• Zinnen die passen

    Zinnen die passen

    Deze zomer was ik omringd door boeken van vrouwen. Hoe prettig is het om zinnen te lezen die zo vertrouwd overkomen dat je ermee wegloopt. Zoals Annie Dillard in haar essay, ‘Totale zonsverduistering’ na een verpletterende zonsverduistering (1979) in hartje Washington, tussen opmerkingen van toeschouwers door, ‘Zag je hoe…? Zag je dat…?’ een jonge student hoort zeggen, ‘Zagen jullie ook de witte ring? het was net een Life Saver, zo’n pepermuntje in de vorm van een reddingsboei.’ ‘Verdomd’, denkt Dillard, ‘Die jongen sloeg de spijker op zijn kop. Zelf had ik zo’n woord op dat moment niet paraat.’
    De paraatheid van woorden op het juiste moment is zo’n ding waar het bij mij aan schort, daarom lees ik, geloof ik.

    Vivian Gornick schrijft in Verstrengeld, het boek over haar wandelingen door New York met haar moeder, over haar pogingen tot iets te komen. ‘Ik ging aan mijn bureau zitten en deed mijn best om na te denken.’ Het leek of ze dit voor mij had opgeschreven. Jarenlang deed Gornick haar best om na te denken. ‘Net zoals mijn moeder zei dat ze haar best deed om te leven. Zij vond dat ze een medaille verdiende omdat ze ‘s morgens haar benen over de bedrand zwiepte en ik vond dat ik er een verdiende door alleen al aan mijn bureau te zitten, geloof ik.’ Dat het afwassen, uit het raam kijken, het nog eens koffie zetten terwijl je schrijft, zin heeft, in feite een medaille verdient, dat past me wel.
    Ik hou van Gornick en haar moeizame relatie met haar moeder. Ze zien elkaar het liefst lopend. ‘Ik ben nu vijfenveertig en mijn moeder is zevenenzeventig. (…) Zonder moeite doorkruist ze met mij het eiland Manhattan. De liefde voor elkaar spat er niet vanaf op onze wandelingen, we gaan vaak tegen elkaar tekeer, maar wandelen zullen we.’  

    In Onroerend goed schrijft Deborah Levy over een dossier waarin ze de dingen die bij haar lijken te horen, (of waar zij bij wil horen), dingen die je ‘moet hebben’ opslaat. Zo creëert ze haar toekomstige leven, het is een dromendossier. In het dossier zit een huis in Griekenland met een granaatappelboom in de tuin. Later voegt ze daar een herenhuis in Parijs aantoe. Daarin wil ze een ingebouwde haard in de vorm van struisvogelei die ze in Santa Fé Nieuw-Mexico in een hotel had gezien. Gemaakt van adobe (hier raadpleegde ik internet om te weten dat adobe niet alleen een hulpprogramma voor mijn computer is, maar in zijn oudste betekenis leemsteen is). Levy raakte verknocht aan ‘dit brandende ei’, ze moest het hebben, daar is zo’n dossier dan handig voor.

    De dingen vormgeven met wat je ziet en hoort. De deze week overleden Jean-Luc Godard had een voorliefde voor raadselachtige, abstracte zinnen. Wat ik niet wist is dat hij die zinnen ‘plukte uit films, proza, poëzie en filosofische verhandelingen’. Soms citeerde hij zonder het te beseffen, zo eigen werden die zinnen hem. In een interview zei Godard eens, ‘Zo’n zin moet iets met mij te maken hebben, maar ik weet niet precies wát. Het is als een kleur maar dan met woorden.’ Ja, daar herken ik mij in, gekleurde woorden, woorden die passen als een jurk van goede snit. 

     

    Bron: Volkskrant, Postuum Jean-Luc Godard (1930-2022) door Kevin Toma.


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

  • Waarom ze schreef had ze zich nooit afgevraagd

    Waarom ze schreef had ze zich nooit afgevraagd

    De Amerikaanse schrijfster Annie Dillard moet je een keer zijn aangeraden door een bewonderaar. Iemand die begeesterd spreekt over haar prachtige taal, metaforen en rijke fantasie. Ze is vooral bekend van haar verhalend proza in zowel fictie als non-fictie. Haar roman The Maytrees (2008) is misschien wel de ultieme liefdesgeschiedenis, waarin zelfbewustzijn versus de onzekerheden van het leven het grote thema is. Pilgrim at Tinker Creek (1974) wordt gezien als een voorbeeld van Amerikaanse natuurbeschrijving geïnspireerd door Henry Thoreau’s Walden en werd in 1975 beloond met de Pulitzer Prize voor non-fictie. Gedurende een jaar verbleef Dillard in het Amerikaanse Virginia, in een vallei waar de Tinker Creek doorheen stroomt. Ze beschreef haar slenteren langs de oevers van Tinker Creek als een soort reisjournaal. 

    De essays in Schrijversleven verschenen oorspronkelijk in 1989 onder de titel The writers life en zijn nu uitgegeven door Atlas Contact in de vertaling van Henny Corver. Aan de hand van talloze voorbeelden geeft Dillard in Schrijversleven een beeld van de eenzaamheid, de werkdrift, de onzekerheid en het niet aflatende doorzettingsvermogen van een schrijver. Tussen de regels door valt te lezen dat als je dat niet in huis hebt, je geen echte schrijver bent en er ook zeker niet een moet proberen te worden.

    Spring toch gewoon

    Ze vergelijkt het schrijfproces met een spanrups die langs een grasspriet omhoog kruipt. ‘Het onfortuinlijke dier bungelt aan een grashalm en gooit wild zijn kopje heen en weer alsof hij jammert: Wat?! Niets meer?’ Hij verdwaalt, raakt in paniek en begint aan een volgende grashalm. ‘Ik heb het vaak gezien. Het blinde, paniekerige sukkeltje weet van de ene halm over te stappen op een andere […]’ Maar opnieuw zonder resultaat, wat Dillard doet uitroepen: ‘Spring toch gewoon, verlos jezelf uit je lijden!’ Met andere woorden: Durf gewoon te schrijven.

    Dillard beschrijft haar werkplek, die groot genoeg moet zijn voor één persoon. ‘Prettige werkplekken zijn iets om te mijden. Wat je nodig hebt is een ruimte zonder uitzicht, zodat verbeelding en herinnering elkaar in het donker kunnen tegenkomen!’ Over haar methodes schrijft ze: ‘De laatste tijd houd ik me bezig met schema’s. […] Een schema beschermt tegen chaos en grillen. Het is een net om dagen te vangen. Het is een steiger waar een bouwvakker op kan staan zodat hij een tijdje met beide handen kan werken!’

    Zoeloekrijger of Azteekse maagd

    Ook de stoffelijkheid van het schrijven komt aan bod, de verschillende versies van een manuscript. Over de eerste versie zegt Dillard dat die een merkwaardige innerlijke toestand teweegbrengt. Zoals een Zoeloekrijger die zich prepareert op oorlog of een Azteekse maagd die al weken weet dat ze in een hete vulkaan wordt gegooid. ‘Hoe brengt een schrijver zichzelf aan het spinnen?’

    Veelzeggend is het gesprek met de veerman die ze beter heeft leren kennen. Hij vroeg een keer naar haar schrijven. ‘Ik, sukkel zag niet aankomen dat ik mijn eigen wereld kletterend om me heen liet instorten en zei dat ik schrijven haatte. Hij zei stomverbaasd: “Dat is net alsof je in een fabriek werkt en het werk haat.” […] Zo was het precies. Waarom deed ik het? Dat had ik me nou nooit afgevraagd.’

    De schrijver krijgt vaak niet de waardering die hij zou willen. Haar essay The death of a moth werd afgedaan als te obscuur, te symbolisch, te intellectueel. Tot een jongen van een jaar of acht tijdens een bezoekje aan haar een tekening van de mot zag en zei: ‘Gaaf verhaal was dat. Heb je het geschreven of getypt?’ 

    Leren over schoonheid

    In het laatste essay van Schrijversleven heeft Dillard het over de stuntvlieger David Rahm, die in een vliegshow voor koning Hoessein tragisch aan zijn einde kwam. Bij haar in de buurt was ze getuige van een vliegshow waarin Rahm stuntte. ‘Ik dacht dat ik wel wat afwist van schoonheid. Ik wist dat ik er een flink deel van mijn leven aan had gewijd door gedichten van buiten te leren en mijn aandacht met name te richten op ritmische complexiteit, kracht, beweging, herhaling en verrassing in proza zowel als poëzie. Nu had ik in een paardenbloemenveld tussen een start- en een landingsbaan in Bellingham gestaan en eindelijk iets geleerd over schoonheid. Zelfs het Boston Museum of Fine Arts had me nooit zo kunnen inspireren als dit vliegveldje in het noordwesten op die verloren zondagmiddag in juni. Niets op aarde stemt zo blij als de wetenschap dat we de mouwen moeten opstropen en de grenzen van het menselijk mogelijke opnieuw moeten verschuiven.’ Ze vloog een keer met hem mee en de beschrijvingen van haar angst en bewondering zijn even ijselijk als sterk. Je zit gewoon naast haar in de kist en beleeft wat zij beleeft. 

    Je kunt Schrijversleven steeds weer oppakken en openslaan om ergens willekeurig een anekdote of een mooie metafoor als een feest der herkenning te begroeten. Dillards toon is toegankelijk en licht, soms streng en vaak niet gespeend van humor en zelfspot. De auteur verwoordt haar plezier en haat jegens het schrijverschap bijzonder treffend en toont tussen de regels door hoe je zou moeten schrijven. En zegt: ‘Oké, doe dat dan ook.’

     

  • Indrukwekkende essays getuigen van noodzaak

    Indrukwekkende essays getuigen van noodzaak

    De Amerikaanse auteur Annie Dillard (1945) schrijft proza, poëzie en literaire kritieken, maar is vooral bekend vanwege haar non-fictie. Haar essaybundel Pelgrim langs Tinker Creek uit 1974 leverde haar de Pulitzerprijs op. In 2020 won Henny Corver de Filter Vertaalprijs voor de Nederlandse editie van dit boek. Corver vertaalde ook De overvloed, een verzameling van wat Dillard zelf haar beste essays noemt. In haar voorwoord introduceert Marja Pruis de persoon Dillard en noemt stukjes uit de essays die in het boek voorkomen, precies genoeg om nieuwsgierig te maken naar meer.

    De essays in De overvloed schreef Dillard op verschillende momenten in haar leven, grofweg tussen halverwege de jaren zeventig en het begin van de jaren negentig. De onderwerpen lopen uiteen. Zo beschrijft Dillard in het essay ‘Disneyland’ hoe een gezelschap van Chinese auteurs en critici een bezoek brengt aan de Verenigde Staten voor een schrijverscongres. De locatie is Disneyland. Op enkele bezoekers zoomt ze in. Zo beschrijft ze Liu Binyan, bekend van zijn artikelen over corruptie in China: ‘Hij oogt jong, thuis in de wereld; zijn donkere kostuum zit hem wonderwel als gegoten. Na zijn beroepsverbod heeft hij tweeëntwintig jaar dwangarbeid verricht. Nu wandelt hij door Disneyland.’

    Dwangarbeid en Disneyland

    Het heeft iets absurds, de literaire elite in een pretpark vol cartoonfiguren. De bijna terloopse zin over dwangarbeid is vergeten wanneer het gezelschap gaat lunchen in het park en Dillard de taalbarrière beschrijft: wanneer hostess SUSI – zo staat het op haar badge – beleefd aan iemand van de Chinese overheid vraagt of hij Disneyland leuk vindt, is zijn antwoord prompt ‘nee’. Hij dacht dat ze vroeg of hij er al eerder was geweest. Hier zijn complimenten voor Henny Corver op zijn plaats, want de taalkundige misverstanden zijn ook in het Nederlands geslaagd.

    De vakantieanekdote, gezellig en herkenbaar, maakt plaats voor een scène waarin Dillard met mevrouw Fran, de secretaris van het gezelschap, buiten staat. Een Amerikaans jongetje van een jaar of vijf, met een pistoolriem om zijn middel, komt op hen af en vuurt met maar liefst twee pistolen denkbeeldige kogels af op de twee vrouwen. Hij weigert op te houden tot Dillard een idee krijgt: ‘Ik opper dat mevrouw Fan naar haar borst moet grijpen en zogenaamd moet sneuvelen om hem ter wille te zijn en om een einde te maken aan de slachtpartij; zo gezegd, zo gedaan.’ 

    Het essay eindigt met een herkenbaar scenario voor iedereen die ooit op schoolreisje is geweest. Toneelschrijver Chen Baichen is  zoekgeraakt, midden in Disneyland. De droge humor van Dillard komt hier om de hoek kijken. ‘Sommigen in het gezelschap zijn van mening dat Chen Baichen, die twee wereldoorlogen, bezetting, bevrijding, hongersnood, de campagne tegen rechts en de Culturele Revolutie heeft overleefd, Disneyland waarschijnlijk ook wel aankan.’ Wanneer hij wordt gevonden, omhelst Dillard hem spontaan, alle etiquetteregels vergetend. Hij is zo ontroerd dat hij huilt. Een treffende vergelijking: de huilende Chinese man en het Amerikaanse jongetje dat kogels bleef schieten tot zijn slachtoffers deden alsof ze getroffen waren.

    Kritische kijk op rijkdom

    Geweld is een terugkerend thema in Dillards werk, net als de natuur. In het essay ‘De wezel’ staat ze opeens oog in oog met dat dier, waarna ze aan het leven van de wezel denkt (‘alles opmerken, niets onthouden’) en vervolgens aan de vraag hoe zij moet leven, hoe wij mensen moeten leven. ‘De wezel laat zich leiden door noodzaak en wij door keuze; wij haten noodzaak en sterven uiteindelijk onwaardig in zijn klauwen.’ In tegenstelling tot de Amerikaanse mentaliteit is Dillard kritisch op het rijke westen, onder meer in het essay ‘Tsunami’. ‘We doen ons in restaurants tegoed terwijl overal mensen verzwakken en verhongeren, mensen die stuk voor stuk zonen en dochters zijn.’ Alle essays, hoe verschillend ook, ademen noodzaak. Dillard móést dit opschrijven, voor haar was er geen andere keuze. Hoewel de teksten meer dan dertig jaar oud zijn, zorgt deze achterliggende noodzaak ervoor dat het lijkt alsof ze gisteren zijn geschreven.

    Een ander indrukwekkend essay is ‘Zo moet je leven’, waarin Dillard op hypnotiserende wijze een blik werpt op het fenomeen ‘cultuur’. De dichter in haar komt naar boven wanneer ze over mensen schrijft. ‘Ze bidden; ze werpen mensen in veenmoerassen; ze helpen de zieken en gewonden; ze doorboren hun lippen, hun neus, hun oren; ze maken dezelfde fouten, in weerwil van religie, geschreven taal, filosofie en wetenschap. Ze bouwen, ze doden, ze behouden, ze tellen en schatten, ze koken de pot, ze houden het vuur gaande; ze vertellen hun verhalen en gorden zich aan.’ 

    Fluisterend en schreeuwend

    De variatie in taalgebruik is kenmerkend voor Dillard. Een essay kan relatief rustig beginnen, op een soortgelijke toon als ‘Disneyland’, en vervolgens versnellen als Dillard op stoom komt en de woorden om zich heen smijt. Dat levert prachtige zinnen op, zoals: ‘Bewonder de wereld omdat ze nooit het bijltje erbij neergooit – zoals je een tegenstander zou bewonderen, zonder je blik van hem af te wenden of weg te lopen’, en ‘Een van de weinige dingen die ik van schrijven weet is dit: zet alles in, schiet, speel, verspeel alles, zonder nadenken, elke keer opnieuw’. Dit combineert Dillard met nuchtere adviezen, zoals: ‘Zinnen van een recept componeren is niet minder lastig dan zinnen van Moby Dick componeren. Dan kun je net zo goed Moby Dick schrijven.’ De inhoud van Dillards teksten is boeiend, maar haar taalbeheersing voegt veel toe. De overvloed leest alsof Dillard op het podium staat, soms fluistert en soms schreeuwt, vertraagt en weer versnelt, haar publiek daarmee zo in haar ban houdt dat niemand na haar laatste buiging aan klappen denkt.

     

     

  • Oogst week 40 – 2020

    De overvloed

    De Amerikaanse schrijfster Annie Dillard (1945) selecteerde voor de bundel De overvloed haar beste en beroemdste essays – waaronder het magistrale stuk over een zonsverduistering. Dillard staat bekend om haar diepgaande, vrijmoedige denken waarin de verwondering over wat ze waarneemt tot op het bot wordt uitgeplozen. In De wezel gaat ze tijdens een wandeling op een boomstam om zich heen zitten kijken en ontwaart naast zich op de grond een wezel. Zij ziet hem en hij ziet haar. ‘Ik heb een minuut lang in die wezenloze hersens gezeten, en hij in die van mij,’ schrijft ze over de ontmoeting. Dillard is iemand die kijkt en kijkt, nadenkt en ongeremd schrijft over dat wat ze waarneemt. In een hotelkamer ziet ze een reproductie van een tronie in fruit, het bekende schilderij van Arcimboldo: ‘Zo’n afbeelding waar je eigenlijk niet naar wilt kijken maar die je tot je chagrijn niet uit je hoofd krijgt. Ze wordt je opgedrongen door een of ander van smaak gespeend pratend fatum: ze wordt onderdeel van de complexe innerlijke meuk die je overal met je meesleept.’ De taal waarin ze haar bespiegelingen weergeeft is intens, krachtig en toch licht van toon, niet zonder humor. Maar niet geschikt voor luie lezers.

     

     

    De overvloed
    Auteur: Annie Dillard
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Gemeente zegt ik Nederlands leren

    Saïd El Haji is schrijver, columnist en publicist. Hij studeerde in Leiden Nederlandse taal en letterkunde. In 2000 won hij de El Hizjra-aanmoedigingsprijs voor De kleine Hamid, een kort verhaal dat hij uitwerkte tot zijn debuutroman De dagen van Sjaitan (2000) waarmee hij roem oogstte. In dit boek rekent hij af met zijn strenge, gelovige vader tegen wie hij al jong in opstand kwam. Als NT2 docent geeft El Haji les aan vluchtelingen en andere anderstaligen. Daarover gaat Gemeente zegt ik Nederlands leren. El Haji stelt zijn leerlingen vrijpostige vragen als: Spreken Marokkanen beter Nederlands dan Turken, Waarom moet je nog steeds Nederlands leren als je al dertig jaar in Nederland woont, en Wie ben jij? El Haji’s leerlingen zijn soms weinig of niet naar school geweest, of al op oudere leeftijd. Maar hij stimuleert ze allemaal om ook vragen te stellen, want van vragen stellen word je wijzer en van nieuwsgierigheid ga je praten. De soms wrange resultaten tekent hij op met humor en mededogen. Gemeente zegt ik Nederlands leren is Saïd El Haji’s vijfde boek.

     

     

    Gemeente zegt ik Nederlands leren
    Auteur: Said El Haji
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    Duel

    In Duel, het dertiende boek van Eduardo Halfon (Guatemala, 1971) reist de schrijver behalve van de Verenigde Staten naar Guatemala en van Polen naar Italië af naar zijn geest. Overal waar hij komt stuit hij op zijn eigen onbeantwoorde vragen, over wat het is om mens te zijn in de wereld, en wie hij zelf eigenlijk is. De verteller is net als de schrijver ingenieur en heeft dezelfde familieachtergrond. In zijn autofictie komen mysteries uit zijn jeugd bovendrijven en schrijft hij over broers en zussen en Joodse voorouders uit Egypte, Syrië, Polen en Libanon. Geworstel met de eeuwige herinneringen aan de holocaust ontbreken niet. De ingewikkelde familiegeschiedenis vormt voor Halfon een bron voor de zoektocht naar zijn eigen identiteit. In een van de verhalen meent hij de ooit gestolen ring van zijn grootvader te ontdekken aan de vinger van een douaneambtenaar. Verlies is een terugkerend thema; in de mix van journalistieke verhalen en een speurtocht naar de betekenis van zijn persoonlijke ervaringen kan alles en iedereen plotseling verdwenen zijn. Eduardo Halfon won vele literaire prijzen en wordt gezien als een van de beste Latijns Amerikaanse schrijvers van het moment.

     

     

    Duel
    Auteur: Eduardo Halfon
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek