• Gebreken en frustraties van een journalist

    Gebreken en frustraties van een journalist

    In De allemansvriend is de hoofdpersoon een journalist die veel raakvlakken heeft met schrijver Arjan Visser. De journalist schrijft het boek in opdracht van een ander. Dat onthult hij in het laatste hoofdstuk, zoals dat gewoon is bij een whodunnit. ‘Het zou niet de zoveelste biografie van een of andere mediapersoonlijkheid worden, maar een serieus en beslissend boek zijn, een eerherstel, niet alleen voor (…) maar ook voor mij. Ik zou schoon schip maken, mezelf tonen, met al mijn gebreken.’ Volgens het alter ego van Arjan Visser schreef het boek zichzelf: ‘Ik wist alles al, ik had het allemaal gezien, gehoord of meegemaakt. Het moest alleen nog in de juiste vorm gegoten worden.’ En dat werd een boek dat twee hoofdlijnen kent: een fictief verhaal over een broederstrijd en een autofictief verhaal over een journalist.

    De journalist krijgt een aanbod dat hij niet kan weigeren. Of hij de doodgewaande vastgoedman Jack Kaptein wil interviewen. Jack is gepikeerd over een interview in Trouw met zijn broer William. Hij wil zijn eigen visie op de zaken geven in een interview waarover hij zelf de regie wil voeren. Daar heeft hij 75000 euro voor over.  William en Jack Kaptein zijn fictieve personages. Hun vader is in het verleden om het leven gekomen. Ze geven elkaar daarvan de schuld. De broers hebben een gereformeerde opvoeding genoten. Voor William is het gereformeerd zijn de basis van waaruit hij anderen en dus ook zijn broer graag vertelt hoe ze leven moeten. Jack heeft onder de opvoeding van zijn ouders geleden. William en Jack zijn een soort Kaïn en Abel. De oudere William voelt zich als Kaïn door zijn vader miskent. De jongere Jack doet als Abel alles wat God en zijn vader verboden heeft. Beiden blijken anders te zijn dan het beeld dat ze van elkaar schetsen.

    Integere interviewer verkoopt zichzelf

    De journalist gaat met Jack in zee en reist naar Marrakesh waar Jack zich schuilhoudt. Het interview wordt gecomponeerd en geplaatst, hij ontvangt zijn geld en koopt een huisje in Normandië en een nieuwe motorfiets. Enerzijds schaamt hij zich voor het te grabbel gooien van zijn goede naam als integere interviewer. Aan de andere kant zegt hij: ‘Waar is wat werkt’, zich daarmee een kind van deze tijd tonend. In het slothoofdstuk komen we te weten hoe de vork betreffende het overlijden van vader Kaptein precies in de steel zit. Daar wordt ook een en ander onthuld omtrent de familie Kaptein. De journalist besluit het boek te schrijven om een onterecht gestrafte recht te doen. Dat personage komt min of meer als een deus ex machina uit de lucht vallen.

    In de context van dit verhaal komen we alles te weten over de gebreken en frustraties van de journalist. Hij schrijft voor het dagblad Trouw op regelmatige basis een veel gelezen en -besproken interview waarin de Bijbelse Tien Geboden het vaste kader vormen. Die interviews worden gehouden met min of meer bekende Nederlanders. In deze roman relativeert de journalist zijn eigen vak. Volgens hem stelt het vak van interviewer niets voor: ‘Ik was bedreven geraakt in mijn vak doordat ik keer op keer de kans had gekregen mezelf te verbeteren. Op die manier had ik ook een uitstekend fietsenmaker kunnen worden.’ Hij krijgt er af en toe genoeg van de ‘aangever te zijn van dit soort derderangs clowns.’ Het werk is ook steeds minder spannend voor hem: ‘Vroeger was ik nerveus voor het gesprek, de laatste jaren maakte ik me vooral zorgen om de kwaliteit van de geluidsopname.’ De journalist heeft veel moeite om met zijn werk in zijn onderhoud te voorzien en moet soebatten en slijmen om een artikel te mogen schrijven voor glossy tijdschriften. En dan wordt de relatie met zijn vrouw ook steeds saaier, zij raken langzaam van elkaar verwijderd.

    Bekende Nederlanders passeren de revue

    Allerlei bekende Nederlanders die de journalist interviewt of met wie hij als romanschrijver te maken heeft, passeren de revue. Lale Gül en Frènk van der Linden, in wie ‘een zekere ijdelheid’ schuilt, komen langs. Ook uitgeefster Tilly Hermans, de schrijver Marieke Lucas Rijneveld en vele anderen voert hij ten tonele. Zo introduceert hij Marieke Lucas Rijneveld: ‘Na succesvol te zijn gedebuteerd als dichter wilde ze nu haar geluk als romancier beproeven.’ Alsof je een curriculum vitae van haar leest. Je vraagt je af waarom hij juist deze bekende personen in zijn roman opvoert. Hebben ze iets met de plot van het boek te maken? Zijn ze evenals de journalist vroom opgevoed en hebben ze daar ook afstand van genomen?

    Het autofictieve in deze roman komt niet verder dan een caleidoscopisch beeld van personen en gebeurtenissen. Het is niet veel meer dan aapjes kijken. De roman stoot niet door tot een diepere laag in het leven van de journalist, al willen de vele mea culpa’s en de opsomming van minder leuke eigenschappen ons dat wel doen geloven. Meer dan een veredeld RTL Boulevard is het niet. ‘La vie est autre que ce qu’on écrit’ vermeldt Visser als motto, maar hij geeft op geen enkele manier in de roman aan waar dat autre zich dan wel in uit. Visser brengt zaken te berde, maar doet er vervolgens niet veel mee. Wil hij daarmee uitdrukking geven dat de allemansvriend niet in staat is tot enige diepgang?

    Een aardige observatie

    Cabaretier Theo Maassen boort een beetje dieper in de ziel van de journalist. In het gesprek met hem wordt hij confidentieel over de relatieproblemen met zijn vrouw. Theo doet daar wat schamper over en noemt hem een ‘gereformeerde eikel’. Volgens Theo doet de journalist laatdunkend over zijn journalistieke werk omdat hij zichzelf diep van binnen een grote zondaar voelt. Een zondaar die alle mensen die hij interviewt ‘absolutie’ verleent, omdat hij weet dat hij zelf nog een veel grotere zondaar is. Een aardige observatie. De journalist neemt deze echter voor kennisgeving aan getuige zijn reactie: ‘Ha…Ja, misschien.’ Ze gaan vervolgens samen stappen en worden lekker dronken.

    De passages met Maassen laten echter wel zien dat Visser een goed stilist is. Bijvoorbeeld: ‘Theo’s arm kwam als een afgebroken herfsttak op mijn schouder terecht.’ Jammer dat het plot zo eenvoudig is en de autofictie zo oppervlakkig.

     

     

  • Suikerfabrieksterrein

    Suikerfabrieksterrein

    In mijn gedachten is alles mogelijk en slapen in een tot jeugdhostel verbouwde container leek me een mogelijkheid. Het is de werkelijkheid waarover ik meestal struikel. Ik boekte twee overnachtingen voor Mijn lief en mij. Het hostel lag op tien minuten fietsen van het centrum van Groningen en de prijs was zeer billijk. Groningen kent een Puddingfabriek en een Suikerfabriek, de een produceerde pudding, de ander suiker. Zo eenvoudig kan het zijn. Nu bieden ze plaats aan festivals en is er een hostel op het Suikerfabrieksterrein. De openingsavond van het poëziefestival Dichters in de Prinsentuin vond plaats in de Puddingfabriek, het dagprogramma in de Prinsentuin. Waar door loofgangen werd gegaan en door een gat in de heg naar gedreven, timide en volleerde dichters geluisterd, die dingen zeiden als: ‘Met mij is niet te doen’.

    In de container sliepen we met zijn tienen in vijf stapelbedden. Tijdens de nachtelijke uren was er veel in- en uitloop. Een groep Duitse jongeren bleef op tot alle drankflessen die ze hadden meegezeuld leeg waren, strompelden toen hun stapelbedden in. Er werden hoofden gestoten, voeten glipten van bedranden bij de klim naar het bovenbed, er klonk veelvuldig een hartstochtelijk ‘Scheiße’. Waarna het ruften begon, het snurken in alle toonaarden en de lucht zich verdichtte tot een alcoholwalm. Verscholen onder het dekbed in een benedenbed vroeg ik me oprecht af hoe ik in godsnaam hierin verzeild was geraakt. Soms ontbreekt mij het verstand. Ik had iets nodig – geen drank of andere verdovende middelen – om uit deze werkelijkheid te verdwijnen. Er was een nachtlampje en ik had het ultieme boek voor op reis bij me, Het oog van de naald van A.L. Snijders.

    In ‘Wal mijner tanden’, haalt Snijders een stukje aan van J.H. Donner, schaker, schrijver en vriend van Mulisch. Tijdens een zondagmiddagwandeling vraagt zijn dochtertje, Marian: ‘Hoe heten die poppen ook alweer aan touwtjes, die we laatst gezien hebben, papa?’ Voor Donner kon antwoorden, doet het meisje een gok: ‘Majoretten?’ Daar raakte de geest van in verwarring, het correcte antwoord floepte weg. Donner: ‘Haar eenvoudiger woord had het mijne met één klap weggevaagd.’

    Niet wetende dat J.H. Donner een dochter had, kwam ik haar die dag twee keer tegen. ’s Ochtend in de trein naar Groningen las ik in de krant ‘Tien geboden’ van Arjan Visser met schrijfster Marian Donner (1974). Haar ontnuchterende meningen: ‘Verlangen naar zuiverheid is funest, domweg omdat het niet haalbaar is’, bracht een heerlijke verschuiving in de geest teweeg. Evenals: ‘Weet je wat ik doe met herinneringen waarover ik me mogelijk zou kunnen schamen? Daar maak ik gewoon ándere verhalen van. Nee joh, ik heb helemaal niet over iemand heen gekotst die keer, ik was net op tijd bij de wc!’
    ’s Nacht was ze het kind in het zkv van Snijders dat met haar vader wandelde en voor woordverwarring zorgde. Of ik slecht geslapen heb die nacht? Welnee, ik heb me kostelijk vermaakt in Groningen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag, heeft een NS-kortingskaart en schrijft.

     

     

     

  • Een schuldbelijdenis

    Een schuldbelijdenis

    Het leven van Jonah Jacobson is verborgen achter sluiers. Als er een tipje van de eerste sluier wordt opgelicht vertoont zich weer een nieuwe. Achter de laatste worden de koortsdromen en hallucinaties van Jonah zichtbaar, hij zegt zijn gebed Sjema Israel en er komt daarna niemand Kaddish zeggen.

    Jonah vlucht in de Tweede Wereldoorlog voor het oprukkende kwaad van het Nationaal Socialisme. De bedoeling is om via Frankrijk en Portugal uit te wijken naar Engeland, echter door een speling van het lot komt hij terecht in Brazilië. Vijfenzestig jaar later onderneemt Jonah een reis naar Amsterdam, de stad waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht. Hij herinnert zich zijn vader, een sjacheraar, een handelaar in van alles en nog wat. Een lieve zorgzame moeder met wie hij vaak een bioscoop bezocht. Een armoedige bedoening in de Weesperstraat die door zijn moeder werd opgefleurd met ingelijste plaatjes uit tijdschriften. De geur van schimmel en de tocht die door het huis trok en de sjabbat kaarsen deed flakkeren.

    Jonah wordt diamantslijper en hij is in zijn vrije tijd een niet onverdienstelijk bokser hetgeen hem van pas komt wanneer hij samen met zijn vrienden op het Waterlooplein een paar NSB-ers te lijf gaat.  Na het overlijden van Jonah’s vader hertrouwt zijn moeder met Landau, die hem vertrouwd maakt met de Thora. In mei 1942 komt er een oproep van de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung waarop Landau en Jonah’s moeder zich moeten melden op het Centraal Station, om van daaruit te worden vervoerd naar een herstellingsoord. Bij de oproep zijn twee gratis kaartjes gevoegd voor de tram. Een afscheid voor altijd. Het bestaan in Amsterdam wordt steeds moeilijker en een voormalig lid van de boksclub brengt hem in contact met Bobby die voor valse persoonsbewijzen zal zorgen. Er is een groep die joodse mensen naar veilige adressen in de provincie brengt. Bij de brug over de Amstel wacht Linda op Jonah om hem op weg te helpen. Onder andere omstandigheden was er beslist iets moois ontstaan tussen Linda en Jonah. Hij zal haar later ruimschoots belonen voor de door haar bewezen diensten en wanneer hij na al die jaren terugkeert naar Amsterdam, is hij eigenlijk alleen op zoek naar haar.

    In Brazilië bouwt hij een nieuw bestaan op. Met een oude motorfiets met zijspan rijdt hij meer dan vijfhonderd kilometer door het land alvorens hij Nana ontmoet, zij wordt de vrouw van zijn leven. Jonah wordt door zijn vrienden Azulão, blauwe vogel, genoemd en hij heeft zich voorgenomen om naar diamanten te gaan zoeken. Het geluk lacht hem toe en op een dag vindt hij een bijzonder waardevolle diamant. Door een voormalig collega uit Amsterdam wordt de kostbare steen verkocht en de opbrengst wordt overgemaakt aan Catherina Hovenier die Jonah eerder had leren kennen als Linda en aan wie hij  zijn vrijheid te danken heeft. Er is overeen gekomen dat de ontvangster niet te horen zal krijgen wie haar weldoener is. Jaren later bereikt hem een ansichtkaart van Hotel Linda waarin de begunstigde haar pecunia heeft belegd. Na Nana’s dood wordt Jonah verzorgd door Vicky, een meisje dat in ruil voor de huishoudelijke hulp bij hem in komt wonen. Hij vertelt haar verhalen over dat platte landje aan de overkant van de oceaan en zij dringt er op aan dat hij nog een keer zijn vaderland zal bezoeken. Gedurende de lange vliegreis worden de herinneringen uit de put van zijn geheugen omhoog gehesen. Hij ziet de Amstel weer aan zich voorbij stromen en hoort de marktlui op de Albert Cuyp hun waren aanprijzen. In het bijzijn van Sonja, een kleindochter van Linda, spreekt Jonah in het ziekenhuis zijn schuldbelijdenis, Widoei, uit en gaat voor altijd slapen.

    Arjan Visser slaagt er in om levendige beelden op te roepen van zowel het vooroorlogse Amsterdam als van het leven op het platteland in Brazilië. De chronologie is in zijn roman vaak ver te zoeken maar dat is nu juist één van de charmes van het verhaal, het is zonder meer meeslepend. Het is daarnaast ook een aangrijpend boek dat echter nooit sentimenteel wordt.

     

    Hotel Linda

    Auteur: Arjan Visser
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s 232
    Prijs: € 19,95