• Lessen in onzichtbaarheid

    Lessen in onzichtbaarheid

    Stel je een jonge Sri Lankaan voor: klein van stuk, dromerige blik, coupe soleil, die zich door de straten van Sydney begeeft met een draagbare stofzuiger op de rug. Dit is de hoofdpersoon uit Gratie, het nieuwe boek van de Indo-Australische schrijver Aravind Adiga, winnaar van de Booker Prize 2008 met De witte tijger. Dhananjaya Rajaratnam of Danny, zoals de jonge man zich in Australië noemt, is illegaal. Hij werkt als schoonmaker en leeft zoveel mogelijk onder de radar. Om dit vol te houden werkt hij zorgvuldig aan een nieuwe, Australische versie van zichzelf. ‘Al voordat Danny naar Australië kwam, oefende hij zich in het Australiëschap. Helemaal in Batticaloa al. Voor de spiegel. Hij vertraagde zijn V’s. Hij beet op zijn onderlip als hij volleybal zei.’ Want klinken als een Aussie, zo redeneert Danny, dat ‘maakt een Aussie tot een Aussie.’ 

    Moreel dilemma

    Een tijdlang lukt het Danny om onzichtbaar te blijven, totdat een voormalige klant van hem wordt vermoord en hij denkt te weten wie de dader is. Vertelt hij de politie van zijn vermoedens – met alle gevolgen van dien – of houdt hij zijn mond? 

    In een verteltijd die slechts één dag beslaat, worstelt Danny met dit morele dilemma. De vermoorde klant is Radja en de vermoedelijke dader haar geheime minnaar Prakash. Door flashbacks wordt de benauwende verstandhouding die Danny met dit koppel had uit de doeken gedaan. Wanneer Danny op de dag van de moord, in een opwelling Prakash belt en gelijk ophangt, begint de ellende. Onmiddellijk belt Prakash terug. ‘Fabelachtige Schoonmaker,’ begint hij, ‘wat leuk dat ik uitgerekend vandaag wat van je hoor.’ Hierna volgt een reeks dreigtelefoontjes die het hele boek voortduren. In een poging om ervoor te zorgen dat Danny zijn mond houdt, zet Prakash Danny’s illegale status in als chantagemiddel en het is dit gegeven waar het boek om draait.

    Felbegeerde status

    De gemiddelde autochtone Australiër staat bepaald niet open voor nieuwkomers, legaal dan wel illegaal. Danny doet zijn best de meest chauvinistische types te vermijden. ‘De drie mannen waren wit. Niet het soort mannen dat je op zaterdag soms in Sydney zag – een en al Arische eiwitten, klef, onder de tattoos en vol opgeblazen praatjes over het Australische leger en Gallipoli en over hoe rijk hun ras was en hoe armoedig alle andere rassen, bottige lijven die in hun botheid uit waren op botsingen met lijven die niet wit waren.’ Danny moet oppassen niet verraden te worden. In het speciaal voor illegalen opgerichte Villawood wil je niet belanden, getuige een krantenbericht: ‘Weer heeft een illegale immigrant die in het detentiecentrum Villawood in Sydney op uitzetting wachtte de hand aan zichzelf geslagen (…) Onofficiële rapporten melden dat dit de 698ste zelfmoordpoging dit jaar is onder de naar schatting 3500 bewoners van het centrum.’ 

    Er is echter één groep die er bij Danny nog slechter vanaf komt dan de autochtone Australiër en dat is de legale immigrant, de immigrant met de felbegeerde status van permanente staatsburger. Deze groep is het moeilijkst te ontlopen: ‘Niks eenvoudiger dan onzichtbaar worden voor witte mensen, die je toch al niet zien; maar het moeilijkste is onzichtbaar worden voor bruine mensen die je altijd zien.’ Dit zijn mensen als Prakash. Of Tommo, Danny’s Griekse huisbaas die hem uitbuit door een royaal deel van zijn schoonmaakinkomsten in beslag te nemen in ruil voor zijn stilzwijgen. ‘Immigratie!’ buldert hij lachend als Danny een poging doet zich uit zijn grip te bevrijden; het is bewonderenswaardig dat Danny zijn zelfbeheersing bewaart en zelf geen moord pleegt. Thuis in Sri Lanka zijn ze, blijkt later, niet veel beter: Danny kwam oorspronkelijk legaal op een studievisum Australië binnen om te ontdekken dat hij in zijn thuisland is opgelicht door een malafide ‘university scheme.’ Ironisch genoeg was zijn kans op een verblijfsstatus veel groter geweest als hij Australië illegaal was binnengekomen, en dat ligt aan  ‘dat wonderbaarlijke ding, dat onvergankelijke fenomeen, het blondste dier van Australië: hun Wetgeving.’ 

    Geëngageerde pageturner

    Gratie is de moeite waard voor de lezer die meer te weten wil komen over de strenge en soms harde Australische samenleving bezien door de ogen van een ongewenste vreemdeling. Wie echter mooie beelden of stilistisch vernuft verwacht, komt bedrogen uit. De vertelling is vaak wankel en aanvankelijk is de toon onduidelijk: licht of ernstig, absurdistisch of realistisch. En dan de dreigtelefoontjes van Prakash: te veel en te vaak, duidelijk bedoeld om spanning te creëren. Ook kleine ongeloofwaardigheden storen, zoals de snelheid waarmee Danny schoonmaakt: om 08:57 komt hij zijn eerste adres binnen en nog geen twintig minuten later hijst hij zijn stofzuiger alweer op zijn rug om de ‘schoongemaakte flat’ te verlaten. Iets te fabelachtig, om maar te zwijgen over de stofzuiger op zijn rug, die van iemand die ondergronds wil blijven toch een opvallende verschijning maakt. 

    Toch weet het verhaal te raken, vooral Danny’s vurige wens een bestaan op te bouwen onder de constante dreiging van verraad. Hij probeert zijn trauma’s achter zich te laten. Regelmatig wrijft hij over het litteken op zijn onderarm, een pijnlijke herinnering aan de wreedheden in zijn thuisland, waar hij door de autoriteiten werd aangezien voor Tamiltijger. Mooi beschreven is de poging van Danny om zich de taal eigen te maken, te spreken met ‘lange, lome Australische klinkers’; hoe hard hij er ook op oefent, het lukt hem niet zijn eigenheid weg te poetsen. ‘Twee jaar lang had Danny hard gewerkt aan zijn accent, maar die aparte spreekwijze had hij nooit afgeleerd. ‘Suikervrij betekent: geen suiker, ja? Melodische tautologieën waren hem aangeboren. Binnen zijn accent (niet Australisch maar neutraal) school een beestje uit een andere taal, en nu, na twee jaar in dit land, liet hij dat maar eens spinnen.’ Adiga schreef met Gratie een actuele, geëngageerde roman die leest als een spannende pageturner. 

     

  • Oogst week 8 – 2020

    Mijn konijn van vaderskant

    Het is altijd een plezier te vernemen dat er weer een boek van de Israëlische schrijver Etgar Keret (1967) naar het Nederlands vertaald is. Zijn nieuwste boek dat onlangs bij uitgeverij Podium verschenen is, heet Mijn konijn van vaderskant en wordt weer kenmerkend genoemd: warm, verrassend, origineel, fantasievol, geestig en onvoorstelbaar. In het titelverhaal bijvoorbeeld zien drie zusjes in een konijn hun net vertrokken vader, tot ongenoegen van de verdrietige moeder. Als het konijn wordt ondergebracht bij een jongen die in zíjn konijn eveneens een afwezige vader ziet, dan ga je je afvragen wat hier aan de hand is.
    Kerets personages worstelen met ouderschap en familie, oorlog en games, marihuana en pancakes, herinneringen en liefde.

    Het is een mooi initiatief van uitgeverij Podium om het werk van Keret die elders al wereldfaam geniet, ook voor de Nederlandse lezer toegankelijk te maken.

     

     

     

    Mijn konijn van vaderskant
    Auteur: Etgar Keret
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Gratie

    De Indiase schrijver Aravind Adiga (1974) is vooral bekend van zijn boek De witte tijger waarmee hij in 2008 de Man Booker Prijs won. Adiga werd geboren in Madras 1974, emigreerde naar Australië en studeerde daarna in New York en Oxford, woont nu in Bombay en werkt als journalist.

    Gratie is zijn nieuwe boek. Het gaat over Danny – (Dhananjaya Rajaratnam) – die gevlucht is uit Sri Lanka en illegaal in Sydney woont. Hij woont weinig comfortabel, werkt als schoonmaker, en is al drie jaar bezig een nieuwe identiteit voor zichzelf te creëren. Het normale leven ligt bijna binnen handbereik.
    Maar dan hoort hij dat een van zijn klanten is vermoord. Danny kende haar goed, en hij heeft een sterk vermoeden wie het gedaan heeft. Moet hij bekennen wat hij weet met het risico het land uitgezet te worden? Of moet hij zijn mond houden en rechtvaardigheid de rug toe keren? Terwijl de uren verstrijken, laat hij alles de revue passeren: het gewicht van zijn verleden, zijn toekomstdromen, en de onvoorspelbare, vaak absurde realiteit van een onzichtbaar leven zonder papieren. Danny moet diep in zijn geweten tasten om een antwoord te vinden. Heeft iemand zonder rechten wel verantwoordelijkheden?

    Gratie
    Auteur: Aravind Adiga
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Cliënt E. Busken

    Het nieuwe boek van Jeroen Brouwers heet Cliënt E. Busken. Het beschrijft een dag van het verblijf van de hoofdpersoon in de psychiatrische instelling. Deze E. Busken zit hier tegen zijn zin. In een rolstoel op een gesloten afdeling, maar hij neemt nog scherp waar wat er om hem heen gebeurt, en inwendig voorziet hij zijn medebewoners en het personeel van commentaar.

    ‘[…] Het blijft wel droog, meent ze. Er is zon voorspeld. Hier beneden waait het niet. Staat hij op de rem? Dat controleert ze. Ja, met die dragonderstem, u staat geblokkeerd. Hetgeen klopt. Geblokkeerd, ik. Geblokkeerder dan de wielen van de rolstoel, die ze ergens achter me, waar ik niet bij kan, heeft vergrendeld. Die wielen gaan gewoon weer draaien als ze niet meer zijn geblokkeerd, ikzelf ben niet als die wielen, want ik kan niets meer, wat wil je ook. Alleen nog zitten en liggen. En waarnemen. Denken. Piekeren. Malen. Bedoelen. Kleuren zien die er niet zijn, althans door anderen niet worden gezien. Ze heeft me met een riem om mijn middel in de stoel gefixeerd, de metalen gesp op mijn navel is niet door mij te openen. Mijn woede daarover en mijn verzet worden met injecties en pillen platgekookt. Wat nog kan bewegen zijn mijn handen en onderarmen. Met mijn benen, mijn voeten, kon ik schoppen, tot die ook aan de stoel werden vastgeknoopt. Hebt u uw saffies? Aansteker? Fluitje zit hier in het linkerzakje van uw overhemd, meneer Busken. Als u voelt dat u moet, meteen blazen. Dat er weer geen ongelukjes gebeuren. Ik denk dat ze niet beseft dat ze schreeuwt. Haar fraaie verschijning is als die op dat schilderij, doch haar decibels verstoren mij. Ze kijkt naar me. Ja meneer Busken? U hoort me wel. Meneer Busken? Antwoord geven kan u ook best. Hier raakt ze mijn hoofd aan, bij mijn slaap, met haar gesloten slanke hand een duwtje bij mijn oor, niet hard, maar toch dat ik het voel, een lichtgevend stompje. […]’

     

     

    Cliënt E. Busken
    Auteur: Jeroen Brouwers
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Granta – Another way of seeing, reactie op de NRC bespreking

    Soms schiet een krantenartikel in een verkeerd keelgat. Dat van Toef Jaeger bijvoorbeeld in NRC- Handelsblad over Indiase literatuur. Kun je je er zo makkelijk van afmaken als Jaeger deed?  Lodewijk Brunt vindt van niet.

    Zojuist verscheen een speciaal Indianummer van het onvolprezen Granta, tijdschrift voor nieuwe literatuur: Another Way of Seeing. Bijna twintig jaar na een ander Indianummer: The Golden Jubilee, naar aanleiding van de vijftigjarige onafhankelijkheid. Er is enige continuïteit te bespeuren – beide nummers zijn geredigeerd door Ian Jack, destijds in 1997 hoofdredacteur van het blad, nu gastredacteur. In beide nummers ook een bijdrage over de ‘Grote Ziel’ van de natie, Mahatma Gandhi. In het jubileumnummer over zijn bijdrage aan de onafhankelijkheid, nu over zijn studietijd in Londen. Symbolisch: de man is een onuitputtelijke bron van inspiratie, ook voor de literatuur. Hoewel? Beide bijdragen werden geschreven door buitenlandse India-correspondenten, respectievelijk Trevor Fishlock en Sam Miller. Zou er geen enkele interessante bijdrage van Indiase hand te vinden zijn geweest? Je zou denken dat er na de recente biografie van Ramachandra Guha en de controverse over Joseph Lelyvelds Great Soul materiaal voor het oprapen lag.

    Er zijn ook verschillen. Is de Indiase literatuur van karakter veranderd? Eind jaren 1990 was een booming periode voor Indiase romanschrijvers, je kreeg de indruk dat er iedere maand wel een nieuw meesterwerk verscheen – zeker nadat Arundhati Roy de Booker Prize in de wacht sleepte met haar debuut: The God of Small Things. Amerikaanse en Britse uitgevers betaalden exorbitante voorschotten aan auteurs als Hari Kunzru (The Impressionist), Aravind Adiga (The White Tiger), Kiran Desai (The Inheritance of Loss), Jhumpa Lahiri (The Interpreter of Maladies), literaire prijzen daalden op hun hoofd neer als sneeuwvlokken. De soms bijna hysterische opwinding lijkt voorbij, sommige schrijvers zijn gevestigde namen geworden, van anderen hoor je nooit meer iets. Dit alles betreft overigens de Engelstalige literatuur. Van gedichten of proza die in een van de talrijke inheemse talen worden geschreven, dringt zelden of nooit iets in de buitenwereld door, toen niet, nu nog niet – met sweeping statements over ‘de’ Indiase literatuur kun je maar beter terughoudend zijn.

    Van enige bescheidenheid is geen sprake bij NRC Handelsblad, dat bij monde van Toef Jaeger het verschijnen van Granta aangreep om de Indiase literatuur in z’n geheel door te lichten, in heden, verleden en toekomst, onder de titel Geen traditie, geen curry, alleen wanhoop (3 april 2015), maar liefst over twee volle pagina’s. Het verschil tussen de twee themanummers van Granta is ‘groot’, aldus Jaeger. Allicht, zou je zeggen, twintig jaar geleden ging het om de viering van de onafhankelijkheid, nu over – letterlijk – manieren van kijken. Another Way of Seeing is de titel van het themanummer, maar het is ontleend aan een bijdrage waarin Gauri Gill in haar landschapsfoto’s de schilderijen en persoon van de tribale kunstenaar Rajesh Vangad tot leven probeert te brengen. Jaeger ziet dat over het hoofd, voor haar is het nummer een middel om ‘grip te krijgen op de recente Indiase literatuur’. Haar stelling is dat meer welvaart leidt tot meer reflectie – de bloeiende Indiase economie heeft een nieuwe literatuur voortgebracht: de literaire non-fictie. Waar ze dit op baseert, afgezien van een paar slordig geciteerde opmerkingen uit de inleiding van Ian Jack, is niet helemaal duidelijk. Ze noemt één voorbeeld, de bijdrage van Aman Sethi over de zogenaamde ‘liefdeskruistocht’ (love jihad) die zou plaatsvinden in India: islamitische jongens die als een soort lover boys hindoemeisjes meelokken naar Pakistan om daar de kinderen te fokken die later als soldaten zullen terugkeren om India te vernietigen. Een aardige, maar niet bijzonder goed geschreven journalistieke reportage over een fanatieke volgeling van premier Narendra Modi die beweert dat hij het verschijnsel ‘ontdekt’ heeft. Jaeger spreekt eerbiedig over deze reportage-dialoog als nieuw literair genre, maar stukken van dit kaliber kun je vrijwel dagelijks in Nederlandse kranten vinden – alledaagse journalistiek, verdienstelijk, maar niets bijzonders. Uit haar weergave van het stuk kun je trouwens opmaken dat ze geen flauw idee heeft waar het eigenlijk over gaat.

    De hedendaagse Indiase literatuur zou volgens Jaeger ook minder dan voorheen zuchten onder een ‘dieet van curry, grote families en mythologieën verpakt in historische tragedies’. Meer ‘menselijke verhalen die hun kracht ontlenen aan het drama, niet aan de locatie’. Alsjeblieft! Ze bespreekt een nieuw boek van Akhil Sharma als voorbeeld van die richting – maar waar zet ze zich tegen af? Ze typeert heel India en de Indiase literatuur in het bijzonder als ‘narcistisch’ en ontleent dat aan V.S. Naipaul. Curieus, want ze had in de bijdrage van Sam Miller een vernietigend oordeel over die uitlating van Naipaul kunnen vinden; bovendien had ze ook kunnen zien dat Naipaul India niet ‘narcistisch’ noemde, maar sprak over Gandhi’s ‘navelstaarderij’.

    Was de Indiase literatuur twintig jaar geleden eigenlijk zo in zichzelf gekeerd? Zo aan ‘locatie’ gebonden? Zo weinig ‘dramatisch’? Je zou lijsten van schrijvers kunnen noemen – vooraanstaand, invloedrijk, baanbrekend – die je met een dergelijke karakterisering onherkenbaar zou verminken: Anita Desai, Sashi Deshpande, Rohinton Mistry, Anita Nair, Rushira Mukerjee, Akhil Sharma, Chughtai Ismat, Thrity Umrigar, Shauna Singh Baldwin. En werd er twintig jaar geleden geen literaire non-fictie geschreven? Een klap in het gezicht van Sankarshan Thakur (The Making of Laloo Yadav), Kalpana Sharma (Rediscovering Dharavi), Pinki Virani (Once Was Bombay; Aruna’s Story) of Husain Zaidi (Black Friday). Indiase auteurs, zegt Jaeger parmantig, hoeven niet meer te schrijven over samosas, door de toegenomen welvaart hebben ze meer Indiase lezers. Ze citeert Jack, maar opnieuw met ongehoorde slordigheid. Jack zelf baseert zich op Amitava Kumar die schreef dat Engelstalige Indiase auteurs voorheen teveel geneigd waren om te ‘vertalen’ ten behoeve van een Westers lezerspubliek – niet alleen woorden als samosa, ook verhalen en plots. Het klinkt reuze interessant, maar het is onwaarschijnlijk. De grote Indiase schrijvers, Rushdie en Desai voorop, hebben aan die neiging nooit toegegeven, maar ook in het werk van veel anderen is er geen spoor van te vinden.

    Heeft Jaeger dan toch tenminste gelijk als ze zegt dat non-fictie een veel belangrijker plaats inneemt tegenover fictie dan twintig jaar geleden? Dat zou moeten blijken uit de bijdragen aan de Granta-nummers 57 en 130. In de recente aflevering staat inderdaad relatief veel non-fictie: acht van de twintig bijdragen, tegenover negen fictie en drie gedichten. Maar hoe was het twintig jaar geleden? Je zou – afgaande op de stelling van Jaeger – aanzienlijk meer fictie verwachten, de nieuwe genres waren volgens haar immers nog niet ontwikkeld. Nee, dus. In het jubileumnummer vind je slechts vier bijdragen fictie tegenover maar liefst vijftien non-fictie stukken en twee gedichten.

    Op basis van haar eigen waarnemingen valt er dus een duidelijke conclusie te trekken over de Indiase literatuurgeschiedenis zoals NRC Handelsblad deze presenteert: flauwekul. Wat Jaeger blijkbaar eveneens totaal is ontgaan, betreft een ander verschijnsel. In 1997 was bijna de helft van alle bijdragen afkomstig van Engelsen en Amerikanen, het nummer van 2015 is vrijwel voor honderd procent volgeschreven door Indiase auteurs. Het is duidelijk wat zich in de afgelopen twintig jaar voltrokken heeft: de redactie van Granta heeft eindelijk ontdekt dat je een portret van India gerust aan Indiase schrijvers kunt overlaten.

     

    Lodewijk Brunt is emeritus hoogleraar Stedelijke vraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft gerecenseerd in o.a. VN, HP, NRC, Parool. De laatste jaren is hij met vertaalwerk bezig, met name uit het Hindi.  Door zijn kennis van India (en het Hindi/Urdu), waar hij vele jaren onderzoek heeft verricht, is hij goed op de hoogte van het werk van Indiase auteurs.