• Oogst week 25 – 22 juni 2022

    Weekdier

    Hans Depelchin (1991) werd in 2020 bij het grote publiek bekend met Weekdier. In deze roman schrijft de Oostendenaar over een gefingeerde Antwerpse groep jongeren in de Bevrijdingslaan. Een groot gedeelte beslaan hun relaties en seksualiteit. Over zijn eigen debuut zei hij, onder meer: ‘Ik wist niet dat ik zo pervers schreef.’ De Vlaamse én Nederlandse kritieken loofden hem echter om zijn veelzijdigheid, fantasie en realiteitszin wat de adolescentie betreft. De titel is een dichterlijke metafoor voor de gevoelige mens, zonder zijn schelp. Depelchins poëtische inborst moest wel leiden tot een gedichtenbundel: Spanriem.

    Doorgaans worden spanriemen gebruikt om goederen mee vast te zetten in aanhangwagens. Ze houden de controle over wat door snelheid wil bewegen, is het idee. Hoe vaak doet de mens dit niet met zijn emoties? Depelchin dicht in Spanriem over liefde en hoe wij haar niet kunnen (be)dwingen. Drie richtingen kijkt Depelchin uit om de liefde te ontdekken: naar land, naar zee – al refereert de titel hier niet direct aan – en in zichzelf. Bovendien leent zijn dichtkunst zich voor muzikale begeleiding. Er circuleren vele filmpjes op YouTube waar hij zijn gedichten voordraagt in samenwerking met WolfeWolfe en Breathe, twee muziekensembles. Zo wordt Spanriem de gevoelige snaar van een viool.

    Weekdier
    Auteur: Hans Depelchin
    Uitgeverij: De Geus

    Grensverkenningen – Langs oude grenzen in Nederland

    We hebben er bijna allemaal weleens één vastgehouden: een atlas. Voor de ene persoon een onuitputtelijke bron van verwondering en verrijking, voor de ander een raadselachtige stapel kaarten. Romancier en NRC-publicist Kester Freriks slaat de handen ineen met Martijn Storms – conservator Kaarten & Atlassen aan de Leidse universiteitsbibliotheek – om de Nederlandse geschiedenis aan de hand van grenzen te reconstrueren. Zij bewijzen in Grensverkenningen – Langs oude grenzen in NEDERLAND dat deze nooit willekeurig bestaan. Nu eens bakent een natuurlijke barrière zoals een rivier, zee of bergketen een gebied af, dan weer een door de mens gecreëerd legerfort.

    Freriks en Storms putten voornamelijk uit de collectie van Bodel Nijenhuis, die de Leidse universiteit postuum massa’s kaarten naliet. Bekend van zijn melancholische werk over Indonesië, Echo’s van Indië, bedrijft Freriks andermaal pure nostalgie. Waar Nederland te boek staat als een ‘onttoverd’ land, dat zelfs de groei van een berkenboompje regisseert, geeft de Jakartaan Nederland zijn magie terug. Hoe is onze strijd tegen het water in het landschap terug te zien? Waaraan herkennen we tot waar de prehistorische ijslaag reikte en welke nederzettingen ver voor de Romeinse hegemonie al bestonden? Door dit boek worden geen grenzen gesloten, maar geopend.

    Grensverkenningen - Langs oude grenzen in Nederland
    Auteur: Kester Freriks & Martijn Storms
    Uitgeverij: Athenaeum

    Tussen geld en God – Dostojevski voor beginners

    Van de meeste schrijvers hoeven we niet heel hun leven uit te pluizen. Sommige zijn echter zó groot, dat we geen andere keus hebben. Slavist Arthur Langeveld moet dit hebben gedacht over Fjodor Dostojevski. Over de Rus, bekend van onder meer Misdaad en Straf en De gebroeders Karamazov, schrijft de vertaler Tussen geld en God – Dostojevski voor beginners. Hem is deze klus wel toevertrouwd, getuige de in 1999 gewonnen Aleida-schotprijs en de in 2006 gewonnen Martinus Nijhoffprijs voor zijn vertaaloeuvre van Russische literatuur. Daarnaast promoveerde de Amsterdammer in 1988 bij Karel van het Reve met zijn proefschrift Vertalen wat er staat.

    Tussen geld en God is expliciet literaire non-fictie. Langeveld stelt zichzelf ten doel alle fictie, overdrijving en heraldiek uit zijn boek te weren. De feiten spreken voor zich. Zo was Dostojevski zo arm als een kerkrat, die bovendien daadwerkelijk kerken bezocht, als diepgelovig mens. Ten diepste wantrouwde hij het blinde geloof in de wetenschap als panacee voor alle menselijke problemen, wat blijkt uit zijn roman De jongeling. Toch behandelt Langeveld niet slechts ideologische schommelingen. Dostojevski’s turbulente leven kent een jeugd met een bullebak van een vader en een bewogen liefdesleven. Dit boek is dan wel voor beginners, maar bepaald niet voor Dummies.

    Tussen geld en God - Dostojevski voor beginners
    Auteur: Arthur Langeveld
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Sprookjesachtig verhaal over Wolgaduitsers

    Sprookjesachtig verhaal over Wolgaduitsers

    ‘De Wolga deelde de wereld in tweeën.’ Dit is de openingszin van Wolgakinderen, de opvolger van Guzel Jachina’s debuut Zulajka opent haar ogen. Een korte en krachtige zin, die de stemming van het boek haast bloot geeft. In de zin erna worden het vlakke, open steppenlandschap aan de linkeroever van de Wolga beschreven en de hoge bergen met steile, ruige kliffen en bossen van de rechteroever. Een landschap vol contrasten, zoals de mens is, zoals de wereld is.

    Wolgakinderen speelt zich af tussen 1916 en 1938 tegen de achtergrond van de Russische revolutie, Stalins Sovjet-Unie en de opkomst van Hitler. De geschiedenis treedt nergens op de voorgrond, maar is voelbaar aanwezig in de mensen die steeds grauwer worden ‘als muizen en vissen’. We volgen het leven in Gnadenthal, een Duitse kolonie bewoond door de zogenaamde Wolgaduitsers. Deze trokken ten tijde van Catharina de Grote naar Rusland en settelden zich in kolonies langs de Wolga waar ze hun gründliche Duitse leven voortzetten, zonder een woord Russisch te spreken. Door de Sovjetrepubliek werden ze “gebruikt” om Duitsland de positieve kant van het communisme te laten zien. 

    Sprookje

    Hoofdpersonage Jacob Bach is een zonderlinge, zwijgzame man van een jaar of dertig, geboren en getogen in Gnadenthal. Hij is schoolmeester, vooral geïnteresseerd in Duitse poëzie, heeft weinig met kinderen en voert zijn dagelijkse taken rigide uit. Totdat hij wordt ontboden bij Udo Grimm, een rijke boer die met zijn dochter en Kirgizische bedienden aan de overkant van de Wolga woont, achter de steile, onherbergzame klif. Hij geeft Bach de opdracht om zijn tienerdochter Klara te onderwijzen. Zij zit achter een kamerscherm want hij mag haar niet zien om niet verleid te worden. Klara spreekt een brabbelig dialect. Als haar stem zich steeds meer ontwikkelt en Bach haar opdraagt om hem voor te lezen, kan hij daar geen genoeg van krijgen. Ze leest zelfverzonnen sprookjes voor en ondertussen groeit er een gemeenschappelijke liefde voor de gedichten van Goethe.

    Als Udo Grimm met zijn hele hebben en houwen de boerderij verlaat om in Duitsland een man voor Klara te zoeken, ontvlucht ze haar vader en staat op een nacht op de stoep van Bach. Hij wil haar beschermen en met haar trouwen, maar dat is niet mogelijk in Gnadenthal. De bekrompen en (bij)gelovige dorpsgenoten denken dat ze een heks of zijn dochter is. Bach en Klara vluchten samen, terug naar de boerderij van Grimm waar hun sprookje kan beginnen, ware het niet dat de verschrikkingen in de buitenwereld hen alle geluk zullen ontnemen. 

    Kolchoz

    Dagelijks staat Bach op de klif en kijkt het dal in waar hij de revolutie van 1917 en de burgeroorlog voorbij ziet komen zonder precies te begrijpen wat er gaande is. Hij wijdt zijn leven aan Klara en is gelukkig. Maar Klara wordt niet zwanger en steeds ongelukkiger. Tot ze zwanger raakt na een verkrachting door langstrekkende rovers, waarna Bach zijn spraakvermogen verliest. Klara sterft negen maanden later in het kraambed. Bach zit wekenlang naast haar lichaam in de ijskelder, het kind vergetend. Tot hij beseft dat het moet eten. Hij gaat naar Gnadenthal om een geit te melken en wordt gesnapt. 

    Gnadenthal is een kolchoz geworden onder leiding van partijactivist Hoffmann. Hij predikt het communisme en de brave Gnadenthalers volgen vooralsnog zijn wil en wet. Hoffmann ontdekt dat Bach niet praat maar wel schrijft en ziet daarin ongekende mogelijkheden ten faveure van zichzelf. In ruil voor melk laat hij Bach schrijven over de Gnadenthalers en hun gewoonten, zodat hij dit volkje beter leert begrijpen. Hij bewerkt deze verhalen en stuurt ze naar de lokale krant. Als blijkt dat er voorspellende elementen in Bachs verhalen zitten die steeds vaker uitkomen, stopt Bach met schrijven. Hij wil niets met het communisme te maken hebben en trekt zich terug op de boerderij met Klara’s kind dat hij Antje heeft genoemd. 

    Stalin

    Het verhaal wordt grimmiger en breder getrokken als Stalin een bezoek aan Gnadenthal brengt. De man wordt aangeduid met Hij en later met De Leider. Hij ergert zich aan de propere Duitsers en ziet alles en iedereen om zich heen als nietig en onbetekenend. Zelfs de eerste tractor die in deze streek werd gebouwd, de trots van de kolchoz, vindt hij niks. Het bezoek van Stalin kan gezien worden als een grote metafoor voor het Sovjetregime.

    De verschrikkingen die het Rode Leger achterliet uiten zich vooral in de verandering van de mensen, die Bach vanaf zijn klif ziet of als hij Gnadenthal bezoekt. ‘Wat een oudemensengezichten waren het die Bach vanuit de vensterholen aanstaarden – waren dat de mensen die hij kende, of waren het hun vaders of grootvaders? Hij had voortdurend het gevoel dat die zeven jaar de mensen in de kolonie vele malen ouder waren geworden dan hijzelf; […] Wie keek daar naar hem uit het raam: de kunstschilder Anton Fromm, wiens gerimpelde gezicht met bolle lippen en naar voren stekende gebit definitief veranderd was in het smoeltje van een grondeekhoorn, […] en wie keek daar uit een derde raam? Emmy Meloen die al haar lichaamsvet was kwijtgeraakt en zo vermagerd was dat er alleen wat slappe blauwe kringen onder haar ogen waren overgebleven, […]’

    De Wolga

    Jachina heeft een rijke, beeldende stijl met veel metaforen waardoor je vaak het gevoel hebt een bont en kleurrijk sprookje te lezen. Ze put zich uit in natuurbeschrijvingen. ‘Hij kende de weg. De kardinaalsmutsen hadden als egels hun stekels opgezet. Gedrongen eiken omhelsden zichzelf, hadden hun takken om hun eigen stam geslagen. Hier en daar zaten er in de stammen zwarte gaten die gaapten als opengesperde monden, waaruit af en toe watervlugge schaduwen schoten: eekhoorns of marters of nog iets anders…’ En natuurlijk speelt de levensader van het boek, de Wolga, een grote rol. 

    Bach is aanvankelijk een bange en zwakke man, met weinig enerverende gedachten. Maar zijn liefde voor Klara neemt zulke vormen aan dat hij tot leven komt en een enorme intensiteit en kracht ontplooit. Waar Jachina haar personages rijk en breedsprakig beschrijft, krijgt Klara nauwelijks een gezicht. Jachina laat Bach haar ‘prachtig’ vinden, alsof hij geen andere woorden voor zijn diepe gevoelens voor haar kent. Later gaat zijn liefde op Antje over, het kind dat hij tracht te beschermen tegen het kwaad. Voor Antje heeft hij juist wel veel rijke beschrijvingen, wat iets zegt over de ontwikkeling van Bachs gevoelsleven. 

    Uiteindelijk raakt Bach bevrijd van zijn angsten; de angst Antje niet te kunnen beschermen, angst voor het communisme, angst dat alles voor niets was. ‘Waar waren ze bang voor? Wat voor onrust veranderde de mensen in vissen en muizen? Bach deed geen moeite om het antwoord te vinden, het enige wat hij wist was dat hij zelf niet was besmet door deze epidemie: Hij liep rustig door andermans angsten heen, alsof hij door ondiep water waadde zonder zelf nat te worden.’

    In deze prettig lezende vertaling van Arthur Langeveld toont de schrijfster van Tataarse origine met dit epische, sprookjesachtige, zeer gelaagde verhaal aan de hand van historische feiten, de tragiek van de Wolgaduitsers. 

     

     

  • Teaser met een laag soortelijk gewicht

    Teaser met een laag soortelijk gewicht

    Recensie door Rein Swart 

    Het boekje met het formaat van een zakagenda en een hele lange titel is slechts een teaser. Het verhaal dat erin staat moet de lezer op temperatuur brengen voor de nieuwe uitgave van De idioot die in een vertaling van Arthur Langeveld november 2013 verschijnt. Een kortingsbon is bijgevoegd.

    De vrouw van een ander en de man onder het bed is een wat drakerig verhaal in twee delen met een, zoals de titel af aangeeft, hoog slapstick gehalte. Het is een spraakverwarring tussen twee mannen, die gaat over een vrouw.

    Het eerste deel speelt zich af voor een voormalige generaalswoning, die door een knappe jonge man gehuurd wordt. De twee mannen die elkaar voor die woning ontmoeten stellen zich niet meteen voor: het heertje draagt een wasberenpels, de jongeman een overjas met tressen. Het heertje biedt om te beginnen zijn verontschuldigingen aan. Hij wil de jongeman iets vragen, maar durft niet zo goed en draait erom heen. Het kost hem veel moeite om zijn vraag te stellen. Deze gaat over een vrouw, die zich binnen moet bevinden. Hij wil dat weten voor een vriend die verderop wacht. Het gaat om diens vrouw. De jongeman paradeert al een tijdje voor de woning en wacht op een vrouw. De lezer maakt daaruit op dat om het dezelfde persoon gaat.

    In het tweede deel komen de mannen elkaar weer tegen, maar nu onder het bed van de knappe Liza die bezoekt krijgt van haar echtgenoot, een grijsaard. De jongeman ligt er al onder als het heertje geschrokken naast hem schuift. Weer dezelfde verwarring over wie wie is. Het heertje, dat op onderzoek uit is gegaan, omdat hij ontdekt heeft dat zijn vrouw een afspraak heeft in dit huis, beseft op een bepaald moment dat hij een etage te laag is.

    Het is niet wat het lijkt in dit verhaal. Het heertje, dat Ivan Andrejevitsj heet, is onbetrouwbaar. Hij is statig en snel op de teentjes getrapt maar erg bang om voor zijn gevoelens uit te komen.
    ‘Maar meneer! U behandelt mij, alsof ik niet meer dan een oude schoenzool ben,’ sprak Ivan Andrejevitsj in een opwelling van de meest deemoedige wanhoop en met een stem, waar een smeekbede in klonk. ‘Behandelt u mij met wat meer achting, een heel klein beetje meer achting – en ik zal u alles vertellen!’
    Een mooi voorbeeld van een Slavische mentaliteit.

    Voor de lezer is het eerste deel door de leugenachtigheid nogal verwarrend. Ook doordat het soms onduidelijk is wie wat zegt. Af en toe meldt de verteller zich. In het tweede deel uit hij zijn ergernis over het gedrag van Ivan Andrejevitisj, die onder het bed van een knappe dame gekropen is:
    ‘Ik weet niet voor wie Ivan Andrejevitsj zichzelf op dat ogenblik wel hield! Ook weet ik niet wat hem eigenlijk verhinderde de echtgenoot gewoon tegemoet te treden en hem te verklaren hoe hij in deze situatie verzeild was geraakt, om hem te bekennen dat hij zonder het te willen zich alleronfatsoenlijkst gedragen had, zijn excuses aan te bieden en dan te verdwijnen, weliswaar weinig eervol en zonder roem, maar tenminste op hoogstaande, onbedekte wijze.’   

    Wellicht maakt dit verhaal, dat niet zo veel om het lijf heeft, juist nieuwsgierig naar de nieuwe uitgave van De idioot, dat een heel wat zwaarder soortelijk gewicht heeft en dat is niet alleen letterlijk bedoeld.
    De vrouw van een ander en de man onder het bed

    Auteur: Fjodor Dostojevski
    Vertaald door: Arthur Langeveld
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot
    Prijs: € 7,50