• Oogst week 50

    Hoog water ; laaglands leven

    Hoog water ; laaglands leven van de Haagse schrijver Karel Feenstra gaat over Nederland en het water. Het is een serie korte, poëtische verhalen over ons ku(n)stland. Als je het uit hebt kijk je met andere ogen naar al die rivieren, dijken, kustlijnen, havenstadjes en deltawerken.
    Alle verhalen staan op zichzelf, en samen vormen ze een geheel.

    Op 1 december 2023 werd dit boek bij Panorama Mesdag ten doop gehouden.
    Daarbij zei de auteur: ‘We moeten het over water hebben! Miljoenen mensen wonen meters onder zeeniveau in Nederland. We weten het, maar staan er niet bij stil. En toch is Nederland een uniek staaltje mensenwerk. Wonen op een oude zeebodem, dat doen ze nergens anders op de wereld. Droge voeten, dat is élke dag hard werken! En dat wordt alleen maar meer. Voor dit boek reisde ik een jaar lang door heel Nederland, om te laten zien hoe bijzonder, mooi en wonderlijk ons land is.’

     

    Hoog water ; laaglands leven
    Auteur: Karel Feenstra
    Uitgeverij: Uitgeverij Kleine Uil (2023)

    Alleen maar hartstocht

    Nadat zij de Nobelprijs voor Literatuur gewonnen had in 2022, is de aandacht voor Annie Ernaux (1940) in Nederland alleen maar toegenomen.

    Alleen al bij De Arbeiderspers zijn dit jaar drie titels van haar verschenen.

    In januari verscheen De jonge man en in oktober ’23 verschenen De plek en Alleen maar hartstocht. In 2022 verscheen Meisjesherinneringen.

    Haar roman De jaren werd vorig jaar onder regie van Eline Arbo op de planken gebracht door Het Nationale Toneel en gaat volgend jaar in reprise. (Een aanrader!)

    Ernaux werd geboren in een middenstandsmilieu en schreef daarover. Haar werk is sterk autobiografisch (jeugd, adolescentie, huwelijk, abortus, dood), scherp, en politiek en sociaal bewust.

    Alleen maar hartstocht gaat over een liefde die voorbij is tussen een bijna zestigjarige schrijfster en een dertig jaar jongere man.

    De vrouw leeft in een roes en geeft zich volledig over aan haar hartstocht. Heel haar zijn staat in het teken van deze ene aanbeden man. Dan slaat alles om: achterdocht en jaloezie verdrijven de liefde.

     

     

     

    Alleen maar hartstocht
    Auteur: Annie Ernaux
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2023)

    Familielexicon. Herinneringen

    Als 326e deel uit de serie Privé Domein is Familielexicon van Natalia Ginzburg (1916 -1991) verschenen. Voor dit boek ontving ze in 1963 de belangrijke Italiaanse literatuurprijs, de Premio Strega.

    In Familielexicon beschrijft Natalia Ginzburg haar Italiaanse familie in het geassimileerd-Joodse milieu van Turijn waarin ze opgroeide in de jaren twintig tot vijftig van de vorige eeuw. Ze staat stil bij de routines en rituelen, grappen en beledigingen die het familieleven kenmerken en schetst een intiem portret van haar ouders.

    Familielexicon lijkt een roman, maar is het niet: ‘Alle plaatsnamen, gebeurtenissen en personen in dit boek zijn werkelijk. Ik heb niets bedacht. Steeds wanneer ik heb gefantaseerd, zoals ik dat als schrijfster gewend was, voelde ik me onmiddellijk verplicht die fantasie weg te werken,’ waarschuwt Ginzburg in haar voorwoord.
    Familielexicon wordt gezien als het hoogtepunt in haar œuvre.

    Deze uitgave wordt begeleid door kenners van haar werk: vertaler Cesare Segre, schrijver Domenico Scarpa en literatuur- en theatercriticus Cesare Garboli. Jan van der Haar vertaalde Familielexicon.

    Familielexicon. Herinneringen
    Auteur: Natalia Ginzburg
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2023)
  • Niet klagen, niet jammeren

    Niet klagen, niet jammeren

    Om niet te verzinken in het gevoel dat de Nederlandse aarde in tweeën is gespleten. Om niet klagend en jammerend ten onder te gaan, is het goed Annie Ernaux te lezen. De soberheid van haar schrijven, waar zij vandaan komt, stelt mij op achterstand. Troost vinden in het armoedige bestaan van anderen. Niets is ongewoon. ‘Precies twee maanden’ nadat Annie Ernaux een aanstelling als lerares had verworven aan het lyceum in Lyon, overleed haar vader, zevenenzestig jaar. Het was op een zondagmiddag. Van bovenaf de trap zei haar moeder, ‘Het is afgelopen.’ Haar ogen bettend met een servet. ‘De volgende minuten herinner ik me niets meer. Ik zie alleen de ogen van mijn vader nog die naar iets ver achter mij staarden, en zijn tot boven het tandvlees opgetrokken lippen.’

    De dode werd gewassen en geschoren. Het pak dat hij drie jaar daarvoor bij zijn dochters bruiloft had gedragen, kwam nu van pas. ‘Mijn moeder sprak tegen mijn vader alsof hij nog leefde of bezield werd door een speciale vorm van leven, zoals dat van een pasgeborene. Een paar keer noemde ze hem vol genegenheid “mijn arme oudje”.’ De volgende dag begon het lijk te stinken. ‘De zoete en daarna verschrikkelijke geur van bloemen die iemand in een vaas met smerig water heeft laten staan.’ Tussen de zondag van zijn overlijden en de woensdag van zijn begrafenis, kwamen vaste klanten van het café afscheid nemen. Ze leverden commentaar zoals gebruikelijk bij een overledene. ‘laconiek en op zachte toon’ zei men, ‘Hij heeft er voor de donder niet lang over gedaan’ of, ‘Dus de baas is hem gesmeerd!’

    Ook zeiden ze wat het met hen had gedaan toen ze de doodstijding ontvingen. ‘Ik was ervan ondersteboven’, ‘ik wist niet wat me overkwam’. Dingen die gezegd worden in een poging te delen in het verdriet, ‘een vorm van beleefdheid’, noemt Ernaux het. Dat is wat ik na de verkiezingen voelde, niet weten wat me overkwam, verwend als ik was te krijgen wat ik verwachtte. Dat zal nu anders gaan, ik zal er nu zelf voor moeten zorgen dat de vluchteling bij mij terecht kan. Maar goed, op maandag kwam de begrafenisonderneming. De kist paste niet door de opening van de keuken naar de slaapkamer een trapje hoger. Het lijk werd in een plastic zak gewikkeld, voortgesleept over de traptreden naar de kist midden in het café.

    Die avond kwam haar man, ‘bruinverbrand en slecht op zijn gemak, omdat hij geconfronteerd werd met een verdriet waar hij buiten stond.’ Niets zo erg als verdriet waarmee je niets hebt. Ze sliepen in het enige tweepersoonsbed dat er in huis was, het bed waarin haar vader kort tevoren gestorven was. ‘Er zat een kuil in het kussen waarop zijn hoofd sinds zondag had gerust.’

    Dan begint ze aan het verhaal over het leven van haar vader. ‘Het verhaal begint een paar maanden vóór de twintigste eeuw in een dorp in het land van Caux, op vijfentwintig kilometer van de zee.’ De plek was haar vierde novelle. Ze won er de Prix Renaudot mee en brak ermee door in Frankrijk. In deze novelle paste ze voor het eerst ‘emotieloos schrijven’ toe. Wat volgens haar het best paste bij het leven van haar vader. ‘Geen poëzie der herinneringen, geen jubelende hoon. Als vanzelf schrijf ik in een vlakke, banale stijl, diezelfde stijl die ik vroeger gebruikte, wanneer ik aan mijn ouders schreef om hen van de belangrijkste zaken op de hoogte te stellen.’ Ernaux lezen is de werkelijkheid onder ogen zien.

     

     

    De plek / Annie ernaux / vertaler Edu Borger / blz. 99 / uitgeverij De Arbeiderspers


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.

     

     

     

  • Hoe ze het doen

    Hoe ze het doen

    Ik begon te  lezen in de dagboeken van Doeschka Meijsing. Nee wacht, eerder was ik al begonnen in Truman Capote’s In koelen bloede. Dat boek lag in de badkamer op de rand van het bad. Is het raar boeken op de rand van het bad? We gebruiken het niet meer sinds we zuinig met water moeten zijn, enkel nog als de tweeling kleindochters hier logeren. G stelde al voor een grote plank over de badkuip te leggen voor alle boeken die in de badkamer verblijven uit een bepaalde noodzaak. Maar we hadden geen grote plank. Dus blijven de boeken op de rand van het bad liggen, de dagboeken van Meijsing, Truman Capote en Meisjesherinneringen van Annie Ernaux, die schrijft, ‘Er zijn mensen die worden overweldigd door de werkelijkheid van anderen, door hoe ze praten, hun benen over elkaar slaan, een sigaret opsteken.’ In gedachten vul ik aan met hoe ze kijken, hun boodschappen op de lopende band leggen, of een gevallen kind in een beweging overeind helpen, het toespreken.

    Er is veel dat me in stille verwondering, met een gevoel van gemis, achterlaat. Laatst nog, toen ik een jurk kocht van een duurder soort dan ik me doorgaans veroorloven kan. Ik beloofde mezelf op dat moment dat ik jarenlang enkel die jurk zou dragen. Ik keek hoe de verkoopster de jurk door haar handen liet gaan, de stof aanprees, me feliciteerde met mijn keuze. Ze legde de gevouwen jurk op een vloeipapiertje met goudkleurige krabbeltjes, vouwde het om de jurk heen. Ze vouwde en streek glad met mooi gemanicuurde handen. Ik wenste voor even die verkoopster te zijn.

    Als het lezen van alle belangrijke boeken een missie was, zou ik die willen vervullen. De wereld in kaart brengen door middel van literatuur, mezelf begrijpen aan de hand van personages, schrijvers. Hoe ze het doen. Na de eerste tachtig bladzijden van In koelen bloede, ben ik vol bewondering. Enthousiast vertel ik G hoe Capote zes jaar onderzoek heeft gedaan voor dit boek. Zes jaar! Zijn hele leven draaide van 1959 tot 1965 om de brute moord op een boerengezin, de familie Clutter. Hij sprak met de mensen uit het stadje Holcomb in Kansas, met familie van de slachtoffers, bezocht de daders in de gevangenis, ploos hun levens uit. En het is zo goed geschreven, riep ik.

    In de jaren vijftig sloot op het platteland niemand zijn huis af, je kon overal gewoon binnenlopen. Na de gruwelijke moord, die heel Amerika schokte, begonnen mensen sloten op deuren te zetten, de angst had toegeslagen. Zo ontstaan gewoonten.
    Uit zijn diepgaande onderzoek schiep Capote de persoon Mr. Clutter, vader van twee dochters en twee zoons waarvan er twee niet meer thuis woonden, en eigenaar van een welvarend boerenbedrijf. Iemand zal Capote verteld hebben dat Mr. Clutter van appels hield. Capote beschrijft hem als hij ’s ochtends vroeg in de keuken is. ‘Na het glas melk gedronken te hebben en een met schapewol gevoerde pet te hebben opgezet, nam Mr. Clutter zijn appel mee naar buiten om de ochtend te inspecteren.’ Even later, ‘voegde een hond, half Schotse herder, half straathondenras, zich bij hem, en samen kuierden ze weg in de richting van de veekraal, die zich naast een van de drie op het erf staande schuren bevond.’ 

    En liefde in mindere mate, dagboeken 1961-1987 van Doeschka Meijsing telt 742 pagina’s, meer dan de helft is voor het notenapparaat, twaalfhonderdzesendertig noten. Het maakt het boek weerbarstig, het valt steeds uit mijn handen als ik het goed wil openen. Het formaat is te klein, je zou het moeten breken. Ik wil enkel haar gedachten lezen, van haar wisselende stemmingen en verliefdheden weten, haar vroege wens schrijver te willen worden. ‘Misschien moet ik eerst veel verdriet hebben gehad om te kunnen schrijven. Ik ben achttien, ik wil weten hoe liefhebben is. Het enige verdriet dat ik nu nog maar ken, is de ineenkrimping onder boze woorden.’ De ‘ineenkrimping onder boze woorden’, daar begint alles mee. En dan weer opkomen, en door.

     


    inge meijer

    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV om te lezen.

     

     

  • Het verschil in blikken

    Het verschil in blikken

    De jongeman van Annie Ernaux oogt ondervoed. Zijn rug is te smal voor een leesbare letter. De flappen zijn extra dik om hem toch body mee te geven. Binnen drie kwartier heb je De jongeman en het nawoord van vertaler Rokus Hofstede gelezen. Toch viel deze compacte liefdesgeschiedenis tussen een oudere vrouw en een jongen van vijfentwintig mij niet tegen. Ernaux raakt me gemakkelijk en dat komt door passages als de volgende: ‘Op een zondag in Fécamp wandelden we hand in hand op de pier vlak aan zee. Van begin tot eind werden we gevolgd door de ogen van de mensen die op de betonnen richel langs het strand zaten. A. wees me erop dat we onbetamelijker waren dan een homostel.’ De eerste keer dat R. en ik hand in hand liepen was op het Leidseplein. Toen we elkaar zoenden klonk afkeurend jongensgeschreeuw. Ik vrees dan ook, zonder daar nu een rangschikking van erger naar minder erg van te willen maken, dat een mannenstel hand in hand tóch onbetamelijker wordt gevonden.

    Soms lopen we nog steeds hand in hand, eerder buiten dan in Amsterdam, en dan zijn we allebei op het dierlijke af alert. Een klein kneepje: we laten elkaar los en worden twee gewone vrienden. In de drieëntwintig jaar samen hebben we nooit een woord besteed aan de geheime signalen die onze lichamen met elkaar hebben afgesproken. Ik herken de blikken van de mensen. Om er een paar te benoemen: je hebt de blik die alleen kijkt en de blik die als de ogen elkaar vinden verzacht en vriendelijk wordt. Je hebt de blik die wegkijkt. Je hebt de afkeurende blik. De blik die jou vies vindt. De vijandige blik. De gevaarlijke blik. Die laatste blik zal een oudere vrouw met een jongere man niet snel treffen, schat ik in. Ernaux en A. liepen geen gevaar in een gewelddadige situatie terecht te komen. Toch voelde en zag ze scherp wat haar relatie met A. betekende in de ogen van andere mensen: jullie relatie druist in ‘tegen de maatschappelijke normen’.  

    Zomaar een vraag: Wie van ons twee laat het vaakst als eerste los? Je hebt van die standaardreacties op gevaar: vechten, bevriezen, vluchten. En je opstellen als weerloos slachtoffer als vierde optie, als verder niets meer lukt. R. is van ons twee de meest wijze: hij laat als eerste los. In zelfverdedigingscursussen is vluchten de beste optie.   

    Vervolgens schiet Ernaux een afkeurende opmerking van haar moeder te binnen. ‘Toen ik als achttienjarig meisje tussen mijn ouders over diezelfde strandpromenade liep, met aller blikken op mij gevestigd vanwege mijn zeer nauwsluitende jurk’. De blikken van toen herleven in het heden: ‘Ik had het gevoel dat ik opnieuw dat aanstootgevende meisje was. Maar ditmaal zonder de geringste schaamte, met een gevoel van overwinning.’ Ernaux in de vechtmodus. Wat zou het fijner zijn geweest als haar moeder haar toen had gecomplimenteerd en had bevestigd in haar schoonheid. Dan was hand in hand lopen geen daad van verzet geweest, maar eerder een uiting van onbevangen gelukkig zijn. Iets waarvan twee mannen of twee vrouwen van dezelfde leeftijd of met een onderling leeftijdsverschil alleen maar kunnen dromen.

     

    De jongeman / Annie Ernaux / vertaling Rokus Hofstede / De Arbeiderspers


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

     

     

     

  • Hebben we alles?

    Hebben we alles?

    Vlak voor ik een melding op mijn telefoon kreeg dat de honderdvijfentwintig rijkste mensen ter wereld goed zijn voor evenveel CO2-uitstoot als Frankrijk – waar volgens Wikipedia ruim tweeënzestig miljoen mensen wonen – las ik de laatste bladzijden van De Jaren van Annie Ernaux. Kinderen en kleinkinderen zijn op bezoek bij Ernaux die in haar boek van kind naar grootmoeder doorgroeit. Na een gezellige avond wordt afscheid genomen en voor de stilte in huis binnenvalt, worden bedankjes en kusjes gegeven en gaat de vraag rond: “Hebben we alles?”

    Een gewone vraag, maar wel een moderne. Onder een stoel vindt Ernaux een poppenjurkje. Vergeten. Of ze het zo heeft bedoeld weet ik niet, maar voor mij symboliseert het vergeten poppenjurkje overvloed en onachtzaamheid. Er is zoveel bezit, we weten niet meer wat we wel of niet hebben. Kleren hangen ongedragen in de kast. Ik kocht deze herfst toch ook weer een broek waarvan ik mezelf achteraf afvroeg of ik hem nodig had. En dan heb ik het niet eens over al die boeken. Een fijn bezit, maar voor de aankoop van een boek hoef ik niet meer te sparen.  Droom van de rode kamer, een mijlpaal uit de Chinese literatuur, pas vertaald, dat tegen de honderd euro kost schrikt af, alleen vanwege de dikte, niet vanwege de prijs. Surrounding ourselves with unread books enriches our lives as they remind us of all we don’t know, schrijft Nassim Nicholas Taleb en ik ga overstag.

    Hebben we alles? Ja, behalve tijd.

    Ik herinner me de wekelijkse gulden die ik na het voetballen kreeg. In de kelder, zo heette die plek, van de kantine van voetbalclub ‘t Gooi, kocht ik, met natte haren nog van het douchen, een flesje cola en spaarde met de dubbeltjes die ik overhield net zo lang tot ik een nieuwe Suske en Wiske kon kopen. Of een nieuwe Alex. Voor f 3,95. En elke week zat ik daar aan een lange tafel te bladeren in telkens dezelfde beduimelde stripbladen – Sjors en Pep – die daar lagen en nooit werden vervangen of weggegooid. Ik herinner me overigens niet dat mijn voetballende leeftijdgenoten daar ook op hun gemak een uurtje zaten te lezen. Zij voetbalden door op een braakliggend trapveldje. 

    Sparen, zelfs voor de kleinste zaken, dat is voor de meeste mensen in de afgelopen decennia verdwenen en daarmee ook het vermogen tot wachten en uitstellen. Zolang geleden is dat nu ook weer niet. Moeten wachten en moeten uitstellen Als je nu het woord ‘moeten’ gebruikt, word je nadrukkelijk gecorrigeerd. Je mag.
    Om de hoek steekt het gezicht van een jonge vrouw. Ze logeert met haar twee kinderen bij een goede vriendin van mij in Den Haag. Logeren klinkt te onschuldig. Ze komt uit de buurt van Marioepol. In haar eigen huis wonen Russische soldaten. Misschien hebben ze de boel al kort en klein geslagen. Ze zullen zeker alles vernielen als ze zich moeten terugtrekken. Maar de kans is ook dat ze daar blijven en dat zij, als vrede terugkeert, met haar kinderen ergens anders in Oekraïne een leven gaat opbouwen met niet meer dan wat zij op hun vlucht hebben kunnen meenemen.

    Hebben we alles?

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn tweede roman Augustus.

     

     

  • Annie Ernaux en de Nobelprijs voor de Literatuur 2022

     

    De Franse schrijfster Annie Ernaux (1940) kreeg de Nobelprijs voor de Literatuur toegekend. Het geluid dat donderdag na de bekendmaking klonk was er een van verbazing door degenen die haar werk niet kenden, van oprechte blijdschap onder degenen die Ernaux om haar stijl al jarenlang prezen.

    De Nobelprijs voor Literatuur wordt jaarlijks toegekend aan een auteur die – in de woorden van Alfred Nobel (1833-1896)- ‘het meest opmerkelijke werk met een idealistische trend’ heeft geschreven. Dat Annie Ernaux – geboren Annie Duchesne (1940) Yvetot, Normandië – met De jaren een zeer opmerkelijk boek – jawel, een meesterwerk – heeft geschreven, bestaat geen twijfel. Idealisme zit in het pogen de geleefde dagen en jaren in kaart te brengen, waarbij zelfinzicht het onderzoeksgegeven is. Onderzoeken hoe en waarom het was zoals het was, daar schrijft zij over.
    De Zweedse Academie bekroont de Franse schrijfster, ‘voor de moed en klinische scherpte waarmee ze de wortels, vervreemdingen en collectieve beperkingen van het persoonlijke geheugen blootlegt’.


    Een goudmijn

    ‘Echte gedachten’, schrijft Ernaux in De jaren, wanneer ze de periode beschrijft dat ze een kind, man en appartement heeft, ‘vallen haar in wanneer ze alleen is of uit wandelen gaat met het kind.’ Echte gedachten, vervolgt Ernaux, ‘zijn voor haar geen bespiegelingen over hoe mensen praten of zich kleden, over de hoogte van stoepranden voor een kinderwagen, over de protesten tegen het stuk Les Paravents van Jean Genet of tegen de oorlog in Vietnam, maar vragen over haarzelf, zijn en hebben, het bestaan.’ Echte gedachten, ‘hebben te maken met het ontrafelen van voorbijgaande, onmogelijk aan anderen mee te delen indrukken, met alles wat, als ze de tijd had om te schrijven – maar ze heeft niet eens tijd meer om te lezen – de stof van haar boek zou vormen.’ Wanneer je Ernaux leest kun je het gevoel krijgen op een goudmijn te zijn gestuit. Als je kijkt hoe ze schrijft, denk je aan ansichtkaarten, prentenbriefkaarten. 

    Overigens, toen op 6 oktober in het nieuws van 14.00 uur op de radio de naam klonk van de winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur, dacht ik even dat het de schrijfster was waarvan ik hoopte dat zij het zou worden, ook een Annie met dezelfde klank in haar achternaam. Annie Proulx, die van Zeeberichten, Accordeonmisdaden en Ansichten. De vreugde werd er niet minder om toen het Ernaux bleek te zijn. 


    Illegale abortus

    Annie Arnaux debuteerde op vierendertigjarige leeftijd met Les armoires vides bij Uitgeverij Gallimard. In 1990 verscheen het in vertaling van Marijke Jansen als Lege kasten bij De Arbeiderspers. Het gaat over een meisje dat vanuit de minder bedeelde sociale klasse in dat van de intellectuelen, de gegoede burgerij terechtkomt. De verscheurdheid die ze daarbij ervaart is schokkend. Ernaux schrijft daarin ook over een illegale abortus die zijzelf als begin twintiger in de jaren zestig onderging. In de novelle Het voorval (L’événement, 2000) is deze ervaring onderwerp van het boek geworden en verscheen in 2004 in een vertaling van Irene Beckers. Dit jaar verscheen er een derde, gewijzigde druk nadat in 2021 de verfilming van het boek, L’événement door Audrey Diwan in premiére ging en winnaar werd van de Gouden Leeuw tijdens het filmfestival in Venetie. 

    Dat De jaren pas in 2020 in Nederland verscheen, kwam door de afwachtende houding van de uitgever. Pas toen Les Années (2008) internationaal doorbrak, de Duitse vertaling uit 2017 in korte tijd zeven drukken kreeg en de Engelse vertaling in 2019 op de shortlist van Man Booker International Prize terechtkwam, gaf de Nederlandse uitgever groen licht. Op Vertaalverhaal schreef Rokus Hofstede, die drie boeken van Ernaux vertaalde, in 2021: ‘Geluk is als je van je uitgever te horen krijgt: Oké, we doen het!’, nadat je geruime tijd ‘Nee, we doen het niet…’ te horen hebt gekregen. Je kon vurig betogen dat Les Années in Frankrijk de status van een hedendaagse klassieker had, je kon aanvoeren dat het Annie Ernaux’ magnum opus was, een samenvatting van haar hele oeuvre, geschreven met het rijpe meesterschap van een auteur die twintig titels achter zich had liggen – dat soort argumenten legden toch niet zoveel gewicht in de schaal als de matige verkoopcijfers van haar laatste boek, Mémoire de fille (2016), [vertaald als Meisjesherinneringen, door Rokus Hofstede in 2017]. Pas toen het oorspronkelijk in 2008 verschenen Les Années internationaal doorbrak – de Duitse vertaling uit 2017 kreeg in korte tijd zeven drukken, de Engelse vertaling belandde in 2019 op de shortlist van de Man Booker International Prize – ging de Nederlandse uitgever overstag.’ Inmiddels verschenen van de De jaren in Nederland twintig herdrukken.


    Geen jubelende stijl

    Ernaux’ boeken kenmerken zich door de neutrale toon, een taal zonder versierselen. In interviews liet Ernaux meermaals weten: ‘De betovering van metaforen, het jubelen van de stijl zal voor mij nooit weggelegd zijn.’ Wat je leest is wat je krijgt, en alles wat daarachter voor belangrijks zit, komt vanzelf naar voren. Schaamte is ook zo’n ding, het kan je ten onder doen gaan als je er niets mee doet, je als een ster doen rijzen als je vandaaruit schrijft. Schrijver Didier Éribon, die zich ook uit zijn sociale klasse ontworsteld heeft, is schatplichtig aan Ernaux. Daarop volgend is Édouard Louis schatplichtig aan Éribon, waarmee indirect ook aan Annie Ernaux. 

    In La Place, het boek over haar vader wilde ze schrijven hoe hij ‘echt was’. Over zijn eerste kind, het zusje dat drie jaar voor Ernaux geboren werd, schrijft ze in La place, in 1985 vertaald als De plek door Edo Borger: ‘Ze kregen een dochtertje, hij ging een nachtdienst erbij draaien op de lokale olieraffinaderij. Op een dag kwam het dochtertje ziek terug van school – een zere keel, koorts. Hij was op die raffinaderij toen hij het bericht kreeg dat zijn kind was gestorven. Toen hij zich naar huis spoedde, konden ze hem van het einde van de straat horen aankomen, zo hard huilde hij.’


    Wachten op het sterven

    In De jaren schrijft ze over die tijd: ‘In alle families waren er kinderen gestorven. Aan plotse, ongeneeslijke kwalen, diarree, krampen, difterie. Het spoor van hun korte verblijf op aarde was een graf in de vorm van een wiegje met ijzeren spijlen en het opschrift “een engel in de hemel”, foto’s die werden getoond waarbij heimelijk een traan werd weggepinkt, gesprekken die zachtjes, haast sereen werden gevoerd, tot schrik van de kinderen, die meenden dat zij nog aan de beurt zouden komen.’ 

    Ernaux  schreef zo’n twintig boeken, allen autobiografisch van aard. Al deze boeken tezamen geven een integraal portret van een vrouwenleven in het Frankrijk van na de Tweede Wereldoorlog. De Zweedse Academie schreef dat Ernaux in ‘de bevrijdende kracht’ van het schrijven gelooft. ‘Haar werk is compromisloos en geschreven in duidelijke taal.’
    Elf van haar boeken zijn door zeven verschillende vertalers vertaald en in Nederland verschenen bij De Arbeiderspers. Op stapel staat de verschijning van Een jongeman, vertaald door Rokus Hofstede, dat gaat over Ernaux’ verhouding met een dertig jaar jongere man.


    Annie Ernaux is de zeventiende vrouwelijke auteur die de Nobelprijs voor de Literatuur ten deel valt. De eerste Nobelprijs voor de Literatuur werd in 1901 uitgereikt aan de Franse dichter Sully Prudhomme (1839-1907). Andere gelauwerden waren onder meer Selma Lagerlöf  in 1909, Pearl S. Buck (1938), Herta Müller (2009), Isaac Bashevis Singer (1978), Toni Morrison (1993), Patrick Modiano (2014) en Olga Tokarczuk (2018).

     

     

  • Oogst week 15 – 2022

    Te waar om mooi te zijn

    Wat een prachtige combinatie van titel en omslag: Te waar om mooi  te zijn tegen de achtergrond van één van de bekendste werken van Teun Hocks die de meest bizarre scènes ontwierp voor zijn kunst.  In het boek heeft Frank Westerman veertien verhalen gebundeld die ontstonden naar aanleiding van reizen van hem naar Venetië, naar Auschwitz, naar Spitsbergen enzovoort. Het zijn verhalen over de kunst, de mens en de natuur. In zijn Proloog schrijft hij: ‘Toen ik zelf elf was wilde ik landmeter worden. Ik voelde me aangetrokken tot de landmeters bij ons in de straat – mannen in oranje hesjes met reflecterende strepen. Turend door hun kijkers liepen ze alle dingen in de omgeving na; gewoon voor de zekerheid, of alles inderdaad zo was als het leek.
    Van dit nalopen van de werkelijkheid heb ik mijn beroep gemaakt. Wat is Wahrheit, wat is Dichtung? Ik laat me niet graag bedonderen, maar wel betoveren – met als gevolg dat ik al mijn leven lang achter feiten aanhol. Die feiten spreken nooit voor zich. Al rooster je ze boven een vuurtje, ze houden hun mond. Jij bent het die de feiten een stem geeft, leven inblaast. We zijn feitenfluisteraars die de dingen woorden en betekenissen toedichten’. Westerman stemt graag in met wat Antoine de Saint-Exupéry in De kleine prins schrijft: ‘Een kind kijkt niet alleen met zijn ogen. Het weet dat de belangrijkste dingen onzichtbaar zijn.’

    Te waar om mooi te zijn
    Auteur: Frank Westerman
    Uitgeverij: Querido Fosfor

    De schaamte

    Sinds Nederland in 2020 enthousiast kennismaakte met De jaren van Annie Ernaux verschijnen in hoog tempo herdrukken van vertalingen van haar werk zoals Meisjesherinneringen (eerder in 2017) en Het voorval (eerder in 2004). Nu is er ook een herdruk van De schaamte dat in 1998 al eerder verscheen, ook toen in de vertaling van Rokus Hofstede. Al haar boeken zijn autobiografieën van een bijzonder soort. Zeer persoonlijke en schokkende verhalen afgezet tegen de tijdgeest waarin ze leefde. De schaamte begint op 15 juni 1952 toen de twaalfjarige Annie er ’s middags getuige van was dat haar vader haar moeder met een mes wilde vermoorden. Sindsdien was er voor haar een leven daarvóór en een leven daarná: ‘Ik schaamde me voor mijn ouders, voor de gescheiden vrouwen om mij heen, voor de dronken klanten in ons café, voor hun platte taalgebruik, voor al die verstarde gebruiken die hoorden bij mijn sociale klasse; meisjes kregen hun eerste permanentje na de communie, jongens droegen voor het eerst een lange broek op de eerste schooldag, trouwen moest je op die en die leeftijd, alles was vastgesteld. In De schaamte wilde ik onderzoeken wat er in mij nog over was van dat meisje van twaalf. De enige manier waarop ik dat kon doen was door als het ware etnoloog van mijzelf te worden. Ik zocht naar wetten, waarden, rituelen en de taal van mijn milieu, mijn school en mijn familie en ik zette de beelden uit mijn herinnering om in woorden, zodat ze een soort documenten werden. Maar niemand kan zich zichzelf echt herinneren. Het meisje van toen lijkt in niets meer op de vrouw die ik nu ben. Ik zou haar niet herkennen als ik haar tegenkwam’.

    De schaamte
    Auteur: Annie Ernaux
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Station Tokio Ueno

    De Japanse Yu Miri (1968) is kind van Koreaanse ouders maar schrijft in het Japans en woont met haar zoontje in het Fukushima van na de ramp in 2011. Ze heeft er een boekwinkeltje en een theater. En ze schrijft zo nietsontziend dat haar eerste roman in 1994 in Japan verboden werd.
    Hoofdpersoon en verteller in haar eerste in het Nederlands vertaalde boek Station Tokio Ueno is  Kazu, een bouwvakker uit Fukushima die gesloopt wordt door zijn werk, zijn gezin zelden ziet en tenslotte leeft in het daklozenkamp Tokio Ueno, vlakbij het station. Het toppunt van vernedering is dat het tentenkamp met zijn bewoners tijdelijk ontruimd wordt als de keizer langs komt voor een museumbezoek. Die tragiek wordt nog eens benadrukt doordat Kazu op dezelfde dag jarig is als keizer Akihito en zijn zoon op dezelfde dag als diens zoon en huidige Japanse keizer Naruhito.
    Kazu werkt bij de aanleg van de voorzieningen voor de Olympische Spelen die de aandacht van de wereld moeten trekken, maar mensen als hij vinden geen plek in die gelikte wereld. Pas langzaam wordt de lezer duidelijk vanuit welk perspectief Kazu zijn verhaal doet.

    Station Tokio Ueno
    Auteur: Yu Miri
    Uitgeverij: De Geus
  • Het ding dat weg moest

    Het ding dat weg moest

    Sinds het succes in 2008 van Les années (De jaren, 2020), is ook hier bekend dat de Franse schrijfster Annie Ernaux zichzelf en haar levenservaringen tot onderwerp van haar boeken maakt. Ook in het pas opnieuw verschenen Het voorval verwerkt zij haar abortus uit 1964, een trauma dat ze jarenlang onderdrukte, dat wil zeggen: er niet een compleet boek aan wijdde.
    Al vanaf 1974, toen Ernaux debuteerde met Les armoires vides (Lege kasten, 1990), tekent zij op wat er in haar leven omgaat en wat dat met haar doet. Geboren in een kleinburgerlijke omgeving bleek ze door haar intelligentie bestemd voor een meer dan gemiddelde ontwikkeling, waardoor ze vanzelf in een hoger milieu terechtkwam.
    Op school kreeg ze eerst te maken met vernedering en minachting en ervoer ze steeds meer het onderscheid tussen haar thuis en de wereld van het onderwijs.

    Ze haalde hoge cijfers, maar de schaamte over haar ouders, hun triviale gedrag en gewoonten die Annie al snel ontgroeide, verliet haar nooit. De enige manier om er controle over te krijgen was blijkbaar door erover te schrijven. Over haar kindertijd en adolescentie, over haar ouders, haar vader die haar moeder wilde vermoorden, over haar huwelijk, over haar moeders Alzheimer, aftakeling en overlijden. Over haar onvermogen zich op haar gemak te voelen bij mensen van hogere komaf, over haar borstkanker. Alles moest worden vastgelegd, geanalyseerd en begrepen. Ook bij bondige  registraties van het leven van alledag, zoals in De jaren en in De blik naar buiten, is het Ernaux’ beleving ervan die met de lezer wordt gedeeld: ‘Ik laat de mensen, hun leven, in me binnendringen, als een hoer.’ In al haar werk wordt haar wedervaren uitgeplozen, raakvlakken zijn overal te vinden.

    Allesomvattende blik

    Het taalgebruik dat zij voor haar geschriften kiest toont dat de introspectie verder gaat dan een eenvoudig “van zich af schrijven”. Ernaux bedrijft een soort sociologie: beheerst, afstandelijk, authentiek en altijd met scherpe, allesomvattende blik. Zo onderzoekt ze in Mémoire de fille (2016), (Meisjesherinneringen, 2017 en 2022) welk meisje ze ooit is geweest, het meisje dat ze eigenlijk wilde vergeten. Ze heeft het dan over het ‘grote herinneringsvermogen van de schaamte, dat minutieuzer, onverzettelijker is dan enige andere vorm van herinnering.’ En we zien dat ze, jong nog, haar eigen directe ervaringen plaatst in het grote geheel van mens en samenleving.

    ‘Er zijn mensen die worden overweldigd door de werkelijkheid van anderen,’ zo begint Meisjesherinneringen, ‘door hoe ze praten, hun benen over elkaar slaan, een sigaret opsteken. Die verzinken in de verhevigde aanwezigheid van anderen. Op een dag, of eerder op een nacht, worden ze meegesleept in de begeerte en de wil van één enkele Ander. Wat ze meenden te zijn vervliegt, […]. Ze lopen steeds achter op de wil van die Ander. Die wil is hun steeds vóór. En inhalen doen ze nooit.’

    In Lege kasten overpeinst de hoofdpersoon na een abortus de toekomst. Ze kijkt terug op haar jeugdjaren, wordt heen en weer geslingerd door gevoelens van afschuw en schuld jegens haar ouders die er toch alles voor over hadden om haar te laten studeren. Dan al, in 1974, dringt de herinnering aan de abortus zich steeds op.

    In 2000, in L’Événement (Het voorval, 2004 en 2022) werkt Ernaux deze belevenis van de in 1964 nog illegale abortus volledig uit. Het trauma dat haar leven lang in haar sluimerde moest eindelijk eens gedetailleerd onder ogen worden gezien. Ze kijkt terug op de zomerrelatie met P. die al lang bekoeld was. Hij wordt door haar per brief op de hoogte gesteld van de zwangerschap en van de voorgenomen abortus, al weet ze dat de laatste mededeling bij hem alleen maar tot opluchting zal leiden. Voor haar toestand weigert ze de woorden ‘ik ben in verwachting’ of ‘ik ben zwanger’ toe te laten. Ze zoekt in Rouen, waar ze studeert, naar mensen die haar kunnen helpen – ‘Ik had geen enkele aanwijzing, geen enkel spoor’ – iemand te vinden die de abortus wil uitvoeren, want, schrijft ze, ‘Ik ben wanhopig. Dat ding moet weg.’

    Mannelijke overheersing

    Door het verhaal van toen heen plaatst Ernaux gedachten die ze heeft op het moment van schrijven, zoals: ‘En wanneer ik geen gedetailleerd verslag zou doen van deze ervaring, draag ik ertoe bij dat de werkelijkheid van vrouwen versluierd wordt en schaar ik mij aan de kant van de mannelijke overheersing van de wereld.’
    Het was vanuit een zekere naïviteit dat Ernaux het gevaar niet zag van de samenhang tussen seks en zwangerschap, dat ze niet kon geloven dat haar dit zou overkomen. Ze wijt dit aan haar afkomst. ‘Vaag legde ik het verband tussen de sociale klasse waaruit ik afkomstig was en hetgeen me overkwam. […] Ik werd door mijn verleden ingehaald en wat er in mij groeide was in zekere zin mijn maatschappelijke mislukking.’

    Eenzaam zoekt ze naar een arts die haar wil helpen. ‘Onmogelijk te zeggen waarom ik die chique wijk was ingelopen […]. Het werd al donker en misschien wilde ik niet terug naar huis gaan zonder iets geprobeerd te hebben.’ Ze belt aan, wordt ontvangen. Het woord abortus valt niet. ‘… ik smeekte hem alleen er tot iedere prijs voor te zorgen dat ik weer ongesteld werd. […] Meisjes als ik vergalde de dag van de dokters. Zonder geld en moederziel alleen – anders waren ze niet op goed geluk bij hen terechtgekomen -, dwongen ze hen om zich de wet te herinneren die hen in de gevangenis kon doen belanden […].’ De arts schrijft injecties voor en Ernaux vraagt een medicijnenstudente om ze haar te geven. Later blijkt dat de arts haar met een middel tegen miskramen heeft opgescheept.
    Een vruchtafdrijving gebeurt dan ook niet en vertwijfeld gaat Ernaux zichzelf met een breinaald te lijf waar ze vanwege de pijn die dat oproept al snel mee ophoudt. ‘Niets. Gewoon onmogelijk. Ik huil en ik ben het zo zat.’

    Uiteindelijk komt ze via een kennis in contact met een vrouw die zelf een abortus heeft ondergaan en haar het adres geeft van een ‘engeltjesmaakster’. In een sjofele kleine woning in Parijs krijgt Ernaux een sonde in en bij gebrek aan resultaat een paar dagen later een andere. Minutieus beschrijft ze wat er gebeurt als de vrucht loskomt. In haar studentenflat heeft ze inmiddels een vage vriendin in vertrouwen genomen en ‘was zij het die mij die nacht als enige terzijde stond in de geïmproviseerde rol van vroedvrouw’. Ze huilen beiden. De bloeding stopt niet en Ernaux komt in het ziekenhuis terecht, waar ze geconfronteerd wordt met de heersende klassenverschillen. De coassistent die haar heeft gecuretteerd komt langs en ‘leek slecht op zijn gemak. Ik dacht dat hij zich schaamde omdat hij me er in de operatiekamer zo van langs had gegeven. […] Hij schaamde zich alleen maar […] omdat hij bij gebrek aan informatie over mij een studente van de faculteit der letteren had behandeld als een textielarbeidster of een verkoopster bij de Monoprix.’

    Trots op het vereffenen van de schuld

    Helder beschrijft Ernaux hoe een meisje dat in die tijd zwanger werd en een illegale abortus onderging, door de meeste mensen behandeld werd als een misdadigster, als iemand die zich diende te schamen voor haar misstap.
    Als ze weer helemaal is opgeknapt, is ze veranderd. ‘Ik kijk naar mijn door de zon beschenen benen in een zwarte panty, het zijn de benen van een andere vrouw.’ In Rouen loopt ze over straat ‘met het geheim van de nacht van 20 op 21 januari als iets heiligs in mijn lichaam. […] Ik voelde trots. […] het gevoel dat je verder bent gegaan dan anderen ooit zullen doen. Dat ik dit verhaal heb opgeschreven hangt ongetwijfeld voor een deel samen met die trots.’

    Met het schrijven van Het voorval heeft Ernaux een schuld vereffend, schrijft ze, ‘de enige schuld die ik ten aanzien van dit voorval ooit heb gevoeld: dat het me is overkomen en dat ik er niets mee heb gedaan. […] En het echte doel van mijn leven is misschien alleen dit: dat mijn lichaam, mijn gevoelens en mijn gedachten tot geschriften worden, dat wil zeggen tot iets wat begrijpelijk is en algemeen, mijn bestaan volledig opgelost in de hoofden en levens van de anderen.’
    Beter had Annie Ernaux haar levensdoel niet kunnen verwoorden.

     

  • Oogst week 4 – 2022

    Het voorval

    Het eigen leven tot onderwerp van haar boeken maken. Dat deed de Franse schrijfster Annie Ernaux al vanaf het eerste boek dat ze in 1974 schreef, over haar kindertijd. Daarna volgden romans over haar adolescentie, haar huwelijk. Ook haar ouders waren met hun individuele wedervaren onderwerp van Ernaux’ literaire aspiraties, zoals de maatschappelijke ontwikkeling van haar vader en de ziekte van alzheimer bij haar moeder. In haar eigen leven waren afzonderlijke gebeurtenissen aanleiding voor een boek. Zo was daar L’Événement (2000), dat in 2004 onder de titel Het voorval werd uitgegeven door Singeluitgeverijen.

    Na het succes van De jaren (2020), een vermenging van autobiografische fictie en sociologie, is er nu een derde druk van Het voorval, eveneens in de vertaling van Irene Beckers. Tijdens een heel korte zomerrelatie raakt Annie zwanger. Al snel is ze ervan overtuigd dat ‘dat’ weg moet en ze besluit tot abortus. Een riskante onderneming, want abortussen geschieden dan nog clandestien. De zwangerschap dwingt haar ook na te denken over de relatie met haar moeder en over het feit dat zijzelf leven door kan geven. Neutraal, eerlijk en authentiek beschrijft Ernaux de feiten, zoals ze in al haar negentien boeken doet. Van Het voorval is een film gemaakt die in 2021 in première ging.

    Het voorval
    Auteur: Annie Ernaux
    Uitgeverij: Arbeiderspers 2021

    Een winter in Parijs

    Het driejarige racepaard Peres duwt per ongeluk tegen de deur van haar stal op het Franse platteland en als de deur opengaat stapt ze naar buiten, ziet iets liggen wat ze kent. ‘Ze bracht haar neus ernaartoe, snuffelde er wat aan en ontdekte het hengsel. Ze pakte de tas op en draafde van het stallenterrein af, de renbaan op. Serieus, dacht ze, voor een paard dat net een lange race met veertien hindernissen achter de rug had, barstte ze eigenlijk nog van de energie. Ze maakte een uitgelaten bokkensprong en brieste.’ Dan gaat het paard op weg, wat het begin is van een avontuur over vriendschap. Jane Smiley schreef met Een winter in Parijs een boek vol vriendelijkheid, troost en hoop, in de trant van Charlie Mackesy’s bestseller De jongen, de mol, de vos en het paard.

    In Parijs komt Peres hond Frida tegen, later komen er twee eenden bij en een raaf. Samen scharrelen ze in de winterse kou hun kostje bij elkaar. Als Peres de achtjarige Étienne ontmoet, ontstaat er vriendschap tussen de jongen en het dierengroepje. Étienne smokkelt de dieren die dat willen naar binnen en ook een rat sluit zich aan. De dieren praten samen, zorgen voor elkaar, hebben ieder een eigen taak en ergeren zich soms aan elkaar. Ze hebben alle eigenschappen en gedragingen die mensen ook hebben. Smiley vertelt het verhaal vanuit de verschillende perspectieven van de dieren en de jongen met ieder hun eigen, unieke persoonlijkheid. Het is een lief boek geworden.

    Een winter in Parijs
    Auteur: Jane Smiley
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam 2021

    De expeditie

    Het boek De expeditie schreef Wessel te Gussinklo op verbeten toon al in 1963, in drie maanden tijd. Hij was toen tweeëntwintig jaar. Uitgeverij Koppernik laat het nu voor het eerst in druk verschijnen. Hoofdfiguur Ronald spiegelt zichzelf een helder beeld voor van de volmaakte vrouw. Hij legt het zijn geliefde, Mirjam, dwingend op en verwacht dat zij eraan voldoet. Hij verlangt naar een symbiose, naar een compleet samenvallen met de ander. Maar Mirjam weigert aan dat beeld te voldoen en volgt haar eigen belangen.
    In De Groene Amsterdammer zegt Te Gussinklo in januari 2021 over De expeditie: ‘Helemaal per ongeluk, toen ik net tweeëntwintig was, begin ik een verhaaltje te schrijven. Plotseling, zomaar, schoot het uit mij voort. Mijn schrijverschap ontwaakte toen. Ik wist opeens: verdomd, dit is het, dit wil ik met mijn leven.’

    Eveneens is in deze uitgave van Koppernik Het meesterwerk opgenomen, een autobiografisch en soms hilarisch verslag over de moeilijkheden en mislukkingen die Te Gussinklo ondervond bij het schrijven, vanaf het voltooien van De expeditie tot aan de publicatie van De verboden tuin. Voor deze tweede roman kon hij tien jaar lang geen uitgever vinden.

    Te Gussinklo, bewonderaar van Dostojewski en Sartre, vindt zichzelf meer een schrijver van inzichten dan van verhalen. Zijn thema’s zijn veelal de strijd met het dagelijks bestaan, macht, ideologieën, tirannen, beelden en visioenen. In 2021 won hij de Boekenbon Literatuurprijs voor Op weg naar De Hartz, het vierde deel van de romancyclus over zijn alter ego Ewout Meyster.

     

    De expeditie
    Auteur: Wessel te Gussinklo
    Uitgeverij: Koppernik 2021
  • De zomerboeken van Ben Koops

    De zomerboeken van Ben Koops

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden.

    Ben Koops gaat op vakantie en neemt mee:

    Han Kang – De vegetariër
    J.K. Huysmans – Tegen de keer
    Annie Ernaux – De jaren
    Clarice Lispector – De passie volgens G.H.
    Yusuf Atilgan – De lanterfanter
    Ocean Vuong – Op aarde schitteren we even

    ‘Han Kang staat op de lijst omdat ik ooit een kort stukje uit zijn boek Wit heb gelezen wat mij nieuwsgierig maakte naar deze auteur. Tegen de keer maakt deel uit van mijn zoektocht naar decadente schrijvers. Ik heb recent Kubin en Mirbeau gelezen dus nu is de beurt aan Huysmans. Huysmans is pessimistisch maar net als Thomas Bernhard goed gezelschap.
    De jaren lijkt mij een fijn boek om bij weg te dromen. De passie volgens G.H. is iets wat al langer op mijn lijstje staat; nadat ik Het uur van de ster van Lispector heb gelezen volgt nu deze bevreemdende absurdistische roman. Over De lanterfanter heb ik gehoord via een podcast, en ik verheug me nu al op het boek met de fantastische titel. En als laatste Ocean Vuong, waar ik vooral door de titel op af kwam, maar ook omdat ik las dat de auteur een dichter is.’

    Lees meer over Ben Koops
  • Op zoek naar de verloren tijd

    Op zoek naar de verloren tijd

    De Franse schrijfster Annie Ernaux (1940) groeide op in Normandië als dochter van kleine middenstanders, studeerde romanistiek en was werkzaam als docent. In 1974 publiceerde ze haar eerste boek. Haar werk is sterk autobiografisch en De jaren wordt als haar magnum opus beschouwd. Les années, verscheen in 2008 en werd onlangs op weergaloze wijze in het Nederlands vertaald door Rokus Hofstede. Ernaux schrijft in een opvallende stijl die een mix is van geschiedenis, autobiografie en sociologie. Ze maakt geen gebruik van het persoonlijk voornaamwoord enkelvoud, maar schrijft in de ‘wij’, ‘zij’, ‘men’ en ‘jij’ vorm. Daarmee bereikt ze een universaliteit van wat je een collectieve autobiografie van onze tijd zou kunnen noemen en bij veel lezers voor herkenning zal zorgen. Les années werd dan ook bekroond met een tiental literaire prijzen en de Engelse vertaling van het boek stond op de shortlist van de Man Booker International Prize.

    ‘Alle beelden zullen verdwijnen.’ Het is de openingszin van De jaren, maar Ernaux maakt desalniettemin juist gretig gebruik van beelden; door ze in woorden te vatten kan ze ze voor verdwijning behoeden. Via minutieuze beschrijvingen van foto’s en bewegende beelden zien we Ernaux veranderen van een ‘dikke baby met een pruilmond, donker haar dat boven op het hoofd in een krul is gelegd, […] halfnaakt op een kussen in het midden van een gebeeldhouwde tafel’ in een meisje, een studente, een jonge vrouw, een moeder, een werkende vrouw, een gescheiden vrouw en een ‘vrouw van zekere leeftijd met roodblond haar, gekleed in een zwarte, laag uitgesneden trui, haast achteroverliggend in een grote, veelkleurige leunstoel, met haar twee armen om een klein meisje in jeans en bleekgroene gebreide sweater met ritskraag.’ 

    Een werk van jaren

    Het boek beschrijft de periode van 1941 tot 2006 en tussen beschrijvingen van persoonlijke beelden verschijnen niet alleen de contouren van Frankrijk en van de westerse wereld, maar ook en vooral die van de tijdgeest, die Ernaux zeer nauwgezet en tegelijkertijd met een zekere afstand treffend in woorden weet te vatten. Al vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw maakte zij plannen voor dit boek en verzamelde ze aantekeningen ervoor. Alhoewel ze lang heeft gezocht naar een passende vorm is ze er geweldig in geslaagd om ‘iets [te] redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn.’

    De beelden die Ernaux beschrijft zijn zeer divers. Ze gaan onder meer over kindersterfte en armoede, maar ook over de verbijstering aangaande ‘de tijd die je kon besparen met gedroogde soep uit een pakje, de snelkookpan en mayonaise uit een tube’. Herinneringen aan de onafhankelijkheidsoorlog met Algerije worden afgewisseld met herinneringen aan boeken, liedjes en reclame. De rol van het rooms-katholieke geloof, dat in de jaren vijftig nog het officiële kader van het leven was en dat structuur gaf aan de tijd, verschuift onder invloed van onder andere de consumptiemaatschappij naar een gemarginaliseerde plek in de samenleving. Ernaux maakt qua historische en politieke situatie uiteraard vaak gebruik van een Franse context, maar er zijn meer dan genoeg andere aanknopingspunten (zoals de Nederlandse Watersnoodramp en de val van de Berlijnse muur) voor de lezer om zich te oriënteren. Er is veel aandacht voor de veranderende positie van de vrouw.

    Het boek komt in een stroomversnelling terecht wanneer de jaren zestig beschreven worden. ‘Door het steeds snellere opkomen van nieuwe dingen verloor het verleden terrein.’ Het jaar 1968 met de studentenopstand en de algemene stakingen neemt in het boek een centrale plaats in. Ernaux constateert dat ‘niets van wat we tot nu toe als normaal hadden beschouwd nog vanzelf sprak. […] We vervielen voortdurend van de ene wezensvraag in de andere. Anders denken, praten, schrijven, werken, leven: we vonden dat we alles moesten uitproberen en niets te verliezen hadden. 1968 was het eerste jaar van de wereld.’

    Herinneringen redden

    Naarmate het boek vordert en naarmate de schrijfster dus ook ouder wordt, worden de observaties steeds beschouwelijker van aard. 1968 vormt een soort kantelpunt: ‘De idealen van ’68 werden omgezet in spullen en entertainment.’ Ernaux waagt zich meer en meer aan interpretaties in plaats van aan feitelijke beschrijvingen en constateert een toenemende onverschilligheid. Rechts rukt op, idealen verdwijnen en ‘de springerige, vlugge muisklik op het scherm was de maat van de tijd. […] De zoektocht naar de verloren tijd liep via het web.’ Deze verwijzing naar de zevendelige romancyclus van Proust (À la recherche du temps perdu) doet De jaren zeker recht. Ernaux slaagt er op magnifieke wijze in om de verloren tijd terug te halen en in prachtig proza te vatten. Ze wil ze redden, al die ongrijpbare herinneringen. Helemaal aan het einde van het boek blijkt dat ze al heel lang met dat plan heeft rondgelopen, overigens zonder enige pretentie: ‘Toen ze vroeger in haar studentenkamer verlangde naar het schrijven, hoopte ze een onbekende taal te vinden waarmee ze mysterieuze dingen kon onthullen, als een waarzegster.’ Ze beschrijft hoe die droom om te schrijven verandert in een ‘strijdmiddel’, waarmee ze vat wil krijgen op alle aspecten van het verleden.

    De jaren is het glorieuze resultaat van jaren werk. Het is een autobiografie zonder foto’s, zonder “ik”, maar met een zeggingskracht die ontzag inboezemt. Het lezen van dit boek is vergelijkbaar met bladeren door een archief, of door oude fotoalbums. De beelden die als zodanig wellicht verdwenen zijn maar in dit boek via woorden tot de lezer komen zijn zo rijk dat hele werelden op impressionistische wijze tot leven worden geroepen. Het is een literaire prestatie van formaat waarvoor Ernaux een staande ovatie verdient.

     

     

  • Wrijving

    Wrijving

    Stel je een schaatser voor op een spiegelgladde ijsbaan. Het ijs is zo glad, dat er geen enkele wrijving is. Wat er dan gebeurt met die schaatser, is helemaal niets. Die komt nooit in beweging. Dit is, vertelde mijn natuurkundeleraar ooit, alleen theoretisch mogelijk. In de echte wereld is er altijd wel ergens wrijving.

    Dat alleen wrijving beweging geeft, bewijst ook het boek De jaren van Annie Ernaux, in 2008 verschenen en geweldig vertaald door Rokus Hofstede. Het boek is een chronologische verzameling van observaties, persoonlijke herinneringen, politieke en maatschappelijke gebeurtenissen. Dit wordt verteld vanuit het perspectief van een vrouw in Frankrijk, over een periode van 1941 tot 2006. Het schijnbaar onbenullige en particuliere wisselt ze moeiteloos af met de wereldgeschiedenis zoals we die allemaal in grote lijnen kennen. Zoals herinneringen zich voordoen als een beeld of  ultrakort filmfragment, soms met terugwerkende kracht aan betekenis winnen of verliezen, hoe ze in of uit hun context geplaatst kunnen worden, dat ze bij ons blijven of juist verdwijnen en dat die hele warrige optelling ons maakt tot wie we zijn, zo schrijft Ernaux het op.

    Niets nieuws, zou je denken. De recente geschiedenis, die kennen we. We waren erbij, of, als we jonger waren dan leerden we erover tijdens geschiedenislessen. Maar Ernaux’ kracht schuilt in het onvermoeibaar stapelen van herinneringen waardoor de fragmenten met elkaar in gesprek gaan. Er ontstaat wrijving. Het stuwt het lezen voort. En passant wordt er iets ongrijpbaars, maar diep menselijks blootgelegd. Want ik lees en denk: dit had ook over mij kunnen gaan, zonder dat details direct overeenkomen. Dit is hoe een leven is, hoe we onszelf uit herinneringen samenstellen.

    Ik fiets naar het ziekenhuis, voor een onderzoek dat ik een jaar geleden ook had. Sinds dat jaar lijkt het soms alsof ik los ben komen te liggen van mijn eigen geschiedenis, een onprettig gevoel. Ernaux eindigt: ‘Iets redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn.’ Het fletse heden zadelt je soms op met observaties die geen wrijving opleveren. Niets komt in beweging. Misschien laat zoiets abstracts als tijdgeest zich enkel vangen door het contrast met een andere. Een klein steentje in het ijs, meer is niet nodig. Daarbij helpt leeftijd vast ook, meer ervaringen om uit te putten. Ik kreeg spontaan zin om, net als Ernaux tijdens het schrijven, alvast eind zestig te zijn.

     

     


    Mariken Heitman is bioloog en schrijver. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.