• Julien Ignacio wint met ‘funky’ Goudjakhals de J.M.A. Biesheuvelprijs 2025

    Julien Ignacio wint met ‘funky’ Goudjakhals de J.M.A. Biesheuvelprijs 2025

    Op donderdag 20 februari werd in SPUI2 te Amsterdam voor de negende maal de J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt. Een tweejaarlijkse literaire prijs voor de beste Nederlandstalige korteverhalenbundel. De prijs is vernoemd naar J.M.A. Biesheuvel (1939-2020), een van de grootmeesters van het genre. Het bedrag voor de prijs wordt geheel door middel van crowdfunding bijeengebracht, uniek voor een literaire prijs. Dit jaar werd een bedrag van € 6049,45 bij elkaar gebracht. Het bedrag was hoger dan voorgaande jaren, wat een zeker verheugen over de populariteit van het korte verhaal teweeg bracht.

    De jury was overweldigd door het grote aantal kwalitatief sterke verhalenbundels dat zij onder ogen kreeg. ‘Zozeer dat we bijna wel twee shortlisten hadden kunnen samenstellen van bundels die de prijs die we te vergeven hebben in principe verdienen’.

    Over het winnende boek, Goudjakhals zegt de jury: ‘Een boek dat je binnenleidt in even vertrouwde als ongekende levens, die zich in je vastzetten als weerhaakjes, die je verleiden tot een grotere betrokkenheid met de wereld. Een boek dat moeiteloos andere perspectieven, andere plekken, andere tijden oproept, en daarmee tegelijk diep snijdt in de onze, in de ziel van het Nederland zoals we dat vandaag meemaken. Een vernieuwend boek bovendien, dat de grenzen van het genre opzoekt.’

    De jury noemt het boek ‘een overval’. ‘Wie de eerste pagina’s in Julien Ignacio’s tweede boek Goudjakhals leest, verbaast zich over de ongewone verteller – een algoritme, een programmaatje, een GPS-signaal? – die vertelt over een vernederde, strijdbare vluchteling in een kamp, een open detentiecentrum op een voormalige militaire basis. Dat alleen al is een indringend, urgent verhaal.’

    En: ‘Julien Ignacio bedient zich in het funky Goudjakhals van vele registers, allemaal even overtuigend, en ontvouwt in afzonderlijke verhalen een Groot Idee over ontworteling, vrijheid, uitbuiting en verzet dat niet alleen op talloze wijzen actueel is, maar zindert van de levenslust en creativiteit.’ Het gehele juryrapport is te vinden op jmabiesheuvelprijs.nl.

    De organisatie van de prijs is in handen van Arjen Fortuin, Vera van Geldern, Sven Schlijper-Karssenberg, Pieter van Scherpenberg en Edith Vroon. De feestelijke prijsuitreiking werd georganiseerd door de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. Die maakte ook vier podcasts met verhalen van de genomineerde auteurs: slaacast/luister-biesheuvelprijs-2025.

    De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs 2025 bestond uit Joost Baars, Yra van Dijk, Janita Monna en Daan Stoffelsen. Zij toonden zich bij de uitreiking zeer tevreden over het niveau van de veertig inzendingen:

    Eerdere winnaars waren onder anderen Rob van Essen, Maarten ’t Hart en Mensje van Keulen en Hedda Martens.

     

     

    Lees ook: Recensie Goudjakhals
    En ook nog: Interview Julien Ignacio

  • Het juiste moment

    Het juiste moment

    Het eerste wat ik dacht toen bekend werd dat Arjen Fortuin zijn functie als literair recensent bij NRC neerlegde, was: wat knap van hem. Daarna dacht ik aan die keer dat iemand me vertelde over het lezen van de Slush Pile voor een grote uitgeverij. Mijn gesprekspartner bekende al het vertrouwen in de literatuur kwijt te raken – nee, niet alleen het vertrouwen, maar ook het plezier. De stapel werd in zijn ogen steeds groter, er kwam geen eind aan, het was alsmaar zoeken naar waarom ook dit manuscript weer net niet goed genoeg was. Hij werd er cynisch van.

    Cynisme is een stopteken, lijkt me. En dus stopte deze lezer met lezen. ‘Vrijwilligerswerk doe je voor jezelf,’ zei de dame van de intake. Dat is me altijd bijgebleven – zoals de meeste dingen die echt waar zijn je bijblijven. Vervolgens deelde ze me in op de Intensive Care, waar ik de rol van gastvrouw zou vervullen: ik had geen enkele medische kennis, ik wist alleen de weg naar de juiste units en de goede koffieautomaten.
    Ik was daar niet de enige, het ziekenhuis kende een heleboel vrijwilligers. Er waren er die zoveel mogelijk diensten draaiden, waar dan ook, geen afdeling was hen te gek. IC? Prima. Kinder-IC? Draai ik mijn hand niet voor om. Kinder-Oncologie? Geen enkel probleem. Ik werd maar nerveus van die types, hoe graag ik ook wilde geloven dat de mens liefst goed doet. Als je met het grootste gemak rondloopt op kinderoncologie, leek me dat niet gezond. Als je het aankunt, prima, maar als het je niets doet moet je wegwezen. Waarschijnlijk gaan filantropie en voyeurisme onvermijdelijk hand in hand. Is dat cynisch?

    Misschien is het moeilijk (ik moest gelijk aan Lord of the rings denken) om de beker van je lippen te trekken zodra je hebt geproefd van de macht, de invloed van je schijnbaar onmisbare betrokkenheid. Als recensent bij een van de grootste kranten van Nederland heb je invloed, als gastvrouw op een dramatische afdeling in het ziekenhuis ben je in staat mensen rustig binnen te laten komen, een uitvaartleider is degene die zorgt dat jij goed afscheid kunt nemen van je dierbare. Misschien is zo’n rol verslavend. Het andere is ook mogelijk: dat dergelijke beroepen en taken afstompen.

    Een leraar die een hekel krijgt aan zijn leerlingen? Vervroegd pensioen! Een kapper die zich ergert aan eenieder die voor een knipbeurt komt? Omscholen. Een mental coach die geen geduld meer kan opbrengen voor de zoekende zielen die zich bij hem of haar melden of een arts met minachting voor zijn patiënten? Help jezelf en vertrek.
    Ik heb begrepen dat er inmiddels uitgeverijen zijn die helemaal niet meer met de Slush Pile werken. Het duurde even, maar de manuscriptlezer leest weer voor eigen plezier. Mijn vader zit in de uitvaart. Wanneer moet hij daarmee stoppen: als het hem te veel wordt, of juist als het hem niets meer doet? Ik denk het laatste. Dat Arjen Fortuin de beker neerzet, getuigt van grote klasse.

     

     

  • Kunst en critici

    Kunst en critici

    Sommige kunstenaars zijn drama-queens. Ik denk aan kunstenaars als Caravaggio, Bernini, Rubens en natuurlijk Rembrandt. Vier grootmeesters van het Grote Verhaal, dat zij steevast met veel bombarie brengen. Een mooi voorbeeld is Rembrandts Mozes en de Tafelen der Wet. De profeet is net van de Sinaï afgedaald en treft het volk feestend bij het gouden kalf aan. Rembrandt schildert echter niets van dat alles, maar beperkt zich tot een teleurgestelde Mozes die op het punt staat uit frustratie de tien geboden aan gruzelementen te gooien. Een dramatisch schilderij. Rembrandt laat Mozes hoog boven zijn toeschouwers uittorenen, met de tien geboden nog hoger in zijn handen. Als aankondiging van dat wat verloren zal gaan.
    mozes_tafelen2_grtOok literair recensenten is dramatiek niet vreemd. Ze schuwen vaak het Grote Woord niet als ze de lezers hun literaire voorproeverij opdienen. Terecht, want zoals ik eerder op deze website schreef, ‘kunstkritiek is een serieuze zaak’. Arjen Fortuin was zo’n theatrale criticus. Hij schuwde het grote woord niet en schreef zelfs de Tien geboden voor de criticus, waarin hij de tafelen der literatuurkritiek samenvat. Gewoon, omdat je moet schrijven wat belangrijk is, wat goed en literatuur met een hoofdletter L is, en wat niet.

     

    Nu schrijf ik hier geen necrologie over Fortuin. Die is immers nog steeds onder ons. Maar toch spreek ik in de verleden tijd over hem omdat hij afgelopen week als criticus afscheid nam, met een afscheidsstuk waarin hij zich in de positieve zin des woord een ware drama-queen toont: “Als ik me alle verkochte exemplaren van Vijftig tinten grijs persoonlijk had aangetrokken, had ik jaren geleden mijn boekenkast al geruild voor een kist absint.” Fortuins stuk staat vol met dit soort pareltjes en leest als een literaire geloofsbelijdenis. Als een soort van Tien geboden voor de criticus van Arjen Fortuin 2.0. In die hoedanigheid verdient het uitgebreide citatie, zoals ook Rembrandt steeds wordt nagetekend.

    1. ‘De rol van literatuur in de bestsellerlijsten is marginaal, in de bombarie waarmee de grote titels worden aangekondigd is de recensie slechts een voetnoot.’
    2. ‘Soms weet je na twintig pagina’s zuchtend dat je er nog driehonderd door te worstelen hebt, de andere keer ontdek je hoe terecht langverwacht een boek is.’
    3. ‘Globaal genomen zijn er twee groepen schrijvers. De auteurs die me interesseren … en de schrijvers die me niet interesseren, … die kunnen beter door anderen worden besproken.’
    4. ‘In de literaire kritiek gaat het woord boven het getal – en alleen dat al is nog minstens veertig jaar het verdedigen waard.’
    5. ‘Critici moeten niet uitzoomen maar inzoomen.’
    6. ‘Elk onvergetelijk boek is op zijn eigen wijze onvergetelijk.’
    7. ‘De ruimte in de krant is beperkt, en de ruimte in het hoofd van de lezer trouwens ook.’
    8. ‘Een criticus moet soms een reclameman durven zijn: léés dat boek.’
    9. ‘Soms oordeelt een recensent ook zonder woorden, gewoon door te lezen tot het boek breekt.’
    10. ‘Een mens moet nooit zwijgen omdat niemand luistert. Je moet hooguit zwijgen als je niet genoeg meer te zeggen hebt.’

     

    Lees ook een eerdere column van Martin Lok hierover: Serieuze aangelegenheid

     

     

  • Worteltaart en boekhandels

    Worteltaart en boekhandels

    Er was nogal wat over Boekhandels en Literatuur deze week. Daar waar de weerstand zit, is iets te onderzoeken. Veel mensen laten bij de minste weerstand hun rug zien (of slaan het boek dicht) en laten het afweten. Aan deze mensen is literatuur (wat wel eens de grondgedachte van de verkopers bij Boekhandel Athenaeum aan het Spui geweest zou kunnen zijn) niet besteed. Want je geeft ook niet graag een met zorg gemaakte pracht van een bonbon in handen van een visboer (waarom eigenlijk niet?). Wat goed is, moet met kennis van zaken en inzicht behandeld worden. Nou ja, zoiets. Want schrijven is een zaak van ambities hebben en een lezer zou ook wel ambities mogen tonen betreffende het leesaanbod. Ambities om kennis te nemen van geschiedenissen en inzichten die niet de jouwe zijn maar wel een deur openen waar je anders nooit achter gekeken zou hebben (hm, niet te mindfulnessachtig?).

    Een Boekhandel binnenlopen kan dus een precaire zaak zijn. Er is de barrière van de boekhandelaar zelf te nemen. Of hij weet heel veel en overrompelt je daarmee, (‘Waarom komt u hier als u dat niet eens weet.’), dan ben je zo weg. Of hij heeft geen zin dat er aan zijn boeken gesnuffeld wordt, (doet u dat thuis maar) of hij heeft zijn dag niet omdat hij niks verkoopt, waarbij het hem niks kan schelen dat dit deels veroorzaakt wordt door eerder genoemde dingen. Joris van Casperen schreef er het prachtige en vermakelijke boek Is u bekend met het alfabet? Verhalen uit de boekhandel over.
    Ik begreep opeens de schroom die me wel eens overviel als ik bij de Boekhandel aan het Spui ‘zomaar’ even binnenliep wanneer ik in de buurt was. Alleen een literair tijdschrift of het soort boeken als van Voskuil en Vogels kocht ik daar (misschien voelde ik me wel gedwongen die te kopen door de uitstraling van het personeel bedenk ik me opeens!). Ha, ze gaven je dan wel weer het gevoel alsof je ergens bij hoorde. Waarover Arjen Fortuin deze week in zijn column schreef dat er tegenwoordig niemand meer lid van wil zijn: van de Literatuurclub. 

    Het beste is dan ook deze ogenschijnlijk ondoordringbare vestingen die Boekhandels kunnen zijn, te nemen in de ochtend. Vlak na openingstijd. Dan is de boekhandelaar op zijn kwetsbaarst en hoor je nog wel eens wat. Over een onverkoopbaar boek, of over die ene lastige klant. In de boekhandel in het oosten van het land, waar ik laatst zo onopvallend mogelijk met de handen op de rug langs de boekenkasten (met een werkelijk prachtige verzameling literatuur en poëzie) schoof, was er sprake van een klant die steeds naar hetzelfde boek vroeg maar het niet wilde bestellen.

    Een piepjonge verkoper, die ik daar nog niet eerder had gezien, zei: “Net als in die mop van dat konijn dat bij de bakker komt en steeds vraagt: ‘Hebt u ook worteltaart?’ Waarop de bakker: ‘Nee.’ zegt. Die bakker denkt op een gegeven moment: ‘Ik zal je hebben’, en bakt een worteltaart. Als het konijn weer komt zegt de bakker: ‘Ja, die heb ik.’ Waarop het konijn zegt: ‘Vies hè.’ en wegloopt.”
    ‘Ah, zei de boekhandelaar gevat, dan zullen we maar geen worteltaart voor onze lastige klant bakken.’
    ‘Haha, neenee,’ werd er besmuikt gelachen en ik verschool me bukkend achter een boek van (Hee, kijk nou
    . Is dit niet Judas van  de zus van Holleerder?) en bladerde er nieuwsgierig doorheen.

     

     

  • Mens

    Mens

    De biografie over uitgever Geert van Oorschot gaat voortvarend van start. Het levensverhaal begint met een vlucht, zomer 1926: God, wat wilde Geert van Oorschot graag weg uit Vlissingen. De inkt van zijn HBS-diploma was nog niet droog of hij pakte zijn fiets. Hij gunde zich pas rust toen hij vijftig kilometer van huis was. Ruim zeshonderd pagina’s verder zijn we in 1987.
    Van Oorschot heeft dan bijna tachtig jaar geleefd en is op, na een woest en soms losbandig leven. Een bestaan dat kan worden getypeerd door een uitspraak van de doorgaans zwijgzame dichter Jan van Nijlen, de onbetwiste favoriet van de uitgever: Het leven is moeilijk. Een essentieel zinnetje, vond Van Oorschot.

    Straatvechter
    Een groot deel van de moeilijkheden die Van Oorschot op zijn weg vond, werd door hemzelf veroorzaakt. De biograaf, Arjen Fortuin, laat er geen misverstand over bestaan, volgens hem was de uitgever een straatvechter die als het moest en ook als het niet moest, met iedereen ruzie maakte. Hij liet zich in laatdunkende termen uit over schrijvers in het algemeen (dom en ijdel), die van zijn eigen fonds niet uitgezonderd. Een bekend patroon was: eerst werden ze ingehaald en vertroeteld, gevleid en in de lucht gestoken, daarna de grond in geboord. Vaak om futiliteiten of misverstanden, vaak om niets. Van Oorschot eiste totale devotie en als dat niet lukte, dan maar vijandschap. Die overigens vaak even gemakkelijk na verloop van tijd weer in warme vriendschap kon veranderen. Het was thuis niet veel anders. Door zijn overmatig drankgebruik en agressiviteit was zijn vrouw in bepaalde perioden af en toe bang met hem alleen te zijn. Buitenstaanders wisten van niets, hij kon buitengewoon charmant en gastvrij zijn en tot op gevorderde leeftijd was hij een geduchte womanizer. 

    Uitgever
    Fortuin heeft een bewonderenswaardige hoeveelheid materiaal opgedoken. In de biografie passeert aan de hand van Van Oorschots leven een groot deel van de naoorlogse literaire geschiedenis in Nederland: niet alleen de schrijvers die bij de uitgeverij publiceerden of meewerkten aan Van Oorschots tijdschrift Tirade, maar ook de schrijvers die hij graag in zijn fonds had willen hebben, maar bij wie hij achter het net viste: Mulisch, Claus, Van der Heijden, of die hem na heftige conflicten–meestal over geld–de rug toekeerden, zoals Hermans en Reve. Daar blijft het niet bij, want ook de politieke verhoudingen in Nederland komen uitvoerig ter sprake. Van Oorschot was een strijdbare socialist, afkomstig uit kringen van geheelonthouders en would be-revolutionairen en is nauw betrokken gebleven bij de politiek, ook al werd hij ‘rechtser’ naarmate hij ouder werd. Hij was een groot bewonderaar van de politieke theoreticus Jacques de Kadt en persoonlijke vriend van Joop den Uyl. Tenslotte: ook Van Oorschot als dichter en romanschrijver (pseudoniem R. J. Peskens) passeert de revue, terwijl eveneens het uitgeverijbedrijf in engere zin belicht wordt: de betrekkingen met het personeel, de relaties met de drukkers, de woelige verhouding tussen Van Oorschot en zijn succesvolle boekontwerper Helmut Salden.

    Mens
    Het is geen sinecure om je weg te vinden door al die bergen informatie, anekdotes, gesprekken, briefwisselingen en literaire teksten en dat is dan ook niet altijd gelukt. Als de auteur er beter in was geslaagd hoofd- en bijzaken te scheiden, zou het boek vele tientallen pagina’s dunner en leesbaarder zijn geweest. Geert van Oorschot, uitgever, luidt de titel, maar Geert van Oorschot, mens zou ook niet hebben misstaan. Over het persoonlijke leven is intiemere, sprekender kennis bijeengebracht dan over het uitgeversbestaan, dat vooral van de buitenkant wordt belicht. Veruit het ontroerendste deel gaat over de zelfmoord van Guido, een van Van Oorschots zoons, en Fortuin laat zien hoe diep die gebeurtenis heeft ingegrepen in zowel het gemoed van de vader als dat van de andere familieleden; ook de overige zoons raakten vervreemd van hun vader. Een succesvol leven is niet noodzakelijkerwijs een gelukkig leven, zegt de biograaf, zeker is dat Geert van Oorschot hartstochtelijk ongeluk heeft gekend. 

    Biografie
    De biografie is globaal chronologisch opgezet, maar trekt daarbinnen vele dwarsverbanden die soms moeilijk te volgen zijn. Het hoofdstuk Dingen afmaken is een verzameling van ogenschijnlijk losse eindjes: de verhouding met Carola Kloos, de angst voor longkanker, de waardering voor Annie M.G. Schmidt, de brieven van Du Perron, het verzameld werk van Dèr Mouw. Meer hoofdstukken hebben zo’n karakter, alsof afzonderlijke schetsen en aantekeningen achteraf maar zo’n beetje bij elkaar zijn gezet. Het uitgeverskantoor was een onbeschrijflijke zwijnenstal waarin niemand zijn weg kon vinden en het wekt geen verbazing dat de uitgaven af en toe monumenten van slordigheid waren. Aan de inhoud was nog minder zorg besteed dan aan het uiterlijk, zegt de biograaf over een gedichtenbundel van Hans Lodeizen–in de bundel stonden maar liefst tien dubbel afgedrukte gedichten. De typische verdediging van de uitgever: niets aan de hand. Van belang, zou je zeggen, bij de beoordeling van Van Oorschot als uitgever, maar zoals gezegd staat zulke informatie schijnbaar willekeurig door het hele boek verspreid.

    Hier en daar komt de biograaf met bedrijfsresultaten aanzetten die tot achter de komma nauwkeurig lijken, maar een lezer zou zich kunnen afvragen hoe betrouwbaar zulke informatie is tegen de achtergrond van die chaos op de uitgeverij. In meer opzichten lijken de beweringen van Fortuin niet altijd goed gecontroleerd. Eén voorbeeld: de ‘affaire’ Joop en Liesbeth den Uyl. De jonge Liesbeth werd door Van Oorschot aangenomen als redactioneel medewerkster en hij begon een verhouding met haar die zijn huwelijk zou bedreigen. Hij kon Liesbeth vervolgens tot zijn opluchting slijten aan Joop den Uyl. Beide mannen kregen ruzie toen Den Uyl ontdekte dat Liesbeth eerst ‘met Geert’ was geweest. Onwaarschijnlijk verhaal. Hoe komt zo’n anekdote tot stand? De biografie is als wetenschappelijke dissertatie verdedigd aan de Universiteit van Amsterdam, maar de auteur is met de wetenschappelijke regels nogal nonchalant omgesprongen. Het genoemde voorbeeld staat niet op zichzelf. Het zal te maken hebben met het onderwerp: een succesvolle schrijver en uitgever in het hart van het Amsterdamse roddelcircuit.

    Dat de biograaf emotioneel betrokken is geraakt bij zijn onderwerp is overigens onvermijdelijk, en dat heeft hem waarschijnlijk dicht bij de kern van zijn onderwerp gebracht. Je wilt van zo iemand nu eenmaal alles weten! Maar zijn oordeel over Van Oorschot lijkt af en toe uit de lucht gegrepen en al te zeer voor insiders bedoeld. Dat doet af aan de plausibiliteit van het betoog. Dat hij de uitgever talloze keren typeert als theatraal, zonder uitleg over wat hij daar nu eigenlijk onder verstaat, is krachteloos, maar hij betitelt hem tussen neus en lippen door ook als berekenend, leugenachtig, opportunistisch, gierig, dictatoriaal, drammerig, onoprecht, onhelder. Zonder duidelijke argumentatie lijkt dat niet op wetenschapsbeoefening, maar eerder op schelden, en dat kan toch niet de bedoeling zijn.

     

     

  • Feestje

    Afgelopen vrijdagavond stond ik in de rij voor de kassa bij de Hema op het centraal station Amsterdam. Ik kocht er een klein rood parapluutje want er werd regen en storm verwacht en dankte in gedachten Annie M.G. Schmidt en Fiep Westendorp voor de verhalen en tekeningen van de onvergetelijke Jip en Janneke die dit rode parapluutje hadden mogelijk gemaakt. Waarna ik via de Prins Hendrikkade en het Singel naar de Keizersgracht liep. In de Rode Hoed werd de biografie van Geert van Oorschot gepresenteerd en het zeventig jarig bestaan van de uitgeverij gevierd. De schrijver van de biografie, Arjen Fortuin – wiens naam overigens een dag later, halverwege een recensie van Aleid Truien, als een woord morph was overgegaan in Fontein. Wanneer een naam verkeerd geschreven staat, verdwijnt het referentiekader en ontstaat er een geheel nieuw personage waardoor je als lezer verward raakt. Telkens wanneer in de betreffende recensie de naam ‘Fontein’ opdook, keek ik snel naar de titelgegevens in de linkerkantlijn van het stuk om me ervan te vergewissen dat het wel degelijk om de Van Oorschot biografie van Fortuin ging. Ik denk dat iemand op de boekenredactie er ontzettend veel plezier aan heeft gehad het zo te laten.

    Op het feestje van Van Oorschot waren veel schrijvers en publicisten. Zo zag ik Joop Goudsblom, Elma Drayer, Stephan Enter en Willem Jan Otten met zijn vrouw Vonne van der Meer. Naast me zat een schrijfster die steeds langdurig op haar mobiel keek en luid rollend lachte, ook als er niets te lachen viel. Voor me zat een man die steeds onrustig en met licht uitpuilende ogen achterom of voorlangs zijn buurvrouw de rij afkeek, als zocht hij iemand. Tussentijds stak hij wel eens een vinger in zijn neus of lachte kort en hard met de lachers mee.

    Ken je de boeken van de schrijver dan ken je de schrijver en kent de schrijver jou. Haha, dat zou me wat moois zijn. Dus ik liet Eva, de vrouw van Maarten Biesheuvel die zelf thuis was gebleven, voorbij gaan zonder haar aan te klampen met de vraag hoe het met haar man ging. En dat ik zijn advies (wat hij me ooit in een droom gaf waarbij ook zij aanwezig was) had opgevolgd. En toen het afgelopen was en ik de zaal wilde verlaten, keek ik recht in de ogen van Minke Douwesz, die ik om haar schrijverschap bewonder. Ik wilde zeggen: ‘Hallo, hoe gaat het en wanneer verschijnt je nieuwe boek?’ En dat ik haar vorige boeken Strikt en Weg meerdere keren heb gelezen. Dat ik denk er zelfs weer aan toe te zijn ze opnieuw te gaan lezen. Dat het niet erg is dat er geen nieuw boek komt, dat wat ze geschreven heeft al zo mooi en veel is dat ik er in ieder geval mijn hele leven mee toe kan.

    Maar ja, ik zweeg en schuifelde de zaal uit naar de garderobe en toen naar buiten. Jip en Janneke pluutje onder mijn arm geklemd zette ik er de pas in om mijn trein te halen.

     

  • Geert van Oorschot biografie

    Over de biografie van de illustere uitgever Geert van Oorschot, geschreven door Arjen Fortuin.

  • Oogst week 19

    door Carolien Lohmeijer

    Heeft het vertrek van Wouter van Oorschot bij zijn uitgeverij G.A. van Oorschot een direct verband met het verschijnen van Verborgen boeken dat eind vorige maand bij Querido verscheen? Daar lijkt het wel op. Verborgen boeken kon geschreven worden omdat bij uitgeverij G.A. van Oorschot persoonlijke documenten van Querido’s eigenaar Emanuel Querido werden gevonden. Het kan haast niet anders of Wouter van Oorschot heeft zijn kantoor ‘opgeruimd’ willen overdragen aan zijn opvolgers en toen de documenten gevonden die zijn vader jarenlang bewaard had. Zijn vader, Geert van Oorschot, was door Emanuel Querido als zaakwaarnemer aangesteld vlak voor diens deportatie naar Sobibor. Tot voor kort wist men niet beter of het archief van de uitgeverij was bij de inval van de Duitsers verbrand om de joodse auteurs en medewerkers te beschermen.
    Bijzonder feit is dat uitgeverij Querido dit jaar honderd jaar bestaat; een mooier cadeau kan de uitgeverij zich niet wensen.

    Willem van Toorn beschrijft de geschiedenis van Querido Verlag, waar Duits-joodse schrijvers vanaf de jaren dertig hun werk konden publiceren. Arjen Fortuin belicht de rol van Geert van Oorschot als zaakwaarnemer in oorlogstijd. En Hugo van Doornum schetst de jaren na de bezetting.
    Verborgen boeken. EM. Querido’s Uitgeverij tijdens en na de bezetting, Arjen Fortuin, Hugo van Doornum, Willem van Toorn, Uitgeverij Querido, 140 pagina’s, € 18,99

     

    De Israëlische trilogieSchwob is een initiatief voor de ‘beste onbekende boeken uit de wereldliteratuur’. Op Schwob-avonden gaan auteurs met elkaar in gesprek over hun favoriete vergeten boeken.
    Arnon Grunberg sprak tijdens zo’n avond over Marek Hlasko (1934-1969). Hlasko was een populaire schrijver in post-stalinistisch Polen, die toen hij in 1958 Polen verliet, geen toestemming kreeg om terug te keren. Hij leefde daarna in West-Europa, de VS en Israël. Hij was geen Jood, maar voelde zich zeer betrokken bij de Poolse Joden in Israël, en schreef in dat land een aantal meesterwerken, waaronder De tweede hondenmoord, Bekeerd in Jaffa en Ik zal jullie over Esther vertellen.

    De boeken van Hlasko zijn geen vergeten boeken meer. Bovengenoemde drie romans zijn nu opgenomen in De Israëlische trilogie die bij uitgeverij Athenaeum verschenen is. Zij schetsen een beeld van de mensheid vol zwarte humor. De stijl is direct en filmisch.

    De Israëlische trilogie, Marek Hasko, vertaald door Karol Lesman en Gerard Rasch, Uitgeverij Athenaeum, €19,99

     

    Franz KafkaIn Franz Kafka, schrijver van schuld en schaamte analyseert Saul Friendländer Kafka’s leven en werk. Hij geeft een beeld van de auteur als jonge man die wordt verscheurd door gevoelens van schuld en schaamte. Over dit beknopte biografische essay wordt gezegd dat het het beeld doorbreekt van de verlegen literaire heilige dat werd geschilderd door Kafka’s vriend Max Brod. Aan de hand van brieven en dagboeken schetst Friedländer de afgronden van persoonlijke angst, van seksuele ambiguïteit, van ziekte en van de permanente wanhoop waarin Kafka’s werk wortelde. Hierdoor ontstaat een nieuw beeld van de ‘verknoping tussen persoonlijk lijden en een uniek literair oeuvre’.

    Franz Kafka, schrijver van schuld en schaamte, Saul Friedländer, vertaling Jabik Veenbaas, Uitgeverij Bijleveld, € 19,50