• In boeken

    In boeken

    Van een schrijver wil ik alleen weten of het boek waaraan gewerkt is me vermaakt, eventueel verbijstert. Het hoeft niet lekker (weg) te lezen, wat als criterium voor een goed boek wel gebruikt wordt, dat het ‘lekker wegleest’. Dan denk ik, je moet er wel bijblijven, bij wat je leest. Het leven is al versnipperd genoeg, laat het lezen ons een zorg zijn. Ik wil niet weten (weet niet of ik hier helemaal oprecht ben) of de schrijver aardig is, veel drinkt of tegen haar/zijn man/vrouw schreeuwt. Als ik dat weet, sluipt er een ‘meeleef’ factor in, die de dingen besmoezelt. Wat ik lees, daar moet ik het mee doen, al gluur ik wel eens bij de buren. Ik las Schoonheidsdrift van Arie Storm.

    Eigenlijk is het geen doen deze nieuwe van Storm te lezen als je je hebt voorgenomen de opmerkelijkste passages in de roman te markeren, met potlood, stickertjes. Na honderd bladzijden was het boek niet meer te hanteren, op elke bladzijde stond wel iets dat omcirkeld moest worden, zoals, ‘Ik was inderdaad alleen in Londen: mijn vrouw en dochter waren in Amsterdam gebleven. Ik denk dat ik deze kwestie (wel/geen vrouw en dochter I.M.) nu maar eens moet oplossen, anders gaat ze tegen me werken. Het zit zo. Een lezer houdt wel van een onbetrouwbare of manipulatieve verteller. maar tot op zekere hoogte.’ Ach, denk je, wat een eerlijke schrijver! Maar daar kom je op de laatste pagina’s wel achter. Storm schrijft en leest, dat is zijn leven hoorde ik in een interview op Radio Bloemendaal, en zijn belangrijkste bezit is zijn computer (nee, geen laptop). 

    In Schoonheidsdrift vindt een ontmoeting met de dichter Keats in Londen plaats, anno 2020. Het is bizar, maar waar. Er gebeurt veel onverklaarbaars dat geen verklaring nodig heeft. Storm neemt de literatuur en degenen die het bedrijven op de hak. De verteller is een wat suf, afwezig persoon (wat de schrijver misschien ook is, dat krijg je als je steeds maar in de boeken zit). Nog zo’n omcirkelde alinea, ‘Met Ruby heb ik nooit een seksuele relatie gehad, al kan ik me op een bepaalde manier wel voorstellen dat het misschien ooit zover zou zijn gekomen (terwijl ik dit opschrijf vind ik het een erg foute opmerking, maar ik laat haar toch maar staan, misschien dat ik haar later weghaal.)’ Wat hij niet deed, anders had ik het niet kunnen lezen. Kijk, dat is nu zo fijn aan dit boek, of dit verslag zoals de schrijver het noemt, dat je meegenomen wordt in het maakproces, (ik denk niet dat de schrijver dit een fijn woord vindt, maar ik laat het toch maar staan), in zijn overwegingen. 

    Wat wil een schrijver meer dan zijn lezers bereiken. ‘Ik kijk naar mijn vingers die dit typen en haal ze van het toetsenbord en ik strek ze naar je uit, niet slechts om contact te maken  door tijd en ruimte heen, maar in een poging samen te zijn in de droom die lezers en schrijvers die in de tijd en ruimte verstrooid zijn op deze wereld met elkaar verbindt.’ En verdomd, ik voelde me verbonden, met Londen, met de schrijver, die zweefde door tijd en ruimte. Geweldig boek.

     

     

    Schoonheidsdrift / Arie Storm/ Uitgeverij Prometheus
    Interview Radio Bloemendaal


    Inge Meijer leest en reist met het OV.

     

     

  • Schuld en geluk na val van de trap

    Schuld en geluk na val van de trap

    Hans den Hartog Jager is een gewaardeerd kunstcriticus die onder andere monografieën wijdde aan Appel en Warhol. Zelf schildert hij niet. Zou hij dat wel doen, dan zou zijn werk waarschijnlijk langs de meetlat waarmee hij het werk van anderen meet, worden gelegd (hij schreef overigens wel een roman: Zelf God worden).

    James Wood is een in brede kring gewaardeerd literatuurcriticus en hoogleraar literatuurkritiek aan Harvard. Twee studies over romankunst van hem die ook in het Nederlands verschenen, Hoe fictie werkt en Tintelingen zijn aan te bevelen voor iedereen die iets meer wil weten over wat iets tot een goede roman maakt. Maar James schrijft ook zelf fictie en stelt zich daarmee natuurlijk bloot aan extra geschut. Van hem verschenen in 2003 Het boek tegen God en onlangs Afgelegen.

    In Afgelegen bezoekt de Engelse projectontwikkelaar Alan Querry zijn twee dochters Helen en Vanessa in Amerika. Aanleiding is een mail van Josh, de vriend van Vanessa, aan Helen die de indruk wekt dat het slecht met haar gaat. Ze heeft al vaker depressies gehad en is nu van de trap gevallen. Een ongeluk of zit er meer achter?

    Querry
    Alan (wiens familie, net als die van auteur Wood in Durham woonde) bezoekt Helen die al even in verband met haar werk als manager bij Sony in Amerika is om daarna met haar bij Vanessa langs te gaan. Wat volgt zijn gesprekken tussen Alan en zijn dochters en Josh, waarin zaken steeds net wat anders lijken te liggen dan de lezer ondertussen heeft aangenomen. De gesprekspartners zijn voortdurend tastend op zoek naar wat de ander bezighoudt (Hun achternaam Querry zou een verwijzing naar het Engelse woord query – vraagstelling – kunnen zijn). Gaandeweg blijkt dat Alan in de financiële problemen zit met zijn bedrijf en dat zijn dochter Helen bij Sony weg wil. Maar essentiëler zijn de vragen die in de gesprekken met Vanessa, die filosofie doceert, worden besproken: de zin van het leven en de bereikbaarheid van je eigen geluk.
    Alan worstelt bovendien met de vraag wat zijn aandeel is in de depressies van Vanessa. Hij heeft zijn dochters in zijn eentje opgevoed nadat hun moeder hen voor een andere man in de steek liet. Is hij schuldig aan de depressies van de Vanessa? Maar hoe kan het dan dat Helen zich zo zelfbewust door het leven slaat?

    Upstate
    Een groot deel van de roman speelt zich af in Upstate New York, de benaming van het dun bevolkte gebied ten noorden van de gelijknamige stad. Daaraan ontleent de roman zijn Engelse titel Upstate. Het woord ‘upstate’ kan worden vertaald met ‘afgelegen’. Dat leverde de Nederlandse titel Afgelegen op, maar daarin gaat de geografische verwijzing enigszins verloren. Wood gebruikt de plek in zijn roman metaforisch voor de afstand tussen zijn hoofdrolspelers. Uiteindelijk leidt hun zoektocht tot toenadering en begrip, maar de weg ernaar toe laat de auteur zijn personages niet altijd even boeiend afleggen. Vooral bij Alan krijg je als lezer soms de kriebels bij zijn omzichtigheid. Hij aarzelt alsmaar om de vragen te stellen die hem het meest bezighouden: wat is er werkelijk gebeurd en moet ik me daarover schuldig voelen? Maar die aarzeling lijkt meer ingezet te zijn om de spanning gaande te houden dan als horende bij de persoon van Alan.
    En inderdaad: lees je de roman met in het achterhoofd de deskundigheid van Wood als literair criticus, dan ga je ineens extra letten op details die je anders misschien minder zouden opvallen. Waarom opent de roman met het bezoek van Alan aan zijn moeder die in het verdere verloop nauwelijks een rol speelt? Is het niet wat te bedacht om het de hele roman steenkoud weer te laten zijn en de dooi te laten intreden als het ijs tussen vader en dochters gebroken wordt? En wat moet de lezer aan met drie pagina’s opsomming van popgroepen en zangers die moeten karakteriseren hoe Helen in het leven staat? Er zal geen lezer zijn die bij al die namen de nodige associaties heeft om een duidelijk beeld van haar te krijgen.

    Afgelegen stelt essentiële vragen en biedt een paar interessante filosofische gezichtspunten, maar wat erover te berde wordt gebracht blijft je na lezing toch niet lang bij. Als het daar om gaat is Woods essayistische werk, vooral Hoe fictie werkt (dit jaar al aan de zevende druk toe) boeiender.

     

     

  • Gevaarlijk spel met de vrijheid

    Gevaarlijk spel met de vrijheid

    Sommige klassiekers krijgen door een verfilming een soort tweede leven. Dat geldt bijvoorbeeld voor de moeder der briefromans, Les liaisons dangereuses (1782) van Pierre Choderlos de Laclos, fameus naar het witte doek gebracht in 1988 met John Malkovich in de hoofdrol. Misschien is het personage Gilbert Osmond in de filmversie van The portrait of a lady (uit 1996) hem zelfs nog wel meer op het lijf geschreven. In deze rol koppelt Malkovich een hooghartig charisma aan een reptielachtige kilheid; precies zo leer je de man kennen voor wie Isabel Archer jammerlijk valt in de klassieke roman van Henry James.

    Na 136 jaar is er nu een sequel uitgekomen van dit iconische vrouwenportret. De Ierse auteur John Banville beschrijft in zijn nieuwste roman hoe het Isabel vergaat nadat haar huwelijk met Osmond op een breekpunt belandde. Een gewaagd project, kwetsbaar voor kritiek. Maar Banville slaagt er wonderwel in om bij de sfeer van James te blijven en het verhaal tegelijk verder te brengen.

    Terug naar 1881
    Mevrouw Osmond kan worden gelezen zonder voorkennis, daar heeft Banville wel voor gezorgd. Het plaatje wordt echter wel rijker met Portret van een dame in het achterhoofd. Henry James vertelt het verhaal van een jonge Amerikaanse vrouw die eind 19eeuw in Europa belandt met haar Engelse tante. Er melden zich in Londen onmiddellijk huwelijkskandidaten voor de knappe, intelligente en zelfbewuste miss Archer. Ze wil zich echter niet binden maar een eigen leven leiden, onafhankelijk en vrij. Als haar een grote erfenis ten deel valt, naar later blijkt op instigatie van haar geliefde neef, lijkt de wereld aan haar voeten te liggen. Ze trekt er dan ook op uit, zonder een vastomlijnd doel voor ogen. Nauwelijks op reis stuit ze in Italië op Gilbert Osmond. Deze wat oudere weduwnaar weet haar gewiekst in te palmen en zo trouwt Isabel Archer tegen alle verwachtingen in, nog voor ze goed en wel van de vrijheid heeft geproefd. Al snel toont Osmond zijn ware, benepen gelaat en realiseert Isabel zich haar vergissing. Deugdzaam getrouwd en juist daarom een gevallen vrouw. Het blijkt zelfs nog erger dan gedacht, want haar echtgenoot houdt een duister geheim verborgen. Wanneer ze hierachter komt, trotseert ze Osmond door af te reizen naar Londen om haar stervende neef Ralf voor de laatste keer op te zoeken. Henry James sluit zijn roman af als Isabel nadien besluit terug te keren naar Rome, trouw blijvend aan de keuzes die ze gemaakt heeft en aan haar nieuwe zelf.

    Modern jasje
    Het vervolg van John Banville, twee eeuwwisselingen later, begint precies op dat moment: Isabel is nog in Londen, maar haar voornemen om de confrontatie met Gilbert Osmond aan te gaan staat vast. Hoe en wanneer, dat moet nog blijken. Net als bij Henry James richt de roman zich vooral op het web van contacten en intriges rondom Isabel Archer. Elk gesprek dat gevoerd wordt is een schaakpartij. Of het nu gaat om een vriendin, een biechttante of om een aartsvijand, ontmoetingen vormen zonder uitzondering een energievretend spel van zetten en tegenzetten. Tussentijds probeert Isabel haar strategie te bepalen, ze maalt en piekert over eerdere gesprekken of toekomstige conversaties. Hoewel ze in haar leven geen uur heeft hoeven werken en een dienstmeid de reiszaken behartigt, wordt vaak beschreven dat ze moe is, hoofdpijn heeft, of sombert. De sprankelende Isabel Archer uit de eerste 300 pagina’s van Henry James’ roman bestaat niet meer. In haar plaats is een gekooide vrouw gekomen, die zich continu bewust is van zichzelf en haar positie.

    Bij zowel James als Banville ligt de aandacht dus bij  het tactisch laveren van de hoofdpersoon door een mijnenveld van sociale interactie. Hierdoor blijft de protagoniste wat meer op afstand dan bijvoorbeeld het geval is in twee andere romans uit de 19eeuw, die eveneens vrouwen portretteren in een slecht huwelijk: Anna Karenina en Madame Bovary. Beide werken bevatten meer innerlijke conflicten, een breder palet aan gevoelens, een grotere mate van menselijkheid. Tolstoj hanteert zelfs op een beslissend punt in zijn roman een vroege vorm van stream of consciousness die de lezer bij de psyche en emoties van Anna Karenina betrekt. Isabel Archer zien we daarentegen alleen maar calculeren en nadenken. Ze wordt louter begrepen in haar zelfgekozen houding ten opzichte van de buitenwereld. Het huwelijk dat ze sluit is een inschattingsfout, een vergissing, je zou het zelfs een flater kunnen noemen. Uiteindelijk brengt deze misstap niet veel meer teweeg dan een gevoel van schaamte en een buts in het zelfbeeld. Emma en Anna vallen met hun hele wezen en onomkeerbaar.

    Voortborduren
    Mevrouw Osmond is niet alleen een vervolg, het is ook een interpretatie van de roman van Henry James. Banville probeert datgene wat eerder gebeurd is te duiden en van motieven te voorzien. Over de redenen dat Isabel Archer trouwde met Gilbert Osmond noteert hij: ‘Wat ze begreep was dat ze toen ze jong was niet verliefd was geworden op Osmond, maar op zichzelf, via hem.’

    De drijfveren van Osmond zijn prozaïscher. Hij zou met Isabel in zee zijn gegaan om haar geld. Dit lijkt een versimpeling van zaken, omdat het voorbijgaat aan het duistere spelelement dat eveneens (en nog sterker) voorkwam in Les liaisons dangereuses; het verleiden om het verleiden, om te zien of het lukt, om de smaak van de overwinning te proeven, onverschillig voor wat het met die ander doet, behalve op het niveau van afstandelijke observatie.

    Net als Portret van een dame kent Mevrouw Osmond een langzame opbouw. Pas in het laatste deel wordt er gehakt en vallen er dan ook spaanders. Eerst is er de confrontatie met Serena Merle, de vrouw die samen met Gilbert Osmond de val opzette voor Isabel. Geraffineerd vertelt Banville niet rechtstreeks over de belangrijkste uitkomst van deze ontmoeting, – die blijkt pas later, en deze truc herhaalt hij wanneer mevrouw Osmond uiteindelijk weer oog in oog staat met haar man. Op deze manier wordt de spanningsboog tot het eind toe in stand gehouden. Gelukkig maar, want vanwege de al genoemde afstandelijkheid en de wat monotone verhaalontwikkeling is Mevrouw Osmond geen roman om in sneltreinvaart uit te lezen. Deels kan dit misschien ook worden geweten aan de enigszins stroeve vertaling, verzorgd door Arie Storm, waarvan de zinsbouw niet uitblinkt in soepelheid. Wel zijn de metaforen van Banville bijna allemaal voltreffers. Deze bijvoorbeeld: ‘(…) terwijl haar gedachten doelloze cirkels aflegden, als een windvlaag die vastliep aan het eind van een doodlopende steeg’.

    Het einde van het spel
    Mevrouw Osmond geeft een naadloos vervolg aan Henry James’ Portret van een dame en in die zin is het boek zondermeer een succes te noemen. Banville, die het bronmateriaal bewondert, levert vakwerk af en weet de sfeer van de klassieker dicht te benaderen. Isabel Archer was al een memorabel personage en dat wordt alleen maar versterkt door deze nieuwe roman. Toch weet het dubbelpaneel relatief weinig substantie te geven aan de protagoniste die voorbij de ratio gaat. Misschien zit daarin echter juist de eigenheid van dit literaire portret: de manoeuvres van een vrouw uit de 19eeuw die haar eigen lot wil bepalen werden zelden zo nauwgezet beschreven.

     

     

  • Herinneringen gedrenkt in vergaan geluk

    Herinneringen gedrenkt in vergaan geluk

    Hemingway’s laatste boek, Parijs is een feest, verscheen in een nieuwe vertaling door Arie Storm, en met nieuwe hoofdstukken uit de nalatenschap, die in 2009 werden vrijgegeven door de erven van de auteur. Een prachtboek vol rake zinnen en goede verhalen over Parijs in de jaren twintig; over schrijven, skiën, eten, beminnen, paardenraces en boksen – om maar wat te noemen. Een boek vol zonlicht en zomergroen, met af en toe een blik in de afgrond waaruit Hemingway zijn herinneringen opdiepte.

    In 1922 vestigde Hemingway zich met zijn vrouw Hadley Richardson in Parijs. Hij was een journalist met literaire ambities, maar ook een ambulance-vrijwilliger die gewond, gedecoreerd en getraumatiseerd was teruggekeerd uit de Italiaanse Eerste Wereldoorlog. Hemingway werkte hard, leverde tientallen artikelen aan de krant Toronto Star Weekly, stortte zich in het Parijse leven en raakte bevriend met expat-schrijvers als Scott Fitzgerald, Ezra Pound en James Joyce, die hij ontmoette in de salon van Gertrude Stein, of in de boekhandel-met-uitleenbibliotheek van Sylvia Beach. In 1926 brak hij door met The sun also rises, een sleutelroman over drie buitenlanders die vanuit Parijs afreizen naar de stierengevechten van Pamplona. Een affaire met Vogue-journaliste Pauline Pfeffer (Ms. Hemingway 2) betekende het einde van Hemingway’s huwelijk en in 1927 waren zijn Parijse jaren voorbij.

    Jachtpartij en elektroshock
    In de decennia die volgden groeide Hemingway uit tot literaire superstar. Hij schreef meesterwerken als For whom the bell tolls, A farewel to arms, The old man and the sea en ijzersterke verhalen als die in The Snows of Kilimanjaro and other stories. Hij leefde een celebrity-leven temidden van de rich and famous, vol vrouwen (vier huwelijken), drank, meesterwerken, bestsellers, boekverfilmingen, jachtpartijen, een burger- en een wereldoorlog, zeevis- en grootwildsafari’s, auto- en vliegtuigongelukken, en een Pullitzer- en een Nobelprijs in 1954. Hij was een levende legende, op het hoogtepunt van zijn roem, maar diep ongelukkig. Hij werd gesloopt door alcoholisme, depressies en elektroshocks die niet hielpen maar wel zijn hoofd verwarden. Papa Hemingway was de weg kwijt. Almaar meer drank bood steeds minder troost en in 1961 schoot hij zich dood met zijn jachtgeweer.

    Zijn laatste jaren bleef hij maar voorttobben met een boek dat onvoltooid bleef, hoewel hij al meer dan genoeg pagina´s had. Dat boek ging over 40 jaar eerder, de jaren twintig in Parijs, toen alles nog moest beginnen. Het werd 3 jaar na zijn dood gepubliceerd als A moveable feast en tot verbijstering van de critici was het vintage Hemingway.

    Hemmingway schreef proza zonder bullshit, waarin ieder woord zijn plek kent en bijvoeglijk naamwoorden verdacht zijn. Hij beschrijft Parijs, maar niet alleen dat. Het hoofdstuk ‘Mensen van de Seine’ begint:

    ‘Er waren vele manieren om van de rue Cardinal Lemoine naar beneden naar de rivier te gaan. De kortste was recht naar beneden door de straat, maar het was er steil en je kwam, nadat je het appartementengedeelte had gehad en het drukke verkeer aan het begin van de boulevard Sant-Germain had overgestoken, op een saai gedeelte waar een saai, winderig stuk van de rivieroever was met de Halle aux Vins rechts van je. Die […] zag er van buiten even vreugdeloos uit als een militair depot of een gevangenkamp.’

    Dus neemt de schrijver een route via boekenstalletjes, waar Engelse boeken goedkoper zijn dan Franse, omdat ze zo slecht zijn gebonden. En hij vertelt over boeken die mensen achterlaten in boten, die worden opgenomen in de scheepsbibliotheek. En hij wandelt verder naar het Ile de la Cité, dat uitloopt ‘in een punt als de scherpe boeg van een schip en er was een klein park aan de waterrand met mooie kastanjebomen, sommige heel groot en zich breed vertakkend, en in de stromingen en de vergeten hoekjes van de Seine waren uitstekende plekken om te vissen.’ Waarna hij voortschrijft over de vissers en waarom hij zelf niet vist (hij moet schrijven) en over waar in het seizoen goede plaatselijke vis wordt geserveerd. En hoe triest hij is als de lente teruggeslagen lijkt te worden door voorjaarsbuien. ‘Als de koude regens aanhielden en de lente vermoordden, was het alsof er een jong iemand was doodgegaan zonder reden.’ Het gaat al met al over de Seine en zijn oevers met paradijselijke trekjes: boeken uit stalletjes, een eiland als een schip en verse vis uit de rivier. En het gaat over de oorlog (militair depot, gevangenkamp, doodgaan zonder reden). En over hoe schrijven over het ene Hemingway troostte en hielp om te schrijven over het andere.

    De jacht op de ware zin
    Parijs is een feest is een goed boek, doortrokken van nostalgie en melancholie: een boek over leven in nobele armoede en over schrijven. Hoe de schrijver met de zakken vol mandarijnen en gepofte kastanjes naar zijn koude kamer gaat, de kachel opstookt en aan de slag gaat. Schrijven tot de eerste oprechte zin er staat, alle voorafgaande onzin weggooien, en voort met het verhaal. Als glanzend gewreven kralen toont Hemingway allerlei aspecten van zijn leven in de stad ‘die van alle steden het meest te bieden heeft voor een schrijver om te schrijven’: de huurkazernes, de paardenraces, het eten bij brasserie Lipp, de bokswedstrijden in een buitenwijk, de winterse skivakanties in Oostenrijk, en gesprekken met zijn zoontje over ‘ineenstorten door de oorlog’’. Wie wil kan met het boek in de hand nog steeds door Parijs zwerven, naar de Closerie des Lilas (onherkenbaar veranderd) waar Hemingway schreef bij een café crème, of langs de Seinekades met hun boekenstalletjes (niks veranderd).

    De literatuur als slagveld
    Bij herlezing beginnen patronen op te vallen, die het boek minder Parijs jaren 20 en meer Hemingway jaren 50 maken. Minder snoer van verhalen en meer memoir. Onherroepelijk treuriger, maar beter. Een boek waarin de kiemen naspeurbaar zijn van alles wat Hemingway uiteindelijk zou slopen. Alles dat verleidelijk is, van de paardenraces tot vissen in de Seine bedreigt zijn schrijven. En Hemingway maakt in Parijs is een feest korte metten met vrijwel alle literaire grootheden waarover hij schrijft. Het oude alfa-mannetje duldde geen concurrentie. Zelfs niet van de door hem hoog geachte Gertrude Stein, ook niet van de trouwe vriend Scott Fitzgerald en zeker niet van de goeie Ford Maddox Ford, die altijd loog en bovendien uit zijn mond stonk. Uitzonderingen waren Ezra Pound (fout in de oorlog, als gek opgesloten), en de onbekende Elvin Shipman, die jong stierf en die het niet uitmaakte of zijn gedichten werden gelezen. Succes leidt tot rijkdom, en rijkdom tast je aan en zorgt dat je als schrijver geen oprechte zin meer kunt schrijven. Wie succes heeft faalt onherroepelijk. Rijken, die slepen je mee naar dure tenten waar foute mensen komen en ze verpesten je ongerepte skihellingen.

    En dan zijn er vrouwen, Zelda Fitzgerald voorop: met afschuw vertelt Hemingway dat zij haar man belemmert te werken, omdat ze jaloers is op zijn schrijverschap. Hier wordt het pijnlijk. Hemingway beschrijft ook hoe zijn vrouw Hadley een koffer met ongeveer al zijn ongepubliceerde werk verliest in de trein. En hoe hij dat verschrikkelijk vindt, maar ook dat hij haar vergeeft. Wat hij schrijft over Zelda zou bij nader inzien wel eens kunnen zijn ingegeven door Hemingway’s al dan niet bewuste vermoeden dat Hadley onbewust jaloers was op zijn schrijverschap. Het lijkt de barst in hun relatie geslagen te hebben waardoor ‘die ander’ (Pauline) er in slaagt een verhouding met hem te beginnen ‘[…] en dat was het einde van de eerste periode in Parijs, en Parijs was nooit meer hetzelfde al was het altijd Parijs […].’
    Hemingway werd nooit meer de oude, zoals ook blijkt uit de laatste zinnen van sommige hoofdstukken. Bij voorbeeld,‘Alles wat me te doen stond was gezond en goed in mijn hoofd te blijven tot de ochtend als ik weer zou gaan schrijven. In die tijd dachten we niet dat daar iets moeilijks aan was.’ Of ‘”We hebben altijd geluk”, zei ik en ik was dwaas genoeg om het niet af te kloppen. Er was overal in dat appartement hout waarop je kon kloppen.’

     

  • Niets lijkt wat het is

    Niets lijkt wat het is

    De Ierse schrijver John Banville (1945), won in 2005 De prestigieuze Man Booker Prize voor De Zee. Sindsdien is hij Nobelprijskandidaat en dat is niet verwonderlijk want hij schreef maar liefst vijftien romans van hoge kwaliteit.


    Ook in dit boek zijn er- zoals in al zijn romans- allerlei verwijzingen. Een paar voorbeelden. De titel van de roman verwijst naar een gedicht van Wallace Stevens (1879-1965) waarin: ‘De dingen zoals ze zijn, anders worden op de blauwe gitaar.’ (…) Een zin uit The Man with the Blue Guitar uit 1937. Ga daar maar eens aanstaan met zo’n motto! Maar er is ook een schilderij van Picasso, De oude gitarist uit 1903. Dat schilderij werd gemaakt door de schilder in zijn (Hoe kan het anders) blauwe periode. En uitgerekend deze periode in het leven van Picasso werd gekenmerkt door zijn verhouding met twee vrouwen, waartussen hij maar moeilijk kon kiezen. En dat is ook een thema in dit boek. Het blauwe schilderij in het atelier van hoofdpersoon en verteller, schilder Olivier Orme, is zijn laatste. Hij is gestopt met schilderen.

    Verder wordt Fragonard (1732-1806), de schilder, in één adem genoemd met ene Vaublin, een andere schilder. Maar enig zoekwerk levert op dat deze Vaublin nooit heeft bestaan. Banville houdt ervan ons op het verkeerde been te zetten, maar daar hoeft men zich niet door te laten afschrikken.

    Drama
    Zoals in alle virtuoze boeken lijkt de verhaallijn van deze roman eenvoudig. De kunstschilder en verteller Olivier Orme is getrouwd met Gloria, een wat cerebrale saaie vrouw. Als vanzelfsprekend wordt hij verliefd op Polly, de vrouw van zijn vriend Marcus -een verwijzing naar Polly Garter, de wilde meid uit Under Milk Wood van Dylan Thomas-. Deze Marcus is klokkenmaker. De liefdesverklaring vindt plaats tijdens een autorit en gaat uit van Polly. Olivier zit achterin met zijn vrouw, Polly streelt vanaf de voorbank- zonder dat iemand het merkt- zijn knie: ‘ Het volgende waarvan ik me bewust werd, was dat er iets aan mijn knie krabbelde, en bijna stootte ik een angstkreetje uit- het was heel goed mogelijk dat er zich in de oude auto van Marcus ratten bevonden- maar toen ik naar beneden keek, zag ik het schijnsel van een hand en realiseerde  ik me dat Polly me daar vastgreep.'(…)  Wat zich ontrolt is niets meer of minder dan een drama, maar niet in de traditionele betekenis van het woord.

    Existentieel
    Olivier hoopt- doordat hij gestopt is met schilderen-  meer bij zichzelf terecht te komen. Hij heeft echter een ongelofelijke levensangst. Deze uit zich in stuurloosheid, ontrouw, oneerlijkheid en kleptomanie: ‘Mijn gedachten keren weer terug naar de tube zinkwit, die ik gapte in de winkel van Geppetto’s speelgoedwinkel. Ik lijk de kwestie niet te kunnen laten rusten.‘ Toch krijgt de lezer geen hekel aan Olivier en dat is de verdienste van Banville. Hij geeft ons een inkijkje in de gedachten van zijn hoofdpersoon, die tevens de verteller is.
    ‘Ik schilderde altijd. Dat was mijn andere hartstocht, mijn andere drang. Ik was schilder. Ha! Het woord dat ik het eerst opschreef in plaats van ‘schilder,’ was ‘schelder.’ Een verschrijving, een vergissing. Wel toepasselijk. Eens was ik een schilder, nu ben ik een schelder. Ha! Ik zou moeten ophouden voor het te laat is!’

    De bedoeling van Olivier is om existentiële zaken te gaan regelen in de tijd, die hij vrijmaakt met de vervallen schildertijd. Maar dat pakt dus helemaal anders uit. Door zijn affaire met Polly gaat deze tijd weer verloren.

    Op de achtergrond speelt het feit dat het dochtertje van Gloria en Olivier op vierjarige leeftijd is overleden. Een dreun waar het huwelijk van de beide echtelieden behoorlijk veel averij door heeft opgelopen. Tussen de regels door wordt gesuggereerd dat het meisje helemaal niet door Olivier is verwekt. Het thema: ‘Niets lijkt wat het is!’ komt weer om de hoek.

    Stuurloos
    Het ergste in het leven van Olivier is dat hij stuurloos dreigt te raken en inschattingsfouten maakt. Hij wil zijn vriend Marcus vertellen van de verhouding met Polly, maar durft het uiteindelijk niet. En hij verlaat Gloria tijdelijk om bij Polly’s ouders in te gaan wonen. Zij willen niets van hem weten. En Banville schetst deze situatie kristalhelder: ‘Ik bracht de rest van de ochtend overal en nergens in het huis door, erop gebrand een volgende confrontatie te vermijden, zelfs op klaarlichte dag , met Polly’s getikte moeder. Ook was ik er niet erg op gebrand haar vader tegen te komen, die me naar ik vreesde vriendelijk maar beslist in een hoek zou weten te manoeuvreren en die van mij op zijn beschroomde wijze wel eens zou willen weten wat nu precies mijn plannen met zijn dochter waren, die een getrouwde vrouw was en bovendien ook eens twintig jaar jonger dan ik.’  

    Uiteindelijk komen deze confrontaties er niet. De ouders van Polly zijn verslingerd aan een Duitse Prins, Frederick Hyland, die in een vliegtuigje aangevlogen komt en het hart van Polly verovert.
    In zijn naïviteit denkt Olivier dat de verhouding niets te betekenen heeft, maar Polly heeft in het geniep al lang besloten er met deze Frederick vandoor te gaan . De zaken worden er niet makkelijker op wanneer blijkt, dat Gloria ook nog eens van Marcus in verwachting blijkt te zijn. Maar Marcus is met zijn auto in zee gereden en omgekomen.

    We hebben 310 bladzijden mogen genieten van de prachtige taal van Banville, de schitterende verwijzingen, alles gegoten in een fraaie vertaling van Arie Storm. Men leze!

     

  • Te hoog gegrepen

    Te hoog gegrepen

    In 2015 was het 25 jaar geleden dat Frans Kellendonk overleed. Arie Storm, een grote bewonderaar van zijn werk, heeft 9 jaar geleden in een onbewaakt ogenblik aan zijn uitgever toegezegd een biografie over Kellendonk te zullen schrijven; dat had hij beter niet kunnen doen. In 2015 komt hij tenslotte met een boekje van 144 pagina’s, dat een weinig verrassend, nogal dweperig en zeurderig pamflet is geworden.

    Storm heeft van het begin af aan gezegd dat hij geen klassieke biografie zou schrijven; de verwachtingen waren hoog gespannen en bovendien: had hij immers niet een knappe afstudeerscriptie over Kellendonk geschreven? Hij is nu gekomen met ‘een biografie die een roman is’. Een roman blijkt het evenwel ook niet te zijn; daarom laat hij verderop in het boek Kellendonk zelf zeggen dat het een testament is. Dat zou kunnen, althans wanneer aannemelijk wordt gemaakt dat Kellendonk via Storm nog enkele gedachten en opvattingen over het leven nalaat die de moeite waard zijn.

    Zo lezen we: ‘deze tekst (…) is één lange en wanhopige poging u een notie te bieden in mijn voor u met niets te vergelijken toestand; waar ik nu ben.’ Dat belooft weinig concreets maar wanneer we dan even verderop lezen: ‘Ik schrijf óók om enkele zaken recht te zetten’, hoop je daar wel op. Maar helaas, welke zaken dat zijn blijft in nevelen gehuld. Die worden ook niet duidelijk wanneer je het boek uit hebt; dan voel je als lezer wel het wanhopige van deze poging in.

    De constructie die Storm heeft gekozen, namelijk dat Kellendonk via hem weer tot leven komt en oorspronkelijke gedachten uit, waarmee de lezer meer inzicht zou krijgen in de opvattingen van de schrijver, werkt niet. Daarvoor lezen we veel te weinig over Kellendonk en teveel over Storm.

    De Stichting Frans Kellendonk Fonds heeft wegens Storms werkwijze en geringe voortgang van zijn arbeid een tweede biograaf aangesteld, hoewel Storm niet in opdracht van dat fonds werkte. Het Fonds vindt dat Kellendonk recht heeft op een klassieke biografie en verwachtte, gezien de aanpak die Storm heeft gekozen, niet dat die er zou komen, vandaar. ‘Die tweede biograaf’ komt in dit boek overigens ook voor en wel als iemand waaraan Kellendonk een hekel heeft; waarom wordt evenwel niet duidelijk.

    Biografie, roman, testament, vertelling?
    Hoe het ook zij: nu ligt er dit boek waarin Storm zich als biograaf presenteert, Kellendonk neergedaald is op aarde, op de schouder van Storm zit en kijkt wat zijn biograaf ervan maakt en ook zelf aan het woord komt. Veel belangwekkends levert dat niet op. We komen niet alleen weinig te weten over Kellendonk, Storm grijpt dit boek ook aan om kritiek te spuien op de praktijk van de Nederlandse literatuurkritiek, op enkele schrijvers en critici in het bijzonder (Adriaan van Dis, Kees Fens) en op de gang van zaken aan de universiteit. Kwesties die niets met Kellendonk te maken hebben. Storm memoreert wel de rumoerige ontvangst van Mystiek lichaam, en dan met name de beschuldiging van Aad Nuis over vermeend antisemitisme in het boek. Maar over die kwestie is al veel gezegd en Storm voegt daar niets aan toe.

    Hij gaat zelfs zo ver Kellendonk te laten zeggen al het eerbetoon aan hem, met bijvoorbeeld de jaarlijkse Kellendonk-lezing, te verafschuwen: ‘die gaat steevast naar prutschrijvers’. Zou Kellendonk dat zo hebben beschouwd? Die mening lijkt meer van Storm zelf te zijn dan van Kellendonk.

    Debat?
    Je vraagt je af wat Storm met deze publicatie wil. Zelf laat hij Kellendonk zeggen, dat ‘deze biografie een debat is tussen hem en mij, door mij via hem geschreven.’ Een debat waarover dan? We lezen over de zielenroerselen van beiden, over de obsessie van Storm met Kellendonk, maar een debat? We lezen hoe Storm in het leven staat en hoe Kellendonk daarop –fictief- reageert, maar een debat? Eigenlijk kan dat ook niet, want beiden zijn het roerend eens over wat er mis is met het literaire wereldje in Nederland, over wat goed schrijven inhoudt etc. Dus waarover debatteren? Er wordt veel gepraat, dat wel.

    Een voorbeeld:

    En nu de grote vraag: ben ik hier, in dit nieuwe boek van mij, deze biografie die een roman is, nu al in het door mijzelf gecreëerde labyrint verdwaald? Ben ik in een kansarme vertakking van een doodlopend gedachtespoor terechtgekomen? Nee – ik ben juist beland bij de kern van de zaak. Schrijven, goed schrijven, is alles doen wat verboden is. Goed schrijven is een labyrint creëren. Goed schrijven is in een visioen stappen. Ergens van getuigen. Opstaan uit de dood. Met deze woorden stap ik weer in het leven. In deze biografie flakkert mijn bewustzijn weer op. In deze biografie word ik weer tot leven gebracht. Goed schrijven is altijd het leven zelf. Goed schrijven komt eruit voort en creëert het leven zelf. Maar meestal zit je als schrijver toch gewoon aan je bureau. In het leven zelf ben je een afwezige. Waarmee we terug zijn bij het grootste probleem van een biograaf.’

    Wat staat hier eigenlijk? (‘verdwalen in je eigen labyrint’, ‘een kansarme vertakking van een doodlopend gedachtespoor’?) Waar gaat dit over? Krijg je hiermee inzicht in het werk van Frans Kellendonk, in zijn betekenis voor de Nederlandse literatuur? Werpt dit een nieuw licht op de schrijver, 25 jaar na zijn dood?

    Nawoord
    In zijn nawoord schrijft Storm dat zijn boek ‘ons allen, lezers, schrijvers, biografen, dienen te bewegen ons met nog meer waakzaamheid en visie toe te leggen op wat het betekent literatuur te schrijven en te lezen, en ons eigen belang daarbij zoveel mogelijk uit te schakelen.’ Hierin ligt de kern van de obsessie van Storm met Kellendonk: hij is namelijk een van de weinigen in Nederland die volgens Storm echte literatuur bedrijft; de rest valt daarbij in het niet.

    Dit boekje is geen moderne biografie over Kellendonk. Storm heeft natuurlijk alle recht om geen klassieke biografie te willen schrijven, maar is er niet in geslaagd een interessant alternatief te schrijven. Hij heeft zichzelf overschat.

    Het wachten is nu op de biografie van Jaap Goedegebuure.