• Oogst week 9 – 2026

    Oogst week 9 – 2026

    Jong en eenzaam

    Jong en eenzaam van Kevin van Vliet is een verslag, in romanvorm, van een jonge journalist op reis langs de ruïnes van zijn verleden. Na vijf jaar in Zuid-Afrika gewoond te hebben komt hij terug naar Nederland om een nieuw werkvisum aan te vragen en ineens wordt hij geconfronteerd met zijn vroegere zelf. Alles staat op het spel, hij dreigt zijn werk, maar ook zijn verstand te verliezen. Jong en eenzaam, een verwijzing naar Oud en eenzaam van Gerard Reve, opent de aanval op de huidige stand van de Nederlandse literatuur.

    Van Vliet (1993) werkte bij HP/De Tijd, toen in Hilversum, vervolgens bij diverse kranten – en hij is nu correspondent in Zuid-Afrika voor Trouw en Het Financieele Dagblad.
    Zijn literaire debuut, de novelle Wolfsjong (2019) werd genomineerd voor een Bronzen Uil. Evenals de korte roman Bobbejaanskloof (2023)

    Jong en eenzaam
    Auteur: Kevin van Vliet
    Uitgeverij: Prometheus

    Het zwarte schip

    In de allereerste scène van deze verhalenbundel van Nicola Pugliese doemt uit de donkere nacht geruisloos een zwart schip op. Is het een collectieve zinsbegoocheling, een slecht omen of een waarschuwing? De komst van dit mysterieuze schip zet een reeks verontrustende, kafkaëske verhalen in gang, waarin het dagelijks leven in de stad van de rails loopt.

    De unieke schrijver Pugliese beschrijft in een donkere en betoverende stijl de meest onverwachte en vreemde gebeurtenissen, die iedereen in hun greep lijken te houden en alles staat op losse schroeven. Nieuwe agenda’s lopen niet meer synchroon, een steeds ontsnappende gevangene lijkt nooit echt vrij te kunnen komen; Tijdens een crisis wordt Kerstmis afgeschaft. De kettingrokende Carlo Andreoli is het alter ego van Pugliese en een terugkerend personage. In de krant leest hij over zijn aanstaande dood. De verhalen spelen zich af tegen de vage contouren van Napels.

    Nicola Pugliese (1944 – 2012) was een eigenzinnige Italiaanse schrijver en journalist. Malacqua is zijn enige boek, dat in 1977 verscheen. Het werd een soort cultroman, die niet mocht worden herdrukt van de auteur. Na Puglieses dood, verscheen Malacqua echter opnieuw in Italië. Ook hier heeft Carlo Andreoli, de melancholische journalist, een rol. Hij verslaat de mysterieuze gebeurtenissen die in Napels plaatsvinden. Dankzij vertaalster Annemart Pilon kwam het boek ook in Nederland uit.

    Het zwarte schip
    Auteur: Nicola Pugliese
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Omgeslagen dagen

    Omgeslagen dagen van Mensje van Keulen is het vervolg op haar dagboeken Alle dagen laat, Neerslag van een huwelijk en Moeder en pen. Met de haar zo kenmerkende scherpte en humor neemt Van Keulen de lezer ook in het vierde deel van haar dagboeken mee in het immer woelige schrijversleven in de jaren tachtig te Amsterdam. We volgen Van Keulen van 1983 tot 1987. Inmiddels is ze gescheiden en een gevierd schrijfster. Ze werkt aan de verhalenbundel De ketting (1983), haar roman Engelbert (1987) en haar jeugdboek Tommie Station (1985), dat een groot succes wordt. Toch gaat het schrijven, met een zoontje dat naar de basisschool gaat en een nieuwe liefde, bepaald niet vanzelf, maar Van Keulen zet door.

    Van Keulen debuteerde met de veelgeprezen roman Bleekers Zomer. Eerder was zij, van 1970 tot 1973, redacteur van het studentenweekblad Propria Cures, waar zij – naast verhalen – onder het pseudoniem Josien Meloen gedichten schreef. Later maakte zij samen met onder anderen Gerrit Komrij, Theo Sontrop en Martin Ros jarenlang deel uit van de redactie van het literaire tijdschrift Maatstaf.

    Zij schreef niet alleen voor volwassenen, maar ook enkele kinderboeken.

    Omgeslagen dagen
    Auteur: Mensje van Keulen
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Schrijven vanuit weloverwogenheid en compassie

    Schrijven vanuit weloverwogenheid en compassie

    Vanaf 2022 verschenen er drie titels uit het oeuvre van de Italiaanse schrijver Erri De Luca (1950) in vertaling van Annemart Pilon bij uitgeverij HetMoet. Als eerste werd De Luca’s novelle De dag voor het geluk kwam uitgegeven. Over een weesjongen die opgroeit in het Napels van na de tweede Wereldoorlog. De conciërge Don Gaetano van het appartementencomplex waar de jongen woont, ontfermt zich over hem. Don Gaetano vertelt hem over de oorlog, over de Jood die bij hem ondergedoken zat en over de laatste oorlogsdagen toen de bewoners van de stad verhongerden. ‘De Duitsers hielden een schijnvertoning: ze braken een winkel open en vervolgens droegen ze de mensen op om de winkel leeg te halen. Ze schoten op alle mensen die de spullen gingen pakken en filmden de hele scéne. Dat gebruikten ze als propaganda: Duitse soldaten grijpen in om plundering te voorkomen.’

    Hierin is een tactiek van oorlog voeren te herkennen. Het opmerkelijke van zulke notities is dat De Luca ogenschijnlijk eenduidige verhalen vertelt, maar de lezer nekt met feiten die een omgekeerd déjà vu veroorzaken.

    Zijn debuut (1989) Niet nu niet hier verscheen in 2023. Het voorwoord dat De Lucca in 2009 voor deze vierentwintigste druk schreef, leest als een kleine biografie. In zijn jonge jaren was De Luca lid van de communistische beweging ‘Lotta Continua’. Hij begon te schrijven nadat hij de partij had verlaten en als bouwvakker ging werken. Niet nu niet hier  is een lange brief aan zijn moeder over zijn vormende kinderjaren. Zijn moeder sprak met hem als kind over de slechte dingen die er op de wereld gebeurden. ‘Je maakte me deelgenoot van jouw verachting van al het leed dat mensen aanrichtten en werd aangedaan.’ Hij was haar favoriete gesprekspartner omdat hij stotterde en daarom liever zweeg. Het is een indringend boek in de zin van vergeving, liefde en de dingen in de juiste verhoudingen zien.

    Kat en muis spel

    In Onmogelijk dat dit jaar verscheen, wordt een bergbeklimmer in de Italiaanse Dolomieten aangehouden op verdenking van moord. Hij wordt in een isoleercel geplaatst en een week lang dagelijks door een jonge onderzoeksrechter verhoord. Deze is er van overtuigd dat de bergbeklimmer, gezien de voorgeschiedenis van de verongelukte en de verdachte, verantwoordelijk is voor zijn dood. Veertig jaar geleden waren de verdachte en de omgekomen bergbeklimmer lid van dezelfde radicaal-linkse beweging. Tot de man – die verongelukte -, uit de beweging stapte en zijn kameraden als staatsgevaarlijk aangaf en als verrader werd gezien. De verdachte en zijn kameraden belandden daardoor voor vele jaren in de gevangenis.

    Puur op basis van deze informatie verdenkt de onderzoeksrechter hem ervan uit wraak te hebben gehandeld. Dat hij hem geduwd heeft. De verdachte omzeilt moeiteloos en met doordachte antwoorden de valkuilen die de onderzoeksrechter voor hem opstelt. Een kat en muis spel waarbij de verdachte steeds correct weergeeft wat hij gedaan heeft en wie hij is, (‘Ik ga de bergen in om alleen te zijn’). Het verhaal, met naamloze personages, is geschreven als een dialoog. De onderzoeksrechter wordt aangeduid als  ‘V.’ en ‘A.’ als verdachte die ook de verteller is.

    ‘V. Wij hebben een bevestiging nodig die losstaat van wat u zelf vertelt. Wist u dat u die man volgde?

    A. Ik wist dat er iemand voor me liep.

    V. In werkelijkheid volgde u hem.

    A. In werkelijkheid volgde ik hem niet, in werkelijkheid was er iemand die voor me uit liep op een deel van de berg waar iedereen overheen moet.’

    Brieven aan zijn liefste

    Tussen de weergave van de verhoren zijn er de brieven aan zijn vriendin. Waarin hij haar schrijft over het verhoor, ‘Het gesprek met de jonge onderzoeksrechter gaat goed. Hij wil met een drone naar bewijs zoeken, hij speelt met dat idee, net als met zijn hypothese, waar hij bewijzen voor zoekt. Ik ben zijn tegenpartij.’
    In de een na laatste brief schrijft hij, ‘ Mijn liefste, ik moet nog één keer met de onderzoeksrechter praten en dan is het voorbij, op wat voor manier dan ook.’ Of hij schuldig of onschuldig bevonden zal worden, lijkt hem niet uit te maken. Wanneer het punt bereikt wordt waarop de onderzoeksrechter hem moet laten gaan bij gebrek aan bewijs, volgen er nog allerlei ontwikkelingen (de verdachte en de onderzoeksrechter gaan samen uit eten). Er ontstaan vluchtige gedachten, er is een gebaar waarin het ‘onmogelijk’ tot mogelijk zou kunnen verworden. En zou het kunnen dat die brieven evengoed aan een verzonnen geliefde geschreven zijn? De lijn tussen werkelijkheid en gecreëerde werkelijkheid is dun in deze ingenieuze geconstrueerde novelle. Er wordt aftastend en vanuit hypotheses gecommuniceerd waarbij de geest van beide personages voelbaar alert blijft op wat er níet gezegd wordt.

    De Luca werkte jarenlang als bouwvakker en schreef zijn eerste boek in een schrift (dat op zijn knieën lag). ‘Mijn schriften waren de lichte bagage die ik altijd meenam als ik van de ene naar de andere klus ging.’ Hij noemt schrijven nadrukkelijk geen werken, maar momenten van ontspanning waarin hij alles opschrijft wat tijdens het werken in zijn gedachten ontstond. Dat is wat er spreekt uit de novelle’s van De Luca, een vanzelfsprekende toon van weloverwogenheid en compassie. Zijn personage zijn dan ook volstrekt authentiek, evenals de schrijver zelf. De grondtoon van zijn verhalen komt voort uit de politieke keuzes die men maakt en wat daaruit voortvloeit

    In een nawoord schrijft vertaler Annemart Pilon, die een goede neus heeft voor belangwekkende literatuur, dat ze ten tijde van de vertaling van De dag voor het geluk kwam in Napels woonde. Door de steegjes liep in de buurt waar De Luca opgroeide en waar de roman zich afspeelt. Ze vertaalde het boek in haar vrije tijd in de hoop dat een uitgever er iets in zou zien. Een krasse proeve van weten wat goed is, vertaald moet worden. Met dank.

     

     

  • Wijze én berekenende aforismen

    Wijze én berekenende aforismen

    Veel mensen zullen de naam Baltasar Gracián y Morales (1601-1659) niet kennen. Toch heeft het denken van deze vrijdenkende, Spaanse jezuïet veel invloed gehad. Hij wordt wel ‘de Machiavelli for the good guys’ genoemd. De manipulatie en misleiding van Machiavelli zijn bij hem vervangen door berekening, al heeft Tinneke Beeckman het beeld van Machiavelli onlangs genuanceerd in haar boek Machiavelli’s lef. Omgekeerd zitten er aan het werk van Gracían misschien minder fraaie kantjes. Of, zoals Annemart Pilon, vertaler en bewerker van zijn ‘spreuken’ in De kunst van de voorzichtigheid in het voorwoord bij deze uitgave schrijft: ‘Gracián predikt deugdzaamheid, al is die misschien vermomd als schijnheiligheid (of is het juist andersom?)’. Is dit een vooroordeel tegenover jezuïeten (jezuïtisch schijnheilig)? Redenen temeer om het toegankelijke boek te lezen en erachter te komen.

    ‘Spreuken’ in twaalf thema’s

    Pilon heeft de driehonderd in 1647 door Gracián gepubliceerde ‘spreuken’ (ze schrijft dit telkens tussen aanhalingstekens), tot de kern teruggebracht of samengevoegd en in twaalf thema’s ondergebracht. Thema’s als Weten en denken, Jezelf en anderen kennen, Karakter en gedrag. Maar dat niet alleen. Deze uitgave is geïllustreerd door de Delftse kunstenaar Dirk van Dien die met gemengde technieken werkt. Sterker nog, de afbeeldingen die hij maakte na het lezen van Graciáns Handorakel en de kunst van de voorzichtigheid in de vertaling van Theo Kars (1940-2015), uitgegeven in 1990 en in 2020 ongeïllustreerd herdrukt, vormde de aanleiding tot deze uitgave. Omdat Annemart Pilon gewijzigde titels gaf aan de ‘spreuken’, maakte Van Dien ook nieuw werk. Achterin het boek is een schets van het leven en werk van Van Dien opgenomen.

    Zijn stijl houdt het midden tussen Paul Klee en Picasso met niet-Westerse of islamitische elementen. Soms is het een woord in een ‘spreuk’ (‘Denk vooruit en gebruik je voorzichtigheid’) dat hem op het spoor van in dit geval Rodins beeld De denker zette. Of hij maakte collages met gebruik van postzegels en andere bestaande afbeeldingen. Heel concreet, zoals Graciáns werk dat ook is.

    Actualiteit en levenskunst

    Graciáns denken blijkt nog steeds actueel. Hij beveelt bijvoorbeeld aan om tegenover bronnen een kritische houding aan te nemen. En iedereen kan in deze tijd van gekleurde, eenzijdige of onware berichtgeving waarop geen dubbele controle heeft plaatsgevonden, talrijke voorbeelden van fake nieuws noemen.
    Er zitten tussen de ‘spreuken’ echter ook denkbeelden waar we nu niet meer zo achter kunnen staan, zoals in het hoofdstuk ‘Uitblinken’: ‘Hoogstaande bezigheden [leiden] tot roem’. Meer in de lijn van levenskunst ligt een opvatting die ook Nietzsche in Graciáns voetsporen ontwikkelde: werken aan je persoonlijkheid tot je een afgerond mens bent, een mens zoals we eigenlijk bedoeld zijn. Dat de term Übermensch door toedoen van Hitler een andere invulling kreeg, is niet aan Nietzsche te wijten.

    Een andere denker waar de ideeën van Gracián af en toe aan doen denken, is Spinoza. Beiden hebben het over voorzichtigheid (caute bij Spinoza), innerlijke rust (‘een groot geluk op de wereld’ schrijft Gracián) en ‘hevige emoties [die] de rede verjagen’. Spinoza zei het hem na in het derde deel van zijn Ethica.

    Er zit iets van een streber in het denken van Gracián, maar we herkennen ook de wijze denker in hem bij de trits translatio (vertalen) – imitatio (navolgen) – aemulatio (overtreffen) wanneer hij schrijft: ‘Kies je grote voorbeelden en probeer hem of haar [dat laatste zal een toevoeging van Pilon zijn neem ik aan, EvS] juist voorbij te streven’ (aemulatio). En stop daarmee op het juiste moment, op je hoogtepunt. Net zoals je ook je kwetsbaarheid moet durven laten zien en dan hopen dat naasten en vrienden er voor je zijn.

    Gracián vindt aan de andere kant weer wel dat alle begin onvolmaakt is en dat je dat dan niet moet laten zien, want dan ‘blijven de onvolkomenheden ervan in iemands hoofd zitten’. Daar staat een hedendaagse opvatting over bijvoorbeeld het jeugdwerk van Vincent van Gogh tegenover. Daarin zie je behalve inderdaad nog onvolkomenheden, óók al de kracht van de schilder die zich inspant om er binnen zijn mogelijkheden van dat moment het beste van te maken. Dat mag best worden gezien.

    Karakter en gedrag

    Een mooi onderdeel van het boek is ‘Karakter en gedrag’, zowel tekstueel als qua verscheidenheid aan afbeeldingen. Bijvoorbeeld de ‘spreuk’ over integriteit: ‘Je eigen geweten moet zwaarder wegen dan het oordeel van anderen’. Deze gaat vergezeld van een afbeelding met een kern, omringd door allemaal vissen die dezelfde kant op zwemmen. De ‘spreuk’ over halsstarrigheid wordt verbeeld door een man met een lange nek, omzwachteld door een touw. En een over een gezond karakter door een wybertjesvorm met daarin twee portretten uit de oudheid. Raak gekozen, want was Sophocles al niet de filosoof die wist dat je je in korte zinnen moet uitdrukken, zoals Gracián zelf ook doet?

    De vraag die nog rest is: hoe reageren hedendaagse jezuïeten zelf op het werk van Baltasar Gracián? De bekende Vlaamse jezuïet en internetpastor Nikolaas Sintobin schreef naar aanleiding van de eerdere vertaling door Theo Kars dat veel aforismen (een beter woord dan ‘spreuken’, al dan niet tussen aanhalingstekens) ‘getuigen van grote mensenkennis en wijsheid. Vele andere kunnen schokken door hun cynisme en opportunisme.’ Na lezing van deze mooie, nieuwe gebonden uitgave met leeslint kun je niet anders dan dit beamen.

     

  • Klont in de tijd

    Klont in de tijd

    Het was zo’n ochtend waarop ik dacht dat alles zomaar ineens afgelopen kon zijn. Dat heb ik wel vaker, dat de wereld zich als een grote open ruimte aan me voordoet. ‘Apocalypse now’. Ik zat in de trein en keek naar de goudkleurige sneakers van een oudere vrouw aan de andere kant van het gangpad. De trein raasde met hoge snelheid voort over de rails, nam schommelend de bochten, ik hing scheef, drukte mijn voeten op de grond. Ik dacht, wat is de betekenis van goudkleurige sneakers als we straks in puin liggen. Het leek opeens niet meer tot de onmogelijkheden te behoren dat alles uit de hand zou lopen. Ik zag het voor me, hoorde treinwielen gillen op de rails, scheurend ijzer, oorverdovende stilte, gestold tot een klont in de tijd. Toen viel de trein weer in een rechte lijn samen met het spoor, kwam ik op tijd voor mijn afspraak.

    Dat wat mogelijk is, ‘is een grens die telkens verschuift, afhankelijk van wat mensen bereid zijn toe te laten.’, schrijft Erri De Luca. In plaats van onder een deken te kruipen, pakte ik een novelle van de Italiaanse schrijver Erri de Luca. Over zijn kinderjaren in het Napels van de jaren zestig. Deze novelle schreef hij in een schrift op zijn knieën, zittend op een harde stoel. Het was in de winter van 1989 toen hij begon met schrijven, overdag werkte hij als bouwvakker. Hij schreef ‘in de overgebleven restjes van de dag’, een lange brief aan zijn moeder, het werd zijn debuut, Niet nu, niet hier.

    ‘Zolang er licht was in zijn ogen, maakte mijn vader foto’s.’, schrijft De Luca. Die foto’s bestrijken de periode van zijn tiende tot zijn negentiende. De Luca herinnert zich niets van die tijd. ‘Fotoalbums en archieven ondersteunen mijn herinneringen niet, ze vervangen ze.‘ Dat is mooi. Dan zoomt hij in op een foto van een straat waarop uithangborden met reclameleuzen, een oude bus bij een halte. Er is een marktstraatje waar mensen uitkomen. ‘Het beeld waar ik naar kijk wordt groter, de schaal wordt kleiner: één op honderd, één op vijftig, één op tien, net zo lang tot de voorbijgangers even groot zijn als ik en ik als zij.’ Hij zoekt op de foto de gezichten van mensen af, herkent een jonge vrouw, zijn moeder. Hij vraagt zich af of zijn moeder zich dit leven na de oorlog zo had voorgesteld. ‘In een smal kamertje waar enkel een streepje zonlicht over de pannen viel, met meubels die een ander had achtergelaten, besefte je op een drukkend warme middag, terwijl de kinderen, nat van het zweet, even sliepen, dat dit nu je leven was geworden, dit en niet meer’. 

    Ik geloof dat ‘dit en niet meer’ van grote betekenis is. Het heeft te maken met gepaste nederigheid, met elkaar de ruimte geven. Dat verdween, volgens De Luca, doordat ‘arme mensen een gevoel van urgentie kregen’. Hoe zijn moeder hem ‘nare dingen’ vertelde. ‘Een aardbeving had de levens van een volk verwoest, ansjovis was duurder geworden, de oude mensen in een eenkamerwoning verderop in de steeg waren door hun huisbaas op straat gezet. (…) Het kwaad deed waar het zin in had en je erop voorbereiden was niet genoeg. Je treurde daar met mij om, om de wereld.’ 

    Deze dagen wordt er geen ge-maar meer getolereerd. Er moet stelling genomen worden, jij of ik, hij of zij. Maar dat wil ik niet (De Luca schrijft dat een ‘maar’ eigenlijk een ‘omdat moet zijn), want elk mensenlevens is het waard om voor te kiezen. Ik hoorde van anderen die tot niets meer in staat waren. Zich afvroegen, ‘Hoe kan dit, wanneer is dit begonnen, wie is begonnen?’ Alsof de betekenis van alle dingen lange tijd onvindbaar was.

    De Luca zoekt aan de hand van een foto, toenadering tot zijn moeder in het verleden. Er is niets te vergeven, toch is deze novelle een groot liefdevol vergeven, doorweven met een gevoel van rechtvaardiging. Ik stel me voor hoe het zou zijn als alles in puin lag, ik dit boekje zou openslaan. Of het zou helpen. Ik dacht het wel.

     


    Niet nu, niet hier / Erri De Luca / vertaling Annemart Pilon / Uitgeverij HetMoet


    Inge Meijer is een pseudoniem en veellezer.

     

     

     

  • Prachtige verhalen over vertalen en vertaalde literatuur

    Prachtige verhalen over vertalen en vertaalde literatuur

    Filter, tijdschrift over vertalen, onderzoekt in deze derde editie van dit jaar de andere kant van de vertaling, die van de ontvanger, de lezer. Een twintigtal vooraanstaande lezers werd uitgenodigd hun boekenkast te onderzoeken op wat hun favoriete vertaling is, of zelfs ‘hun favorietste aller tijden’. De vraag is even interessant als persoonlijk (welke vertaling bleef je bij, veranderde je leven). Vertalen is een ambachtelijk werk waarbij vakkundig aan een tekst gesleuteld wordt, maar een vertaler moet ook creatief en origineel. Een vertaler is voor alles een literatuurvorser, niemand leest een boek zo grondig als de vertaler, vertalers zijn analyserende lezers. Maar wat merkt de lezer van een vertaling?

    Een buiging

    Joyce Roodnat opent deze Filter met een eerbetoon aan de vertaler, getiteld ‘Saluut’. Voor haar zijn vertalers poortwachters en bruggenbouwers. Ze studeerde Italiaans, maar had Umberto Eco ‘nooit kunnen volgen zonder vertaling.’ En zonder vertalers had ze de romans van Margaret Mazzantini niet gekend. Ze vertelt hoe enthousiast ze wordt als ze een schrijver ontdekt, die ze dankzij de vertaler, kan lezen. Zoals Nicola Pugliese, van wie dit jaar uit zijn roman Malacqua een hoofdstuk in tijdschrift Terras stond, vertaald door Annemart Pilon. Roodnat was enthousiast over de schrijver, en over de vertaler, die op voorhand uit gedrevenheid een stuk vertaald had, in de hoop dat een uitgever het zou oppakken. Daarvoor maakt zij een buiging, voor dat enthousiasme, het vertaalwerk, het publiceren. Een buiging, ‘Met mijn neus tot de grond.’

    Dichteres Vicky Francken zocht in haar boekenkast niet naar de beste vertaling, maar naar de vertalingen die haar eigen zijn geworden. Ze schrijft, ‘De vertalingen die me dierbaar zijn, werpen vaak een licht op iets dat onbegrijpelijk is maar instinctief wáár, iets waar ik zelf nog geen taal voor had.’ Het mooiste boek dat ze ooit las is van Amos Oz, Het verhaal van liefde en duisternis, vertaald uit het Hebreeuws door Hilde Pach. 

    Kousbroek als vertaler

    Een vermakelijke stuk, getiteld, ‘Lijn spestien op het zituur’ is van literair vertaler Spaans Lisa Thunnissen. In haar pubertijd ontdekte ze Stijloefeningen van Raymond Queneau, in vertaling van Rudy Kousbroek. Al voorlezend aan haar moeder en zusje werkte het haar op de lachspieren, ‘In lijn spestien op het zitsuur ontmande ik een jongewaard met een nange mek en een hare roed.’ Over het vertalen van zulke taalgrapjes, daar is iets over te zeggen, maar becommentariëren doet ze de vertaling niet, ‘want Kousbroek is niet de minste’.

    Publicist en redacteur van tijdschrift Terras Tommy Van Avermaete vraagt zich af hoe je een vertaling beoordeelt en volgens welke maatstaven. In ‘De boel naar je hand zetten’, onderzoekt hij aan de hand van, Het meisje dat te veel van lucifers hield, van de Canadese schrijver Gaétan Soucy (1958-2013), vertaald door Han Meijer. Hoe een boek, geschreven in een ‘nogal onalledaagse taal’ (waarbij de associatie: onvertaalbaar opkomt) verklaard kan worden. Overigens een titel, die je na lezing van deze bijdrage, onmiddellijk wilt lezen. 

    Zorg en ongemak

    Literair vertaler en vertaalwetenschapper Désirée Schyns, benadrukt in ‘Vertalen is ongemak’ de complexiteit van vertalen. Dat het bij vertalen niet alleen gaat om het behoedzaam omgaan met het werk van een ander. Ze haalt daarbij de vertaalrelletjes aan die zich het afgelopen jaar hebben afgespeeld rond de vertaling van Amanda Gormans gedichten, en het weglaten van een stuk uit Dantes Inferno bij een vertaling voor jonge lezers. Zij benadrukt ook  dat vertalen steeds meer gewaardeerd wordt met begrippen als ‘zorg’ en ‘zorgzaamheid’. Schyns ontdoet het vertalen van de wat muf makende opvatting dat vertalen ‘vreugde schenkt’. Terwijl het niets meer of minder is dan hard werken dat gepaard gaat met ‘ongemak, onzekerheid, mankementen en mislukking’. Daarbij haalt ze onder meer de Britse schrijver Max Porter aan. Porter associeert vertalen ‘met tussendoor glippen, met reizen zonder grenzen, met verplaatsing, soepelheid, behoedzaamheid en liefde, maar ook met gevaar, kwetsbaarheid, misbruik, luiheid, toondoofheid, censuur.’ Een interessant en genuanceerd stuk dat de kijk op vertalen doet bijsturen.

    Dit tijdschrift is niet alleen voor vertalers en literatuurwetenschappers interessant, maar voor iedereen die graag vertaalde literatuur leest. Literaire vertalingen maken het verschil, zoveel is na lezing wel duidelijk. Vertalers als ‘poortwachters en bruggenbouwers’, volgens Joyce Roodnat, een mooie gedachte. Mooie bijvangst is dat veel van de auteursnamen die in deze Filter zijn gevallen, nieuwsgierig maken naar hun werk.

     

    Overige bijdragen zijn van: Cees Koster  met Ton Naaijkens, Riet Schenkeveld-van der Dussen, Peter Nijssen, Janneke van der Meulen, Maarten Asscher, Lia van Gemert, Ger Groot, Maurits Lesmeister, Barber van de Pol, Dirk Schoenaers, Miek Zwamborn  Derek Crook, Jos Vos, Rob Zweedijk, Erik Bindervoet, Lieke van Deinsen en Beatrijs Vanacker.

    Kijk ook op: Filter, tijdschrift over vertalen.

     

  • Verhalen en een partituur van walvisgezang

    Verhalen en een partituur van walvisgezang

    De redactie van literair tijdschrift Terras struint onvermoeibaar door de wereldliteratuur op zoek naar verhalen van schrijvers die een ander geluid laten horen. Dat het tijdschrift neigt naar een boekwerk, beseffen ook de makers van het blad. ‘Terras-nummers neigen tot uitdijen, en houden vaak niet halt bij de grenzen van het voor de hand liggende.’ In deze editie ‘Naar water’ getiteld, kan een verhaal dat zich afspeelt in Napels niet ontbreken. Van journalist en schrijver Nicola Pugliese (1944-2012) is de roman Malacqua. Vier dagen regen in Napels in afwachting van een uitzonderlijke gebeurtenis dat in 1977 verscheen bij uitgeverij Einaudi. Toen het boek uitverkocht was, gaf de auteur geen toestemming voor een herdruk. Pas na zijn dood, in 2012 werd het opnieuw uitgegeven. Een deel daarvan, De derde regendagwerd vertaald door Annemart Pilon.

    Ongekend verhaal

    Pugliese schrijft met het gestage ritme van de regen, als het stromen van water, kabbelend. ‘Met deze regen die naar beneden komt als regen die naar beneden komt.’ En waarin het water zelf tot protagonist verwordt. ‘Dus het was het zilte zeewater, dat van de ene naar de andere stoep overstak. Het kabbelde voort in zachte stroompjes, en er was continu een deel van het water dat voorop ging om de richting aan te geven’. En verderop, als het water door de straten en steegjes de huizen binnendringt. ‘Eigenlijk deed het water niets anders dan uit alle huizen nauwgezet en geduldig één voor één de haveloze jongens opduikelen die die ochtend niet naar de zee bij de Via Partenope, de Via Caracciolo en Mergellina hadden kunnen gaan, en de zee zag dat als een blijk van liefde, en dat was het ook echt.’ Een prachtig verhaal.

    Met een thema als water is ook droogte niet ver weg. Renée van Marissing schreef daarover het interessante essay, Over droogte en watergebrek in speculatieve fictie. Ze las vele boeken over de klimaatcrisis en zag films over een dystopische droogte-toekomst. Ze vraagt zich af waarom deze aanstaande werkelijkheid maar zo moeilijk tot ons doordringt. Dat we het niet kunnen bevatten dat er een klimaatcrisis gaande is. Ook Marissing zelf kan er maar moeilijk aan, ‘ik wil wakker geschud worden maar tegelijkertijd wil ik horen dat wat me verteld wordt slechts een nare droom is, niet de waarheid.’ 

    Walvisgezang

    In deze editie zijn een twaalftal grijze bladzijden waarop meerdere zwarte stippellijntjes staan. Het doet denken aan een rol met gecodeerde muziek zoals voor een draaiorgel. In dit geval gaat het om wetenschappelijke opnames van walvisgezang, onderdeel van het kunstwerk ‘Salvage’ van Vibeke Mascini, die de opnames heeft omgezet naar een partituur voor pianola. Klik hier om de installatie waarop de gecodeerde muziek wordt afgespeeld te bekijken en een fragment van deze gecodeerde walvisgezang te beluisteren.

    Nog zo’n verhaal dat er uitspringt is ‘Spraakklanken’ van de Afro-Amerikaanse sciencefictionschrijfster Octavia E. Butler (1946-2006). In 1984 won Butler met haar korte verhaal Speech Sounds de Hugo Award (prijs voor de beste sciencefiction- of fantasyverhalen). Han van der Vegt vertaalde het voor Terras. Over een ziekte die mensen de taal, het vermogen tot lezen en spreken ontneemt, zelfs het leesgeheugen wordt gewist. En wie er nog spreekt, zwijgt het liefst of wordt door jaloerse omstanders vernietigd. Butler beschrijft een samenleving waarin iedereen een kort lontje heeft, een vechtpartij nooit ver weg is. Een apocalyptisch verhaal dat nochtans een sprankje hoop geeft op het eind wanneer de jonge vrouw Rye, die het hele verhaal gezwegen heeft, twee kinderen vindt waarvan het spreken nog intact is.

    Ze tilt ze op, en neemt in elke arm een kind. Ze zijn zo licht dat ze zich afvraagt of ze wel genoeg te eten hebben gehad. Als de jongen zijn hand over haar mond legt, zegt ze, ‘“Je mag praten,” (…) “Zolang er niemand in de buurt is, is het goed.” Ze zette de jongen voorin de auto en hij schoof op zonder dat ze dat hoefde te zeggen, om plaatst te maken voor het meisje. Toen ze allebei in de auto zaten, leunde Rye tegen het raam, keek naar hen en zag dat ze nu minder bang waren, dat ze haar aankeken met minstens evenveel nieuwsgierigheid als angst. “Ik ben Valerie Rye,” zei ze, en ze genoot van de woorden. “Tegen mij kunnen jullie rustig praten.”’

    Schier oneindig

    Ook staat er een theorie van een zwembeweging in getiteld, ‘Zwemmen of de zwemkunst, thuis aangeleerd in minder dan één uur’ van Jean-Pierre Brisset, vertaald door Roku Hofstede. Geïllustreerd met voorbeeldfiguren. En een stuk van Miek Zwamborn, die woont op Isle of Mull in Schotland. In ‘Compressie’ ontmoet ze de Amerikaanse dichter Seth Crook die zich evenals Zwamborn, heeft teruggetrokken op Isle op Mull. De dichter duikt en zwemt, twee dingen die onlosmakelijk voor Crook met elkaar verbonden zijn. Zwamborn schrijft: “Als je Crooks gedichten naast elkaar legt, zie je de contouren verschijnen van een poëtisch natuurgetrouwe kaart van de zee rond Mull.’

    Zoals gezegd, dit tijdschrift nadert de omvang van een aantrekkelijk boekwerk. Waarvan de meerwaarde is dat elke editie een ontdekkingstocht is. Met aansprekende en wakkere verhalen van auteurs (het literaire veld is wereldwijd schier oneindig) waarvan je absoluut meer wilt lezen.