• Zo wonen ze

    Je hoeft tegenwoordig niet meer naar Nieuwsuur te kijken om te weten wie de shortlist van de Libris Literatuurprijs heeft gehaald. Op enig moment wordt dat ergens officieel bekendgemaakt door de juryvoorzitter. Daar zijn media bij en voordat je het weet, heeft het nieuws ook jou bereikt. Misschien ging dat altijd al zo en was ik me daar niet voldoende van bewust of wilde ik er niet aan dat het langs de deuren van genomineerde schrijvers gaan een milde vorm van nepnieuws is. Hoe dan ook: dit jaar kwam het me vooral goed uit dat ik niet van Nieuwsuur afhankelijk was.

    Hoewel ik op de avond van de bekendmaking van de nominaties met een gerust hart ver voor tienen in een snotterslaap viel, kon ik het een dag later niet laten om toch even te kijken naar Martin Michael Driessen, Murat Isik, Marjolijn van Heemstra, Ilja Leonard Pfeijffer en Arjen van Veelen die (deden alsof ze) voor het eerst kennis namen van het voor hen goede nieuws. Er werd als vanouds aangebeld en op deuren geklopt, er werd opengedaan en schoorvoetend binnengelaten. Dit keer was het Tommy Wieringa die zijn uitgever de honneurs liet waarnemen.
    Van alle genomineerden leek Ilja Leonard Pfeijffer het meest op een echte schrijver. Hij speelde zijn rol met verve en was op minstens zeven manieren ‘wellevend’.

    Dankzij de ‘sfeerreportages’ die Nieuwsuur sinds jaar en dag maakt, ben ik heel wat huiskamers van Nederlandse schrijvers binnen getuimeld. Hoewel schrijvers bijna altijd onmiddellijk weten wat die cameraploeg voor hun deur doet, weten de meesten toch de indruk te wekken overvallen te worden door de situatie.
    Ondanks dat zijn ze kort daarna tot spreken in staat en hebben ze aardige woorden over voor hun concullega’s. Een enkeling slaagt er zelfs in zinnige dingen te zeggen, zoals Alex Boogers die zich twee jaar geleden niet liet verleiden tot een uitspraak over zijn kansen. ‘Ik win als ik meedoe aan een sportwedstrijd en in de literatuur weet ik niet precies wat het is om te winnen.’
    Er is voor televisiemakers geen eer te behalen aan deze items. Heel creatief kunnen ze in de amper zes minuten die er uiteindelijk overblijven niet zijn en dus lijkt in the end elke reportage op die van het vorige jaar.

    Wat zou ik graag schrijven dat het om sterke staaltjes camp gaat. Dat verslaggever van het eerste uur Tonko Dop met zijn wat lullig aandoende filmpjes liet zien dat hij precies begreep wat Susan Sontag bedoelde toen ze schreef dat ‘liefde voor het kunstmatige en de overdrijving’ de essentie van camp is (en er geen weg terug was, toen hij die toon gezet had).
    Maar zo is het niet. Nieuwsuur is geen kwestie van kunst of Kitsch. Nieuwsuur brengt achtergronden bij het nieuws, en met de berichtgeving over de genomineerden voor de Libris Literatuurprijs is van alles mis.  Het gaat niet om de inhoud van de titels op de shortlist en ook de schrijvers zijn van ondergeschikt belang. Het enige dat van hen verwacht wordt is dat zij het spel vol overgave meespelen. En dat doen ze dan maar. Want dat is goed voor het boek.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Gedenkteken in woorden

    Gedenkteken in woorden

    Thomas Blondeau overleed in 2013. De dood van deze jonge, Vlaamse schrijver maakte vooral op sociale media veel los. Vermoedelijk was dit deels toe te schrijven aan zijn uitgebreide contacten binnen de literaire kringen, wellicht meer dan aan zijn in omvang vrij beperkte oeuvre. Arjen van Veelen schrijft over zijn vriendschap met Blondeau, die hij opvoert onder de naam Tomas, in Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken.

    Het boek bestaat uit drie grond elementen die nauw met elkaar verweven zijn. De lijn die zich hoofdzakelijk afspeelt in Nederland ligt het meest in het verleden. Het is een terugblik op de vriendschap tussen Tomas en de ik-persoon wanneer ze twintigers zijn. Dan is er het vertrek van de verteller uit Nederland, na de dood van Tomas, wanneer hij zich met zijn vrouw in Amerika vestigt. Het vertelheden ligt in Alexandrië. De schrijver is daar op zoek naar sporen van Alexander de Grote, over wie hij een ‘geautoriseerde biografie’ wil schrijven.

    Het is duidelijk dat Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken grotendeels autobiografisch van aard is. Arjen van Veelen woonde bijvoorbeeld een tijd in Amerika en schreef daar voor De Correspondent. Ook wat betreft de passages over Thomas Blondeau zal gelden dat Van Veelen geput heeft uit persoonlijke herinneringen. Des te opvallender dat juist dit element van het boek geloofwaardigheid ontbeert. Het voelt aan als een typisch literaire vriendschap, niet zozeer als een vriendschap tussen twee echte mensen. Zo blijft onduidelijk waarom Tomas precies geïnteresseerd is in de ik-persoon. Het praten in citaten en de intellectuele spitsvondigheden helpen niet mee om van hem een karakter van vlees en bloed te maken. De indruk ontstaat dat hij teveel op een voetstuk is geplaatst en dat komt de roman niet ten goede. ‘Met Tomas voelde elk tankstation als Parijs, maar zonder hem voelde alles als vastzitten in de lift met de verkeerde mensen.’

    Van Veelen schrijft het allemaal mooi op, in een licht staccato stijl. De vraag rijst natuurlijk hoe het zit met die obelisken. Ze komen op meerdere momenten in het verhaal voor. Tomas zegt erover dat ze bij leven worden opgericht om iemands daden te vereeuwigen, in tegenstelling tot piramides, die dienen ter bescherming van een lichaam in de hoop op een hiernamaals. De obelisk is zo een metafoor: ‘Zie je hoe de steen steeds smaller wordt, steeds ieler, tot-ie in de hemel verdwijnt, alsof hij een lijn wil worden, een vergeefs streven naar perfectie, een asymptoot die naar onsterfelijkheid reikt, maar toch wordt afgekapt.’ Deze woorden die Tomas uitspreekt, beschrijven tegelijk hemzelf. Vanuit zijn angst om een middelmatig leven te leiden, wijdde hij zich fanatiek aan de literatuur. Hij streefde naar het onmogelijke: het volmaakte gedicht, dat uit één woord zou moeten bestaan. Op 35-jarige leeftijd overleed hij echter. Zijn enige poëziebundel werd postuum gepubliceerd.

    Het aardige is dat aan het einde van de roman ook een beschrijving wordt gegeven van de verplaatsing van een fysieke obelisk uit Alexandrië naar New York eind 19e eeuw. De schrijver, op reis terug van Egypte naar St. Louis, maakt een tussenstop in Manhattan om het monument daar te bezoeken. ‘Een ronkende statusupdate’, concludeert hij. Wat hem meer ontroert zijn de teksten die mensen over hun verloren dierbaren hebben gekerfd op de omgevende bankjes. Hij voegt er zijn eigen woorden aan toe. En dat doet hij nogmaals publiek in de vorm van dit boek, deze requiemroman.

     

     

  • Oogst week 43

    Het litteken van de dood

    ‘Niemand is dichter bij de waarheid gebleven dan ik,’ deelde Jan Wolkers Onno Blom al heel snel nadat Blom de uitdaging aangenomen had zijn biograaf te worden mee: ‘Mijn leven en werk zijn één.’ Nu het werk van de biograaf er na tien jaar op zit, kan Blom niet anders dan concluderen dat Jan Wolkers veel meer dan hij vooraf vermoedde aan de werkelijkheid ontleend heeft.
    Een vraag die na alle aandacht rondom het verschijnen van Het litteken van de dood: de biografie van Jan Wolkers nog niet beantwoord is: vindt Onno Blom dat de wijze waarop Wolkers van zijn leven zijn werk maakte aanleiding geeft om de academische ideeën over feit en fictie te herzien?

    Misschien staat het antwoord in het ruim 1100 pagina’s tellende boek waarop Onno Blom op de tiende sterfdag van Jan Wolkers promoveerde, waarin de jonge doctor eerder beschrijvend dan beschouwend een door driften gedreven kunstenaarsleven reconstrueert.

    Het litteken van de dood
    Auteur: Onno Blom
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    De vos

    Er mag dan vrij prominent ‘roman’ op de cover staan, het eerste deel van De vos van Dubravka Ugresic heeft weinig weg van een verzonnen verhaal. Het is een essay waarin het scheppen dan wel produceren van verhalen centraal staat. Dubravka Ugresic ontleedt niet alleen Verhaal over hoe verhalen ontstaan van Boris Pilnjak – dat zich uitermate goed leent om het te hebben over de scheidslijn tussen beleefd en verzonnen, schrijven in de eerste persoon enkelvoud, het ongenoegen van een persoon die personage werd en rol van lezer en literatuurwetenschapper als ‘afmaker’ van een verhaal – maar vlecht ook zichzelf als onderzoekende lezer in het essay.

    De overige vijf delen ogen minder theoretisch, maar net als De sleutelroman ontsloten en Museum van onvoorwaardelijke overgave is De vos een hybride boek. Een boek waarin Dubravka Ugresic vertelt en beweert en de vos slim en sluw mag zijn en er met de buit vandoor mag gaan. Een roman die bewijst dat ze zelf een vos is: een schrijver die in staat is verschillende ideeën en ervaringen te combineren.

    De vos
    Auteur: Dubravka Ugresic
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken

    Alles van waarde in Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken verwijst naar de werkelijkheid waarin Arjen van Veelen een vriend verloor. Niet zomaar een vriend: Thomas Blondeau voltrok als bijzonder ambtenaar van de burgerlijke stand het huwelijk tussen Arjen van Veelen en Rosanne Hertzberger. Thomas Blondeau was net als Van Veelen schrijver, al beoefenden ze verschillende genres. Blondeau overleed vier jaar geleden, hij was pas 35.

    Van Veelen ‘is’ de jonge schrijver die in Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken afreist naar Alexandrië om er te zoeken naar de tombe van Alexander de Grote, over wie die schrijver voornemens is een biografie te schrijven. Blondeau ‘is’ de schrijver van de boeken die de jonge schrijver zonder dat iemand het ziet achter wil laten in de herbouwde bibliotheek van Alexandrië.
    Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken gaat over verliezen en rouwen in dit specifieke geval. Over de weg kwijt zijn en de draad weer oppakken. En daarmee net zo goed over het leven als over de dood.

    Van Veelen laat zien dat hij een roman aan kan, maar verloochent zijn journalistieke en essayistische stiel niet.

    Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken
    Auteur: Arjen van Veelen
    Uitgeverij: Bezige Bij, De

    Nachtvlucht

    Toen Antoine de Saint-Exupéry in 1931 Nachtvlucht schreef, stond de luchtvaart nog in de kinderschoenen. Het was een hele verantwoordelijkheid om piloten veilig weer aan de grond te krijgen, maar de belangen waren ook toen al groot. Vandaar dat postvlieger Fabien ondanks de invallende duisternis en het slechte weer dat op komst is door Rivière gedwongen wordt op te stijgen en de post uit Patagonië te bezorgen.

    De Saint-Exupéy – die zelf beroepsvlieger was – laat zien wat het enerzijds betekent om het voor het zeggen te hebben en anderzijds hoe dwingend plichtsbesef kan zijn. Hij ontleedt de psyche van de man aan de grond die zich realiseert dat de kans op een behouden vlucht steeds kleiner wordt. Hij was degene die met een nachtvlucht tijd hoopte te winnen en de zo de voordelen van vliegen boven vervoer per trein of boot aan te tonen en daar nu een hoge morele prijs voor moet betalen. Ondertussen doet de piloot er alles aan om de weersomstandigheden, zijn kist en zijn emoties de baas te blijven.

    Nachtvlucht van Antoine de Saint-Exupéry is de vierde klassieker waarvan Uitgeverij Bint vindt dat hij niet van de radar mag verdwijnen. De uitgever herzag de vertaling, waardoor deze  realistische en nog steeds actuele De Saint-Exupéry weer jaren mee kan.

    Nachtvlucht
    Auteur: Antoine de Saint-Exupery
    Uitgeverij: Uitgeverij Bint
  • Onschuldige ongerijmdheden van het moderne leven

    Onschuldige ongerijmdheden van het moderne leven

    We leven in een ironische tijd en we weten het. In de bundel En hier een plaatje van een kat & andere ongerijmdheden van het moderne leven temperatuurt Arjen van Veelen, redacteur, essayist en columnist van NRC Next en NRC Handelsblad, en auteur van het debuut Over Rusteloosheid, onze bijkans aan ironie bezwijkende tijdgeest. Hij zoekt naar rare gewoontes van deze tijd en van hemzelf. Besmet met de ziekte waarover hij schrijft, laat hij zich leiden door de alleszins gezonde vraag: ‘waarom doe ik dit eigenlijk?’

    Niets menselijks en eigentijds is Van Veelen vreemd. In de verantwoording van deze bundeling van veelal eerder gepubliceerde, maar niet zelden daarna herschreven artikelen, refereert hij aan het boek Mythologies (1957), waarin de Franse literatuurcriticus, filosoof Roland Barthes aan de hand van uiteenlopende beelden en alledaagse onderwerpen uit de eigentijdse populaire cultuur de slinkse trucs van de bourgeoisie ontmaskerde. Barthes liet zien dat onder de populaire cultuuruitingen verborgen betekenissen schuilgingen die ons als natuurlijk en vanzelfsprekend worden voorgeschoteld, maar die in werkelijkheid op geraffineerde wijze naar burgerlijke leest zijn gevormd. Zo kreeg bijvoorbeeld destijds de Citroën DS in een uitgekiende advertentie een weloverwogen goddelijke connotatie mee binnen een huiselijke context. Barthes morrelde met verve aan de zogenaamde natuurlijke vanzelfsprekendheid van het ons zo vertrouwd gemaakte beeldenarsenaal, en toonde aan dat daarachter een heel patroon van geruststellende, kleinburgerlijke waarden schuil ging.

    Waren Barthes’ essays niet helemaal vrij van neo-marxistische opzet, Arjen van Veelen voert in zijn boek een onpartijdigere ontmaskering van de tijdgeest op. In een persoonlijke en zeer leesbare stijl loodst hij zijn lezer door onze listig door reclamejongens opgetuigde werkelijkheid. Bij vlagen doet hij dat zeer geestig en gevat. Diverse gadgets en trends passeren de revue. Het boek en het vuur begint zo: ‘Het feestje is bij ons thuis in de achtertuin. ’t Is rond middernacht. Er zijn enkele tientallen genodigden. In de tuin brandt hout in een vuurkorf. Er is drank te over. Het lijkt wel een studentenfeestje, alleen de happen zijn beter, want we zijn rijker dan toen.’

    Voor wie wil mag in die vuurkorf iets van zichzelf ritueel verbranden. En dan blijkt dat men met het grootste gemak van alles aan de vuurkorf toevertrouwt, nou ja bijna alles…behalve boeken! Boeken beschikken in het digitale tijdperk blijkbaar nog steeds over een ‘ziel’. ‘Weinig mensen hebben moeite met het deleten van een tekstbestand of het weggooien van een krant. Maar een boek in het vuur? Dat voelt gek.’ Na enige uitleg volgt de bijna dooddoener: ‘Juist in een wereld die digitaliseert groeit de hang naar het fysieke’. Maar daarmee neemt de schrijver gelukkig geen genoegen. Hij verduidelijkt dat de mens van zijn computerscherm, dat allerlei zintuigen ‘miskent’, wegvlucht. ‘Waarom in vredesnaam je zintuigen tekort doen en dat vooruitgang noemen? Het is net als met ledlicht: prima als fietsverlichting, maar in je tuin liever een vuurkorf.’ Het papieren boek heeft heden ten dage afgedaan als drager van de waarheid, die immers sneller gediend is in digitale vorm. De functie van het papieren boek is daarmee een andere geworden: het biedt tegenwicht tegen de schermwereld: ‘het boek is nu antidotum tegen werkelijkheidswee.’

    Dit zogeheten werkelijkheidswee, dat een tegenreactie tegen de virtuele wereld ontketent, loopt als een rode draad door zijn essays. De schrijver toont keer op keer aan hoe het komt dat we terugverlangen naar de vermeende echtheid en authenticiteit van voorbije tijden. Hoe 2.0 en 3D alles ook moge zijn, het beeldscherm wordt door velen nog steeds als scheidslijn tussen ons en de  werkelijkheid ervaren.

    Arjen van Veelen kan scherp zijn: ‘Reclame, dacht ik altijd, wijst je op oplossingen voor problemen die je niet had.’ Soms balanceren zijn oneliners gevaarlijk op het randje van de open deur: ‘Ons grootste probleem is dat we geen grote problemen kennen.’ Maar je vergeeft het deze winnaar van de Jan Hanlo Essayprijs uit 2009 graag wanneer hij elders op z’n geestigst voor de dag komt met zijn stuk over de vouwfiets. ‘De vouwfiets is handig, zeggen liefhebbers – het is hun enige argument. De vouwfietser behoort tot het type mensen dat zich niet bekommert om esthetica en lak heeft aan prestige. Het is de antipode van de Harley-rijder. Laat de mensen toch lachen, als wij maar efficiënt van a naar b kunnen trappelen. Het is de esthetica van de afritsbroek.’

    Net als men de voorkeuren van deze schrijver wel zo’n beetje denkt te kennen, belandt men van de afwijzing van het ene fenomeen in de omhelzing van het andere. Zo kan opeens een lans gebroken worden voor het ‘bliepje’, het door de meesten als irritant ervaren geluid dat alle moderne apparaten in een digitaal soort Esperanto wereldwijd probleemloos kunnen afscheiden. Van Veelen ontwaart er echter een ‘symbool [in] voor de liefdevolle verstrengeling van mens en ding.’ Hij schiet wat door in zijn liefdesverklaring aan de bliep wanneer hij schrijft: ‘De bliep is dus je beste vriend – probeer het woord bliep maar eens uit te spreken met een boze stem.’

    Witte muren en dingen die je niet snapt is een pleidooi voor het soort musea waarin alles nu eens niet in hapklare brokjes voor de bezoeker is versneden. ‘Een museum moet niet vriendelijk zijn.’ Sterker, de bezoeker moet zich er zelfs nietig kunnen voelen tegenover de, het liefst met minuscule naambordjes gepresenteerde kunst, die daardoor des te meer weet te overweldigen. ‘De witte muren en de leegte van de zalen werken net zo op je geest als witregels in de poëzie. De lege bladspiegel geeft extra lading aan die paar woorden die er wel staan.’

    Het laatste stuk is getooid met de boektitel en is mede vanwege de erin opgenomen kattenplaatjes het langst. Maar ook op een ander punt onderscheidt het zich. Voorheen kon de lezer nog menen dat Van Veelen louter gedreven werd door journalistieke nieuwsgierigheid en zelfonderzoek. Maar waar de auteur zich in dit laatste stuk erover verbaast dat miljoenen mensen naar domme en toch weer schattige kattenfoto’s en –filmpjes op het internet kijken, constateert hij opeens, bij wijze van moralistische oprisping, dat ‘het wilde web tam’ is geworden. De moralistische tendens verraadt zich helemaal bij de aanblik van een ‘in zichzelf gekeerde mensheid, die unaniem is gestopt met denken, met scheppen (…) Daarom besloot ik het virus te onderzoeken, om, als dat nog nodig was, de mensheid op tijd van een vaccin te voorzien.’ Voor die passiviteit wacht Van Veelen. ‘Liever jaag ik eenzaam de waarheid na dan mij zomaar over te geven aan loos gemiauw.’ Ach, een beetje moralisme kan dit boek over tamelijk onschuldige ongerijmdheden van het moderne leven wel verdragen.