud om zich op poëzie toe te leggen en leert hem alles over de alexandrijn (roede genoemd in de vertaling van Rokus Hofstede). Dan volgt Théodore de Banville wiens gedichten niemand meer leest maar die rond 1870 als mentor van de Franse dichters optrad.

    Op 16-jarige leeftijd gaat Rimbaud naar Parijs, op uitnodiging van de door hem bewonderde dichter Paul Verlaine, die hij enkele gedichten toegestuurd heeft en die in hem een groot talent herkent. In werkelijkheid ontwikkelt zich een stormachtige homoseksuele relatie tussen Verlaine en Rimbaud. De eerste paardans wordt zeer beeldend beschreven op blz. 55. Michon geeft a.h.w. een ooggetuigenverslag van dat moment in de donkere kamer achter zonneblinden. ‘… , stuwden ze zich vast en terwijl ze aan die mast hingen, die niét de roede was, geschiedde het dat ze huiverden en een ogenblik weg waren van deze wereld, …’

    Het einde van de relatie met Verlaine en de publicatie van Une saison en enfer betekenen voor Rimbaud het afscheid van de literatuur/poëzie. Het boek eindigt hier ook. Rimbaud is dan weer terug bij zijn familie in Roche, in de Ardennen. Hij schrijft daarna nooit meer ook maar één vers.

    Michon beperkt zich uitsluitend tot het literaire leven van Rimbaud. Het genie Arthur Rimbaud.

    De vele omzwervingen na de breuk met Verlaine door Europa en Afrika blijven dus geheel onvermeld. Enkele jaren later, terug in Frankrijk vanwege zijn gezondheid, bezwijkt Rimbaud in een ziekenhuis in Marseille aan botkanker in zijn rechterbeen.

     

    Michon maakt duidelijk dat Rimbaud aanvankelijk de zoon is van al deze voor hem belangrijke personages. Hij is de leerling, maar hij maakt zich successievelijk ook weer los van hen. En hij wil zelf geen opvolger. Niemand mag in zijn voetsporen treden. Hij wordt zelf geen vader in de beide betekenissen van het woord. Hij geeft ‘zijn stekje’,  zoals Pierre Michon dat noemt, niet door. Op blz. 92 lezen we: ‘… dat hij misschien ophield met schrijven omdat hij niet de zoon van zijn werken kon worden, dat wil zeggen, er het vaderschap van kon aanvaarden. Hij vond het beneden zijn waardigheid de zoon van Le bateau ivre, van de Saison en van Enfance te zijn, zoals hij evenzeer had geweigerd de nakomeling te zijn van Izembard, Banville of Verlaine.’

     ‘Men zegt dat…’, is de steeds terugkerende beginformule die aangeeft dat Michon zich evenals alle anderen baseert op anekdotes, verhalen, vermoedens, interpretaties van feiten, enz.   Toch heeft hij een duidelijk merkbare, degelijke research verricht voor dit werk. Helaas worden zijn bronnen niet vermeld. De vertaler heeft enkele verhelderende aantekeningen bij de tekst gevoegd. Geen echte biografie dus, maar een persoonlijke, subjectieve interpretatie van Michon.   

    Ook gaat Michon er vanuit dat de lezers op de hoogte zijn van het werk en leven van Rimbaud. En dat is zeker een pré als je dat bent. Hij spreekt dan over ‘wij’. Al drijft hij een enkele keer wel de spot met historici ‘…want lezen, dat kan niemand ? behalve  misschien de mensen die denken dat het om cijferschrift gaat, en lezen die soms beter? Gewetenloze romaneske schurken zijn wij. Nee, we lezen niet, ik net zomin als alle anderen. …’  zegt hij op blz. 65, bescheiden met enige zelfspot.

     

    Voor mij was het herlezen van dit werk aanleiding om Rimbaud weer eens ‘uit de kast’ te halen. En het moet weer gezegd worden:  ‘Sommige werken zijn zo de moeite van het herlezen waard!’ 

     Le bateau ivre  en  Une saison en enfer  hadden nu een heel andere uitwerking op me dan destijds toen ik verplicht was vanwege mijn studie Franse Taal- en Letterkunde deze grondig te bestuderen als een soort ‘cijferschrift’….

     

     

    Auteur: Pierre Michon

    Oorspronkelijke titel: Rimbaud, le fils  (1991 Editions Gallimard)

    Verschenen bij: Uitgeverij G.A. van Oorschot (1998, 2e druk)
    Vertaling: Rokus Hofstede, Amsterdam

    Prijs: ingenaaid €12,-, gebonden € 18,-