• Innemende dichters en meeslepende entr’acts

    De Nacht van de Poëzie, een evenement dat altijd op zichzelf stond, maakt dit jaar voor het eerst onderdeel uit van het International Literature Festival Utrecht (ILFU) en was een feestelijke afsluiter van het veertiendaagse festival. Gepresenteerd door het dichterlijke duo Ester Naomi Perquin en Piet Piryns, waarvan de laatste zijn 30ste Nacht presenteerde wat en passant gevierd werd.

    Waar blijft de tijd

    De Nacht wordt traditiegetrouw geopend door een ‘jonge’ dichter die het voorgaande jaar de Nacht heeft afgesloten. Deze 36e Nacht beet Vicky Francken het spits af met: ‘Liefde is een zwaar beroep, [naar Rogi Wieg] maar ook het dichterschap, want ze sterven te vroeg.’ Waarop ze de dit jaar overleden Menno Wigman – die haar dichterschap voor een deel bepaalde – toedicht: ‘Ik lees je / en ik hoor je / en ik weet dat / je nog leeft.’

    Tussen de optredens door worden op drie schermen opnames vertoond van Nachten van weleer. In zwart/wit beelden komen voorbij: Een jonge Campert met een even jonge Van Kooten, Hugo Claus met Hans van Mierlo, een piepjonge Ingmar Heytze, Vaandrager, Johnny van Doorn, Fritzi Harmsen van Beek, Gerrit Kouwenaar, H.C. ten Berge, Ischa Meijer, Adriaan Morriën, Annie M.G. Schmidt, en je denkt, waar blijft de tijd?

    Er zijn dichters die het niet alleen van lezers maar ook van luisteraars moeten hebben, zoals Delphine Lecompte. In de wandelgangen klinkt dat haar gedichten bij voordracht ‘waanzinnig beter’ overkomen. Zichtbaar gespannen brengt ze haar voordracht tot een daverend einde. Deze Belgische dichteres die strofen leest als: ‘bevangen door smog en weemoed’; ‘Een man verleidt mij met een woordspeling’; en bij wie iemand ‘klinkt als een gewonde reiger’, heeft een grote charme.

    Presentatie

    Arno Van Vlierberghe komt op in zwart hemd waaruit schouders en armen wit afsteken. Met sterke zinnen als – ‘de kunst van het risicoloos denken’; ‘doel dit gedicht is om alle anderen te onttronen’; ‘mooie holle woorden waar iedereen van houdt’ – schudt hij het moreel besef van het publiek flink op. Voor even lijkt hij verbonden met Rogi Wieg, waarvan deze Nacht een beeld voorbij kwam waarin Rogi met ontbloot bovenlijf achter de vleugel zit en zegt: ‘Je moet toch wat doen om op te vallen’.

    Gerenommeerde dichters

    Anton Korteweg refereert aan ‘de moeder de vrouw’ kwestie in de literatuur. Hij leest een gedicht waarin moeder de vrouw het onderwerp is en sluit geserreerd af met: ‘En dat had dan bijna niet gemogen’.

     

    Een van de hoogtepunten is het optreden van Judith Herzberg die ook tijdens een van de eerste Nachten acte de présence gaf. Toen was er veel gelachen, vertelt Piet Piryns, om haar grappige gedichten. Ook nu speelt haar onbevangen voordracht vrolijkheid in de hand. Al is niet alles om te lachen benadrukt ze bij het gedicht waarvoor ze zich heeft ingeleefd in een vrouw die meerdere baby’s ombracht en op zolder verborg. ‘Je moet je in alles kunnen inleven’, vond de dichteres. Herzbergs poëzie is eenvoudig, en steeds met een draai die bevrijdend werkt en de lach oproept. Hilarisch is het gedicht dat ze een ‘gestolen tekst’ noemt, van iemand die al zoekende door haar spullen in een koffer ging en mompelde: ‘ik zal toch niet…, heb ik nu,… waar zou dan,… nee hè…, deze niet,… heb ik nou, nee…, nou ja, zal ik dan… (…).

    Laat je gaan

    Deze 36e Nacht drijft op de woorden ‘Ik spreidde mijn armen en dreef door de nacht’ van de dit jaar overleden en zeer gemiste dichter F. Starik. Thomas Möhlmann herdenkt Starik met een variatie op het gedicht ‘Gras’ dat Starik tijdens De Nacht van 2016 in grasgroen kostuum voordroeg.

     

    En dan wervelt daar opeens Willeke Alberti, (een van de entr’acts) gekleed in een wijdvallende rode jurk over het toneel. De 74-jarige vedette van het Nederlandstalige lied neemt met haar enthousiasme en nuchterheid (Spiegelbeeld: ‘Ha’, lacht ze, ‘je denkt toch niet…?’) het publiek voor zich in. Armen worden gespreid en het grote meedrijven is begonnen. Later zal de geweldige singer/songwriter, Tallest Man On Earth zijn bewondering uitspreken over deze Nacht en over ‘The Lady in the Red Dress: ‘We don’t have that in Sweden’.

    Aandachtig publiek

    Willem Jan Otten was 20 jaar geleden voor het laatst op De Nacht en zegt: ‘Poëzie kan afwachten’. Met zijn – ‘in u luisteren uitgebroed’ en ‘de rand van vloeiend glas’ – en zijn ‘Gerichte gedichten’ roept Otten een stilte op die magisch is. Zo maakte ook eerder op de avond dichteres Kreek Daey Ouwens met haar zachte stem en heldere taal de zaal opmerkzaam en luisterend.

     

    De Friese dichter Tsead Bruinja maakte indruk met zijn cyclus voor de priester Titus Brandsma (1881). In het Fries draagt hij  zeven minuten voor. Het publiek wordt geraakt door de klank van het Fries en de passie waarmee Bruinja spreekt. De dichter uit Rinsumageest, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als: ‘Zo’n dichter, dat je ook wel uit Rinsumageest had willen komen’.

    De laatste zal de eerste zijn

    Een Nacht als een diner waarvan de gerechten hemels zijn, de wijn niet te versmaden en met een nagerecht dat het geheel in perfectie afmaakt. Na het swingende optreden van de ‘Amsterdam Klezmer Band’ wordt de laatste dichter aangekondigd.
    Debutante Gerda Blees geeft het publiek op de valreep het gedicht ‘Aanwijzingen’ mee: ‘ga niet zomaar / met je hoofd op tafel liggen, mors geen rode wijn / blijf zitten hou je vast en laat de dwaallichten/ de dwaallichten en maak je zinnen af.’
    Een ding is zeker, deze dichteres zal bij de volgende ‘Nacht van de Poëzie’ de spits afbijten.

     

    Er is ook een Nachtpoëziebundel verschenen met gedichten van alle optredende dichters. Bezoekers ontvangen de Nachtbundel gratis, voor de liefhebber is deze nog te bestellen voor € 7,50 via Het Literatuurhuis.

     

     

    Foto’s: Patrick Post

  • C. Buddingh’prijs voor Radna Fabias met ‘Habitus’

    C. Buddingh’prijs voor Radna Fabias met ‘Habitus’

    Er werd veel gespeculeerd over wie de C. Buddingh’prijs zou ontvangen waarbij de naam van dichteres Radna Fabias opvallend vaak gevallen was. Toch was het een complete verrassing voor de dichteres zelf, dat ze op het 49e Poetry International Festival, uit vier genomineerde debuterende dichters, met haar bundel Habitus tot prijswinnaar werd uitgeroepen.

    Volgens de jury heeft Radna Fabias: ‘Een subversieve stem die afkomst, bestemming, lichaam en perspectief te lijf gaat en daarbij zichzelf en de ander niet spaart.’ Daarbij noemt de jury: ‘Deze poëzie is vlezig, goddelijk vunzig soms – en breekt de Hollandse dichtkunst weergaloos open, rekent af met het veilige vers. Habitus zindert.

    De winnaar werd bekend gemaakt tijdens het programmaonderdeel ‘De staat van de poëzie’, een avond over de laatste ontwikkelingen in de Nederlandstalige poëzie. Dat er iets gebeurt in de Nederlandstalige poëzie moge duidelijk zijn; meer experiment en engagement, er werd dan ook gesproken van een zeer bijzonder Buddingh’-jaar. De rol van de kleine uitgever ‘aan de rand van het literaire veld’ werd nog belicht als belangrijk zijnde in het publiceren van deze vernieuwende poëzie.

    Overige genomineerden waren: Dean Bowen met Bokman, Elisabeth Tonnard met Voor het ideaal, lees de schaal en Arno Van Vlierberghe met Vloekschrift.

    De jury bestond uit Jeroen Dera, Charlotte Van den Broeck en Antoine de Kom.

     

    Kijk ook: Poetry International Festival

    Foto: Wouter le Duc

  • Experimentele poëzie van een gepassioneerd dichter

    Experimentele poëzie van een gepassioneerd dichter

    Vloekschrift is de debuutbundel van de jonge dichter Arno Van Vlierberghe (1990), geboren in Gent. Bij het lezen van de titel is de associatie met een ‘vlugschrift’ gauw gelegd: volgens Wikiwoordenboek ‘een gelegenheidsgeschrift, doorgaans in gedrukte vorm met een actuele inhoud of strekking waarmee men de publieke opinie probeert te beïnvloeden’. Zo ziet de bundel er ook uit, als een schrift, een pamflet met een schreeuwerig opschrift in felle kleuren om de aandacht te trekken. De inhoud is gebaseerd op één thema: ‘een heel duidelijke oproep om een misstand aan te pakken’.
    Dat blijkt ook uit de drie afdelingen waaruit de bundel bestaat. Deel 1, De Zone is onderverdeeld in De Bastaardkindgedichten, De Eurolinesgedichten en De Killzonegedichten. Deel 2 en 3 respectievelijk De Situatie en De Methode. Het geheel doet denken aan een guerilla-oorlog en dat lijkt ook wel te kloppen, want Van Vlierberghe trekt ten strijde tegen de maatschappij van het overgeciviliseerde Westen:

    ‘[…] Europa-achtige dingen: ziedend antibureaucratisch kampvuur. Een kampvuur van politiehelmen en traangas, aktetassen en vertrappelde dozen seroxat.’

    In de eerste afdeling, De Zone zijn 42 losse gedachten opgenomen die als aforismen of maximes gepresenteerd worden en lijken op dagboekaantekeningen. Ze vertonen niet altijd een duidelijke samenhang, wat misschien te verklaren valt door de allerlaatste notering die ongenummerd blijft: ‘Je moet dit trouwens allemaal dronken lezen.
    Omdat dronken mensen de waarheid spreken of omdat dronkenschap een roes teweegbrengt?

    Afstand van de wereld
    Waar De Bastaardkindgedichten nog over de binnenwereld van de dichter zelf gaan, kondigen De Eurolinesgedichten zijn verhouding tot de maatschappij en Europa aan. Woede en onmacht overheersen om de ‘Duizend dialecten van de politieke leugen en ik ben naakt.’
    Het besef dat de dichter de situatie doorziet maar er desondanks niets aan kan veranderen doet hem afstand nemen. Hij kan zich niet meer betrokken voelen bij een wereld die zo ‘verrot’ is. Toch lijkt het verstandig om zijn poëtica met een korreltje zout te nemen, want Van Vlierberghe spot graag, ook met zichzelf, en veel van zijn uitingen zijn ironisch bedoeld.
    Zo neemt hij in De Killzonegedichten afscheid van het lyrische ‘ik’ in de poëzie en maakt van zichzelf ‘een Arno’ die vele gedaantes kan aannemen: ‘Arno’s, zones, objecten’. Daarmee vergroot hij de afstand van zichzelf als individu tot de maatschappij.

    In De Situatie is de ontaarding van het systeem realiteit geworden. Deze afdeling bestaat uit vier prozafragmenten, waarvan de laatste drie alle beginnen met de vraag: ‘Wat is De Situatie?’ De verschillende antwoorden daarop tonen een ‘niet-wereld’ die leeg en vernield is, ‘De nieuwe barbarij.’
    Voor ‘Een Arno’ blijkt het niet mogelijk om zijn afstand tot de maatschappij te bewaren en hij bekeert zich toch weer tot het ‘ik’, al weet hij nog niet wat hij zal doen. De hoop op een toekomst gloort ‘Langzaam uit de paniek’: sommige gedichten uit deze afdeling laten zich hardop zingen als strijdliederen.

    Tevergeefse oprechtheid
    De Methode
    ten slotte spreekt in vier korte gedichten over nieuwe rituelen, waarbij afgerekend wordt met oude vormen en traditionele uitingen, ook die van de poëzie.
    Van Vlierberghe laat zien dat hijzelf als dichter de eerste is om het experiment te wagen en de traditionele poëzie te laten varen. Hier spreekt een gepassioneerd dichter die zijn oorlog uitvecht met niet alleen de maatschappij waarvan hij deel uitmaakt, maar ook met zichzelf. De woede van een ‘angry young man’ komt oprecht over, evenals zijn bevlogen engagement; het is diezelfde oprechtheid die hij tevergeefs zoekt op zijn reis door Europa, waarin alles liegt en bedriegt.

    Zijn gedichten zijn geraffineerd van vorm: hij speelt een spel met zaken die op het eerste gezicht onbetekenend lijken maar bij nadere beschouwing zijn poëzie in een ander daglicht zetten. Zoals het veelvuldig noemen van data die verwijzen naar een begin en een einde. Zo creëert hij een midden waarin de veranderingen plaatsvinden, waardoor er een ‘vroeger’ en een ‘later’ kunnen ontstaan, voor en na de apocalyps zo men wil. Hij geeft daarmee de doordachte samenstelling van deze bundel aan, waar alles om een midden lijkt te draaien dat ontwikkeling en verandering mogelijk maakt. En dat niet alleen in het verziekte Europa, maar ook in de dichter zelf.

    Daarmee lijkt deze experimentele bundel toch ook een traditionele trekje te hebben behouden. Ondanks dat Van Vlierberghe getracht heeft het concept van een gedicht op een andere, bredere manier vorm te geven. Zijn opvatting van het traditionele concept maakt nieuwsgierig naar meer werk van hem.  En als genomineerde van de C. Buddingh’ Prijs 2018 heeft hij deze prijs dubbel en dwars verdiend. De winnaar wordt op 31 mei bekend gemaakt.

     

  • Een decennium lang Het liegend konijn

     

    Het liegend konijn is een tijdschrift voor hedendaagse poëzie met tweemaal per jaar een uitgave waarin enkel en alleen niet eerder gepubliceerde poëzie wordt opgenomen.  Geen recensies of beschouwingen ontnemen het zicht op het werk van de dichter, aan de lezer de taak zelf te oordelen. Het blad heeft een oplage van 1.500 exemplaren en telt 400 abonnees en kent sinds 2007 de tweejaarlijkse Debuutprijs Het liegend konijn toe.

    Poëzie zien als kind van deze tijd, als de spiegel van onze samenleving, zo waardeert de enige redacteur van het blad, Jozef Deleu het dichterschap:  ‘Dichters als gangmakers voor wat er te gebeuren staat met mens en wereld’.

    Struinend door de twee edities van Het liegend konijn van dit jaar is het een proeven, ruiken en opnemen. Er komt een grote verscheidenheid aan dichtkunst in voor. Dichters van uiteenlopende leeftijden, jonge debutanten, oude getrouwen en  enkele senioren leverden ‘niet eerder gepubliceerd’ werk. Uit de 67 dichters die in deze twee edities publiceerden, wordt hier de jongste dichter, Arno Van Vlierberghe (1990) en Nederlands grootste, de in Amerika woonachtige Leo Vroman (1915) belicht. Interessant is te zien hoe deze twee generatie dichters zich verhouden tot de toekomst:

    Ideaal (Leo Vroman)

    ‘Engel, als ik zo dromen kon
    en voor ons beiden
    de wolken zien glijden
    langs het plafond,

    Uit een bloemig vloerkleed groeiden
    de bedoelde planten
    en bloeiden langs de kanten
    de bedoelde bloemen,

    Werden de kamerwanden
    welig wuivend lover
    van ons tweeën  en van  de
    rest bleef niets dan liefde over.’

    In dit gedicht is de wereld klein, en wordt het leven teruggebracht tot de essentie van het leven zoals de dichter die beleeft. Dat na het heengaan, het sterven, ‘niets dan liefde’ is wat overblijft en waaruit,  een overgave spreekt die vredig stemt. Een kleine, overzichtelijke wereld: ‘Uit een bloemig vloerkleed groeiden / de bedoelde planten.’ Wat zoveel betekenen kan als: het leven heeft zijn belofte waargemaakt.

    De jonge dichter Arno van Vlierberghe dicht over een wereld die zich naar alle kanten uitstrekt en waarin het leven an sich een soort dreigement inhoudt waaraan niet te ontkomen is. Een gedichten‘epos’, al is er over heldendaden niets te melden. Een reeks gedichten over het verleden, hoe het was en dan, wat het gaat worden. Door zich het verleden te herinneren wordt de deur naar de toekomst geforceerd. Het is een gedichtenreeks waarvan de laatste strofe eindigt met: ‘En je moet je wijfje nog gaan vinden.’ Dat na alle gebeurtenissen en indrukken die een heel leven omvatten, het grote werk, het echte leven nog moet beginnen, is duidelijk. Hieronder het eerste gedicht uit de reeks: We waren allemaal even lelijk

    ‘Toen we nog naar verjaardagsfeestjes gingen,
    de Opel kadet net gestolen dus te voet
    hand in hand, de kleine klamme in grote klamme hand,
    door de slapende stad.

    Siliconen hielden toen de dieven buiten,
    de kinderen binnen en
    o wee als Arno aan de ramen van
    dit alles prutst, dan wordt er gestorven
    op vreselijke plekken
    Toen leerden we plastic kaas te smaken,
    roze puree te witten. Het kauwen werd
    ons opgelegd.’

    Waar in het gedicht van Vroman de belofte van de toekomst lijkt te zijn ingelost, heeft Van Vlierberghe de belofte die het leven inhoudt net ontwaard.

    Bij deze tiende jaargang komt Deleu eindelijk met de waarheid op de proppen omtrent de naamgeving van het tijdschrift. De naam is niet, zoals abusievelijk wordt aangenomen, geïnspireerd op het verhaal over een konijn van Paul van Ostaijen welke bij elke editie op de achterkant werd afgedrukt. Het begon in 1990 in Boedapest in een restaurant waar Deleu de tafel deelde met neerlandici uit Midden-Europa en waar, vermoedelijk ter ontspanning, de vreemdste verhalen werden opgedist. Waarop Deleu reageerde met de uitdrukking ‘jullie liegen als een konijn’. Waarna er een Internationaal Genootschap voor Taalvernuftelingen onder de naam Het liegend konijn werd opgericht. Het genootschap hield niet lang stand maar de naam leefde voort, en Deleu richtte aldus in 2003 het literair tijdschrift Het liegend konijn op. Daarna kwam pas het verhaaltje van Van Ostaijen ‘over het konijn dat de lach zocht’ in beeld en werd sinds het eerste nummer, als zijnde zeer toepasselijk, op de achterflap afgedrukt.

    Drie dichters ontvingen inmiddels de Debuutprijs Het liegend konijn. Ester Naomi Perquin won in 2007 voor het eerst deze prijs. In 2009 was het Ruth Lasters die de prijs won en in 2011 Lieke Marsman. Alle drie de laureaten schreven werk voor de tweede editie van Het liegend konijn.

    Verdere dichters die, verdeeld over beide edities, met een enkel of meerdere gedichten in Het liegend konijn zijn opgenomen, zijn onder meer: Huub Beurskens, Wim Brands, Y.M. Dangre, Maarten Das, Ellen Deckwitz, Piet Gerbrandy, Eva Gerlach, Peter Ghyssaert, Peter Holvoet-Hanssen, Tjitske Jansen, Wiel Kusters, Hanz Mirck, Froukje van der Ploeg Daniël Vis, Judith van der Wel, Anneke Brassinga, Paul Demets, Kees Engelhart, Anna Enquist, Edwin Fagel, Ingmar Heytze, Maarten Inghels, Sylvie Marie, Erik Menkveld, Erwin Mortier, Erik Spinoy, Peter Swanborn en Eriek Verpale. 

    Met deze tiende jaargang van Het liegend konijn is Jozef Deleu hoogst waarschijnlijk de langst zittende eenmans redactie van een literair tijdschrift. Wekelijks krijgt hij honderden gedichten toegezonden. Die hij zuiver op taalgevoel en herkenbaar aanwezig talent, selecteert. De gedichten die uiteindelijk geplaatst worden zijn van een kwaliteit die het dichtersgilde eer aan doet maar vooral ook het kritisch oog van Deleu kenmerkt.

    ‘Dichters als gangmakers voor wat er te gebeuren staat met mens en wereld.’ Een mooie gedachte die onverhuld de wens in zich draagt dat men meer gedichten moet gaan lezen wil men bij de ‘dichterlijke’ tijd blijven. Met Het liegend konijn in de hand zien we het volgend decennium met vertrouwen tegemoet.

     

    Het liegend konijn

    Onder redactie van Josef Deleu
    10e jaargang nr. 1 april 2012,
    Blz.: 264
    Prijs: 20,-
    nr. 2 oktober 2012
    Blz.: 272
    Prijs: 20,-
    Uitgeverij van Halewyck, Leuven & Van Gennep, Amsterdam

    www.hetliegendkonijn.be