
Alhoewel Anton Ent (1939) al een flink aantal, bij gerenommeerde uitgevers verschenen poëziebundels op zijn naam heeft staan, trok hij de meeste aandacht met het viertal bundels dat hij liet verschijnen onder het heteroniem Marieke Jonkman, waarin hij de stem van een jonge vrouw te pakken had. De literaire pers was aangenaam verrast. Pas later onthulde hij wie achter Marieke Jonkman zat. De heren critici heetten toen op slag ‘not amused’ te zijn. Maar dat is alweer geruime tijd geleden en onlangs verscheen een nieuwe bundel van Anton Ent (pseudoniem van Henk van Ent) bij de uitgeverij Kleine Uil, getiteld Binnen de Wildroosters. Anton Ent is een grage fietser in de Veluwse bossen. Het merendeel van de verzen in deze bundel is een poëtische neerslag van zijn belevingen, zijn natuurervaringen aldaar. Het natuurgebied binnen de wildroosters is dan ook niets minder dan een ‘beeld van zijn ziel, een metafoor voor zijn innerlijk leven’ meldt de achterflap. Zijn gedichten zouden psychische processen beschrijven. Nu ja, zoiets moet kunnen natuurlijk. Zolang het maar poëzie oplevert die je voor je plezier leest en niet voor straf, om een zegswijze van Reve te lenen. En dat is hier zeker het geval!
De zinnen in deze gedichten zijn niet ontregelend, of anderszins vernieuwend. Deze gedichten zetten in op ritme en klank. Ze zijn in hun verstaanbare eenvoud muzikaal gestemd en geen enkel vers wordt door een punt beëindigd. De beschrijvingen blijven vrij concreet. De woorden wijken naar binnen toe. Uit op zelfonderzoek. Het motto van Gerrit Achterberg: ‘Letters en takken haken in elkaar / Natuur en geest staan voor elkander klaar’ zet wat betreft de toon. Van te voren weet de dichter dat het zandpad je niet vanzelf naar ‘vervoering’ zal leiden. Wie volgen wil dient de in het openingsgedicht gestelde vragen ‘durf je versterving aan? Overschrijd je het wildrooster als een man / die opgaat in schoonheid en eenheid?’ dan ook bevestigend te beantwoorden. Want: ‘Was hij een hert, hij zou niet vluchten / bij het zien van de dode houthakker / aan de voet van de eik // Een echte man rent niet weg / onderzoekt het blad van de bijl / en gaat op zoek naar de dader’. Wie de dood wil ontvluchten heeft in dit bos dus weinig te zoeken. ‘Er moet gestorven zijn. Worden / Gisteren en vandaag. Morgen’ Niet bepaald het soort boswandelingetje dat de zinnen verzet: ‘Hoe diep hakt de bijl om de vis in het ijs te bevrijden?’
Ofschoon er hier en daar een licht religieuze ondertoon te bespeuren valt, is hier geen opstijgende lyriek van gemaakt. Eerder worden de aardse gronden doorzocht op mogelijkheden tot vereenzelviging. In het gedicht Eenwording heet het: ‘Ik laat het geworden, dat onbreekbare licht / zodat ik één word, eenvoudig en heel.’ Maar daar blijft het niet bij: ‘Ben ik dat hert? / Waar stroomt de beek? Waar / kan ik op mijn knieën slurpen?’ Het hert is het dier bij uitstek waarmee de dichter zich vereenzelvigt: ‘Hij wil knielen op het zandpad / een hert om de hals vallen / zoals Nietzsche het paard’. En in het gedicht Hert is het dier zelf aan het woord:
‘Ik ren met droge keel door de hitte
van het zinderende kroondomein
bereik de schaduw van de zoom
waar ik van het jonge groen zal vreten
Dat was schreeuwen en dit is genot
Ik ontken de onrust niet, iemand huilde
van vreugde en een ander schreef totdat’
De dichter is uit op intimiteit met de natuur in het bos (‘Deze vijver noem ik moeders oog / omdat iemand van omhoog / zwijgend in de spiegel kijkt’), die daardoor opeens niet meer voor gewoon kan doorgaan, maar doorschiet in een ‘mysterie’. En eenmaal dat mysterie ‘van de stilte voor het vallen van een speld’ ervaren, lijkt hij zich met het gemis, de dood (‘Hier liepen wij met zijn tweeën / en nu ben je dood, alleen jij’) te kunnen verstaan. Het bos lijkt voor deze post-protestantse dichter dé plek om daarvan gelouterd te worden in de bijna aards-mystieke eenwordingservaring. Maar dan bedoelt de dichter niet het tot ‘park’ gefatsoeneerde bos, ‘waar het droeve meer tot ronde vijver’ is verworden. Want juist daar, in de door mensenhand beknotte natuur dringt de dood zich het onontkoombaarst op: ‘Niet iedere seconde maar wel elke minuut / dringt hij zich aan mij op in varens / en vallende eikels, de volkomen stilte // scheurt mijn trommelvliezen in stukken / Dan zie ik een kleurrijk duivenpaartje / uitgeroeid door de kroon der schepping’
Maar de dichter kan zich evengoed op sleeptouw laten nemen door zoiets alledaags als een richtingaanwijzer:
Richtingaanwijzer
‘Je stapt af bij de paddenstoel en roept: hier ben ik!
Nooit wijst het altaar omhoog of omlaag
Altijd naar mensen planten dieren en dingen
Wie ben jij als je hier ben ik juicht?
Een dode hemelbestormer
die geen psalm meer kan zingen
een haatdragende schatgraver?
Een zus van madeliefjes
een broer van pasgeboren gras
familie van het water?
Door wie word jij gezien
en in welke richting wijs jij?’
In tijden waarin met het geld van gisteren even snel de dag van morgen lijkt te kunnen verdampen, is het een genoegen een dichter als Anton Ent te lezen die nog – economisch uiterst onverantwoord – stilstaat bij de natuur, en er zijn diepste ervaringen in zoekt.
Morgenlicht
‘Na deze nacht zoekt hij het morgenlicht
en ziet het pasgeboren weiland
onder moederlijk toesprekend groen
Het zonlicht verwondert zich over hem
en bouwt een paleis waarin hij vorstelijk woont
Hij betreedt het bordes, een dirigent met handen vol stilte
rust en beweging als eenheid
verder dan voorbij
Uit die streken komt hij, daar heeft hij het licht
als een spreng tussen dennennaalden
zien opspringen en zich herkend’
Ervaringen zijn natuurlijk niet te koop, maar wie zich onderdompelt in deze bundel kan toch even aanhaken bij wat ervan in woorden ligt gestold. Deze bundel verdient het om gelezen te worden.
Binnen de wildroosters
Anton Ent
uitgeverij Kleine Uil
Aantal pagina’s: 64
Prijs: € 15,00

Door Wouter de Vries
Nog geen jaar geleden verraste Henk van der Ent mij met een bij Uitgeverij kleine Uil uitgegeven boekje waarin het indrukwekkende boekenweekgeschenk van Jacques Presser een vervolg krijgt. Het sluit aan bij de vraag uit De nacht der Girondijnen: mogen wij oordelen over de helse daden die door anderen worden verricht? Het was destijds ook het eerste boek dat ik van hem las. Sterker nog: ik had nog nooit van Henk van der Ent gehoord en overigens ook niet van Anton Ent (zijn dichtersnaam) of van Marieke Jonkman (zijn vrouwelijke afsplitsing). Ent was nieuw voor mij maar sinds kort ben ik toch zeer content met de kennismaking, want Henk kan dichten als Anton.
Tijdloosheid – of het verlangen ernaar. Wellicht is dit het belangrijkste thema in de laatste bundel Coolsingenwind van Anton Ent. De Noordzeekust duikt op, de IJssel met daarachter “lichtgroene oneindigheid / Waarnaar we verlangden wisten we niet”. De anemonen in Normandië die daar “al eeuwen groeien en bloeien” en op de Coolsingel die niet meer bestaat blijft Erasmus integendeel wél onsterfelijk. Het contrast tussen het niets en de eeuwigheid. Er spreekt een verlangen uit Ents gedichten en misschien is dat wel een religieus verlangen. In het verleden richtte hij al aandacht op religie en dat resulteerde in een essay waarin hij onder zijn eigen naam zijn positie tegenover het christendom verhulde. Hij wilde een agnosticus zijn, iemand die God niet verwoordt maar beleeft en waarneemt. Niet raar dus dat er veel natuurbeelden in zijn gedichten voorkomen, dat er een sterk contrast is tussen zwart en wit; tussen dood en leven. Misschien zijn de laatste zinnen uit het gedicht ‘Namiddaghitte’ wel het meest veelzeggend: “In het dorp pinkelt geen enkel lichtpunt / Haveloos bereiken we het kerkplein”.
Bij nader inzien wordt er nog meer duidelijk. De bundel bestaat uit zeven afdelingen. Zeven is symbolisch een goddelijk getal. Met vindt het terug in alle religies, in de geschiedenis, medische wereld, natuur, en zo voort. Het duidt op een oneindige volmaaktheid en dus op tijdloosheid.
Een opvallende afdeling is de laatste die ‘Marieke Jonkman’ is getiteld. Marieke Jonkman blijkt een vrouwelijke afsplitsing van Henk van de Ent te zijn. Onder dit pseudoniem publiceerde hij gedichten die zich van Anton Ent onderscheidden door een meer cynische en sceptische kijk op de dingen. Ondertussen kwam wel dezelfde vragen naar voren. In de laatste afdeling bestaat uit tien zogenaamde moedergedichten waarin een strijd wordt gevoerd met haar kinderen. Het zou volgens mij niet raar zijn om hier het verband tussen moeder en kind en dichter en gedicht te leggen. Jonkman zou dan de moeder over Ents gedichten zijn, ziet hij de cynische, sceptische Jonkman als zijn kritische alter ego? Of is de feminiene Henk van der Ent een zelf gecreëerde moeder en heeft het alles met een verlies te maken?
Want verlies is een thema dat in zijn eerdere bundel Ode aan de ooivaar een bijzonder plaats inneemt. Hierin beschrijft het verlies van hechte bekenden mythisch; het krijgt dezelfde religie over zich als de natuurbeelden in Coolsingelwind. Maar dan blijkt het ten slotte allemaal om tijdloosheid te gaan. En was dat ook niet al het stadium waarin Alberto Pareira in Per Saldo na zijn zelfmoord verkeerde? Wellicht is er niet veel verschil tussen Henk, Anton en Marieke. Alleen hun stijl verschilt.
De mystiek van Ent, de religieuze ondertoon, geeft de gedichten een puur karakter, misschien is ‘schoon’ wel een beter woord. We zouden het religieuze verlangen nog kunnen uitbreiden met erotisch of poëticaal verlangen, maar dit verlangen wordt uiteindelijk weer opgeslokt door dat ene grote verlangen. Tijdloosheid. En daar is Ent wonderbaarlijk goed in geslaagd. Laat ik daarom afsluiten met een gedicht dat daar volgens mij een goed voorbeeld van is:
Strandwandeling
Twee aalscholvers? Zodra ik nader
twee zeevissers in lieslaars en groen
regenpak, twaalf meter van elkaar
Ik passeer en kijk na tien minuten om
De vissers staan als broeders pal naast elkaar
Een half uur later zijn ze in elkaar geschoven
tot een zwart vermoeden. Man? Paal?