• Stille gedachten

    Stille gedachten

    Wat komt Susan Sontag in het Sarajevo van 1993 brengen? De stad heette volgens de VN-resolutie 824 een VN-veilig gebied te zijn, onder de bescherming van UNPROFOR. Sontag regisseert er een toneelstuk. En wat doet Cody Garner er op hetzelfde moment? Komt hij iets brengen, of eerder iets halen; verhalen, avontuur, liefde, werk? Dat is de vraag in het eerste hoofdstuk van Het Stravinsky-spel van Arthur Japin. En misschien ook wel de centrale vraag in deze historische roman, waarin je als lezer meteen wordt meegenomen, maar die toch niet helemaal bevredigt.

    Susan Sontag (1933-2004) was een Amerikaanse schrijfster en filosofe. Japins partner Benjamin Moser schreef een veelgeprezen biografie over deze gekwelde vrouw: Sontag. In Het Stravinsky-spel raakt Cody Garner – een verzonnen personage en de ik-verteller – in de jaren veertig van de vorige eeuw bevriend met Sontag. Ze ontwikkelen samen een spel, het Stravinsky-spel, waarover straks meer.

    Cody, David, Sue

    Sontag vertelt aan het toneelgezelschap dat Cody komt assisteren bij de productie van Wachten op Godot van Samuel Beckett. ‘Je hebt geen idee’, schrijft ze hem, ‘hoeveel goed ze dat doet, alleen die mededeling al. Dat je hiertoe bereid bent, betekent dat zij door de wereld niet worden vergeten.’ En dat terwijl haar zoon David Rieff (die over zijn moeders laatste levensjaar het boek Swimming in a sea of death schreef), vanuit het getroffen gebied wereldkundig maakt wat er gebeurt. Dit zegt wat over de gespannen verhouding tussen moeder en zoon, die ze destijds heeft achtergelaten toen ze na haar studie in Europa weer terugging naar de Verenigde Staten. Japin geeft dit op die manier fijntjes, en later ook duidelijker, weer.

    Herinneringen voeren Cody terug naar de tijd dat hij in Los Angeles Susan Sontag, bakvis Sue, leert kennen. Ze zijn onafscheidelijk en doen intellectuele spelletjes, zoals het in een platenwinkel raden van het juiste Köchel Verzeichnisnummer terwijl ze naar een stuk van Mozart luisteren. Ze gaan naar films, struinen boekwinkels af, bezoeken tentoonstellingen en concerten.

    Stravinsky en Thomas Mann

    Zo horen ze op een gegeven moment het baanbrekende Le sacre du printemps van Igor Stravinsky in een uitvoering door het Los Angeles Philharmonic onder leiding van Otto Klemperer, een concert dat ook wordt bijgewoond door de componist en diens vrouw. Sue en Cody vinden uit waar het echtpaar woont en gaan op een dag op de stoep zitten luisteren naar pianospel, waarvan ze aannemen dat dit van Stravinsky is. Daar bedenken ze een spel, dat ze het Stravinsky-spel noemen: wat als je een poos(je) van je leven zou kunnen geven om Stravinsky of een andere kunstenaar, zoals de schrijver Thomas Mann, nog grotere kunst te laten maken? Zou je daartoe genegen zijn?

    Want ook op het werk van Mann zijn ze allebei dol, maar of een bijna zestienjarige, al dan niet vroegwijze puber zich daarover uit in woorden als: ‘Hoe hij dit gevoel van vrijheid afzet tegen het beklemmende, onvermijdelijk verziekende, ziekmakende moeras’ valt te betwijfelen.
    Beiden gaan studeren en ontdekken hun geaardheid: Susan (zoals ze zich inmiddels noemt) is bi- en Cody homoseksueel. Ze achterhalen via via Manns telefoonnummer en gaan op theevisite, wat ze achteraf allebei verschillend beleven; Cody begrijpt dat Susan ‘afstand prefereerde boven contact. Dat geldt voor haar idolen, maar misschien houdt ze die afstand uiteindelijk het liefst tot iedereen.’ In tegenstelling tot zoon David, die een band had met Susans vriendinnen, zoals de laatste partner van zijn moeder, de fotografe Annie Leibovitz. Nee, Susan Sontag, vertelt Cody, ‘genoot (…) naast haar roem, haar status (…) de reputatie ook gevaarlijk harteloos en ongeïnteresseerd te zijn, snel opgebrand en dan onnodig beledigend of ronduit bot en wreed.’ Hij verklaart dit ‘uit onmacht, uit verlegenheid, uit die hang naar stille gedachten en dat aangeboren onvermogen om zich in andermans gevoelens te verplaatsen.’

    Opmerkingen als deze geven diepte aan het karakter van Sontag in een verder rustig voortbewegend verhaal in een mooie stijl, zoals we dat van Japin kennen. Soms slaat hij een zijpad in zoals de vergelijking van hiv met de oorlog in Bosnië Herzegovina. Als thema komt hiv in het verhaal terug wanneer Cody’s vriend Eli Marshall eraan overlijdt, een ontroerend gedeelte.

    Het boek is inherent ook een aanklacht tegen de bezuinigingen op kunst. De verteller heeft het over ‘het nut van moderne kunst in een (…) uitzichtloze situatie’ zoals in Sarajevo. Al is het woord ‘nut’ misschien niet zo goed gekozen, de boodschap is duidelijk. Een boodschap die in dit geval misschien duidelijker verankerd had kunnen worden in de vraag of de personages nu iets kwamen brengen of halen. En of ze nu écht zelf dat Stravinsky-spel hadden willen spelen.

     

     

  • Oogst week 39 – 2020

    D

    Michel Faber, geboren in Den Haag, maar opgegroeid in Australië en nu wonend in Engeland, nam zich na de verschijning van Het boek van wonderlijke nieuwe dingen te stoppen als romancier. Tot zijn uitgever hem vroeg om een bijdrage voor de herdenking van de 150ste sterfdag van Dickens in 2020. Dat deed hem terugdenken aan een sprookje dat hij dertig jaar eerder had geschreven maar nooit had gepubliceerd. Het was een verhaal over het meisje Dhikilo dat door een professor wordt geholpen om de letter D terug te vinden die uit de taal was verdwenen. Ineens wist Faber dat die professor Dickens zou moeten zijn. Het is een boek geworden over problemen van onze tijd – onderdrukking, censuur en vrijheid – dat doet denken aan Alice in Wonderland.

    D
    Auteur: Michel Faber
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Mrs. Degas

    Arthur Japin heeft een grote belangstelling voor kunstenaarslevens. Na Vaslav (over Nijinski) en Kolja (over Tsjaikovski) is er nu Mrs. Degas. In deze roman leeft Japin zich in in het toenemende isolement van de schilder Degas in zijn laatste jaren toen hij blind was en nog met weinigen contact had. Met zijn familie had hij geen contact. De vrouw uit de titel is de Creoolse Estelle, zijn Amerikaanse nichtje dat blind werd. Als een jonge vrouw Degas helpt zijn archieven te ordenen komen bij de schilder herinneringen terug aan Estelle die hij vaak schilderde terwijl ze aan het bloemschikken was. Het blijken pijnlijke herinneringen te zijn.

    Mrs. Degas
    Auteur: Arthur Japin
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Tirade 480

    De Sovjet-Unie is uiteengevallen. Julia Khusainova gaat met haar ouders eten in hun favoriete restaurant. Haar vader vertelt ‘na een paar wodka’s dat in hal drieëndertig al vijf jaar niets werd gemaakt, die stond leeg. Mijn moeder huilde, mijn vader schaterlachte. Ikzelf geloofde er niets van: mijn vader nam natuurlijk iedereen in de maling, net als elke dubbelspion.
    Ik was ontroerd, maar ook volkomen van streek, mijn hele wereld leek ineens een wankele constructie. Ik vroeg me af wat schadelijker was: de harde werkelijkheid of de schone schijn ophouden? Wanneer moest je lijden? Wanneer mocht je eraan ontsnappen? En wanneer verloor je de balans?’
    Het is een fragment uit ‘Tsarinakapsels en metershoge grafstenen’, één van de essays in het jongste nummer van Tirade 480. Het bevat verder gedichten van onder anderen Tonnus Oosterhof en Maria Barnas, een essay van Sander Kollaard en verhalen van Langston Hughes en Samira Elomari.

    Tirade 480
    Auteur: unknown
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot B.V.
  • Verdoving

    Verdoving

    In Londen werd bij een vrouw een hersentumor verwijderd terwijl ze viool speelde. Ze speelde opdat chirurgen dat deel van haar hersenen, waar precieze bewegingen worden aangestuurd en die op een scherm zichtbaar werden, niet zouden beschadigen. Er ging een foto rond van de vrouw in operationele toestand (zuurstofkapje, infuus), de viool onder haar kin geklemd, arm met strijkstok geheven. Even dacht ik dat het om een nieuwe methode van ‘onder narcose brengen’ ging: mensen dingen laten doen waardoor ze boven zichzelf uitstijgen, grip krijgen op hun geestestoestand. Het leek me niet zo gek. Toen ik eens door migraine aan bed gekluisterd was, kon ik het lezen van de ochtendkrant niet laten. Tot me een interview met Martin Michael Driessen trof. Over zijn schelmenroman De heilige. Ik weet niet waardoor, maar ik werd erdoor gegrepen. Er wrong zich iets in mijn linker hersenhelft, er balde zich iets samen, ik registreerde de woorden, las het interview, en knapte er geweldig van op. De hoofdpijn verdween nagenoeg. Nu dacht ik het bewijs gevonden te hebben dat een goed interview, een intelligent gesprek iets met de hersenen doet waardoor migraine (hersenpijn) verslagen kan worden. 

    In Geluk, een geheimtaal, beschrijft Arthur Japin iets soortgelijks. In een periode waarin hij aan een zware depressie leed, zijn gevoelens afgevlakt, is hij getuige van een mishandeling in de tram. Een vrouw wordt bij het uitstappen door een jonge vrouw in haar rug getrapt. De vrouw valt, de jonge vrouw schopt nog eens. Japin grijpt in, trekt ze uit elkaar. Het slachtoffer vlucht naar buiten, de tram rijdt verder. Als Japin weer zit, wordt hijzelf aangevallen. Een man grijpt hem bij zijn revers, stompt hem, dreigt hem te doden. Dan laat hij hem los, gaat achter hem zitten, om hem even later opnieuw beet te pakken. Dat herhaalt zich een paar keer. Als de vrouw en de man eindelijk de tram verlaten, registreert Japin: ‘Korte tijd leefde ik in het moment. Wat voelt dat goed! Het vóélde. (…) De schrik is te midden van de geestesvlakheid eindelijk een prikkel.’ 

    Japin ontmoet veel bekende mensen, (Vanessa Redgrave, Sandro Veronesi, Barack Obama). Ontmoetingen vinden over de hele wereld plaats, Rio, Londen, Houston, Frankrijk, Rusland. Je zou er jaloers van worden, ben ik ook, want wie zou er niet willen sparren met Stephen Fry? Maar er is een verdrietige onderstroom gelijk deze sombere februaridagen. Japin keert wie hem beschimpt (ja, dat gebeurt in letterenland) de andere wang toe, steeds weer, soms op het pijnlijke af. Er is de zelfmoord van Japins vader die zijn leven bepaalt, en dan Wim Brands, Joost Zwagerman, en zelf hoeft hij eigenlijk ook niet meer. De schrijver die in noodgevallen op zijn best is: ’Het is de rest van het leven waarvan ik in paniek raak.’ Die aangrijpende ondertoon, die laat niet los.

     

    Geluk, een geheimtaal, Dagboeken 2008 – 2018 / Arthur Japin / Privé-domein nr. 306 / Arbeiderspers (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze reist met het OV, en leest.

  • Woordnacht en literair gedreven initiatiefnemer Hans Sibarani


    In het weekend van 13 en 14 april gaat de derde editie van het Rotterdamse literaire festival Woordnacht van start. Waar andere grote steden als Den Haag, Amsterdam en Utrecht een lange traditie kennen met groots opgezette literaire evenementen, is Woordnacht een betrekkelijk jong maar ambitieus festival in ontwikkeling. Het concept voor dit festival werd in 2014 door initiatiefnemer en huidig festivaldirecteur Hans Sibarani ontworpen. Literair Nederland ging in gesprek met Sibarani over zijn ideeën en drive achter dit festival, over Rotterdam als literaire stad en over de betekenis van literatuur in deze tijd.

    We spreken af bij café Floor aan het Schouwburgplein in Rotterdam. Het is een zaterdag met zomerse intenties, de dag ook waarop de Marathon van Rotterdam gelopen wordt. Sibarani zit in de achtertuin van café Floor op het terras. Hij oogt een tikje vermoeid, zoals een organisator kan ogen wanneer de organisatorische afronding van een ambitieus festival zijn einde nadert. De grote lijnen zijn uitgezet, de invulling gedaan; nu nog de puntjes op de i.

    Eerst komen we te spreken over de Rotterdamse schrijfster Anna Blaman (1905-1960) die Hans Sibarani weer onder de aandacht bracht door in 2005 de Stichting ‘Ram Horna’ op te richten, vernoemd naar een wel zeer bijzonder verhaal van Blaman. Hij zette de schrijfster weer op de kaart van het Nederlandse literaire landschap. ‘Ze was weggezakt, niemand kende haar meer en dan is het heel fijn als iemand weer terug is. Ze is nu wel een icoon voor de stad.’
    Er was al een driejaarlijkse Anna Blamanprijs. In 2010 kwam daar het Anna Blamanmonument bij en de jaarlijkse Anna Blamanlezing, die nu onderdeel is van het festival. ‘In 2016 hebben we nog het proces tegen haar gereconstrueerd en opgevoerd in het Arminiusgebouw. Ik heb het typoscript bewerkt, Fred van der Hilst regisseerde en Anne Vegter speelde Blaman.’ Het ging over het tot een schandaal uitgelopen Boekentribunaal waarin Anna Blaman de gedaagde was maar waarin het niet over haar schrijverschap ging maar over haar seksuele geaardheid en gender.

    Vanwaaruit is dit literaire festival ontstaan?
    ‘Een paar jaar geleden werd in een Letteren-overleg geopperd: Rotterdamse schrijvers zouden ’s avonds hun werk kunnen presenteren. Maar alleen een keuze uit eigen werk lezen leek me een gemiste kans. Dus: Waarom geen festival? Het hing in de lucht. Ik heb toen een programmaconcept ontwikkeld waarbij er vanaf het Centraal Station tot aan in ieder geval de Witte de Withstraat, een route loopt met verschillende literaire activiteiten in verschillende instituten zoals het Goethe instituut, en Chabot museum. Het was ook belangrijk om naast Rotterdamse auteurs de literatuur naar Rotterdam te brengen. Het kreeg toen al de basisvorm die het nu nog heeft.’ In het tweede jaar werd stichting Woordnacht opgericht, het festival wordt nu met acht andere teamleden georganiseerd.

    Er zijn 13 verschillende locaties waar het festival zich afspeelt. Dat is veel.
    Sibarani knikt instemmend: ‘Dat is inderdaad het concept, meerdere locaties. Het is ook wel ontstaan vanuit het idee dat festivals steeds meer de rode loper gingen uitleggen voor hun bezoekers. Wij willen bezoekers juist kritischer maken, ze moeten zelf een keuze maken en het niet voorgeschoteld krijgen. Het aanschuiven bij een debat of interview kan voor de bezoeker veel opleveren. Maar ik ben me ervan bewust dat het keuzestress kan opleveren. En dan, denk ik, vooral vanwege de gelijktijdige programmering op 13 locaties.’

    Er zijn 70 schrijvers maar niet iedereen zit er in zijn hoedanigheid van auteur.
    ‘We hebben verschillende schrijvers gevraagd in een andere rol dan het publiek van ze gewend is. Er zit wel iets rechtvaardigs in als er een kant belicht wordt die anders nooit aan de orde komt bij een schrijver. Zo staat Raoul de Jong als lichtvoetig auteur bekend maar hij is ook een denker en dat komt minder naar voren. Hij kan vanuit een heel andere hoek vragen stellen aan Karin Amatmoekrim (in het programma De nooit gepeilde diepte).’

    In het vaste programma onderdeel Debutanten leidt dichteres Peggy Verzett het gesprek tussen een gevestigd auteur en een beginnend auteur. Dit jaar is Arthur Japin de gevestigde auteur en werkt Daan Doesborgh aan zijn debuut.
    Schrijver Kluun zit er niet om over zijn boeken te praten maar om zijn meningen over het boekenvak in een debat uiteen te zetten.
    ‘Kluun verwacht dat er niet meer gelezen wordt. Hij gelooft dat over een tijdje boeken een elitaire aangelegenheid zijn.’ Waarop Sibarani mij vraagt wat ik daarvan denk. Hij merkt dat mensen in zijn omgeving boeken wegdoen. In mijn omgeving zie ik juist dat meer jonge mensen aan het lezen slaan. Maar misschien wil ik dat liever geloven dan dat boeken zullen verdwijnen, of erger; lezen een elitaire aangelegenheid wordt. Het maakt in ieder geval nieuwsgierig naar de uitkomst van Het grote geld debat.

    Een deel van het programma draagt het thema postkoloniale literatuur. Waarom dit thema?
    ‘We zijn in de aanloop naar 70 jaar onafhankelijkheid van Indonesië, dan moeten we het nu ook als thema pakken. Er zijn veel maatschappelijke discussies die daarop aanhaken. De tijd is er dan opeens rijp voor om zo’n thema aan te snijden. Daarbij kan het koloniale tijdperk pas echt een plaats krijgen door postkoloniale literatuur. Ik vind dat literatuur handvatten biedt tot verdieping, tot een meer dimensionale manier van kijken, het debat meer relateert aan de realiteit. Ik hoop ook dat iets de discussie gaat overstijgen, dat het meer van twee kanten bekeken kan worden. Niet in de schuld blijven hangen maar op een of andere manier verder komen. Dat zou mooi zijn als postkoloniale literatuur dat kan bewerkstelligen. En ja, het is spijtig dat Alfred Birney er niet bij kan zijn. Hij heeft toegezegd maar kreeg een zware griepaanval en moest afzeggen. Er wordt natuurlijk naar gevraagd waarom hij er niet is.’

    Ligt achter dit festival als organisator ook een grotere missie om bezoekers meer met literatuur in aanraking te brengen?
    ‘Iemand vroeg me: ‘Moet je nu gelezen hebben om naar dit festival te gaan?’ De praktijk is dat mensen die lezen er wel heen gaan. Het kan zijn dat mensen die alleen Kluun hebben gelezen en op Woordnacht afkomen, daardoor de literatuur gaan ontdekken. Maar de verwachtingen moeten wel realistisch blijven. Een interview, een voordracht is mooi maar het mag ook meer zijn. Het zou mooi zijn als de achterkant van de literatuur zichtbaar wordt.’
    Sibarani over het slotdebat op de vrijdagavond, Andermans huid. ‘Mag bijvoorbeeld een man in de huid van een vrouw kruipen. Daar is discussie over. Wat vind jij, mag je als schrijver in de huid van een ander kruipen?’ Ja, stamel ik, verrast over de vraag. Het lijkt me onvermijdelijk. ‘Het heeft natuurlijk met vrijheid te maken. Voor het debat hadden we Adriaan van Dis en Karin Amatmoekrim en daar moest nog een derde bij. Ik kwam uit op Stephan Sanders, die nu een religieuze ontwikkeling doormaakt. Dat maakte het kloppend voor mij. Sanders zegt dat het voor hem te maken heeft met afkomst, identiteit en zijn adoptie: welke verhalen zijn van mij? In het slotdebat brengt Sanders die religieuze elementen er misschien wel in waardoor het een heel andere discussie kan worden.’

    Hoe is je eigen postkoloniale beleving en heeft de literatuur daarin iets betekend?
    ‘Ik heb er wel een ontwikkeling in doorgemaakt want ik kom ook uit twee culturen. Als je uit twee culturen komt is er de vraag waar je bij hoort. Eerst denk je ‘ik ben een mix’ en dat is het. Dan vraag je je af ‘ben ik de ene of de andere cultuur?’. Ik ben hier geboren en ben dus een Nederlandse Indo. Literatuur helpt me wel op  die manier dat ik vanuit een metafoor of als iets heel exact beschreven is een schok van herkenning kan krijgen.’

    Wat zijn je favoriete schrijvers?
    Sibarani lacht en vertelt over een avond met kerst, toen dit een vraag bleek om het ijs (in gezelschap) te breken. ‘Daar ontdekte ik dat mijn favoriete schrijvers bijna allemaal bij de letter B staan: Balzac, Baldwin, Blaman, Beckett, Bordewijk, Jan Cremer, Camus, Paul Bowles en Muriel Spark. Balzac en Bordewijk vind ik prachtig maar mijn meest favoriete schrijver is Paul Bowles. Een programma-onderdeel van Woordnacht is de graphic novel. Viktor Hachmang heeft Blokken van Bordewijk verstript. Dat is heel experimenteel geworden in de illustraties.’

    Poëzie op muziek en verstript
    Sibarani praat enthousiast over verschillende programma onderdelen. ‘Ik denk aan de gedichten van Peter Holvoet-Hanssen die op muziek zijn gezet. Die gedichten van Holvoet zijn heel associatief en ik ben heel benieuwd hoe dit zal uitpakken. Ik heb geen flauw idee.’ De voorstelling wordt uitgevoerd door vijf musici van AKOM, Patty Trossèl (La Pat) en de dichter zelf. Illustrator Gemma Plum heeft gedichten van Myrte Leffring verstript.
    ‘Van Myrte en Gemma heb ik het proces meegemaakt. En het viel me op dat ze er bij deze (3e) editie helemaal in zitten; je merkt gewoon dat er meer focus is tijdens dit festival. Vorig jaar was het ook goed, maar anders. Bij Gemma en Myrte was dit tijdens het proces te zien, dat ging met veel passie.’
    Leffring zal voordragen uit De tere bloemen van het verstand terwijl de verstripte gedichten getoond worden. Een genummerde exclusieve zeefdruk van een gedicht is ook te koop.

    Engagement in de Pauluskerk.
    ‘Je zoekt bij alle locaties toch wel een signatuur die erbij past. Wat ik mooi vind is dat er een appèl wordt gedaan op de spoken word dichters: het gaat om engagement en overstijgt het ego. Nu worden er brieven geschreven in het onderdeel ‘Dit is de nachtpost’. Uitgangspunt vormt het gedicht van W.H. Auden die de dynamiek toonde van de moderne Britse posterijen, This is the Nightmail.’ Dichter des Vaderlands Ester Naomi Perquin zal zaterdagavond het programma in de Pauluskerk rondom spoken-word, literaire performance en engagement openen.
    ‘Performer Justin Samgar heeft eerder gedichten over krijgerschap gedaan op een soundtrack van Philip Glass (Mishima). Dat gaat hij opnieuw doen. Maar dan op de soundtrack van de film Jackie (over Jacqueline Kennedy). Dan krijg je een hele aparte performence. Het is heel spannend, heel bijzonder. Dat sluit de avond af.’

    Sibarani kijkt verwachtingsvol uit naar de verschillende programma-onderdelen, zoals de debatten en de onderdelen met het thema postkoloniale literatuur. Ook wordt er al een lijntje getrokken naar de volgende Woordnacht: ‘Voor volgend jaar lijkt het me mooi als er een Vlaams/Nederlandse uitgeversbeurs zou komen.’

     

     

     

     

    Woordnacht, 70 auteurs, 13 locaties, 2 dagen.

     

  • Ritme

    Ritme

    Op het immens drukke plein voor het Amsterdamse Centraal Station loopt een lange heer met de klep van zijn pet voor zijn ogen getrokken. Als extra bescherming tegen de zon en wat al niet meer doet hij ook nog eens zijn hand voor de zijkant van zijn gezicht. Een fractie later haalt hij met een vuist uit naar mensen om zich heen. Daarbij maakt hij passen als stond hij in een boksring. Iedereen wijkt verschrikt uit en de man vervolgt zijn weg. Ik heb niet meer gekeken op wat voor manier.
    Een dag later kwam ik bij mij in de buurt een kleine man tegen met een aangelijnde al even kleine, witte poedel. Hij had een ouderwets transistorradiootje bij zich waaruit zachtjes vrolijke muziek klonk,

    muziek waar we veertig jaar geleden op dansten:
        een bas die vier maten herhaalt en herhaalt

    aldus Martin Reints in zijn bundel met gedichten en beschouwingen, Wildcamera.

    Later zat ik in de bus achter een mijnheer die de stang voor zich angstvallig omklemde, een aktetas op schoot stevig vasthield en heen en weer wiegde. Opeens viel het kwartje of kwam ik althans op het idee van wat het zou kúnnen betekenen, de boksende en wiegende man, mij ingegeven door een interview met de filosoof en psychiater Paul Moyaert.
    Moyaert zou de boksbewegingen van de lange heer ongetwijfeld beschrijven als een omgang met zijn waanzin, als het op zijn manier meedansen met het leven. En de muziek van de kleine man zou hij zien als diens wijze om met zíjn problemen om te gaan. Hij zou hem in ieder geval zien als iemand met autisme.

    Op grond van een gebeurtenis die Artur Japin beschrijft in zijn roman Vaslav denk ik verder. Kyra, de hoofdpersoon van dit boek, komt op een gegeven moment in contact met een jongen van een jaar of achttien die aan luchtdirigeren doet. En dat niet alleen, de jongen bracht zelf ook muziek voort, ‘inventief en eigenaardig, uit alle hoeken en gaten van zijn eigen lichaam.’ Hij zoemde en piepte, fluitte, trommelde en knarste ‘voor een publiek van zotten dat er niet van op- of omkeek.’
    Hieruit concludeer ik dat niet reageren ook voor ons, een publiek van zogenaamde ‘normalen’ op het drukke plein voor het Amsterdamse Centraal Station, na de eerste schrik, wellicht de beste reactie was.
    De oproep van beide mannen op straat, van de man in de bus en de jongen van achttien bij Japin is denk ik met Moyaert dan ook niet: ‘Help mij’, maar: Geef me de ruimte. ‘Die neuriënde, waggelende, wiebelende mensen proberen in hun ritme te komen. Dat is wat het is’ aldus Moyaert. Dat moeten wij niet verstoren.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Ook bezoekt zij regelmatig het concertgebouw waarbij zij in haar observaties het publiek niet vergeet  waar ze dan weer over schrijft in haar columns.

     

     

     

  • Oogst van week 37

    Door Ingrid van der Graaf

    Van dichter Tsjead Bruinja (1973) verscheen de bundel Binnenwereld, buitenwijk waarin hij zich vele vragen stelt. De binnenwereld is het onuitputtelijke universum van onze wensen, dromen en twijfels, van obsessies en ons verlangen naar geluk. Maar hoe reageert dit universum, hart en ziel, verstand en onverstand, op de buitenwijk, de wereld om ons heen? Bruinja’s gedichten brengen op speelse wijze in beeld wat in het ik-tijdperk uit het zicht is geraakt: de complexe en gelaagde verhouding tussen binnen en buiten, tussen individu en maatschappij, of – zoals Bach het genoemd zou hebben – tussen wereld en mens. De buitenwereld schept altijd een binnenwijk; het zijn communicerende vaten. Denken, doen en dromen met de wereld erbij, nooit zonder. 64 blz., Uitgeverij Cossee, € 16,95.

     

    9200000030480711 De Franse filosoof Jacques Derrida (1930-2004) hield in 1984 de voordracht Sibbolet, waarin hij door filosofeert op enkele frases uit het werk van Paul Celan (1920-1970). Hij leest het werk van de Duitstalige joodse dichter Celan vanuit de verwondering over het woord dat steeds opnieuw terugkomt en niettemin altijd weer enkelvoudig is. En over de gebeurtenis van de Holocaust, het niet-aflatende thema van de poëzie van Celan. In zijn eerbiedige en aandachtige lezing vraagt Derrida Celans de moeilijk te doorgronden gedichten naar de betekenis van hun data, hun plaatsnamen, hun chiffres en codewoorden. Waarin bestaat iemands identiteit, die zich hecht aan een eenmalige handeling als de besnijdenis? Waarin bestaat een volk, dat opstaat vanuit de grimmigste poging tot genocide die de geschiedenis heeft gekend? Vertaald door Ger Groot, 128 blz., € 16,95.

     

    9200000040900125Na twee hedendaagse romans komt Arthur Japin met een historische roman over de pionier in de vliegkunst, Alberto Santos-Dumont. Santos-Dumont groeit op in de afgelegen binnenlanden van Brazilië. Hij droomt ervan te kunnen vliegen zoals de helden in de boeken van Jules Verne. Als hij ontdekt dat hun avonturen niet echt zijn, legt hij zich daar niet bij neer. Hij vertrekt naar Parijs, zet de werkelijkheid naar zijn hand, en wordt de eerste mens die door de wolken navigeert. De ware geschiedenis van deze vergeten pionier en zijn gestolen hart voert van Zuid-Amerika naar de Parijse belle époque. 320 blz., uitgeverij De Arbeiderspers, € 21,99.

     

    Valeria-Luiselli-Geschiedenis-tanden-voorplatMet een aanstekelijk vertelplezier neemt Valeria Luiselli ons mee op een eigenzinnige en hilarische reis over de creatie van kunstwerken, hun waarde en de manier waarop ze in de markt worden gezet. Gustavo Sánchez Sánchez, alias ‘Snelweg’, is niet alleen een paperclipverzamelaar en een charlatan, hij is ook een man met een missie: hij is van plan zijn afzichtelijke gebit tot de laatste kies te vervangen. Als zijn eigenaardige vaardigheden (hij is, na twee glazen rum, in staat om Janis Joplin te imiteren) hem daar niet voldoende bij kunnen helpen, zit er maar één ding op: hij moet en zal ’s werelds beste veilingmeester worden – hoewel misschien niet iedereen dat zal beseffen, want Snelweg is van nature nogal verlegen. 208 blz. Uitgeverij Karaat, vertaling P. Menard, € 19,50.

     

  • De bijna knipoog

    Het was in Utrecht dat ik hem wel eens tegenkwam. Steeds deed ik mijn best hem niet te herkennen door weg te kijken op het juiste moment en zelf niet herkend te worden. De eerste keer was in Lombok, in de Kanaalstraat. Er liep een kind aan zijn hand mee. Wij hadden net vanillevla gekocht, mijn dochter, net student aan, en ik. Er werden vluchtige blikken uitgewisseld en ik boog naar mijn dochter en zei: ‘Die ken ik!’ Maar ik kende hem natuurlijk niet echt. Bevriend op Facebook maakt nog geen kennis, laat staan een vriend. Er waren nooit handen geschud of namen uitgewisseld.

    De tweede keer was tijdens een festival. Onze wegen kruisten elkaar in een stroom van mensen die op weg waren naar een lezing. Ik vermoedde dat hij op weg was naar een optreden van de dichter Stephen James Smith. Daar kon ik me wel iets bij voorstellen, de vrijmoedige Ierse dichter en deze Facebookvriend. Onze blikken botsten nu, bij wijze van spreken, voor een moment tegen elkaar op. Waarop ik mij plotseling omdraaide naar mijn buurvrouw van twee deuren verder die mij vergezelde. Alsof we in een conversatie verwikkeld waren. Die was er niet maar ik begon er snel een. Zo moeilijk is dat niet. Je draait je naar de ander toe en begint te praten. Ik zei, een beetje druk, dat wel: ‘Zeg, zullen we eerst even wat te drinken halen. En moet jij ook naar het toilet?’ Dat was afdoende om te doen alsof je iemand niet had gezien. Tegelijk was het dodelijk en ik stelde me voor wat mijn Kleine Vriendin in zo’n geval zou doen. Ze zou iemand die ze van Facebook kende en in het echt zou tegenkomen, met stralende ogen tegemoet treden alsof het haar lievelings-neef was die ze lang niet had gezien. Er zou een grote lach op haar gezicht verschijnen en de kuiltjes zouden in haar beide wangen glippen. Ze zou: ‘Héé, halloo! Hoe gaat het?’, roepen. Maar goed, ik had niet van die stralende ogen. Ik was ook niet zo van ‘Héé halloo hoe gaat het’.

    En nu hadden onze blikken zich aan elkaar vergrepen. Er was aan zijn linkeroog iets van een knipoog te zien. Gek genoeg voelde ik dat mijn oog ook licht toegeknepen werd, als een reflex op zijn (net niet) knipoog. De derde keer was nadat ik in een winkeltje Egyptisch aardewerk had gekocht en waarvan de eigenaresse met een Kroatisch accent me meedeelde dat er alleen maar intelligente mensen in haar winkel kwamen. En dat, omdat ik over dagblad De Telegraaf, waarmee ze het aardewerk inpakte, had gezegd dat deze krant zeer  geschikt was als inpakpapier. Waarop ze luid lachte met een zwaar, Kroatisch volume. Ze vertelde in één adem door dat Arduur Gapin (Arthur Japin? Ja, Arduur Gapin) laatst bij haar in de winkel was geweest en dat ze wel een uur met hem had gesproken, want ook zij schreef aan een boek. Gevleid door zoveel verheffende mededeelzaamheid, ging ik de straat weer op. En daar fietste hij me in een rood jasje tegemoet en vervolgens voorbij. Had ik die bijna knipoog van zijn linkeroog waargenomen.

     

     

  • Arthur Japin – Zoals dat gaat met wonderen

    Toespraak gehouden bij de presentatie van het Privé-Domein-deel Zoals dat gaat met wonderen van Arthur Japin, als hij me gevraagd had een toespraak te houden en als er een presentatie was geweest

    Geachte aanwezigen,
    Arthur Japin heb ik voor het eerst ontmoet in 1998 of 1999. De precieze dag weet ik niet meer, want ik houd geen dagboek bij. De zwarte met het witte hart was net uit en net begonnen aan de triomftocht die Arthur over de hele wereld zou voeren. Het interview vond plaats in Westerbork. In de zaal zaten meer dan honderd vrouwen. Toen al. Het gesprek ging gemakkelijk. Er was, denk ik, echt contact. Na afloop wilde ik de schrijver ten afscheid zoenen, maar ik zag er maar vanaf. In plaats daarvan gaf ik hem een Tzum, met de vraag of hij een keer de rubriek ‘Het Schetsboek’ wilde vullen. In vliegende haast vertrok hij naar de trein. Ik en de mensen van de organisatie om me heen wisten dat we een bijzondere avond hadden meegemaakt, maar we konden niet benoemen waar het aan lag.
    Op de lange terugweg naar Groningen deelde ik aan twee vriendinnen Drentse turfjes uit, truffelachtige chocolaatjes die ik van de organisatie had gekregen. Lekker en knapperig, maar mij net iets te wee.
    Twee dagen later kreeg ik een mailtje van Arthur. Of ik die turfjes al had gegeten. Hij was er een beetje misselijk van geworden en toen hij opnieuw in het zakje keek, begreep hij waarom: er kropen maden in rond.
    Bij ons was het zakje leeg gegeten tijdens de autorit.

    Zou zo’n anekdote nu ook opgeschreven kunnen zijn door Arthur Japin? Ik waag het te betwijfelen. Misschien heeft hij er wel melding van gemaakt in zijn dagboek, maar om dit nu te publiceren? Gelukkig voor Tzum bleef het niet bij die turfjes-mail. Arthur schreef een Schetsboek en vond het genre zo leuk dat hij vaste medewerker van ons kleine literaire blad werd met zijn eigen rubriek ‘Carte blanche’. Grote stukken die in Tzum stonden, zijn nu terug te vinden in dit boek. Ik ben een beetje jaloers op dat boek. Ik had het zelf wel willen uitgeven. Niet omdat Arthur Japin inmiddels een grote naam is geworden, wereldwijd, maar omdat ik deze dagboekfragmenten, samen met zijn verhalen, tot zijn beste werk vind horen.

    Ik vind literatuur het interessants op het moment dat het persoonlijke leven van de schrijver het fictieve product (boek, gedicht, film etc.) raakt. In mijn ‘poëtica’ is dat het schimmige argument van de authenticiteit of de echtheid achter het verhaal. Onmeetbaar en daarom redelijk onwetenschappelijk, maar bij mij vaak wel de belangrijkste reden om een boek te waarderen. Bij de schrijver Japin kom je dan volledig aan je trekken, want hij is Kwasi, hij is Lemmy, Lucia, Granny. Het dagboek geeft je inzicht in het wordingsproces van de romans. Uitspraken die Arthur doet over zijn persoonlijke leven zie je later, soms jaren later terugkeren in zijn romans. De tweede notitie in Zoals dat gaat met wonderen stamt uit januari 2000 en gaat over een mier.

    Een mier loopt over de tegels van een keuken. Hij rolt een broodkruimel voort. Een vrouw vult een emmer. Ze pakt een schrobber en giet het water uit over de vloer. De mier ziet de vloedgolf op zich af komen.
    Niets is erger dan iets anders.

    Zeven jaar later zien we die mier weer opduiken in de roman De overgave. Dan worstelt de mier in een plas bloed en Granny kan op dat moment alleen maar overleven door haar aandacht te houden bij dit hele kleine leven.

    Een andere reden om van de dagboeknotities van Arthur te houden is dat er zoveel in gebeurt. Ik heb veel dagboeken gelezen en heus ik houd ook van die dagboeken waarin de schrijver om twaalf uur ontwaakt, een beschrijving geeft van zijn ontbijt, de moeilijke stoelgang en de hoeveelheid sigaretten en drank die hij gedurende dag consumeert, maar nog liever heb ik dan Japin die in Afrika en Amerika en Indonesië en god weet waar rondreist, mensen ontmoet, terecht komt in de meest vreselijke omstandigheden: vliegtuigen die getroffen worden door de bliksem; in een auto rondrijdend in Texas waar zo’n noodweer heerst dat het tot rampgebied verklaard wordt; in de Oekraïne toevallig de vergeten moeder van Poetin ontmoeten etc. etc. etc. Je vraagt je af waar hij de tijd vandaan haalt om boeken te schrijven. Voor mij hoeft hij dat ook niet meer te doen. Ga de rest van je leven rondreizen en beschrijf die reizen. Heerlijke lectuur.

    Arthur Japin is een moralist. Hij wil zijn publiek een les leren. En dat is dan ook nog vaak een positieve les. Dat is dubbel fout in de ogen van de moderne literatuurcriticus. De lezer moet zelf immers maar de lessen trekken en zelf een moreel standpunt innemen. In het begin stuurde ik wel af en toe een opmerking van die strekking naar Arthur. Of die zin en die zin niet geschrapt konden worden. Later ben ik ermee opgehouden. Arthur Japin had carte blanche, dan moet je hem dus niet iets gaan verbieden. Daarnaast begon ik me steeds meer af te vragen waarom ik ertegen was. Vooral, vermoed ik, omdat andere mensen ertegen waren. De schrijver heeft in onze samenleving al lang niet meer een positie waarin hij ‘wijze’ dingen mag en kan zeggen. Van dat podium is hij allang naar beneden getrokken. In die zin is Japin een ouderwetse schrijver gebleven. Hij heeft nog steeds maatschappelijke overtuigingen en politieke voorkeuren en hij deelt ze ook nog. Zo zie we zijn minachting voor het gedrag van oud-minister Herfskens die op bezoek is in Afrika en totaal geen belangstelling toont voor haar gastheren. Zo merken we dat Japin woedend wordt op al te gemakkelijke opinies na 9/11 en zelfs een regelrechte afkeer heeft van het ‘recht op kwetsen’ dat wordt opgeëist na de dood van Theo van Gogh. En in die minachting, woede en afkeer herken je vaak de motieven die (vaak) direct herleidbaar zijn uit zijn jeugd. Ik vind het wel prettig dat iemand tegengas geeft op het moment dat iedereen roept dat kwetsen mag. Moralistisch? Heel goed. Wel meer schrijvers zouden zich mogen uitspreken over politieke kwesties.

    Ben ik al over mijn tijd heen? Maar ik wil juist nog iets zeggen over de opbouw van het boek. Die vind ik ook uitgekiend. In interviews heeft Japin gezegd dat hij veel meer materiaal heeft dan hij nu publiceert. Ik weet dat een beetje vanaf de zijlijn. In sommige jaren zie ik ook wat hij weglaat. Hopelijk wordt ook dat nog eens gepubliceerd, want het dagboek zoals het er nu ligt, is me veel te dun, als ik nog wat kritiek mag spuien. Hans Warren had er wel vijf boeken uit gesleept en zo heel veel gebeurde er nu ook weer niet in diens leven.
    Wat ik knap vind aan het dagboek van Arthur is dat hij ernst en luim met elkaar in evenwicht brengt. Over die ernst is wel genoeg gezegd: die vind je in zijn stukken over zijn schrijverschap, de politiek en zijn jeugd. Onderbelicht zijn de komische kanten van het dagboek. Ik kan erg lachen om passages als deze:

    Zomaar een formule voor geluk.
    ‘Ik heb zo’n diep melancholiek zondagavondgevoel,’ verzucht ik.
    ‘Ik ook,’ beaamt Ben, ‘zo’n akelig zondagavondgevoel.’
    ‘Het is dinsdagmiddag,’ zegt Lex.

    Zoals dat gaat met wonderen staat vol met wonderen en passages vol zelfrelativering. Als hoofdredacteur en als gewone lezer beveel ik dit boek iedereen aan: het is prachtig, ontroerend en humoristisch. Arthur Japin is ook de enige schrijver die veel reacties oproept bij de lezers van het blad. Dat is vooral het geval op de momenten dat hij een aflevering overslaat. Dan krijgen we mailtjes dat ze Japin missen. Dat zegt genoeg, lijkt me.

    (Buiging / af)

  • Indrukwekkend verhaal

    Indrukwekkend verhaal

    Door Bernadet

    De overgave is na De zwarte met het witte hart en Een schitterend gebrek de derde historische roman van Arthur Japin die een mengeling is van fictie en non-fictie. Het verhaal is gebaseerd op de geschiedenis van Cynthia Ann Parker (zij staat ook op de voorkant van het boek) Als kind groeide zij op bij de familie Parker die na een lange reis vol beproevingen een nieuw bestaan probeerden op te bouwen in Texas.

    Door drie families wordt Fort Parker gebouwd maar in mei 1836 wordt dit fort aangevallen door de Comanches. Velen werden gedood en enkele kinderen meegevoerd. Grootmoeder Sallie (Granny) wordt vreselijk mishandeld maar overleeft de aanslag en heeft zij gezien hoe haar man en enkele familieleden op een gruwelijke manier werden omgebracht.

    Het verhaal wordt verteld vanuit deze Granny. Haar aanvankelijk vriendelijke houding ten opzichte van de indianen is omgeslagen in pure haat. Zij heeft moeite met het enorme gemis van haar geliefden en vrienden maar mist bovenal haar kleinkind Cynthia Ann met wie ze een speciale band had. Zij zal en moet haar (klein)kinderen terugvinden en dat geeft haar de moed en de kracht om de geleden verschrikkingen aan te kunnen. De zoektocht is haar drijfveer, haar reden van bestaan, en het zal een jarenlange zoektocht worden.

    Het boek begint met de komst van Quanah de leider van de Comanches, hij staat op het punt het reservaat in te gaan. De blanken hebben na 400 jaar uiteindelijk de indianen klein gekregen. Voordat hij het reservaat in gaat wil hij Granny spreken. Het kost Granny enorm veel moeite om hem te ontvangen, alle haat en geleden ellende komt boven maar toch wil zij hem spreken en zien en zij heeft daar zo haar redenen voor. Zij wil haar verhaal aan hem vertellen maar… zij is ook de enige die hem nog iets over zijn
    moeder Cynthia Ann kan vertellen… Quanah, een van de zo gehate Commanches is namelijk het kind van Cynthia Ann. Zij vertelt hem, in de ik-vorm, over haar zoektocht en haar dromen. Ze vertelt hem over de haat die ze voelde:

    “Haat is een wanhopig soort houvast.[…] Niks is zo onwrikbaar als wraak[…] Vergeten, denk je, is verraden. Die woede is het laatste wat je nog hebt.”

    Zij vertelt hem wat ze zou doen als ze Cynthia Ann zou terugvinden. Welke dromen zij daarover had. Maar deze dromen bleken een illusie… Aanvankelijk vertelt Granny alles zeer grimmig en aanvallend. Ze weet dat ze gezien wordt als ‘een prikkelige oude cactus’, onbenaderbaar,keihard. Maar deze onverschrokkenheid, ‘hardheid’ heeft haar overeind gehouden. In de loop van het gesprek met Quanah komt wel het besef wat hij en zijn volk te verduren hebben gehad. Zij werden op zeer wrede wijze van hun land beroofd. Enorme aantallen indianen werden zonder pardon neergeschoten. Toch heeft ze moeite haar begrip hiervoor hardop te zeggen. Ook omdat de haat haar bestaan was:

    “Die jarenlange haat, als die wegvalt, wat moet daarvoor in de plaats komen? Want vergis je niet, er blijft gewoon een gat achter.”

    Quanah heeft gestreden voor zijn naasten, Granny voor de hare. Beiden hebben moeten inzien dat door egoïstisch hún zin door te drijven en doorgaan tot het uiterste, zou betekenen dat dan echt alles verloren is. Zij hebben zich moeten overgeven en uiteindelijk elkaar, de blanke vrouw versus de indiaanse man, vergeven.

    Japin heeft een aangrijpend boek geschreven. Het verhaal van Granny wordt afgewisseld met korte verhalen van de kant van de Comanches. Granny is een mooi uitgediept karakter. Een vrouw die diep geleden heeft maar op een mooie, soms bijna laconieke manier, haar verworven inzichten weet te verwoorden. Ondanks de gruwelen, waarvan Japin zelf vermeldt dat hij niet eens alles op kon schrijven, sleept het verhaal je mee. De nurkse en onverschrokken Granny dwingt respect af, zij zal me nog lang bijblijven!

     

     

  • Aangrijpende geschiedenis over de overgave van de indianen

    Aangrijpende geschiedenis over de overgave van de indianen

    Noeste gelovigen trotseren de Texaanse prairie tegen beter weten in. Wrede indianen die hun voormalig territorium verdedigen met de Amerikaanse burgeroorlog op de achtergrond. De nieuwste roman van Arthur Japin is een prachtig geschreven historische roman met een sympathieke maar ook stugge oude vrouw in de hoofdrol. Een vrouw die dingen heeft moeten doorstaan die je niemand toewenst. Het moment dat de laatste indianenstam zich besluit over te geven wordt voor haar een reis naar het verleden.

    Sallie “Granny” Parker en haar man, kinderen, schoonzonen en kleinkinderen trekken er rond 1835 op uit om een fort te bouwen in Texas. Als pioniersfamilie hebben ze een stuk grond gekregen midden in het leefgebied van een indianenstam: de Comanche. Deze staan bekend als een van de wreedste stammen van het land. Binnen de hoge muren van hun fort wanen de Parkers zich echter veilig. Tot die ene dag aanbreekt waarop de indianen haar halve familie doden en de rest ontvoeren.

    Al vanaf de eerste zin van het boek hangt er onheil in de lucht. Toch overvallen de verschrikkingen je. Japin geeft Granny het sarcasme mee wat je verwacht van een vrouw die ondanks die dag oud is geworden. Ze zit niet te wachten op medelijden of vergiffenis. Ze wil gewoon haar familie terugvinden en zo alles ongedaan maken. Maar je kunt dingen niet ongedaan maken en daar komt Granny ook achter. Als ze haar geliefde kleinkind Cynthia Ann na vele jaren weer ziet, blijkt deze onderdeel te zijn van de door Granny zo gehate indianenstam. Ze heeft zelfs kinderen met het stamhoofd. Een foto van Cynthia Ann en haar dochter staat op de voorkant van het boek. Haar andere kind, Quanah, is de leider van de Comache stam op het moment dat ze zich overgeven. Hij is degene die Granny haar verleden doet oprakelen en heroverwegen of de wrok die ze haar hele leven voelde wel zin heeft gehad.

    Om de geloofwaardigheid te bewaren heeft Japin de gruwelen die hij tijdens zijn literatuuronderzoek tegenkwam verzacht voor de roman. Dit neemt niet weg dat er gruwelijke gebeurtenissen overblijven. Dat dit waar gebeurd is maakt het boek des te aangrijpender. Hoewel de wreedheden van de indianen uitvoerig wordt beschreven, lijkt de auteur toch gegrepen door de spirit van de indianen. Met korte legendes tussendoor beschrijft hij de gedachtegang van de indianen. En uiteindelijk blijken deze ook veel beter in staat om andere mensen te accepteren dan de minder tolerante blanken.