• Haarfijne analyse van ongelijkheid in de Amerikaanse samenleving

    Haarfijne analyse van ongelijkheid in de Amerikaanse samenleving

    Hoe ziet het leven eruit voor een moslim in het Amerika van vandaag? In Treurzang voor een thuisland probeert de Amerikaanse toneelschrijver met migratieachtegrond Ayad Akhtar daar een antwoord op te geven. Het boek is een gefundeerde en ontroerende aanklacht tegen de Amerikaanse samenleving van vandaag, maar misschien is die wel altijd zo geweest. Akhtar, zoon van Pakistaanse ouders, is net aan zijn proefstuk toe. In 2013 schokte hij weldenkend Amerika met zijn toneelstuk Disgraced waarvoor hij de Pulitzerprijs kreeg. Daarin voert hij Amir op, een moslim die voor zichzelf een normaal  leven tracht op te bouwen in Amerika na 9/11. In Treurzang voor een thuisland trekt de auteur de lijn door en schetst hij een onthutsend beeld van een moslimvijandige wereld die na de verkiezing van Trump in 2016 alleen maar erger is geworden.

    Documentaire roman

    Het boek wordt een roman genoemd, hoewel het eigenlijk een amalgaam is van verschillende verhalen door de jaren heen. Daardoor komt het misschien wat chaotisch over. Maar het is wel een zeer relevant boek met enkele ‘tranches de vie’ uit het leven van de schrijver zelf. Soms is het beschouwend, soms heel kritisch en het komt heel vaak over als documentaire. Toch benadrukt de auteur dat het een roman is. Hij heeft feit en fictie vermengd, geheel in Trump-stijl ‘fake news’ gebruikt om enkele zaken duidelijker te stellen, ongeacht of ze hem nu al dan niet zijn overkomen, maar ongetwijfeld realistische gebeurtenissen in zijn omgeving. 

    Akhtar is de zoon van een gerenommeerd cardioloog die zijn nieuwe thuisland omarmde en de verpersoonlijking was van de ‘American Dream’. Trump behoorde tot zijn patiënten en hij bleef Trump tot het einde steunen. Zijn moeder bleef worstelen met de migratie en verlangde naar het oude leven in Pakistan. In deze spanningsboog trachtte Ayad een leven op te bouwen in dit vreemde land. Het ‘land van de vrijheid’ krijgt in zijn relaas een wrange bijklank. Aanvankelijk ziet hij zwarte sneeuw, moet vechten om te overleven en wordt uitgespuwd door de witte meerderheid. De ontmoeting met miljardair Riaz geeft hem nieuwe inzichten. Riaz leert hem hoe het werkelijk in elkaar zit in Amerika en het beeld dat geschetst wordt is onthutsend. Amerika is christelijk tot in zijn diepste wortels, maar draagt de waarden ervan helemaal niet uit. Als moslim en kind van Pakistaanse ouders hoor je er gewoon niet bij.

    Hij voelde zich buitengesloten

    Na 9/11 ging Akhtar zich ook anders gedragen, hij voelde zich buitengesloten, en dit droeg bij tot de verdere verwijdering tussen hem en zijn thuisland waarin hij zich helemaal niet thuis voelt. De verschillende anekdotes geven een haarfijne analyse van de ongelijkheid in de Amerikaanse samenleving op verschillende vlakken. De pure machteloosheid wanneer hem bij een bloeddonatie na 9/11 wordt nageroepen dat men zijn bloed niet nodig heeft. Ook de uitspraak dat Trumps muur er maar vlug moet komen ‘om die fucking apen zoals jullie buiten te houden’ spreken boekdelen. Het beeld van de hedendaagse Amerikaanse samenleving is helemaal niet zo fraai als wel wordt voorgesteld. Het is een sluimerende vulkaan die op elk ogenblik kan uitbarsten op diverse vlakken van de samenleving: economie, politiek, religie, migratie. Akhtar schrijft dat hij onder invloed van zijn vroegere docent filosofie zijn dromen heeft leren duiden en dat die voorspellende gaven hebben. Wat hij voorspellend beschrijft is akelig correct en actueel, denk aan de bestorming van het Capitool in januari 2021. 

    Twijfels of het goed komt

    Dankzij de inzichten en tips van Riaz slaagt Akhtar erin ook miljonair te worden, maar hij is er niet onverdeeld gelukkig mee. In Amerika is geld ook de motor die alles kapot maakt. Land en bevolking kijken aan tegen een gigantische schuldenberg, een bubbel die maar een prikje nodig heeft om alles te verliezen. Wie vandaag wil overleven in Amerika kan enkel het hele systeem omarmen en zich laten meedrijven met de onaflatende geldstroom en hopen dat alles goedkomt. Akhtar heeft er zijn twijfels over, dat laat hij ook duidelijk doorschemeren in de vele beschouwingen. De stijl is bijwijlen meeslepend, soms poëtisch, dan weer sec en informatief. Hij schrijft in vloeiende volzinnen van wel tien regels lang, om daarna zijn frustratie uit te schreeuwen in korte en gevatte boutades.

    Treurzang voor een thuisland is een belangrijk boek. Akhtar stelt de diagnose van een ziek Amerika en waarschuwt zijn bevolking voor de duistere afgrond waarin het land zich dreigt te storten. Hij doet dit in een aangrijpende, soms verbijsterende mix van anekdotische vertellingen, levensbeschouwingen en eerlijke autobiografische ervaringen van een Amerikaan met een migratieachtergrond die het steeds moelijker heeft met de evolutie in zijn geboorteland, zeker in het Trump-tijdperk.  De ‘American Dream’ is voor vele hardwerkende immigranten een fabeltje en zelfs een ware nachtmerrie geworden.

     

     

  • Legende

    Legende

    Vorige week is onze kat gestorven. Eerst liep hij nog soepel met zijn slanke zwarte kattenlijf naar buiten. Later lag hij in een wat ongelukkige houding bij de achterdeur, sleepte zich naar binnen. Hij leek een zeemeermin, zo sierlijk hief hij kop en bovenlijf omhoog, sleepte zijn fluweel glanzende vissenstaart achter zich aan. Dat hield hij niet lang vol. Twaalf jaar geleden kwam hij als kitten. We noemden hem Maupie, maar hij had net zo goed Koos kunnen heten. Hij was een kat, niet een afhankelijk dier dat zijn eigenheid op het spel zette. Katten zijn soms net mensen. Eerder, toen Maupie nog onverstoorbaar rondliep, drinkend uit druppende kranen, slapend op bed, voor uren ontraceerbaar, las ik Legende van een zelfmoord. Met sommige boeken kan het lang duren voor je ze leest, soms tien jaar. Eenmaal begonnen liet dit verhaal over een zelfmoord me niet meer los. De schrijver droeg het op aan zijn vader, James Edwin Vann 1940-1980. Die zichzelf doodschoot toen hij in afzondering op een eiland in zuidoost-Alaska verbleef. 

    De schrijver zelf was een jongen toen. In het boek gaat de vader met zijn dertienjarige zoon naar een eiland in zuidoost-Alaska om te jagen, te vissen, te overleven. De vader is een wat klunzig type, veel mislukt hem. ‘s Nachts hoort de jongen hem huilen, overdag ziet hij dat hij niet van hem op aan kan, hij suïcidaal is. Daarom ging de jongen ook op zijn aanbod in, om hem te weerhouden van zelfmoord. Tussen de vader en zoon wordt het een kat- en muisspel waaraan de jongen plots een eind maakt door zichzelf door het hoofd te schieten. Een daad van verzet. De vader die het schot hoort terwijl hij met zijn moeilijke zelf zich ver van de hut bevindt, zoekt er geen onraad achter. Als hij later zijn zoon in de deuropening van de hut ziet liggen, begrijpt hij dat er zich iets onherroepelijks gekeerd heeft. Hij wil hem naar het vasteland brengen, denkt aan de moeder van de jongen. 

    Hij stopt zijn zoon in een slaapzak. Met een rubberen bootje varen ze tot de benzine op is, langs de kust van zuidoost-Alaska op zoek naar hulp. Eerst wordt het lichaam stijf, later wordt het weer zacht, loopt er vocht uit, begint het te stinken. De vader praat tegen zijn zoon. Op een ander eiland vindt hij een hut, er is voedsel. Hij sleept zijn zoon daarheen, praat tegen hem, stelt hem gerust. Het ongeloof dat zijn zoon echt dood is, wordt pijnlijk voelbaar als je leest, ‘hij had nog steeds niet bewogen’. Een ingenieus boek, over een zoon die zijn vader het leven geeft. Het speelde nog dagen door mijn hoofd. Hoe de vader met zijn dode zoon sleepte, het verzorgde. Ik dacht eraan toen Maupie, soepel en zacht als fluweel in een mandje lag, voorpootjes ontspannen bij zijn kopje. Die behoefte hem wakker te willen aaien. Eén oortje werd al stijf. Ik dacht aan het weer zacht worden, aan lichaamsvocht. Maupie is nu een plekje in de tuin, een gedachte aan de aanwezigheid van een zwarte kat.

     

    Legende van een zelfmoord / David Vann / vertaling Arjaan van Nimwegen / De Bezige Bij (2010)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest boeken, zoekt verhalen.

  • Oogst week 51 – 2020

    Zuca-magazine, Fernando Pessoa special

    In de laatste Oogst van dit jaar een vers verschenen literair tijdschrift, een debuutroman, en een keuze van twee boeken uit de stapel boeken die de afgelopen maanden zijn binnengekomen.

    De vijfde papieren editie van Zuca-magazine is geheel gewijd aan de Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935). Wat deze editie vooral wil laten zien is dat Pessoa niet alleen dichter was, maar ook was hij journalist, chroniqueur, verhalenschrijver, filosoof, polemist, reclameman, oprichter van tijdschriften, misdaadauteur, uitgever en groot briefschrijver. Veel schreef hij vanuit zijn zogenaamde heteroniemen, zoals de dichter Ricardo Reis. Waarover Yves van Kempen een mooi stuk schreef, ‘De dichter Ricardo Reis en zijn geestelijke vaders’. Waarmee hij natuurlijk Pessoa zelf bedoelt, maar ook Saramago die Ricardo Reis in zijn roman Het jaar van de dood van Ricardo Reis, vanuit Brazilië waarheen Pessoa hem had laten emigreren, laat terugkeren naar Portugal. En beste lezer, wees gewaar dat het hier dus een door Pessoa verzonnen persoonlijkheid betreft, die verder leefde nadat hij zelf overleden was.

    Van Abdelkader Benali een stuk over toen hij als jongeman Het boek der rusteloosheid begon te lezen, de vele streepjes die hij zette, tot pag. 30 van het boek, toen begon het ‘fladderen’ zoals hij schrijft. ‘Het oog werd ekster’ die de aansprekende stukken eruit pikt, ze verzamelt. ‘Snapshots. Dit boek leent zich daar goed voor.’ De korte en langere stukken tekst van Pessoa, die zoals het redactionele stuk vermeldt: ‘Er is een Pessoa voor iedereen!’ Maar het mooie is, dat deze special de verschillende delen van Pessoa naast elkaar laat zien, die soms aan elkaar passen maar nooit helemaal samenvallen met een en dezelfde persoon.

    De vertalingen zijn van de hand van Harrie Lemmens, met een enkel opgenomen stuk in vertaling van August Willemsen.

    In het middenkatern een keuze uit de eerder op de site van Zuca-magazine verschenen citaten van Pessoa die samengaan met een kleurenfoto van Ana Carvalho, die een beeld zo dichtbij haalt dat er een andere werkelijkheid ontstaat.

     

     

    Zuca-magazine, Fernando Pessoa special
    Auteur: Onder redactie van Ana Carvalho, Marylin Suy en Harrie Lemmens
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    De druppel

    Jan van Mersbergen is romanschrijver en een veelschrijver, en dat is positief bedoelt. Dagelijks schrijft hij een verhaal op zijn blog, of een stuk dat leest als een fragment uit een roman, hij is schrijfdocent en schrijft ook nog onder het pseudoniem van Frederik Baas thrillers.

    De druppel is zijn derde thriller en gaat over een burenruzie die nogal uit de hand loopt. Met de nogal obsessieve schrijver van een bestseller over opruimen, rust en regelmaat, Tom: een echte controlefreak. Schrijver Jan van Mersbergen is niet ver weg in deze thriller, hij zit in de schrijfstijl, in fragmenten als, ‘Als je een vaste baan hebt en iedere dag naar kantoor gaat dan weet je altijd hoe laat het is en welke dag het is. Zit je thuis met een stapel boeken op je tafeltje, en het werk is gedaan, dan maakt het niet uit welke dag het is.’

    En dan is er de mailwisseling met een schrijfdocent met de initialen J.M, en de cursist Gerard, die in het verhaal de bovenbuurman van Tom is. De druppel zit gewoon geweldig in elkaar, ingenieus geconstrueerd, en levert ook nog schrijftips op.

     

    De druppel
    Auteur: Frederik Baas
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Varkensribben

    Het prozadebuut Varkensribben van Amarylis De Gryse is een tragikomisch verhaal over een jonge vrouw die aan het begin van de roman in een auto leeft omdat haar jeugdliefde haar uit huis heeft gezet. Vanuit die auto vertrekt ze elke ochtend naar een verzorgingstehuis om haar ochtendshift te doen. Terug naar huis, naar haar moeder, blijkt geen optie. Als jongste van vier dochters, wordt het niet gewaardeerd dat haar relatie met de zoon van de slager verbroken is. Waarbij even gedacht wordt aan het prozadebuut van Tom Lanoye, Een slagerszoon met een brilletje. Waarbij met name de sfeer uit het leven van een middenstandsfamilie overeenkomsten vertoont.
    Varkensribben is opgebouwd uit herinneringen, mooi beschreven familietafereeltjes als uitstapjes naar het strand, het vieren van verjaardagen, de rolverdeling onderling.

    Maar meer nog is Varkensribben het verhaal van een jonge vrouw die zich in de steek gelaten voelt, haar eigen route moet gaan bepalen. Het verleden, herinneringen daaraan, spelen een belangrijke rol. Geschreven in prettig korte hoofdstukken, met gedetailleerde beschrijvingen van het menselijk ongemak.

    Varkensribben
    Auteur: Amarylis de Gryse
    Uitgeverij: Prometheus

    Treurzang voor een thuisland

    Ayad Akhtar(1971)  is een Amerikaanse toneel-, roman- en scenarioschrijver van Pakistaanse afkomst die in 2013 de Pulitzerprijs voor Drama ontving voor zijn toneelstuk ‘Disgraced’. Zijn romandebuut De hemelverdiener (2012) verscheen in meer dan twintig landen.

    Zijn nieuwe boek Treurzang voor een thuisland is een hybride roman waarin het politieke met het persoonlijke verhaal verweven is en leest als een aanklacht tegen Amerika. Het verhaal van een vader die cardioloog is, zijn zoon en de ‘Great American Dream’. Een droom die ook voor Ayad Ahkyar uitkwam, na jaren van geploeter werd hij beroemd en rijk. Toch hoort hij er nog steeds niet helemaal bij, omdat hij moslim is, kind van Pakistaanse ouders.

    Treurzang voor een thuisland  gaat over die Amerikaanse Droom, over schulden en drugsverslaving die talloze levens verwoesten, over een gierige reality-tv-persoonlijkheid die president is geworden en over hardwerkende immigranten die voortdurend in angst leven. Een boek dat we zouden moeten lezen.

    Treurzang voor een thuisland
    Auteur: Ayad Akhtar
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Lessen in onzichtbaarheid

    Lessen in onzichtbaarheid

    Stel je een jonge Sri Lankaan voor: klein van stuk, dromerige blik, coupe soleil, die zich door de straten van Sydney begeeft met een draagbare stofzuiger op de rug. Dit is de hoofdpersoon uit Gratie, het nieuwe boek van de Indo-Australische schrijver Aravind Adiga, winnaar van de Booker Prize 2008 met De witte tijger. Dhananjaya Rajaratnam of Danny, zoals de jonge man zich in Australië noemt, is illegaal. Hij werkt als schoonmaker en leeft zoveel mogelijk onder de radar. Om dit vol te houden werkt hij zorgvuldig aan een nieuwe, Australische versie van zichzelf. ‘Al voordat Danny naar Australië kwam, oefende hij zich in het Australiëschap. Helemaal in Batticaloa al. Voor de spiegel. Hij vertraagde zijn V’s. Hij beet op zijn onderlip als hij volleybal zei.’ Want klinken als een Aussie, zo redeneert Danny, dat ‘maakt een Aussie tot een Aussie.’ 

    Moreel dilemma

    Een tijdlang lukt het Danny om onzichtbaar te blijven, totdat een voormalige klant van hem wordt vermoord en hij denkt te weten wie de dader is. Vertelt hij de politie van zijn vermoedens – met alle gevolgen van dien – of houdt hij zijn mond? 

    In een verteltijd die slechts één dag beslaat, worstelt Danny met dit morele dilemma. De vermoorde klant is Radja en de vermoedelijke dader haar geheime minnaar Prakash. Door flashbacks wordt de benauwende verstandhouding die Danny met dit koppel had uit de doeken gedaan. Wanneer Danny op de dag van de moord, in een opwelling Prakash belt en gelijk ophangt, begint de ellende. Onmiddellijk belt Prakash terug. ‘Fabelachtige Schoonmaker,’ begint hij, ‘wat leuk dat ik uitgerekend vandaag wat van je hoor.’ Hierna volgt een reeks dreigtelefoontjes die het hele boek voortduren. In een poging om ervoor te zorgen dat Danny zijn mond houdt, zet Prakash Danny’s illegale status in als chantagemiddel en het is dit gegeven waar het boek om draait.

    Felbegeerde status

    De gemiddelde autochtone Australiër staat bepaald niet open voor nieuwkomers, legaal dan wel illegaal. Danny doet zijn best de meest chauvinistische types te vermijden. ‘De drie mannen waren wit. Niet het soort mannen dat je op zaterdag soms in Sydney zag – een en al Arische eiwitten, klef, onder de tattoos en vol opgeblazen praatjes over het Australische leger en Gallipoli en over hoe rijk hun ras was en hoe armoedig alle andere rassen, bottige lijven die in hun botheid uit waren op botsingen met lijven die niet wit waren.’ Danny moet oppassen niet verraden te worden. In het speciaal voor illegalen opgerichte Villawood wil je niet belanden, getuige een krantenbericht: ‘Weer heeft een illegale immigrant die in het detentiecentrum Villawood in Sydney op uitzetting wachtte de hand aan zichzelf geslagen (…) Onofficiële rapporten melden dat dit de 698ste zelfmoordpoging dit jaar is onder de naar schatting 3500 bewoners van het centrum.’ 

    Er is echter één groep die er bij Danny nog slechter vanaf komt dan de autochtone Australiër en dat is de legale immigrant, de immigrant met de felbegeerde status van permanente staatsburger. Deze groep is het moeilijkst te ontlopen: ‘Niks eenvoudiger dan onzichtbaar worden voor witte mensen, die je toch al niet zien; maar het moeilijkste is onzichtbaar worden voor bruine mensen die je altijd zien.’ Dit zijn mensen als Prakash. Of Tommo, Danny’s Griekse huisbaas die hem uitbuit door een royaal deel van zijn schoonmaakinkomsten in beslag te nemen in ruil voor zijn stilzwijgen. ‘Immigratie!’ buldert hij lachend als Danny een poging doet zich uit zijn grip te bevrijden; het is bewonderenswaardig dat Danny zijn zelfbeheersing bewaart en zelf geen moord pleegt. Thuis in Sri Lanka zijn ze, blijkt later, niet veel beter: Danny kwam oorspronkelijk legaal op een studievisum Australië binnen om te ontdekken dat hij in zijn thuisland is opgelicht door een malafide ‘university scheme.’ Ironisch genoeg was zijn kans op een verblijfsstatus veel groter geweest als hij Australië illegaal was binnengekomen, en dat ligt aan  ‘dat wonderbaarlijke ding, dat onvergankelijke fenomeen, het blondste dier van Australië: hun Wetgeving.’ 

    Geëngageerde pageturner

    Gratie is de moeite waard voor de lezer die meer te weten wil komen over de strenge en soms harde Australische samenleving bezien door de ogen van een ongewenste vreemdeling. Wie echter mooie beelden of stilistisch vernuft verwacht, komt bedrogen uit. De vertelling is vaak wankel en aanvankelijk is de toon onduidelijk: licht of ernstig, absurdistisch of realistisch. En dan de dreigtelefoontjes van Prakash: te veel en te vaak, duidelijk bedoeld om spanning te creëren. Ook kleine ongeloofwaardigheden storen, zoals de snelheid waarmee Danny schoonmaakt: om 08:57 komt hij zijn eerste adres binnen en nog geen twintig minuten later hijst hij zijn stofzuiger alweer op zijn rug om de ‘schoongemaakte flat’ te verlaten. Iets te fabelachtig, om maar te zwijgen over de stofzuiger op zijn rug, die van iemand die ondergronds wil blijven toch een opvallende verschijning maakt. 

    Toch weet het verhaal te raken, vooral Danny’s vurige wens een bestaan op te bouwen onder de constante dreiging van verraad. Hij probeert zijn trauma’s achter zich te laten. Regelmatig wrijft hij over het litteken op zijn onderarm, een pijnlijke herinnering aan de wreedheden in zijn thuisland, waar hij door de autoriteiten werd aangezien voor Tamiltijger. Mooi beschreven is de poging van Danny om zich de taal eigen te maken, te spreken met ‘lange, lome Australische klinkers’; hoe hard hij er ook op oefent, het lukt hem niet zijn eigenheid weg te poetsen. ‘Twee jaar lang had Danny hard gewerkt aan zijn accent, maar die aparte spreekwijze had hij nooit afgeleerd. ‘Suikervrij betekent: geen suiker, ja? Melodische tautologieën waren hem aangeboren. Binnen zijn accent (niet Australisch maar neutraal) school een beestje uit een andere taal, en nu, na twee jaar in dit land, liet hij dat maar eens spinnen.’ Adiga schreef met Gratie een actuele, geëngageerde roman die leest als een spannende pageturner. 

     

  • Oogst week 8 – 2020

    Mijn konijn van vaderskant

    Het is altijd een plezier te vernemen dat er weer een boek van de Israëlische schrijver Etgar Keret (1967) naar het Nederlands vertaald is. Zijn nieuwste boek dat onlangs bij uitgeverij Podium verschenen is, heet Mijn konijn van vaderskant en wordt weer kenmerkend genoemd: warm, verrassend, origineel, fantasievol, geestig en onvoorstelbaar. In het titelverhaal bijvoorbeeld zien drie zusjes in een konijn hun net vertrokken vader, tot ongenoegen van de verdrietige moeder. Als het konijn wordt ondergebracht bij een jongen die in zíjn konijn eveneens een afwezige vader ziet, dan ga je je afvragen wat hier aan de hand is.
    Kerets personages worstelen met ouderschap en familie, oorlog en games, marihuana en pancakes, herinneringen en liefde.

    Het is een mooi initiatief van uitgeverij Podium om het werk van Keret die elders al wereldfaam geniet, ook voor de Nederlandse lezer toegankelijk te maken.

     

     

     

    Mijn konijn van vaderskant
    Auteur: Etgar Keret
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Gratie

    De Indiase schrijver Aravind Adiga (1974) is vooral bekend van zijn boek De witte tijger waarmee hij in 2008 de Man Booker Prijs won. Adiga werd geboren in Madras 1974, emigreerde naar Australië en studeerde daarna in New York en Oxford, woont nu in Bombay en werkt als journalist.

    Gratie is zijn nieuwe boek. Het gaat over Danny – (Dhananjaya Rajaratnam) – die gevlucht is uit Sri Lanka en illegaal in Sydney woont. Hij woont weinig comfortabel, werkt als schoonmaker, en is al drie jaar bezig een nieuwe identiteit voor zichzelf te creëren. Het normale leven ligt bijna binnen handbereik.
    Maar dan hoort hij dat een van zijn klanten is vermoord. Danny kende haar goed, en hij heeft een sterk vermoeden wie het gedaan heeft. Moet hij bekennen wat hij weet met het risico het land uitgezet te worden? Of moet hij zijn mond houden en rechtvaardigheid de rug toe keren? Terwijl de uren verstrijken, laat hij alles de revue passeren: het gewicht van zijn verleden, zijn toekomstdromen, en de onvoorspelbare, vaak absurde realiteit van een onzichtbaar leven zonder papieren. Danny moet diep in zijn geweten tasten om een antwoord te vinden. Heeft iemand zonder rechten wel verantwoordelijkheden?

    Gratie
    Auteur: Aravind Adiga
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Cliënt E. Busken

    Het nieuwe boek van Jeroen Brouwers heet Cliënt E. Busken. Het beschrijft een dag van het verblijf van de hoofdpersoon in de psychiatrische instelling. Deze E. Busken zit hier tegen zijn zin. In een rolstoel op een gesloten afdeling, maar hij neemt nog scherp waar wat er om hem heen gebeurt, en inwendig voorziet hij zijn medebewoners en het personeel van commentaar.

    ‘[…] Het blijft wel droog, meent ze. Er is zon voorspeld. Hier beneden waait het niet. Staat hij op de rem? Dat controleert ze. Ja, met die dragonderstem, u staat geblokkeerd. Hetgeen klopt. Geblokkeerd, ik. Geblokkeerder dan de wielen van de rolstoel, die ze ergens achter me, waar ik niet bij kan, heeft vergrendeld. Die wielen gaan gewoon weer draaien als ze niet meer zijn geblokkeerd, ikzelf ben niet als die wielen, want ik kan niets meer, wat wil je ook. Alleen nog zitten en liggen. En waarnemen. Denken. Piekeren. Malen. Bedoelen. Kleuren zien die er niet zijn, althans door anderen niet worden gezien. Ze heeft me met een riem om mijn middel in de stoel gefixeerd, de metalen gesp op mijn navel is niet door mij te openen. Mijn woede daarover en mijn verzet worden met injecties en pillen platgekookt. Wat nog kan bewegen zijn mijn handen en onderarmen. Met mijn benen, mijn voeten, kon ik schoppen, tot die ook aan de stoel werden vastgeknoopt. Hebt u uw saffies? Aansteker? Fluitje zit hier in het linkerzakje van uw overhemd, meneer Busken. Als u voelt dat u moet, meteen blazen. Dat er weer geen ongelukjes gebeuren. Ik denk dat ze niet beseft dat ze schreeuwt. Haar fraaie verschijning is als die op dat schilderij, doch haar decibels verstoren mij. Ze kijkt naar me. Ja meneer Busken? U hoort me wel. Meneer Busken? Antwoord geven kan u ook best. Hier raakt ze mijn hoofd aan, bij mijn slaap, met haar gesloten slanke hand een duwtje bij mijn oor, niet hard, maar toch dat ik het voel, een lichtgevend stompje. […]’

     

     

    Cliënt E. Busken
    Auteur: Jeroen Brouwers
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Rennen voor je bestaan

    Rennen voor je bestaan

    Echt waar: op de Olympische spelen in Rio treedt voor het eerst een vluchtelingenteam aan, met sporters die anders vanwege hun statenloosheid buiten spel staan; grotendeels hardlopers uit Mali en Kenia. Keita, de hoofdpersoon van Zonder Land is zo’n getalenteerde clandestiene hardloper die wil horen bij een nationale ploeg en die rent voor zijn leven. Alleen komt hij uit Zantoroland. En dat bestaat niet.
    Zonder land is een roman als een feel good movie; een kleurrijke cocktail van een boek, om van te genieten vanuit je hangmat. Lichtvoetig en vol romantische verwikkelingen, pittoreske details en spannende plotwendingen. Bevolkt door exotische personages: een statige eerste-minister die ontkent dat hij deels zwart is, een bordeelhoudster die containers verhuurt en banen biedt aan krottenwijkbewoners, een voor vervolging gevluchte oudere homoseksuele arts die voor baby’s zorgt, een invalide zwarte lesbische journaliste, en een geniale blanke jongen uit de krottenwijk met een schizofrene moeder.

    Het begint rustig, met een heel gewone aardige jongen die Keita heet en die van jongs af aan al hardlopend droomt van een carrière als lange afstandsloper. We volgen hem, zijn zus en zijn ouders in hun bijna idyllische arme leven. Schoonmaken in de kerk, school, hardlopen, spelen, zingen, school, af en toe een uitje, maar wel met op de achtergrond steeds de dreiging van geweld van stammentwisten en een gewelddadig regime. Keita’s vader is kritisch journalist en graaft te diep in de duistere praktijken van de overheid – iets met mensenhandel. Het gaat mis. Moeder sterft, vader wordt opgepakt en zus wijkt met een studiebeurs uit naar Harvard. Keita lijkt geluk te hebben: hij wordt door een manager opgenomen in diens hardloopstal en meegenomen naar Freedom State voor zijn eerste echte hardloopwedstrijd. Daar neemt Keita de benen.

    Afkoopsom en losgeld
    Vanuit zijn onderduik-positie probeert Keita door wedstrijden te lopen het geld te vergaren dat nodig is om zijn manager af te betalen en zijn zus los te kopen, die alsnog in handen is gevallen van het regime. Vanaf dat moment lijkt Zonder land op hol te slaan. Het tempo gaat omhoog en het perspectief wisselt voortdurend. Keita verbergt zich in Africtown, een kleurrijke sloppenwijk voor vluchtelingen, die wordt geregeerd door eerder noemde bordeelhoudster. Terwijl hij probeert uit handen te blijven van de vreemdelingendienst wordt hij meegesleept in een verhaal dat onder meer gaat over ministers en hun bordeelbezoek, heimelijk opgenomen videobeelden, de uitzetting van een kindhoertje, een bejaarde blanke bibliothecaresse met hart voor verschoppelingen en over een affaire tussen Keita en een vrouw die – o schrik –  politie-agente blijkt te zijn.
    Veel toevalligheden (auto-ongelukje waardoor 2 karakters elkaar ontmoeten, openvallende handtas waar boek met veelzeggend titel uit steekt…) en al dan niet toevallige ontmoetingen met kwaadaardige lieden of juist mensen met het hart op de goed plaats. En uiteindelijk een happy end waarbij alle draadjes langs onnavolgbare wegen bij elkaar komen, maar alleen omdat twee personages ineens spijt krijgen van hun foute levenswandel. Moet kunnen, maar werkt niet echt.

    Sociologische bril
    Zonder land heeft beslist trekjes van een schelmenroman. Never a dull moment. Het boekt lijkt afstand te houden tot de werkelijkheid waar het naar verwijst. Vluchtelingen, sloppenwijken, stammentwisten en migrantenstromen; dat ruikt naar krantenkoppen en nieuwsitems met mensenmassa’s in verregaande staat van ontreddering. Echte mensen met echte problemen. Zonder land speelt zich echter af in het fictieve Zantoroland (zwart, arm, verscheurd door stammentwisten) en Freedom State (blank, rijk), met de multiculti sloppenwijk Africtown. Een wijk als een continent, een land als een beginselverklaring; het is slim gevonden maar te allegorisch om het rauwe realisme geloofwaardig te houden. Dat geldt ook voor de personages. Die zijn teveel type en te zeer van buitenaf gezien; eerder door een sociologische dan een psychologische bril. Het lijkt alsof Hill een matrix heeft getekend met de tegenovergestelde categorieën als blank-zwart, jong-oud, homo-hetero, gehandicapt – geniaal, doortrapt – gouden hartje, en voor ieder vakje een personage heeft bedacht. Zelfs Keita, die in de eerste hoofdstukken tot leven komt als een volhardend en ontwapenend joch, wordt uiteindelijke een type: de vluchteling die niemand vertrouwt, verkeerde prioriteiten stelt en foute beslissingen neemt.
    Het is geen vergelijk, maar toch: Achak Deng, de jongen en man die in Dave Eggers What is the what uit 2006 eindeloos wordt bevraagd over zijn jarenlange vlucht voor de burgeroorlog in Zuid-Soedan blijft je bij, omdat er geen woord verzonnen is en omdat je het allemaal hoort uit zijn mond en ziet via zijn ogen. In Zonder land wordt vergelijkbaar materiaal verwerkt tot avontuurlijke fictie. Jammer voor Keita.

     

  • Een prijs voor Arjaan van Nimwegen

    Een prijs voor Arjaan van Nimwegen

    ‘Als het leven geen zin heeft, dan máákt het maar zin, godverdomme!’ (Gumbah)

    Het nieuwste boek van Arjaan van Nimwegen speelt zich af in het Jekerdal iets ten zuiden van Maastricht waar de Waalse kunstenaar, filosoof, paleontoloog en vredesactivist Robert Garcet in de jaren ‘80 en ’90 van de vorige eeuw gedurende vijftien jaar gebouwd heeft aan een vuurstenen toren. Diens bizarre denkbeelden over de Apocalyps in de Openbaring van Johannes zijn knap verwerkt in het boek in de figuur van Charles en ingepast in het concept van de roman. Dit boek prikkelt daarnaast ook de nieuwsgierigheid naar dit dal.

    Een prachtboek
    Dat Arjaan van Nimwegen prachtige boeken kan schrijven, bewijst hij al jaren. Zijn bloemrijke, barokke taalgebruik past goed bij de spannende en avontuurlijke boeken die hij schrijft. Zijn boeken zijn eigenlijk meer ideeënromans dan historische romans. Het draait minder om de ontwikkeling van zijn karakters dan om het ontwikkelen van zijn filosofische ideeën. Ze zijn doortrokken van het verleden waarin een stille hunkering weerklinkt naar een betere wereld, echter vanuit de wetenschap dat die er helaas niet inzit. Dat geeft zijn werk een droefgeestige inslag en is dan ook onvervalst romantisch te noemen, reviaans eigenlijk. Er ligt altijd een filosofische benadering aan ten grondslag gebaseerd op het in wezen romantische vooruitgangsoptimisme van de Verlichting gefnuikt door de bittere realiteit van de in eenzaamheid op zichzelf teruggeworpen postmoderne mens. Het zijn eigenlijk prachtige sprookjes voor volwassenen. Zo ook zijn nieuwste roman Onder het dal. De titel verwijst naar het verlichtingsideaal van de best mogelijke aller werelden geconcretiseerd in het dal, waaronder, diep verborgen in de aarde, oeroude, irrationele krachten voortdurend van zich doen spreken en uiteindelijk de mooi ontworpen constructie vernietigen.

    Een raamvertelling
    Het boek is opgezet als een raamvertelling waarin de hoofdpersoon, Simon, terugblikt op zijn actieve leven van 1831 tot 20 maart 1871. Hij beschrijft daarin zijn studentenjaren in Utrecht waarin hij in de ban raakt van de door zijn vriend Willem zo mooi verwoorde idealen betreffende een betere wereld, zijn verblijf na het afstuderen in het vertrouwde ouderlijk huis in Groningen en tenslotte zijn avonturen tussen 1835 en 20 maart 1871 in het Eberdal, waarin hij zich door Willem heeft laten meeslepen. Hij doet dit afwisselend in de vorm van chronologisch opgebouwde memoires en in de vorm van een beschouwing daarover in maart 1871. Aan het eind komen deze verhaallijnen bij elkaar. Tenslotte sluit hij het boek af met wat dagboekaantekeningen over de periode na de catastrofe in het Ebeldal opgetekend na zijn terugkeer in het ouderlijk huis in Groningen van 1875 tot de dood van zijn moeder op 15 oktober 1877.

    Het avontuur in het dal
    Nadat ze als vrijwilliger deel hebben genomen aan de veldtocht van koning Willem I tegen de opstandige Belgen in augustus 1831 resteert bij Simon en diens boezemvriend Willem een katterig gevoel. Gevochten hadden zij eigenlijk niet, alleen wat armoedige boerenhoeven geplunderd.

    Deze Willem is theoloog en wordt neergezet als visionair, een soort oudtestamentische Mozes met navenante dadendrang en gemodelleerd naar het voorbeeld van onze verlichte vorst in die dagen, koning Willem I. Gegrepen door het positivistische gedachtengoed van een utopisch denker als Saint-Simon en Johannes van den Bosch, de stichter van de heropvoedingskoloniën in Drente, over de maakbare wereld en de kneedbare mens komt Willem op zekere dag de aarzelende en besluiteloze Simon in zijn ouderlijk huis ophalen om met hem mee te gaan en vorm te geven aan zijn droom van een betere wereld in zakformaat.
    Hij heeft daarvoor het Jekerdal uitgekozen, idyllisch gelegen in het Waalse mergelland en van ouds bekend om zijn vuursteen(silex)groeven. Het dal is vrijwel verstoken van contacten met de buitenwereld met hier en daar een vervallen hoeve waar arme, argwanende boeren hun zware, simpele arbeid verrichten. In de mergelgroeven aan de randen van het dal huizen ontheemde deserteurs uit het verslagen Belgische Maasleger, lotelingen uit de oorlog van 1830, die zich bezig houden met stroperij en vol wraakgevoelens zitten jegens die arrogante Hollanders, laf en in niets lijkend op de rovers van weleer, de Bokkenrijders, voor wie de boeren huiverden en over wie de verhalen nog steeds de ronde doen. Willem en Simon doen hun best aanhangers te werven voor hun ideale, zelfvoorzienende samenleving zonder geld, gebaseerd op Vrijheid, Gelijkheid en vooral Broederschap. Behoudens een paar eenvoudigen van geest zoals de boerenzoon Matthieu en de voormalige huisknecht van de ouders van Simon, Ubbo, sluit niemand zich bij hen aan. Mogelijke aanhangers, die het dal met een bezoek vereren, zoals boerenknechten uit de omgeving op zoek naar vrijheid, opstandige arbeiders bezield door de revolutionaire gelijkheidsidealen van 1848 en onconventionele naaktlopers uit de semi-intellectuele beaumonde in de ban van romantische ideeën van ‘Wandervögel und Körperkultur’, blijken uiteindelijk alleen maar uit te zijn op eigen voordeel. Als blijkt dat Willem zijn hartstochten niet kan bedwingen en verstrikt raakt in de netten van een vrouw, die hem uiteindelijk een zoon schenkt, Charles, wordt de mislukking van het project steeds duidelijker.

    Willem verwordt steeds meer tot een liederlijke dronkaard, slachtoffer van zijn lusten, en een gewetenloze verrader van zijn boezemvriend Simon bovendien. Charles ontwikkelt zich tot een nieuwe leidersfiguur, wereldvreemd, die zich verliest in verhalen over het oervolk dat miljoenen jaren geleden vuurstenen bewerkte tot symbolische figuren en zich een toren bouwt van vuursteen uit de mergelgroeven met boven op de hoekpunten de vier monsters uit de Openbaring van Johannes; de sfinx, de stier, de arend en de leeuw als wachters op het einde der tijden. Hij draagt Simon op de geschiedenis van zijn rijk op te schrijven. In zijn waandenkbeelden wordt Charles gevoed door de vondst van botten van een reusachtig oermonster, een soort Mosasaurus, dat hij reconstrueert tot het Beest uit de Apocalyps en inbouwt in zijn toren. Als er dan tenslotte een klein meisje op het toneel verschijnt, dat zich, als priesteres en minnares van Charles, ontpopt tot een beeldschone femme fatale, die iedereen in haar ban weet te krijgen, gaat het laatste restje gemeenschapszin definitief ten onder. Als door een aardbeving – een veel voorkomend verschijnsel in het mergelland – de toren, de zetel van de mythologische keizer Charles, instort, verzorgt Matthieu een passende uitvaart voor zijn koning Willem die met de jeneverfles in zijn hand verdwijnt in het moeras der vergetelheid.

    Als Willem de leider is geweest van de op de ideeën van de Verlichting gestoelde wereld in het dal, is Charles die van de irrationele, romantische wereld van de mythologie van het oude oervolk onder het dal. In Willem heeft Simon ooit geloofd, in Charles niet.

    Zingeving
    Simon verlaat het dal en gaat naar het huis van zijn moeder, die al op hem zit te wachten zoals een moeder betaamt. Hij is weer terug waar hij begon, in zijn ouderlijk huis op het Groningse platteland.

    ‘Mijn moeder wachtte mij op in de muziekkamer. Zonder een woord pakte ze mijn handen vast en streelde ze. Ze keek me lang aan, glimlachte en haar gezicht straalde. Ze had me herkend.’  

    De hoofdpersoon Simon was in zijn jeugdig enthousiasme een gelovige en liet zich meeslepen in de maatschappelijke vergezichten van zijn vriend en leermeester Willem en was in zoverre niet vrij, maar wordt uiteindelijk een ongelovige en vrij.  Maar vrij van wat? Vrij van zingeving.

     

  • Een dictatuur om de vrijheid te bewaken

    Een dictatuur om de vrijheid te bewaken

    Westerlingen, het nieuwe boek van Arjaan van Nimwegen (1947) speelt in 1781. Toch is het geen historische roman, het boek heeft meer weg van een ‘gedachtenexperiment’ of een ideeënroman. Van Nimwegen koos voor 1781 omdat in dat jaar Kritiek der reiner Vernuft van Immanuel Kant verscheen. Kant beschrijft daarin ‘een eiland van zuivere rede’ en in Westerlingen brengt Van Nimwegen Kants ideaalbeeld tot leven. Maar een utopisch eiland is het niet.

    Een Hollands konvooi is op weg naar huis, maar komt terecht in een zware storm en leidt schipbreuk. Een aantal drenkelingen weet een eiland te bereiken. Ze zijn bang voor primitieve inboorlingen, maar maken kennis met een samenleving die erg op die van hun lijkt. Hun verhalen en indrukken worden afgewisseld met het leven van een aantal eilandbewoners.
    Al meteen wordt het duidelijk. De samenleving op het eiland lijkt misschien op een Westerse samenleving, maar er zijn grote verschillen. Hier heerst de rede. Kennis is afhankelijk van de manier waarop de rede onze waarneming ordent, betoogde Kant. Dit betekent dat kennis een combinatie is van zintuiglijke waarneming en begrippenkaders. Op het eiland wordt dit erg ver door gevoerd. Een wereld buiten het eiland bestaat niet, het verleden evenmin. ‘Geloof geen verhalen. Verleden en toekomst zijn spoken en spoken bestaan niet. De wereld achter de einder is een hersenschim. Niets blijft, alles verdwijnt, ook deze genoeglijke avond wordt vergeten. Niets is werkelijk nieuw. Alleen door te vergeten is de wereld elke dag nieuw. En meer is er niet.’ Verplicht vergeten dus. Verbeelding, passie en religie zijn onwenselijk en hardhandig optreden tegen overtredingen tegen deze afspraken is gerechtvaardigd. Om de vrijheden te waarborgen wordt het land met harde hand bestuurd: er heerst een dictatuur om de vrijheid te waarborgen. Mede daardoor brengt de rede geen vrijheid, maar leidt tot onzekerheid en angst. ‘De Gedingmeester voelde eens te meer de last van zijn ambt. Eerdere kleine verstoringen van de dagelijkse orde hadden hem al duidelijk gemaakt dat gelukzalige afwezigheid van kennis en ervaring ook onzekerheid meebracht.’ En als er dan ‘bewegende schepen, bemand met levende mensen’ voor de kust worden gezien, durven eilandbewoners hier niets over te zeggen uit angst om voor onrustzaaiers uitgemaakt te worden. Immers, er bestaat niets buiten het eiland. Dat is zo bepaald.

    Heel lang ontkennen de eilandbewoners dat er schepen gezien zijn, maar dan spoelen de eerste drenkelingen aan. ‘Argeloos ontwaakten de mensen uit de slaap die teleurstellingen en mislukkingen had uitgewist en het land, dit rijke land, lag weer open en wachtte op het werk van hun hand en hoofd. Dat was goed, ontegenzeglijk. Buiten de tijd begon alles telkens opnieuw. Maar er hing iets in de lucht, aangewaaid met de oosterstorm, dat zich niet door de reinigende westenwinden had laten wegjagen.’ We volgen een viertal westerlingen.

    David Rasch is de scheepsarts en als vrijdenker is hij erg enthousiast over het bestuur van dit vergeten eiland. Rede kan niets dan goed brengen, denkt hij. Dit in tegenstelling tot Delius, de starre en zeurderige predikant. Hij weet niet hoe hij het heeft, want naast het verbod op fantasie heerst er ook op religie een taboe. Uit zijn levensverhaal blijkt al dat hij niet erg geschikt is voor missiewerk, dus de paniek slaat toe. Hoe kan hij zich handhaven in dit goddeloze bolwerk? Taillefer, de Amsterdamse koopman verkent de handelsmogelijkeden bij dit ongrijpbare volk, terwijl Hannes, een goedzakkerige matroos verliefd wordt. Omdat deze vier mannen elk op hun eigen manier naar de voor hun onbekende maatschappij krijgen, weet Van Nimwegen veel aspecten van de samenleving voor het voetlicht te brengen. Hij doet dat op een goede manier: elk van de mannen heeft een geheel eigen stem en doet andere indrukken op.
    Het leven van de eilandbewoners verandert door de komst van de vreemdelingen. De onrust en twijfel nemen toe en omdat de machthebbers blijven vasthouden aan het oude, de rede, suddert er een opstand. De onrust en het toenemende verzet tegen de onderdrukking worden overtuigend beschreven. De revolutionaire Sélida, de Bloem van Vástóna, speelt een cruciale rol en dat maakt haar veruit de meest interessante eilandbewoner.

    In Westerlingen wordt een interessant gegeven uitgewerkt. Jammer is dat het primaire idee al vanaf het begin geen stand houdt. Denken en waarnemen zijn voortdurend op elkaar aangewezen. Ons denken biedt geen afspiegeling van de werkelijkheid. Maar zoals wij de werkelijkheid zien, zo denken wij. In Westerlingen ontkennen de eilandbewoners wat zij waarnemen (de boten voor de kust, drenkelingen in het water) in de hoop de werkelijkheid en dus hun denken aan te kunnen passen. Want doen zij dat niet, dan komen zij in conflict met de afspraken. En daar staan zware straffen op. Daarmee overheerst de rede dus niet, maar juist de ontkenning ervan.
    ‘Het was goed dat elke dag nieuw was, vol beloften en mogelijkheden.’ Van Nimwegen weet de lezer helaas niet te overtuigen dat vergeten en het ontkennen van heden en verleden hiervoor noodzakelijk zijn. In het boek wordt steeds gesteld dat dit zo is, maar het waarom wordt niet duidelijk. Is dat vergeten nodig om te voorkomen dat de bevolking een begrippenkader ontwikkelt?
    Dat neemt niet weg dat Van Nimwegen een goed schrijver is. De zinnen en beschrijvingen zijn mooi, de personages worden goed uitgewerkt en hebben allen hun eigen tone of voice. Toch slaagt hij er maar ten dele in een overtuigende nieuwe wereld neer te zetten. Veel blijft abstract en ongrijpbaar, maar misschien is dat wel inherent aan de filosofische insteek en de vorm, die van een ideeënroman. Het is jammer dat de toon de hele bijna 500 pagina’s zo serieus is. Vooral het onbegrip en de gebrekkige communicatie tussen de verliefde Hannes en zijn Rósila had zoveel luchtiger gekund. Omdat relativeringsvermogen en humor ontbreken is het boek af en toe erg taai en langdradig. Ook als lezer kun je dan niet wachten om weer op de boot naar huis te stappen. Maar de gedachte dat ons denken geen afspiegeling vormt van de werkelijkheid blijft intrigeren en dat maakt dat je als lezer het einde toch haalt!

    Arjaan van Nimwegen schreef eerder de romans Van Tol kijkt om (2002) en Welkom thuis (2003). Beide boeken hadden een maatschappelijke outcast als hoofdpersoon. In zijn roman Huisgenoten (2006) ging hij al een stapje verder, hij schreef niet over één randfiguur, maar over een huis vol. In die zin past ook Westerlingen goed in zijn oeuvre. Nu gaat het niet om een persoon als outcast, maar om een hele maatschappij.

     

     

  • Dolende zielen op zoek naar een beter leven

    Dolende zielen op zoek naar een beter leven

    Na Legende van een zelfmoord (2008), een indrukwekkend boek, verscheen van David Vann in 2011 de roman Caribou Island. Opnieuw speelt het verhaal zich af in het onherbergzame Alaska, land van grizzly beren, zalmvissers en woeste natuur. In een telegramachtige stijl, die soms doet denken aan het werk van Cormac McCarthy, schetst David Vann een portret van hedendaagse pioniers aan de laatste Amerikaanse frontier.

    Gary is na zijn studie Middeleeuwse literatuur met zijn vrouw Irene vertrokken naar Alaska om zijn proefschrift te schrijven, maar vooral om zijn droom na te jagen: leven in de wildernis.  Zoals dat gaat met dromen, blijkt ook in dit geval de werkelijkheid teleurstellend. Het echte avonturiersleven waar Gary naar op zoek is, bestaat niet en decennia later bevindt hij zich in een uitgeblust huwelijk, zijn de kinderen volwassen en is hij nog altijd niet gepromoveerd. Maar Gary geeft zijn Alaskaanse ideaal niet op en heeft zich op een nieuw project gestort. Samen met Irene is hij begonnen aan de bouw van een blokhut op Caribou Island. Het eiland zal na het invallen van de winter volkomen afgesneden zijn van de buitenwereld. Gary is vastbesloten de blokhut vóór de eerste sneeuw af te hebben om op Caribou Island te kunnen overwinteren. Waarom hij dit zo graag wil lijkt hij zelf ook niet goed te weten, maar hij werkt aan het project alsof zijn leven ervan afhangt.

    Caribou Island wordt verteld vanuit het perspectief van verschillende personages. Naast Gary, die zich maar al te bewust is van de lange reeks mislukte ondernemingen waaruit zijn leven bestaat, volgen we ook zijn vrouw Irene, zijn dochter Rhoda, haar vriend Jim en backpacker Carl.

    Geen van de personages heeft het makkelijk. Irene lijdt aan mysterieuze hoofdpijnen die haar tot waanzin drijven. Dochter Rhoda maakt zich ongerust om haar moeder, maar vindt nauwelijks weerklank bij haar familie. Gary is bezig met zijn project, Rhoda’s broer Mark is vooral druk met stoned worden en haar vriend Jim denkt dat het allemaal wel los zal lopen. Terwijl Rhoda in afwachting van een aanzoek van Jim droomt van hun huwelijksreis, stevent begin-veertiger Jim met rasse schreden op zijn midlife crisis af. Een flirt met de bijna twintig jaar jongere Monique, die met haar vriendje Carl door Alaska trekt, brengt hem behoorlijk van zijn stuk. Terwijl Monique met Jim de natuur in trekt, blijft Carl berooid en met een gebroken hart achter op de camping.  Zonder geld voor zelfs maar een ticket naar huis, moet Carl op zoek naar een manier om geld te verdienen. Al snel komt hij erachter dat de levens van de lokale bevolking vooral van de buitenkant romantisch lijken.

    Alle personages zitten vast. Vast in hun leven, hun relaties, hun ambities, hun eigen lichaam en bovenal zitten ze vast in Alaska.
    Geroutineerd en soepel wisselt David Vann van perspectief en weet hij de stemmen van de verschillende personages te vervlechten tot een coherent verhaal. Elk personage overtuigt en is geloofwaardig. Het semi-autobiorafische Legende van een zelfmoord richtte zich op de verhouding tussen een labiele vader en zijn jonge zoon.  Vanns eigen vader, een tandarts die zijn geluk wilde beproeven in Alaska, pleegde zelfmoord toen de schrijver nog jong was. Met Caribou Island onderzoekt David Vann opnieuw de psychologie van een obsessieve pionier die zijn gezin meesleept naar het onhergbergzame Alaska om zijn dromen na te jagen. Hij zet Alaska neer als een vuilnisbelt van mislukte idealen, maar weet door middel van een sobere en tegelijkertijd poëtische schrijfstijl het landschap en de sfeer zo beeldend op te roepen dat je als lezer heel goed begrijpt waarom mensen hun kantoorbaan opgeven om een nieuw leven te beginnen in de toendra.

    Caribou Island is een aangrijpend, onderhoudend en soms zelfs grappig portret van een groep dolende zielen op zoek naar een beter leven. The American dream lijkt op Alaska nog springlevend. Hier kun je nog dicht bij de natuur leven, vis eten die net uit de zee komt, houthakken en blokhutten bouwen. Hier kan een man nog een echte man zijn. Maar als één ding duidelijk wordt uit het werk van David Vann, is het dat dromen gedoemd zijn te mislukken. Toch blijven zijn personages, vaak tegen de klippen op,  hoop houden en dit maakt het ontroerend en menselijk.