De Britse Grace Blakeley (1993) noemt zichzelf een democratisch socialist. Ze denkt en schrijft aan de linkerkant van het politieke spectrum en is groot criticaster van het kapitalisme, tot uiting komend in boeken als The Corona Crash – How the Pandemic will Change Capitalism en Stolen – How to save the World from Financialisation. Ze studeerde in Oxford PPE, een combinatiestudie van filosofie, politicologie en economie. Oxford begon met deze studie in de jaren twintig van de vorige eeuw, andere universiteiten volgden later. Volgens de BBC domineert de Oxford PPE het publieke leven in het VK. Waar of niet, Grace Blakeley treedt veelvuldig naar buiten met haar boeken, artikelen en commentaren die ze ook in talloze tv-programma’s ten beste geeft.
Begin juni verscheen Aasgierkapitalisme – Bedrijfsmisdaden tegen de menselijkheid (Vulture Capitalism – Corporate Crimes, Backdoor Bailouts and the Dead of Freedom). ‘De “vrije markt” is in werkelijkheid een planeconomie van de superrijken’ staat achterop het boek, vermoedelijk een citaat van Blakeley. Zij ziet overal om ons heen een falend en corrupt systeem. Ze betoogt dat economische elites een mondiaal systeem hebben opgetuigd, het ‘aasgierkapitalisme’, waarvan voornamelijk de superrijken profiteren. Ze geeft inzicht in honderd jaar bedrijfscriminaliteit en politieke manipulatie die aan dat systeem hebben bijgedragen. Bij economische onstabiliteit redden overheden grote bedrijven en aandeelhouders, maar het volk, de gewone mensen, wordt aan zijn lot overgelaten. De economie moet gedemocratiseerd worden, zegt Blakeley, het is de enige manier om ongelijkheid en polarisatie op te heffen en iedereen vrijheid te garanderen.
Auteur: Glace Blakeley
Uitgeverij: De Arbeiderspers
Zeven dieren bijten terug
‘Mijn helden zijn niet de ijszeeverkenners uit de zestiende eeuw. Hen laat ik verspreid over de bladzijden uitwaaieren als dwaalgasten. Op het hoofdpodium plaats ik de dieren met wie zij onderweg, direct of indirect, de confrontatie zijn aangegaan. In het kielzog van Willem Barentsz ben ik ze nagereisd en heb ze uit hun smeltende wereld gelicht: de narwal, de lemming, de paling, de rotgans, de ijsbeer, het rendier en de koningskrab. Met z’n zevenen nemen ze het mensendefilé af in mijn bestiarium’ meldt de succesvolle non-fictieschrijver Frank Westerman in Zeven dieren bijten terug.
Het is zijn reisverslag van een tocht vanaf de Waddeneilanden tot voorbij de Noordkaap. De hoofdrol is niet weggelegd voor de ‘dwaalgasten’ hoewel Willem Barentz als rode draad fungeert en het Behouden Huys op Nova Zembla als decor. Waarnemer Westerman schrijft in zijn literaire, humoristische stijl onder andere met anekdotes over de doodsstrijd en overlevingskunst van de zeven pooldieren en de problematische menselijke omgang met de aarde. Hij laat zien wat de dieren ons vertellen over de gevolgen van de opwarming ervan.
Frank Westerman studeerde tropische cultuurtechniek in Wageningen. Hij werkte als verslaggever voor Volkskrant en NRC. Hij schreef talloze non-fictie boeken waarvan vele een prijs wonnen, zoals De graanrepubliek uit 1999 (Dr. Lou de Jongprijs) en inmiddels een veelgelezen klassieker, Ararat uit 2008 de Ako literatuurprijs en De slag om Srebrenica (2018) de PrinsjesBoekenPrijs, de prijs voor het beste politieke boek.
Auteur: Frank Westerman
Uitgeverij: Querido Fosfor
Onfatsoenlijk en luxueus
Coen Peppelenbos is schrijver, dichter, recensent en docent. In 1998 richtte hij het literaire tijdschrift Tzum op, dat tot 2012 in papieren vorm verscheen. Nu is het een digitaal tijdschrift, met nog steeds Peppelenbos als hoofdredacteur. Uitgeverij kleine Uil publiceert het. Recent gaf deze uitgeverij Onfatsoenlijk en luxueus van Coen Peppelenbos uit, een van de drie novellen die ter gelegenheid van Roze Zaterdag verschenen.
Het boek gaat over Chris Vos, die een kostbare uitgave van De stille kracht van Louis Couperus begeert. Vos, een onopvallende, bescheiden man, werkt bij het Groninger Museum als beleidsmedewerker, maar in de praktijk houdt hij zich bezig met het bespelen van oude mensen om hun kunstwerken aan het museum te schenken. Hij weet een weduwe zo ver te krijgen dat zij het museum bijna haar hele collectie schilderijen doneert. In haar boekenkast ziet Vos De stille kracht staan, in een kostbare band van gebatikte katoen en fluweel, ontworpen door kunstenaar Lebeau over wie Vos nog eens een boek wil schrijven. Thuis heeft hij een paar mindere uitgaven van het boek en voortdurend speelt hij met het idee om een daarvan om te ruilen voor de kostbare van de weduwe. Zijn leven is stil sinds de dood van zijn vriend en via een dating-app ontmoet hij Gio, een student kunstgeschiedenis. Deze laat hem betalen voor de seks, maar weet veel over de schilderijen bij Chris aan de muur. De grenzen tussen hen vervagen en Gio blijkt ook nog iemand anders te zijn.
De Brit Mark Galeotti is historicus, politicoloog en een van de belangrijkste Ruslandkenners. Anna Arutunyan is een Russisch-Amerikaanse journalist en analist. Tot februari 2022 woonde ze in Rusland. Beide auteurs zijn verbonden aan het Nederlandse kennisplatform Raam (op Rusland, Oekraïne en Belarus).
Ondergang, Prigozjin, Poetin opent met aantekeningen van de auteurs. ‘Toen we voor het eerst over dit project begonnen na te denken wisten we geen van beiden zeker of hij, als persoon, een boek verdiende, vooral omdat zoveel over zijn leven, optreden en familie een groot, steevast fel bewaard geheim bleef.’ Toch vonden de auteurs hem als het ‘archetype van het Poetin-regime’ interessant genoeg voor nader onderzoek.
‘Zjenja – Jevgeni Viktorovitsj Prigozjin – werd in 1961 geboren (…) Hij was slim genoeg om te kunnen dromen over een specialistische carrière, maar niet zo slim of intellectueel gedisciplineerd dat een topuniversiteit hem zou verwelkomen, (…) atletisch genoeg om te kunnen dromen over de roem en weelde van een leven als topsporter, maar niet genoeg om het te bereiken. (…) Of het nu uit woede, desillusie of simpele hebzucht was, Zjenja richtte zich op de misdaad.’ In de gevangenis ontdekte hij zijn ondernemerstalent.
De hoofstuktitels typeren Prigozjin als Crimineel, Entrepreneur, Kok, Minigarch, Trollenbaas, Condottiere, Aasgier, Krijgsheer, Rebel en Spook. Hij was Poetins chef-kok, en hield zich bezig met drugs, wapens en grote witwasoperaties en lucratieve (goud, hout, diamant) militaire operaties in Afrika. Met zijn Wagnerleger werd hij een toonaangevende politieke figuur. De opstand tegen Poetin werd zijn einde, al zijn er Russen die geloven dat hij zijn eigen dood in scène heeft gezet. De auteurs beschrijven niet alleen Prigozjins opkomst en ondergang maar onderzoeken ook de impact die hij had en heeft op het Kremlin.
Auteur: Mark Galeotti, Anna Arutunyan
Uitgeverij: Prometheus 2024
De instructies
De instructies is het zevende boek van Carolina Trujillo (Montevideo, 1970). In 1991 debuteerde ze in Uruguay, waarheen ze na een verblijf van enkele jaren met moeder en zus in Nederland was teruggekeerd, met de Spaanstalige roman De exilios, maremotos y lechuzas die een eerste prijs won. Later kwam Trujillo weer terug naar Nederland waar ze aan de Filmacademie scenarioschrijven studeerde. In Nederland debuteerde ze in 2002 met de roman De bastaard van Mal Abrigo, over twee jongetjes uit een verpauperd cocaïnedorp. Trujillo laat hen president en minister van defensie worden. Behalve schrijfster is ze columniste bij de NRC.
Hoofdpersonen in De instructies zijn Mol en Nora. Nora is een geradicaliseerd dierenrechtenactiviste en Mol laat zich door haar beïnvloeden. Het komt tot het in brand steken van een slachthuis. Mol wil zich bezinnen maar het lukt hem niet zich van Nora los te maken. Hij moet van haar instructies schrijven over brandstichting in een slachthuis en welke fouten je daarbij moet vermijden.
Het is Trujillo’s specialisme om onrecht, schuldgevoel, verdriet en ander drama op laconieke en humoristische wijze te vertellen. ‘Het was oud en nieuw, een uur na middernacht toen ik, een volwassen vent met een vaste baan en in bezit van een verklaring van goed gedrag, gekleed in een zelfgemaakt varkenspak aan de rand van een industriegebied in een sloot viel. Het ijskoude water kwam meteen tot mijn borst, mijn voeten vonden geen vaste bodem en ik kon niet zien waar de wal was omdat de capuchon met varkensoren over mijn ogen was gezakt.’
Auteur: Carolina Trujillo
Uitgeverij: Koppernik 2024
Laatste cahiers 1951-1959
In negen schoolschriften maakte filosoof, journalist en schrijver Albert Camus (1913-1960) sinds 1935 aantekeningen over zijn leven en werk met de bedoeling deze cahiers ooit te publiceren. In 1962 en 1964 werden de eerste twee gepubliceerd, in 1989 de laatste cahiers. De Arbeiderspers geeft deze nu uit in de serie Privédomein onder de titel Laatste cahiers 1951-1959.
Camus is vooral bekend om zijn De mens in opstand, De pest – dat in de coronaperiode weer veel gelezen werd – De vreemdeling en De mythe van Sisyphus. In de laatste twee verwerkte hij ideeën over het existentialisme. Hij stond in contact met Sartre en De Beauvoir en hield in de VS lezingen over het existentialisme. Vaak worden de filosofen op een lijn gesteld, maar Camus verschilde in denken van Sartre. Bij Sartre ging het om het intellectuele bestaan, bij Camus om het tastbare. Uiteindelijk vervreemdden ze van elkaar.
Volgens Camus was het leven absurd en zinloos en had het geen betekenis of bedoeling. Dat absurdisme verwerkte hij in romans, essays en in theaterstukken. ‘Wat men een reden om te leven noemt, is tevens een uitstekende reden om te sterven,’ is een van zijn aforismen.
De notities uit de Laatste cahiers beslaan soms een verhalend stuk tekst, soms slechts een zin. ‘Roman. “Zijn dood was niet bepaald romanesk. Met hun twaalven werden ze in een cel voor twee gestopt. Hij kreeg geen adem en raakte bewusteloos. Hij stierf, tegen de groezelige muur gedrukt, terwijl de anderen, om bij het raam te komen, hem de rug toekeerden.” * Bij haar eiste het geluk alles, zelfs het doden. * Natuurlijkheid is geen aangeboren deugd; ze moet worden verworven.’ Het nawoord van René Puthaar werpt licht op de aantekeningen.
Een tocht rond de Middellandse Zee in een cruiseschip. Voor velen staat dat gelijk aan een gedwongen verblijf in een vervuilende gevangenis, maar voor gemakzuchtige consumenten schijnt het de hemel op zee te zijn. In Die Erweiterung, door Wil Boesten vertaald als De uitbreiding – de tweede Europa-roman van de Weense auteur Robert Menasse – vaart een Europees topgezelschap mee in het luxe deel van zo’n cruiseschip. Alle regeringsleiders van de Balkanstaten, de EU-ministers van buitenlandse zaken en andere vertegenwoordigers, plus hun ambtenaren. Dit op uitnodiging van de regering van Albanië, die de onderhandelingen wil beginnen over toetreding tot de EU en het gezelschap gunstig wil stemmen voor een aan de uitbreiding gewijde conferentie drie weken later in Poznań. Menasse baseert zich in De uitbreiding op een historische gebeurtenis, en wel het veto van Macron (en Rutte) in 2019 op de toetreding van Albanië. De spanning zal niet bedorven worden door te vertellen hoe de cruise afloopt.
Zo er een Dichter des Vaderlands is, zou Menasse Schrijver van Europa kunnen zijn. Al decennia geldt hij als een warm pleitbezorger van een verenigd Europa. Verschillende essays en twee dikke romans heeft hij daaraan gewijd. En zojuist verscheen het essay, Die Welt von morgen. Menasses Europa-project begon meer dan dertig jaar geleden, in 1992. Toen publiceerde hij de lange beschouwing over de Oostenrijkse identiteit, Das Land ohne Eigenschaften. Over het verleden van zijn land, de onprettige erfenis van het austrofascisme en de enthousiaste ‘Anschluss’ bij het Derde Rijk, plus de incompetenties van hedendaagse Oostenrijkse politici. Dat het land beter kon opgaan in een post-nationaal Europa was daarin vrijwel de automatische conclusie.
De titel verwees uiteraard naar Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften (1930-1933), vertaald door Ingeborg Lesener als De manzondereigenschappen, (1988-1991). Aan deze voor Oostenrijkers iconische roman ontleende Menasse ook het thema voor Die Hauptstad (2017, door Paul Beers vertaald als De hoofdstad (2018).Bij Musil moet aan de vooravond van de Grote Oorlog het jubileum van de Oostenrijkse en Duitse keizers worden gevierd. Menasses ‘Big Jubilee Project’ moet dat van de Europese Commissie voorbereiden.
Tweede Wereldoorlog nooit ver weg
De hoofdstad werd bevolkt door verschillende EU-ambtenaren. Via het jubileum-project jagen zij hun ambities, dan wel hun ondergeschikten die de plannen moeten ontwikkelen en de boven hen gestelden die kunnen dwarsliggen, na. Het belangrijkste personage is de sympathieke Nederlandstalige Brusselaar die Auschwitz overleefde. Deze oude Joodse man, die telkens opduikt tussen de ambtelijke machinaties, overlijdt bij een islamistische aanslag. Hij was de beoogde overlevende die het EU-jubileum in Auschwitz moest symboliseren. Volgens een Oostenrijkse professor zou het voormalige kamp zelfs de hoofdstad van de EU moeten worden. Opmerkelijk is dat de Tweede Wereldoorlog nooit ver weg is bij Menasse. Ook in De uitbreiding komen veel verschillende personages voor – net als Balzac, waar Menasse in vaak naar verwijst – maar hij weet zijn verhaal wederom overzichtelijk te houden. Ten eerste omdat hij veel ruimte aan hun voorgeschiedenis besteedt, ten tweede omdat hij zijn scheppingen met elkaar verbindt via collegiale-, familiale- of liefdesrelaties.
Ging De hoofdstad over Brussel, in De uitbreiding zoekt Menasse de periferie op. Polen en Albanië. De Poolse EU-ambtenaar Adam Prawdower was in de katholieke strijd tegen de communistische dictatuur de bloedbroeder van de huidige premier van zijn land, de conservatieve PiS-nationalist Mateusz. Adam is geschokt dat een andere bloedbroeder zich uit protest tegen het PiS-beleid in brand heeft gestoken. Wanneer hij Mateusz opzoekt in Warschau reageert deze cynisch en – Adam is Joods – antisemitisch. De premier heeft hun eed verraden en de consequentie daarvan is dat zijn bloedbroeder hem zou moeten doden. Overigens is het katholieke Polen tegen de toetreding van Albanië omdat het een islamitisch land is.
Verbeelding aan de macht
Een belangrijk personage is de premier van Albanië, voormalig kunstschilder en sportheld die een dichter heeft benoemd tot cultuurhoofd. De verbeelding aan de macht bij Menasse. De dichter bedenkt na het veto van Macron en c.s. een zeer creatieve vlucht naar voren. Wanneer Albanië geen toegang krijgt tot de EU, streeft het naar een Groot-Albanië zoals dat zeshonderd jaar geleden bestond onder de vorst Skanderbeg. Het gegeven dat Skanderbeg tegen de Ottomanen vocht, kan in hun voordeel zijn. Ismail Fati, hoofd voorlichting heeft moeite met het feit dat de premier de helm van Skanderbeg daarbij op zijn eigen hoofd moet zetten. Hij heeft ook individuele problemen. Zijn ouders behoorden tot de ‘inner circle’ van dictator Enver Hoxha, waardoor hij een soort prinsje was en daardoor onder het nieuwe bewind enigszins verdacht. Daarenboven lijkt zijn verliefdheid voor een journaliste niet enthousiast te worden beantwoord.
Net als bij De hoofdstad heeft De uitbreiding een thriller-laag. De helm van Skanderbeg met geitenkop bevindt zich in de Weense Hofburg en wordt gestolen. Omdat het hoofd van de premier groter is dan dat van zijn ‘voorganger’, laat hij in Tirana een passende kopie maken. Ook die wordt gestolen, wat leidt tot allerlei komische verwikkelingen. Al heeft de Albanese maffia weinig om te lachen. Een EU-collega van Adam Prawdower is de Oostenrijker Karl Auer, belast met de portefeuille Albanië. De Wener commissaris Franz Starek die de gestolen helm moet opsporen, blijkt zijn neef.
Dan zijn er de moeizame liefdesrelaties van Ismail Fati en de journaliste Ylbere Lenz, en die van Karl Auer en de Albanese ambtenaar Baja Muniq Kongoli. De laatste relatie kent het gebruikelijke, aanvankelijke ongemak van mensen uit verschillende culturen. Een gering Bouquet-reeks gehalte dus.
Sluier als hommage Moeder Theresa
De beschrijvingen van het dagelijks leven in Albanië zijn bijzonder boeiend. De inwoners blijken bijvoorbeeld geen bewonderaars te zijn van de VS, maar juist van de Bondsrepubliek. De voornaam Baja Muniq betekent bijvoorbeeld Bayern München. Grappig is de scene waarin Baja haar Oostenrijkse minnaar Karl Auer, Iraanse moslims laat zien die na het vrijdaggebed op een terras aan de overkant van de moskee een biertje drinken. De enige vrouwen met een hoofddoek die Karl tegenkomt zijn christelijk, als hommage aan de ultraconservatieve Moeder Theresa die oorspronkelijk uit Albanië kwam.
Indrukwekkend is de Albanese ‘kanun’. ‘O ja, bloedwraak’, zegt Karl, maar het blijkt een erecode die ook gasten onder alle omstandigheden beschermt. Hierdoor lieten islamitische Albanezen tijdens de Duitse bezetting (gevluchte) Joden massaal onderduiken, (jammer dat Mona Keizer geen boeken leest). Zoals de Joodse grootvader van Yberle die als jongeman bij een boer was ondergedoken. De bezetters klopten aan de deur, maar zijn gastheer had de ‘Besa’ (belofte van eer, een Albanees cultureel gebod) gezworen en gaf de bezetter zijn zoon die later in een kamp overlijdt. Yberle viert nog elk jaar met haar familie de sterfdag van de boerenzoon. Zij wil meer weten over de toedracht en gaat vergezeld van Ismail naar het dorpje aan de grens waar ooit de gastvrije boer met zijn familie woonde. Onderweg horen ze gruwelijke verhalen over Servische ‘ordetroepen’ die daar aan het eind van de vorige eeuw op zoek naar gevluchte Kosovaren, het vee doodden en vrouwen verkracht hebben. In het dorp waren veel vluchtelingen uit Kosovo die samen met de dorpelingen door Servische mijnen invalide werden.
Hoe alles mislukt
Menasse laat impliciet de eed van de bloedbroeders uit het katholieke Poolse verzet echoën met de ‘Besa’ die de overgrootvader heeft gezworen over zijn gastvrijheid. Bij overtreding daarvan zou hij bloedwraak over zijn familie kunnen afroepen. Het einde van De uitbreiding is even somber als dat van De hoofdstad.Ylbere heeft niets naders over haar voorouders gevonden. Adam Prawdower wilde zijn bloedbroeder op het schip in de internationale schijnwerpers aanklagen. Lukt niet. Commissaris Franz Starek wist zeker dat hij daar het geheim van de gestolen helm zou ontraadselen. Neen. De Albanese premier en zijn helm? Mislukt. Over de belangrijkste oorzaak van die mislukkingen kan weinig gezegd worden, dat zou een spoiler betekenen. Tip: bewaar het kaartje met de vaarroute voor het allerlaatst.
Op 6 juni kiezen de EU-landen een nieuw parlement en velen houden hun hart vast voor de uitslag. Meer radicaal rechts en nationalisme, precies waarvoor Menasse al jaren waarschuwt. Daarom lijken zijn boeken onder een zeer ongunstig gesternte te verschijnen. Zeker als het om de uitbreiding van de EU gaat. Dat Albanese cruiseschip, weliswaar ‘state of the art’ als het om duurzaamheid gaat, illustreert ook het onvermogen van landen die tot de EU willen toetreden en om zich in te leven in de publieke opinie. Cruiseschepen gelden voor steeds meer Europeanen als uiterst vervuilend en eerder als last voor de plaatsen die ze bezoeken – Amsterdam, Venetië, Barcelona, Mallorca – dan een lust. Albanië zelf pakt de toeristenindustrie ouderwets aan. De kust volstampen met betonnen kolossen en goedkope eettentjes, met als belangrijkste attracties de duizenden kleine bunkers die de paranoïde dictator Enver Hoxha ooit liet bouwen.
De wereld van morgen
Albanië neemt sinds kort vluchtelingen op uit het Italië dat de onafhankelijke omroepjournalistiek wurgt. De politieke verhoudingen van het land lijken niet erg stabiel en de persvrijheid laat te wensen over. Albanië zou bovendien een ‘Erdoğannetje’ kunnen doen: wetten en maatregelen invoeren, zogenaamd om aan de EU-eisen te voldoen, maar die de facto de oppositie uitschakelen. In Georgië kiest de regering uiteindelijk voor een pro-Russische koers. Het door Poetin geteisterde Oekraïne wordt er niet democratischer onder. Illiberale regeringen zijn de baas in Hongarije en Slowakije. Polen leek bevrijdt te zijn van PiS, maar die partij werd opnieuw de grootste bij recente gemeenteraadsverkiezingen. Eenzelfde ontwikkeling is te zien in Slovenië.
In de Baltische landen en Kroatië dreigt al jaren radicaal-rechts met rechts te gaan regeren. In Zweden, waar de rechtspopulisten zelfs de grootste regeringspartij vormen, is dat al de praktijk, net als recent in Finland. En nu is Nederland aan de beurt. Als het grootste gevaar beschouwt Menasse in zijn recente essay Die Welt von morgen dan ook niet de groei van radicaal-rechts, maar de keuzes van rechts om uit opportunistische, machtspolitieke motieven met radicaal-rechts samen te werken. Zoals tegenwoordig Ursula von der Leyen met Marine Le Pen. Maar nog steeds wil Menasse dat de mensen in het Europa van de regio’s een ‘demos’ gaan vormen. Een gemeenschappelijke democratie en rechtsstaat, op basis van mensenrechten, gelijke randvoorwaarden en kansen voor allen die in Europa wonen en hun geluk proberen te vinden. We blijven met hem mee hopen.
Als Bart Moeyaert met zijn moeder bij haar thuis komt na een bezoek aan zijn dementerende vader in het ziekenhuis overhandigt ze hem een oranje schoenendoos met agendaatjes waarin ze een soort dagboek heeft bijgehouden: ‘Ze drukt me op het hart dat ik er niet met mijn broers over mag praten. Ik mag alles lezen, maar liever niet morgen. Bij voorkeur na haar dood, als ik er klaar voor ben. Ik zeg dat ik de dagboeken op een veilige plek zal bewaren. Daarop mag ze rekenen. Ik herhaal dat ze bij mij veilig zijn.
Onderweg naar huis staat de schoenendoos op de passagiersstoel. Ik leg er af en toe mijn hand bovenop. Er zit een half leven naast me. Op een bepaalde dag, op een bepaald moment, zal ik het deksel van de schoenendoos halen en aan het verleden van mijn moeder beginnen (…) Thuis sla ik een van de agendaatjes open, de dag nadat ik de doos heb gekregen. Ik doorblader het jaar haast met afgewende ogen. Ik wil – voor nu even snel – alleen maar te weten komen op welke manier mijn moeder notities heeft gemaakt. Houdt ze het kort of schrijft ze hele volzinnen?
Natuurlijk houdt ze het kort. Natuurlijk vertelt ze haast niets ’.
De aantekeningen van de moeder vormen maar een deel van het pas als Privé-domeinreeks 328 verschenen Een ander leven van Moeyaert. Hij beschrijft daarin zijn positie als jongste in een gezin met zeven kinderen, waarin hij zich niet gezien voelde. Er was een dominante vader en een bescheiden moeder. Toen zij 70 werd nam Bart haar mee naar Parijs in de hoop wat meer van haar te weten te komen. Dat lukt aanvankelijk niet. Tot een toevallige ontmoeting met een Amerikaanse vrouw haar confronteert met haar eigen levensloop en zij Bart vertelt dat ze ‘een ander leven’ had gewild.
Auteur: Bart Moeyaert
Uitgeverij: Arbeiderspers
Mes
Salman Rushdie werd op 12 augustus 2022 met vijftien messteken toegetakeld door een moslim-fundamentalist, op het moment dat hij zich klaar maakte voor een lezing. Rushdie overleefde de aanslag wonderbaarlijk. Sindsdien mist hij het zicht in één oog en kan hij een hand niet meer goed gebruiken. Een half jaar lang was hij zo aangedaan dat ook schrijven niet meer lukte.
Tot hij begon aan Mes, waarin hij verslag doet van de moordaanslag en welk effect die had op zijn persoonlijk leven. Ook probeert hij zich te verplaatsen in de dader door een fictief gesprek met hem aan te gaan: ‘Ik wil zijn naam niet gebruiken in dit verslag. Mijn Aanvaller, mijn would-be-Assassino, de Achterlijke man die Aannames over mij maakte, die met mij een bijna dodelijke Afspraak had… Ik merkte dat ik hem in gedachten, het zij me misschien vergeven, Asshole noemde. Maar ten behoeve van deze tekst zal ik hem iets welvoeglijker ‘de A.’ noemen. Hoe ik hem in de privacy van mijn huis noem is mijn eigen zaak.
Deze ‘A.’ nam niet de moeite iets te weten te komen over de man die hij had besloten te vermoorden. Hij gaf zelf toe dat hij nauwelijks twee bladzijden van mij had gelezen en een paar YouTube-video’s van mij had bekeken, meer was niet nodig. Hieruit kunnen we opmaken dat de aanslag in elk geval niet over De duivelsverzen ging.
In dit boek zal ik proberen te begrijpen waarover dan wel’.
Auteur: Salman Rushdie
Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
Tijdelijke helden
De ondertitel van Tijdelijke helden van H.W. Auden, Verzamelde gedichten, is niet helemaal terecht. De selectie bevat niet alle gedichten maar een, met meer dan zeshonderd (tweetalige) pagina’s, zeer ruime bloemlezing. De gedichten bestrijken een breed spectrum van politiek tot religie en van puur menselijke tot culturele thema’s. Al zijn beroemde teksten zijn er in terug te vinden, zoals het bij een breed publiek bekende ‘Funeral Blues’ dat gebruikte is in de film Four Wedddings and a funeral uit 1994, waarvan de eerste strofe luidt:
Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.
Het werd al meerdere keren in het Nederlands vertaald. Willem Wilmink bijvoorbeeld maakte ervan:
Zet stil die klokken. Telefoon eruit.
Verbied de honden hun banaal geluid.
Sluit de piano’s, roep met stille trom
de laatste tocht van deze dode om.
De vertalingen in Tijdelijke helden zijn van Han van der Vegt. Bij hem begint ‘Funeral Blues’ zo:
Zet stil de klokken, hoorn nu van de haak
zorg met een sappig bot dat de hond geen heibel maakt,
sluit de piano’s en, met trom omfloerst,
draag uit de baar te midden van de stoet.
Sinds het zomer is, word ik elke ochtend om vijf uur wakker. Het eerste daglicht schemert door het slaapkamerraam naar binnen. Aan de muur worden de contouren van een omlijste tekening zichtbaar, het tafeltje daaronder. De boomtoppen waar ik vanuit mijn bed zicht op heb, vangen de eerste zonnestralen. Naast het bed ligt een klein essay in boeken. Ik lees in Claudia Roth Pierponts biografie van Philip Roth, Een schrijver en zijn boeken aan de hand van de boeken die hij publiceerde en de schrijvers die hij bewonderde. Een biografie lees je bij uitstek in bed, als het huis nog stil is. De schrijvers die in deze biografie voorkomen en die ik in huis heb, verzamelde ik naast mijn bed. Sommige daarvan, zoals Hemingway, Henry James en Isaak Bashevis Singer, nog uit de boekenkast van mijn vader.
Ik lees over Roth’s huwelijk met Maggie Williams, die hem bedroog met een zwangerschap, en met de abortus van die niet bestaande zwangerschap. Williams stond model voor Lucy Nelson in Een braaf meisje, dat Roth schreef om zijn naargeestige huwelijk met haar te verwerken. Hij werkte er vijf jaar aan. Soms kreeg hij maanden niets op papier. Het is het boek dat hem het meest heeft gekost, het minst opleverde. In Roth’s biografie door Blake Bailey wordt weinig aandacht aan dit boek besteed. Critici vonden dat hij zichzelf als schrijver met dit boek had overschat. Later werd het personage Lucy gezien als een goed neergezette, maar mislukte feministe.
Wat lezers maken van wat een schrijver schrijft of zegt moet geheel ten laste worden gelegd van de lezer. Mijn vorige column ging over Astrid H. Roemers laatste roman Dealers dochter. Ik schreef dat Roemer in de jaren zeventig de boeken van Brouwers, Wolkers en Nooteboom verslond. De schrijfster reageerde op mijn interpretatie van haar roman:‘Goed begrepen, houden zo, I Like it’. Maar liet ook weten dat ze geen boeken verslindt, ‘Ik lees traag en geconcentreerd.’ Waarop ik mijn column aanpaste.
Philip Roth had er na zijn schrijversleven een dagtaak aan om de dingen die recensenten, interviewers en allerhande duiders over zijn teksten en hemzelf beweerden, recht te zetten. ‘er is zoveel over hem geschreven en zo vaak zijn het verkeerde dingen, maar beweringen beginnen desondanks wortel te schieten in de geschiedenis. Wat hij nu opschrijft is om dat allemaal recht te zetten, voor de toekomst.‘, schrijft Claudia Roth Pierpont. Nadat hij in 2012 had laten weten te stoppen met schrijven, bleef hij losse aantekeningen maken over wat er in hem opkwam, schreef stukken waarvan er een als ‘Open letter’ in The New Yorker werd gepubliceerd. Over de misvatting dat zijn personage Coleman Silk in De menselijk smet, was gebaseerd op The New York Times recensent Anatole Broyard. Roth verklaarde: ‘Neither Broyard nor anyone associated with Broyard had anything to do with my imagining anything in The Human Stain.’
Zo lees ik me van het een naar het ander, heb ik In de greep van Henry James onder handen, De duizendkunstenaar van Lublin van Bashevis Singer, herinner me dat ik alle boeken die Roth op weg hebben geholpen nog moet lezen. Alsof ik daarmee de schrijver nader kom, de illusie koester een compleet beeld van alles te krijgen.
Abdelrahman Munif (Saoedi Arabië, 1933-2004) was journalist en schreef romans, korte verhalen. Zijn literaire werk is sterk politiek getint. Veel van zijn boeken werden in eigen land verboden en in 1963 werd hem het staatsburgerschap ontnomen. In zijn cyclus Steden van zout beschreef hij wat de ontdekking van olie in sociologische en psychologische zin deed met de bedouïenencultuur. Het onlangs verschenen Ten oosten van de Middellandse Zee is de eerste roman van hem die in het Nederlands is vertaald. Hoofdpersoon is Rajab Ismail die elf jaar lang gemarteld wordt in een niet met name genoemd land in het Midden-Oosten. Hij ondertekent onder zware druk een bekentenis, mag naar Frankrijk om zich te laten behandelen en besluit daar zijn memoires te schrijven. Als hij zich daarin ook uitlaat over de mensenrechtenschendingen in zijn land blijkt hoe lang de arm van het regiem is.
Dat de Nederlandse vertaling er is is bijzonder, want hoewel Munif in het Midden-Oosten erg populair is, is er maar erg weinig van hem vertaald.
Auteur: Abdelrahman Munif
Uitgeverij: Jurgen Maas
Op oorlogspad
Virginia Cowles (1910-1983) was een Amerikaanse journaliste en reisboekenschrijfster. Ze schreef over mode, maar veel meer over oorlogen. Ze heeft ook enkele biografieën op haar naam staan. Op oorlogspad gaat over de Spaanse Burgeroorlog en de Tweede Wereldoorlog. De Engelse oorlogscorrespondent Christina Lamb vertelt in haar voorwoord een aardige anekdote over Cowles die illustreert hoe luchtig ze soms zware materie kon presenteren.
Lloyd George had in de Sunday Times een artikel van Cowles over de Spaanse Burgeroorlog gelezen en daaruit geciteerd in het Lagerhuis. Niet veel later vroeg hij Randalph Churchill (zoon van Winston) de auteur van het artikel van wie de naam niet in de krant had gestaan, mee te nemen naar de lunch. Toen Lloyd George haar zag was hij zeer verbaasd dat zo’n mooie Amerikaanse zo gezagvol kon schrijven. Toen hij van de schrik bekomen was liet hij haar zijn kippen, koeien en varkens zien en gaf haar bij het vertrek een pot honing en twaalf appels mee.
Auteur: Virginia Cowles
Uitgeverij: Arbeiderspers
Hemelsleutel De Brinkkempercollectie van botanica in de Lage Landen
Wat aan Hemelsleutel De Brinkkempercollectie van botanica in de Lage Landen het meest opvalt zijn de prachtige illustraties. Het boek is een geschiedenis van de botanie in Nederland door wetenschapsjournalist Gemma Venhuizen die als uitgangspunt nam de collectie van Ed Brinkkemper die jarenlang kruiden- en plantenboeken verzamelde vanaf de zestiende eeuw. In het voorwoord schrijft Venhuizen: ‘Op een koude februariavond ontmoette ik Ed Brinkkemper (…) Ik nam de bus van Amsterdam-Noord naar Zaandam en wandelde verkleumd langs de Zaan. Het rook er naar cacao, en even zag ik voor me hoe ik ook thuis op de bank had kunnen zitten, met een kop warme chocolademelk. Maar toen belde ik aan bij Ed Brinkkemper en was ik mijn koude vingers op slag vergeten. Op blote voeten stond hij in de deuropening, dreadlocks tot voorbij zijn middel, een twinkeling in zijn ogen’.
In zijn nieuwste boek beschrijft Gerbrand Bakker in Moeder, na vader een jaar uit het leven van zijn 86-jarige moeder nadat zijn 90-jarige vader is overleden. Hij begint met het verhalen van de laatste maanden van zijn vader. Die is overleden aan spit, schrijft hij, ‘iets anders kan ik er niet van maken.’
Met de details die we van Bakker in zijn andere autobiografische boeken als Jasper en zijn knecht en Knecht, alleen gewend zijn, beschrijft hij de laatste maanden van zijn vader, waarin de dokter, thuiszorgsters, fysiotherapeut, bed, sta-opstoel, rollator en pijnstillers het huis van zijn ouders in komen, terwijl langzaam maar zeker ook verwardheid zich van zijn vader meester maakt. Zij moeder, zelf ook niet meer gezond, ziet ‘met lichte wanhoop’ de achteruitgang. ‘(…) ze zei: “Het loopt allemaal zo anders, we hadden zo graag samen oud willen worden.” Toen zei iemand, ik zal het geweest kunnen zijn, dat dat al zover was, dat die tijd nú was. Dat ze nú samen oud waren, hij 90, zij 86. Alsof oud en gebrekkig zijn steeds maar weer vooruitgeschoven werd; ach, oud en gebrekkig en uiteindelijk dood, dat is iets voor in de toekomst.’
Na vierenzestig jaar huwelijk blijft zijn moeder alleen achter, met haar verdriet. Alle kinderen hebben steeds de helpende hand geboden, aan vader en moeder en aan moeder alleen voor wie het nu allemaal niet meer zo hoeft. Toch is ze gehecht aan het leven, meer dan ze erg in heeft. Bakker beschrijft de hele tijdspanne op zijn bekende directe, feitelijke en daarmee ontroerende wijze en laat onderwerpen als zijn eigen leven, zijn vrienden en geliefden, de natuur en de literatuur niet buiten beschouwing.
Auteur: Gerbrand Bakker
Uitgeverij: De Arbeiderspers 2023
een klein detail
De Palestijnse schrijfster Adania Shibli (1974) publiceert in literaire en culturele tijdschriften in Europa en het Midden-Oosten. Ze schrijft romans, toneelstukken, korte verhalen en verhalende essays, waarbij haar thema’s alledaagse dingen in familieleven en liefde zijn, tegen de gewelddadige achtergrond van het Israël-Palestinaconflict.
In een klein detail is haar uitgangspunt het waargebeurde verhaal van een Palestijns bedoeïenenmeisje dat in de nasleep van de Arabisch-Israëlische oorlog in de Negev-woestijn door Israëlische soldaten is verkracht en vermoord. Deze oorlog wordt door Israël als de Onafhankelijkheidsoorlog gevierd maar staat onder Palestijnen bekend als de Nakba, de Catastrofe.
Het eerste deel van de novelle wordt verteld door een Israëlische commandant met psychopathische trekjes die met zijn mannen in de woestijn op zoek is naar Arabieren. In het tweede deel leest een naamloze, jonge Palestijnse vrouw uit Ramallah een artikel over het bedoeïenenmeisje. Het verhaal obsedeert haar en ze besluit de verkrachting en moord, ongeveer vijftig jaar na dato, te onderzoeken. Bang rijdt ze door Israël naar de plaats van de gebeurtenis. ‘Zodra ik achter het stuur van de kleine witte auto heb plaatsgenomen en het sleuteltje omdraai, lijkt het alsof een spin zijn web om me heen weeft, zo strak dat het een ondoordringbare barrière wordt, ook al zijn de draden nog zo breekbaar en dun. Dat is mijn angst die me de weg verspert, ontstaan uit mijn angst voor wegversperringen.’ In musea en archieven doorzoekt ze gegevens voordat ze uiteindelijk arriveert op de zandvlakte waar de misdaad heeft plaatsgevonden. Een verontrustende, meesterlijke ontknoping volgt.
In een interview zegt Shibli: ‘Mijn werk (…) ontstaat uit en komt voort uit Palestina als een conditie van onrecht; uit het normaliseren van pijn en degradatie.’
Auteur: Adania Shibli
Uitgeverij: Koppernik 2023
Spektakel in Tokio Japanse foto's 1975-1981
Journalist en publicist Ian Buruma is een Nederlandse sinoloog en japanoloog. Voordat hij New York als woonplaats koos, woonde hij onder meer in Hong Kong en in Tokio. Hij schrijft artikelen in binnen- en buitenlandse kranten en tijdschriften, en boeken in het Engels en Nederlands, vooral over Azië en met name Japan. Ook publiceert hij over een breed aantal onderwerpen op politiek en cultureel gebied in vooraanstaande kranten. De Tweede Wereldoorlog is een centraal thema in zijn werk. Zo publiceerde hij in 2013 1945, biografie van een jaar waarin hij een beeld geeft van de directe gevolgen van de oorlog in Europa, Amerika, Azië en de Sovjet-Unie.
Minder bekend is dat Buruma ook fotografeert. In Spektakel in Tokio – Japanse foto’s 1975-1981 publiceert hij een ruime selectie van de foto’s die hij maakte in zijn tijd in Tokio. Hij zag er naast conformisme, rangen en standen en ingewikkelde etiquetteregels veel theatraliteit en excentriciteit die hij op foto’s vastlegde. Zelf maakte hij als acteur en danser in Tokio een tijdje deel uit van die wereld. Naast foto’s maakte hij er ook documentaires. In 2018 verscheen zijn boek Tokio mon amour over die periode. Deze verhalen worden met Spektakel in Tokio aangevuld met beelden van een onbekende kant van de wereldstad, waaronder die van achterbuurten, kermiswerkers, traditionele tatoeage-meesters, de theaterwereld.
Koloniekind – Opgroeien in het gevangenisdorp Veenhuizen is het nieuwste boek van Mariët Meester. In dit non-fictieverhaal vertelt ze over haar jeugd in het dorp Veenhuizen, waar inwoners ‘samenwoonden’ met de gevangenen die in verschillende gebouwen in het dorp hun straf uitzaten. Eerder schreef Meester zowel fictie als non-fictie boeken waarbij haar verleden in Veenhuizen vaak een bron van inspiratie was.
Als inwoner van Veenhuizen in de jaren ’60 en ’70 weet Mariët Meester zich nog veel details over het dorp en de gewoontes in het dorp te herinneren. Zo was het bijvoorbeeld heel normaal dat dorpelingen samen met gevangenen in de kerk zaten of dat gedetineerden in en rondom de gezinshuizen bezig waren met allerlei taken en klusjes als het wassen van de ramen of het bijhouden van de tuin. Op deze manier werkten de gevangenen nauw samen met de inwoners van Veenhuizen. Dit betekende echter ook dat een gezin alleen in het dorp mocht wonen als de man des huizes er een functie had. De meest logische rol was natuurlijk gevangenisbewaarder, maar omdat er hele families in Veenhuizen woonden, moesten er ook basisbehoeftes worden vervuld in de vorm van een supermarkt en educatie. Dit laatste was de reden dat het gezin Meester in Veenhuizen verbleef. De vader van Mariët was schoolhoofd van de basisschool en stond onder de leerlingen en dorpelingen bekend als meester Meester.
Portret van de jaren ’60 en ‘70
Door de ogen van het kind Mariët krijgen we een nauwkeurig beeld van de jaren ’60 en ’70 in Veenhuizen. Ze beschrijft tot in de kleinste details wat de gewoontes destijds waren, welke spelletjes de kinderen speelden, welke normen en waarden er golden en in hoeverre haar ouders daar van afweken. Zo was het gezin Meester een van de weinigen in het dorp die een auto hadden en daar eens per jaar mee op vakantie naar het buitenland gingen. In deze gedetailleerde beschrijvingen zit echter ook meteen de valkuil van Koloniekind. Alle details zouden moeten bijdragen aan het beeld dat de lezer krijgt van Meesters jeugd en van Veenhuizen, maar de auteur herinnert zich zo veel, dat het lijkt alsof ze geen keuze heeft kunnen maken tussen informatie die bijdraagt aan het verhaal en alle feitjes die voor haar zo gewoon zijn maar die voor de lezer zorgen voor een vertroebeling van haar verhaal.
Overwoekerd relaas
Koloniekind vertelt namelijk niet alleen hoe het er in Veenhuizen aan toe ging in de jaren ’60 en ’70, het is een samenvatting van Meesters jeugd waarin ze zelf lijkt te genieten van alle herinneringen die ze aan deze periode en aan het dorp heeft. Daardoor raakt het relaas soms overwoekerd door allerlei onnodige details, zoals een uitgebreide beschrijving van de straatnamen en de plattegrond van Veenhuizen, die zo ver gaat dat zelfs de beschrijving van tuinschuurtjes aan bod komt zonder dat dit iets bijdraagt aan het verhaal. Een lezer die nog nooit een voet in Veenhuizen gezet heeft, zal weinig boodschap hebben aan deze details.
Maar niet alleen de straatnamen krijgen een te grote rol in Koloniekind. Vaak voert Meester details op die van groot belang lijken. Een voorbeeld hiervan is haar gebroken arm in het begin van het boek. Wanneer de jonge Mariët huilend met een gebroken arm thuiskomt, hebben de ouders visite en reageren ze amper op hun dochter. Later in het boek vertelt Meester dat de visite erop aandrong dat Mariët naar het ziekenhuis werd gebracht. De manier waarop deze herinnering wordt gebracht insinueert dat er meer achter zit, dat de auteur er later nog eens op terugkomt of dat er nog een reflectie van de volwassene van nu op volgt. Die blijft echter uit. Zo zijn veel van de scènes die Meester beschrijft niet meer dan een anekdote die iemand je vertelt zonder dat er een meerwaarde uit te halen is. Het was misschien verstandiger geweest om het perspectief van de volwassen Mariët te gebruiken in plaats van het kindperspectief. Dan had ze met de kennis van nu kunnen reflecteren op haar jeugd en de gebeurtenissen in het dorp.
Een ander voorbeeld van een te gedetailleerd beschreven scène is later in het boek, als Mariët naar de radio luistert: ‘Ik legde het briefje op de tafel terug en rekte me uit om de volumeknop van de radio te bereiken. Mijn nachtpon, een korte tot halverwege mijn bovenbenen, schoof omhoog. Nadat ik tevreden was over de geluidssterkte deed ik de grote lamp uit, zodat alleen het schemerlampje nog brandde waarvan de kap een jurk van mijn moeder was geweest, en nestelde me tegen een extra kussen.’ Dit ‘telling’ in plaats van ‘showing’ komt op meerdere plekken in het boek voor zonder dat het iets bijdraagt aan de beschreven scène.
De epiloog
In de epiloog krijgen we te maken met de volwassen Mariët. Hierin werpt ze een blik op wat het wonen in Veenhuizen voor haar betekend heeft. Zo is ze zich ervan bewust wat voor een ander ritme er, ook nu nog, in het dorp heerst. Ze keert regelmatig terug en heeft aangevraagd er begraven te mogen worden. Ondanks dat ze in haar jeugd juist nieuwsgierig was naar de buitenwereld, komt ze als volwassene weer terug. Daarnaast heeft Veenhuizen als grote inspiratiebron gevormd voor meerdere van haar boeken, zoals Bokkezang en De eerste zonde. In de epiloog gaat ze in op wat er met haar dorpsgenoten in het latere leven gebeurd is. Dat is eigenlijk onnodig. De personen die Meester beschrijft vervullen namelijk alleen een functie als onderdeel van haar herinneringen. Het zijn geen mensen waar je als lezer een band mee opbouwt. De mededelingen over hun latere carrières en het aantal kinderen zijn oninteressant.
Door alle overbodige bijzonderheden voelt Koloniekind als een boek met veel informatie zonder inhoud. Een bredere reflectie van een volwassen Meester op het dorp en op haar jeugd had voor meerwaarde kunnen zorgen. Maar de details over het bijzondere leven in Veenhuizen kunnen voor betrokkenen een bron van waardevolle informatie zijn.
In de serie Privé-domein is Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen van de Russische romancier, toneelschrijver en dichter Anatoli Mariëngof (1897-1962) uitgegeven. Het zijn de prachtig en soms humoristisch geschreven memoires van zijn kindertijd en zijn volwassenwording aan de beginjaren van de revolutie. ‘Mijn ouders kleden mij op hoogst krenkende wijze: niet in een broek, zoals het een man betaamt, maar in jurkjes, blauwe en roze,’ zo begint Mijn eeuw…
Mariëngof kwam uit een adellijke familie en stond bekend als een dandy en een nihilist. Hij was bevriend met de populaire dichter Sergej Jesenin met wie hij de ‘imaginistische school’ oprichtte, een Russische poëziestroming en dichtersgroepering waarin de inhoud van de poëzie ondergeschikt was aan het beeld. Door fricties hield de beweging na een paar jaar op te bestaan. Het laatste imaginistische product was Mariëngofs boek Roman zonder leugens (1927), een schandaalroman omdat hij veel details over het vrije liefdesleven van Jesenin bevatte, die inmiddels zelfmoord had gepleegd. Daarna volgden nog twee schandaalromans.
In de flaptekst van Mijn eeuw, mijn vrienden en vriendinnen staat onder meer dat het een wonder is dat Anatoli Mariëngof de Stalinterreur overleefde; hij noemde de Rode Revolutie een gehaktmolen en tijdens de proletarische gelijkschakeling wandelde hij in maatpak en hoge hoed door Moskou. De Sovjetautoriteiten zagen hem als subversief en er werd nog nauwelijks iets van hem gepubliceerd. Hij werd vergeten. Eind jaren tachtig werd zijn werk herontdekt.
Auteur: Anatoli Mariëngof
Uitgeverij: De Arbeiderspers
De toekomst van het sterven
Marli Huijer, arts, filosoof en columnist, schreef een voorlichtingsboek over dood gaan: De toekomst van het sterven. Dat sterven is aan het zicht onttrokken, concludeerde de gepensioneerde hoogleraar publieksfilosofie. Zij ziet dat ouderen graag gezond willen doorleven tot hun honderdste en dan in een klap overlijden, in dat idee gesteund door verouderingsdeskundigen en transhumanisten. In de praktijk gaat het zo niet, de aftakeling begint meestal kort na het pensioen en duurt gemiddeld een jaar of vijftien. Maar mensen hebben niet meer geleerd hoe goed te sterven.
In Trouw van 31 mei zegt Huijer, zelf 67: ‘Ik houd niet van het woord zin − dingen hebben geen zin. Betekenis is wat je met elkaar ontwikkelt, (…) Het draait om nabije relaties. Vandaar dat heel oude mensen, van wie de vrienden, kinderen soms ook, overleden zijn, er geen zin meer in hebben. De betekenis is weg.’
In haar boek probeert ze antwoord te geven op hoe we omgaan met de laatste levensfase, met ziektes en aftakeling en de vraag of mensen zich daarmee (willen) voorbereiden op de dood. Ze hecht waarde aan het zoeken naar het juiste moment van sterven. En als de hele samenleving steeds ouder wordt, zijn de kosten van de zorg dan nog op te brengen? Huisartsen en wijkverpleging zijn overbelast en van de 80-plussers voelt twee derde zich eenzaam. Behalve naar wat de laatste levensfase voor individuen en hun omgeving betekent kijkt Huijer ook naar de consequenties op het maatschappelijke en het politieke vlak.
Auteur: Marli Huijer
Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
Toen wij vogels waren
Toen wij vogels waren is de eerste roman van Ayanna Lloyd Banwo, Trinidadiaans schrijfster met een graad in creatief schrijven van de Universiteit van East Anglia. In een interview met Pen Transmissions zegt zij dat ze het boek schreef ‘met een inheems gevoel voor religie en spiritualiteit, waar de tijd niet lineair is, waar de levenden en de doden niet zo ver van elkaar verwijderd zijn als we misschien denken.’ Dus bevat het tijdloze thema’s als liefde, romantiek, magisch realisme, traditie en fantasie.
In het fictieve Port Angeles, gelijkend op Port of Spain, de hoofdstad van Trinidad en Tobago, arriveert Darwin die als grafdelver gaat werken, het enige werk wat hij kan vinden en nodig heeft om zijn zieke moeder te ondersteunen. Zij hangt het rastafarigeloof aan waarin de doden de doden moeten begraven. Graf delven gaat daar regelrecht tegenin.
Op de uitgestrekte oude begraafplaats, vol met geheimen en problemen, ontmoet Darwin Yejide. Hun beider lot zal onuitwisbaar met elkaar verbonden raken.
Yejides moeder stamt af van de corbeaux, zwarte vogels die bij zonsondergang naar het oosten vliegen met de zielen van de doden. Zij kan met de doden communiceren en hen helpen vrede te vinden. Als haar moeder sterft, erft Yejide dit ‘geschenk’ waarvan ze niet weet of ze het wel wil. Haar grootmoeder vertelde haar verhalen over de tijd voor de tijd, toen de dieren konden praten en vredig met elkaar samenleefden. ‘Maar op een dag loopt een krijger het woud in. Hij ziet dat er volop dieren zijn om op te jagen en vruchten om te eten. Wanneer hij naar de bomen kijkt, ziet hij alleen de huizen die hij kan bouwen en (…) het land (…) ziet hij alleen wat hij kan nemen. De dieren proberen met hem te praten (…) maar hij kent hun taal niet en dus kan hij ze niet verstaan.’ Er komen meer krijgers, en boeren, en priesters. Oorlog volgt. De dieren verdwijnen en vele van hen veranderen in vogels. Volgens The Guardian echoot Dickens in dit liefdesverhaal over een doodgraver en een medium. The Observer noemt het een meesterlijk debuut en de New York Times Book Review roemt het mythische en boeiende.
Het eigen leven tot onderwerp van haar boeken maken. Dat deed de Franse schrijfster Annie Ernaux al vanaf het eerste boek dat ze in 1974 schreef, over haar kindertijd. Daarna volgden romans over haar adolescentie, haar huwelijk. Ook haar ouders waren met hun individuele wedervaren onderwerp van Ernaux’ literaire aspiraties, zoals de maatschappelijke ontwikkeling van haar vader en de ziekte van alzheimer bij haar moeder. In haar eigen leven waren afzonderlijke gebeurtenissen aanleiding voor een boek. Zo was daar L’Événement (2000), dat in 2004 onder de titel Het voorval werd uitgegeven door Singeluitgeverijen.
Na het succes van De jaren (2020), een vermenging van autobiografische fictie en sociologie, is er nu een derde druk van Het voorval, eveneens in de vertaling van Irene Beckers. Tijdens een heel korte zomerrelatie raakt Annie zwanger. Al snel is ze ervan overtuigd dat ‘dat’ weg moet en ze besluit tot abortus. Een riskante onderneming, want abortussen geschieden dan nog clandestien. De zwangerschap dwingt haar ook na te denken over de relatie met haar moeder en over het feit dat zijzelf leven door kan geven. Neutraal, eerlijk en authentiek beschrijft Ernaux de feiten, zoals ze in al haar negentien boeken doet. Van Het voorval is een film gemaakt die in 2021 in première ging.
Auteur: Annie Ernaux
Uitgeverij: Arbeiderspers 2021
Een winter in Parijs
Het driejarige racepaard Peres duwt per ongeluk tegen de deur van haar stal op het Franse platteland en als de deur opengaat stapt ze naar buiten, ziet iets liggen wat ze kent. ‘Ze bracht haar neus ernaartoe, snuffelde er wat aan en ontdekte het hengsel. Ze pakte de tas op en draafde van het stallenterrein af, de renbaan op. Serieus, dacht ze, voor een paard dat net een lange race met veertien hindernissen achter de rug had, barstte ze eigenlijk nog van de energie. Ze maakte een uitgelaten bokkensprong en brieste.’ Dan gaat het paard op weg, wat het begin is van een avontuur over vriendschap. Jane Smiley schreef met Een winter in Parijs een boek vol vriendelijkheid, troost en hoop, in de trant van Charlie Mackesy’s bestseller De jongen, de mol, de vos en het paard.
In Parijs komt Peres hond Frida tegen, later komen er twee eenden bij en een raaf. Samen scharrelen ze in de winterse kou hun kostje bij elkaar. Als Peres de achtjarige Étienne ontmoet, ontstaat er vriendschap tussen de jongen en het dierengroepje. Étienne smokkelt de dieren die dat willen naar binnen en ook een rat sluit zich aan. De dieren praten samen, zorgen voor elkaar, hebben ieder een eigen taak en ergeren zich soms aan elkaar. Ze hebben alle eigenschappen en gedragingen die mensen ook hebben. Smiley vertelt het verhaal vanuit de verschillende perspectieven van de dieren en de jongen met ieder hun eigen, unieke persoonlijkheid. Het is een lief boek geworden.
Auteur: Jane Smiley
Uitgeverij: Nieuw Amsterdam 2021
De expeditie
Het boek De expeditie schreef Wessel te Gussinklo op verbeten toon al in 1963, in drie maanden tijd. Hij was toen tweeëntwintig jaar. Uitgeverij Koppernik laat het nu voor het eerst in druk verschijnen. Hoofdfiguur Ronald spiegelt zichzelf een helder beeld voor van de volmaakte vrouw. Hij legt het zijn geliefde, Mirjam, dwingend op en verwacht dat zij eraan voldoet. Hij verlangt naar een symbiose, naar een compleet samenvallen met de ander. Maar Mirjam weigert aan dat beeld te voldoen en volgt haar eigen belangen.
In De Groene Amsterdammer zegt Te Gussinklo in januari 2021 over De expeditie: ‘Helemaal per ongeluk, toen ik net tweeëntwintig was, begin ik een verhaaltje te schrijven. Plotseling, zomaar, schoot het uit mij voort. Mijn schrijverschap ontwaakte toen. Ik wist opeens: verdomd, dit is het, dit wil ik met mijn leven.’
Eveneens is in deze uitgave van Koppernik Het meesterwerk opgenomen, een autobiografisch en soms hilarisch verslag over de moeilijkheden en mislukkingen die Te Gussinklo ondervond bij het schrijven, vanaf het voltooien van De expeditie tot aan de publicatie van De verboden tuin. Voor deze tweede roman kon hij tien jaar lang geen uitgever vinden.
Te Gussinklo, bewonderaar van Dostojewski en Sartre, vindt zichzelf meer een schrijver van inzichten dan van verhalen. Zijn thema’s zijn veelal de strijd met het dagelijks bestaan, macht, ideologieën, tirannen, beelden en visioenen. In 2021 won hij de Boekenbon Literatuurprijs voor Op weg naar De Hartz, het vierde deel van de romancyclus over zijn alter ego Ewout Meyster.
In autobiografische vertellingen dringt zich altijd deze vraag op: welke gebeurtenissen hebben echt plaatsgevonden en welke passages zijn meer aan de verbeelding ontsproten dan aan de realiteit? Bovendien staat het onderscheid tussen verzinsel en werkelijkheid voortdurend onder druk, omdat elke herinnering een subtiele vervorming of romantisering van de waarheid in zich draagt. Met In de voetsporen van mijn grootvader slaagt Margot Dijkgraaf, winnares van de Gouden Ganzenveer, er echter in minutieus verslag te doen van het leven van haar Zeeuwse opa: leraar Duits, poëzieliefhebber en kritische analist van het werk van schrijver Heinrich von Kleist.
Dat bepaalde passies een generatie overslaan, is een gevleugelde uitdrukking die andermaal haar geldigheid bewijst; Margot hervindt haar voorliefde voor literatuur via haar grootvaders artikelen. Ze ziet in hem een geestverwant, vooral als ze ontdekt dat hij Penthesilea, heldin uit het werk van Von Kleist, de heraldiek toedicht die normaal gesproken alleen aan mannelijke personages verleend wordt.
Honderd jaar eerder dan zijn kleindochter plaveide hij reeds de weg voor een modernere kijk op heldendom in de literatuur. Dijkgraaf schreef voor het verschijnen van deze roman reeds over rebelse, sterke vrouwen in de Franse verteltraditie. Al die tijd keek haar grootvader met haar mee. En voor wie dit een te rooskleurige afspiegeling vindt van Dijkgraafs onderneming, heeft zij een vrije interpretatie van Albert Einsteins wijsheid in petto: ‘Via de verbeelding kun je daar komen waar feiten tekortschieten.’
Auteur: Margot Dijkgraaf
Uitgeverij: Atlas Contact
Poezie als alternatief
Ontlezing is een groot probleem in Nederland, als we alle onderwijsrapporten moeten geloven. Literatuur, en vooral poëzie, geldt al decennialang als een bastion van de elite: zij is onbereikbaar voor het grote publiek en klaagt tegelijkertijd dat niemand haar consumeert. En áls een jonge stem zich aandient een nieuw geluid te vertolken, staan de poortwachters van de literaire elite klaar om deze te weren uit de canon. Zo blijft letterkunde een stoffiger dan stoffig studieobject, waaraan menig scholier zijn vingers niet durft te branden.
Jeroen Dera, universitair docent letterkunde in Nijmegen, toont met zijn boek Poëzie als alternatief aan dat de dichtkunst niet slechts voorbehouden is aan grijze heren die in een literair café Baudelaire reciteren. Nee, ook millennials (van wie de oudere generaties beweren dat ze geen ruggengraat hebben) kunnen poëzie leren waarderen. Met de juiste begeleiding, leestips en – het belangrijkste – een geduldige zoektocht ontdekken zij de schoonheid en de kracht van verzen.
Om het imago van poëzie onder jongeren af te stoffen gebruikt Jeroen Dera een beproefde tactiek: hij zet vol in op engagement, opdat de aanstormende generatie bij de dichtkunst betrokken raakt. Geen snobistisch gewauwel over het grote Niets, gefilosofeer in de leegte of mooischrijverij in deze bundel. Hij haalt gedichten aan over diversiteit, maatschappijkritiek, klimaatproblemen, neokapitalisme en hij geeft onderdrukte stemmen het woord. Dit boek is een absolute must have voor docenten Nederlands, mits zij hun passie voor gedichten ook maar enigszins willen doorgeven aan hun leerlingen. Dera zei het zelf al zo treffend in de Volkskrant van 4 juli jl.: ‘Gun ook VMBO-leerlingen de verbazing van een poëzieles.’ Dera keert met dit boek het tij tegen de ontlezing. Daarvoor verdient hij alle lof.
Auteur: Jeroen Dera
Uitgeverij: Wereldbibliotheek
Aardwrijvingen
Charlotte van den Broeck, schrijfster van het alom geprezen Waagstukken, merkt tijdens een interview in De Morgen op: ‘We behandelen de natuur alsof ze een decor voor de mens is.’ Dit zegt zij in het kader van haar nieuwste poëziebundel Aarduitwrijvingen, tot stand gekomen in Death Valley. De grillen der natuur zijn op weinig plekken ter wereld zo voelbaar als daar, en door die grillen heeft Van de Broeck zich laten meevoeren. Op haar gevoel heeft zij inmiddels meer durven vertrouwen; haar begaafdheid bewees zij reeds met de bundels Kameleon (2015, Herman de Coninckprijs) en Nachtroer (2017, Paul Snoekprijs).
De titel verraadt al een hoop over haar stilistische werkwijze. Aarduitwrijvingen zijn namelijk kunstwerken van Herman de Vries, waarin aardhoopjes uit alle windstreken van de wereld worden platgedrukt en uitgestreken over papier. Het resultaat? Zuivere aarde, waaraan niets is toegevoegd. De kracht van haar poëzie schuilt dan ook met name in taalzuiverheid en precisie. Op zoek naar de volle zeggingskracht van ieder afzonderlijk woord behandelt de dichteres de taal zoals de natuur eigenlijk behandeld zou moeten worden: zuinig, liefdevol, aandachtig en eerbiedig.
Aarduitwrijvingen doet qua spontaniteit en vitaliteit bij vlagen denken aan Hendrik Marsman. Vergis u echter niet in de inhoudelijke relevantie van Van den Broecks poëzie, het engagement van Dera zogezegd. Zij laat impliciet haar licht schijnen over vrouwelijkheid, feminisme en natuurbehoud zónder haar speelsheid en zintuiglijke verwondering te verliezen. Met deze prachtige bundel laat zij zien dat ook de mens slechts een aarduitwrijving is.
De Duitse schrijfster Iris Hanika (1962) was journaliste voor onder andere de Frankfurter Allgemeine Zeitung en publiceerde diverse romans, waaronder Das Eigentliche, in het Nederlands uitgebracht onder de titel Het eigenlijke. Het boek werd onder meer onderscheiden met de Literatuurprijs van de Europese Unie en de Preis der LiteraTour Nord. Hoofdpersoon Hans Frambach werkt als archivaris bij het Instituut voor Exploitatie van het Verleden, waar hij documenten uit de nalatenschap van één overlevende van de kampen archiveert. Het Instituut moet enorm zijn want Hans werkt op de zestiende verdieping. We leren alleen de receptioniste en Hans’ directe chef kennen. Met de receptioniste heeft hij een ijzige band, zijn chef overdondert hem. Hij stuurt hem naar Shanghai om daar kisten met spullen van een uit Duitsland geëmigreerde Joodse componist op te halen. De chef is alleen maar bezig zich te laten gelden binnen de wereld van de archieven om budget los te peuteren en een naam te vestigen. Het verleden speelt voor hem niet echt een rol.
Herdenkingsindustrie
Het Instituut is opgericht om de Duitser te confronteren met het oorlogsverleden en met het gegeven dat niet alleen herdenkingen daarin belangrijk zijn maar ook het duister zelf. Dat was de grondslag van de stichting: ‘Iedereen wist het. Het was geen geheim en stond niet ter discussie. Het was echt het eigenlijke.’
Hans is eenzaam en niet gelukkig en lijdt onder een schuldgevoel over de Naziterreur. Hij windt zich op over het feit dat hij zo druk bezig is met die zwarte en zware periode uit de geschiedenis, terwijl de maatschappij er steeds onverschilliger voor wordt. Hij verwijt de Duitsers de doodzonde van ‘acedia’ (luie onverschilligheid) en noemt de Stolpersteine en het grote Holocaustmonument in Berlijn producten van de Herdenkingsindustrie: niet gericht op het eigenlijke maar op vermaak, zoals films over de oorlog. ‘Ons verleden is voor het massapubliek compatibel geworden. Ze hebben het goed laten uitrijpen en alle nuances ervan afgeschuurd.’Ook ergert hij zich aan het feit dat de kerken zich het Leed toe-eigenen. Ze vergelijken Auschwitz met Golgotha en suggereren zo dat het lijden een hogere zin had. Hans maakt zich vreselijk driftig over de claim die de kerk legt op de ellende van de oorlog en deze gebruikt om haar eigen gelijk te halen. ‘Wat eigenlijk niet te verdragen is, is de volkomen zinloosheid van dat leed. Elk leed. Het is de zinloosheid, niet het lijden dat niet te verdragen is. Omdat die zinloosheid, de zinloosheid van deze misdaad je algauw tot het inzicht brengt dat überhaupt alles zinloos is.’ laat Hanika hem zeggen.
Hans heeft een vriendin, Graziela, bij wie hij zijn verhaal, zijn eenzaamheid en zijn zwaarte kwijt kan. ‘De enige mens met wie hij praatte, die met hem praatte, de enige mens, een gouden stapsteen in de grijze zee.’Ze spreken elkaar bijna dagelijks, meestal telefonisch. Hij hoopt een relatie met haar te beginnen, maar Graziela kiest voor haar minnaar, een getrouwde man. Ze praat veel met Hans om haar geluk en haar twijfels over deze minnaar te delen en schroomt niet om Hans midden in de nacht te bellen als de minnaar het uitmaakt. Graziela heeft veel invloed op Hans, die zich gemakkelijk laat manipuleren. Uiteindelijk neemt hij een beslissing.
Eigentlichkeit en uneigentlichkeit
Deze roman van Hanika is geprezen om zijn ironische en lichte benadering van een collectief fout verleden in Duitsland. Als Nederlander missen wij misschien wel het een en ander van die, mogelijk typisch Duitse, ironie. Die is niet altijd te duiden en verwijst mogelijk naar bronnen die we in Nederland minder of niet kennen. In 1965 werd een essay gepubliceerd over humor bij Thomas Mann. De schrijver, Käte Hamburger, stelt daarin dat de humor bij Mann berust op een volgehouden contrastwerking tussen “Eigentlichkeit” en “Uneigentlichkeit”. ‘Met Eigentlichkeit bedoelt ze de mythes en illusies over de werkelijkheid die in de loop der tijd bij elkaar zijn geschreven, verteld en gefabuleerd en tot een ideologisch conglomeraat gesmeed waarbinnen mensen functioneren en elkaar zand in de ogen strooien. Humor moet je daarin kunnen zien, je moet het willen zien.’ Dit citaat komt uit de zinvolle en behartenswaardige beschouwing over de humor bij Thomas Mann die Kees ’t Hart in zijn laatste bundel (Victorien, ik hou van je, 2021) heeft opgenomen. Voor de humor in Het eigenlijke gaat dat misschien ook wel op.
De keuze voor de vertaling van de titel van de roman, Het eigenlijke, had treffender gekund. Mooier, passender, duidelijker zou wellicht Het wezenlijke zijn. Tegenwoordig wordt er eigenlijk in zo goed als elke zin (kijk naar de talkshows) ‘eigenlijk’ gebruikt: dat is onnadenkend en mogelijk een uiting van overdreven onzekerheid of valse bescheidenheid of gewoon communicatieve onhandigheid. In de meeste gevallen is het eigenlijk storend en overbodig. Los daarvan heeft Iris Hanika een bewonderenswaardige roman geschreven die een groot taboe op een andere wijze durft te belichten.