• Bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen en desinformatie

    Bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen en desinformatie

    Babi Jar heeft als ondertitel ‘een document in de vorm van een roman’. De Oekraïens-Russische schrijver Anatoli Koeznetsov (1929-1979) schreef de eerste versie van Babi Jar als veertienjarige in een dik schrift tijdens de Tweede Wereldoorlog nadat hij de gruwelijkheden rond het ravijn Babi Jar bij Kiev had meegemaakt. In 1966 werd het zwaar gecensureerde boek in twee miljoen exemplaren in de Sovjet Unie gepubliceerd en in Nederland verscheen de vertaling ervan in 1967. Na zijn vlucht uit de Sovjet Unie kon Koeznetsov de ongecensureerde versie met aanvullingen in 1970 in Londen publiceren. 

    Hoe het mogelijk is dat die laatste versie van het boek nu pas in het Nederlands is vertaald, vermelden de flaptekst en inleider Arnold Grunberg niet, maar vorig jaar verscheen ook een Amerikaanse herdruk ter gelegenheid van één jaar Russische inval in Oekraïne. In zijn voorwoord schrijft Grünberg dat een voorwoordschrijver ‘angstaanjagend veel op de recensent’ lijkt, omdat er van hem wordt verwacht dat hij veel in eigen woorden samenvat, maar hij laat Koezetsov zelf aan het woord als deze cynisch schrijft over het Duits humanisme van de moordenaars: ‘(…) er zijn evenveel humanismes op de wereld als moordenaars. En elke moordenaar heeft zijn eigen, edelste humanisme, en zijn eigen culturele vernieuwing.’ 

    Catastrofale goedgelovigheid

    In het ravijn Babi Jar bij Kiev werden door de nazi’s meer dan 100.000 mensen vermoord, te beginnen met ruim 33 duizend Joodse burgers op twee dagen in september 1941; zij waren een dag eerder opgeroepen voor een gedwongen verhuizing onder bedreiging van executie voor het niet opvolgen van de oproep. Opvolgen of niet, het maakte in feite niet uit wat je deed, maar goedgelovigheid deed de meeste Joden het bevel opvolgen. Koeznetzsov schrijft daarover: ‘De systemen gebaseerd op leugen en geweld hebben handig een zwakke plek in de mens ontdekt en tot eigen nut aangewend: zijn goedgelovigheid.’ Ook dit maakt het boek bijzonder actueel in deze tijd van oorlogen, nepnieuws en desinformatie.     

    Volgens Grünberg heeft ‘wie meent alles over de Tweede Wereldoorlog te weten (…) geen recht van spreken’ als hij niet dit boek van Koezetsov heeft gelezen. En terecht, dit boek laat door de dagboeken van de jonge Russische Koeznetsov zien wat in Kiev is gebeurd en de nazi’s aan het eind van de oorlog geprobeerd hebben te verbergen. Net als dit na de oorlog door de Sovjet Unie onder leiding van Stalin nogmaals is geprobeerd, omdat de dood van de Joden niet belangrijk genoeg werd geacht en bovendien in het verlengde lag van het antisemitisme en de moord op Joden in de Sovjet Unie in de vooroorlogse jaren. 

    In de uitgave van het boek in 1970 zijn, net als in deze vertaling, drie verschillende soorten tekst te onderscheiden: de eerste uitgegeven tekst uit 1967 – in normaal lettertype – , de door de censuur geschrapte tekst – in vet lettertype – en wat Koeznetsov na 1967 heeft toegevoegd – tussen vierkante haakjes.  

    Gecensureerde bladzijden

    De vet gedrukte, gecensureeerde  tekst komt  op iedere bladzijde voor, soms bladzijden achter elkaar en bevat volgens Koeznetsov  in zijn voorwoord ‘Aan de lezers’, ‘de belangrijkste betekenis waarvoor het boek geschreven werd’. Het begint al in het inleidende hoofdstuk waar hij schrijft: ‘Ik ben vaak begonnen met het schrijven van een gewone documentaire roman, maar zonder enige hoop die ooit gepubliceerd te zien.’ En even verder: ‘Ik schrijf alsof ik onder ede voor het hoogste gerecht een getuigenverklaring afleg en ik sta in voor elk woord. Dit boek vertelt alleen de waarheid.’ Een onvoorstelbare waarheid waarin mensen niet alleen werden neergemaaid door machinegeweren, maar ook tot worst werden vermalen door een Oekraïense slachter in deze tijd van onvoorstelbare hongersnood.

    De roman begint in september 1941 als het Rode Leger zich heeft teruggetrokken uit Kiev, de Duitsers binnentrekken en het plunderen begint, door de Duitsers … en door de inwoners. Voor een groot deel bestaat het boek uit de observaties die de jonge Anatoli in een dik schrift heeft geschreven dat hij later had verstopt. Zijn moeder vond het schrift na de oorlog en moest erom huilen. ‘Zij was de eerste die zei dat ik er een boek over moest schrijven.’ Koeznetsov woonde in een buitenwijk in de buurt van het ravijn dat een van de speelplekken in zijn jeugd was. Het werd een verboden zone, met prikkeldraad onder hoogspanning. Hij hoorde er ‘machinegeweren ratelen, met verschilende tussenpozen: ratata,rata…Twee jaar lang heb ik dat gehoord, dag in, dag uit, en ik hoor het nog steeds. Tegen het eind steeg uit het ravijn een dikke, vette rook op. Dat duurde drie weken.’

    Ooggetuigenverslagen

    Nadat hij met een vriend in het ravijn had rondgelopen en zij er geen grof zand vonden zoals vroeger maar witte steentjes die restanten van botten bleken te zijn in grijze mensenas, besloot hij dat hij alles moest opschrijven zoals het echt gebeurd was. Naast zijn eigen dagboeken gebruikt Koeznetsov documenten, onder meer bekendmakingen in het Oekraïens  Parool, later het Nieuw Oekraïens Parool toen het bestaande werd verboden wegens ‘verraderlijke doelen’ en de hoofdredacteur in Babi Jar werd gefusilleerd.  En hij citeert uit Sovjetpublicaties uit de jaren zestig over de nazi-Duitse bezetting. Koeznetsov beschrijft zijn eigen observaties, die van vrienden en familie en de verhalen die hij hoorde van overlevenden die hij na de bezetting opspoorde.  Eerst zijn de Okraïeners opgelucht dat ze van de Sovjets af zijn na jaren uithongering en onderdrukking, en hebben ze sympathie voor de bezetter, maar dat verandert als ze er al snel achter komen dat ook zij gebruikt worden voor de Duits oorlogsindustrie en met razzia’s opgepakt konden worden.  

    De ooggetuigenverslagen van de explosies in de binnenstad van Kiev, van de executies in Babi Jar en over de arbeiderswijk Darnitsa, die was afgesloten met prikkeldraad om zo’n 60 duizend gevangenen vast te houden, behoren tot de gruwelijkste over de Tweede Wereldoorlog. Evenals de bekende verhalen over concentratie- en of vernietigingskampen in Oost Europa. Deze tragische gebeurtenissen zijn nog schrijnender met de huidige oorlog van Rusland in het nu zelfstandige Oekraïne. Het boek eindigt met de lafhartige pogingen van de Duitsers om voor hun terugtocht de moord op ruim honderdduizend slachtoffers in Babi Jar te verbergen en de latere ontkenning door de Sovjet Unie van wat er zich heeft afgespeeld. Op de plek van het ravijn van Babi Jar werd een woonwijk gebouwd en er was lang – tot 2001 – geen aandenken of monument. 

    Koeznetsov bespiegelt tussen zijn ervaringen door zijn eigen lot en dat van de mensheid. Zijn toon is niet alleen dramatisch. Hij vindt dat hij mazzel heeft gehad: ‘ik hoefde door mijn leeftijd niet naar Duitsland, bommen en kogels raakten me niet, patrouilles vingen me niet (…)’. Maar hij is ook geschokt, misselijk en wanhopig. ‘Waarvoor ben ik geboren, waartoe kruip ik rond in deze wereld als in een gevangenis?’ Hij vraagt zich af wat er morgen zal gebeuren. ‘Staat ons meer barbarij te wachten?’ Zijn boek is een onmisbaar pleidooi voor de vrijheid van de mens als kostbaarste bezit. 

     

     

  • Familie vertellingen

    Familie vertellingen

    Net als Arnon Grunberg had ook jij een opklapbed. Met de komst van opa van moederskant in huis kwam een opklapbed mee. Toen opa op je vijftiende stierf, kreeg jij het opklapbed. Opa was een strenge man uit Groningen die als weduwnaar eerst inwoonde bij zijn zoon, juwelier in Assen. Op een gegeven moment zal hij gedacht hebben dat opa nu maar eens bij zijn dochter moest gaan wonen. Met zeven kinderen over vier slaapkamers verdeeld, kon hij er nog wel bij. Het opklapbed verdween geruisloos uit je leven toen je drie jaar later uit huis ging. Grunberg kon geen afstand doen van zijn opklapbed. Zelfs niet na zesenveertig jaar.

    De ouders van Grunberg sliepen het grootste deel van hun leven in een opklapbed. ‘Mijn moeder is zo ongeveer in haar opklapbed gestorven.’ Hoewel zijn moeder vanaf zijn derde tot ongeveer zijn tiende, toen hij slaapproblemen had, in de voorkamer naast zijn opklapbed op een stretcher sliep. ‘Haar eigen opklapbed werd dus niet meer naar beneden geklapt…’. Het opklapbed van zijn vader stond in de eetkamer. ‘Als hij rond een uur of half elf met een zucht zijn opklapbed naar beneden klapte en daarmee de eetkamer veranderde in een slaapkamer (…), leek hij opgelucht bij het idee dat hij door middel van slaap tijdelijk de wereld kon verlaten.’ Denkend aan zijn opklapbed, denkt Grunberg aan de huisschilder die oom Joop genoemd werd. Of zijn moeder een verhouding had met deze huisvriend, vraagt hij zich af. Hij herinnert zich hoe zijn vader ‘met enige regelmaat’ tegen zijn moeder zei dat ‘haar keuken Westerbork was’.

    Grunberg spreekt van een magische jeugd: ‘De huisschilder werd behandeld als een familielid. Eetkamers veranderden ‘s avonds in slaapkamers en ik klampte mij vast aan mijn slaapstoornissen, want zolang ik die had zou mijn moeder naast mij blijven liggen.’ Vorig jaar was het moment gekomen dat het opklapbed een obstakel werd. Het dreigde met het oud vuil te worden meegegeven. ‘Een niet geheel ontgonnen stuk van het verleden bij het grof vuil zetten. Dat moest voorkomen worden.’ Hij besloot het te verkopen zodat er altijd de gelegenheid bestond het oude opklapbed nog eens te bezoeken, ‘om er naar te kijken.’ Dat wat eens dierbaar was, moet ten koste van alles benaderbaar blijven.

    Het opklapbed werd op een veiling voor vijfduizend euro verkocht. De koper kreeg het opklapbed en een certificaat van echtheid. Een deel van de afspraak was dat de koper als personage zou worden opgevoerd in De geschiedenis van mijn opklapbed, ‘het enige fictieve element in dit verhaal’. De naam mocht de koper zelf bedenken. Nu denk je dat de koper de naam Joop gekozen heeft. Dat huisschilder oom Joop een mooi toegevoegd element in deze geschiedenis is.

     

     

    Klaas Gubbels werkte vier weken onafgebroken aan het schilderij van het opklapbed. Een lastige opdracht liet Gubbels ergens weten. Het is een prachtig gebonden uitgave geworden met afbeeldingen die tot in detail de structuur van het schilderij weergeven. De in korte teksten beschreven slaapgewoonten rond de opklapbedden van de familie Grunberg spreken tot je verbeelding. Zodanig dat je de gedachte toelaat er zelf een aan te schaffen, sites bezoekt waar een opklapbed ‘klapbed, kastbed of muurbed’ wordt genoemd. Maar je prefereert ‘opklapbed’.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, altijd op zoek naar een goed verhaal.

     

  • Een leven in het bos als metafoor

    Een leven in het bos als metafoor

    Bambi. Iedereen kent de naam van het reebokje. Veel mensen zagen de Disneyfilm uit 1942, die nog steeds via streamingsdiensten valt te bekijken. Maar weinigen zullen weten dat het verhaal erachter (1923), dat oorspronkelijk als feuilleton in een Weense krant verscheen, is geschreven door de Oostenrijks-Hongaarse Felix Salten (1869-1945). Eigenlijk heette hij Siegmund Salzmann en was theatercriticus, redacteur, schrijver, jager én dierenbeschermer. Het verhaal is niet – zoals vaak wordt gedacht – als kinderverhaal bedoeld, al verscheen het ook als Gouden Boekje.

    Nu is er bij De Geus een herdruk (als Salamander klassieker) verschenen van de Rainbowuitgave (2017) in de soepel lopende Nederlandse vertaling van Jet Quadekker. Aangevuld met een voorwoord van Arnon Grunberg en een nawoord van de vertaalster. Geschikt voor mensen die de film maar niet het originele verhaal kennen. En voor lezers die geen van beide kennen en er nieuwsgierig naar zijn. Of voor mensen die zonder meer een boek willen lezen dat volgens Grunberg ‘uiteindelijk over eenzaamheid en de dood gaat’. De vreugde over de hernieuwde kennismaking met het origineel wordt alleen wel een beetje (te?) ver doorgevoerd: ‘Salten (…) doet daarbij niet onder voor bijvoorbeeld Tolstoj in De dood van Ivan Iljits’, meent Grunberg. De novelle uit 1886 gaat over het stervensproces van gerechtsdienaar Iljitsj Golowin na een eenzaam leven. Thematiek die inderdaad overeenkomt met Bambi, maar verder lijkt Tolstoj toch een maatje groter.

    Zien, voelen en ruiken

    Laten we daarom Bambi van Salten zelf bekijken en op zijn eigen waarde schatten. Het gelijknamige reetje wordt diep in het struikgewas van het bos geboren en wil al jong van het gebaande pad afwijken. Hij schrikt van de eerste ‘moord’ die hij ziet: een bunzing die een muis vangt. Dat zou híj nooit doen! Net zomin als ruzie maken over eten, zoals twee Vlaamse gaaien. Nee, hij, Bambi zal genieten van ‘de hoge, wijde, blauwe hemel’, de gloed van de zon ‘en het weidse groen’. Zien, voelen en ruiken.

    Maar zijn moeder is altijd op haar hoede. Op klaarlichte dag zullen ze bijvoorbeeld nooit naar het veld gaan. Dat is te gevaarlijk. De grote herten boezemen de reetjes ontzag in. Familie en toch ook weer niet. Van je familie, die grote herten, moet je het hebben! Een bosuil adviseert dat ze zich niet met dat volk moeten bemoeien. Moeder ree heeft het tot twee keer toe over ‘Dat … was … Hij!’; een vertegenwoordiger van de mensensoort, een jager, begrijpt de lezer. Al gaat het verhaal ‘dat Hij op een dag bij ons [de dieren, vS] zal komen en goed zal zijn als wij. Hij zal met ons spelen, het hele bos zal gelukkig zijn en we zullen vrede sluiten’.

    De (volwassen) lezer begrijpt meer. Bijvoorbeeld over bladeren aan de bomen die op een gegeven moment doodgaan en naar beneden vallen. Vraagt het ene blad aan het andere: ‘”Wat is daar beneden?” Het eerste blad antwoordde: “Dat weet ik niet. De een zegt dit, de ander dat (…). Van degenen die beneden zijn is er nog nooit iemand teruggekomen”.’ Bambi beleeft de wisseling van de seizoenen. Een zware wintertijd breekt aan. Voedsel vinden wordt steeds moeilijker en Hij waart rond, de roep van de reeën imiterend. Tot overmaat van ramp sterft Bambi’s moeder. ‘Verdwijnt’ zegt Bambi eufemistisch. Bambi geeft op dat moment niets meer om de ontluikende natuur.

    Horen, zien en ruiken

    Die natuurbeschrijvingen zijn prachtig, bijvoorbeeld over het ontwaken van de vogels. Zodanig dat je het hoort en ziet: ‘De vinken sloegen en ook de roodborstjes en puttertjes lieten zich horen. Met veel vleugelgeklapper vlogen de duiven van de ene plek naar de andere. De fazanten gaven een luide schreeuw (…). De zon was opgekomen (…). Het veld fonkelde van de dauw, rook naar gras, naar bloemen en natte aarde’. Horen, zien en ruiken. Ook de angst voor een groot hert wordt invoelbaar beschreven: ‘Niet ver van hen’ [de kudde] ‘was er geritsel. Ze stonden meteen stil en tuurden naar die kant. Daar schreed langzaam een enorm hert door de bosjes op de open plek af. In de kleurloze schemering leek hij op een reusachtige grijze schaduw.’

    Toen het boek uitkwam was de ontvangst redelijk koel. Disney kwam in 1942 met zijn film, die een groot succes werd en het originele verhaal overschaduwde. Vond de Weense uitgever nog dat Salten de ziel van het Duitse woud had opgeroepen, Disney toonde een beeld van een lieflijker natuur.

    Metafoor voor het interbellum

    Toch is het niet moeilijk om Bambi als een metafoor te lezen voor wat er in het interbellum tussen de Eerste- en Tweede Wereldoorlog in de Europese politiek gebeurde. Het bos staat voor nationalisme, zoals dat vanaf de vroeg-romantiek in Duitstalige kunstuitingen het geval is. Het veld (of de wei, in andere vertalingen) voor het beloofde land en de reeën zou je als vervolgden kunnen zien, ten prooi aan de pogroms die plaatsvonden. ‘Uiteindelijk gaat boek over eenzaamheid en de dood’, schrijft Grunberg terecht. En niet primair over liefde, zoals de Disneyfilm ons wil doen geloven: ‘Liefde is als de zon’ klinkt het meermalen in de film. Het is een mooie boodschap, maar wel wat ver van het originele verhaal verwijderd.

     

     

  • Niet de oorlog

    Niet de oorlog

    Ik stond in de keuken de spruitje voor in een kikkererwtentaart te halveren. Negen knoflookteentjes lagen op de bakplaat in de oven in hun schilletjes gaar te stoven. Uit het geluidsboxje op de plank boven het aanrecht hoorde ik iemand zeggen dat Marga Minco honderdtwee jaar is. Wow, de honderd al gepasseerd, deze schrijver die altijd in stilte opereerde, is stilletjes ouder geworden. Het was de stem van Annelies Verbeke die het in de aankondiging van de nieuwe podcast van Fixdit noemde. Ook dat Marga Minco de eerste levende schrijver in de podcast over klassiekers geschreven door vrouwen is. Vier schrijvers deelden hun enthousiasme over het werk van Minco en de verhalen in Achter de muur, Verzamelde verhalen. Ik denk Het bittere kruid, het zit erin gebeiteld. En haar terugkeer uit de onderduik toen er niets meer was om naar terug te keren, die sfeer herinner ik me uit haar verhalen. 

    Arnon Grunberg leest het verhaal ‘Iets anders’, waarvan hier alleen de dialoog.
    ‘Waarom deed u het?’
    ‘Ik weet het niet.’
    ‘Hebt u dit al eens meer gedaan?’
    ‘Nog nooit’, zei ze
    ‘Denkt u eens goed na’, zei hij
    Het is werkelijk waar’, zei ze
    Minco lezen is een sprong het diepe in, dan ontstaat langzaamaan een kader, een weten waarover het gaat. Haar dialogen worden geroemd.

    Niña Weijers vertelt dat ze in het Witsenhuis aan het Amsterdamse Oosterpark op de verdieping heeft gewoond waar Minco met haar man Bert Voeten en hun twee dochters van 1949 tot 1960 woonde. Dat Minco de echtelijke slaapkamer, waar net een bed in past, (dat wist Weijers omdat het ook haar slaapkamer was toen ze er woonde) moest ombouwen tot haar werkkamertje. En dat ze, armlastig als ze waren, geregeld in de brede dakgoot klommen, waar ze bleven zitten tot de deurwaarders vertrokken waren. 

    Ik denk aan Marga Minco, die ik enkel uit haar teksten ken,  als een teruggetrokken, bescheiden schrijver. Hoewel je in haar verhalen onderhuidse woede en ongeduld met de dingen proeft. In een interview met Ischa Meijer (deze podcast zet aan tot meer willen weten, Minco uit de kast halen), heeft Minco, die dan al zeventig is, het over Het bittere kruid, dat het met dat tuinpoortje in werkelijkheid anders was. Dat ze het tuinpoortje niet doorging, maar terug naar het huis ging, ‘en bonsde en iemand deed het tuinpoortje open en ik had mijn ster afgerukt – ik ging terug.’ Ze vertelt het verderop in het interview nog een keer, omdat het toch nog anders was. ‘ik had de ster van mijn jas gerukt en liet die trillend aan die mannen zien. Later breng ik dus die jassen naar binnen en vader hield ze aan de praat, (…) toen ben ik weggerend’. Ze ‘huilt een heel klein beetje’, noteert Ischa Meijer.  

    Uit het boxje op de plank boven het aanrecht klinkt de opgenomen stem van Minco, ‘Ik ben niet zomaar gaan schrijven omdat ik iets beleefd heb. Zoals mensen wel zeggen ‘wat ik nou heb beleefd, daar kan ik een boek over schrijven’. Maar je kan net zo goed schrijven vanuit je fantasie. Voor de oorlog schreef ik vanuit mijn fantasie.’ Dat niet de oorlog van haar een schrijver heeft gemaakt, maar dat ze dat al was. Dat wil ze weten.
    Deze podcast laat een Marga Minco zien voorbij Het bittere kruid. Lees haar verhalen, en daarna de kleine roman Nagelaten dagen, waarin alles nog eenmaal bij elkaar komt. Intens proza.

     

     

    Luister hier de Fixdit podcast met: Sanneke van Hassel, Annelies Verbeke, Arnon Grunberg en Niña Weijers.
    Citaten uit: De interviewer, 50 interviews uit 25 jaar interviewen / Ischa Meijer


    inge meijerInge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest, (en hoort).

  • De hel van Tadeusz Borowski

    De hel van Tadeusz Borowski

    De lezer die dacht dat hij na schrijvers als Primo Levi, Imre Kertesz en Curzio Malaparte de meest gruwelijke Holocaust literatuur wel onder ogen zou hebben gehad, heeft niet gerekend op Tadeusz Borowski’s Hierheen naar het gas, dames en heren. Een titel zo wrang en cynisch dat je als lezer direct aanvoelt welke gruwelen je kunt verwachten. Borowski beschrijft in zijn verhalen de hel. Erger nog, hij beschrijft een hel waarvan we ons zelfs met onze kennis omtrent de meest duistere aspecten van de geschiedenis van de 20e eeuw geen voorstelling kunnen maken. Het resultaat is zowel trefzeker als ontstellend.

    In het – net zoals vrijwel alles uit deze bundel, autobiografische – titelverhaal vertelt de ik-persoon hoe hij samen met een groep medegevangenen verantwoordelijk is voor het leeghalen en schoonmaken van de wagons nadat er een nieuwe groep Joden in Auschwitz is aangekomen. ‘De grendels knarsen, de wagons worden geopend. Een golf frisse lucht dringt naar binnen en slaat de mensen als mijngas tegemoet. Dicht op elkaar geperst, geplet door een enorme hoeveelheid bagage, koffers, koffertjes, rugzakken, bundels van alle soorten en maten (…) zitten ze in vreselijke krapte; ze vallen flauw van de hitte, stikken en laten anderen stikken. Nu verdringen ze zich bij de open deur, hijgend als vissen op het zand.’ Nadat alle overlevenden van de reis zijn uitgestapt en naar de plek zijn gevoerd waar de selectie zal plaatsvinden, moet de groep de wagons legen. ‘We springen naar binnen. In de hoeken tussen de menselijke uitwerpselen en verloren horloges slingeren gestikte, vertrapte baby’s rond, naakte monstertjes met enorme hoofden en uitpuilende buiken. We dragen ze naar buiten als kippen, een paar tegelijk in elke hand.’

    Ieder voor zich
    Met zijn kille beschrijving toont Borowski aan waartoe ontmenselijking leidt. Een moeder verloochent haar kind omdat ze onder de levenden wil blijven, een groep uitgehongerde gevangenen rent naar de plek waar zojuist een groep jonge Russen is geëxecuteerd want de volgende dag ‘verzekerde de Joodse muzelman uit Estland […] me ervan dat mensenhersenen zo mals zijn dat je ze zonder te koken volstrekt rauw kunt eten,’ een lid van het sonderkommando vertelt enthousiast over een nieuwe efficiënte manier om zoveel mogelijk lichamen tegelijk te verbranden. ‘We pakken vier kinderen met haar, leggen die met de hoofden bij elkaar en steken het haar in brand. Dan brandt het verder vanzelf en is het gemacht.’ Het doet denken aan de efficiëntie van de fabrikant van de verbrandingsovens, die enthousiast bij de nazi’s aankwam met nóg betere ovens waarin de lichamen nóg sneller konden worden verbrand. De nazi’s waren er uitermate vernuftig in van de slachtoffers daders te maken, met als resultaat dat de ontmenselijking ook tot ongevoeligheid bij de gevangenen leidt. ‘Zie je, vriend, ik voel een volstrekt onbegrijpelijke woede tegenover die mensen in me opkomen, omdat ik door hen hier moet zijn. Ik heb helemaal geen medelijden met ze dat ze naar het gas gaan. Dat de aarde onder hen uiteen moge splijten. Ik zou me met mijn vuisten op hen kunnen werpen. Dat is toch ziekelijk, ik kan het maar niet begrijpen.’ In de hel van Auschwitz is het in de drang om te overleven ieder voor zich. ‘Het belangrijkste is om vandaag te overleven. Ik wil terug naar mijn vrouw, naar mijn kind, ik heb al genoeg oorlog lopen voeren.’

    Vertalers Karol Lesman en Charlotte Pothuizen zijn erin geslaagd de zo kil beschreven hel van Borowski in helder Nederlands te vertalen, voorwaar geen geringe prestatie. Naast de verhalen uit Hierheen naar het gas, dames en heren, bevat deze bundel een aantal verspreide verhalen en gedichten, die deels ook na de oorlog spelen. Een wereld waar nog altijd de chaos regeert, waar het nog steeds ieder voor zich is en waar het antisemitisme nog springlevend blijkt.

    Moraliteit
    Wat de verhalen van Borowksi zo sterk en tegelijkertijd schokkend maakt is de afstand tussen de moraliteit waar wij ondanks alle mogelijke ellende in de 21e eeuwse maatschappij van uitgaan en de hel van Auschwitz. ‘Borowski speculeert op een moreel besef waarvan hij vermoedt dat dat nog aanwezig is bij de lezer; vooral daaraan is het effect van deze tekst te danken, de botsing tussen het residu aan moraliteit in de lezer en het universum waar de moraal de absurditeit bij uitstek is geworden,’ zo zegt Arnon Grunberg treffend in zijn zeer sterke inleiding. Het zorgt er steeds weer voor dat de gebeurtenissen uit deze verhalen aankomen als een mokerslag.

    Tadeusz Borowski en zijn vriendin overleefden beiden de oorlog. Ze hadden het geluk dat drie weken voor hun arrestatie in 1943 de nazi’s de gang naar de gaskamer voor ‘Ariërs’ hadden afgeschaft, waardoor ze aan een vroege dood waren ontsnapt. Na de oorlog en omzwervingen van zijn vriendin naar onder andere Zweden, trouwden ze. Maar eenmaal getrouwd kon Borowksi zijn draai niet vinden en begon hij een buitenechtelijke relatie. Gedesillusioneerd in de Communistische Partij in Polen, waar hij aanvankelijk zijn hoop op had gevestigd, pleegde hij op 1 juli 1951, daags na de geboorte van zijn dochter, zelfmoord, ironisch genoeg door de gaskraan open te draaien. Hij liet geen briefje na waarin hij een motief gaf voor zijn daad. Tadeusz Borowski was nog geen 30 jaar oud.

  • Plug, de jongen en Grunberg

    Plug, de jongen en Grunberg

    Volgens Cesare Pavese bewijzen dromen dat het onbewuste bestaat. Er wordt een verhaal verteld.  Maar wie is de verhalenverteller in mijn droom? En wat wil hij vertellen? Dat vroeg ik me af toen ik een kleine maand geleden het volgende droomde.  Ik help de regisseur – die ongezien blijft – bij het ensceneren van een toneelscène. Dan is er een gat in het verhaal. Ik loop het toneel af om de Plug met de jongen op te zoeken,  want wat heb ik hem gemist!
    Voor een buitenstaander is dit moeilijk te bevatten. Voor mij, eenmaal  wakker, ook. Waarom dacht ik aan Plug? Ik had in geen decennia aan Plug gedacht. Plug was het gratis blad met uit-tips dat je elke maand kreeg bij je Cultureel-Jongeren-Paspoort (CJP). Bij het opruimen, ergens in de jaren negentig, besloot ik alle jaargangen weg te doen, maar er één nummer te bewaren. Dat met de twee jongens op het omslag. En nu kreeg ik het appel om dat nummer in mijn archiefkast op te zoeken. 

    Het kostte me een kwartier, toen zag ik hem weer. De jongen met donkere ogen leunt op de schouder van een jongen met blonde kuif. Wie het zijn, wie de foto heeft gemaakt, geen idee. Wat leek het me fijn als die jongen met donkere ogen op mijn schouder leunde. Het was erotisch en ook weer niet. Het was een heilige afbeelding waarnaar ik devoot én met een wild kloppend hart keek,  och dat die ene jongen – en, voor de volledigheid, niet de andere – tegen me aan zou staan, urenlang, dagenlang, voor altijd. Ik hield ook van zijn stoere riem en zijn wijde broek, maar minder van zijn overhemd. Wel van zijn oortjes, de ene bakkebaard en zijn volle haardos. Ik voelde vriendschap, verwantschap, verlangen.

    Plug ligt weer voor me. Dit nummer verscheen in april 1988. Ik zie meteen verbanden. Verbanden zien geeft zin aan je leven, ook als een ander de verbanden niet ziet. Koester ze, zolang je er maar geen complot van maakt. Komende maand verschijnt mijn roman Augustus.  Het is een boek over vriendschap en ontluikende seksualiteit en het speelt zich af in 1988. Ik was daardoor de laatste tijd veel in dat jaar.  Ik blader verder, zie een foto van Robert Mapplethorpe, een close-up van een penis in een strak stoffen broekje. Geen indruk gemaakt. Iets over Dreamtime, de scheppingsmythologie van Aborigines en een interview met Arnon Grunberg. Hij won de prijs van de jongerenjury met zijn toneelstuk Frambozenrood. Zeventien jaar, innemende bravoure: ‘Echt verrast dat ik bij de winnaars zat, was ik niet; je doet toch mee met het idee dat je wil winnen.’ In de lead bij dit artikel: ‘Wij als publiek moeten ons onderbewustzijn laten werken.’

    ‘Als dit echt het publicitaire debuut is van Grunberg dan is deze Plug goud waard,’ zegt R. nadat ik hem uitgebreid al mijn dwarsverbanden tussen toen en nu heb uitgelegd. Meteen wist ik: nooit. Voor geen enkel bod doe ik afstand van hem, de jongen met de donkere ogen en die ene bakkebaard, die me in mijn leven sinds 1988 is blijven vergezellen. Het zou een daad van verraad zijn.

     

     


    Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • ‘Qua eer en inzet de mooiste die je als auteur kunt winnen’

    Het was een feestelijke bijeenkomst, de uitreiking van de P.C. Hooft-prijs 2022, die het Literatuurmuseum afgelopen donderdag 19 mei in theater Diligentia in Den Haag had georganiseerd. Maaike Meijer, voorzitter van de Stichting P.C. Hooft-prijs, reikte met zichtbaar genoegen de prijs voor verhalend proza uit aan Arnon Grunberg. In december jl. bij de toekenning, omschreef Grunberg deze prijs als volgt: ‘Qua eer en inzet de mooiste die je als auteur kunt winnen.’

    In zijn dankwoord omschreef Grunberg de roman, ‘als het podium voor verlangens en angsten – die twee zijn moeilijk van elkaar te scheiden –  als de enscenering van de overtreding, als illustratie bij het inzicht dat leven verspilling is. Waaraan moet worden toegevoegd dat het gevaar altijd weer zal worden gezocht, en het willen doen verdwijnen van elk gevaar slechts de subtiele doodsdrift is. Immers, waar elk gevaar is geweken heeft de dood zijn intrede gedaan.’

    ‘Als geen ander stelt Grunberg de verhouding tussen spel en werkelijkheid, tussen de vernislaag van de beschaving en de barbarij, in zijn romans steeds op scherp. Roman na roman ensceneert Grunberg situaties voor zijn personages, meestal mannen, waarin zij de maatschappelijke rol die ze zich hadden aangemeten niet meer kunnen spelen’, zo staat het in het juryrapport. De jury, bestaande uit Agnes Andeweg (voorzitter), Rashid Novaire, Esther Op de Beek, Coen Peppelenbos en Nina Polak, omschrijft Grunberg als ‘een schrijver die ongeëvenaard is in ambitie, productiviteit en intellectuele kracht. Onverminderd nieuwsgierig en maatschappelijk betrokken.’

    Een dag later nam het Literatuurmuseum een portret in brons van Arnon Grunberg in ontvangst, gemaakt door beeldhouwer Mohana van den Kroonenberg naar aanleiding van de toekenning van de P.C. Hooft-prijs. Het beeld staat bij de ingang van het museum.

     

     

     

    Foto Arnon Grunberg: Mylene Siegers,
    Foto portret in brons: Mohana van den Kroonenberg

     

  • Tegen het vergeten

    Tegen het vergeten

    Het was de week van de prijzen. Arnon Grunberg kreeg de P.C. Hooftprijs. Max Verstappen won een race in Qatar (ik weet niets van sport), waar mensenrechten niet worden nageleefd. Er is een foto waarop Verstappen voor zijn bolide knielt, met deemoedig gebogen hoofd, als legt hij het in de schoot van zijn moeder. Grunberg zal beslist een vreugdedansje hebben gemaakt bij het horen van de toekenning. Aleksej Navalny, gevangen in een van de beruchte strafkampen van Rusland kreeg deze week de Sacharovprijs voor de Vrijheid van Denken uitgereikt. In oktober toen hij van de toekenning hoorde, schreef hij op twitter, ‘this is not only an honor, but also a great responsibility.’ Voor je het weet vergeet je mensen die niet vergeten mogen worden. Ik had lang niet meer aan Sacharov gedacht, was Navalny in zijn gevangenschap al bijna vergeten (wat ook de bedoeling is voor wie in Rusland gevangen zit).

    Een prijs is een notitie voor de eeuwigheid. Sacharov zelf werd in 1980 verbannen naar het toenmalige Gorki, de KGB bewaakte hem dag en nacht. Toen Gorbatsjov in 1985 aan de macht was, kwam er een monteur bij Sacharov huis, installeerde een telefoon. Sacharov vroeg waarom, de monteur zei ‘Wacht maar’. De volgende dag belde Gorbatsjov, ‘Meneer Sacharov, u mag terugkomen naar Moskou.’ In Moskou werd hij als een held ontvangen. Dat dacht Navalny waarschijnlijk ook toen hij vanuit Berlijn, waar hij was hersteld van een vergiftiging, terugkeerde naar Rusland, dat hij als een held zou worden ontvangen. Inderdaad stonden er honderden mensen op hem te wachten bij het vliegveld waar hij zou aankomen. Maar de verkeersleiding stuurde op het laatste moment zijn vliegtuig naar een ander vliegveld, waar Navalny direct werd gearresteerd.

    Op de radio hoorde ik een Russisch vertaalster desgevraagd vertellen welke berichten Navalny via social media naar buiten stuurt. Dat het goed met hem gaat. Dat hij in het naaiatelier werkt. Functieomschrijving ‘naaister’, dat vond hij vreemd. Op twitter schreef hij ‘En ik maar denken dat ze dat doen om mij te pesten. Maar er bestaat geen woord voor ‘naaier.’ De vertaalster zei dat een van de mannen die hem gevolgd hebben na zijn vergiftiging, ook ‘Naaier’ heette. ‘Dat vindt Navalny grappig.’ Wat op een geweldige geesteskracht duidt voor een strafkampgevangene. Ze vertelde ook dat Navalny dankbaar is voor zijn strakke dagindeling, om vijf uur opstaan en op tijd naar bed. Dat was hem thuis nooit gelukt, liet hij weten. Hij is ook een ironicus. 

    De boom van hoop is een boek tegen het vergeten. De titel is ontleend aan een verhaal van Varlam Sjalamov over een klein dennenboompje in de Goelag-Archipel dat na snijdende en koude winters zich steeds weer opricht. Grunberg schreef voor deze bundel over Daniil Charms, die om zijn absurdistische verhalen door Stalin gevangen werd gezet. Grunberg leerde van hem, ‘hoe vrolijk – schijnbaar vrolijk – men het slachthuis kan beschrijven.’ Een vrolijkheid waar ook Navalny aan lijdt. Hij schrijft op 26 maart dat hij last heeft van zijn been. ‘In hele delen heb ik geen gevoel meer. Leun ik op mijn rechterbeen dan val ik om. Het is vrij frusterend – de laatste tijd ben ik gewend geraakt aan mijn been. Ik doe er liever geen afstand van.’ Toen Grunberg hoorde dat hij de P.C. Hooftprijs kreeg, moest hij meteen aan zijn ouders denken. Ik vroeg me af of Navalny aan zijn ouders dacht toen zijn dochter in zijn naam de prijs in ontvangst nam. Of hij zijn hoofd in de schoot van zijn moeder zou willen leggen.

     

    De boom van hoop, Navalny in de traditie van onrecht in Rusland / verschillende auteurs / 175 blz. / Van Oorschot


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft columns.

  • Feestje

    Feestje

    Ik werd uitgenodigd voor een verjaardagsfeest. De schrijver vierde zijn vijftigste verjaardag. Als cadeau werd hij geportretteerd, het werd een drieluik waarvoor vrienden, geliefden, ex-geliefden en figuranten poseerden. Het feest was in het huis van zijn overleden moeder. In het drieluik zien we de schrijver als kind, als zoon met zijn vader, als schrijver. Kunstenares Elisa Pesapane ging bij vijftien geportretteerden op bezoek om ze te fotograferen. Over elke ontmoeting schrijft ze een verhaal, samen met het drieluik, werd dit Liefde na Auschwitz. De verhalen beginnen telkens met het vertrek uit haar huis in Haarlem. De taxirit, zoeken naar het juiste huisnummer, de entree, het wordt beschreven. Tijdens het lezen onderzoek ik de afbeeldingen. Pesapane gaat bij ex-vriendin Roos, van wie de schrijver op roemruchte wijze afstand nam, langs. Ze wil haar portretteren met een baby of haas in haar armen. Het wordt een knuffeldier uit de mand bij haar bed. Roos gaat met de knuffel op een klaargezette stoel in de keuken zitten.

    Ik kijk naar het linkerpaneel, Roos zit op de rand van een kaal bed met een haas in haar armen, somber. Ik lees ‘Soms weet je niet wat een model je mee gaat geven, maar vandaag was duidelijk dat er sowieso ook enige pijn van Roos met mij mee naar huis zou gaan.’ Later is ze bij vriend van de schrijver, Karol Lesman, er is een schaakbord. ‘Ik positioneerde Karol in het juiste licht en de juiste houding op een imaginair bed zonder matras en zette het schaakbord op zijn schoot.’ Weer kijk ik naar het linkerpaneel. Twee mannen op de lattenbodem van een bed, rug tegen de muur. Lesman een schaakbord op schoot. Ik lees, ‘Tegen wie schaak ik vandaag?’ vroeg Karol. Zijn buurman [vader van de schrijver] op het bed zonder matras hief zijn glas Riesling om een toast uit te brengen en ergens in de verte riep iemand: ‘Auf bessere Zeiten!’ Het feestje werd een wereld waarbij Alice in Wonderland in het niet valt

    De geliefde van de schrijver wordt bezocht. Pesapane noemt haar de Lorelei, zet haar een feesthoedje op. ‘”Waar is dit voor?” vroeg de Lorelei terwijl ze leunde op de rand van het bed zonder matras en zette haar feesthoedje recht. Er zat een meisje achter haar met een slecht humeur en een dode haas op schoot, wat enig ongemak veroorzaakte in de slaapkamer waar een feestje werd gegeven. “Trek je er niets van aan”, zei een oudere heer vanachter zijn schaakbord, “Daar kan jij niets aan doen, haar haas is onlangs dood neergevallen. Daarom is ze uitgenodigd, misschien kan ze iets opsteken van de aanwezigen,…” Ik kijk, en lees en kijk, zie de liefde, het verdriet, het ongemak. Sommige genodigden kijken hun ogen uit alsof ze niet wisten van die ander in het leven van de schrijver. Ik ken de schrijver verder niet, ik ben er, kruip in de verhalen van Elisa Pesapane, kijk mijn ogen uit, ga nog niet naar huis. Liefde na Auschwitz is niets anders dan liefde, in contrast met de holocaust is niets zoveel als liefde. Ik zoek nog.

     

     

    Liefde na Auschwitz. Op reis met de verslinders en verslondenen van Arnon Grunberg / Elisa Pesapane / Uitgeverij Zoetzuur


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, wast haar mondkapjes.

  • Oogst week 43 – 2021

    De scheurkalender is een genre op zich. Het woord ‘genre’ impliceert bovendien dat je een goede of een slechte kunt krijgen, en dat is ook zo. De ene hoort thuis in de kast, de andere op het toilet. Je hebt schijtlollige bundels van Moppentoppers, quotes jattende snuisterijvelletjes van Happinez en natuurlijk stichtelijke kalenders van christelijken huize. Tussen 1972 en 1986 maakten Van Kooten & De Bie de Bescheurkalender. Hun niveau heeft eigenlijk niemand meer geëvenaard, met uitzondering van makers die gewoon hun eigen weg bewandelden: Maarten van Rossem, Quest of de Poëziekalender van Plint. Maar de F*ck-it list (‘grappig’, want het tegenovergestelde van Bucket List)? ‘Mijn middelvinger is gek op iedereen.’ … doortrekken maar.

    Uitgeverij Sunny Home komt nu met een wel heel verrassende kalender aangescheurd, getiteld DNA Arnon. Aangezien Grunberg naast een ontzagwekkend literair oeuvre ook al duizenden voetnoten in De Volkskrant op zijn naam heeft staan, staat buiten kijf dat hij voor 365 dagen eveneens iets boeiends optekent. Uit allerlei romans, essays, opiniestukken en toespraken van zijn hand heeft DNA Arnon wijsheden, overdenkingen en zinsneden geselecteerd. 

    Wat de aanprijzing betreft, zetten de grote boekhandels hoog in: de lezers zullen het mysterie achter Grunberg ontdekken met slechts één ferme rits per dag. Zelf vermoed ik vooral dat het werk een mooie vingerafdruk, of – zo u wil – een DNA-blauwdruk van Grunbergs werk biedt: provocatief, geestig, absurd, scherpzinnig en intelligent. En vergeet je op een Blauwe Maandag een keer de juiste datum weg te rissen? Wees niet getreurd. Literatuur is soms net als eten: een nachtje laten sudderen en de volgende dag waardeer je het des te meer.

     

    Uitgeverij: Sunny Home

    Nederlandse mannen van middelbare leeftijd lijken een flinke scheut Frankrijk nodig te hebben om in melancholie te kunnen verzinken. Philip Freriks’ bloedtype is Merlot; Matthijs van Nieuwkerk adoreert Charles Aznavour; Youp van ’t Hek oreert over de périphérique; Ivo Niehe spreekt beter Frans dan de gemiddelde Parijzenaar; Wim Sonneveld ontleent zijn lijflied Het dorp aan La montagne van Jean Ferrat. Daar komt nu een Vlaamse francofiel bij die geen pseudoniem behoeft: Jo Komkommer. In De opkomst en ondergang van de Citroën Berlingo wordt de oude, vertrouwde romantische weemoed gevierd, maar nergens is het boek te serieus: wij, mensen kloten maar wat aan, zo luidt de boodschap. Daarop vormt de hoofdpersoon in dit verhaal geen uitzondering.

    België is nu niet bepaald de omgeving die je associeert met ‘Il dolce far niente’ in een oranje avondzon. ‘Niksig en onnuttig voortstrompelen in de drassige klei’ komt al meer in de buurt. Dat is dan ook precies wat onze hoofdpersoon doet: lanterfanten tot hij erbij neervalt. Akkoord, hij werkt sporadisch als afwasser, behaalt per ongeluk na meerdere pogingen zijn rijbewijs en rijdt in Montenegro zijn Franse Citroën Berlingo aan gort. In feite leeft hij als een kind dat al zijn ervaringen ongefilterd absorbeert. Dit prachtige boek is daarvan het resultaat. 

    ‘Ik was een kind en wist niet beter / dan dat het nooit voorbij zou gaan’ zong Sonneveld. Jo Komkommer heeft slechts zijn openingszin nodig om jeugdige onwetendheid bondiger en empathischer te verwoorden: ‘Als kind duurt het leven geruststellend lang.’ Het boek is opgetrokken uit 26 kortere verhalen. Toch vertoont het genoeg samenhang en hangt er een zweem van Vlaamse tevergeefsheid overheen: dit mag een door diknekkige Hollanders bedacht, hardnekkig cliché zijn, maar Komkommer doet De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst nog eens dunnetjes over. Nooit echter verloochent hij zijn eigen stijl en dat is zijn grootste prestatie. Chapeau!

     

    Auteur: Jo Komkommer
    Uitgeverij: Manteau

    De leeservaring wordt intenser, naarmate de lezer zich sterker identificeert met personages of onderwerpen. Een werk moet, voordat het beklijft of een indruk achterlaat, met andere woorden, resoneren via herkenning. Daarom is de titel Echo van de Vlaams-Afroamerikaanse schrijfster Neske Beks zo doeltreffend gekozen. In deze essaybundel betoogt zij onder meer dat een wit narratief in een wit curriculum van een dominant witte mannenwereld ertoe heeft geleid dat de Zwarte vrouw (hoofdletter is bewust) zich dubbel in de marge bevindt: zij is én geen man én zij is niet wit. 

    Echo is Beks’ krachttoer, zij het níét om witheid, mannelijkheid en wat beide concepten inhouden aan te vallen. De Zwarte vrouwen verleent zij de kracht en het narratief dat hen uit de schaduw van minderwaardigheid en onzichtbaarheid sleurt. Volgens de uitgeverij poogt Echo een brug te slaan tussen zwart en wit. Ook deze op het eerste gezicht wat uitgekauwde metafoor werkt kneitergoed: een brug slaan lukt normaliter pas met twee aan elkaar (op zijn minst gedeeltelijk) gelijke overzijden – dan moet die gelijkheid natuurlijk wel eerst bereikt worden. 

    Waar de activistische, ‘wokey’-hoek nogal eens ten laste wordt gelegd dat deze alles wat man en wit is, kapot wil maken, verheft Beks slechts hen die te lang niet zijn gehoord. Zij haalt teksten aan van Amanda Gorman, Toni Morrisson, Gloria Wekker en Maya Angelou. Bovendien verruilt zij schaamte voor trots en verschaft zij elke zwarte vrouw de diepgewortelde overtuiging dat ze vertegenwoordiging verdient. Echo zal daardoor niet alleen bij zwarte vrouwen nagalmen.

     

    Uitgeverij: Querido
  • Oogst week 36 – 2021

    Hier komen wij vandaan

    In Hier komen wij vandaan van Leonieke Baerwaldt (1985) spelen mensen, dieren en alles daartussenin een rol. Zo koopt een fabrieksarbeider van bijna veertig die nog bij zijn moeder woont een aquarium (‘Als jij vissen wilt, dan moet je dat godverdomme gewoon doen,’ zegt zijn collega), maakt de kleine zeemeermin haar opwachting en bouwen twee geliefden samen een huis. Baerwaldt studeerde filosofie en literatuurwetenschappen. Haar werk verscheen onder meer in De Revisor en Papieren Helden. In 2018 won ze de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. Hier komen wij vandaan is een sprookjesachtig en uniek debuut van een auteur van wie we nog veel gaan horen.

    Hier komen wij vandaan
    Auteur: Leonieke Baerwaldt
    Uitgeverij: Querido

    De dood in Taormina

    Arnon Grunberg (1971) behoeft eigenlijk geen introductie. Hij won sinds zijn eerste roman Blauwe maandagen talloze literaire prijzen, zoals de Libris Literatuur Prijs voor Tirza, de Constantijn Huygensprijs en de Gouden Ganzenveer. Zijn nieuwe boek De dood in Taormina is alweer zijn zestiende roman. Het verhaal gaat over de zesentwintigjarige Zelda, die lokeend was bij een jeugdbende en nu een veel te laat antwoord schrijft op een liefdesbrief. Ze reist met een acteur en een cowboy naar Taormina. In deze roman liggen leugens en waarheid dicht bij elkaar, maar is er ook een rol weggelegd voor vergeving en liefde.

     

    De dood in Taormina
    Auteur: Arnon Grunberg
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Victorien, ik hou van je

    Kees ’t Hart (1944) schrijft romans, essays, poëzie en verhalen. Hij was redacteur bij De Revisor en recenseert literaire werken voor De Groene Amsterdammer. Prijzen die hij won zijn onder meer de Ida Gerhardt Poëzieprijs en de J. Greshoff-prijs. In zijn nieuwste boek Victorien, ik hou van je (dat bestaat uit verhalen en ontboezemingen) beschrijft hij uiteenlopende werelden: zo reist hij rond met het muziekgezelschap van Toon Tellegen, koopt hij een neppe mitrailleur in Ieper en schrijft hij over een leven vol lezingen en congressen. Of het nu een examenfeest in de jaren tachtig betreft of een lofzang op het Noorden, Victorien, ik hou van je bevat altijd een positieve toon en een open blik.

    Victorien, ik hou van je
    Auteur: Kees 't Hart
    Uitgeverij: Querido
  • Een belangrijk boek dat inzicht geeft in de huidige situatie van Aleksej Navalny

    Een belangrijk boek dat inzicht geeft in de huidige situatie van Aleksej Navalny

    De boom van de hoop, Navalny in de traditie van onrecht in Rusland, is een bloemlezing ter ondersteuning van de talloze Russen die huisarrest hebben of gevangen zitten omwille van het gebruikmaken van het recht op vrije meningsuiting en het recht op demonstratie. De voorbije maanden werden tienduizenden Russische betogers tegen het regime hardhandig aangepakt door de oproerpolitie. Hun ‘misdaad’ was dat ze gerechtigheid wilden voor Aleksej Navalny, de oppositieleider die als enige durft op te staan tegen Poetin en ondertussen is uitgegroeid tot een wereldwijd fenomeen. Vanuit alle hoeken van de wereld krijgt deze anti-corruptie voorvechter steun, en hoe meer Poetin hem in de hoek drumt, hoe groter de steun wordt. 

    Ondertussen zit Navalny alweer enige tijd in de cel, op basis van een aanklacht die door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ‘willekeurig en onredelijk’ werd genoemd. Na zijn vergiftiging vorig jaar met het zenuwgas novitsjok hing Navalny’s leven aan een zijden draadje, maar hij gaf de moed niet op. Na zijn genezing keerde hij onmiddellijk terug naar Rusland, waar hij prompt werd gearresteerd. Sedert maart probeert hij tegen wil en dank te overleven in een strafkolonie honderd kilometer ten noorden van Moskou. Nog steeds worden zijn rechten geschonden, zo weigerde men aanvankelijk medische hulp. Ondertussen schreeuwt de wereld om zijn vrijlating.

    De bundel verschijnt ter gelegenheid van de uitreiking van de ‘prijs voor morele moed’ door het Forum van de Mensenrechten en Democratie aan Navalny. In de uitgave wordt een interessante vergelijking gemaakt tussen de huidige situatie en de Koude oorlog, de vroegere dissidenten (Sacharov, Martsjenko, Charms, …) en Navalny. Men kan niet anders dan vaststellen dat hier geen evolutie in zit. De schrijvers werkten belangeloos mee aan deze uitgave, de opbrengst gaat naar een organisatie die de vrijheid van meningsuiting in Rusland bevordert. Navalny roept op tot een boodschap van hoop, en dit werk is een eerbetoon aan hem en aan alle anderen die een strijd voeren voor een beter Rusland. De titel De boom van de hoop verwijst naar een verhaal van Varlam Sjamalov die zelf zeventien jaar in strafkampen heeft doorgebracht. Daarin beschrijft hij een dwergden die, ondanks de strenge winter en de meters sneeuw, zich steeds weer opricht. Maar er zijn wel meer woorden van hoop in de bundel. De bundel is verdeeld in de drie delen: ‘Navalny’, ‘Moet’ en ‘Vrij’.

    Navalny

    In het eerste deel verkondigt Maxim Osipov de lof over Navalny. Hij vergelijkt hem met Mathias Rust, die het in 1987 aandurfde met zijn vliegtuigje op het Rode Plein te landen. Osipov hoopt op verandering en ziet in Navalny met zijn frisse verschijning en heroïsche genialiteit de oplossing. Tegelijk is Osipov neerslachtig en de wanhoop nabij. Hij vergelijkt het systeem en de geheime dienst zelfs met het Duitsland van de jaren dertig. Hij roept op tot verzoening en vraagt Navalny vol te houden.
    Hella Rottenberg schetst een mooi beeld van de carrière en aanpak van Navalny. Ze beschrijft hoe hij als jurist en zakenman in de politiek stapte en de anticorruptie beweging in gang zette. Ook zijn gecontesteerde methode van het ‘slimme stemmen’ komt aan bod: een systeem waar hij opriep op andere kandidaten dan de regeringskandidaten te stemmen, ook al waren ook die niet de ‘juiste mensen’. In de vergiftiging van Navalny ziet ze het bewijs dat het Kremlin bang is. Ze roept op te volharden want, ‘alles kan in één dag veranderen…Kijk naar de Sovjet-Unie, kijk naar de DDR’. 

    Ook rechter Egbert Myjer wil dat men blijft hameren op het aambeeld. Rusland heeft iets uit te leggen wat betreft het garanderen van de mensenrechten. Hij geeft enkele voorbeelden van inbreuken.  Volgens Myjer is het toekennen van de ‘Prijs voor morele moed’ aan Navalny van groot belang en toont het dat de wereld achter hem staat. In het fragment uit Kinderen van Brezjnev toont Sana Valiulina dat er in wezen niets is veranderd. Ook toen werden moedige Russen gemarteld, opgesloten en vergeten in de strafkampen. Grunberg parafraseert dan weer Dostojevski: ‘Hoe een staat omgaat met vermeende en echte vijanden – doorgaans vermeende – daaraan is de beschaving van die staat af te lezen.’

    Moet 

    Mikhail Kazachkov noemt Navalny een nationale held, omdat hij voor het land zijn leven op het spel zet. Hij stelt dat Navalny het vertrouwen nodig heeft van iedereen  omdat hij iets doet waar anderen niet toe in staat zijn. Ook teksten van Karel van het Reve uit 1973 zijn in de bundel opgenomen. Daarin onderzocht hij waar de macht van een dictatoriaal regime op berustte en kondigde hij het ineenstorten van de Sovjet-Unie aan. En is er een bijzondere bijdrage over het parcours van dissident Andrej Almarik, dat zeer sterke gelijkenissen vertoont met dat van Navalny. Na enkele gedichten van Osip Mandelstam, volgt een zeer aangrijpend fragment van Anatoli Martsjenko ‘Wat ik wou zeggen’, waarin hij aanhaalt dat ‘publiciteit het enige strijdmiddel is tegen het kwaad en de wetteloosheid van vandaag’.  Dit alles wordt geïllustreerd door fragmenten van twee andere dissidenten, Solzjenitsyn en Charms. Het hoofdstuk wordt afgesloten met twee verhalen van Varlam Sjalamov, waaronder ‘De dwergden’.

    Vrij

    Journalist Hubert Smeets’ analyse van Rusland is haarfijn. De hele nationaal-populistische ideologie wordt gekenmerkt door een anti-beleid en is gebaseerd op  wantrouwen en angst bij de burger. Er dreigt een nieuwe Koude Oorlog waarin het tot een confrontatie komt tussen een gesloten, nationalistisch en autoritair bestel tegenover het kosmopolitische, pluriforme politieke ideaal. Hella Rottenberg komt nog terug op de kritiek als zou Navalny een populist en xenofobe nationalist zijn. Er waren inderdaad twijfels over zijn ideeën, maar sinds 2011 kan hij daar niet meer op betrapt worden en distantiëerde hij zich openlijk van zijn vroegere ideeën. Michel Krielaars roept Amnesty International dan ook op om Navalny  te steunen. Amnesty doet dit niet omwille van zijn vroegere uitspraken. Ook Sana Valiulina roept Amnesty op om Navalny de erkenning en bescherming van ‘gewetensgevangene’ te geven. 

    In een interview met econoom Sergei Guriev legde Navalny zijn plannen voor het ‘Rusland van de toekomst’ bloot. Hij zou eerst de bezem willen halen door het rechterlijke systeem, een duidelijke hervorming van de rechtspraak en een belasting voor de oligarchen. Hij pleit voor een herverdeling van de bevoegdheden van president, parlement, regering en wil vrijheid van meningsuiting, ook in de media. Ten slotte moeten ook de corruptie en het onderwijs aangepakt worden. Lev Rubinstein heeft het in zijn bijdrage over de leugen en het liegen. Hij vergelijkt de Sovjet leugens met de leugens van vandaag. Het grote verschil is dat ze vroeger vertrouwd, afgesproken en inert waren, terwijl de huidige leugens beledigend zijn voor ieder mens persoonlijk. Het boek sluit af met enkele dagboekfragmenten van Navalny zelf van 15 maart tot 23 april, waarin hij zijn lot aanklaagt. Het weigeren van medische hulp, zijn hongerstaking en de uiteindelijke toegift. Hij spreekt een woord van dank en hoop uit voor iedereen.   

    De boom van de hoop. Navalny in de traditie van onrecht in Rusland is een belangrijk boek dat inzicht geeft in de huidige situatie van Navalny en eveneens terugblikt op het verleden en een corrupt systeem toont. Het is schrijnend hoe weinig er in de voorbije eeuw is veranderd in een land met een rijke traditie dat telkens weer zijn dissidenten het zwijgen oplegt. Het boek is een eyeopener en een schreeuw om hulp en steun voor allen die beknot worden in hun vrijheid van meningsuiting.