• Oogst week 28 – 2023

    Gripsholm, een kasteelroman

    In een brief aan de bekende schrijver Kurt Tucholsky (1890 – 1935) heeft zijn uitgever een opmerkelijk verzoek. Hij vraagt hem om een klassiek liefdesverhaal te schrijven: ‘[…] Maar nu wil ik toch graag weer terug naar de ‘schone literatuur’. Heeft u niets liggen? Wat dacht u van een liefdesgeschiedenis? Denk er eens over na! […]’

    En Tucholsky antwoordt: ‘[…] Tja, een liefdesverhaal… Vereerde meester, hoe stelt u zich dat voor? Liefde in tijden als deze? Doet u aan liefde? Wie kan zich vandaag de dag nog liefde permitteren?
    Dan liever een klein zomerverhaaltje. […]’

    De uitgever: ‘[…] Mensen willen naast politiek en actualiteit ook iets hebben om aan hun vriendin cadeau te doen. U wilt niet geloven hoe ze daarom zitten te springen. Ik denk aan een klein verhaal, niet te omvangrijk, zo’n 100 à 120 pagina’s, iets voor het gemoed, gekartonneerd, een tikkeltje ironisch en met een kleurig omslag. Voor de inhoud hebt u alle vrijheid. […].

    En zo zou, na ook nog wat gesteggel over royalties, Tucholsky het boek Gripsholm geschreven hebben. Toch wat anders dan hij, bekend als pacifist, satiricus, journalist en schrijver van vlijmscherpe verhalen normaal schreef.

    Gripsholm, een kasteelroman speelt in Zweden. Het lijkt een gewone liefdesroman met de daarin voorkomende standaard thema’s. Maar het is meer. Gripsholm verscheen in 1931 en buiten de muren van het kasteel, in de echte wereld, wordt het mondiaal steeds onaangenamer. Tegen die achtergrond is het geschreven.

    Slot Gripsholm bestaat echt. Het staat in Zweden, in het plaatsje Mariefred op nog geen 100 kilometer van Stockholm. Tucholsky woonde vele jaren van zijn leven in Zweden en is daar ook begraven.

    Gripsholm, een kasteelroman
    Auteur: Kurt Tucholsky
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Mauk

    Sommige kinderen kunnen eindeloos spelen met een imaginair vriendje of vriendinnetje. Dat neemt soms extreme vormen aan. Dat andere kind ‘bestaat echt’ en vormt in het ene geval een fijn speelkameraadje, maar biedt soms ook steun.

    Zou iets dergelijks in Mauk aan de hand kunnen zijn? In deze nieuwe roman van de Vlaamse schrijver Jan van Toortelboom denkt de inmiddels oud geworden en zieke hoofdpersoon terug aan zijn kindertijd. Daarin werd hij – in gedachten – tegen zijn vader beschermd door een grote stoere broer. Het was de enige manier voor de jongen om zich staande te kunnen houden.

    Op zijn eigen website schrijft de Vlaamse schrijver Jan van Toortelboom het ontstaan van zijn schrijverschap toe aan de vroege dood van zijn moeder: ‘als een mens zo jong kan sterven, dan wil ik mijn tijd zinvol doorbrengen en tegelijkertijd betekenisvol zijn voor anderen.’

    Mauk is zijn zesde roman. Over zijn romans, bijvoorbeeld De verzonken jongen, Meester Mitraillette en De man die haast had schrijft hij dat ze hem en anderen hielpen, ‘zoals alleen waarachtige verhalen dat kunnen’.

    Mauk
    Auteur: Jan van Toortelboom
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact

    Satori in Parijs

    In Satori in Parijs brengt Jack Kerouac tien dagen door in Parijs, op zoek naar zijn Franse voorouders. Het maakt een verpletterende indruk op hem.
    ‘Satori’ uit de titel van dit boek is geen eigennaam zoals je misschien in eerste instantie verwacht, maar een Japans begrip.

    Kerouac kan dat het beste zelf uitleggen:

     ‘[…] in feite was het een satori: het Japanse woord voor “plotselinge verlichting”, “plotseling ontwaken” of simpelweg “klap voor je kop”. – Hoe je het ook wilt noemen, er is echt iets gebeurd en in mijn eerste mijmeringen na de reis nu ik weer thuis ben en orde probeer te scheppen in de chaotische overvloed van gebeurtenissen van die tien dagen, komt het me voor dat de taxichauffeur Raymond Baillet me de satori heeft bezorgd, andere keren denk ik dat het mijn paranoïde angst is geweest in de mistige straten van Brest in Bretagne om drie uur ’s nachts, andere keren denk ik dat het Monsieur Casteljaloux was met zijn oogverblindend mooie secretaresse (een Bretonse met blauwzwart haar, groene ogen, voortanden precies ver genoeg uit elkaar tussen lippen om op te eten, witte trui van gebreide wol, gouden armbanden en parfum) of de ober die tegen me zei: “Paris est pourri”(Parijs is verrot) of de opvoering van Mozarts Requiem in de oude kerk van St. Germain de Prés met extatische violisten die vol vreugde met hun ellebogen zwaaiden omdat er zoveel gedistingeerde mensen hutje mutje in de banken en op de aangesleepte stoelen hadden plaatsgenomen (en buiten is er mist) of, in hemelsnaam, wat? De rechte bomenlanen van de Tuilerieën? Of het razende geslinger van de brug over de van feestgedruis gonzende Seine die ik overging terwijl ik m’n hoed vasthield in het besef dat het niet de brug was (die provisorische bij de Quai des Tuileries) maar ikzelf die slingerde van te veel cognac en zenuwen en slapeloosheid en de vliegreis van twaalf uur vanaf Florida met in de tussentijd vliegveldzorgen, of bars, of angsten?’

    Op de flaptekst wordt  Satori in Parijs ‘een bevlogen verhaal over filosofie en identiteit’ genoemd en ‘een verkenning van zijn eigen begrip van het boeddhisme’.

    Satori in Parijs
    Auteur: Jack Kerouac
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Grootse literatuur vergt enige studie

    Grootse literatuur vergt enige studie

    Een boek bespreken dat bestaat uit prachtige volzinnen vol onopgeloste raadsels uit een droomwereld is eigenlijk onbegonnen werk. Lees maar: ‘”Ik ben je vriend, Philippe,” zei meneer Janeu eenvoudig, maar met een wonderbaarlijk gezag. Steeny (bijnaam van Philippe, HV) heeft bruusk zijn hoofd opgericht en in een flits – o, absurde droom! – meent hij in de ander de voorbeschikte begeleider van zijn leven te herkennen, de gids die hem zal inwijden, de held die hij door zoveel boeken heen achterna heeft gezeten. En bij het doen van die ontdekking, zo afwijkend van alles wat hij had verwacht, heeft hij het gevoel dat zijn borst verteerd wordt door hetzelfde heimelijke vuur dat die man daar onder zijn armzalige wollen jopper opvreet; en om een bespottelijke snik te smoren gooit ook hij zijn hoofd naar achteren, tart hij Joost mag weten welke uitdaging van dit huis en zijn geheime machten, vlijtige dienaren van het meest geheime van alle geheimen, de dood – de dood die zo dicht in de buurt onder hun voeten zijn werk doet…’

    Meneer Janeu (in het Franse origineel: Monsieur Ouine) van Georges Bernanos (1888-1948) behoort volgens literatuurkenners tot de categorie van Dylan Thomas’ Under Milk Wood en James Joyce’s Ulysses: grootse literatuur die veel inspanning van zijn lezers vergt. Je komt er niet uit met één keer lezen, het vergt studie.
    Georges Bernanos werd tijdens zijn leven al beschouwd als een belangrijke Franse schrijver. Zelf vond hij ‘Monsieur Ouine’ zijn meesterwerk, maar door allerlei omstandigheden kwam het pas na zijn dood uit en kreeg in de laatste decennia voor het eerst grote aandacht.

    Vertaler Ard Posthuma, die vijftig jaar lang door deze roman werd geobsedeerd schreef een broodnodig nawoord bij zijn vertaling van Monsieur Ouine waarin hij zegt: ‘het titelpersonage zou allang de bekendheid moeten hebben van pakweg een Raskolnikov, Joseph K. of Ferdinand Bardamu. Maar aangezien het niet zo is en dit uitermate complexe, nooit eerder in het Nederlands vertaalde werk bevrijd dient te worden uit het reservaat waarin het in de literatuurgeschiedenis door een ongelukkige samenloop van omstandigheden terecht is gekomen, houd ik het toch voor wenselijk duidelijk te maken hoe het komt dat we hier een van de best bewaarde geheimen van de twintigste-eeuwse Franse literatuur voor ons hebben liggen.’

    Aan zo’n volzin is te zien dat hij als vertaler uitermate geschikt is voor het vaak ingewikkelde proza van Bernanos.
    En zijn uitleg kan de lezer goed helpen bij het begrijpen van Meneer Janeu, een roman waarin een veertienjarige jongen (Philippe, bijgenaamd Steeny) in een klein dorp probeert zichzelf te bevrijden uit het ouderlijk huis en op zoek gaat naar een spiritueel leider maar klem raakt in de omhelzing van monsieur Ouine, een bejaarde taaldocent. Voer voor volhardende lezers.

     

  • ‘Halverwege ergens een diepe kuil’

    ‘Halverwege ergens een diepe kuil’

    Dat van Simeliberg, het nieuwe werk van Michael Fehr ook een hoorspelversie bestaat, zoals vertaler Ard Posthuma in zijn verhelderende nawoord schrijft, mag geen verwondering wekken voor wie de roman heeft gelezen.
    Een toneelstuk, waarin verschillende stemmen naast die van de verteller de verhalende structuur bepalen. Je kunt dat een min of meer willekeurige keuze noemen van de auteur om zijn tekst in afgebroken regels te presenteren, zodat die op poëzie gaat lijken, ook vanwege zich repeterende fragmenten, of zoals toneelteksten van bijvoorbeeld Samuel Beckett over de pagina worden verdeeld. Maar die willekeur is natuurlijk maar schijn.

    Simeliberg doet ook denken aan het werk van Bert Schierbeek, aan diens Weerwerk, Betrekkingen en Binnenwerk bijvoorbeeld. Schierbeek zou best iets te vertellen hebben gehad over dit werk van Fehr, waarin stemmen een primaire rol spelen.
    In een interview met John Vandenbergh, aan het slot van Schierbeeks Het dier heeft een mens getekend (1960) reageert Schierbeek op de opmerking dat zijn werk hardop gelezen moet worden met: ‘Kijk, lezen zijn de mensen verleerd door het lezen van zinnen, die ze steeds weer tegenkomen en die ze dus wel kunnen dromen. Zij zijn gewend aan een slordig gebruik van woorden, aan een voertaal, die een soort vervoerstaal is, die allang met de klank der woorden en dus ook met de betekenissen heeft afgedaan. (….) Hardop lezen kan hen dus helpen om de taal weer te horen, de klankomschreven betekenissen weer tot het oor door te laten dringen.’

    Fehr verdeelt samengestelde zinnen over meerdere regels, die af en toe door andere zinsfragmenten worden onderbroken. Dat dwingt tot teruglezen, zodat het bewust vertraagde leesproces de lezer dicht bij de tekst brengt. De lezer krijgt niet de gelegenheid om te verslappen, op straffe van onbegrijpelijkheid.
    Ook het genoemde werk van Schierbeek wint aan zeggingskracht door het voor te lezen, maar daarmee houdt elke vergelijking ook wel op. Simeliberg is een soort Kammerspiel, beperkt in ruimte en tijd en in het aantal personages, geheel in tegenstelling tot bijvoorbeeld een uitdijend universum als Betrekkingen van Schierbeek.

    Simeliberg is een krimi en zoals elke goede krimi ook een thriller, die speelt in een Zwitsers gehucht. Een geheel atypische locatie ook, voor wie zonovergoten, al dan niet besneeuwde bergtoppen verwacht. Regen, modder, een beetje sneeuw en klamme, natte kou bepalen de grijzige sfeer, waarin de intrige zich voltrekt.

    Griese, de Duits-Zwitserse hoofdpersoon, gemeentesecretaris  van het dorp, raakt verstrikt in het web van een ultranationalistische beweging van jongeren, wiens onvermoede voorman een boer is die in een groot huis in het dal woont. Schwarz heet de eenzelvige man, die zijn ideeën aan Griese opdist, wanneer de laatste hem komt afhalen voor een onderzoek door de sociale dienst in de nabijgelegen stad in de persoon van mevrouw Weiss. Schwarz wordt meegenomen vanwege de aanhoudende geruchten in het dorp dat hij zijn vrouw, die al tijden niet meer in het dorp gesignaleerd is, zou hebben vermoord.

    De wereld gaat ten onder aan lafhartigheid en slampamperij en de enige uitkomst is vestiging op de rode planeet om de beschaving opnieuw te beginnen, aldus Schwarz. Zijn jeugdige bentgenoten, onder wie de zoon van de vrouw met wie Griese een verhouding heeft, hebben geen zin om te wachten op verhuizing naar Mars. Zij willen om te beginnen de zwakken en nuttelozen alvast elimineren, zodat alleen een sterk ras overblijft. Maar Schwarz verdenken ze ervan dat hij de zaak heeft belazerd, dat hij met de door hen bijeengebrachte honderdduizenden franken er tussen uit wil knijpen.

    Griese, die in het dorp vanwege zijn afkomst – geen volbloed Zwitser – eigenlijk een outcast is, ondanks zijn centrale functie, gaat op eigen onderzoek uit naar de dood van de vrouw van boer Schwarz, vooral ook omdat hij naar zijn zin door de politie en sociale dienst van heel weinig informatie wordt voorzien, terwijl zijn dorpsgenoten van hem het naadje van de kous willen weten. Maar de onfortuinlijke Griese komt ook toevallig de in zwarte uniformen samenspannende ultranationalistische organisatie op het spoor.

    Uiteindelijk zal blijken dat de vrouwelijke rechercheur, die het onderzoek leidt, de sleutel tot het lot van Griese in handen heeft. Halverwege het werk wordt de lezer, via een advies van haar aan het naar de afgelegen boerderij afdalende politiecorps, al gewaarschuwd: ‘….als ik jullie was/zou ik niet verder rechtdoor lopen/halverwege moet ergens een diepe kuil zitten…’
    In die (figuurlijke) kuil blijkt aan het slot Griese te vallen, zonder schuld, maar ook zonder alibi.

    Simeliberg is een prachtig leesavontuur en schitterend vertaald door de uiterst veelzijdige taalvirtuoos Ard Posthuma. Wat wil je nog meer, Fehr zijnde, met zo’n klassevertaler?

     

  • Oogst week 48 – 2018

    De zwarte heer Bazetub

    Albert Vigoleis Thelen (1903-1989) is een Duitse schrijver die tijdens de oorlogsjaren zijn land ontvluchtte en vriendschappelijke banden onderhield met Nederlandse schrijvers als Albert Helman en Hendrik Marsman. Van 1947 tot 1954 woonde hij met zijn vrouw in Amsterdam. Zijn debuut Het eiland van het tweede gezicht werd in vertaling van Wil Boesten, in 2004 een zogenaamde culthit. In De zwarte heer Bazetub (Der schwarze Herr Bahßetup, uit 1956) en onlangs ook vertaald door Wil Boesten, is een omvangrijke autobiografische roman. Thelen was namelijk ook vertaler vanuit het Portugees en in de jaren na de oorlog krijgt hij de opdracht als tolk en gids op te treden voor de Braziliaanse professor Da Silva Ponto. Deze professor moet een toespraak houden bij het Vredespaleis in Den Haag.

    Thelen loodst deze ‘heer en meester Bazetub’ door het naoorlogse Amsterdam en Den Haag.
    Ondertussen raakt de vredesconferentie van de professor steeds verder uit het zicht en worden er honderden zijpaden bewandeld, waarmee Thelen zijn opdrachtgever gerust wil stellen. Waar ze komen laten ze een spoor van verwarring na. Professor ‘Bazetub’ heeft zijn missie al lang uit het oog verloren. Thelen loodst hem door het verregende Amsterdam, zorgt dat hij anarchistische fietsers overleeft en regelt voor de professor een extra trein naar Den Haag voor een zitting in het Vredespaleis. Kortom, Thelen doet vreselijk zijn best om zijn rol als privésecretaris tot het slot dapper te volbrengen.
    De heer Bazetub – de rechtsgeleerde en minister Manuel Francisco Pinto Pereira (1889-1956) – heeft inderdaad met tolk Albert Vigoleis Thelen door de randstad gedwaald.

    De zwarte heer Bazetub
    Auteur: Albert Vigoleis Thelen
    Uitgeverij: Cossee

    Simeliberg

    Onlangs was de Zwitserse schrijver Michael Fehr (1982) in Nederland en maakte nogal indruk op het Crossingborderfestival met zijn enthousiaste vertelkunst. Naast schrijver is Fehr ook performer en woont sinds kort in Londen. Hij publiceerde drie boeken. Voor hij de roman Simeliberg af had, won hij in 2014 met een fragment uit Simeliberg al twee literaire prijzen: de Kelag-Preis en de Preis der Automatischen Literaturkritik in Klagenfurt.
    Simeliberg wordt omschreven als een poëtische krimi. Er komt een berg in voor waar lijkwagens af en aan rijden. Er is sprake van een geldschat in de la van een vereenzaamde oude boer. Diezelfde boer wordt verdacht van moord op zijn vrouw. Er is de gemeentesecretaris Anatol Griese, die als taak heeft de vereenzaamde boer in te rekenen. Hij wordt met zijn jagershoed en buitenmodel emigrantengeweer door de plaatselijke bevolking argwanend bekeken en door de betreffende instanties van het kastje naar de muur gestuurd.
    Een afspraakje bij een bevriende boerin vormt het begin van een fatale kettingreactie, waarbij Griese zich meer en meer verstrikt in zijn taak en de intrige zich (volgens de achterflap) ontrolt als een tragikomische zwart-witfilm.

    Simeliberg
    Auteur: Michael Fehr
    Uitgeverij: Koppernik BV

    Kluger Hans #35

    Literaire tijdschrift Kluger Hans kiest voor veelstemmigheid in de editie Denkmal. Met fysiek-beeldend werk: ‘Fleeting Parts’ van Milena Naef, bestaand uit marmeren beeldhouwwerken waaruit gaten zijn gehouwen die perfect rond lichaamsdelen passen (zie ook de cover). Veel bijdragen in deze editie waarin tekst en beeld een relatie met elkaar aangaan, zoals het werk van schrijfster Marjan de Ridder dat zich verbindt met het werk van kunstenares Femme ter Haar.
    Er is werk in opgenomen van jonge dichters en schrijvers die aan elkaar gekoppeld werden tijdens een residentie van een week. Mooi beeldend werk met eenvoudige, maar sterk sprekende teksten als: ‘hun kind schrijft op de muur van een toilet: ‘Bel mij als je eenzaam bent’ gaat naar huis en vergroeit daar verder met de muren(…)’. Een zeer veelzijdige editie die in de kern het thema draagt: ‘onschuldige woorden bestaan niet, onschadelijke beelden evenmin’.
    Verhalen van Annelies Leysen, Dennis Pauwels en Felix Sandon. Een editie waar je niet gauw op uitgekeken en in uitgelezen raakt.

    Kluger Hans #35
    Auteur: redactie

    Hoop over been

    De titel van de derde bundel van Joep Kuiper Hoop over been ligt dicht tegen ‘Vel over been’ aan. Dat laatste duidt op uitputting, schraalte het einde nabij en zo meer van alles wat te weinig is. ‘Hoop over been’ geeft het tegenovergestelde aan: er is hoop. Hoop, om kaalslag te omhullen, te vervullen met woorden, met poëzie.
    Hierbij een gedicht uit de bundel:

    jij was het

    ja! ik dacht dit ben jij, en jij was het
    die woord noch bon teruggaf, nooit reageerde
    op de bekentenissen van mijn wegmisbruik,
    de lijst met doden,

    jij was het
    die mij niet wilde arresteren;
    ik smeekte je, dan toch op zijn minst een
    proces-verbaal,

    een nachtje in een warme cel
    een chocolademelk eventueel, en als het echt
    niet anders kon,
    een executie hier en nu, in de sneeuw

     

    Hoop over been
    Auteur: Joep Kuiper
    Uitgeverij: Karaat