• We leven bij de gratie van vergaan

    We leven bij de gratie van vergaan

     

    Voor Literair Nederland sprak Eric de Rooij met schrijver Sipko Melissen naar aanleiding van de verschijning van zijn zevende roman Arkadia.


    We hebben afgesproken in Café Wildschut  aan het Roelof Hartplein in Amsterdam-Zuid. Sipko Melissen (1941), fit, slank en jongensachtig, mist de uitstraling van een doorsnee tachtigjarige. Hij zit al aan een tafeltje als ik binnenkom. ‘Stipt op tijd zijn, is iets van mijn gereformeerde afkomst,’ zegt hij. We zullen ruim twee uur praten over schrijverschap, sensualiteit en erotiek, redden en gered worden, en natuurlijk over zijn nieuwste boek Arkadia: ‘Ik ben heel gevoelig voor idyllische situaties.’


    Arkadia is je zevende roman. Hoe begin je meestal?

    Ik begin met de hand, dan kan ik mijn tekst het best beoordelen, makkelijker schrappen. Iemand zei eens: wanneer ik schrijf, denkt mijn hand beter dan ik zelf. Zo is het ook. Als ik gelijk ga tikken vind ik het moeilijk om afstand tot de tekst te houden. Ik ga zitten en soms begin ik zonder dat ik weet waar ik met het verhaal naar toe wil. En soms zit ik er zo goed in, zoals in het verhaal waar ik nu mee bezig ben, dan heb ik zelfs op zinsniveau het verhaal van het volgende hoofdstuk in mijn hoofd.


    Hoe ben je met Arkadia begonnen?

    ‘Een begin schreef ik al in 1974. Ik wilde schrijven over een idyllisch buitenverblijf waar twee families de zomer doorbrengen, twee gereformeerde families die net uit de oorlog zijn gekomen, geen geld hebben om royaal te leven en die samen de vakantie doorbrengen. In werkelijkheid zijn het twee of drie vakanties in Putten geweest die ik in Arkadia teruggebracht heb tot een. Ik ben wel gevoelig voor die herinnering, voor idyllische situaties, die sfeer van twee families samen, en dat je als jongen je eigen gang kon gaan. Er was een enorme tuin en daarachter een bos. Ik had alle vrijheid. Die dubbelheid past bij mij: ik wil graag ergens bij horen, maar ik wil ook aan de zijkant staan.
    Arkadia bleef ongeschreven, een ander verhaal drong telkens voor. Tot ik wist dat ik naast die idylle ook iets wilde vertellen over het gevoelsleven van een jongetje van  veertien. Daarin zit het conflict van het verhaal, het is een innerlijk conflict rondom seksualiteit en sensualiteit, met het idyllisch landschap als decor.’


    Er wordt in Arkadia geen chronologisch verhaal verteld.

    ‘Het is een drieluik, waarin sprongen in de tijd worden gemaakt. Je krijgt als lezer niet een hele chronologische ontwikkelingsgang. De eerste sprong is al op bladzijde drie. Het verhaal opent alsof er een jongen uit de hemel is neergedaald. Die derde persoon wordt opeens een ik en dan laat je de fictie achter je.’ 


    ‘Woudsend’ heet het eerste deel van Arkadia, met een wondermooie passage waarin de ik-figuur een gesprek heeft met zijn vader.

    ‘Dat gesprek heeft bijna letterlijk plaatsgevonden. Alleen op een andere plek, in een andere tijd. Ik wilde het verhaal compact houden, door alles in dat ene weekend te laten plaatsvinden.’


    Het is een liefdevol gesprek.

    ‘Mijn vader was een liefdevolle man. Gereformeerd, maar helemaal geen fanaat. Hij kwam steeds verder van de kerk af te staan. Het gereformeerde bleef wel in zijn levenshouding: je neemt het leven serieus, je gaat er niet slordig mee om. Ik kom uit een gezin van acht jongens en drie meisjes. Ik was de middelste. Boven mij had ik vijf broers, pittige knullen in hun puberteit. Zij zagen ook wel dat ik qua gedrag en belangstelling anders was. Ik werd wel een beetje gepest, maar ik ben niet gekneusd uit mijn jeugd gekomen. Mijn vader heeft de verschijning van mijn debuutroman Jongemannen aan Zee niet meer meegemaakt. Dat is jammer. Maar hij wist dat hij voor mij een heel belangrijke man is geweest. Hij was dol op mijn partner, Rob. Mijn zusje Bep zegt altijd: “Hij was verliefd op Rob.”’ 

    ‘Rob en ik zijn verschillende keren met mijn ouders op vakantie geweest. Ik ontfermde me over mijn moeder, zodat mijn vader en Rob samen dingen konden ondernemen, dat vond mijn vader geweldig. Mijn moeder heeft mijn vader een hele tijd overleefd. Mentaal en fysiek een hele sterke vrouw. Toen ze negentig was, kwam ze nog met mijn zusje en haar man mee om in Italië bij ons kerstmis te vieren. Een week in een boerenhuis, met helemaal geen goede verwarming, het maakte haar geen bal uit. Van haar heb ik die sensuele verbinding met de werkelijkheid. Zij kon ook urenlang in de tuin staan en naar de polders kijken, alles in haar opnemend.’  


    Wat is die sensuele verbondenheid met de werkelijkheid?

    ‘Bij mij uit die sensuele verbondenheid zich in mijn vriendschappen. Ik heb in mijn leven een aantal intense vriendschappen gehad met jongens die, om die scheidslijn aan te houden, niet homoseksueel waren. Toch waren er wederzijdse warme gevoelens die verder niet seksueel waren, wel erotisch of sensueel. Je bent samen in een soort tussengebied. Ik was voor hen een heel toegewijde vriend, maar dat er ook iets extra’s speelde liet ik niet blijken. Ik was heel bedreven in het sublimeren. In Jongemannen aan zee komt na lange tijd een jeugdvriend terug, Andreas. In Arkadia heet hij Kees, trouwens. Met Kees had ik echt een mooie vriendschap. Maar zo’n vriendschap wordt verpest of vergiftigd door het feit dat je gaat liegen. Je vertelt je vriend niet het meest essentiële van jezelf. Terwijl de intimiteit om het te vertellen er wel is. Zo ontneem je de ander de kans een echte vriend te zijn.’

    ‘Je komt in een duister gebied als je als jongen gevoelens hebt voor andere jongens. In Arkadia haal ik Roeland Westwout (1937) aan, dat prachtige boek van Diet Kramer. Waarom is Roeland zo kwaad en slaat hij erop los als een klasgenoot hem uitscheldt voor oud wijf? Is het omdat die klasgenoot een kant in hem ziet waar hij zelf nog niet aan toe is? Een kant die wordt afgewezen? Jij deugt niet, je bent een nicht bijvoorbeeld. Roeland is anders dan de anderen. Het is goed om te weten dat de schrijfster getrouwd was, maar ook relaties had met vrouwen. Zij kon in die tijd slechts subtiel en niet expliciet vertellen wat er werkelijk bij Roeland speelde. Bij het lezen van Roeland Westwout weet de jonge Ko, de ik-figuur in Arkadia,  intuïtief: ik heb dit ook. En hij vraagt zich af of je verliefd kunt worden op een jongen, een vraag die hij aan niemand kan stellen.’ 


    Het tweede luik in Arkadia opent met de gedroogde blaadjes van een Gingko-boom en de herinnering aan Koen, een betekenisvolle ontmoeting.

    ‘Hoewel het een kortstondige ontmoeting is, komt Koen wel in aanmerking om verliefd op te worden. Koen lijkt in eerste instantie wat afstandelijk. Toch zet hij wel de eerste stap door Ko fysiek aan te raken. Eigenlijk staat Koen voor La Belle Dame sans Merci, of Reves Meedogenloze jongen. In Arkadia staat Koen voor die volmaakte jongen. Ik bedenk me dat nu pas, dat komt door jou. Ik vind jou wel een heel erg leuke jongen – heb het maar even gezegd tegen dat ding.’

    We kijken beiden naar mijn Iphone die dit gesprek opneemt. ‘Dit is zo’n moment dat ik heel bewust ben van wat ik moet vertellen want straks is die band afgelopen.’


    De band loop eeuwig door.

    ‘Konden ze dat maar over mij zeggen!’


    Zou je dat willen, eeuwig leven?

     

    ‘Ik heb erover nagedacht. Dat schijnt vreselijk te zijn. De Italiaanse schrijver Cesare Pavese, schreef eens een boek waarin de Goden zich beklagen over hun onsterfelijkheid. Ze hunkeren naar sterfelijkheid, maar dat hebben zij niet. Ik hunker ook niet naar onsterfelijkheid. Intuïtief zeg ik: het is mooi zo. Als je eeuwig leeft zonder dat er iets verandert, is er ook niets aan. We leven bij gratie van vergaan. Dat is de deal. Je mag bestaan, maar je gaat wel langzaam richting afgrond.’

     

    Het sluitstuk van Arkadia speelt zich af in Zeeland, de hoofdpersoon wordt van de verdrinkingsdood gered, heb jij dat meegemaakt?

    ‘In het slotdeel van Arkadia komt Eleanor Roosevelt op bezoek in Zeeland. De hoofdpersoon onttrekt zich aan de drukte en gaat samen met zijn vriendje Titus zwemmen. Hij verdrinkt bijna in die stroming en wordt dan door Titus uit het water gered. Het is mij overkomen. Een vriendschap waarbij de een de ander redt, spreekt me erg aan. Gered worden of een vriendje redden. Sowieso met z’n tweeën in een situatie zijn waarin de een de ander redt. Dat zoek ik in vriendschap. Het hoeft niet letterlijk uit het water te zijn. Om een concreet voorbeeld te geven. Naast ons kwam een jongeman wonen, ZZP-er, alleen. Het is een leuke jongen, hij is het redden waard. Bij mij ontstond al snel het gevoel dat ik voor hem iets belangrijks moest doen. Niet dat ik met een pan soep op de stoep sta, maar ik hield een oogje in het zeil, zeker tijdens de covid-periode. Ik weet dat ik mijn rol als redder overschat. Bij dat redden of gered worden is ook een erotische of sensuele kant, dat is het leuke ervan. Die erotische spanning merk ik ook vanuit die buurjongen. Niet dat hij het uit, maar ik voel het wel. Waarschijnlijk zat die jongen totaal niet op mij wachten. Of ik weet het wel zeker. Inmiddels heeft hij een vriendin, dus de urgentie om hem te redden is verdwenen.’ 


    In Arkadia wordt het pastorale in de jeugd gevonden. In andere boeken zoals De Huid van Michelangelo en Oud-Loosdrecht, wordt een Arkadia gevonden in Italië en in Griekenland.

    ‘Italië was mijn tweede thuis. We hebben bijna veertig jaar een boerderijtje gehad, niet ver van San Gimignano, Siena en Florence. Een paar jaar geleden zijn we daar weggegaan. Achteraf een goede beslissing. Rob en ik hebben er een meesterlijke tijd gehad. Ik schreef en hij vertaalde, een ideale combinatie. Vlakbij woonden goede Italiaanse vrienden. Italianen zijn zeer sociaal, makkelijk en gastvrij. Natuurlijk mis ik die tijd. Aan de andere kant, ik wil dat verleden niet cultiveren. “Oh, hadden we het nog maar”. Je moet ook het onvermijdelijke accepteren. Ik ben dankbaar voor de ervaringen die geweest zijn.’ 


    In de film Afterlife mag iemand na zijn overlijden slechts één herinnering meenemen naar de hemel. Alle andere herinneringen raakt hij kwijt. Welke herinnering zou jij willen bewaren?

    ‘In De vierde mei komt een soortgelijke vraag voor. Ik kom dan uit bij het feest dat we in 1996 op onze boerderij in Italië gaven voor zo’n honderd mensen. Dat was zo bijzonder, zo spectaculair. We organiseerden dit met onze vrienden Hans en Piet. Op de eerste avond reden we in optocht met onze auto’s door het Italiaanse landschap, met aan de horizon die prachtige ondergaande zon, naar het restaurant in het dorp. Toen we uitstapten wachtte daar een boerenblaasorkest. Dat orkest begon zo aanstekelijk te spelen, dat iedereen spontaan begon te dansen. Dat was verpletterend, sprookjesachtig. Dat beeld durf ik wel mee te nemen als enige herinnering.’


    En welk boek?

    ‘Als het daar saai is, zou ik een heel dik boek meenemen. Mocht het er toch opwindend zijn een heel dun boekje. Mijn eerste, intuïtieve reactie is om de Bijbel mee te nemen. Het is dik, divers, maar misschien een te gemakkelijke keuze. Ik hou van het werk van Gerard Reve. Op weg naar het Einde was een openbaring, die vrijmoedigheid, het opkomen voor jezelf zonder begrip te vragen of een compromis te sluiten. Baanbrekend. Maar ik kies voor een ander boek van Reve: Het boek Van Violet En Dood. Ik herlees het minstens een keer per jaar. Ik hou van de melancholieke toon, de heldere zinnen, de prachtige herinneringen. En mocht ik iets van mezelf mee mogen nemen, dan wordt het Plaatsbewijs. Het is een van de twee novelles in De Vendelzwaaier. Ik hou van verhalen met een duidelijk begin en een duidelijke afronding. Plaatsbewijs is zo’n verhaal.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Arkadia
    Sipko Melissen
    224 blz.
    ISBN 9789028231115
    Uitgeverij Van Oorschot

     

     

  • Naarstig zoeken naar zoete nostalgie

    Naarstig zoeken naar zoete nostalgie

    Sipko Melissens nieuwste roman, Arkadia, heeft als ondertitel ‘Een drieluik’. Het pastorale karakter van de boektitel alleen al doet denken aan het drieluik De tuin der lusten van Jheronimus Bosch, vanwege zijn paradijselijke betekenis. Waar Bosch’ meesterwerk de zondaars waarschuwt voor een martelgang in het eeuwige vuur van de hel, houdt Melissen het gezellig en nostalgisch met een knetterend openhaardje in de huiskamer. Vrijwel nergens wringt het in zijn Gelderse Hof van Eden.  

    Hoofdpersoon Ko Melissen behandelt in omgekeerde chronologie drie van zijn jeugdherinneringen. In deel één bezoekt hij als volwassen student het Friese Woudsend, waar zijn gereformeerde ouders vakantie vieren. Daar zal hij zijn meer dan goede vriend Bor aan hen voorstellen. Deel twee, verreweg het langste hoofdstuk, gaat over de zomervakantie op het Veluwse landgoed Calcaria. Ko is dertien jaar, ontdekt de omgeving en wordt verliefd op botterik Koen. In het derde deel verdrinkt de negenjarige Ko bijna, wanneer hij vlakbij een stuwdam de zee induikt. Omdat first lady Eleanor Roosevelt Ko’s dorp in Zeeland bezoekt, is er geen toezicht bij het water. Het loopt allemaal maar net goed af. Dit is nauwelijks een spoiler, simpelweg omdat het Melissen niet om spanning te doen is.  

    In grote delen van Arkadia herstelt Nederland van de Tweede Wereldoorlog. De wederopbouw gaat gepaard met behoudzucht, gehoorzaamheid, religiositeit en een drang naar eendracht. Het reactionaire Biedermeiersfeertje past hier perfect bij. Biedermeier staat bekend als het belegen  broertje van de Romantiek: er is liefde, maar geen allesverterende. De humor is lollig, zonder wrijving of melancholie. (Kerkelijke jongeren die catechisatie ‘kattenbak’ noemen.) De natuur schittert als creatie van God en haar gevaarlijkste wapenfeit is een regenbuitje. Gevoelens brengen de hoofdpersonen eventjes van hun stuk, waarna koekjes, een straaltje zon of geplukte cantharellen het evenwicht herstellen. Treffend portretteert Ko het calvinistische gezin waar hij deel van uitmaakt, dat precies uitbundig en vrolijk genoeg gaat slapen: ‘Het is een mooie dag geweest, daar is iedereen het over eens.’ Gelukkig maar.

    Idyllisch, maar niet té

    Toeval of niet, Arkadia is Melissens zevende boek. Daarmee lijkt het een rustpunt te markeren in zijn literaire Schepping. Anders gezegd: Arkadia strijkt elk conflict kreukloos glad, als braaf Biedermeier-product. Het is een boek voor de kostelijke, luie zondag. Er worden meer koekjes in gebakken dan in Heel Holland Bakt, net niet schurende grapjes gemaakt zoals vrome christenen plegen te doen en Ko’s seksuele ontbolstering blijft keurig binnen de lijntjes: ‘Bor wist dat angstwekkende heelal terug te brengen tot twee lichamen die in de plastische taal van het Oude Testament tot één vlees werden.’ Alles wat aanvankelijk vragen oproept, legt de schrijver uit. Zelfs de worsteling met het geloof komt tot een hoogtepunt via zoetigheid. Wel een mooie scène, overigens. Melissen schrijft met melasse. 

    Hij mikt op sfeer in Arkadia. De avond, sperziebonen, open velden, ze schemeren allemaal. De Friese meren ontvouwen zich voor Ko als een belofte op een mooie toekomst: ‘Overal waar hij kijkt is groen en blauw, groen van de weilanden, blauw van de lucht en het meer. Op het monotone geluid van de wind na is er stilte zo ver je kunt kijken.’ De Veluwse bospaden naar de hei vindt Ko ‘mooi en overweldigend, vooral als de zon door de bladeren gefilterd wordt, maar na een tijdje benauwen ze me.’ De treffendste sfeertekening komt uit de Zeeuwsche Courant, terugblikkend op het bezoek van Eleanor Roosevelt: ‘”En er was dat typische fijne Zeeuwse licht, dat zee en aarde daar samen produceren: grijs met blauw en donzig wit van wolken.’’ Zó zou ik het toen nooit gezegd kunnen hebben, maar zo heb ik het wel beleefd en gezien.’  

    Het is niet onuitgelegd gebleven 

    De zomerse loomheid doet de lezer geregeld wegdutten. Zelf nadenken hoeft hij niet, want iedere open plek wordt volledig ingevuld met alsof-vergelijkingen en met toelichtingen bij literaire verwijzingen. Wanneer Ko zijn geaardheid onthult, komt Gerard Reves Nader tot U maar liefst vijf keer voorbij. Zelfs het mysterie rondom de titel Arkadia verdampt jammerlijk. Tijdens Ko’s verblijf in de Veluwse villa Calcaria legt de vader van Koen, Ko’s vlam, de naam uit: ‘Calcaria omdat het woord lijkt op Arkadia. (…) Arkadia is een streek in Griekenland die door dichters en schilders wordt voorgesteld als land van onschuld en vrede. Nou jongens, jullie kunnen zelf zien hoe vredig het hier op Calcaria is, alsof we in het paradijs zijn.’ Over knipogen naar het paradijs gesproken: Koen steelt een tomaat uit de naburige moestuin, het enige gewas waar de kinderen absoluut vanaf moesten blijven!  

    Eén van Ko’s ontdekkingen in zijn relatie met Bor luidt dat ‘niet alles gezegd hoeft te worden om duidelijk te zijn’. Met dat besef is het ironisch hoe veel Melissen vertelt, in plaats van laat zien. Bovendien haalt hij grootheden aan als Nabokov, Homerus, Glück, Gorter, Shakespeare en Proust, waardoor de indruk ontstaat dat Arkadia groots en meeslepend zou moeten zijn. Natuurlijk is de Fransman een geschikte autoriteit om aan te refereren in dit nostalgische tripje naar een verloren tijd. Toch maken vooral klein geluk en subtiliteit Arkadia lief, gevoelig en relevant. Ko’s strenggelovige vader, bijvoorbeeld, vraagt na de coming out van zijn zoon onverwacht empathisch: ‘Ben je daardoor ooit ongelukkig geweest?’ Dan wil hij weten: ‘Heeft het je relatie met God verstoord?’ Bij het stellen van die vraag prikt hij zijn stukje appeltaart, in een perfecte driehoek uitgesneden, kapot. Prachtig. 

    Van Holocaust naar holle praat 

    Het kan haast niet anders of dit boek zal menigeen verwarmen. Als de hoogliteraire referenties buiten beschouwing worden gelaten, blijft een suikerzoet boek over. Melissen verwent en verdooft met lieflijke huiskamertaferelen en niet te veel gedoe. Eigenlijk voelt Arkadia als een fotoalbum vol vergeelde kiekjes, inclusief handgeschreven onderschriften. Nergens houdt een idylle beter stand dan in het onbetrouwbare geheugen. Het decor in Arkadia – Friesland, Gelderland en Zeeland – belichaamt voor velen het Nederland zoals het vroeger ‘echt was’. Men vergeet echter dat de jaren ’50 en ’60 vooral de nasleep van een nachtmerrie waren. Eén zin drukt eenvoudig de onttovering na de Holocaust uit: ‘Kale polders zijn niet geschikt voor sprookjes.’  

    In tegenstelling tot dat andere boek van Reve, De avonden, praat Ko’s familie vaak en openlijk over de Tweede Wereldoorlog. Zo vormt de razzia van Putten, vlakbij landgoed Calcaria gelegen, het dieptepunt in de Veluwse geschiedenis. Ruim zeshonderd jongemannen uit de streek werden afgevoerd richting Noord-Duitsland. Een dominee die bij de ouders van Ko op bezoek is, was bij de verzoeningsdienst in Ladelund, anno 1950. ‘Hij houdt de mensen in de kerk voor dat men niet moet blijven staan met verdriet en wraakgevoelens in het hart. (…) En hij wijst op het offer van Christus dat ons niet spreekt van wraak maar van liefde en trouw, voor ons en onze vijanden.’ Makkelijk praten, zou je zeggen. Het hele gezin raakt evenwel geëmotioneerd door deze christelijke genade. En zo zijn we terug bij het stichtelijke sentiment van Biedermeier, dat van de zwartste bladzijde van de vorige eeuw toch nog een bitterzoete ervaring maakt. Lekker, maar wel een beetje ongezond.   

     

     

  • Oogst week nr 14 – 2023

    Arkadia

    In Arkadia van Sipko Melissen ontdekken we in het eerste deel de Zeeuwse kinderjaren van de Amsterdamse student Ko. Toen hij 9 was moest hij daar met het gereformeerde onderwijzersgezin waarvan hij deel uitmaakte, afscheid nemen van zijn eerste vriendje op Tholen. Het tweede deel speelt zich af in Putten waar hij zich verdiept in de geschiedenis van die plaats waar in 1944 bijna alle mannen door de Duitsers werden afgevoerd als represaille voor een aanslag. In het laatste deel is Ko 25 jaar oud en op weg naar zijn ouders die in het Friese Koufurderigge in een vakantiehuisje verblijven. Hij wil bij hen zijn vriend Bor introduceren. ‘Hij ziet zijn vader en moeder in het zomerhuisje zitten, wachtend op hem en zijn verhalen, evenals zijn twee jongere broers en de drie zusjes. Maar wat kan hij vertellen? Dat Bor steeds bruiner en mooier werd en dat híj steeds bruiner en mooier werd en dat hij in zijn kleine zwembroek langs de vloedlijn danste. Of over de nachten dat hij wakker schrok en zich bewust was van de kosmische verlatenheid waardoor zij omringd waren? Moest hij, om de spanning te verhogen, vertellen dat zij tijdens die vakantie op Trevose Head technically voor levenslang in aanmerking kwamen? Toen ik op een zonnige ochtend in onze lievelingsbaai Bor aanhaalde en spontaan zoende, wees hij mij erop dat we officieel de kans liepen levenslang de bak in te gaan. Homoseksualiteit was in Engeland nog steeds illegaal, met buggery technisch strafbaar by imprisonment for life’.

    Arkadia
    Auteur: Sipko Melissen
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Tanners erf

    Meer dan een paar koeien en kippen en een klein stuk land heeft de Zwitserse boer Tanner niet. Hij is een eenvoudige man die zijn bedrijf aan de uitlopers van de Alpen leidt zoals zijn ouders dat al generaties lang deden.
    De novelle begint in het voorjaar. Tanner wil zijn koeien Carmen, Fiona, Bella, Pama, Petra en Vreni de wei in laten. Er is iets met Vreni. Een van haar spenen is hard: ‘ze heeft een hard kwartier’. Hij vult de emmer met de melk uit de drie andere spenen en zet die voor aan de naamloze stier. Die laat hij nooit buiten; hij heeft zijn vader eens een oog uitgestoten. In de volgende scène zit Tanner aan de keukentafel bij zijn vrouw Marie. Hij heeft de stalgeur van zich af gewassen. Kauwend op zijn brood zegt hij tegen zijn vrouw:
    ‘Vreni heeft een hard kwartier.’
    ‘Ach jeetje!’
    ‘Het gaat goed met ‘r.’
    ‘Dan ga ik ‘r zo brood brengen.’
    Tanner knikt, want Vreni is dol op brood. (…)
    Tanner klemt de boterham tussen zijn tanden, scheurt hem af, klokt er een slok koffie achteraan.
    ‘Komt wel goed’, kauwt hij.
    ‘Moet ik Frankhauser bellen?’
    Tanner schudt zijn hoofd (…) Marie blijft een tijdje zwijgend zitten, Tanner slurpt, ze houdt haar hoofd scheef. Wat zou er nu komen?
    Maar er komt niks, ze recht haar nek en breit verder.
    Later ontdekt Tanner twee enorme gaten, bodemloze putten,  in zijn erf. Wat moet hij daarmee aan? Wat hebben ze hem te zeggen? Hij wil graag de juiste keuzes maken, maar maakt de verkeerde.

    Tanners erf
    Auteur: Lukas Maisel
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Strijd om de ziel. Het leven van P.C. Kuiper (1919-2002) in de psychiatrie

    In 1988 werd psychiater Pieter Kuiper in Nederland op slag bekend met zijn onthullende boek Ver heen. Daarin schreef hij onverbloemd over zijn eigen depressie die uitliep op een psychose waarin hij zichzelf dood waande. Het boek werd, mede door een optreden van Kuiper in het boekenprogramma van Adriaan van Dis, ook door menigeen buiten zijn eigen vakgebied met ontroering gelezen en als troost ervaren. Nu is er de biografie van deze man, geschreven door Koen Hilberdink. Wat Kuiper in Ver heen (en bij Van Dis) niet vertelde was dat hij ook homoseksueel was en wat voor strijd hem dat in zijn leven opleverde. Hij schreef zelfs een boek Neurosenleer waarin hij homoseksualiteit als een aandoening beschreef. Het is onder andere dat persoonlijke gevecht van Kuiper dat Hilberdink beschrijft, onder meer aan de hand van diens dagboeken en brieven. Daaruit komt ook naar voren welke rol zijn vrouw Noortje, dochter van de theoloog Heiko Miskotte, en het geloof in dit verhaal hadden. Hilberdink schreef eerder biografiën van de dichters Paul Rodenko en Hans Lodeizen en van uitgever Johan Polak.

    Strijd om de ziel. Het leven van P.C. Kuiper (1919-2002) in de psychiatrie
    Auteur: Koen Hilberdink
    Uitgeverij: Van Oorschot