• Gecontroleerde melancholie met comfortabele pasvorm

    Gecontroleerde melancholie met comfortabele pasvorm

    De  bundel  Enfin verscheen ter opluistering van het vijftigjarig jubileum van Anton Korteweg (1944) als publicerend dichter en bevat vijftig gedichten. Niks geen Romantic Agony (1971), was de titel van zijn poëziedebuut, waarin met enige distantie en in ironische stijl gevoelens worden beschreven, met vaak verouderde, poëtische clichés. Met verwijzingen naar de oude dichters die in goed lopende regels uitgespeeld worden tegen de weinig verheven gang van alledaagse gebeurtenissen. Alles met een knipoog uiteraard. Op dit soort poëzie paste het etiket van ‘nieuwe romantiek’ met soortgenoten als Gerrit Komrij en Lévi Weemoedt. Maar ondanks zijn toespelingen op andermans werk, bezit Korteweg wel degelijk een herkenbare eigen stijl. Een stijl waarin hij bij voorkeur sluipenderwijs, en anekdotisch in parlando, met een soms archaïsche schijnbeweging, zijn doel treft.

    In zijn met regelmaat verschenen bundels uit de afgelopen halve eeuw heeft Korteweg zijn neoromantische veren niet afgeschud. Deze bleken uitermate geschikt om zijn – met het vorderen van de leeftijd toegenomen – ongemakken voor het voetlicht te brengen. In Enfin lijkt de tekening van alledaags ongerief even op de vleugels van onder meer Nijhoff, Bloem of Gorter mee te liften om uiteindelijk niet echt van de grond te komen. Maar in plaats van ontnuchterd en gedesillusioneerd achter te blijven, koestert Korteweg zijn gecontroleerde versie van melancholie.

    Man zonder problemen

    De werkelijkheid is zelden zo prozaïsch of er valt nog wel een gedicht van te maken. In ‘Een ding van schoonheid maakt je blij. Voor even’, de titel van de tweede afdeling, wordt Keats’ onvergankelijke regel ‘a thing of beauty is a joy forever’ de maat genomen. Korteweg basht met plezier zo’n verouderd romantisch ideaal. We leven in een onvolmaakte wereld maar zijn er niet minder tevreden om. Nergens wekt Korteweg de indruk dat hij liever met een jong gestorven romantische dichter had willen ruilen. Misschien is het meer een soort ‘guilty pleasure’ van eens niet gebukt te gaan onder die armzalige, tekortschietende alledaagsheid. Korteweg komt er eerlijk voor uit dat hij een man zonder veel problemen is, ‘doorgaans welgemoed’. Iemand die zijn zegeningen telt als hij in een gedicht de kleine dissonanten in het leven in passende woorden heeft ‘kaltgestellt’. 

    Soms op het zelfgenoegzame af. Enige koketterie met oudemannenkwalen als ‘twee brillen, gehoormachientjes’ en stramme ledematen is hem niet vreemd. Toch komt men ook te weten dat hij nog aardig wat aftrapt op zijn fiets. Behalve zijn conditie houdt hij hiermee ook zijn poëzieproductie op peil, want vielen  hem niet met het ritme van de pedalen zijn versregels in? Enfin, alles misschien een tandje lager nu, maar het hoeft ook niet veel te zijn. Zijn achternaam getrouw zoekt hij het niet in het verre en weidse, maar in wat voorhanden is. Met  huis-tuin-en-keuken tips en wijsheden als een koe houdt hij zich op de been getuige gedichtentitels als: ‘Bij het in de herfst om de twee weken op donderdag aan de straat zetten van onze vuilnisbak’; ‘Over wat ik beter hoor met een apparaatje achter ieder oor’; ‘Over het geduw van Verleden de ene kant op en van Toekomst de andere’ en ‘Hoe je je laatste levensjaren als het een beetje meezit nog heel aardig door kunt komen’.

    Fijne pen

    Soms krijgt de lezer wat meligheid te verstouwen en mijmert Korteweg over een gehoorapparaat met een ‘filter ingebouwd (…) dat lulkoek tegenhoudt.’ Of zoals in het gedicht ‘Brasserie Streek’, de indruk wordt gewekt dat hij er zijn genoten maaltijd heeft mogen afrekenen met een stante pede geschreven vers.  ‘Het dagmenu is duif vooraf, dan hert of kabeljauw; / in Streek te Culemborg doen ze niet flauw. / Gekrijt op een zwart bord geven twee glazen wijn / te kennen liever vol dan leeg te zijn.’ Maar dat zijn gelukkig uitzonderingen. Over het algemeen weet zijn fijne pen uit het niets haast, nog steeds de juiste woorden te vinden: ‘komt een keurige dame, / fijn mens, top bereikt,/ toch eenvoudig gebleven, / op me afgestapt.’ Met weinig wordt een vrouw toch optimaal verbeeld.

    Behalve dat de vier afdelingen van Enfin voorafgegaan worden door een strofe of gedicht van respectievelijk Minne, Bloem, Paaltjes en Sontrop kent deze bundel ook toespelingen op onder andere De Schrift, Kloos en Kopland. Daarnaast ook wat verzen die geënt zijn op beeldende kunst, waarvan enkele zwart/wit afbeeldingen zijn opgenomen. Echter, het meest gewaagde – want #metoo-angehauchte – schilderij dat Korteweg ter sprake brengt, Thérèse Dreaming van Balthus, waarin de dichter zich vereenzelvigt met de man ‘die genadeloos bij haar naar binnen kijkt’ moet het zonder plaatje doen. 

    Het zit ‘m in de bijvangst

    Het rake wat deze gedichten te bieden hebben, bieden ze meestal terloops aan, als bijvangst in plaats van uitsmijter. Zoals in het gedicht ‘De sliert der geslagenen’, waarin Korteweg in de trein bedenkt dat een zijn treinstel betredende medereiziger met hazewindhond, beter af zou zijn met een vrouw in plaats van met een viervoeter, want: 

    Zit het mee, merk je op den duur
    niet eens dat ze niet in huis is
    als ze niet thuis is. Het huis
    voelt dan even lekker warm aan.
    Met een hond krijg je dat niet gedaan.

    De bundel sluit waardig af met een zonder meer naar metafysische troost hakende gedicht dat de beroemde slotregels uit het gedicht Herbst van Rilke als motto draagt: ‘Und doch ist einer welcher dieses Fallen / unendlich sanft in seinen Händen hält’.

    Zeef ‘De Tijd’

    We tuimelen uit een ritmisch heen-en-weer
    -met vaste hand of losse pols, dat maakt niet uit –
    geschudde zeef in iets wat er niet is
    en wat ons dus niet stuit. Als je dat al zou willen,
    klauter je bij gebrek aan houvast daar niet uit.

    Wie dit vooruitzicht al te zeer benauwt:
    er is er een, zegt Rilke, die ons vallen
    oneindig teder in zijn handen houdt.

    Dit neo-romantische gedicht toont de gespletenheid tussen de alledaagse werkelijkheid en de verheven versie van de Grote Dichters van Weleer. Niettemin biedt het troost voor wie er troost in ziet. Elf ‘kwaaltjes’ mankeren naar eigen zeggen deze dichter. Al met al kunnen de gedichten uit Enfin er, net als hun geestelijke vader, nog aardig mee door.

     

     

  • Innemende dichters en meeslepende entr’acts

    De Nacht van de Poëzie, een evenement dat altijd op zichzelf stond, maakt dit jaar voor het eerst onderdeel uit van het International Literature Festival Utrecht (ILFU) en was een feestelijke afsluiter van het veertiendaagse festival. Gepresenteerd door het dichterlijke duo Ester Naomi Perquin en Piet Piryns, waarvan de laatste zijn 30ste Nacht presenteerde wat en passant gevierd werd.

    Waar blijft de tijd

    De Nacht wordt traditiegetrouw geopend door een ‘jonge’ dichter die het voorgaande jaar de Nacht heeft afgesloten. Deze 36e Nacht beet Vicky Francken het spits af met: ‘Liefde is een zwaar beroep, [naar Rogi Wieg] maar ook het dichterschap, want ze sterven te vroeg.’ Waarop ze de dit jaar overleden Menno Wigman – die haar dichterschap voor een deel bepaalde – toedicht: ‘Ik lees je / en ik hoor je / en ik weet dat / je nog leeft.’

    Tussen de optredens door worden op drie schermen opnames vertoond van Nachten van weleer. In zwart/wit beelden komen voorbij: Een jonge Campert met een even jonge Van Kooten, Hugo Claus met Hans van Mierlo, een piepjonge Ingmar Heytze, Vaandrager, Johnny van Doorn, Fritzi Harmsen van Beek, Gerrit Kouwenaar, H.C. ten Berge, Ischa Meijer, Adriaan Morriën, Annie M.G. Schmidt, en je denkt, waar blijft de tijd?

    Er zijn dichters die het niet alleen van lezers maar ook van luisteraars moeten hebben, zoals Delphine Lecompte. In de wandelgangen klinkt dat haar gedichten bij voordracht ‘waanzinnig beter’ overkomen. Zichtbaar gespannen brengt ze haar voordracht tot een daverend einde. Deze Belgische dichteres die strofen leest als: ‘bevangen door smog en weemoed’; ‘Een man verleidt mij met een woordspeling’; en bij wie iemand ‘klinkt als een gewonde reiger’, heeft een grote charme.

    Presentatie

    Arno Van Vlierberghe komt op in zwart hemd waaruit schouders en armen wit afsteken. Met sterke zinnen als – ‘de kunst van het risicoloos denken’; ‘doel dit gedicht is om alle anderen te onttronen’; ‘mooie holle woorden waar iedereen van houdt’ – schudt hij het moreel besef van het publiek flink op. Voor even lijkt hij verbonden met Rogi Wieg, waarvan deze Nacht een beeld voorbij kwam waarin Rogi met ontbloot bovenlijf achter de vleugel zit en zegt: ‘Je moet toch wat doen om op te vallen’.

    Gerenommeerde dichters

    Anton Korteweg refereert aan ‘de moeder de vrouw’ kwestie in de literatuur. Hij leest een gedicht waarin moeder de vrouw het onderwerp is en sluit geserreerd af met: ‘En dat had dan bijna niet gemogen’.

     

    Een van de hoogtepunten is het optreden van Judith Herzberg die ook tijdens een van de eerste Nachten acte de présence gaf. Toen was er veel gelachen, vertelt Piet Piryns, om haar grappige gedichten. Ook nu speelt haar onbevangen voordracht vrolijkheid in de hand. Al is niet alles om te lachen benadrukt ze bij het gedicht waarvoor ze zich heeft ingeleefd in een vrouw die meerdere baby’s ombracht en op zolder verborg. ‘Je moet je in alles kunnen inleven’, vond de dichteres. Herzbergs poëzie is eenvoudig, en steeds met een draai die bevrijdend werkt en de lach oproept. Hilarisch is het gedicht dat ze een ‘gestolen tekst’ noemt, van iemand die al zoekende door haar spullen in een koffer ging en mompelde: ‘ik zal toch niet…, heb ik nu,… waar zou dan,… nee hè…, deze niet,… heb ik nou, nee…, nou ja, zal ik dan… (…).

    Laat je gaan

    Deze 36e Nacht drijft op de woorden ‘Ik spreidde mijn armen en dreef door de nacht’ van de dit jaar overleden en zeer gemiste dichter F. Starik. Thomas Möhlmann herdenkt Starik met een variatie op het gedicht ‘Gras’ dat Starik tijdens De Nacht van 2016 in grasgroen kostuum voordroeg.

     

    En dan wervelt daar opeens Willeke Alberti, (een van de entr’acts) gekleed in een wijdvallende rode jurk over het toneel. De 74-jarige vedette van het Nederlandstalige lied neemt met haar enthousiasme en nuchterheid (Spiegelbeeld: ‘Ha’, lacht ze, ‘je denkt toch niet…?’) het publiek voor zich in. Armen worden gespreid en het grote meedrijven is begonnen. Later zal de geweldige singer/songwriter, Tallest Man On Earth zijn bewondering uitspreken over deze Nacht en over ‘The Lady in the Red Dress: ‘We don’t have that in Sweden’.

    Aandachtig publiek

    Willem Jan Otten was 20 jaar geleden voor het laatst op De Nacht en zegt: ‘Poëzie kan afwachten’. Met zijn – ‘in u luisteren uitgebroed’ en ‘de rand van vloeiend glas’ – en zijn ‘Gerichte gedichten’ roept Otten een stilte op die magisch is. Zo maakte ook eerder op de avond dichteres Kreek Daey Ouwens met haar zachte stem en heldere taal de zaal opmerkzaam en luisterend.

     

    De Friese dichter Tsead Bruinja maakte indruk met zijn cyclus voor de priester Titus Brandsma (1881). In het Fries draagt hij  zeven minuten voor. Het publiek wordt geraakt door de klank van het Fries en de passie waarmee Bruinja spreekt. De dichter uit Rinsumageest, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als: ‘Zo’n dichter, dat je ook wel uit Rinsumageest had willen komen’.

    De laatste zal de eerste zijn

    Een Nacht als een diner waarvan de gerechten hemels zijn, de wijn niet te versmaden en met een nagerecht dat het geheel in perfectie afmaakt. Na het swingende optreden van de ‘Amsterdam Klezmer Band’ wordt de laatste dichter aangekondigd.
    Debutante Gerda Blees geeft het publiek op de valreep het gedicht ‘Aanwijzingen’ mee: ‘ga niet zomaar / met je hoofd op tafel liggen, mors geen rode wijn / blijf zitten hou je vast en laat de dwaallichten/ de dwaallichten en maak je zinnen af.’
    Een ding is zeker, deze dichteres zal bij de volgende ‘Nacht van de Poëzie’ de spits afbijten.

     

    Er is ook een Nachtpoëziebundel verschenen met gedichten van alle optredende dichters. Bezoekers ontvangen de Nachtbundel gratis, voor de liefhebber is deze nog te bestellen voor € 7,50 via Het Literatuurhuis.

     

     

    Foto’s: Patrick Post

  • Vakantierubriek – een persoonlijke top 3

    Oude mensen

    door Vic Veldheer

    Een top 3 uit de Nederlandse literatuur over oude mensen.

    1. Louis Couperus, Van oude menschen de dingen die voorbijgaan (1906)
    Deze prachtige, rijke familieroman over een moord in een Haagse familie, wordt verteld op een moment dat de moordenares 97 jaar is. Zij heeft 60 jaar eerder haar man vermoord in Nederlands-Indië. Binnen de familie is deze moord  een goed bewaard geheim. Een van de vele thema’s in het boek is de angst voor ouderdom in de wetenschap dat de tijd voortschrijdt. Een klassieker!

    2. Jeroen Brouwers, Bittere Bloemen (2011)
    Bittere bloemenDit prozaïsch hoogstandje gaat over een 81 jarige man die terugkijkt op zijn leven in het aangezicht van de dood. Hoewel hij met veel voldoening op zijn succesvolle leven zou kunnen terugkijken, overheersen cynisme over en gekanker op de eenzaamheid waarin hij geleidelijk is komen te verkeren. Stilistisch weer een prachtig boek van wat ik beschouw als een van de beste schrijvers in het Nederlandse taalgebied.

     

    Ex aequo: 3.Remco Campert, Het satijnen hart (2006)
    Het satijnen hartMooie, sensibele roman over een bejaarde, somberende schilder wiens ouderdom nieuw leven wordt ingeblazen na het overlijdensbericht van zijn vroegere vriendin. Een pareltje!

     

     

    Anton Korteweg, Ouderen zijn het gelukkigst (2009) (gedichten)
    Ouderen zijn het gelukkigstDeze bundel verscheen toen de dichter 65 werd; het staat in het het teken van de opvatting van Prof. dr. H.C. Rümke dat met ingang van het praesenium, de leeftijd volgend op de viriliteit en voorafgaand aan de ouderdom, het leven vredig geleefd kan worden. Kortweg schrijft vrolijke, vredige gedichten over het geluk van oud zijn.

     

  • Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    ‘Een kamer in het verleden’ werd vorig jaar door de VPRO uitgezonden bij het radioprogramma ‘De Avonden’. Vijftien auteurs werden om beurten naar het eilandje Senneroog op het Lauwersmeer gebracht waar ze op een woonboot een week in afzondering doorbrachten. ‘De kamer van J.H. Leopold’ deelt deze Tirade in tweeën.

    Zonder telefoon, geen internet, radio of televisie en afgesloten van elk menselijk contact met uitzondering van een zwijgende koerier, die dagelijks in zijn speedbootje de radiobijdrage voor die avond afhaalde. Dat ondervonden vijftien auteurs die op uitnodiging van de VPRO voor een week in afzondering leefden op een woonboot. De eenzaamheid opzoeken om daar verslag van te doen via de radio. Dat doet denken aan de jaren zeventig, toen  Godfried Bomans en Jan Wolkers ieder een week in volledige afzondering, kampeerden op Rottumerplaat. Bomans was aan het einde van zijn week een depressie nabij terwijl Wolkers steeds lyrischer werd.
    Vijf van deze auteurs kijken terug en doen  in deze Tirade verslag van hun bevindingen.

    Gerbrand Bakker nam zich voor aan een toneelstuk te schrijven maar kreeg geen woord op papier. Het eiland trok hem naar buiten, moest in cultuur gebracht worden. Paden vrijmaken en bewegwijzering aanbrengen. Atte Jongstra gooit zijn vele ikken in de strijd en met de Eerste Stokkensnijder bouwt hij verder aan waar Bakker mee begonnen was. Geschokt reageerden beiden op het ’terug aan de natuur’ plan van Wim Helsen die na hen kwam en die overmoedig alles vernielde wat zij hadden bewerkt en gevormd. Het hield de gemoederen nogal bezig.
    Maarten Doorman weet niet wat de stilte met hem gedaan heeft. Stilte bestaat zolang die hoorbaar is, volgens Doorman. De stilte op het eiland werd hoorbaar door het klapperen van het vlaggentouw tegen de mast en het zacht klotsen van het water. Mooi gevonden.
    Ook boswachter Jan Willems, die het hele project in zijn natuurgebied begeleid heeft, blikt terug met kennis van zaken.

    Het deel Een kamer in het verleden draagt op de cover een still uit de video Man op het wad van de NCRV uit 2002. Deze mysterieuze Duitse man, die erin slaagt  te overleven zonder amper een spoor achter te laten en die schijnbaar steeds bij toeval gevonden wordt, bevindt zich dicht bij het eiland Senneroog. Dit spreekt tot de verbeelding van Menno Wigman. Hij raakt zo geobsedeerd door het idee dat er rond het eiland  een man is die hij niet kan zien en die niet gezien wil worden, dat de organisatoren besluiten Wigman te vertellen dat die man niet bestaat. Dit lijdt tot grote woede bij Wigman. Hij was sowieso niet gecharmeerd van dat hele idee van afzondering. Hij begint zijn verslag dan ook met de bekentenis dat hij het een verschrikking vond. Hij was woedend op alles en iedereen en vooral op zichzelf. Dat hij zichzelf erin gelokt had, in de valkuil van een illusie.

    Maartje Wortel vond het wel prima eigenlijk. No big deal, lijkt ze te zeggen. Zes dagen eiland en dan weer naar huis. Ze zou Menno Wigman wel graag willen mailen dat de Duitse man echt bestaat, zo heeft ze vernomen van iemand die het weten kan. Maar ze durfde niet, omdat hij zo boos was, op iedereen leek wel. Nu is ze bang dat die boosheid zich op haar zal richten. Dus maakt ze van de gelegenheid gebruik zich in haar verslag tot Wigman te richten. ‘Maar Menno: het is dus echt waar, van die Duitser.’

    Door Een kamer in het verleden komen we via de andere kant van Tirade in De Kamer van J.H. Leopold. Dick van Halsema, biograaf van de dichter Leopold (1865-1925) is vooreerst bezig met het verzamelen van materiaal over het leven van de dichter.  Onlangs kreeg hij  via een familielid van Leopold deze foto in handen die de andere coverzijde siert van Tirade. Een foto van de werkkamer van J.H. Leopold gelegen aan de Van Oldenbarneveldtstraat te Rotterdam.  Werkkamers van schrijvers spreken tot de verbeelding. Op de website www.dekamervanleopold.nl wordt auteurs gevraagd te reflecteren op een element van deze foto. Dat leverde verschillende bijdragen op van o.a. Hester Knibbe, Miek Zwamborn en H.T.M. van Vliet.

    Volgens Anton Korteweg is het interessant je af te vragen in hoeverre de voorwerpen in de werkkamer van een schrijver in relatie staan tot de schrijver zelf. En ziet op de foto vooral wat ontbreekt: een zwart leren brievenmap, weet hij, waar de dichter de brieven van zijn favoriete leerling Latijn bewaarde, bevindt zich in het Letterkundig Museum.
    Barber van de Pol . associeert  de dichtkunst van Leopold met het knopen van een tapijt. Wanneer ze in Turkije of Marokko door de kashba of soek loopt en al die tapijten daar ziet hangen en liggen in hun betoverende aantrekkelijkheid, denkt ze altijd, ergens ver weg, aan Leopold.
    ‘(…) Leopold (…) als mede-onderdeel van het lila, het purper, het rood en het goud.’

    Verder Kroniek van de roman van Carel Peeters. Ditmaal over het romandebuut van de dichter Erik Menkveld, Het grote zwijgen. Afgezien van een prachtige kunstenaarsroman waarin het echte leven getoond wordt is het ook een cultuurfilosofische roman dat tot vergelijkingsmateriaal kan dienen voor de hedendaagse kunst, aldus Peeters.

    www.vpro.nl/eenkamerinhetverleden_podcast

    Tirade nr. 439 nu ook te koop als e-Boek € 8,00

     

     

  • Meinummer Tirade – In memoriam

    Meinummer Tirade – In memoriam

    Bij het persklaar maken van het hier te bespreken meinummer van Tirade, kon de redactie niet bevroeden dat het thema In memoriam op de realiteit vooruit liep. Enkele weken later veroordeelde Halbe Zijlstra – zonder slag of stoot – de twaalf meest vooraanstaande literaire tijdschriften in Nederland tot de bedelstaf. Het Letterenfonds kreeg opdracht geen subsidie meer aan deze tijdschriften te verstrekken.

    Volgens Zijlstra worden literaire tijdschriften niet gelezen, dus weg ermee. Een onbezonnen actie die verregaande gevolgen zal hebben voor de literaire ontwikkelingen in Nederland. Met het opdoeken van de tijdschriften zullen ook de redacties verdwijnen. Waarmee het belang van het redactionele advies van een gerenommeerd tijdschrift aan debuterende auteurs, schromelijk onderschat wordt. Zijlstra smoort het toekomstige Nederlandse literaire erfgoed, zonder scrupule, de mond. Een In memoriam is dan zeer toepasselijk, zei het fictief, het biedt troost en geestelijke verrijking aan de literatuurliefhebber in deze moeilijke tijden. En hoop gloort daarna.

    Vijfendertig maal een In memoriam van even zovele schrijvers. Wie heeft nooit een moment gekend dat je eraan dacht hoe je gememoreerd wenst te worden: ‘Van haar voortdurende verbazing werden wij geregeld doodmoe’ (Sasja Janssen), ‘Hij heeft (…) ongeveer 30 kilometer geschreven (…) (Leo Vroman) of: ‘(…) zijn onvermogen binnen de lijntjes te kleuren.'((Detlev van Heest). De werkelijke memorabele feiten, na de dood uitgesproken zal niemand ooit notitie van nemen. Tirade nr. 438. bood auteurs de kans een I.M. over zichzelf schrijven. De ultieme gelegenheid om jezelf eindelijk eens te prijzen waar de kritiek dat nagelaten heeft, of ongestraft te citeren uit eigen werk. Maar ook de donkere kanten treden onverbloemd op de voorgrond, nu er toch niets meer te verrekenen is kan alles gezegd.

    Schrijven over eenzelfde thema door een groot aantal auteurs brengt het risico met zich mee dat het resultaat wat al te eensluidend kan uitvallen, maar daar is hier geen sprake van. Wel kan men – na lezing van pakweg tien bijdragen – spreken van enige I.M verzadiging. Leg het tijdschrift dan even terzijde om het later nog eens door te bladeren – daar nodigt een literair tijdschrift immers toe uit – blader er doorheen, sla een paar I.M.s over voor een later moment en lees nog eens wat terug. Het is genieten om te zien hoe de auteurs met het thema gestoeid hebben. Een enkeling pakte zijn leven samen in een grafsteentekst zoals David Van Reybrouck ‘Hij deed nooit iets in opdracht.’

    In Omheen het gat van Atte Jongstra, spreekt de schrijver de hoop uit dat zijn vrouw gunstig over hem wil denken na zijn dood. Tussendoor vermeldt hij: ‘(…) al schijnt ook zij het leven te hebben losgelaten, zie elders in dit blad (…)’.

    Haar Onvoorzien In Memoriam van Ingrid Hoogervorst, heeft hij kennelijk niet meer kunnen lezen. Hoogervorst is getuige van een gesprek tussen twee stamgaten in een café die haar op haar eigen I.M. verrassen. Waarna zij onopgemerkt het café verlaat en huiswaarts gaat. Zij is niet overleden, zelfs niet fictief.

    Marion Bloem, I.M. en Jan van Mersbergen (zonder titel) memoreren zichzelf enigszins ongemakkelijk. Wie wil er nu over zijn eigen dood schrijven wanneer je ouders nog leven? Jan van Mersbergen belt er zijn moeder maar eens over die terstond een opsomming geeft van herinneringen aan Van Mersbergen en zijn tweelingbroer. Toen ze nog baby waren en zo identiek, dat zijn moeder hem alleen wist te onderscheiden door een paar vlekjes bovenop zijn voet. Over memorabele feiten na zijn dood wordt handig gezwegen. Of het moest zijn dat zijn moeder hem herinneren zal als een van de tweeling die zich altijd zal willen onderscheiden van zijn broer door: ‘(…) dat schrijven van jou (..)’

    Marion Bloem is bang dat niemand haar ooit, zelfs na haar dood niet, echt gekend zal hebben. Dat je gekend wordt aan de oppervlakte en in uiterlijkheden maar de gelaagdheid in haar wezen, evenals als die in haar boeken – onopgemerkt zal blijven. Een ongerede angst lijkt me, maar wel een die voorbehouden is aan de schrijfster en zeer herkenbaar.

    Interessant is te vernemen hoe schrijvers aan hun einde zijn gekomen.

    Anton Korteweg (1914-2011) stierf in zijn slaap en Theo Kars (1940-2040) vond de dood ‘door eigen hand’. Heel toepasselijk voor: “‘Wie steeds zijn eigen leven heeft geleid, zal ook op het eind daarvan de teugels niet uit handen willen geven, (…),’ aldus Kars in zijn memoires.”

    Minke Douwesz (1962 – 2010) kwam bij een verkeersongeluk om het leven. Zij, die twee poezen en evenzovele romans naliet, schreef een scherpe analyse van haar leven en werk als auteur. Haar romans Strikt en Weg ontstonden vanuit een streven: ‘(…) woorden vinden voor de complexe processen die zich in en tussen individuen afspelen.’ Wie haar werk kent kan beamen dat zij daarin geslaagd is.

    De bijdrage van Maarten Biesheuvel is grandioos. Het schrijven schijnbaar voorbij tekende hij (met ballpoint) zichzelf in memorabele staat op papier: Eva, zijn vrouw gezeten in een (imaginaire) stoel aan het voeteneinde van een kaal bed waarop in naakte, erectionele staat de schrijver, de hand reikend naar zijn mannelijkheid, kreunend zijn laatste adem uitblaast. Met daaronder de tekst: ‘Biesheuvel had een afschuwelijk leven maar gelukkig had hij Eva als vrouw.’

    Verder een In memoriam van onder andere: Tomas Lieske, Piet Gerbrandy, Barber van de Pol, Ton Rozeman, Tsjead Bruinja, Arnon Grunberg, Willem Jardin, August Hans den Boef, Maarten Ascher en Miek Zwamborn.

    Literatuur, in de diepte en de breedte, bij de hoogste en de laagste zin van het woord, zal nimmer verstommen wanneer we Arnon Grunbergs woorden ter harte nemen in zijn Voetnoot van 27 juni jl.. Grunberg ziet weinig heil in protestacties tegen de voorgenomen bezuinigingen. ’Het kabinet bezuinigt, er wordt geprotesteerd. Zo was het vroeger, zo is het nu. Zelden verandert er iets.’ Liever stort hij elk jaar duizend euro in een fonds voor literaire tijdschriften. “Als 199 personen en bedrijven hetzelfde doen, hebben we 2 ton.” En: “Als de kunsten u lief zijn: koop wat minder biologisch rundergehakt en wordt mecenas.” Laat de uitingsvorm van de kunsten niet langer afhankelijk zijn van de grillen van de overheid maar neem je eigen verantwoordelijkheid, lijkt Grunberg hiermee te willen zeggen.

    En als vervolgens heel literatuurminnend Nederland een abonnement neemt op een literair tijdschrift dan zal het ware karakter van de literatuur zich doen gelden.

     


    Website Tirade www.tirade.nu

     

  • Voor mannen is 't niet erg – Anton Korteweg

    Anton korteweg debuteerde in 1971 bij uitgeverij Meulenhoff met de bundel Niks geen Romantic Agony. Veertig jaar later verschijnt bij dezelfde uitgeverij Voor mannen is ’t niet erg. Kortewegs nieuwe bundel is een bloemlezing van veertig kwatrijnen die trefzeker getuigenis afleggen van het comfortabel ongeluk van een mooie baan en een verstandige vrouw. En van het ouder worden, dat vooral. De kwatrijnen zijn merendeels geschreven in de jaren tachtig. In deze bundel komen de scherpe observaties en lichtvoetigheid van Anton Korteweg volledig tot hun recht.

    De zonnebloem werd zwart, / de schommel rot.
    Het pindasnoer is leeg, het / gras vertrapt.
    De kamperfoelie is kapot / gewaaid.
    En jij? Jij werd er ook niet / mooier op.

    Herman de Coninck over de poezie van Korteweg in De Morgen: ‘Zo lees ik in moeilijke dagen Anton Korteweg. En dan kan ik mijn geluk weer aan.’

    In de tussenliggende jaren publiceerde Anton Korteweg negen dichtbundels en drie bloemlezingen uit eigen werk. In 1986 ontving hij voor zijn poezie – als eerste – de A. Roland Holstpenning. Van 1979 tot 2009 was Korteweg directeur van het Letterkundig Museum.

    Voor mannen is ’t niet erg

    Auteur: Anton Korteweg

    Blz.: 48

    Prijs: € 17,95

    Verschenen bij: Meulenhoff