• Details

    Details

    Terwijl ik nadenk over de uitspraak van de koning, ‘Sobibor begon in het Vondelpark,’ hoor ik op de radio Arnon Grunberg. Het is zaterdagochtend, ik zit aan de lange tafel aan de tuinkant van de kamer, de ongelezen krant voor me. Het waren de borden Verboden voor Joden, die de eerste stap zette naar uitsluiting van een bevolkingsgroep, naar het concentratiekamp, een schokkend begrijpen. Grunberg is te gast bij Nieuwsweekend om te praten over zijn 4 mei voordracht. Met welk doel heeft hij die geschreven? ‘Herdenken is pas zinvol als je pogingen doet tot kennisoverdracht’, zegt Grunberg. En, ‘Ik heb dit geschreven met het oogmerk om een beeld te geven van wat daar echt gebeurd is.’

    De zon straalt dwars door de kronkelende tulpen die op de vaas staan, schaduwen op het tafelblad. Grunberg zegt dat we naar de details moeten kijken, dat algemeenheden geen indruk maken. Ik denk aan het boek Draaidagen. Dat begint met het rinkelen van porselein, ‘En ik geef je de roomboter aan. Mijn ogen volgen de botervloot. (…) Ik kijk hoe je hem naast je bord zet. Het kort rinkelende geluid van porselein. Het geschuif over het tafelblad.’

    Judith is opgevoed door haar oma Nini, concentratiekamp overlevende. Na een verbroken studie woont Judith weer bij haar oma. Oma Nini heeft nooit over haar oorlogsverleden gesproken, nu ze dementeert, wordt ze angstiger, verstopt zich in een kast, verdwaalt op weg naar de bakker. Judith heeft Nini altijd in haar hoofd bij zich, praat met haar. Als figurant speelt ze in een film over de deportatie van joden uit de psychiatrische inrichting het Apeldoornsche Bosch. De vernietiging van joden tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt als een vernuftig draadje uitgesponnen van heden naar verleden en weer terug. Alles is zo uitgekiend gedoseerd dat ontroering me op verschillende momenten overvalt.

    In de film figureren kinderen met een beperking. Een jongen met het syndroom van Down wordt door een acteur die een SS’er speelt in het gezicht geslagen. Omdat hij treuzelt met zich uitkleden (de jongen acteert niet). Judith denkt, ‘Mag dit eigenlijk wel? (…) Waarom zo wreed? Ziet hij dan niet dat ze hun best doen zo snel mogelijk te zijn?’ Overheersing maakt machtig, ook als je een rol speelt.

    Boer beschrijft een gaskamer scène. De camera filmt vanuit de kleedkamer waar de gevangen zich in een eerdere scène hebben uitgekleed als de deur van de gaskamer wordt ontgrendeld (niet geopend, ‘ontgrendeld’). Lichamen rollen de kleedruimte in. Verbrijzelde schedels, gebroken lichaamsdelen, uitwerpselen, bloed. Deze passage sluit Boer af met, ‘De meesten stierven bij de deur. Waar ze erin gingen, wilden ze eruit.’

    Dit detail beneemt me de adem. Niet de verbrijzelde schedels of lichamelijke secreties, maar dit, ‘Waar ze erin gingen, wilden ze eruit.’ Waarmee de doodsangst, het gevecht om te overleven voelbaar wordt. Dat wat er echt gebeurd is, pas door de details werkelijkheid worden. Bianca Boer schreef een ongelofelijk indrukwekkend boek.

     

     

    Draaidagen / Bianca Boer / AtlasContact (2019)


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, rommelt met boeken en schrijft over ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Auschwitz hangt nog altijd in de lucht

    Auschwitz hangt nog altijd in de lucht

    In het midden van een terrein, twee voetbalvelden groot, is een boksring geplaatst, verlicht door schijnwerpers van de luchtafweerinstallatie. Ertegenover acht rijen stoelen waarop tweehonderd SS-ers van allerlei rang uit Auschwitz en kampen in de buurt. Aan de andere kant van de ring honderd tot honderdvijftig kapo’s (de toezichthouders die de SS aanwees uit de kampbevolking zelf). Ze gaan kijken naar een bokswedstrijd van een soldaat van de Wehrmacht tegen ‘Young’ Perez, een Tunesische bokser die in 1931 en 1932 wereldkampioen vlieggewicht was en nu in Auschwitz verplicht wordt om de nazi’s regelmatig te amuseren: ze willen een portie bloed en geweld zien.
    In Bij ons in Auschwitz heeft Arnon Grunberg een kort stuk opgenomen uit De bokswedstrijd. Overleven in Auschwitz van Paul Steinberg, die tijdens het gevecht verzorger was van Perez. In dat stuk wordt het gevecht beschreven, maar veelzeggend is hoe Steinberg zijn verslag karakteriseert: ‘Als er ooit een surrealistische happening heeft plaatsgehad die de verbeeldingswereld van een Breton, Dalí of Magritte zou hebben getart, dan was het die avond wel’. Hij vraagt zich af ‘of die voor het geestesoog van een menselijk wezen met een gezond bewustzijn wel tot leven is te roepen’.

    Die inleidende opmerking raakt aan de onmacht om de werkelijkheid van Auschwitz aan anderen duidelijk te kunnen maken. Arnon Grunberg nam in de door hem ter gelegenheid van de bevrijding van Auschwitz – 75 jaar geleden – samengestelde bundel Bij ons in Auschwitz 78 fragmenten op die allemaal in meerdere of mindere mate dat onvermogen illustreren. Grunberg zegt er in zijn inleiding behartenswaardige dingen over. Hij haalt Sem Dresden aan: ‘Als het waar is – het is ongelukkig genoeg waar – dat geen kampbeleving en geen getto-ervaring zich indertijd of naderhand in woorden laat vangen, dan zal elke uitdrukking ervan een vorm van behelpen en van onvermogen moeten zijn. Dan blijft alleen over wat ik niet beter weet te benoemen dan indirectheid’. Steinberg moest daarom wel surrealistische schilders te hulp roepen – en wist dat dat behelpen was.

    Dantesk

    De fragmenten zijn geschreven door dertien schrijvers die allemaal in Auschwitz hebben gezeten. Het merendeel van hen overleefde het kamp en deed later een poging om terug te blikken. Er zijn ook fragmenten opgenomen die in het kamp zelf zijn geschreven. Het zijn niet alleen getuigenissen van Joden, maar ook van bijvoorbeeld een verzetsstrijder. Er zijn beschouwende teksten naast herinneringen. Maar in die verscheidenheid is er één constante: alles heeft zich afgespeeld in één kamp, Auschwitz-Birkenau. Dat betekent dat er soms paralellen zijn. De Hongaar Miklós Nyiszli vermeldt een voetbalwedstrijd in het kamp die aan de bokswedstrijd van Steinberg doet denken. En de Pool Wieslaw Kielar spreekt over ‘danteske scènes’, zoals Steinberg het surrealisme nodig had om beelden op te roepen. Diverse auteurs verwijzen naar elkaar waardoor de stukken elkaar versterken.

    Meerdere schrijvers vragen zich af – in de bewoordingen van Grunberg – ‘of de taal Auschwitz aankan, of niet ook de taal van de mensen vernietigd is in de gaskamers en de crematoria’. Die ontoereikendheid van de taal en tegelijk de noodzaak wél taal te vinden, is het centrale thema van Grunbergs inleidende essay. Schrijven over het vernietigingskamp is volgens hem een literaire onderneming omdat die uitgaat van de verwachting dat de schrijver de lezer iets laat meemaken dat hij niet kent. Bij fictie is dat iets dat de schrijver zelf niet eens heeft ervaren, maar in dit geval is er niets bedacht; de voor de lezer onvoorstelbare realiteit moet worden verwoord. Als je genoegen neemt met de onzegbaarheid wordt Auschwitz iets dat in stilte beleden wordt, ‘zoals je met een god doet: het betekent dat je bijdraagt aan de verheerlijking ervan’. Je moet er dus over spreken, maar hoe? En wie mag spreken?

    Sonderkommando’s

    Grunberg heeft gekozen voor teksten van schrijvers die Auschwitz meemaakten en daarover non-fictie hebben geschreven (wat niet wil zeggen dat zij geen romans op hun naam hebben staan, zoals in het geval van Imre Kertész en Primo Levi). Ook gaat het niet alleen om teksten van overlevenden, maar ook om getuigenissen van omgekomenen. Daaronder de leden van de Sonderkommando’s.

    Deze Sonderkommando’s behoorden tot wat Primo Levi in zijn De verdronkenen en de geredden de ‘grijze laag’ noemt. ‘Een extreem geval van collaboratie’ noemt hij deze Kommando’s. Ze waren samengesteld uit kampbewoners, grotendeels Joden (gevangen Duitsers en Polen kregen de ‘respectabeler’ functie van kapo), die in ruil voor bepaalde voorrechten dienst deden in de crematoria. Die dienst hield onder andere in: orde handhaven, lijken uit de gaskamers halen, gouden tanden uit de monden breken, de ovens stoken, de as eruit halen en die begraven. Hun privilege was dat ze een paar maanden wat meer te eten kregen (en hoopten te overleven). Maar de SS zorgde ervoor dat er om de paar maanden nieuwe Sonderkommando’s kwamen die hun voorgangers alsnog de ovens injoegen. Eén van de gedachten die er volgens Levi achter zat was ‘een paroxisme van doortraptheid en haat; de Joden moesten de Joden in de ovens stoppen, het bewijs moest geleverd worden dat de Joden, Unterrasse, Untermenschen, zich tot elke laagheid lenen, zelfs tot het vernietigen van zichzelf’.

    Beschrijvingen

    Dat de SS de Sonderkommando’s om de paar maanden verving was mede om te voorkomen dat iemand het zou kunnen navertellen. Daarin is de SS niet geslaagd. Grunberg heeft fragmenten opgenomen van twee overlevende Sonderkommando’s, de al genoemde Nyiszli (die zich vrijwillig had gemeld) en Filip Müller. De meest macabere beschrijvingen van het werk die zijn opgenomen zijn van de hand van de hiervoor eveneens al genoemden Kielar – geen lid van de Sonderkammando’s, maar Blockältester – Müller en Nyiszli. Met hen waad je als lezer door de stank en verminkingen van de lijken die moesten worden opgeruimd; cynisch soms, zoals wanneer Nyiszli een recept geeft voor diarree.

    Er zijn zelfs verslagen opgenomen van Sonderkommandoleden die het kamp niet overleefden, Zalmen Gradowski en Zalmen Lewental. Ze begroeven hun handgeschreven getuigenissen in de as bij de crematoria. Daar werden ze na de oorlog gevonden. De sporen zijn zelfs nog tastbaar in de gedrukte versies in de bundel van Grunberg waar streepjes en puntjes aangeven wat niet meer leesbaar is (mogelijk gewist door inwerking van vocht, as en aarde).

    Mogelijkheid

    Grunberg velt geen moreel oordeel over de Sonderkommandoleden, dit in navolging van Levi die vraagt ‘om de geschiedenis van de “aasvogels van het crematorium” met piëteit en een onvertroebelde blik te overdenken, maar het oordeel over hen op te schorten’. Hij schrijft dit na een gedachtenexperiment rond de vraag wat ieder van ons in zo’n barre situatie zou hebben kunnen doen.
    De fragmenten in Bij ons in Auschwitz zijn gerangschikt in vier thematische delen: Aankomst, Bed, straf en selectie, Sonderkommando en Schuld, schaamte, wrok en verlangen. In het derde deel vliegt de weerzin je als lezer soms aan, zozeer dat je niet méér binnen kunt laten. Grunberg realiseerde zich dat: ‘Wie het zich gemakkelijk wil maken heeft hier niets te zoeken’, waarschuwt hij. In die zin vraagt het lezen van de bundel doorzettingsvermogen. Je realiseert je dat je niet weg mag lopen als Grunberg toevoegt: ‘Auschwitz is een mogelijkheid, die weer bestaat uit talloze mogelijkheden, men leze wederom de getuigenissen, maar het is wel een mogelijkheid die geen onmogelijkheid is geworden, Auschwitz hangt nog altijd in de lucht’.

     

     

  • Oogst week 5 – 2020

    Bij ons in Auschwitz

    Op 27 januari 2020 was het 75 jaar geleden dat Auschwitz werd bevrijd. Ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog stelde Arnon Grunberg (1971) op verzoek van uitgeverij Querido de bloemlezing Bij ons in Auschwitz samen, een bundeling ooggetuigenverslagen van onder anderen de Joods-Italiaanse auteur Primo Levi (1919-1987) en de Joods-Slowaakse Filip Müller (1922-2013).

    Centraal staat het Sonderkommando, bestaande uit joodse kampgevangenen die onder dwang medegevangenen naar de gaskamers begeleidden en hun lichamen naar de verbrandingsovens brachten. De schuld en schaamte die hiermee gepaard gingen, waren lang na het einde van de oorlog nog even bepalend en ontwrichtend.

    Grunberg putte uit de verhalen die hem naar eigen zeggen ‘een leven lang begeleid hebben’ – ook uit het postuum gepubliceerde werk van zijn moeder Hannelore Grünberg-Klein, die in Auschwitz werd gescheiden van haar moeder en haar gevangenschap overleefde, maar daar altijd door getekend bleef.

    Bij ons in Auschwitz
    Auteur: Arnon Grunberg
    Uitgeverij: Querido

    Er is een band die rapemachine heet

    Er is een band die rapemachine heet is het poëziedebuut van Levina van Winden (1994), die in 2018 de Amsterdamse Festina Lente poëzieslag won. In haar gedichten, waarin zowel ironie als ernst doorklinkt, snijdt ze urgente en actuele onderwerpen aan. Van Winden ontleedt de kwetsbare maatschappelijke positie van vrouwen, waarbij ze ook zelfonderzoek niet schuwt. Soms doet ze dat haast terloops, om vervolgens confronterend dichtbij te komen, zoals in deze strofe uit haar gedicht “Opium”:

    ‘Tsja, zo zijn mannen,’

    zei mijn moeder toen ik haar vertelde over

    mijn eerste overmanning,

    waarbij ik mezelf had afgevraagd wat het ergste was,

    deze piemel of de freejazz op de achtergrond.”

     

    Er is een band die rapemachine heet
    Auteur: Levina van Winden
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De wereld van Italo Svevo

    In zijn debuut De wereld van Italo Svevo onderzoekt Rob Luckerhof het fenomeen Italo Svevo (pseudoniem van Aron Hector Schmitz, 1861-1928), een enigszins merkwaardige Italiaanse auteur en zakenman van rond het fin de siècle. Svevo schreef twee literaire romans die hem niet de roem opleverden waarop hij had gehoopt en hij trok zich terug, om in de jaren 20 van de twintigste eeuw plotseling tot grote hoogten te stijgen door het Parijse succes van zijn Bekentenissen van Zeno (1927). Luckerhof besteedt niet enkel aandacht aan Svevo’s merkwaardige carrière, maar ook aan diens vriendschap met James Joyce (1882-1941), die dankzij zijn magnum opus Ulysses (1922) tot de grootste moderne schrijvers wordt gerekend. Met zijn echtgenote Nora Barnacle woonde hij enige tijd in Triëst, de geboorte- en woonplaats van Italo Svevo.

    Rob Luckerhof is naast auteur de oprichter van de Kennemer Boekhandel, waarvan hij tot dit jaar eigenaar en directeur was.

    De wereld van Italo Svevo
    Auteur: Rob Luckerhof
    Uitgeverij: Uitgeverij Prominent
  • P.C. Hooftprijs voor bescheiden maar ijzersterke oeuvre van Marga Minco

    P.C. Hooftprijs voor bescheiden maar ijzersterke oeuvre van Marga Minco

    De P.C. Hooftprijs 2019 voor verhalend proza is toegekend aan Marga Minco. Het is goed te vernemen dat drie literatoren ernaast zaten en Marga Minco, tegen hun verwachtingen in deze oeuvreprijs zal ontvangen. In de zaterdageditie (8-12-’18) van Trouw werd door drie kenners van de literatuur desgevraagd gespeculeerd welke schrijvers voor deze oeuvreprijs – die jaarlijks  afwisselend wordt toegekend voor proza, essayistiek en poëzie – in aanmerking komen. De namen die vielen waren Jeroen Brouwers, Arnon Grunberg en Koos van Zomeren en op de valreep twee vrouwen: Nelleke Noordervliet en Mensje van Keulen.
    Toen Minco’s naam werd genoemd waren ze het erover eens dat haar werk ‘uitmuntend en bekend’ is, maar haar oeuvre leek hen te klein om in aanmerking te komen en bovendien stond ze niet ‘midden in het literaire debat’. Op social media wisten ze beter, daar werd geopperd (zo meldde het stuk) dat Marga Minco de P.C. Hooft-prijs ‘nodig eens moest winnen’.

    En dat gebeurde, dankzij de juryleden: Mathijs Sanders (voorzitter), Gustaaf Peek, Daniëlle Serdijn, Vamba Sherif en Franca Treur, die oordeelden dat Minco’s oeuvre dan wel bescheiden is ‘in toon en omvang, maar dat met iedere generatie blijft winnen aan zeggingskracht’. Waarmee deze jury laat zien dat wat van waarde is in het Nederlandse literaire landschap, niet uit het oog verloren mag worden.

    Oorlogsjaren

    Marga Minco (geb. Sara Menco, Ginneken, 1920) groeide op in een orthodox-joods gezin. Op 18 jarige leeftijd begint ze als film- en toneelcriticus bij de Bredasche Courant en schrijft daar ook haar eerste literaire stukjes. Ze wordt in 1940 ontslagen omdat ze joods is. Haar ouders worden verplicht naar de Amsterdamse Jodenbuurt te verhuizen, waar zij bij hen intrekt. Wanneer op een dag mannen de woning van de familie binnendringen, vraagt vader Minco of zijn dochter even de jassen wil halen. Deze kans benut zij om via een poortje in de tuin te ontsnappen. Een scene die in haar debuut, Het bittere kruid staat beschreven. Ze ziet haar ouders, broer en zus nooit meer terug. Minco gaat van onderduik naar onderduikadres. Haar ervaringen gedurende de bezettingsjaren zetten de toon voor haar latere schrijverschap. In haar oeuvre zijn al haar herinneringen en oorlogservaringen verwerkt.

    Marga Minco trouwde na de oorlog met de dichter en vertaler Bert Voeten (1918-1992) die zij in 1938 leerde kennen bij de krant. Ze kregen twee dochters, Betty en de publiciste Jessica Voeten.

    Het bittere kruid

    Minco is vooral bekend om haar debuut, Het bittere kruid (1957) waarvoor ze de Vijverbergprijs, (voorloper F. Bordewijkprijs) ontving. Vele jongeren, zo niet alle scholieren lazen deze kleine kroniek voor de leeslijst – Waarmee ‘Lezen voor de lijst’ dan toch zijn dienst bewijst. In 1985 werd het boek verfilmd. Daar was ze allerminst gelukkig mee omdat de film teveel afweek van haar boek. In de titelrol werd opgenomen dat Minco zich distantieerde van de film die dezelfde titel draagt als haar boek. Haar hele oeuvre bestaat  uit zo’n zestien kleine romans, verhalenbundels en drie kinderboeken.

     

    Andere bekende werken van Marga Minco zijn:  Een leeg huis (1966), De val (1983), De glazen brug (Boekenweekgeschenk 1986), Nagelaten dagen (1997) en Storing (2004).
    In 2015 verscheen in de reeks Gedundrukt van Van Oorschot, een twintigtal van haar beste verhalen en de met de tijd steeds indrukwekkender geworden roman Een leeg huis, onder de titel Na de sterren. Met de door haar zelf aangedragen titel van deze dundrukuitgave, speelt ze met haar bescheidenheid: zij komt, met een ‘dundruk’ na de schrijvers, ‘de sterren’ A. M.G. Schmidt en Carmiggelt.

    Bescheidenheid

    De 98-jarige schrijfster geeft sinds 2010 geen interviews meer, gelezen wordt ze nog steeds. Onlangs verscheen de 57ste druk van de kroniek Het bittere kruid. In 2015, rond de dundrukuitgave, stemde ze nog toe in een ‘papieren interview’ met Arjan Peters: ‘Dingen die ik noteren moet’: Acht vragen aan Marga Minco.’ (VK 2-10- ‘15).

    In het radioprogramma ‘Nieuws en Co’,  werd dochter Jessica Voeten gevraagd naar de reactie van haar moeder op de prijs. Marga Minco reageerde verrast en verheugd maar ook: ‘Hoe kan dat nou. Ik heb al zo lang niets meer geschreven.’
    ‘Maar het is voor je hele oeuvre’, sprak haar dochter. ‘Maar dat is niet zo groot,’ besloot de bescheiden schrijfster.

    Uitreiking

    Gezien de leeftijd en gezondheid van de laureaat zal de prijs van 60 duizend euro niet, zoals gebruikelijk, in mei worden uitgereikt in het Haagse Literatuurmuseum, maar in januari bij de schrijfster thuis.

    In 1999 werd haar oeuvre bekroond met de Annie Romeinprijs en in 2005 met de Constantijn Huygensprijs.

     

     

  • De proefkonijnen van de mensendokter

    De proefkonijnen van de mensendokter

    Je kunt Arnon Grunberg geen gebrek aan interesse in zijn onderzoeksobject verwijten. Als een primatoloog die nauwgezet apen observeert of een researcher die een nieuw farmaceutisch product uittest op zijn laboratoriumratten, laat hij de personages van zijn romans graag los in nieuwe proefopstellingen om te zien wat er gebeurt. Zijn praktijkervaring als ‘mensendokter’ – zoals bekend had Grunberg een rubriek in Vrij Nederland waarin hij zich over relationele, levensbeschouwelijke en andere problemen ontfermde – komt blijkbaar handig van pas voor zijn romans. De patiënten van dokter Grunberg mogen dan ongeneeslijke sukkels zijn, ze kunnen altijd op zijn mededogen rekenen. Leedvermaak is niet aan de orde.

    Ook in Goede mannen is het hoofdpersonage zo’n aandoenlijke sukkel. Geniek Janowski, alias de Pool, is brandweerman in een kleine Nederlandse provinciestad. Hij is geen klager, doet zijn uiterste best om een ‘goede man’ te zijn: ‘Protesteren had geen zin. Je mond houden en doen wat er van je verwacht werd, dát had zin.’ Helaas is die ingesteldheid in de praktijk nogal moeilijk vol te houden, al was het maar omdat zijn geestelijke vader hem zwaar op de proef stelt. De Pool verliest onder meer zijn oudste zoon Borys en wordt vervolgens opgezadeld met de zorg voor diens gebrekkige pony, kampt met ernstige relatieproblemen en moet ook vaststellen dat ongeacht de façade van kameraadschappelijk collegialiteit niet alles koek en ei is met de andere brandweermannen van de C-ploeg.

    De ene na de andere jobstijding moet Geniek slikken, en de overeenkomst met de onfortuinlijke bijbelfiguur is niet zo vergezocht. De Pool wil immers hardnekkig een ‘goede man’ blijven, ook al krijgt hij er genadeloos van langs van zijn geestelijke vader, die zich overigens tegenwoordig nog verder in religie verdiept door zijn eigen geloof te stichten en op de ironische toon die we van hem gewend zijn ‘videopreken’ produceert (‘De nieuwe religie is Tinder voor de ziel’). Genieks existentiële vertwijfeling lijdt hem uiteindelijk naar een klooster, waar hij een tijdje zijn intrek neemt in een leegstaand kippenhok – weliswaar niet Jobs mestvaalt, maar toch niet veel gerieflijker.

    Het hoge woord is al gevallen: je kunt onmogelijk voorbijgaan aan Grunbergs herkenbare, ironische stijl en humor, die vooral in de dialogen schittert:

    ‘Zeg iets, man,’ had ze geroepen toen ze een paar weken geleden zonder kind uit eten waren vanwege hun huwelijksdag. ‘Zeg iets. Ik hou het niet uit.’
    Toen had hij wel iets gezegd. Als dat erbij hoorde, bij de liefde, dat gepraat, dan was hij best bereid iets te zeggen. ‘Ik ben aan het nadenken,’ had hij gezegd.

    Naar goede gewoonte worden ook nogal wat tragikomsche, genante situaties sterk uitvergroot. Zo verdwijnen er bij Genieks zoektocht naar troost bij de vrouw van een collega nogal wat gebruiksvoorwerpen in lichaamsopeningen, waardoor bijvoorbeeld een vrij banale groente als de winterpeen na het lezen van dit boek definitief zijn onschuld kwijt is, of vraagt de Pool in een scène die vintage Grunberg is aan een verkoper in een seksshop of hij zijn pas aangeschafte dvd als cadeautje kan inpakken.

    Het slotstuk van dit boek wordt ingezet met een reis naar Kiev, waar de Pool met de organisatie Liefde over de Grens een Oekraïense bruid gaat halen. Moet het nog gezegd worden dat Geniek met zijn ontsnappingspoging even veel kans op slagen heeft als de laboratoriumrat die in de ijzeren spijlen van zijn kooi bijt?

    ‘Goede mensen zijn cynisch noch ironisch,’ merkt een van de personages op, en je kunt hem geen ongelijk geven. Aandoenlijk, dat wel. En gedoemd om te mislukken, maar wel beginselvast, als we Grunberg mogen geloven:

    Hij was een goede man, een zorgzame man, ze konden hem op de proef stellen, de mensen, God, hij zou blijven wie hij was, een goede en zorgzame man. Al moest hij daarvoor zich van alles en iedereen losmaken, al moest hij zichzelf levend begraven, hij zou een goede man blijven.

     

  • Oogst week 36 (2018)

    De liefde van een half leven

    Deze week is de oogst een liefdesroman van de Chinese schrijfster Eileen Chang (1920 – 1995); een nieuwe roman van Arnon Grunberg, een boek over vrouwelijke componistes en pianistes en een herziene uitgave van de biografie van Slauerhoff.

    Eileen Chang was een van de invloedrijkste schrijfsters van China en was bekend om haar fictieve werk waarin ze het spanningsveld tussen man en vrouw in de liefde beschreef. De liefde van een half leven is de eerste roman van haar die vertaald werd en gaat over de ontmoeting tussen een verlegen ingenieur en de schone Manzhen. Ze worden verliefd maar door druk van buitenaf (familie) wordt een toekomst voor hen samen al gauw een onmogelijkheid. De vraag is dan of de liefde overwint en ze elkaar uiteindelijk vinden. Romantiek ten top.

    Het verhaal is gesitueerd in het Shanghai van de jaren dertig. Volgens de uitgever een tijdloze, internationaal herontdekte roman en nu voor het eerst in het Nederlands vertaald. Met een nawoord door vertaalster Silvia Marijnissen.

    De liefde van een half leven
    Auteur: Eileen Chang
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Goede mannen

    Een boek over rouw, zo werd de nieuwe roman van Arnon Grunberg al genoemd. Goede mannen gaat over Geniek Janowski, brandweerman, liefdevolle echtgenoot, vader van twee zonen, mede-eigenaar van een pony en fatsoenlijk burger te Heerlen. Dan slaat het noodlot toe: zijn puberzoon pleegt zelfmoord. Hoe moet je na zo’n drama verder? De man probeert zijn inwendige lijden te verdringen met fysieke pijn en zoekt ook troost in een klooster.

    De brandweermannen van de C-ploeg slepen Janowski – die door iedereen de Pool wordt genoemd – erdoorheen en de vrouw van een collega brengt hem eetbare troost. Daarop volgt  echter nog meer onheil. De Pool besluit daarop niet te walgen van zijn lot maar het te beminnen.

    Goede mannen gaat over een vader die denkt dat een goede man altijd een stapje opzij doet, dat goed zijn niet veel anders is dan verlangen naar het goede. Minder goede verlangens leg je gewoon het zwijgen op. Zou op die manier het onheil voorkomen kunnen worden?

     

    Goede mannen
    Auteur: Arnon Grunberg
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Vrouw aan de piano

    In Vrouw aan de piano beschrijft Veerle Janssens het jaar waarin ze vijftig werd aan de hand van een twaalftal pianostukken, elke maand een stuk. Geïnspireerd op Das Jahr van Fanny Mendelssohn, de niet minder begaafde zus van Felix Mendelssohn. Fanny was een Duitse componiste die terugkeek op de uitzonderlijk gelukkige tijd die ze doorbracht in Italië. Voor elke maand van dat jaar componeerde ze een pianowerk.
    Vrouw aan de piano is een zoektocht naar bijzondere, muzikale vrouwen, naar miskend en zelfs gefnuikt talent, naar virtuositeit en passie. Maar ook een zoektocht van een journaliste naar zichzelf in een jaar getekend door drastische veranderingen in haar leven. Een jaar van verbeelding en dromen.

    Vrouw aan de piano is een kennismaking met componistes-pianistes uit de 19de en begin 20ste eeuw, waarbij ook enkele hedendaagse componistes aan het woord komen.

     

    Vrouw aan de piano
    Auteur: Veerle Janssens
    Uitgeverij: Uitgeverij Vrijdag

    Slauerhoff

    Deze biografie werd eerder uitgegeven in 1998. Nu herzien en uitgebreid met nieuwe informatie uit later ontdekte brieven, verhalen over grammofoonplaten met fadomuziek die Slauerhoff bezat en een foto van een jonge verpleegster die Slauerhoff als assistente in Tanger wilde hebben. Ook zijn er meer foto’s van zijn grote liefde Darja Collin in opgenomen en inzicht in zijn financiële verdiensten als scheepsarts en dichter.

    Slauerhoff (1898-1936) wordt nog steeds veel gelezen. Als scheepsarts zwierf hij over vrijwel alle wereldzeeën. Zijn jeugd in Friesland, de Amsterdamse studententijd, de hartstochtelijke literaire vriendschappen en de onverwachte vetes, de zeereizen, de verwantschap met de Portugese fado-cultuur en de Chinese poëtische filosofie – alles komt aan bod in deze biografie.

    Wim Hazeu verrichtte zes jaar onderzoek naar het leven van Slauerhoff.

     

    Slauerhoff
    Auteur: Wim Hazeu
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Krooshekreiniger

    Krooshekreiniger

    Een heel jonge schrijver had mijn eerste boek gelezen. Hij zei: ‘Mooie verhalen. Maar ik vind je wel hard. Ik mis een beetje de liefde.’ Ik nam een slokje van mijn spa. ‘Oh,’ zei ik. ‘Maar Arnon Grunberg heeft anders gezegd dat ik heel liefdevol mijn personages naar hun noodlottig einde leid. En dat gevoel heb ik zelf ook wel een beetje. Ik heb er best wat liefde in gestopt.’
    Hij knikte. ‘Arnon Grunberg. Ja. Bij hem heb ik de liefde eerlijk gezegd ook nooit zo gevoeld. Misschien een heel klein beetje bij Tirza. Maar verder… Misschien delen jullie daarin een bepaalde afwijking, een soort vervormd beeld van wat liefde is. Alsof het liefdevol is om heel afstandelijk en precies te beschrijven hoe iemand de afgrond in verdwijnt. Misschien verwarren jullie afstandelijke precisie met liefde. Of jullie zijn verliefd op je eigen genadeloosheid en jullie verwarren die verliefdheid met liefde voor degenen die het allemaal moeten ondergaan.’
    ‘Maar het is toch ook heel genadeloos wat er allemaal gebeurt in de wereld?’ zei ik.

    ‘We hebben het hier niet over wereld. We hebben het over jouw verhalen. En daar ben jij toch echt zelf verantwoordelijk voor, Gerda Blees. Ik bedoel, die vrouw op dat dak met die windvlaag. Zoiets doe je toch niet? En dat jongetje met die machine, die bulldozer of wat is het…’
    ‘Een krooshekreiniger.’
    ‘Krooshekreiniger. Maakt ook niet uit. Je laat hem gewoon grijpen.’
    ‘Maar daar kan ik toch niets aan doen?’ zei ik. ‘Zo ging het verhaal nou eenmaal.’
    ‘Ja, maar dat had niet gehoeven hè? Je had het ook anders kunnen laten eindigen. Met een beetje hoop ofzo.’
    ‘Nee,’ zei ik, ‘het spijt me. Dat kon echt niet.’ Ik dacht even na. ‘Je kan het ook zo bekijken: als ik niet de moeite genomen had om al die mensen te verzinnen, hadden ze überhaupt nooit bestaan. Dat kan je toch wel als een soort van liefde zien.’

    ‘Ja hoor,’ zei de heel jonge schrijver. ‘En als je vlees eet dan worden er dankzij jou ook ontelbaar veel dieren geboren die anders nooit hadden geleefd. En dat is ook allemaal uit liefde voor de dieren, dat iedereen aan de barbecue gaat zodra de zon begint te schijnen.’
    ‘Maar ik hield wel echt van ze,’ zei ik. ‘Ik hou van ze, van allemaal, of ze nou doodgaan of niet. Dat moet je toch terug kunnen lezen.’ Hoopvol keek ik de heel jonge schrijver aan, maar hij keek terug met de blik van een schoolmeester die nu echt geen smoesjes meer accepteert. Te laat is te laat. Genadeloos is genadeloos.
    ‘Goed,’ zei ik. ‘Oké dan. Ik zal er nog eens naar kijken, of het misschien beter kan qua liefde, in de toekomst.’
    ‘Mooi zo,’ zei de heel jonge schrijver. Hij stond op. ‘Ik ga nog een biertje halen. Blijf je zitten? Ik ben zo terug.’

     


    Foto: fotoBuffel

    Gerda Blees schrijft als gastcolumnist  tot september voor Literair Nederland tweewekelijks een column. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel ‘Aan doodgaan dachten we niet’. In april debuteerde ze met de dichtbundel ‘Dwaallichten’.

  • Oogst week 47

    Of heb ik het verzonnen?

    Het hart van Of heb ik het verzonnen?, de briefwisseling tussen (jeugd)vrienden Herman Koch en Wanda Reisel, wordt gevormd door de teruggevonden ‘Barcelonabrieven’, geschreven in de periode 1986-1988. Koch en Reisel waren toen nog beginnende schrijvers, die genoeg vertrouwen in elkaar hadden om werk in onvoltooide staat aan elkaar te laten lezen. Aan deze directe en relatief ongestileerde brieven gaat correspondentie uit de periode 2011-2013 vooraf, waarin Koch en Reisel proberen hun gezamenlijke verleden te reconstrueren. Herinneren, incl. de feilbaarheid van het geheugen, is het centrale thema in deze brieven, waarvan een deel in een andere vorm tijdens de Boekenweek van 2012 in de Volkskrant verscheen. Of heb ik het verzonnen? besluit met brieven geschreven in het voorjaar van 2017, waarin veel gelezen en wordt en geschreven aan nieuw werk.

    Of heb ik het verzonnen? is een zorgvuldig gecomponeerde brievenbundel – waarbij The Sense of an Ending van Julian Barnes, het boek en de film, als structurerend element dient – waarin elke brief bijdraagt aan een  verhaal over een op gedeelde (jeugd)ervaringen, verenigbare karakters en geambieerd schrijverschap  gestoelde vriendschap.

    Of heb ik het verzonnen?
    Auteur: Herman Koch en Wanda Reisel
    Uitgeverij: Das Mag

    De dagen van Leopold Mangelmann

    Al voor wat nu beschouwd wordt als zijn officiële Blauwe maandagen (1994) was Arnon Grunberg productief en schrijver. Uit het vorig jaar verschenen Aan nederlagen geen gebrek: brieven en documenten 1988 – 1994 blijkt dat veel van wat Grunberg dacht en schreef al in het teken te staan van het schrijverschap dat hem voor ogen stond toen eenmaal duidelijk was dat carrière maken als acteur niet tot zijn mogelijkheden behoorde. De dagen van Leopold Mangelmann: een keuze uit de archieven van Arnon Grunberg is de fictieve pendant van Aan nederlagen geen gebrek. Het bevat een deel van het materiaal, inclusief een complete roman, dat zijn uitgever Vic van de Reijt – met zo’n uitgever heb je geen biograaf meer nodig – bij het samenstellen van het ‘brievenboek’ in de ouderlijke woning van Grunberg aantrof.

    Uit zijn selectie blijkt dat Grunbergs thematiek en aanpak al in zijn vroege werk aanwezig is. Niet alles in De dagen van Leopold Mangelmann verschijnt voor het eerst, maar deze ruime keuze geeft inzicht in de wordingsgeschiedenis van een auteur en het ontstaan van een oeuvre.

    De dagen van Leopold Mangelmann
    Auteur: Arnon Grunberg
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Een botsing op het spoor

    In Een botsing op het spoor reconstrueert Joris van Casteren wat voorafging aan en volgt op een aanrijding met twee personen en vier honden op 28 november 2016 bij de spoorwegovergang Slonsweg-Scheidingsweg, op het traject Nijmegen-Roermond.  Op de inmiddels van hem bekende manier doet hij onderzoek, spreekt met betrokkenen en monteert hij de verkregen informatie tot een niets ontziend journalistiek stuk met de kenmerken van literaire non-fictie. Joris van Casteren verzacht de omstandigheden niet, maar voorziet de slachtoffers, de getuigen en de  gruwelijkheden van hun context.

    Dat Joris van Casteren zich na Het been in de IJssel (2014) toch weer waagde aan losse ledematen had niet alleen met die ene hond die ontkwam te maken, maar ook met de verhalen die hij tijdens het onderzoek voor Het station (2015) van machinisten hoorde over spoorsuïcide.

    Een botsing op het spoor
    Auteur: Joris van Casteren
    Uitgeverij: Querido Fosfor
  • Winternachten – Is this the real life?

    Winternachten (22e editie) is er voor wie stof tot nadenken zoekt, romans, poëzie of non-fictie leest en die een ander perspectief op de actualiteit wil. Een vierdaags festival dat inspireert met verhalen van internationale en Nederlandstalige schrijvers die reflecteren in zaalgesprekken en debatten, rond filmvertoningen en muziekoptredens aan de hand van het motto ‘Is this the real life?’ op de grote en de alledaagse vragen waar Nederland en Europa mee worstelen.

    Er zullen tijdens deze dagen zo’n  tachtig gasten optreden waaronder Arnon Grunberg, Tommy Wieringa, Bas Heijne, Joke Hermsen en, uit het buitenland, Ian Buruma, Colson Whitehead, Michel Faber, Tomas Sedlacek, Michaïl Sjisjkin en Salena Godden.

    20161221184648_1Vaste prik is de NRC Leesclub, dit jaar vertegenwoordigd door wetenschapper en schrijver Louise O. Fresco, ingeleid door NRC-chef boeken Michel Krielaars. Fresco bespreekt met het publiek De tienduizend dingen van Maria Dermoût. Fresco vertelt waarom deze Indische roman uit 1955 relevant en waardevol is om (opnieuw) te lezen. Ze nodigt u uit om de roman te lezen, en er met haar en andere bezoekers over in gesprek te gaan.
    Fresco zegt over De tienduizend dingen: “Je kunt dit boek op vele manier lezen. Als een schitterend portret van een voorbije koloniale tijd; als een ode aan de nostalgie, het sensuele verlangen naar sfeer, landschap, zee en geuren; maar ook als een tijdloze studie in hoe je zin moet geven aan het leven, familierelaties, eenzaamheid en de al of niet plotselinge dood. In 1958 riep Time de Engelse vertaling uit als een van de beste boeken van het jaar.”

     Tijdens de grote festivalavonden Friday & Saturday Night Unlimited keert dit motto terug in debatten als This is Not America, IS: The Horror Show, Fictie in tijden van Fake en De verborgen stad.

    Op vrijdag- en zaterdagavond verzorgt Spoken Beat Night optredens waarin jazz, spoken word, wereldmuziek, voordracht, live animatie en funky beats zich vermengen. Tijdens het festival worden de Oxfam Novib PEN Awards (donderdag 19 januari) en de Jan Campert-prijzen (zondag 22 januari) uitgereikt.

     

    Kijk voor het hele programma en het kopen van toegangskaarten op de volgende link:
    www.writersunlimited.nl/editie/winternachten-2017

     

     

     

     

  • WC boeken

    WC boeken

    Als ik boeken heb ingekocht en ze komen op mijn werkplek uit hun dozen, dan zijn er een aantal bestemmingen voor. De boekenkast, op onderwerp, literatuur, geschiedenis, kunst, architectuur of filosofie bijvoorbeeld. Nadat ze een boekbeschrijving hebben gekregen en in mijn online-boekenbestand en website zijn opgenomen, kunnen ze uit de kast gehaald worden en naar u worden verstuurd, mits u dat boek bij mij bestelde.

    De net ingekochte boeken kunnen ook op de trap belanden. De trap naar boven, naar mijn woonkamer waar mijn eigen verzameling staat. Sommige boeken komen niet verder dan de eerste paar treden, want soms/vaak/ regelmatig besluit ik ze uiteindelijk niet op te nemen in mijn eigen boekenverzameling, en ze toch voor de verkoop te bestemmen. De schoorsteen moet roken, niet waar? Van die sortering boeken die naar boven gaan, stuur ik een paar verder door.  Naar nog een etage hoger, alwaar bed, lamp en nachtkastje ons opwachten. Maar er is ook een aantal boeken dat beneden blijft en onmiddellijke aandacht vereist. Die gaan mee naar de wc. Op een richel boven de wc heb ik een wisselende collectie staan. Ik leid een versnipperd bestaan op de wc. Al druk doende begin ik daar elke dag wel in een nieuw boek.

    img_5336Laatste beginnetje: Ontroeringen. Essays van Bernlef over de relatie poëzie-politiek en Albert Speer en Kurt Schwitters. Er gaan daar werelden voor mij open. En eigenlijk niet alleen daar. Want wat is het prachtig-lastig om temidden van al die boeken – ongeveer vijfduizend – standvastig te blijven en een boek helemaal uit te lezen, terwijl de stapel nog te lezen boeken hoger wordt en dan verandert mijn interesse en aandacht weer – van filosofie naar essays naar architectuur, van poëzie naar biografie. Intussen heb ik me er wel mee verzoend hoor. En heus, ik lees wel boeken uit, zoals laatst Het bestand van Arnon Grunberg of De bruid van Duchamp van K. Schippers. Maar als een boek me uiteindelijk niet meer boeit of, reëler, als een boek wordt weggeduwd door andere, te verorberen en naar onbekende smaken proevende boeken, dan is dat maar zo. De pagina’s die ik dan toch heb gelezen, hebben hun geestelijke missionarissenwerk gedaan en me verder gestuwd in de caleidoscopische wereld van het boek en de geletterde delta van mijn boekhandel.

     

     

  • Oogst week 45

    De Kennedy files

    In de week dat de man die president wilde worden van Amerika, het tot ontzetting van de rest van de wereld ook werd, is in ons land deel 1 van De Kennedy Files uitgekomen. De man die president wilde worden begint in 1938 in Londen. Selfmade miljonair Joseph P. Kennedy wil de eerste Iers-katholieke president van Amerika worden. Om van hem af te zijn, stuurt president Roosevelt hem als ambassadeur naar Engeland. Aanvankelijk is men daar zeer van hem gecharmeerd, maar als hij Roosevelt probeert ervan te overtuigen zich niet in de Tweede Wereldoorlog te mengen, valt dat niet goed bij de president, noch bij de Britten.

    De man die president wilde worden is gebaseerd op feiten. Kennedy-biograaf Nigel Hamilton schreef het voorwoord en verschaft hiermee inzicht in de historische context van deze strip.

    Erik Varekamp and Mick Peet maakten eerder samen de serie over Agent Oranje, een getekende biografie over Prins Bernard.

    De Kennedy files
    Auteur: Erik Varekamp en Mick Peet
    Uitgeverij: Uitgeverij Scratchbooks

    Tot in de verste hoeken

    ‘De dingen hebben jou nodig / om gezien te kunnen worden’, dichtte K. Schippers.

    Wij hebben Schippers nodig om dat te zien:

    We krijgen een nieuw aanrecht. Liever hielden we het oude, van graniet. De koelte als je er met je hand overheen strijkt en dan al die handen in de jaren voor ons. Het is een oud huis, uit 1905.
    De plankjes en de messen, de tomaten, het varkensvlees, al het voedsel dat een gezin in een eeuw heeft gegeten. Emmers van zink, plastic, lepels van email, waarin van die zwarte plekjes zijn gebutst. Geen pan of vork heeft een kerf in het graniet achtergelaten.

    De zwart-witte stenen in de gootsteen zijn zo geteisterd, dat ze vervangen moeten worden en dan gaat het aanrecht er ook aan. Anders lekt het naar de buren.’

    Dit zijn de eerste regels uit het ‘Zachte bonk, eerste flirt’ uit Tot in de verste hoeken, de nieuwe essaybundel van K. Schippers met oude en nieuwe verhalen over zijn jeugd, de bevrijding, de eerste flirt of de films van schrijver Georges Perec.

     

     

    Tot in de verste hoeken
    Auteur: K. Schippers
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido

    Aan het eind van de dag

    Biografieën over mensen die deugen, – en dat is door de bank genomen toch het soort dat het tot een biografie brengt – halen het qua spanning niet bij biografieën over mensen die niet deugen, vooral als algemeen wordt gedacht dat ze wel deugen.’

    Dit citaat staat op de website van Nelleke Noordervliet. Het maakt nog nieuwsgieriger naar haar nieuwe roman over een vrouwelijke ex-minister die het verzoek krijgt mee te werken aan haar eigen biografie. Dat wil ze niet. Ze voert een aantal weerspannige gesprekken met haar aspirant-biografe, maar herinneringen dringen zich steeds meer aan haar op. Wat wil ze per se niet kwijt aan de biografe? Wat is te persoonlijk? Wat is te pijnlijk? In een reeks sleutelscènes voert Nelleke Noordervliet haar hoofdpersoon terug naar de jaren zeventig-tachtig, naar Suriname en kijkt ze naar haar rol als dochter, echtgenote, vriendin, politica, publiek figuur. En moeder.

    Aan het eind van de dag
    Auteur: Nelleke Noordervlied
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact

    Aan nederlagen geen gebrek

    Een foto van een jonge Arnon Grunberg siert het omslag van de nieuwe privé-domein uitgave Aan nederlagen geen gebrek. De auteur heeft de afgelopen week in tal van tv- en radioprogramma’s kunnen vertellen over zijn jeugdige besluit om zijn middelbare school niet af te maken en zijn toenmalige wens om acteur of toneelschrijver te worden. En over hoe het hem verder is vergaan. In de brieven en documenten in Aan nederlagen geen gebrek lezen we over dat besluit, zijn onbeantwoorde liefdes en een enorme schuld tot aan het verschijnen van Blauwe maandagen waardoor het tij keerde.

     

    Aan nederlagen geen gebrek
    Auteur: Arnon Grunberg
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers
  • Optimisme en Mesdag 2.0 op de Buchmesse

    Eigenlijk is het simpel. Wie iets met boeken heeft en alles wat daarmee samenhangt moet naar de Buchmesse. Al is het maar een keer in je leven. Dat de Buchmesse groot is, een duizelingwekkend gevarieerd en grensoverschrijdend aanbod presenteert is een cliché. Het zou niemand af moeten schrikken, integendeel. Opvallend zijn de typische verschillen in sfeer, stijl en publiek. Bij de Antiquarian Book Fair: meer mannen met grijs haar. Bij kunstboeken: meer stijl en gedurfd design. Bij kennismaking met nieuwe VR-toepassingen: meer kekke, hippe youngsters.

    Wat zich vooral opdringt is: optimisme. Zoveel mensen spannen zich in om op even zovele verschillende manieren mooie, nieuwe, originele producten aan te bieden. Sommige namen van landen zijn synoniem voor oorlog, honger en ellende. Op de Buchmesse zijn vertegenwoordigers uit deze landen present met keurige publicaties in een smaakvolle stand.
    En natuurlijk kan op talrijke plekken kennis gemaakt worden met de gastlanden Nederland en Vlaanderen. In de drukte op het Buchmesse-complex zie je ze lopen: Arnon Grunberg, Geert Mak, Cees Nooteboom.

    Bij het gastlandpaviljoen is door middel van projectie een 360 graden illusie gecreëerd van strand, zee en lucht. Panorama Mesdag 2.0 zeg maar. In de schemerige ruimte zelf wordt genoten van literatuur op een opzienbarend meubelstuk voor 2 personen: één die voorleest en één die voorgelezen wordt. Er is een podium waar Tommy Wieringa in zijn beste Duits vragen beantwoordt. En de prozaïsche noot is ditmaal… een geur. Van frituurvet. Misschien wordt geprobeerd voor de echte Lage Landen-sfeer kroketten te bereiden. Of behoren die tot wat we níet delen?
    Hoe het antwoord op die vraag ook luidt, simpel blijft het. Wie echt iets met boeken heeft moet naar de Buchmesse. Al is het maar één keer.