• Magische roman over slachtoffers van de nazi’s, de Sovjets en vlucht MH17

    Magische roman over slachtoffers van de nazi’s, de Sovjets en vlucht MH17

    De witte dame van de mijn is een ontluisterende en noodzakelijke roman van de Russische schrijver en ‘buitenland agent’ Sergei Lebedev (1981). Een huiveringwekkend verhaal rond de vliegramp van de M17, gezien door de ogen van vier personages in de Donbas. Lebedev is in 2018 voor zijn eigen veiligheid verhuisd van Moskou naar Berlijn. Hij is een van de bekendste schrijvers van zijn generatie. In de meeste van zijn boeken doet hij onderzoek naar de psychische gevolgen van de Goelag op de Russische samenleving.

    Als kind zocht Lebedev naar mineralen en bergkristallen in verlaten mijnen om zijn zakgeld aan te vullen. Daarbij stuitte hij op resten van voormalige kampen uit de Goelag. Vanaf zijn vijftiende was hij jarenlang veldwerker bij geologische expedities in het Verre Noorden van Rusland en in Centraal-Azië, de voormalige Goelag gebieden die onbewoond waren gebleven nadat de gevangenkampen halverwege de jaren zestig waren gesloten. Als journalist schreef hij vanaf 2010 artikelen en romans over het Sovjetverleden. Met name over de gevolgen van de onderdrukkingen en vervolgingen die daar plaatsvonden. In De witte dame van de mijn verbindt hij de beginnende Russische agressie tegen Oekraïne na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie met het neerhalen van vlucht MH17 boven de Donbas.

    Versteende slachtoffers

    In een interview vertelde Lebedev dat hij al langer een roman wilde schrijven die in de Donbas speelt, omdat de holocaust nog verder naar het Oosten ging dan Baby Jar in Kiev waar de nazi’s meer dan dertigduizend Joden hebben vermoord. Bij hun terugtrekking uit de Donbas vernietigden ze alle sporen. Het was een van de dichtstbevolkte joodse gebieden in de Sovjet-Unie en tienduizenden Joden werden in de mijnschachten terechtgesteld en achtergelaten. Toen de Sovjets na de oorlog de schachten openden, sloten ze die onmiddellijk weer af nadat ze er een blik in hadden geworpen. Tienduizenden versteende slachtoffers bevinden zich nu nog in de mijnen en de Sovjets wilden het leed van de Joden niet openbaar maken.

    Op 17 juli 2014 werd vlucht MH17 boven datzelfde gebied uit de lucht geschoten. De brokstukken van het vliegtuig, de lichamen en de bagage van de passagiers lagen over vele kilometers verspreid, een beeld dat Lebedev jarenlang achtervolgde. Als hij in februari 2022 ziet dat Russische pantservoertuigen met halve hakenkruizen (Z) de grens oversteken, besluit hij dat het tijd is voor deze roman. Het absurdistische en cynische verhaal speelt over vijf dagen in juli 2014. Elke dag heeft als titel de naam van een van de personages: Jeanne, Valet, De Generaal en De Ingenieur. De laatste dag is getiteld Jeanne. Per hoofdstuk wisselt Lebedev van perspectief.

    Hoofd van de wasserij

    Het eerste hoofdstuk op de eerste dag gaat over Jeanne, de dochter van Marianne die drie decennia hoofd van de wasserij van de mijn is geweest. De vader van Jeanne was in 1996 overleden tijdens een mijnramp. Nadat de mijn werd gesloten, ging Marianne voor een half jaar als ziekenverzorgster naar Graz in Oostenrijk. Na terugkeer was zij ziek en bedlegerig. Ze wilde geen dokter en of andere hulp inroepen. Tijdens haar ziekte, wat kanker bleek te zijn, ondervond Marianne een complete persoonsverwisseling. Terwijl Jeanne in de kamer naast haar moeder sliep, overleed  Marianne. Een ambulancebroeder zei over haar moeder: “Zo uit het concentratiekamp’.  Dat deed Jeanne denken aan een verlaten mijnschacht: ‘Het hele dorp wist wat, of liever wie er in die schacht lag. Het was een geheim dat geen geheim was.’  Aan het eind van die dag ziet Jeanne nog een lijnvliegtuig, dat oplost in de lucht.

    Aan het begin van de tweede dag begluurt Valet zijn opgroeiende buurmeisje Jeanne. Hij zag ook het geleide luchtafweer raketsysteem Omela langsrijden. Het zijn in de roman de eerste voortekenen van het neerschieten van een lijnvliegtuig zoals Jeanne dat in de lucht zag verdwijnen. Op de derde dag, getiteld ‘Valet’, ziet Valet de brokstukken van MH17 neerkomen.

    Valets vader overleefde – verminkt – de mijnramp. Als jonge man dacht Valet dat er in de mijnschacht een geheime raket verborgen was,  maar van zijn vader hoorde hij dat er Joden lagen. Hij zocht er naar gouden kronen en vermoordde een zwerver die hem betrapte. Toen buurvrouw Marianne dat ontdekte, liet zij hem wegsturen. Jaren later , als Marianne op sterven ligt, komt Valet  terug uit Moskou. Hij bespiedt hun huis terwijl Marianne naakt op bed ligt en Jeanne zich in een witte stofjas over haar heen buigt. Die aanblik windt hem op, en om wraak te nemen, wil hij Jeanne overweldigen.

    Dossier Sneeuwwitje

    In de volgende hoofdstukken vertelt Lebedev het verhaal zodanig dat ze naadloos op elkaar aansluiten. De Generaal ziet ook het luchtafweerraketsysteem voorbij komen: ‘Maar zonder het te maskeren, de idioten!’ Als lid van de KGB had De Generaal dertig jaar eerder een dossier aangelegd met onderzoek naar de wasvrouw Marianne: Dossier Sneeuwwitje. In de omgeving van de mijnschacht was een executieplaats geweest van de NKVD, de voorloper van de KGB, er lagen duizenden mensen onder de grond. Nu zou hij haar kunnen ‘vastzetten en martelen’. En hij bedacht dat hij De Ingenieur, de man die de mijn ontworpen en gebouwd had, zou moeten spreken.

    Vanuit De Ingenieur, die paleontologie studeerde en uiteindelijk mijnbouwingenieur werd, wordt het nachtmerrieachtige verhaal over de ‘lijken van de gevangenen van de noordse strafkampen die aan de permafrost zijn vrijgegeven’ vertelt. De lijken liggen gestapeld in lagen: ‘op de door de Duitsers doodgeschoten, krijgsgevangen genomen soldaten van het Rode Leger. Daaronder de door de bolsjewieken doodgeschoten arrestanten uit de Sovjetgevangenissen, toen het Rode Leger terugtrok. Daaronder de tijdens de Burgeroorlog door optrekkende of zich terugtrekkende […] legers terechtgestelde, toevallig tot gijzelaar gemaakte dorpelingen… Daaronder de gedode stakers van de eerste revolutie, die van 1905.’

    In zijn verhaal ontvouwt Lebedev langzamerhand de gruwelijkheden uit de geschiedenis van de voormalige Sovjet-Unie, en van Oekraïne in 2017 aan de hand van de door hem bedachte personages.

    Neergehaald vliegtuig

    Op de derde dag ziet Valet een vliegtuig dat met zijn neus naar beneden komt en in de lucht uit elkaar valt. Hij ziet brokstukken neerkomen, een roze koffer met sieraden, polshorloges en andere persoonlijke eigendommen. Het is hem duidelijk dat er een passagiersvliegtuig is neergehaald. Hij vindt een ‘overdadig vrouwelijk’ lichaam en is ‘bang haar als dode aan te raken’, ondanks de ‘onverminderde aantrekkingskracht’. Ook vindt hij een kristallen flesje met een gouden lipstick. Die zal hij aan Jeanne geven en zeggen dat hij die in Moskou gekocht heeft. Lebedev laat hem cynisch en in misogyne fantasieën denken dat Jeanne haar lippen zou stiften ‘met de lipstick van dat dooie wijf.’

    De Generaal bedenkt dat hij een flinke leugen nodig zal hebben om een verklaring te geven voor het neergeschoten vliegtuig. Maar hij kan niets meer verzinnen. En De Ingenieur denkt aan de Witte Dame, ‘de wasvrouw’ die niet alleen het kwaad van de nazi’s witwaste, maar van alle misdaden, van alle achtergelaten lichamen.

    Op de vierde dag ontdekte Jeanne een vrouw die in de voortuin is gevallen. Valet kwam naar haar toe gelopen en geeft haar de lipstick. Zij vraagt zich af waar hij zo’n dure lipstick vandaan heeft en vermoedt dat hij die uit iemands bagage moet hebben gestolen. Ze stift haar lippen en trekt een witte jurk aan. Hij nodigt haar mee uit naar een dancing waar Jeanne danst terwijl Valet zich overgeeft aan meer misogyne gedachten. De Ingenieur ziet de (jonge) Witte Dame als ‘de kus van de oorlog en het sacrament van de leugen.’

    De roman eindigt de volgende ochtend met Jeanne, na een bizarre en dramatische gebeurtenis de avond daarvoor bij de dancing. In een wat apocalyptische scene verlaat ze haar huis en komt terecht in een ‘reusachtige, onderaardse ruimte waarin een heel land was afgedaald.’ Dan weet ze dat haar toekomst ligt in ‘de tunnels en kelders, de mijngangen de metrolijnen, vol met mensen.’ Lebedev eindigt dit aangrijpende verhaal met heldhaftigheid en medemenselijkheid zoals de meeste Oekrainers dit heden ten dagen steeds laten zien.

     

     

  • Mens in de oorlog

    Mens in de oorlog

    Recensie door Peter Samuel

    De roman Grijze bijen van Andrej Koerkov gaat – uiterst aktueel – wél, en tegelijkertijd níet over de Russische ‘militaire operatie’ in Oekraïne. Zo duidt president Poetin immers zijn oorlogsinvasie aan: als een operatie. Romanpersonage Sergej Sergejitsj houdt zich van die strijd, zijnde een regelrechte oorlog, afzijdig. Deze innemende 49-jarige, vroegtijdig gepensioneerde woont in Mala Starohradivka, een dorp in de Donbas dat in zogeheten grijs gebied ligt. Spookdorp in een kilometerslang niemandsland, brede strook tussen de frontlinies van het Oekraïense leger en die van de separatisten.

    In zekere nacht is er een bom op de dorpskerk gevallen, waarna alle inwoners er vandoor zijn gegaan. Naar familie, naar separatisten, naar andere vluchters. Sergej blijft alleen achter, samen met Pasjka, een pestkop annex klasgenoot uit zijn jeugd, die een straat verderop woont. Met als roepnaam ‘Grijze’ voert Sergejitsj regelmatig gesprekken met zijn vriendvijand, soms met wodka overgoten, soms ook voorzien van gitzwarte humor.
    De overige straten van het dorp zijn uitgestorven, vol kapotte huizen. Aanhoudend geknal, overvliegende projectielen en soms inslaande granaatscherven verstoren Sergej niet in zijn bestaan.

    Uitgestorven omgeving

    Waar Sergej zich volstrekt op de vlakte houdt, geeft de gaande oorlog toch vorm aan zijn leven. Zijn vrouw heeft hem na de eerste bommen in de steek gelaten en hun vierjarige dochtertje meegenomen. ‘Misschien ben ik daar zelf ook schuldig aan geweest?’, vraagt Sergej Sergejitsj zich wel eens af. De enige familie die overblijft, is zijn bijenfamilie. Zijn dagelijkse routine op de plek waar eigenlijk geen leven meer is, bestaat uit zorg voor zichzelf en vooral ook voor zijn bijen. De toegewijde bijenhouder probeert zich warm te houden als de stroom weer eens uitvalt en verzamelt etenswaren, ondanks alles in samenwerking met zijn dorpsgenoot. In het uitgestorven landschap heerst een beklemmende sfeer, dreiging van sluipschutters is voelbaar. Oorlogsverschrikkingen vertonen zich in de vorm van een gesneuvelde soldaat, die Sergej onder een ijzige sneeuwlaag begraaft. Hij sluit vriendschap met een jonge Oekraïense soldaat – Petro – die hem een granaat verschaft om zich in geval van nood te verdedigen.

    Andrej Koerkov, geboren in Leningrad en bekend schrijver van Oekraïne, maakte kort na de Russische annexatie van de Krim en het begin van de oorlog met Oekraïne drie reizen door de Donbas, waartoe Donetsk, Loehansk en de grijze zone behoren. In zijn roman weet hij daardoor een levensechte wereld op te roepen, waarin angst van de bevolking voor oorlog en dood langzaam in een soort apathie overgaat. Hij beschrijft geen militaire operaties, maar verhaalt over doodgewone mensen, die ondanks de oorlog proberen zo onopgemerkt mogelijk door te leven. Zijn verhaal uit 2018, in 2022 door Arie van der Ent in het Nederlands vertaald en uitgegeven door Prometheus Amsterdam, beslaat 368 pagina’s in hoofdstukken, genummerd van 1 tot en met 74. De geschiedenis die zich in de uitgave afspeelt, is niet los te zien, noch los te lezen van het nieuws dat thans dagelijks via de media op ons afkomt.

    Zieke bijen

    Sergej ploetert dag in dag uit in zijn ontheemde dorpje. Soms in een onbuigzame Oekraïense houding, dan weer onverschillig, maar beslist ook wel onverzettelijk. Zijn leven verandert als hij naar het vreedzamer zuiden, naar de Krim reist. Hij hoopt zijn bijen daar een ‘fijne vakantie’ te bieden. Hij loopt er echter tegen de nodige problemen bij grensposten aan, waardoor ook zijn geliefde bijen in gevaar komen.
    Na betrekkelijk korte tijd in de Krim aan de lastige ‘thuisreis’ begonnen, wordt een van zijn bijenkasten door de Russen in beslag genomen. Hij krijgt deze terug, maar zijn bijen zijn grijs geworden. Om aantasting van de gezonde bijen te voorkomen, schermt hij ze van hun kasten af.
    Kunnen zijn bijen aan de oorlog ontsnappen? Kan Sergej aan de oorlog ontsnappen? Als hij uit een droom ontwaakt, hoort hij zijn geliefde bijen zoemen. Sergej weet ten slotte dat iemand hem en zijn bijen opwacht.

    Koerkov’s verhaal eindigt tamelijk open, de uitkomst is daarmee enigszins onbevredigend. Na het lezen van Grijze bijen blijft een bizarre tegenstelling bestaan. Enerzijds dit boeiende proza van een auteur die een tamelijk rustige hoofdpersoon, die soms droomt, dan weer in zijn realiteit leeft, ten voeten uittekent. Daar tegenover staat dat, sinds het boek is verschenen, zich in werkelijkheid een steeds gruwelijker oorlog ontwikkelt. Andrej Koerkov weet door zijn stijl – niet al te veel opsmuk, niet bepaald spectaculair – niettemin de aandacht in 74 hoofdstukken vast te houden. Dit komt mede door de impact van de waanzin in Oekraïne, die actueler is dan ooit. Zijn boek laat dan ook op virtuoze wijze zien wat het kan betekenen om in tijden van oorlog mens te zijn.

     

  • Oogst week 51 – 2022

    Grijze bijen

    Andrej Koerkov (Leningrad, 1961) is de beroemdste schrijver van Oekraïne. Niet omdat de Oekraïners zo veel lezen maar omdat Koerkov regelmatig op tv verschijnt en buitenlandse media hem interviewen over de huidige toestand van zijn land. Koerkov schrijft in het Russisch, wat hem door Oekraïners wel werd verweten. Zelf zegt hij daarover in een interview in Trouw: ‘Ik spreek beter Oekraïens dan veel Oekraïenstaligen. Toen Oekraïne nog een Sovjetrepubliek was, redigeerde ik Oekraïense vertalingen van buitenlandse romans.’ Inmiddels is hij opgehouden te publiceren in het Russisch.

    Toen pro-Russische separatisten de oblasten Loehansk en Donetsk in de oostelijke Donbass tot volksrepublieken verklaarden begon daar de oorlog al. Koerkov, die enkele reizen maakte in het gebied, schreef zijn roman Grijze bijen in 2018. Op de frontlijn, de grijze zone tussen Oekraïne en Donetsk, woont in een klein dorp de imker Sergej Sergejitsj. Stroom is er niet meer, voedsel nauwelijks en het is bitterkoud. Met een vroegere jeugdvijand, de enige andere menselijke aanwezige, drinkt Sergej wodka. De twee voeren gesprekken vol zwarte humor, opgetekend in Koerkovs ironiserende stijl. Sergej voelt zich verantwoordelijk voor zijn bijen. Hij is bang dat het oorlogsgeweld hen verjaagt en in de lente verlaat hij met zes bijenkasten het dorp, richting de Krim waar het dan nog veilig is. Onderweg krijgt hij te maken met strijders aan weerskanten van de gevechtslinies: loyalisten, separatisten, Russische bezetters en Krim-Tataren, en met evenzovele paspoortcontroles. Bij een ervan nemen de Russen één van Sergejs bijenkasten in beslag. Als hij de kast terugkrijgt, zijn de bijen grijs geworden.

    Het lezen van Grijze Bijen biedt een mogelijkheid om iets te gaan begrijpen van de waanzin die de oorlog in Oekraïne beheerst. De licht absurdistische stijl van de schrijver voorkomt dat het een zwaar boek is.

    Grijze bijen
    Auteur: Andrej Koerkov
    Uitgeverij: Uitgeverij Prometheus

    Pose – Over hoe we kijken en wie we spelen

    Basje Boer wil meer vrouwelijke sukkels in films. De schrijver en filmessayist publiceerde recent Pose – Over hoe we kijken en wie we spelen, een bundel met essays over hoe vrouwen worden neergezet in films, verhalen en ander cultuuruitingen, en hoe ze zich gedragen in de werkelijkheid: als vrouw, moeder, femme fatale, slachtoffer of bitch, clichébeelden die even stereotype als hardnekkig zijn.

    Aan de hand van oude en nieuwe films, popidolen, personages en persona’s onderzoekt Boer in Pose welke vrouwenrollen ons worden voorgeschoteld en hoe ze worden bekeken. Ook vrouwen kijken volgens Boer met de male gaze naar andere vrouwen. Zij worden nog te veel gezien als een passief wezen. Zo is schoonheid, mooi zijn, een rol die vrouwen macht geeft, maar wel een die vaak door de kleding die ze draagt passiviteit uitstraalt. Mooie kleding wekt geen actieve indruk.

    Boer schrijft ook over haar persoonlijke ervaringen wanneer dat relevant is voor het onderwerp van het desbetreffende essay. Bijvoorbeeld in een stuk over gekke vrouwen in films gaat ze in op haar eigen weg naar therapie. Ze heeft het over jeugdidolen en over films waarin vrouwen geen fouten maken. Film staat dicht bij de werkelijkheid, de vrouwen erin zijn voorbeelden waaraan we ons spiegelen. In films komen wel mannelijke sukkels voor, betoogt Boer, maar geen vrouwelijke. Zij zou zich graag eens met een vrouwelijke sukkel willen identificeren. Wordt het tijd ons tegen de clichés te gaan verzetten?

    Pose - Over hoe we kijken en wie we spelen
    Auteur: Basje Boer
    Uitgeverij: Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

    Na de bevrijding – Aantekeningen over de Goelag, 1944-1956

    De Poolse Barbara Skarga (1919-2009) moest haar manuscript van Na de bevrijding- Aantekeningen over de Goelag, 1944-1956 geregeld langere tijd wegleggen omdat tijdens het schrijven haar nachtmerries terugkwamen. Toch vond ze het haar plicht om haar herinneringen aan de gebeurtenissen in de strafkampen de wereld in te sturen.

    Skarga studeerde filosofie, waarmee ze stopt vanwege de Tweede Wereldoorlog. Ze gaat bij het Poolse verzet. Onverwacht wordt ze in september 1944 door het Russische leger gearresteerd. Vanaf 1946 zit ze met honderdduizenden landgenoten in verschillende goelags, onderworpen aan meer dan acht jaar dwangarbeid in een ziekenhuis, een steenfabriek en aan een spoorlijn.
    Als ze na tien jaar ‘vrij’ komt wordt ze nog verplicht in een kolchoz te werken. In 1956 pakt ze, terug in Polen, haar studie weer op, promoveert, werkt haar hele leven als hoogleraar en schrijft vele filosofische werken. Ze mengt zich in het publieke debat en is betrokken bij de Poolse solidariteitsbeweging Solidarność.
    Na de bevrijding publiceerde ze pas in 1985, onder pseudoniem. Haar aantekeningen over haar ervaringen in de goelagkampen zijn gegroepeerd rond thema’s als het dagelijks leven, ziekenhuis, werk en zelfs de liefde.

    Er zijn meer boeken verschenen over de Russische strafkampen, zoals het invloedrijke De Goelag Archipel van Aleksandr Solzjenitsin, Berichten uit Kolyma van Varlam Sjalamov en Goelag, een geschiedenis van Anne Applebaum, waarin de verschrikkingen van de gevangenkampen beschreven worden.
    Wat Na de bevrijding hiervan onderscheidt zijn de spot en humor waarmee Skarga vertelt over de kamphiërarchie, de honger, het vuil, het geweld, de misdaden. En over de angst voor verkrachtingen. Het boek is een mix van memoir, filosofische gedachten, essay en geschiedschrijving en toont de werking van het Sovjetsysteem aan.

    Na de bevrijding - Aantekeningen over de Goelag, 1944-1956
    Auteur: Barbara Skarga
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Driehoog achter

    Driehoog achter

    Lang had ik niet aan Tsjechov gedacht, tot deze week Russisch vertaler Arie van der Ent op een literaire avond kwam praten over zijn vier-delige Repercussies uit het Russisch. Een keuze van zo’n zeshonderd gedichten van veelal onbekende dichters, maar ook van Paustovski, Charms, Tsjechov. ‘Van de ene dichter kom je bij de ander’, zei Van der Ent. En, ‘het zijn ook dichters van driehoog achter’. Ik zag ze daar zitten, aan een keukentafeltje, of leunend tegen het aanrecht, schrijvend aan een gedicht dat niemand onder ogen komt. Er is een zekere noodzaak nodig om te schrijven. Ik dacht aan Tsjechov, hoe hij zijn verhalen schreef aan een tafeltje in een kleine keuken van een rumoerig appartement ergens tweehoog achter. Waar altijd wat te doen was, dronken broers ruziënd binnen vielen, kinderen van familie rondhingen. Rond zijn negentiende begon Tsjechov, om zijn moeders geldzorgen te verlichten, humoristische verhaaltjes te schrijven. Waaronder ‘De dood van een ambtenaar’. Een portier niest per ongeluk in de nek van een afdelingschef. De portier put zich uit in verontschuldigingen. De afdelingschef verwenst hem naar de duivel. Thuis gaat de portier even liggen, sluit zijn ogen, sterft. Het heet een humoristisch verhaal te zijn. Humor is verpakte tragiek.  

    Van der Ent leerde eind jaren zeventig Russisch van Karel van het Reve. ‘Lessen waar niemand beter van werd’, zei Van der Ent. Waarmee hij bedoelde dat Van het Reve het in zijn vrije tijd deed, studenten er geen punten voor kregen. Ware liefde laat zich niet belonen. Lang geleden schreef Karel van het Reve ter inleiding bij zijn Geschiedenis van de Russische literatuur, ’Er is maar een reden voor het schrijven van de literatuurgeschiedenis, en die reden is niet het nut dat zo’n boek zou kunnen afwerpen, maar de aardigheid dat de schrijver heeft gehad in het maken en de lezer zou kunnen hebben bij het lezen.’ Niemand verloochent een goede leermeester. Van der Ent schreef ter inleiding, ‘Dit is geen canon, geen weldoordachte oogst uit duizenden, miljoenen gedichten. Er was geen selecteerprogram, en geen criteria anders dan de luim van de vertaler. Die leidde tot de zee van regels, verzen en gedichten die nu, na bijna veertig jaar arbeid wordt ingedijkt.’ 

    Van der Ent las een gedicht voor van Wladimir Kuilerovski (als ik de naam goed verstaan heb), dat op zeer eenvoudige wijze laat zien dat onderdrukking leidt tot opstand, een soort vechten tegen de bierkaai is.

    ‘In geleerde periodieken
     en in sombere kritieken
     al een eeuw of twee.
    Hebben mensen hard gebeden
    hard geschreven en gestreden
    om een strategie te smeden
    tegen het café.
    Maar toch stroomt het giftig water
    met zijn vrolijk geklater
    als een woeste zee.
    Vreest het kwaad geen tegenstander
    groeit het monster als geen ander.
    En verdringen dorstigen elkander
    voor het dorpscafé.’

    Ik moet deze vierdelige Repercussies natuurlijk hebben (oh, onbedwingbare hebzucht). Maar goed, terug naar Tsjechov, zijn verhaal De wilg begint zo, ‘Wie van u heeft wel eens over de postweg tussen de plaatsen B. en T. gereden?’ Ik weet van niets, maar voel me direct aangesproken. 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, luistert graag naar een goed verhaal.

     

     

     

  • Stille haakjes, onzichtbare tandjes

    Stille haakjes, onzichtbare tandjes

    Als je de plot vluchtig samenvat, lijkt Maria Stepnova’s jongste geesteskind Italiaanse les zo op het eerste gezicht wel een sentimentele keukenmeidenroman: Russische dokter verlaat zijn echtgenote voor een mooie, mysterieuze jongedame, volgt haar naar Italië, maakt daar kennis met de geneugten des levens, maar dan – stel je voor – gaat het toch nog mis. We zouden Stepnova (1971) echter tekortdoen door dit boek weg te zetten als Bouquetreekskitsch, want deze Russische staat hoog aangeschreven in de hedendaagse Russische literatuur en Italiaanse les is wel degelijk gelaagder en complexer dan vermoed.

    Hoofdpersoon van dit boek is Ogarjov Ivan Sergejevitsj, die zoals wel meer personages van Stepnova (zie bijvoorbeeld ook De vrouwen van Lazarus, het boek waarmee ze internationaal doorbrak) tijdens zijn leven de val van de Sovjet-Unie meemaakte. Als kind moet hij het stellen met ‘het beproefde, ascetische instrumentarium van een Sovjetjeugd’. In de grauwe huurkazernes heerst aan alles tekort:

    Het kleingeld werd eerst lange tijd opgespaard in een bruin blik van Indische koffie, met een droeve, boezemrijke hoeri op de zijkant. Duur. Iemand had eens getrakteerd. Het werd op grote feestdagen gedronken, met delicate toevoeging van gecondenseerde melk.

    Ogarjov wordt liefdeloos opgevoed (‘Moeder strafte hem nooit, maar net als vader prees ze hem ook nooit’) in een deprimerende Moskouse buitenwijk, overigens virtuoos beschreven door Stepnova in een allesbehalve zuinige stijl:

    Tot in de jaren vijftig waren hier niet eens buitenwijken – gewoon, een paar dorpjes van niks, omwonden, als door een navelstreng, door een verstomde straatweg, bos, een lus van de rivier de Moskva, uiterwaarden, kleine stille datsja’s. Maar opeens was Moskou verschenen, had zich overal van alle kanten op gestort, als krachtig deeg dat uit de pan rijst, de kleine dorpjes waren niet eens ontruimd, maar verzaagd, alsof ze van de kaart waren geveegd, en in hun plaats rees eerst een fabriek op, en een flinke ook, met vier gebouwen, en vervolgens waren daaromheen, als om een middeleeuwse citadel, overigens aan dezelfde gestandaardiseerde, algemeen menselijke wetten gehoorzamend, in steeds wijdere concentrische cirkels, eerst de gehorige barakken gekomen, toen de flats van vierhoog, stevig, van baksteen.

    Grijze muis Ogarjov ondergaat gelaten en zonder op te vallen het communistische onderwijs, vindt hooguit wat afleiding bij Dostojevski en andere schrijvers die de bibliothecaresse hem toestopt, of in kunstboeken. De sovjetliteratuur, die enkel uitdrukkingsmiddel is van een vage ‘nationale gedachte’ en met geen woord rept over ‘wat het belangrijkst en het interessantst was’, boeit hem niet. Grote daden vallen er niet van Ogarjov te verwachten, en ‘zoals dat zo vaak gaat, werd zijn hele verdere leven bepaald door een reeks kleine, ongemerkte stapjes. Stille haakjes, radertjes, onzichtbare tandjes, een lichtblauwe veer, die gewichtloos op de rug van een van vermoeidheid snurkende stier neerdaalt.’

    De wind van de geschiedenis raast over Rusland, Ogarjov laat zich gewillig meedrijven, zelfs als die aanzwelt tot een orkaan. Tijdens zijn studie medicijnen en legerdienst geeft Gorbatsjov met zijn perestrojka de aanzet voor een kettingreactie die de ondergang van de Sovjet-Unie zal worden. Na zijn afstuderen, kiest Ogarjov gelaten voor een vreugdeloos huwelijk met Antosjka (‘Op de kliniek kregen ze een set koekepannen met antiaanbaklaag en een friteuse’).

    Eindelijk komt er wat passie in het leven van de flegmatieke Ogarjov wanneer hij Malja leert kennen, een jonge Moskouse van rijke komaf voor wie hij Antosjka verlaat. Inmiddels is de Berlijnse muur gevallen en het tijdperk van de Russische oligarchen en het hyperkapitalisme aangebroken. Ogarjov ziet zijn kans schoon om aan de slag te gaan in een peperdure privékliniek. Het leven lijkt hem toe te lachen, een plezierreisje met Malja in Italië kan er gerust af.

    Zomergast, romancier en Ruslandkenner Pieter Waterdrinker wees al op een zekere zielsverwantschap tussen Italianen en Russen, wat allebei warmbloedige, passionele, temperamentvolle volkeren lijken te zijn. Iets gelijksoortigs komt bijvoorbeeld ook tot uiting in Het bal in het Kremlin, van de Italiaan Curzio Malaparte. Ogarjov en Malja hebben het dan ook prima naar hun zin in Toscane. Op dit punt begint een stuk dat iets te veel een lofzang van allerlei zinnelijke geneugten lijkt, maar Stepnova zou Stepnova niet zijn als er geen donkere wolken samenpakten boven het Italiaanse tuinfeest. ‘De geschiedenis duldt geen aanvoegende wijs,’ wordt in het slotstuk opgemerkt, en het lijkt erop dat wie als speelbal van het lot geboren is, niet moet denken dat hij voor de rest van zijn leven mortadella en pecorino kan eten in de Toscaanse heuvels. U weze gewaarschuwd: voor een lichte feelgoodroman bent u bij Stepnova aan het verkeerde adres.

     

  • ‘Sombere poëzie van menselijke kadavers’

    ‘Sombere poëzie van menselijke kadavers’

    ‘Sombere poëzie van menselijke kadavers’

    Langs verschillende wegen kwamen de uitgeverijen Lebowski en Cossee in 2013 erachter dat ze bezig waren hetzelfde boek vertaald en uitgegeven te krijgen. In plaats van elkaar in de haren te vliegen over de eerst verworven rechten van Het fantoom van Alexander Wolf werden de handen ineengeslagen en hebben we nu al de tweede roman van Gajto Gazdanov te pakken die deze samenwerking bekroont. In de golf van herontdekte juweeltjes uit de wereldliteratuur vormt Nachtwegen (1952) een verrassende ontdekking.

    Gazdanov beschrijft in deze wat zwaarmoedige roman zijn leven als Russische vluchteling in Parijs. Als hij in 1920, na de revolutie en de daaropvolgende burgeroorlog, zijn vaderland ontvlucht en via Turkije in Frankrijk terechtkomt, is hij de eerste jaren werkzaam als fabrieksarbeider in de autoindustrie. Later begint hij een studie aan de Sorbonne en verdient de kost als taxichauffeur in Parijs. De nacht is zijn exclusieve domein en maakt hem tot observator van het leven in de kleine uurtjes.

    Dat leven wordt vooral bevolkt door mede-ontheemden uit Rusland en andere nachtvlinders in het Parijse uitgaansleven. De schrijver rijdt zijn taxi met de meest uiteenlopende klanten en verblijft in de rustige uren in een van de vele nachtcafés waar hij onderduikt in de verhalen en de problemen van anderen. We komen weinig te weten over hemzelf, hij is de waarnemer en toehoorder die alles in de gaten houdt en leidt ‘het leven aan de zijlijn, alsof ik zelf geen deel had aan de gebeurtenissen’.

    Als taxichauffeur krijgt hij te maken met wonderlijke ontmoetingen, op straat en op de achterbank van zijn wagen. Maar hij neemt gek genoeg amper deel aan deze bewegingen – ontworteld als hij is – het is een ‘ongewone wereld’ voor hem. Hij lijkt bewust te willen benadrukken dat hij slechts tijdelijk in deze situatie is beland.

    Bij dit werk kon geen enkele indruk, geen enkele betovering langdurig zijn – en pas achteraf probeerde ik me te herinneren wat ik op zo’n nachtrit had gezien, en dat te duiden, vanuit de details van deze ongewone wereld, die kenmerkend zijn voor nachtelijk Parijs.

    De beklemming die zijn houding bij de lezer veroorzaakt is voelbaar tot in de uithoeken van deze bijzondere roman. Het is moeilijk sympathie op te brengen voor een vertellende hoofdpersoon die zelf onzichtbaar blijft: hij strijkt met een lichtbundel over de verschillende acteurs maar speelt zelf niet mee in dit theaterstuk. De afstand die hij hierdoor creëert, en ook zijn vaak cynische commentaar, maakt tegelijkertijd zijn intense eenzaamheid zichtbaar.

    Van de ontmoetingen die hij heeft is die met Jeanne Raldi het meest indrukwekkend. De ook in Rusland beroemde courtisane is volledig aan lager wal geraakt en kan op het einde van haar professionele loopbaan nog slechts wat geld verdienen langs de straten van nachtelijk Parijs. De schrijver ontfermt zich als het ware over de oude dame en hoort haar verhaal aan. Wat later, als ze vergeefs probeert haar sterfelijkheid op te rekken, is hij getuige van haar poging een beeldschone prostituee – als jonge protegé – in te wijden in het vak. Het meisje maakt gebruik van haar ervaring maar gaat verder hooghartig haar eigen weg en Jeanne Raldi kwijnt weg op haar armoedige zolderkamer en sterft uiteindelijk alleen.

    Vrijwel iedere nacht brengt de schrijver/chauffeur een aantal uren door in het nachtcafé waar de meeste Russische exiles zich verzamelen. Hij wisselt wat woorden met Plato, de selfmade-filosoof die na zijn eerste vijf glazen witte wijn niet meer te volgen is. Ook hier is hij de afstandelijke beschouwer: hij drinkt zijn glas melk en laat de oren hangen naar iedereen die hem kan afleiden van de dagelijkse realiteit. De Russen – alsof hij daar zelf niet bijhoort – verkeren volgens hem in ‘een vormeloze en chaotische wereld die ze dagelijks moeten scheppen en inrichten.’ Hij verwondert zich over ‘de zuiver Slavische bereidheid elke dag, elk uur van het bestaan alle schepen achter je te verbranden en van voren af aan te beginnen.’

    Op dezelfde wijze doet hij verslag van de toestand van zijn kennis Fedortsjenko die, eenmaal getrouwd met de struise Suzanne – prostituee in ruste – langzaam wegzakt in een lethargische cocktail van heimwee gemixt met een flinke dosis neerslachtigheid. In een Russisch restaurant in Montparnasse zit Fedortsjenko nachtenlang te zwijmelen bij een zangeres die liedjes uit zijn kindertijd kweelt, om later op een ochtend te worden gevonden, in de deuropening hangend aan zijn broekriem.

    Gajto Gazdanov schetst een dieptreurig beeld van zijn landgenoten in den vreemde, waarbij hij tegelijkertijd, zelfs in de grote afstandelijkheid die hij verkiest, een onbewust portret van zichzelf tekent. Zijn verzet tegen zijn eigen omstandigheid verschuift naar een afkeuring van alles wat naar het verleden riekt. Hij heeft weinig compassie met zijn mede-emigranten en hun in alcohol gedrenkte toekomstvisioenen, hun losbandigheid en hun vaak ‘dierlijke domheid’. Wat hij zelf voor ogen heeft is onduidelijk – Gazdanov komt overigens zelf later goed terecht in München – maar zijn wereld wordt op dat moment gekenmerkt door in lange, prachtig rondzwervende zinnen vastgelegde vertwijfeling.

    Parijs kwijnde voor mijn ogen weg; het leek alsof ik geleidelijk aan blind begon te worden en de hoeveelheid dingen die ik zag van lieverlee kleiner werd – tot het moment waarop de totale duisternis zou invallen.

     

    Nachtwegen

    Auteur: Gajto Gazdanov
    Vertaald door: Arie van der Ent
    Verschenen bij: Uitgeverij: Lebowski/Cossee
    Aantal pagina’s: 286
    Prijs: € 19,95