• Vergeten document toont het begin van een schrijverschap

    Vergeten document toont het begin van een schrijverschap

    De naam Gerrit Komrij (1944-2012) roept misschien niet zozeer de romanschrijver en dichter in herinnering als wel de bloemlezer en (tv)criticus. Als gezaghebbend recensent kon hij carrières maken en verwoesten. Zijn vermaarde, vaak herdrukte De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in duizend en enige gedichten bepaalde onomstotelijk wie er wel en er niet toe deed in onze drukbeoefende dichtkunst. En wanneer hij zelf op de buis was om zijn kritisch zegje te doen hing heel Nederland aan zijn lippen.

    Komrij was geboren in de Achterhoek en ging medio jaren zestig in Amsterdam letteren studeren. Al gauw zei hij de universiteit vaarwel omdat de studie niet aansloot bij zijn ambitie om schrijver te worden. Ook de stad viel tegen en bood ondanks de aanstaande revolutie rond Provo niet de vrijheid die hij als homoseksueel en kunstenaar zocht.
    Hij vertrok naar Kreta dat in de jaren zestig na Ibiza het eiland van het grootse en meeslepend leven was geworden, het eiland van te vervullen dromen. Het wegglippen uit Amsterdam betekende niet dat hij voorgoed zijn schepen achter zich verbrandde. Na een jaar was hij weer terug terwijl de verten bleven lonken. Tenslotte vestigde hij zich, in 1984, met partner Charles Hofman in Portugal.

    Met één been, steviger en prominenter dan wie ook in onze letteren, bleef hij in zijn land van herkomst geankerd. Met argusogen volgde hij het reilen en zeilen in de kleine natie aan de Noordzee. Hilarisch en messcherp nam hij volksaard en culturele voortbrengselen op de hak in een onnavolgbare taal. Hij striemde erop los, vernietigender dan Du Perron, W.F. Hermans en Jeroen Brouwers, de ongenadige scherprechters met wie hij tot de ‘grote vier’ van de (literaire) kritiek kan worden gerekend. Vermakelijk zijn Komrij’s kritieken alleszins (gebundeld in onder andere Averechts), althans voor hen die menen dat de zweepslagen niet voor hun rug bedoeld zijn.

    In de Griekse episode (juni 1965 – juni 1966) ontstond de roman De lange oren van Midas, een zeer particulier aandoend werk waarin zelfs zijn vrienden uit die tijd met naam en toenaam genoemd worden. Door Arie Pos, de biograaf van Komrij, zijn behalve deze roman de nauwgezet bijgehouden dagboekbladen uit de Griekse tijd samengebracht in een bundel met dezelfde titel als de roman plus de toepasselijke ondertitel ‘Het begin van een schrijverschap’.
    Die verzamelde geschriften getuigen van grote literaire ambitie en de strijd van een buitenbeentje om een plaats in de samenleving. Komrij wilde volstrekt zichzelf zijn en voor zijn part in de ogen van anderen zonderling door het leven gaan. Beter misschien om te zeggen dat hij het exclusief bestaan begeerde dat hij later ook inderdaad leidde door letterlijk en figuurlijk afstand van Nederland te nemen en van daar heersende onoprechte opinies.

    Dat Komrij als literator net zo eigenzinnig in het leven stond dan als homoseksueel laat Gert Hekma zien in een stuk in deze editie van De Parelduiker. Ongeveer tegelijk met De lange oren van Midas is deze special over Komrij verschenen. Op het omslag een geslaagde karikatuur van zijn recente ponem.

    De essays in dit dikke nummer belichten de ‘gerijpte’ Komrij en bieden zo een aanvulling op het door Pos bezorgde boek. In enkele bijdragen wordt de ‘onaantastbare’ Komrij zoals velen hem zich vooral als bloemlezer en vertaler herinneren, getoond als zélf mikpunt van felle kritiek. Ook regelrechte tegenslagen heeft Komrij gekend zoals het stuklopen van zijn aspiraties als toneelschrijver. Een flemende hommage presenteert het Parelduiker-nummer gelukkig niet.

    Er zijn artikelen in opgenomen over Komrij’s binding met Zuid-Afrika, met name over de door hem beheerde literaire nalatenschap van Ingrid Jonker en de minder bekende maar in het land van herkomst verguisde bloemlezing Afrikaanse poëzie in 1000 en enige verzen. Daarnaast worden vele tot nog toe onderbelicht gebleven perioden behandeld zoals in de memoires van Komrij’s vroege uitgever C.J. Aarts en in een essay van Feline Streekstra over de eigengereide invulling die Komrij aan zijn functie van (eerste) Dichter des Vaderlands gaf.

    Het laatste woord in De Parelduiker is aan Arie Pos. Hij gaat in op de passie van zijn held voor tekstverwerking per computer. In zijn inleiding op Komrij’s roman en dagboek over het cruciale jaar 1965 -1966 waarin zijn ‘held’ op Kreta verbleef, belicht Pos uitvoerig en boeiend de dagen van de jonge, ambitieuze avonturier. Eigenlijk moet ‘Het begin van een schrijverschap’ als de hoofdtitel van de bijna 300 bladzijden van en over Komrij worden beschouwd. De niet eerder gepubliceerde roman en de dagboeknotities bieden immers een blauwdruk van de latere, volgroeide dichter, schrijver en criticus.

    In het romanfragment ‘Hercules’ uit 2004 dat het boek afsluit, blikt Komrij terug op de Griekse tijd als onvergetelijk, als een alles bepalende ervaring. Is de door Pos verkorte ‘debuutroman’ een vingeroefening waarin de gerijpte Komrij soms hoorbaar is, ‘Hercules’ zet hem ten volle neer als stilist en als de romancier die afstand neemt van zijn biografie en juist zó indringend over zichzelf schrijft.

    De volgende Kreta-passage zou evengoed veel later geschreven kunnen zijn. Toen al schemerde, de uit duizenden te herkennen stijl door: ‘Gisterenavond toen ik mijn werk aan kant had dacht ik opeens dat ik in Holland terug was, zo pips & schraaltjes & snotterig voelde ik me: een goede burgerpot stond op tafel. Ik moest er een boel van eten & met een houten klaas zou ik gaan sjoelen op de sjoelbak, als ik genoeg gezeten had & niet bleek van het hondje gebeten te zijn.’

    Met De lange oren van Midas of beter ‘Het begin van een schrijverschap’ heeft Pos van de te verwachten biografie een stevig voorproefje gegeven in een inleiding over de Komrij-in-een-notendop en in keuze en regie van diens ‘vergeten’ egogeschriften. En de Komrij-special biedt een veelkantig beeld van de figuur die beslist nog lang niet in het mausoleum van de Nederlandse letteren zal worden bijgezet.

     

     

  • Zes genomineerden voor de Filter Vertaalprijs 2013

    Voor de meest bijzondere vertaling van het jaar

    De Filter Vertaalprijs wordt jaarlijks toegekend voor de meest bijzondere vertaling die in het voorafgaande kalenderjaar is uitgekomen. De jury koos voor zes vertalingen van boeken uit verre landen, verschillende tijden en uiteenlopende talen. De winnaar wordt bekend gemaakt op 23 april tijdens de Internationale Literatuurdagen van Utrecht City2Cities

    De zes genomineerden:
    Hafid Bouazza voor Niets dan zonde: liefde, lyriek & liederlijkheid (een bloemlezing van   Arabische poëzie bij uitgeverij Prometheus)
    Mirjam de Veth voor Solange van de Franse schrijfster Marie Darrieussecq (uitgeverij Meulenhoff)
    Karol Lesman voor Steen op steen van de Pool Wiesław Myśliwski (uitgeverij Querido) Silvia Marijnissen voor haar bloemlezing van klassieke Chinese landschapsgedichten Berg en water (uitgeverij De Arbeiderspers)
    Arie Pos voor zijn vertaling van De Lusiaden (uitgeverij Atlas Contact) uit het Portugees van Luis de Camões;
    Aai Prins voor haar vertaling van de verhalen en novellen van Gogol (Verzamelde werken, Deel I, Van Oorschot).

    Aan de Filter Vertaalprijs is naast de eer een bedrag van 1000 euro verbonden. De prijs wordt mogelijk gemaakt door Uitgeverij Vantilt te Nijmegen. De jury bestaat uit Christiane Kuby (voorzitter) Ivo Smits en Ton Naaijkens. Een uitgebreide beargumentering voor de nominaties is te vinden in het nieuwe nummer van Filter, tijdschrift over vertalen. Ter gelegenheid van de prijsuitreiking wordt een feestelijk programma rond de genomineerde vertalingen georganiseerd door het internationale literatuurfestival City2Cities.

    Op onderstaande links meer informatie over de Filter Vertaalprijs 2013.

    www.vantilt.nl
    www.tijdschrift-filter.nl
    www.city2cities.nl

     


  • Nieuwe teksten van en over Slauerhoff

    Nieuwe teksten van en over Slauerhoff

    De acne van Clara Eggink
    Het heele leven is toch verloren is een bundeling van Slauerhoff-teksten: nagelaten en verspreide gedichten, briefwisselingen met een studievriend en met zijn laatste geliefde, een gecoupeerde herdruk van zijn dagboek, aangevuld met 2 essays: eentje over Slauerhoffs Verzameld Werk en eentje over zijn Utrechtse periode. Een gezellige restantopruiming voor een spotprijsje. Elke Slauerhoviaan moet het lezen, en ook iedereen die wil weten hoe Slauerhoff de acne op het voorhoofd van Clara Eggink bestreed. De literatuurliefhebber kan ook kiezen voor Slauerhoffs ‘echte’ werk. Daar valt nog veel te ontdekken.

    Gekwelde ziel met gebroken hart
    Het is verbazingwekkend hoeveel Slauerhoff in zijn korte leven (hij werd 38 jaar) heeft geschreven en gepubliceerd: tien dichtbundels, drie romans (Het verboden rijk, het leven op aarde, De opstand van Guadalajara), drie verhalenbundels (Schuim en As, Lente-eiland en De erfgenaam), en veel journalistiek werk en vertalingen. Slauerhoff wordt nog steeds gelezen en van de Verzamelde Gedichten ligt de 20e druk in de boekhandel. Zijn werk heeft echter bij benadering niet de aandacht gekregen van literatuurwetenschap en -kritiek die het verdient.

    Biografica alom
    Slauerhoffs leven ja, dat leidde tot een stroom boeken en andere artikelen. Drie biografieën (van Constant van Wessem, C.J. Kelk en ‘de definitieve’ van Wim Hazeu) en boeken en boekjes over Slauerhoff als student-auteur, als zeereiziger en als sloddervos (Slauerhoff, slodderhoff door Peter Dicker). Zijn reisreportages en journalistieke werk werden uitgegeven, evenals zijn correspondenties met een handvol vrienden, vriendinnen en collega’s. Vorig jaar verscheen Het heele leven is toch verloren. Gedichten, brieven essays. Ook hier weer biografica alom. Niels Bokhoven geeft in zijn essay een overzicht (met aanvullingen op Hazeu’s biografie) van de Utrechtse periode van Slauerhoff. In 1929 – 1930 deed die een halfhartige poging zich in het Academisch Ziekenhuis daar te specialiseren in huid- en geslachtsziekten. Hij verhuisde vaak, dubde over steeds weer andere toekomstplannen en kankerde op collega’s. Maar hij publiceerde ook Fleurs de marécage (Franse gedichten), Yoeng Poe Tsjoeng, Schuim en As, Saturnus, Het Lente-eiland, Serenade en een aantal vertalingen. Hoe dat in zijn werk ging, daarover kom je nauwelijks iets te weten. Wél weer over zijn ontmoeting met de danseres Darja Collin, de enige vrouw met wie hij ooit trouwde en van wie hij ‘tout a fait épris’ was, zoals hij schreef aan Roland Holst. Andere biografica zijn de briefwisseling met Maarten Vrij (1918 – 1923) en met zijn laatste geliefde Caridad Rodriguez (1935 – 1936). De laatste correspondentie geeft de zoveelste proeve van Slauerhoffs compromisloze maar hopeloos onpraktische aard. Al heen en weer schrijvend over een oceaan komt hij erachter dat het allemaal toch wel weer niks zal opleveren: ‘Intussen, mijn schat en geliefde, als je het wachten moe bent en de ander wil, wacht dan niet langer.’ Een paar maanden later zou hij sterven.

    Schrijver pur sang
    De correspondentie met studievriend Maarten Vrij maakt vooral duidelijk hoe toegewijd Slauerhoff werkte aan zijn oeuvre, en hoe hij met wisselend succes probeerde zijn gedichten, vertalingen, verhalen en journalistiek werk geplaatst, gebundeld en uitgegeven te krijgen. Na veel gedoe en beperkt succes bij De Nieuwe Stem (Henriëtte Roland Holst), de Beweging (Verwey) en anderen schrijft Slauerhoff: ‘Ieder moet zichzelf zeer luide proclameeren, of moet een claque, een kring, een partij hebben om zich te doen proclameeren. En dan nog langzaam. […] Ach wij jeugdigen.’ Uiteindelijk vond hij onderdak bij het expressionistische ´t Getij en nog later Forum. En tegen het einde van zijn leven kwam de erkenning in de vorm van literaire prijzen en verkoop, maar toen was het – veel te vroeg – te laat. Wie des schrijvers ziel verder wil doorgronden kan zich verliezen in Slauerhoffs Dagboek 1926 – 1928. Ooit gepubliceerd in een beperkte oplage, direct uitverkocht, nauwelijks meer antiquarisch te krijgen en nu herdrukt. Maar dan zonder de reisbeschrijvingen die al werden opgenomen in een andere uitgave voor Slauerhovianen: Alleen de havens zijn ons trouw. Diepe zucht. Wel mooie beschrijvingen van opiumgebruik en de bijbehorende dromen – die later weer een plek vonden in zijn fictie.

    Blijft over de poëzie, een stuk of 30 gedichten die alleen te vinden waren in uitgaafjes van margedrukkers, verschijnen hier voor het eerst in een toegankelijke uitgave. Aangevuld met een (1) ongepubliceerde vertaling van een Spaanse copla. De gedichten zijn van alles maar vooral niet voldragen en voltooid. Wél interessant, zoals iedere loslopende komma van de arme man dat onderhand is. Onrijp jeugdwerk ‘Och arme kindje  / in grooten stad / ‘k wou dat ik je heel dicht / bij me had.’ Een poging door een omgekeerde verrekijker naar de wereld te kijken: ‘Het lijkt een vlooitheater / Doe maar of je ’t niet kent.’ En meer van wat we al kennen: ‘Ik kan niet zeggen hoe ik Holland haat’, onvoltooid maar met karakteristieke slotregel: ‘Maar ook in ’t mooiste ijs is wel een wak.’ En dan zijn er schimpdichten die onder de titel Drie confrontaties bijeen zijn gezet en toegelicht door Arie Pos. Goed voor de literatuurgeschiedschrijving, minder boeiend voor de letterlievende.

    Een heel nieuwe Slauerhoff
    Al wil je iedere letter van Slauerhoff lezen, dan toch word je ongelukkig van Het heele leven is toch verloren. Ondanks alle goede bedoelingen en interessante inhoud. Met iedere nieuwe publicatie van weer andere oude snippers vermindert de waarde van de Verzamelde Werken en wordt het beeld bevestigd van Slauerhoff als een slordig auteur die maar een eind wegschreef. Terwijl vrijwel alle nagelaten, onvoltooide en anderszins niet in de Verzamelde Werken opgenomen teksten toch afkomstig zijn uit één en dezelfde bron: de ‘befaamde zeemanskist met handschriften en andere documenten, door Slauerhoff nagelaten, nadat hij ze nog op zijn laatste ziekbed had geordend.’ Menno Voskuil beschrijft in zijn essay ‘Eén ding, niet teveel komma’s. Over de totstandkoming van Slauerhoffs Verzamelde Gedichten’ hoe de inhoud van die kist werd verrommeld, versnipperd en verknipt. Die scheepskist namelijk, werd in 1937 afgeleverd bij K. Lekkerkerker, die gesteund door een Commissie van wijze mannen (lees: ex-vrienden van Slauerhoff) de bezorging van het Verzameld Werk op zich nam. Hij had daarbij het recept te volgen van E. du Perron, die claimde dat de auteur het zo gewild zou hebben: de tijdens Slauerhoffs leven gepubliceerde bundels moesten worden beschouwd als niet meer dan ‘kernen’, die moesten worden aangevuld met andere gedichten uit diezelfde periode. Nagelaten, verspreid gepubliceerd, voltooid of niet, dat bleef in het vage. Het recept was vooral goed voor een editoriale nachtmerrie. Lekkerkerker ging manmoedig aan de slag en voltooide de editie. Toen NRC in 1980 (43 jaar later, dus) eens informeerde waar de beloofde tekstverantwoording bleef, gaf Lekkerkerker toe dat hij niet meer achter de uitgave stond. Omdat er zoveel nieuwe brieven en documenten waren opgedoken, zei hij. Maar ook omdat de editietechniek zich had ontwikkeld tot een volwaardige hulpwetenschap, die het mogelijk maakt overzicht en helderheid te creëren, waar de aanpak van Lekkerkerker (conform Slauerhoff, aldus Du Perron) leidde tot treurigheid en de nadruppelende stroom publicaties waar Het heele leven is toch verloren een voorbeeld van is. Hoog tijd dus voor ‘een geheel nieuwe Slauerhoff’ zegt Voskuil Lekkerkerker na. Als zijn essay daaraan kan bijdragen, dan is deze uitgave meer dan gerechtvaardigd.

     

    J. Slauerhoff, Het heele leven is toch verloren
    Gedichten, brieven, essays.

    Samenstelling Arie Pos en Menno Voskuil.
    Utrecht, (Het Literatuurhuis. Serie ‘Literaire Meesters’), 2012.
    Aantal pagina’s: 250
    Prijs: € 12,50 (2e druk verkrijgbaar vanaf 14 januari 2013).

     

  • Een literaire tango

    Een literaire tango

    Het is mogelijk een dans te vangen in woorden, dat bewijst Christovão Tezza met zijn roman Een emotionele fout. Het tergende ritme van de tango – de verticale expressie van het horizontale verlangen – zet de toon voor een ingetogen verhaal over kwetsbaarheid. De twee hoofdpersonages die in de roman worden geportretteerd hebben moeite toe te geven aan hun passie voor het leven, de liefde en de literatuur. Maar nog moeilijker is het voor hen om de juiste balans te vinden tussen toenadering en persoonlijke grenzen. Zeker na de brutale, maar eerlijke openingszin, waarmee schrijver Paulo Donetti de ‘geremde’ Beatriz tot zijn danspartner maakt: ‘Ik ben verliefd op je geworden.’

    Christovão Tezza (1952) is in Brazilië een veelgelezen en geprezen auteur. Hij was tot 2009 hoogleraar Portugees aan de universiteit van Paraná. Inmiddels heeft hij zijn volledige aandacht gericht op het schrijven van literatuur. Reflectie op het auteurschap komt naar voren in Een emotionele fout, maar ook in Eeuwig kind (2009), het enige andere werk van Tezza dat is vertaald in het Nederlands. Daarnaast zijn introspectie, schaamte en het accepteren van andermans en eigen gebreken in beide romans belangrijke thema’s. Het autobiografische Eeuwig kind, waarin een vader openhartig de relatie met zijn gehandicapte zoon beschrijft, werd met name gewaardeerd vanwege de pijnlijk eerlijke bekentenissen. In zijn nieuwste roman laat Tezza zijn personages wederom kritisch naar zichzelf kijken, waardoor ze tot confronterende inzichten komen.

    Feitelijk gebeurt er weinig in Een emotionele fout. De ooit succesvolle schrijver Donetti komt op bezoek bij redactrice Beatriz, omdat hij samen met haar wil werken aan zijn nieuwe boek. Beatriz is een groot liefhebber van Donetti’s werk en onder de indruk van deze man, die haar bij binnenkomst zo van haar stuk brengt met zijn onverwachte liefdesverklaring. Gedurende het verhaal verstrijken er slechts enkele uren, waarin de twee personages een ogenschijnlijk oppervlakkig gesprek voeren. De voorzichtige, zoekende woorden die ze tot elkaar richten brengen echter twee diep gekerfde levensgeschiedenissen naar boven. Donetti en Beatriz maken los van elkaar de balans op: hoe hebben ze hun levens geleid en waarom hebben ze bepaalde keuzes gemaakt? Beatriz komt er langzamerhand achter dat ze zichzelf steeds heeft afgesloten voor de buitenwereld, zodat de intensiteit van zowel liefde als verdriet altijd werd getemperd. Zelfbescherming, wellicht, maar ook zelfkastijding. Donetti daarentegen heeft zich altijd verscholen achter de bravoure van de briljante schrijver: hij speelde de charmeur, de verlichte geest, de literator pur sang. Dat hij zich eigenlijk helemaal niet kon vinden in zijn eigen verwachtingspatroon, daar dacht hij liever niet over na.

    De lezer wordt door Tezza op de proef gesteld tijdens het lezen van Een emotionele fout. Het vergt wat geduld om de gedachtesprongen van de personages, die met horten en stoten (zoals dat gaat met associaties) worden gebracht, te volgen. Af en toe laat de auteur de belevingswerelden van de personages kunstig in elkaar overvloeien, spelend met het vertelperspectief. De twee losstaande bewustwordingsprocessen worden zo met elkaar verbonden, waardoor een coherente verhaallijn ontstaat. De wijze waarop Tezza de dialogen laat overgaan in persoonlijke herinneringen, wordt op den duur wel een ‘maniertje’, wat lichtelijk irriteert. Er wordt steeds ‘bijna’ geantwoord, ‘bijna’ iets gezegd, ‘bijna’ een zin toegevoegd, kortom: er worden allerlei scenario’s bedacht maar niet uitgevoerd. Deze bedachtzaamheid is natuurlijk veelzeggend: ‘Ik stond open voor de teksten van Cássio die ik las, ik wilde echt dat ze goed waren, overwoog hij aan Beatriz te bekennen, terwijl ze zwijgend naar de ketel keek alsof ze het koken met de kracht van haar denken wilde versnellen, en ook dat overwoog hij hardop te zeggen, alsof hij aan haar schreef, zodat – de warme wijn in zijn hand, en hij keek naar de tafel, denkend aan de fles.’ De angst iets verkeerds te zeggen, te voortvarend of juist te terughoudend te zijn, wordt duidelijk benadrukt. Na enige tijd maakt dit het verhaal helaas wat slepend. Wie het volhoudt, wordt uiteindelijk wel beloond met een paar veelbelovende ontknopingen.

    De lange zinnen, met abrupt afgebroken zinsdelen en vele terzijdes, vergen eveneens een lange adem van de lezer. Het taalgebruik van Tezza is veelzijdig en hij strooit rijkelijk met literatuurwetenschappelijke, psychoanalytische en filosofische termen. Ronduit storend is het terugkerende gebruik van de term ‘autisme’, waar feitelijk een naar binnen gekeerde gemoedstoestand wordt bedoeld. Dit zou het gevolg kunnen zijn van een verkeerde interpretatie van de vertaler. Verder vervalt de schrijver soms in clichématige bewoordingen of al te opzichtige verwijzingen: ‘(…) en hij keek naar de pizza voor zich als naar de madeleine van Proust, en zei dat bijna hardop, (…)’.  Deze technieken maken van Een emotionele fout een gekunstelde roman, iets wat door Tezza misschien juist wordt beoogd. ‘Wees precies met woorden, dat is het enige wat van een schrijver wordt gevraagd, de rest is irrelevant, (…)’ schrijft hij, en ook: ‘(…) nee, ik wil geen zin geven aan de wereld, ik wil geen stukjes van wat dan ook aan elkaar lijmen, wat ik wil is de wereld haar zin ontnemen, juist het tegendeel, ik wil die hang naar orde demonteren tot aan het laatste moertje, maar ook dat bleef incoherent, louter de irrationele impuls vermomd als standpunt of kritische blik; (…)’.

    Een emotionele fout is een psychologische roman, waarin wordt beschreven hoe mensen worden beïnvloed door verwachtingspatronen van anderen en van zichzelf. Donetti en Beatriz proberen zich te ontdoen van de sluiers die zich één voor één om hun binnenste hebben gewikkeld. Ze hebben geheimen, net als de tango: ‘The tango can be debated, and we have debates over it, but it still encloses, as does all that is truthful, a secret.’ (Jorge Luis Borges) De pretentieuze schrijfstijl van Tezza strookt weliswaar niet helemaal met de ingetogen thematiek, maar het boek biedt wel een paar interessante vraagstukken die het verdienen om nog eens goed overdacht te worden.