• Eilanden

    Eilanden

    img_1439Op de achtergrond klinkt Radio 4. Op de trap naar boven heb ik de biografie van Peggy Guggenheim neergelegd om straks in te beginnen. Eigenlijk ligt Grunbergs een na laatste boek Het bestand, van vorig jaar, nog opengeklapt op mijn nachtkastje. Met de rug naar boven. Daaronder Dick Hillenius De vreemde eilandbewoner (2e herziene druk, 1976) en ernaast ligt Boudewijn Büchs Eenzaam (5e druk, 1993) uit zijn reeks over Eilanden. Biologisch, evolutionair, literair, geografisch en historisch: de beschrijvingen van eilanden en hun bewoners (mens, dier, plant, steen) hebben me altijd geboeid. Ik herinneren me dat ik, tijdens verjaardagen van mijn vader of moeder, aan de eettafel zat met een atlas waarin, onder de nationale vlag, een geografische samenvatting van het specifieke land werd gegeven: bodemsoort, bevolkingsaantal, steden boven de miljoen inwoners, industrie en dergelijke. Zou er intussen al een eilandenatlas zijn gemaakt?

    Is een persoon niet ook een eiland? Zijn we niet allemaal losse eilandjes die langs elkaar heen bewegen en allemaal anders denken? Op zoek naar elkaar (althans, sommige idealistische welwillende in de ‘beweging’ Ieder1). Zo iemand als de Amerikaanse Peggy Guggenheim (1898-1979). De fameuze kunstmecenas van het modernisme die menig kunstenaar om haar vingers wond en een kunstverzameling bezat waar je alleen maar jaloers op kunt zijn. Zij was eigenlijk een en al ego. Met een ongelooflijke eigenwijsheid. Een eigenschap van een eiland, lijkt me. Gesloten wanneer het haar uitkomt en open, ook als het haar uitkomt. Opportunistisch dus. Hoe groter je ego, des te omvangrijker het eiland dat je bent.

    En een boekenverzamelaar dan. Is die niet ook bezig zich een eiland van papier te creëren? Dat lijkt me wel. Je kunt je in je verzameling verstoppen, dagenlang, wekenlang. Schrijvers sluiten zich op temidden van hun boeken. Het eiland dat zij ook zijn, moeten zijn om te kunnen schrijven, vormen ze met kaften, letters, kleur en allerlei soorten papier tot hun eigen unieke stukje . En voegen daar hun eigen bergje of delta van papier aan toe: een roman, een essay of een dichtbundel. Als we maar genoeg schrijven en lezen, dan bewegen de eilanden die we allemaal afzonderlijk zijn, misschien wel een beetje naar elkaar toe.

     

     

     

     

     

  • Gratis boek bij aankoop CJP-pas

    Gratis boek bij aankoop CJP-pas

    CJP is een platform voor cultuurliefhebbers met geen ander doel dan het inspireren  van jongeren de wereld van de cultuur te betreden. In hun magazine en op hun website schrijven zij over selecties uit het cultuuraanbod en organiseren culturele events waarbij ze samenwerken met andere culturele instanties.  Op die manier is het mogelijk voor CJP korting te kunnen geven op (film)festivals, concerten, theaters en musea. Wie wil er nu niet graag met korting naar bijvoorbeeld De Nacht van de Poëzie in september.

    Hun missie is om de drempel voor jongeren naar cultuur te slechten en dit doen ze al meer dan 50 jaar. Zónder subsidie.  Met een CJP pas verkrijg je tot je 30ste korting op cultuur.

    Voor wie de pas nu koopt, krijgt er een gratis boek bij. Samen met de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) start vanaf donderdag 25 augustus deze boekencampagne.  Uit onderstaande lijst van zes titels kunnen nieuwe leden een titel kiezen:

    • De zee zien – Koos Meinderts
    • Het Bestand – Arnon Grunberg
    • De naam van mijn broer – Larry Tremblay
    • Doorgang – David Mitchell
    • De ijsmakers – Ernest van der Kwast
    • Het uur van Zimmerman – Karolien Berkven

     

    scale.rb_

     

    Van De ijsmakers van Ernest van der Kwast is op onze site een recensie te lezen.

     

     

     

     

     

    Kijk op www.cjp.nl/koop-die-pas voor meer informatie.

     

     

  • Droomtijd

    Zes is altijd een mooi getal geweest: zes concerti grossi van Händel, zes Brandenburgse concerten van Bach. En zes boekjes in een serie over ‘Religie en zingeving in literatuur en kunst’, naar de leeropdracht die Johan Goud van 1999-2015 vervulde aan de Universiteit Utrecht. Hij is ook de redacteur van deze serie.

    Al eerder verschenen bij een andere uitgever enkele soortgelijke boekjes als zogenaamde Uytenbogaertpublicaties, zoals Een vermoede God, over vijf mystieke denkers, en Een verbeelde God, over dertien literaire onderwerpen. De namen van enkele auteurs komen terug in het laatste van de zes deeltjes dat recent bij Klement verscheen. Maar het gaat me hier primair om het gedachtengoed van hoogleraar en redacteur Goud zelf.

    Oratie
    In 2010 sprak hij zijn oratie uit, die werd gepubliceerd in Het leven volgens Arnon Grunberg: de wereld als poppenkast. Goud stelde zich daarin de vraag wat lezen eigenlijk is en hoe het uitwerkt. Aan de hand van – inderdaad – onder meer de boeken van Het leven volgens Arnon GrunbergGrunberg die hem ‘in verwarring achter’ lieten. Wanneer hij zo’n beetje op de helft van zijn oratie over ‘levensbeschouwelijk lezen’ komt te spreken, onderscheidt hij vijf aandachtspunten binnen het wetenschappelijk onderzoek daarnaar:

    1. Narratief onderzoek als ‘een combinatie van emperie, theorie, morele en levensbeschouwelijke intuïties’ naar ‘kleine verhalen’
    2. De zingevende functie van literatuur in het verlengde van een artikel van Paul Ricoeur: Du texte à l’action
    3. Literatuur en kunst ‘als bronnen van wereldbeschouwing’
    4. Lezen en kijken als vormen van moreel besef en morele reflectie
    5. Een effectieve uitoefening van publieke taken als academicus.

    Dat laatste heb ik een keer meegemaakt tijdens een interessante studiedag in Utrecht naar aanleiding van één van de boekjes. Wat ik in deze opsomming echter wel mis, zijn formele aandachtspunten met betrekking tot literaire bronnen. Maar dat is eigenlijk een beetje inherent aan het onderzoek van veel theologen en filosofen die zich met literatuur bezighouden.

    Afscheidscollege
    Gouds afscheidscollege is opgenomen in het laatste van de hiervoor genoemde serie van zes boekjes:Door woorden gekust Door woorden gekust. Talen van de liefde. Door deze tekst na de oratie te lezen, kunnen we kijken waar Goud gaandeweg zijn leeropdracht op uit is gekomen. En die uitkomst is ontroerend: het college gaat primair ‘over de liefde voor het lezen van fictie en poëzie en het liefhebben dat lezen als zodanig is.’ Lezen is niet langer vooral of louter verbijsterd achterblijven, zoals Goud overkwam na het lezen van Grunberg, maar het voegt ‘droomtijd’ toe: het lezen dat ons, volgens de filosoof Emmanuel Levinas, ‘uittilt boven de zorg om onszelf, boven het realisme en de politiek.’

    Goud neemt als voorbeeld een gedicht van Paul Celan: Kenotaph (Cenotaaf). Een gedicht dat volgens hem ‘verslag doet van de vreemde ontmoeting tussen de dichter en zijn lezer, tussen de afwezige en de vreemdeling.’ Het gedicht voert hem terug naar – en dat kan niet missen – Arnon Grunberg, die zoekt naar lezers die hem ‘de grondtoon, de basis, de aarde waaraan wij hopen iets vruchtbaars te onttrekken’ geven. Ook de schrijvers over wie de andere deeltjes in deze serie gaan, worden genoemd: Rutger Kopland, Willem Jan Otten en Oek de Jong.
    Goud sluit af met een gedicht van Leo Vroman: ‘Voor wie dit leest’ en komt tot de slotsom dat het aankomt op het bewandelen van omwegen. Droomtijd is zo’n omweg. Al mogen de vijf taken die hij in zijn oratie noemde er wat mij betreft best op één of andere manier in mee-resoneren. En mag ook gezegd zijn dat je daarnaast, of soms primair, volop kunt genieten van de taal van poëzie en de vormgeving ervan op zich.

     

    Door woorden gekust. Talen van de liefde
    Redactie: Johan Goud
    Verschenen bij: Uitgeverij Klement
    ISBN: 978 90 8687 166 7
    Prijs: € 19,95

  • Puzzelen

    Puzzelen

    Arnon Grunberg, roman en toneelschrijver, essayist en verslaggever neemt een bijzondere en eervolle positie binnen de Nederlandse letteren in. Hij heeft vroeg in zijn carrière aardig wat prijzen gekregen, niet alleen in Nederland maar ook in België en Duitsland. Elke dag staat er een stukje van hem, Voetnoot, op de voorpagina van de Volkskrant, met commentaar op het leven. Als ‘embedded‘ journalist voor verschillende kranten maakte hij rapportages over zijn meereizen met militaire missies in Afghanistan en Irak. Hij schreef over Guantanamo Bay, het undercover werken als kamermeisje in een Beiers hotel, een vakantie met een Hollandse familie in Griekenland. Geen Nederlandse schrijver doet hem dat na. Hij is uiterst productief en veelzijdig en wat hij publiceert is meestal de moeite waard. Zijn publieke optredens worden goed bezocht en het vrouwelijk deel van het publiek vindt hem charmant. Zijn werk is in zo’n veertig landen uitgegeven. Deze maand nog is zijn toneelstuk Hoppla, wir sterben, geregisseerd door Johan Simons, bij de Münchner Kammerspiele in première gegaan.

    Voor zijn recente fictiewerk Het bestand trok hij de aandacht van het publiek door zijn hersenactiviteiten bij het schrijven ervan door neurowetenschappers te laten onderzoeken. Ook driehonderd lezers van het werk hebben hun hersenactiviteiten laten meten. Wat precies de vraagstelling bij dat onderzoek was en over wat het heeft opgeleverd is de wetenschap echter verdeeld.

    De hoofdpersoon in Het Bestand, Lillian, is niet gelukkig met de wereld en met zichzelf. Ze ervaart op internet hoe ze mannen weet te boeien en zelfs tot ondergang kan brengen met beelden van haar onderlijf, haar eekhoorntje, terwijl ze de deur niet uit hoeft en er geen lijfelijk contact plaatsvindt. Lichamelijkheid verwart haar; konden er maar mensen uitgevonden worden zonder lichaam denkt ze. Ze komt tot de conclusie dat wie de mens als ideaal serieus neemt ‘nee’ moet zeggen tegen het vlees, en wordt in gedachten een fanatiek dierenactivist.

    Ze is een kei in hoofdrekenen, waarmee ze zich ontspant als ze in een lastig parket zit. Het internet is ze opgegaan omdat dat is gebaseerd op getallen, enen en nullen. Via chatrooms waarin ze zich presenteert als oosterse prinses en waar ze veel te lang blijft hangen, komt ze in contact met mensen die ingewijd zijn in de diepere lagen van het web. Die ingewijden zijn net als zij ongelukkig over hoe de wereld draait, en proberen door te hacken de gang van zaken op het net in de war te schoppen. Omdat ze bijzonder slim opereren, zijn ze praktisch ongrijpbaar. Lillian voelt dat ze vanuit deze anonieme wereld een opdracht heeft gekregen en is blij dat ze uiteindelijk een missie in haar leven heeft. Een zekere Banri Watanuki, die ze nooit heeft ontmoet, maar die ze wel als haar geestelijk leidsman beschouwt, heeft haar op het spoor gezet van BClever, een bedrijf dat beweert internetveiligheid voor andere bedrijven te kunnen waarborgen. Daar krijgt ze een baan als receptioniste.

    Met twee mannen op het werk, die zich ook niet helemaal senang blijken te voelen in deze wereld, krijgt ze op den duur wat contact, maar ze komt er helaas niet achter of een van die twee misschien wel Banri Watanuki is. Ze vermoedt en hoopt wel dat zij iets met haar missie te maken hebben, maar zeker is ze er niet van en eigenlijk weet ze ook niet precies wat die missie nou inhoudt.

    De hoofdstukken in het boek hebben een motto, ontleend aan zogenaamde ‘Rules of the internet’. Bijvoorbeeld regel #37 – You cannot divide by zero (Just because the calculator says so), of #17 –  Every win fails eventually. Deze regels zijn geformuleerd door Anonymous, een losse groep opstandige hackers verspreid over de hele wereld. In hoeverre deze regels echter corresponderen met de inhoud van de hoofdstukken zelf is niet altijd even duidelijk.

    Arnon Grunberg heeft een eigen stijl. De eerste zin van het boek luidt: ‘Kauwen is mediteren.’ Hoe letterlijk kan je zo’n uitspraak nemen. Is kauwen altijd mediteren of af en toe? Lijkt kauwen op mediteren of andersom? Is het een aforisme of een metafoor? Of moet je gewoon door lezen zodat wellicht duidelijk wordt waar de zin op slaat? Dat laatste blijkt de beste optie. Lillian is op weg naar haar sollicitatiegesprek bij BClever en ontbijt ondertussen met winegums. Ze heeft bovendien al twaalf uur niet gemediteerd. Negen korte zinnen verder komt weer zoiets: ‘De mens is werk in uitvoering.’ Lillian begrijpt dat ze flink aan zichzelf zou kunnen sleutelen. Ze presenteert zich af en toe, als het echt nodig is, wel als een normaal mens, maar dan moet ze echt haar best doen. De belangrijkste figuren met wie ze in het verhaal te maken krijgt, lijken sowieso niet erg aangepast.

    Omdat de stijl je regelmatig voor puzzels zet en Grunberg zijn hoofdpersoon en de situaties waarin ze terecht komt heel afstandelijk beschrijft, wordt het lastig je met haar te identificeren. Het verhaal heeft desondanks ook plezierige kanten, want Grunberg presenteert onophoudelijk verrassende scènes. Hierdoor heeft Het Bestand meer het karakter van een uitdagend, kunstig vormgegeven puzzelboek met leuke, onverwachte en buitengewone raadsels, dan van een inzicht gevende en meeslepende psychologische roman over een eigentijds onderwerp.

     

  • De verzinsels die we allemaal willen horen

    De verzinsels die we allemaal willen horen

    Een romanschrijver en een oplichter hebben veel gemeen. Natuurlijk, de bedoelingen van de eerste zijn nobeler dan die van de flessentrekker. Maar op de toppen van hun kunnen spelen ze beiden met de werkelijkheid, spiegelen ze allebei hun publiek een wereld voor die er verduiveld echt uitziet. Maar het niet is.

    In de drie romans van Marek Hłasko (1934-1969), die nu verzameld zijn in De Israëlische trilogie, speelt de auteur overduidelijk met die overeenkomst tussen beiden. Waar hij de hoofdpersoon diens slachtoffers laat verleiden met behulp van verzonnen verhalen, zo verleidt ook de schrijver zelf met zijn verhalen de lezer. Want die moet op zijn qui vive zijn, het hele boek door: waar word ik bij de neus genomen door de schrijver, wat is zíjn verhaal en wat is het verhaal van zijn personages?

    Dat is niet altijd even leuk. Het gaat op een gegeven moment zelfs vervelen. Dat komt omdat de eerste roman, De tweede hondenmoord, en de tweede, Bekeerd in Jaffa, te veel op elkaar lijken. De tweede is vooral een herhaling van zetten. Die schelmen ben je zo’n beetje beu, je hebt door wat de verhouding is tussen de vooraf gerepeteerde dialogen en die van de werkelijkheid in het verhaal. Dan komt het moment dat je verzucht: nou weet ik het wel, Hłasko, kom eens met iets nieuws. Wie uiteindelijk de emotie wil voelen, wie ontroert en verrast wil worden, zal dan toch moeten doorlezen. Tot de laatste roman en eigenlijk tot de allerlaatste zin. Pas dan, aan het eind van de korte roman Ik zal jullie over Esther vertellen, komt die laatste zin die genoegdoening oplevert en een glimlach oproept.

    Marek Hłasko, vanwege zijn uiterlijk en gedrag in de jaren zestig wel de Poolse James Dean genoemd, was gedoemd tot zwerven nadat het communistische regiem van zijn geboorteland Polen hem de rug toekeerde. Hij woonde op verschillende plekken in Europa en een aantal jaren in Israël. Daar spelen zich de verhalen af die in deze romantrilogie bij elkaar zijn gebracht.

    Een thema in het werk van de Pool is de zelfgekozen dood. De hoofdpersoon in De Israëlische trilogie koketteert ermee en ook andere personages beschouwen zelfmoord als een denkbare uitweg uit de hel die het leven voor hen lijkt te zijn. Sommigen zie je gewoon in één rechte lijn naar de ondergang lopen, ook al ontkennen ze dat zelf. Mooiste voorbeeld: een oude, zwaarlijvige hartpatiënt die zich in de Israëlische hitte door een hoertje van de ene trappengalerij naar de andere laat loodsen. Hij moet haast wel weten dat het beloofde nummertje met het meisje zijn ondergang wordt, áls het er al van komt. Maar hij sjouwt zijn zwetende, veel te zware lichaam desondanks trap op en trap af, met dat onvermijdbare infarct tot gevolg.

    Een treurig einde was ook voor de schrijver zelf weggelegd. In 1969 nam hij een te grote dosis slaapmiddelen, die hij met alcohol wegslikte.  Zelfmoord of een ongeluk? Veel van Hłasko’s fans en critici gingen, zijn werk kennende, van het eerste uit.

    De drie Israëlische romans worden wel schelmenromans genoemd. En schelmen kun je de twee belangrijkste personages, hoofdpersoon Jacob en zijn partner in crime Robert, wel noemen. De twee troggelen geld af bij eenzame buitenlandse dames die goed in de slappe was zitten. Jacob speelt de gigolo die het vertrouwen wint door zijn levensgeschiedenis te vertellen. Een geschiedenis die er van geval tot geval anders uitziet en door Robert wordt verzonnen. Jacob is de acteur en Robert de scenarioschrijver annex regisseur. De verhalen die Robert zijn partner laat oplepelen zijn subliem en zitten ingenieus in elkaar. Het werkt zó goed dat als Jacob, die een eind aan de oplichting wil maken, een vrouw vertelt dat hij haar wat op de mouw spelt, zij meent dat die bekentenis een verzinsel van hem is die zijn meelijwekkende psychische gesteldheid alleen nog maar bevestigt.

    Hłasko weet dat we behoefte hebben aan de verhalen, aan de mythes. Of ze nou verzonnen zijn of niet. Zoals de lezer van een roman weet dat-ie belazerd wordt. Dat de verhalen pure verzinsels zijn. Zo lijken de slachtoffers van Jacob en Robert ook wel door te hebben dat ze bedonderd worden. Alsof de mens niet anders wíl, niet anders kán dan besodemieterd worden. Misschien is dat ook wel zo. Hłasko tekende het op in zijn memoires en Arnon Grunberg haalt het in zijn nawoord terecht aan: ‘Niemand is in staat de waarheid te geloven’.

     

    De Israëlische trilogie

    Auteur: Marek Hłasko
    Vertaald door Karol Lesman en Gerard Rasch
    Met een nawoord van Arnon Grunberg
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 301
    Prijs: €19,99


  • De liefde

    De liefde

    Opeens kon ik het idee dat ik nooit een selfie zou kunnen maken niet verdragen. Het overkwam me toen ik in een hoekje van een koffiebar een stel, dat duidelijk verliefd op elkaar was, de hoofden naar elkaar toe zag buigen en in lichte extase omhoog keken. Ze vormden een prachtige driehoek waarbij de iPhone van het meisje het middelpunt was. Ze lachten naar het toestel. Er werd afgedrukt. Dat moment kwam me opeens voor als het ultieme gebaar van liefde. Zo’n gebaar wenste ik mij ook te maken. Ik samen met Mijn Lief… Maar ik had geen iPhone. Dat besef maakte van mijn verlangen een onvervulbaar verlangen. Waar ik toch ook wel weer van genieten kon, van dat onvervulbare.

    Ik zuchtte, nog steeds door dat onvervulbare, en trok de krant naar me toe. Grunberg schreef in zijn voetnoot: ‘Alles wat echt is blijft verborgen.’ Dat trof me. Het was de eerste voetnoot na het overlijden van zijn moeder. Hij stond het niet toe verdrietig te zijn. Zijn moeder had zichzelf ooit één dag verdriet toegestaan. Dat was nadat ze had gehoord dat haar ouders waren vergast. Toen was het klaar. Terwijl hij naast het lichaam van zijn overleden moeder stond, vormde deze voetnoot zich in zijn hoofd. Zo gaat dat. Het verlies van een dierbare is niet met tranen te duiden. Ook niet met woorden. Door het op te schrijven brengt dat, wat tussen de regels staat soms meer aan het licht dan men vermoeden kan.

    ‘s Middag kwam Zoon met een vermoeide blik uit school. Hij mompelde een begroeting en liep naar de gang om zijn jas op te hangen. Onderweg daarheen liet hij zijn rugzak, zwaar van boeken op de grond vallen en slaakte een zucht. Ik zat op de bank met een glas wijn en Mijn Lief nadat we wat conflictueuze dagen hadden gehad die op een of ander miraculeuze wijze vanzelf waren opgelost. Dat doen conflicten soms.

    Zoon liet zich naast me op de bank vallen. Zuchtte en streek met een vermoeid gebaar zijn haar naar achteren waarbij hij zijn ogen ten hemel sloeg. ‘Gaat het’, vroeg ik. ‘Mwah’, zei hij waarna hij zijn hoofd liet hangen. ‘Het gaat op het moment niet zo lekker tussen ons.’ ‘Ah’, zei ik. Dan, opkijkend: ‘Hadden jullie dat nu ook toen jullie pas een relatie hadden?’ vroeg hij. ‘Och’, zei Mijn Lief met een relativeringszin die ik niet bij hem vermoedde, ‘de eerste dertig jaar waren niet makkelijk.’ Waarna Zoon in lachen uitbarstte en zei, ‘ Fantastisch, dat geeft moed.’ En ik dacht ‘zo zie je maar’: ‘Alles wat echt is komt bij tijden aan de oppervlakte’. En schonk de wijn nog maar eens bij.

     

  • De oogst van week 45

    Door Ingrid van der Graaf

    Wie zijn blog op Tirade.Nu wel eens leest, weet dat Martijn Knol zeer bewegelijk in zijn tekst zit. Je zou kunnen zeggen, van de hak op de tak, alsof hij een zak vol items leegschudt boven een stuk papier en ze vervolgens naar een enigszins, verbandhoudend stukje toeschrijft. dat gaat hem altijd goed af. Hij schreef drie romans, waarvan zijn laatste, Alles kan kapot (2011) gaat over een chaotische familie die in zeven, los van elkaar staande hoofdstukken beschreven worden maar onderling zijn verbonden met elkaar. Nu verschijnt er van Martijn Knol de novelle Elders. Over een doorsnee gezin, vader, moeder en twee jongetjes, dat een nazomerweek doorbrengt in de Italiaanse Alpen. Het fascinerende van deze novelle lijkt me, dat hij geschreven is vanuit een verteller die zich dicht naast dit gezinnetje ophoudt. En niemand weet wie het is. Volgens de uitgever, een sfeervol en duister verhaal. Elders verschijnt deze week bij Wereldbibliotheek. Blz.: 79, Prijs: € 9,90.

     

     
    Arnon-Grunberg-Ich-will-doch-nur-dass-ihr-mich-liebt-25-jaar-schrijverEen overzicht van 25 jaar schrijverschap van Arnon Grunberg is te vinden in Ich will doch nur, dass ihr mich liebt. Hoewel Grunberg 20 jaar geleden debuteerde met Blauwe maandagen (1994) (wie heeft het níet gelezen), blijkt dat zijn eigenlijke debuut, een toneeltekst De dupe van Felix,  in 1989 geschreven werd. Hannelore Grünberg, moeder van Grunberg verzorgde een fotobiografie van zijn baby- en kinderjaren met teksten als: ‘Slaapt weer miserabel’.  Dat zijn moeder gedurende zijn kinderjaren op een stretcher bij hem op de kamer sliep om kinderangsten te verdrijven, wisten we al uit één van zijn voetnoten. Verschillende auteurs verzorgden een bijdrage. Victor van de Reijt beschrijft Grunbergs activiteiten vóór zijn debuut: zijn pogingen zich te vestigen als acteur en toneelschrijver, de oprichting van zijn eigen uitgeverij Kasimir, zijn eerste schreden op literair gebied tot aan de uiteindelijke doorbraak met Blauwe maandagen. Yra van Dijk belicht in een essay de afstand en betrokkenheid in het werk van Grunberg. Ich will doch nur, dass ihr mich liebt is een overzicht van schrijver/persoon Arnon Grunberg. Het boek is prachtig vormgegeven en geïllustreerd – een must voor de liefhebber van Grunberg. Uitgegeven bij Nijgh & Van Ditmar, Blz.: 216, Prijs: € 29,95.

     

    53af6c55844ed4.08563266Emma Donoghue (1969) publiceerde vele romans, historische boeken, verhalenbundels en toneelstukken. Ze wordt vaak in één adem genoemd met literaire schrijfsters die met lesbische fictie doorbraken zoals Jeanette Winterson, Ali Smith en Sarah Waters. Donoghue debuteerde met Geroerd (1994), een klassieker. In 2010 werd haar boek Kamer genomineerd voor de Booker Prize. Haar nieuwe roman Kikkermuziek speelt in1876 in San Francisco. De stad wordt geteisterd door een hittegolf en een pokkenepidemie. Er wordt een jonge vrouw, Jenny doodgeschoten. Haar vriendin, Blanche zet alles op alles om de moordenaar te laten berechten. Als Blanche probeert de feiten boven tafel te krijgen, blijkt het leven van Jenny veel duisterder dan in eerste instantie leek. Kikkermuziek is een historisch verhaal over bohemiens en vrije liefde en over beschadigde kinderen. Verschenen bij Atlas Contact, Blz.: 432, Prijs: € 24,99, vertaling: Manon Smits.

    indexIn 2012 debuteerde Rebekka Bremmer met de roman Eb die later in dat jaar door Het Parool tot beste Nederlandse roman van 2012 werd uitgeroepen. De evolutie van een huwelijk is haar tweede roman en vertelt het verhaal van Masha die les geeft aan de universiteit. Met haar man Bastiaan en hun twee dochters leidt ze een comfortabel leven. Dan komt de broer van Bastiaan, Frederick met zijn Nieuw-Zeelandse vrouw Shannon en hun baby Deirdre bij hen inwonen. Masha heeft Frederick meer dan twintig jaar niet gezien. Onvermijdelijk raken de levens van de twee gezinnen steeds meer verstrikt in elkaar. De evolutie van een huwelijk, een roman over familiebanden die worden aangehaald en weer verbroken. Bremmer werd geroemd om haar beschrijvende en beeldende stijl. Deze roman maakt zeker nieuwsgierig. Uitgegeven bij Querido, Blz.: 256, Prijs: € 18,99.

  • De Macchiavellist – Arnon Grunberg

    Etalage

    Als e-boek heruitgegeven

    Digitale boeken voor bibliofielen? Het lijkt een contradictio in terminis, maar uitgeverij Ardesia claimt desondanks het eerste bibliofiele e-boek ter wereld gepubliceerd te hebben.

    Het betreft een heruitgave van De Machiavellist van Arnon Grunberg dat in 1990 eerder door de Stichting Casimir, de eigen uitgeverij van Grunberg in een oplage van 500 exemplaren uitgebracht werd. Het is inmiddels in de oorspronkelijke vorm niet meer verkrijgbaar.

    Daarnaast is ook Een vorm van waarheidsliefde opgenomen, het nawoord dat Grunberg in 2007 schreef voor de uitgave van De heerser in de Perpetua reeks van uitgeverij Athenaeum – Polak & van Gennep.

    De drager van De Machiavellist is op de achterzijde genummerd en gesigneerd door Arnon Grunberg. Het e-boek is gevat in een omslagdoos, waarin ook een papieren uitgave is opgenomen: Schrijven alsof je een ganzenveer in je hand hebt en er een rol perkament voor je ligt. Dit boekwerkje bevat een exclusief voor deze uitgave geschreven tekst van Arnon Grunberg rond het thema ‘Papier of digitaal?’. Ook de papieren uitgave is genummerd en gesigneerd door Arnon Grunberg.

    De Machiavellist verschijnt als eerste deel van de Tablet reeks, een serie die wil aantonen dat ook digitale boeken in een verzamelwaardige vorm kunnen worden uitgebracht.

    De uitgave van De Machiavellist is te bestellen via de website van deze nieuwe uitgeverij: www.uitgeverijardesia.nl. De oplage is beperkt: 149 exemplaren. De prijs is € 149,-

     

  • De wereld vergaat volgens Grunbergs Apocalyps

    Agenda

    Arnon Grunberg in gesprek met astrologe Sanny Fortuin, psycholoog Pim Scholte historicus Bob de Graaff en Zevendedagsadvent Reinder Bruinsma over het einde der tijden. Samen met hen onderzoekt Grunberg waarom de mens al zo lang behoefte heeft aan een eindetijdsbesef.

    In Grunbergs onlangs uitgekomen verhalenbundel Apocalyps is het einde voortdurend nabij. Het gevaar kan zich schuilhouden in de eigen woonkamer, of iemands wereld wordt verwoest door een familielid, een priester, een geliefde, een kind, huisdier of collega: niemand is veilig in Grunbergs omineuze universum. Waarom zou dan zoiets belangrijks als de apocalyps overgelaten worden aan Maya-adepten, Jehova’s Getuigen, Zevendedagsadventisten, astrologen en andere doemdenkers wanneer schrijvers als Arnon Grunberg het einde der tijden als geen ander via het dagelijks leven weet te verbeelden?

    De wereld vergaat en dat wordt gevierd. Op 10 november wordt er afscheid genomen van de wereld zoals we die kennen. Maar op wat voor manier? Zeker is dat er apocalyptische muziek is van dj-duo Quartier Mustache.

    Zondag 10 november
    aanvang 16:00 uur
    De Melkweg

  • Verzamelde film-essays

    Verzamelde film-essays

    Buster Keaton lacht nooit is een verzameling essays over films. Grunberg schrijft op zo’n manier over de films dat het helemaal niet relevant lijkt of je deze films gezien hebt of niet want hij geeft alle informatie die je nodig hebt. Hierbij vertelt hij niet over de afloop want die is niet van belang voor het maken van zijn punt; bij de film Kids is dat bijvoorbeeld dat hij de film shockerend vindt.

    De essays hebben als overeenkomst dat ze gaan over de manier waarop in een film met de werkelijkheid wordt omgegaan, volgens Grunberg zodanig dat je als kijker fictie en realiteit nog maar moeilijk uit elkaar kunt houden, of omdat in de film alles zo ontzettend realistisch wordt neergezet.

    Als voorbeeld het essay ‘Catalogus van andermans tekortkomingen: Paul Haggis’s film Crash is één groot spel met raciale clichés’. Grunberg beschrijft hier de raciale clichés die in de film Crash aan de orde komen. De persoon die in de film wordt aangereden stapt uit zijn auto om te kijken wie dit ongeluk veroorzaakt heeft en ziet gelijk een ‘smerige neger die hem heeft aangereden’. In de film zitten negers voornamelijk in de gevangenis en parkeren latino’s hun auto in hun voortuin (dat schijnen latino’s te doen, aldus Grunberg). De hoofdpersonen zijn zich bewust van deze clichés, het is ‘normaal’. Filmmaker Haggis zou hiermee willen laten zien dat het de werkelijkheid is. De film zou niet bedoeld zijn om te proberen deze clichés te onderdrukken of extreem te belichten, en ook niet om te laten zien hoe slecht clichés zijn. Maar de werkelijkheid is hard, want het ís de realiteit, dergelijke clichés bestaan, aldus Grunberg. Tijdens het kijken van de film wordt de kijker zich ongemakkelijk bewust van deze realiteit. Vervolgens haalt Grunberg er nog wat andere vergelijkbare films bij, om uiteindelijk na een ietwat warrige uiteenzetting te concluderen dat ‘het wapen de angst is’.

    Een ander voorbeeld: het essay ‘Zelfs wraak komt te laat: Waarom Once Upon a Time in America onvergetelijk is’. In dit essay gaat het over de film Once Upon a Time in America waarin we volgens Grunberg daden zien waarvan de consequenties niet alleen de toekomst veranderen, maar ook het verleden. Een heel leven kan op deze manier alleen nog maar bekeken worden door het filter van één enkele daad. Er wordt in dit essay geen vergelijking gemaakt met andere films.

    Films die aan bod komen in de overige essays zijn onder andere nog Brokeback Mountain, One Hour Photo, The Apartment, The Passion of the Christ en World Trade Center. In de meeste essays wordt als een soort recensie over de desbetreffende film geschreven, en de enige overeenkomst tussen alle essays is dat ze gaan over hoe de werkelijkheid behandeld wordt in de films. Er worden geen verbanden tussen de verschillende films of essays gelegd. Dit komt waarschijnlijk omdat de essays niet voor deze bundel geschreven zijn, maar een verzameling zijn van columns die eerder verschenen in NRC Handelsblad en Vrij Nederland. 

    De essays zijn zeer beschrijvend, observerend, en weinig verdiepend. Ze lezen niet gemakkelijk weg, er wordt een actieve houding van de lezer verwacht. Je moet moeite doen om Grunbergs snelle gedachtewisselingen over de film te volgen. Hij haalt er veelvuldig andere titels bij en de stof die behandeld wordt is redelijk droog. Kortom: opletten geblazen voor de lezer. Maar hoewel hij zeer uitgebreid en zeker fraai taalgebruik hanteert, doet hij  uiteindelijk niet meer dan louter observeren. Hij beschrijft wat we zien, maar verbindt hier geen conclusies of theorieën aan. Hij gaat niet de diepte in. De lezer die geen of weinig van de films kent, krijgt na een aantal essays wel het gevoel dat het ‘meer van hetzelfde is’. In alle essays gaat het immers over de frictie tussen werkelijkheid en fictie en gaat het over Grunbergs kijkervaring, het zijn combinaties van contemplatie en filmrecensie. Concluderend kunnen we stellen dat de essaybundel interessant is voor een klein publiek, namelijk de notoire filmliefhebbers die bekend zijn met de (meeste van de) beschreven films. Deze lezer zal zich herkennen in de observaties en al dan niet glimlachend terugdenken aan de bewuste film. Je kan je afvragen of iemand  die de films niet gezien heeft, veel heeft aan Grunbergs observaties, al zit er een aantal interessante essays tussen waardoor hij of zij na het lezen getriggerd zou kunnen worden om de film te gaan zien. Anders blijft het net als luisteren naar twee mensen die praten over een boek, dat jij het niet gelezen hebt…

     

    Buster Keaton lacht nooit

    Auteur: Arnon Grunberg
    Verschenen bij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
    Aantal pagina’s: 256
    Prijs: € 19,95

  • Architectuur die (n)iets terug geeft

    Architectuur die (n)iets terug geeft

    De man zonder ziekte van Arnon Grunberg gaat over een jonge ambitieuze Zwitserse architect met Indiase roots, Samarendra Ambani, voor zijn vrienden Sam. De kern van Sams identiteit definieert hij negatief. Deze wordt namelijk gevormd door ´het gebrek aan ziekte. Hij heeft geen rolstoel nodig, geen permanente verzorging, hij is heer en meester over zijn eigen lichaam.´ (8) Hierin verschilt hij van zijn jongere zus Aida, die kampt met een langzaam erger wordende spierziekte, waarvoor geen genezing is, behalve misschien via een dure methode in de Verenigde Staten. Sam is niet tevreden over zichzelf: ´De afwezigheid van ziekte in zijn leven was geen zegen, maar een verborgen gebrek. Hij had altijd genomen, zonder ooit iets terug te geven. Hij besloot een architect te worden die gaf, een genereuze architect.´ (23) ‘Hij wil geen architectuur maken die boven de mensen staat, die macht wil uitoefenen, maar architectuur die naast de mensen staat, die iets terug geeft.’  (35)

    Het boek gaat onder meer over hooggestemde idealen over kunst en cultuur en hun nut voor de mens. Grunberg lijkt te willen tonen hoe zulke idealistische denkbeelden totaal verkeerd kunnen uitpakken in een gepolitiseerde wereld vol geweld en haat. Sam wordt door Grunberg twee maal naar het Midden Oosten gestuurd. De eerste keer naar Irak, omdat hij denkt dat hij meedingt in een wedstrijd om een operagebouw in Bagdad te ontwerpen, om Puccini naar de Irakezen te brengen. De tweede maal gaat hij naar Dubai, om een enorme bibliotheek te bouwen, die alle boeken van de wereld moet bevatten. Beide keren loopt Sams reis uit op een persoonlijk drama. Hij wordt gevangen genomen en aangezien voor een spion. De eerste keer wordt hij nog verlost uit zijn gevangenschap, de tweede keer verloopt anders.

    De niet meer gelovige Sam wordt ertoe gedwongen terug te komen op zijn haast religieuze visie op de heilzaamheid van kunst: vroeg in de roman lezen we het volgende: ´Waar eens God zat, zat nu de kunst; een god zonder tanden vermoedde Sam, maar wel met een liefdevolle glimlach. Kunst bijt niet.´ (19) Dat is, zo blijkt, een naïeve gedachte. Als Sam naar Irak afreist doet hij dit in de veronderstelling dat het ergste daar wel achter de rug is. Hij wil helpen bij de wederopbouw. Hij ziet voor zichzelf en andere architecten een grote rol: ´Oorlog vernietigde mensen en hun huizen. Architecten bouwden huizen, zij stonden tegenover oorlog zoals de arts tegen de dood.´ (22) Volgens zijn compagnon Dave neemt Sam de architectuur echter te serieus, hij moet deze meer als spel zien, zoals een kind met zijn blokken speelt. (127)

    Sam is een leerling van de bekende architect Max Fehmer. Hij denkt soms dat hij deze kan evenaren of overtreffen. Fehmer stelt in het boek het volgende:´De kracht van een architect is zijn talent, waarvan je zijn naïviteit moet aftrekken. Je kunt er een vergelijking voor opstellen: k=t-n´ (62/63) En ook: ´De architect moet de mensen niet verbeteren, hij moet ze bij de hand nemen en leiden´ (62) Hiermee is Sam het niet eens. Het gaat bij hem steeds ook om ‘de actieve interpretatie van de gebruiker.’ (192) De architect moet niet te dwingend zijn.

    De man zonder ziekte is onder meer een roman over kunst- en architectuurvisies en hun rol in een onoverzichtelijke wrede wereld. Grunberg sprak in voorbereiding op het schrijven van het boek met diverse architecten, onder wie Rem Koolhaas. Het personage Max  Fehmer stelt: ´In onze wereld is identiteit fastfood. Architectuur moet meer willen zijn dan de tomaat op de hamburger, architectuur moet de keuken zijn waar de hamburger wordt gebakken. De architect beïnvloedt de identiteit van de gebruikers van zijn gebouwen, zijn bruggen, zijn torens. De architect is er niet alleen om mensen een dak boven het hoofd te geven, voor een dak hebben ze genoeg aan een tent, daarvoor hebben ze geen architect nodig´ (19/20). Voor Fehmer is iedere burger een architect, omdat iedereen dagelijks met architectuur wordt geconfronteerd, dit in tegenstelling tot de visies van filosofen en sociologen, waarmee mensen maar zelden in aanraking komen. (20) De architect heeft dus zowel grote invloed als grote verantwoordelijkheid.

    Sam ziet in de eerste helft van de roman een connectie tussen schoonheid en idealisme. Hij  herinnert zich instemmend een uitspraak van een docent kunstgeschiedenis die zei: ´Geen ethiek zonder esthetiek. Wie de esthetiek verwaarloost, kan vroeg of laat ook de ethiek begraven.´ (50)

    Wat later in de tekst, als hij de futiliteit van zijn Irakmissie begint in te zien, komt hij tot een hard zelfverwijt: ´Hij is naïef geweest, en naïviteit is erger dan domheid, erger zelfs dan slechtheid.´ (62). Het is een mening waarmee men het hartgrondig oneens kan zijn. Sam handelt in de rest van het boek ook niet alsof hij dit inzicht daadwerkelijk tot zich heeft laten doordringen.

    Het boek gaat minder over trauma dan misschien mogelijk was geweest. Nadat hij na zijn eerste gevangenschap uit Irak terug is in het veilige Zwitserland vraagt Sam zijn vriendin om op hem te urineren en hem ´hond´ te noemen, zoals in gevangenschap geschiedde. Echt over het gebeurde praten wil hij niet: ´Praten maakte de dingen in de regel alleen erger. Als iets genezend is, is het zwijgen.´ (101)

    De man zonder ziekte overtuigt, zonder dat je meteen Grunbergs levensvisie wil overnemen. Het aangrijpende (maar voor Grunbergwatchers niet onverwachte) einde lijkt onontkoombaar, maar als je terugleest, zie je dat toeval ook een rol speelde. Aan het einde zit verder nog een onverwachte ´twist´, als ware het boek een Hollywoodfilm. In de laatste bladzijden wordt een ander licht op Sam geworpen, zodat de rest van het boek ook anders moet worden gezien.

    In de roman wordt Westerse arrogantie (of: naïviteit) hard afgestraft. Grunberg zet de lezer aan het denken over belangrijke thema´s als identiteit, cultuurverschillen, de rol van kunst en cultuur en de werking van projecten ter wereldverbetering. De stijl is geslaagd: Grunberg weet in iets meer dan tweehonderd bladzijden zijn visie op Sam en mensen met denkbeelden als Sam indringend zonder opsmuk te tonen. Een ijzersterk boek.

     

  • Literaire periodieken: Hollands Maandblad, Nynade en Zacht Lawijd

    Recensie: Ingrid van der Graaf

    Met het vallen van een literair tijdschrift op de deurmat, begint een heimelijk voorgenieten; nieuw leesvoer, schenk de koffie in of zet de wijn koud! Eerst wordt er gebladerd: onbevangen surfen door het blad, op zoek naar een debutant, een veelzeggend gedicht of een boeiend essay. Om onverwacht te stuiten op een voordracht, bijvoorbeeld De geschiedenis van mijn haar van F. Starik in Hollands Maandblad no. 4. dat  snel tussen keuken (koffie) en leestafel naar binnen wordt gewerkt. Heerlijk! Soms wil de lezer overtuigd worden, zoals bij het minder bekende blad  Nynade (Kunst & Letteren). De in historische context  gevatte artikelen in Zacht Lawijd vragen om een stevige leestafel waaraan de documenten uiteen gevouwen kunnen worden en het consumeren beginnen kan. 

    Zacht Lawijd is een literair historisch tijdschrift en publiceert gedocumenteerde informatie met een regelmaat van vier keer per jaar. Hoewel het blad de indruk wekt voor academici te zijn uitgegeven is het zeer aanbevelingswaardig voor de breed georiënteerde lezer die zijn klassiekers kent, (of wil kennen).

    Het 3e nr. (2010) van Zacht Lawijd  is een themanummer en gewijd aan Reinold Kuipers (1914-2005). In Zacht Lawijd nr. 1 van dit jaar komt Kuipers opnieuw voor en wel als  fondswerver van De Arbeiderspers. Kuipers was in 1949 in Gent op bezoek bij de dichter Richard Minne (1891-1965). Hij was op zoek naar niet eerder gepubliceerde gedichten. Minne moest hem teleurstellen maar  attendeerde Kuipers op een ‘onmogelijk’ manuscript van de jongeman Louis Paul Boon (1912-1979). In 1949 komen Kuipers en Boon voor het eerst met elkaar in contact, maar pas in 1953 verscheen De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon in het fonds van de uitgever. Want: Deze titel was enkele jaren de inzet van een machtspel tussen Minne en Boon. Zo het zich laat verklaren wilde Boon een ‘vadermoord’ (Minne) plegen om zich zodoende een eigen stek onder de zon te verwerven. Dit had een heftige polemiek tussen beide heren tot gevolg. Wanneer Richard Minne is overleden toont Boon openlijk (ietwat pathetisch aandoend) zijn grote waardering en liefde voor een man als Minne. Waarvan in Kuipers meets Minne en Boon, door Yves T’Sjoen (docent van de Vakgroep Letterkunde aan de Universiteit te Gent) en Els van Damme (bereidt een proefschrift voor over het literatuurkritische werk van Richard Minne en verbonden aan diezelfde Universiteit) in een uitvoerig artikel verslag gegeven wordt.

    Zeer goed gedocumenteerd is ook het artikel Driemaal is scheepsrecht! (Over S. Vestdijks romandebuut), door H.T.M. van Vliet. Voordat Vestdijk debuteerde met Terug tot Ina Damman, had hij de twee modernistische romans Meneer Visser’s hellevaart en Kind tussen vier vrouwen geschreven maar geen uitgever durfde zich aan publicatie daarvan te wagen. Hoewel de schrijver met Kind tussen vier vrouwen had willen debuteren bleef de roman tijdens zijn leven ongepubliceerd. In een prettig leesbaar stuk, geïllustreerd met kladbladen (ah, dat handschrift! welke schrijver wordt nog om zijn handschrift herkend), een portretfoto van de schrijver, van zijn typemachine en een afbeelding van de cover van Meneer Visser’s hellevaart zoals uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar.
    Van Vliet publiceerde in november vorig jaar zijn editie van S. Vestdijks Kind tussen vier vrouwen, en ontving daarvoor de Ina Dammanprijs.

    Verder het artikel ‘Zie daer de trekken van een Nederlandsch penseel!‘ van de historicus en schrijver Jan Lampo. Lampo werkt aan een boek over de relatie tussen kunsttheorie, literatuur en schilderkunst in en om de Antwerpse Academie voor Schonen Kunsten van circa 1750-1850. Hierbij stuitte hij op de kunstopvattingen van Jan-Frans Willems (1793-1846).

    En een document getiteld: De brieven van Alice Nahon aan Emmanuel de Bom, over de Antwerpse auteur Emmanuel de Bom (1868-1933) en zijn vriendschappelijke en joviale levensinstelling door Manu van der Aa. Van der Aa is publicist over voornamelijk Nederlandstalige literatuur van het interbellum.

    Hollands Maandblad heeft twee auteurs die trouw elk nummer een bijdrage leveren, en dat schept een band. Je wilt de nieuwe bijdrage van deze coryfeeën direct lezen, ik in ieder geval. Zoals in de Groene Amsterdammer de bijdragen van Marja Pruis, Perquin en Opheffer mijn ‘leessnacks’ zijn, zijn Vroman en Brandts Corstius dat in Hollands Maandblad.  Hieronder een bespreking van de nummer 4 en 6/7.

    In het zomernummer 6/7 van HM  twee debuterende auteurs, Machiel Jansen en Jochem van den Dijssel. Jansen schreef een vermeldenswaardig stuk ‘over het redeneren van Karel van het Reve’. Jansen ‘verorberde’ alle tweeduizend pagina’s van het Verzameld werk van Karel van het Reve, wat op zich nogal een opgave is en verwerkte dit tot het stuk Helderheid voor beginners. Daarbij volgde hij twee lijnen die hij ontwaardde in het Verzameld werk. En wel de lijn Schopenhauer en de lijn Popper.  Waarin de gedachte van Van het Reve – dat het beter is zelf na te denken dan te lezen wat anderen over een onderwerp te melden hebben – als meanderende draad doorheen loopt. In de eerstvolgende nummer van Tirade zal Machiel Jansen overigens een stuk over de Welwillenden van Jonathan Littell publiceren.

    Jochem van den Dijssel schreef het kortverhaal Bruto Stedelijk Geluk. In helder proza wordt het enigszins absurdistische verhaal verteld van een gemeente ambtenaar die bewoners in een achterstandwijk moet interviewen om te meten hoe gelukkig men is. Natuurlijk denkt niemand in zo’n wijk in gradaties van geluk. De ambtenaar heeft dit snel door, laat de moed niet zakken en verzint zelf een mate van geluk voor elke bewoner, aan de hand van zijn observaties. De uitkomst is niet relevant voor het verhaal, wel de wijze waarop het verteld wordt. Van den Dijssel is een goed waarnemer en een evengoed schrijver.

    In nummer 4 een verhaal van Vrouwkje Tuinman Quo Vadis 1. Over Golders Green Crematorium in Noord-Londen waar onder meer de as van Sigmund Freud, Peter Sellers en Ian Durry is bijgezet. De beheerder Eric Willis kende in zijn vorige loopbaan als loodgieter geen vrienden. Golders Green is voor hem een plek voor de levenden, van de doden heeft hij nooit iets vernomen. Net als in haar laatste dichtbundel schrijft Tuinman over het leven na de dood, waar je vrienden aan overhoudt.
    In Een vorm van troost, van Anke Scheeren komt een schoonmaakster klem  te zitten tussen de georganiseerde zorg en haar eigen behoefte een oude, hulpbehoevende vrouw uit een benarde positie te redden.
    Verder het gedicht Indian winter van Gerry van der Linden en in het zomernummer het kortverhaal Wit van haar. Van der Linden is goed in het toevoegen van mooie zinnen die de werkelijkheid in het verhaal een extra demensie geven. Zoals: ‘De maaltijd verliep met een conversatie die haast zweeg van voorzichtigheid.’ Daarmee aangevend dat alles niet zo duidelijk is als het lijkt. ‘Wit. Maar niet smetteloos.’

    Van Arnon Grunberg werd opgenomen de (licht) bewerkte versie van een lezing over literatuur en traumaverwerking die hij gaf op 11 mei dit jaar aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Na lezing van Welkom thuis, wordt het vermoeden bevestigd dat het verschil in de belevingswereld van man en vrouw, ervoor zorgt dat zij gedoemd zijn elkaar nooit te begrijpen. Naast Leo Vroman gedichten van Wim Brands, Krijn Peter Hesselink, Jos Versteegen en Pieter Grootendorst. Verder nog het verhaal Supermarkt, van Revka Bijl. En in nr. 4 ook een verhaal van Philip Huff, Er breekt altijd wel iets. En van David Pefko, Pijn is iets heel persoonlijks. De tekeningen werden gemaakt door Trille Bedarrides (nr. 4) en Elise van Iterson (nr. 6/7).

    Op de omslag van Nynade (nr. 14 2011) een afbeelding van een schilderij van Ruslan Vashkevich, One of the two, uit 2009. Twee zwart glimmend gepoetste schoenen op een vel gelinieerd papier, met in de rechter schoen een in vele plooien vertrokken babygezichtje met wijd opengesperde mond. Een prachtig schilderij. Het blad bevat twee interviews, een met de schilder Vashkevich (uit het Russisch vertaald door Barney Agerbeek) en Karel Wash tekende een gesprek op met schrijfster Janneke Holwerda over haar roman Zeesteen. Met deze interviews wordt de ondertitel Kunst & Letteren inhoud gegeven. Er zijn veel gedichten opgenomen waarvan de zeggingskracht niet altijd overtuigt. Verrassend is het verhaal over het leven van de kleurrijke Amsterdamse kunstenaar (met foto) Henk de Jong. Een bespreking van A single man van Christopher Isherwood, het boek en de film, door Rita Spigt is ook een mooie bijdrage. Sommige bijdragen ogen wat prematuur. De loop der dingen van Jan Ruward lijkt daardoor een niemandalletje terwijl er wel degelijk een gedragen inhoud inzit. Het tijdschrift is geïllustreerd met vele kleurige illustraties. De redactie van Nynade heeft zeker ‘smaak’, maar de bijdragen verschillen nogal van kwaliteit en lijkt er sprake te zijn van een te willekeurig keuzebeleid.

     

    Voor verdere informatie en abonnementen kijk op de betreffende websites.

    Hollands maandblad: Ga naar website

    Zacht Lawijd: Ga naar website

    Nynade: http://www.nynade.nl/.