• Lijstjes en De welwillenden

    door Menno Hartman

    Op zoek naar mijn agenda waarin ik schrijf wat ik lees, omdat ik een verschrikkelijk geheugen heb realiseer ik me dat ik geen flauw benul heb waar mijn oude agenda is, het is 2 januari 2009.
    Hoe maak ik nu lijstjes? Nu missen mijn lijstjes al een primair element van wat in de lijstjescultuur zo van belang is: de weerslag van wat er in een jaar gepubliceerd is. Maar wie leest nu alleen recent werk?  Goed, mijn recentste boek is toch in 2008 in vertaling verschenen en dat hoef ik in mijn agenda niet na te gaan, want ik heb het nog niet uit: Jonathan Littell De Welwillenden. Mijn lijstje wordt daarmee nogal kort: een half boek.
    Wat kan je zeggen over een half boek? Een klein voordeel van mijn warrige lectuur, waarin voortdurend boeken door elkaar heen gelezen worden, is dat men niet snel om andermans woorden verlegen zit: ‘Van het uitvinden van buskruit tot aan het splitsen van atomen, van het schieten met kanonnen om de tegenstand van vijanden te breken naar het gooien van de atoombom op Hiroshima is maar een stap, zij het ook een reusachtige: men kan dat, met de dood in het hart, desnoods een logische ontwikkeling noemen. Ieder vernietigingswapen van vergelijkbare omvang zou vroeg of laat de onmogelijkheid van de oorlog aan de orde gesteld hebben, de noodzaak van verantwoordelijkheid en coëxistentie. Maar bij de gaskamers en slavenkampen ging het in wezen om iets heel anders: om het gewelddadig breken van het kristal om het verdelgen van de eeuwigheidsfactor x in het menselijk bewustzijn: daar werd door massale moord, los van oorlogvoering, maar met die oorlogvoering als dekmantel een precedent geschapen voor een onmenselijk gebruik van menselijke wezens, zicht geopend op een volstrekt andere inhumane wereld.’
    Hella S. Haasse schrijft dit in haar essay Sporen van geweld. Op zijn beurt een lijstje -hoe oneerbiedig dat ook klinkt- van verwerking van het thema oorlog in de Nederlandse literatuur van na WOII. Een sterk essay.

    Juist om deze stap gaat het in De welwillenden. Het boek tracht inzicht te verschaffen in de denkwereld van de daders: de ss-officieren die bijdroegen aan de massale vernietiging van de joden. In de introductie van het verhaal geeft de hoofdpersoon de kille rekensom weer die ook de auteur waarschijnlijk regelmatig maakte en waaruit een verwondering ontstond die om uitleg smeekte. Dr. Aue rekent de lezer voor dat er in de beschreven periode elke 4,6 seconde iemand het leven liet van ’41 tot ’45 in Rusland. Wanneer dat uitgerekend is dringt de vraag zich op hoe dat kon, de vraag naar de praktische uitvoering. Die rekensom maken, op het idee komen om dit uit te rekenen is in wezen al een verplaatsing in de logistieke realiteit van de inhumane actie. Een onmenselijk gebruik van menselijk wezens. En ook en vooral: het gewelddadig breken van het kristal, die al te fijne en zeer breekbare coëxistentie van mensen, dat wat na de Holocaust alleen nog maar als kristal te beschouwen is.

    Dit voorwoord van Dr. Aue is een heel sterke opening, cynisch, ontdaan van sentimentaliteit. Mijn indruk van de helft van dit boek is een beetje gekleurd door de enorme goed ontvangst van het boek. Door zo’n ontvangst verwacht je veel.  De cynische denker in de proloog is niet representatief voor de officier in de rest van het boek. Wat ik jammer vind is dat deze Aue een intellectueel moet zijn. Een muziekliefhebber, iemand die prachtige gesprekken met een bevriende Dr. kan voeren over de aard en afkomst der Kaukasische talen.Het heeft iets teveel van de psychopaat in ‘The Silence of the Lambs’, enge mensen moeten altijd belezen, intelligent, muziekminnend en seksueel problematisch zijn. Dat maakt het boek inderdaad wel zo boeiend, maar moet iets afdoen van de claim dat men de gedachtewereld van de daders zou leren kennen.
    Dr. Aue is een antisemiet vanuit een theoretisch beginsel, niet diep doorvoeld maar gekneed in de leer. Soldaten en legerleider die hij leert kennen in de Oekraïne die een evident wreed genoegen in hun bezigheden scheppen veracht hij. Nog, misschien moet ik nog zeggen, want de systematiek van Auschwitz is halverwege het boek nog niet volledig doorgevoerd en wat die machinale verontmenselijking van slachtoffers zowel als daders zal bewerkstelligen, ligt voor deze lezer nog in de kruitdampen verscholen.  Er wordt met deze Aue tenminste wel enig zicht geopend op de volstrekt inhumane aspecten van de beschreven wereld.
    Dr. Voss, de gesprekspartner van Aue in een van de Russische oorden waar Aue verblijft is een linguïst die op zeker moment zeer treffend de wetenschappelijke waan van de rassentheorie onder woorden brengt, Aue voelt dit en kan niet direct antwoorden maar belooft er later op terug te komen. Voss bekoopt dit met zijn leven.  Niet Aue, of iemand in het boek die de vrijdenker hoorde redeneren heeft Voss om zeep geholpen maar de auteur, die zich gerealiseerd moet hebben dat een zo’n helder betoog over de waanzin van de grondbeginselen van deze historische moordpartij, op 1/3 van het boek het verhaal resoluut klem zou zetten als erop terug gekomen zou moeten worden met Voss.
    Zo is er heus het een ander op te merken. Maar wat een boek, schreef in Nederland maar eens iemand zo’n boek. Blijk gevend van een obsessieve feitenkennis en de moed een groot thema aan te snijden.
    Een half boek op deze lijst, tenzij ik ergens in januari mijn agenda nog vind.

     

  • Houten Kruisen van Roland Dorgelès

    Sterk door reële inslag

    door Dominique Rothengatter

    Ik ben normaal gesproken géén fan van oorlogsboeken. De vaak bloedige, mensonterende en dikwijls dodelijke handelingen van de strijdende partijen aan het front, vervullen me met afkeer. Maar dit oorlogsverhaal doet dat niet! Het pakt me en dat komt door de menselijke en behoorlijk realistische toon die Roland Dorgelès neerzet.

    In Houten Kruisen vertelt Dorgelès vanuit het perspectief van de Franse soldaat, Jacques Larcher. Larcher maakt deel uit van de vijfde escouade van de derde compagnie van het Franse leger. Hij vertelt over de ervaringen van hem en zijn kameraden aan het front.

    Aan het begin van het boek is de Eerste Wereldoorlog nog maar kort aan de gang. De kameraden van de vijfde escouade doen hun eerste oorlogservaringen op maar maken ook nog écht plezier samen. Zo verkleden de soldaten Lemoine en Sulphart zich als bruidspaar voor een carnavalsfeest.

    ‘Na een paar bovenlijfjes verscheurd te hebben bij een onhandige poging ze aan te trekken, konden ze zichzelf veranderd in een carnavalsbruidspaar, in de spiegel bewonderen. Toen ze gearmd op de binnenplaats verschenen was iedereen even met stomheid geslagen, maar daarna werden ze met gejoel begroet. “Leve het bruidspaar!” brulde Fouillard als eerste.”

    In de alledaagse realiteit van het Franse soldatenbestaan zijn luizen in je kleding, vlees met modder en schoenen die je twee weken onafgebroken aan je voeten dient te houden, maar ook het creëren van een tijdelijk huis in je eigen loopgraaf, héél normaal.

    ‘De kameraden zaten in hun schuilnissen te knutselen. De kleine Belin maakte zijn nis op maat en hakte één kuiltje uit voor zijn kaars, een tweede voor zijn kwartliterkroes en nog een grotere kuil om zijn voeten in te steken. Bréval schreef zijn vrouw en Broucke lag te slapen, zijn enige genoegen tussen de twee maaltijden in.’

    Dorgelès vertelt een verhaal van aaneengeschakelde gebeurtenissen, wat snel kan vervelen, maar nergens vind ik het verhaal saai of langdradig. Integendeel, wanneer een kameraad en tevens vriend van Larcher, Gilbert Demachy gewond raakt, betrap ik mezelf erop dat ik een paar bladzijden over wil slaan om erachter te komen hoe het met hem afloopt.

    Naarmate het verhaal vordert komt de realiteit van de oorlog voor zowel soldaat als lezer steeds dichterbij. De schrijver geeft aan dat ieder denkt dat de ander zal sterven maar dat je zelf blijft leven.

    ‘Sterven! Kom nou! Hij zal misschien sterven, en de buurman en nog anderen, maar jij kunt niet sterven…Dat kan niet in een keer verdwijnen, die jeugdigheid, die vreugde, die onbegrensde kracht. Je hebt er tien zien sterven, je zult er honderd zien vallen, maar dat jij aan de beurt kunt komen om een blauw hoopje op het veld te worden, dat geloof je niet.’

    Soldaten benadrukken op hun beurt het gebrek aan realiteitszin van de journalisten die over de oorlog schrijven. Lambert, een kameraad uit Larcher’s escouade, maakt zich boos hierom.

    ‘Lambert die met gebogen hoofd achter ons liep, leek wakker te worden: “ ‘n weertje om te vechten!” viel hij uit. “Dat heb je in de Pêle Mêle gelezen…! Oh! Ze kunnen toch goed uit hun nek kletsen, die snotjongens die over de oorlog schrijven…In de zon sterven, dat is nog eens wat..! Nou `k zou `r wel één met z’n bek open in ’t prikkeldraad willen zien creperen, en ‘m dan vragen wat ie van het landschap vindt…”

    Ik vind dit een grove, maar tóch humoristische uitspraak. Het toont de gefrustreerdheid van de soldaat ten opzichte van ‘onwetende journalisten’.

    Op sommige punten is Houten Kruisen minder reëel, zoals ook Pierre Schoentjes, in het nawoord van het boek aangeeft. Dorgelès geeft soldaten als slachtoffer weer die lijden onder: ‘ontberingen, verveling, kou, bombardementen, verwondingen, de dood. Slechts zelden wordt er een man getoond die een vijand doodt’5

    Ondanks soms minder waarheidsgetrouwe voorstellingen in het verhaal, vind ik dat Roland Dorgelès een aanbevelingswaardig boek over de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk heeft geschreven. Hij beschrijft de ‘oorlogsrealiteit’ zoals hij deze ervaren heeft, waar naast dood en verderf ook vreugde en kameraadschap kunnen bestaan!