• Een mens van vlees en bloed

    Een mens van vlees en bloed

    Het is niet vreemd dat juist nu een vertaling wordt uitgebracht van Chelsea Girls uit 1994 van de Amerikaanse dichter en schrijfster Eileen Myles. Het boek landt te midden van andere levensportretten, variërend van Midden in een jazztijd (1931) van Knud Sønderby tot Roaring nineties (2016) van Jannah Loontjens en Moskouse nachten (2017) van Nigel Cliff. De vorm verschilt: mémoires, roman, filosofie en biografie, maar het zijn allemaal portretten van een generatie.

    Individuele verhalen
    Het lijkt wel of lezers in de geglobaliseerde wereld behoefte hebben aan individuele verhalen, om het even uit Denemarken, Nederland, Rusland of Amerika. Niet alleen vanwege het specifieke van een bepaalde tijd in een bepaald land, maar ook om overeenkomsten tussen mensen te zien, of, zoals Nigel Cliff in zijn weergaloze biografie over de Amerikaanse pianist Van Cliburn te midden van het Russische muziekleven schrijft: ‘Hoe meer ze over hem hoorden, hoe meer ze vonden dat hij “net als wij” was.’ Het lijkt of we dat in onze tijd nodig hebben: er met ons neus op te worden gedrukt dat mensen mensen zijn, waar, wanneer en hoe ze ook maar leven en zijn, of zoals Eileen Myles constateert: ‘De kroegen in Bath zijn net als overal.’

    Dichter
    Niet dat ze zich niet onderscheidt van andere kroeglopers, op seks beluste drugs gebruikende, lesbische vrouwen die ze lief heeft: ze is dichter! Dat betekent voor haar altijd ‘heilige of held, het dansende personage op het glas-in-loodraam van mijn ziel, de hand die zich langzaam door de tijd heen opricht, het gezoem dat mijn materiaal vastlegt tegen het sterke licht, mijn god, waarvoor ik leef.’
    Eileen groeide op met een alcoholistische vader op wie ze vaak moest passen en een moeder die bang was voor alles wat niet normaal leek. Zelf was ze bang om alleen te zijn, voor sommige plaatsen, bijvoorbeeld de weg naar de afkick-dokter. Afkicken had de uitwerking ‘van het platte oppervlak van een glasplaat [die] gleed over mijn gevoelens, alles gladgestreken en visueel.’ Behalve over haar gedichten, want die stroom bleef onverminderd helder op gang, wat aan de andere kant wel weer haar vermeende vreemdheid bevestigde.

    Lamlendig bestaan
    Het is een lichtpuntje in een lamlendig bestaan, dat met uitzondering van poëtische zinnen zoals die hiervoor werden geciteerd, soms al even lamlendig wordt beschreven. Er wordt gewacht op van alles en iedereen, nogmaals gewacht en nog steeds gewacht, op geld, op een baan, tot de elektra wordt afgesloten.
    Soms zitten er tussen al die lamlendigheid opeens juweeltjes aan herinneringen aan de kindertijd, soms nog niet eens anderhalve pagina lang, zoals ‘Mijn litteken’, opgelopen nadat ze met haar knie op de bodem van een fles Walkers sinaasappellikeur was gevallen. Want schrijven, dat kan ze!
    In achtentwintig hoofdstukken staat telkens een ander onderwerp centraal, wat leidt tot mooi afgeronde verhalen en verhaaltjes over een hond, haar vader, over vrienden en noem maar op. Met als refrein het door haar moeder aangeprate idee dat ze ‘niet normaal’ was, ‘dat was mijn leed.’

    13 februari 1982
    Het centrale hoofdstuk in het boek, ’13 februari 1982’, gaat over het verschijnen van Myles’ eerste dichtbundel. Allen Ginsberg bedelt om een handtekening, Robert Mapplethorpe – van wie tot en met 27 augustus a.s. werk te zien is in de Kunsthal Rotterdam (‘vertolkingen’ noemt Myles het) – had al een foto van haar gemaakt die het omslag van het boek siert en waar ze een schrijnend hoofdstuk aan wijdt. Over hoe hij slingerde door het huis van haar moeder, die hem maar niet ophing omdat ze geen passend lijstje had.
    In Nederlandse vertaling kenden we haar – voor zover was na te gaan – tot nu toe alleen van het voorwoord dat ze schreef bij het op deze site ook besproken I love Dick van Chris Kraus. Ook de uitgever hult zich in stilzwijgen over deze al dan niet eerste Nederlandse vertaling van haar werk, door Evi Hoste en Anniek Kool. Je zou haast zeggen: dat werd tijd. Of misschien beter: de tijd is er rijp voor. Zulke boeken zijn in ons huidige tijdsgewricht meer nodig dan ooit tevoren.

     

  • Een verknipt boek van grote urgentie

    Een verknipt boek van grote urgentie

    Laten we één ding voorop stellen: het gaat in dit boek om de ‘I’ en minder om ‘Dick.’ De I is de schrijfster zelf, Dick is haar geliefde, de Engelse cultuurcriticus Dick Hebdige. Chris beschrijft zichzelf als even bleek, en met dezelfde doordringende blik zoals ze op foto’s staat uit de tijd waarin ze debuteerde (1997). Ze is Chris Kraus, de mislukte filmmaker die na vijf jaar, en een avond bij Dick, weer in staat is een verhaal te schrijven. En daar na twintig jaar een cultstatus mee bereikt.

    Brieven
    Het eerste deel van het boek bestaat uit brieven die Chris én haar echtgenoot Sylvère Lotringer aan Dick faxen. Een opvallende keuze, want stond de briefroman niet, althans volgens de filosoof Jürgen Habermas, voor ‘de opkomst van de bourgeois literatuur’? Dit boek is het tegenovergestelde en neemt er in woord en daad nadrukkelijk afstand van.
    In de brieven komt belangstelling naar voren voor ‘wat mensen samen doen’, meer dan voor ‘wie ze zijn.’ Het zijn in tekst omgezette levens, een distillaat van gevoelens voor elkaar, ‘in principe (…) een soort kunstwerk’ (Sylvère) of ‘een casus’ (volgens Chris). Performatieve filosofie, noemt ze het. In ieder geval, zegt een vriendin van Chris, ‘veel verknipter dan gewoon maar een affaire hebben.’
    De lezer bekruipt het gevoel dat alles voortspruit uit verveling en onrust. Alles vervormt heersende conventies, met een behoorlijke dosis humor. ‘Ze [dat is Chris, EvS] las Harlequin-romannetjes, schreef in haar dagboek en krabbelde tekeningen over haar liefde voor Dick in de kantlijn van Sylvères geliefde exemplaar van Heideggers La question de la technique.’

    Essays
    In de brieven die in het tweede deel zijn opgenomen, zijn ook essayistische stukken verweven. De brieven van Chris aan Dick worden langer, steeds langer en de aanhef ervan steeds korter. Niet zo vaak lees je meer ‘Lieve Dick’ maar: ‘LD’, en soms ontbreekt welke aanhef dan ook.
    Chris ontleedt eerlijk haar gevoelens voor Sylvère ten opzichte van die voor Dick: ‘Ik kreeg een relatie met Sylvère opdat ik zag hoe ik hem kon helpen zijn leven op orde te krijgen. Ik voel me tot jou [Dick, EvS] aangetrokken omdat ik zie hoe je me kan helpen mijn leven te ontrafelen…’. Dat laatste doet ze.
    En dat niet alleen, want door het werk van Dick te lezen probeert ze ook hem beter te leren kennen. Maar hij verbreekt ‘de verbinding’, zoals Kraus het noemt. Pal voor ze veertig jaar wordt en tot het besef komt dat ‘mannen (…) nog steeds de levens van vrouwen verpesten.’ Vanaf dat moment begint ze zich een beetje voor te laten staan op grote kunstenaars die ze ooit ontmoette, zoals Louise Bourgeois, en gaat ze zich verdiepen in haar joods-zijn (‘Jij bent de Cowboy, ik ben de jid’) en, in een uitvoerige brief c.q. prachtig essay, in de joodse kunstenaar R.B. Kitay.

    Gevoel en ratio
    Op die manier gaat ratio in het tweede deel van het boek een grotere plaats innemen dan in het eerste deel, waarin gevoelens de overhand hebben. Ook qua taalgebruik, waarin filosofische vaktermen binnensluipen. Het zijn essays die zijn geschreven met als enige doel haar gedachten te scherpen. ‘Begrijp of sterf’, citeert ze Wittgenstein. En begrijpen betekent bij Kraus niet alleen zichzelf, en andere schrijvers begrijpen, maar voor alles dat wat ze als ‘het meest interessante ter wereld’ beschouwt: datgene wat tussen vrouwen gebeurt, ‘want het is het minst beschreven.’ Of zoals de kunstenares Hannah Wilke, die ze citeert, meende: ‘Als vrouwen erin gefaald zijn “universele” kunst te maken omdat we gevangen zitten in het “persoonlijke”, waarom maken we dat “persoonlijke” dan niet universeel en tot onderwerp van onze kunst?’

    Een vraag die ook het antwoord aanreikt waarom je je als lezer van deze intieme en persoonlijke brieven geen voyeur hoeft te voelen. De conclusie is gerechtvaardigd, dat dit boek na twintig jaar nog niets aan urgentie heeft verloren. Een schrijfster komt door een affaire haar writers block te boven en geeft openlijk en op humoristische wijze vrouwelijke gevoelens prijs op een manier die ze een performatieve daad noemt. Het leven als kunst, kunst als het leven zelf.