• Het verleden blijft actueel

    Het verleden blijft actueel

    Ooit een roman gelezen waarin de hoofdrol is weggelegd voor een complete stad waarvan de inwoners slechts de bijfiguren vormen? De in Oostenrijk geboren historica Eva Menasse (1970) heeft met Dunkelblum zwijgt zo’n roman geschreven over een (fictief) Oostenrijks plaatsje, genaamd Dunkelblum. De bewoners daarvan fungeren als decorstukken in een historische setting die meerdere decennia beslaat. Dat klinkt ingewikkeld en dat is het ook, niet alleen omdat geen sprake is van chronologie maar ook omdat er geen hoofdpersonage is dat zorgt voor een bepaalde vorm van houvast.

    Het lijvige boek begint met een plattegrond van het grensstadje Dunkelblum dat als een soort halve cirkel rondom een slottoren ligt. Het slot zelf is tijdens de Tweede Wereldoorlog verwoest, de toren is als een stille getuige achtergebleven. Het is overigens handig om die plattegrond er tijdens het lezen regelmatig bij te pakken, want je raakt de draad van het verhaal vrij snel kwijt. Het driedelige boek start in het eerste deel met de zegswijze ‘De Oostenrijkers zijn een volk dat vol vertrouwen naar het verleden kijkt’ als motto. Het gaat in het boek inderdaad alleen over dat kijken, en dat zelfs zonder enige vorm van een kritische blik, want het is al snel overduidelijk dat er over het verleden niet wordt gepraat in Dunkelblum. Tegelijkertijd weten de oorspronkelijke bewoners wel alles van elkaar. Er wordt vanachter de gordijnen naar buiten gegluurd. ‘In Dunkelblum hebben de muren oren, de bloemen in de tuinen hebben ogen, ze draaien hun kopjes alle kanten uit om maar niets te missen, en het gras registreert met zijn snorharen elke stap die wordt gezet.’ Deze beginzin van het boek is er een van de vele schitterende zinnen die nog zullen volgen; Eva Menasse schrijft namelijk prachtig en haar woorden zijn zeer verdienstelijk uit het Duits vertaald door Annemarie Vlaming.

    Puzzel

    Op de achterflap van het boek gaat het over een geheimzinnige bezoeker aan het grensstadje Dunkelblum, over een skelet dat wordt opgegraven en over een verdwijning van een jonge vrouw. Deze gebeurtenissen verstoren vooral de rust in Dunkelblum. De vreemdeling die in het stadje arriveert blijkt gekomen te zijn om geheimen uit diens persoonlijke verleden uit te zoeken. Daarnaast is een groep studenten bezig met het renoveren van de Joodse begraafplaats en doet een ontdekking die voor de lokale bevolking geen verrassing blijkt te zijn. Al lezend wordt duidelijk wat er zich in het verleden allemaal heeft afgespeeld in Dunkelblum, welke misstanden er hebben plaatsgevonden, ook tijdens de Russische bezetting, en vooral dat de Dunkelblumers van alles op de hoogte zijn, maar nergens over praten. Op basis van alleen de informatie van de achterflap zou de indruk  kunnen ontstaan dat Dunkelblum zwijgt een van spanning zinderende whodunit is, maar niets is minder waar. Menasse legt vooral de nadruk op het gesloten en zwijgzame karakter van de Dunkelblumers en laat haar lezers hun eigen conclusies trekken uit de beschreven gebeurtenissen. Het boek is een puzzel die de lezer zelf mag oplossen, zonder voorbeeld.

    Personages of figuranten?

    Het verhaal beweegt zich op geheel eigen wijze tussen de jaren van de Anschluβ met Duitsland en het nu van het boek, vlak na het verdwijnen van het IJzeren Gordijn tussen Hongarije en Oostenrijk in 1989. De vluchtelingen uit de voormalige DDR die via Dunkelblum naar het ‘vrije Westen’ proberen te raken, zorgen voor een geheel nieuwe dynamiek bij de bewoners. Staande bij de grens weten zij uiteraard niets van inwoners als Ferbenz die nog steeds – en zelfs op de nationale televisie – dweept met de ‘eersteklas handen’ en de mooie blauwe ogen van Hitler. In Dunkelblum zelf kunnen de bewoners de uitlatingen van hun plaatsgenoot beter plaatsen. Handig vinden ze die niet, maar Ferbenz is voor het stadje altijd een ‘weldoener en een ware steunpilaar’ geweest. Menasse introduceert tientallen personages, of beter gezegd: figuranten. Zij vormen met elkaar het karakter van Dunkelblum. Er zijn ontwapenende karakters bij, zoals dat van Antal Grün, een zachtaardige kruidenier die ijverig als een mier rondscharrelt in zijn winkeltje. Dokter Sterkowitz is een hardwerkende arts, die de reguliere pensioenleeftijd inmiddels al heel wat jaren is gepasseerd. Er zijn schurkachtige figuren zoals de wrede Horka, Rehberg is eigenaar van een reisbureau, de familie Reschen baat Hotel Tüffer uit, de beeldschone Veronika Graun brengt tal van mannen het hoofd op hol. Zo schetst Menasse aan de hand van af en toe wat karikaturaal aandoende figuren de inwoners van het stadje, noemt hen allemaal bij naam en toenaam en laat hen soms terugkeren in een ander deel van de geschiedenis van Dunkelblum, maar soms ook niet. Als gemeenschap stemmen ze in met ‘het bulderende Dunkelblumse zwijgen’. Menasse weet hun karakters trefzeker te schetsen op een manier die dan weer vertederend en dan weer humoristisch is, maar altijd herkenbaar. Wanneer blijkt dat de Oostenrijkse regering een financiële vergoeding biedt per opgevangen vluchteling, blijkt een aantal verstokte tegenstanders van de immigratie toch opportunistischer dan gedacht.

    Een zwaar verleden

    De sfeer in het gehele boek is wat dreigend en zwaar. De pestzuil waar regelmatig aan wordt gerefereerd, de verwaarloosde Joodse begraafplaats en het verwoeste slot laten zien dat er in de bestaansgeschiedenis van het stadje veel ernstige zaken gepasseerd zijn. Het verleden blijkt daarnaast keer op keer nog bijzonder actueel te zijn. Dunkelblum zwijgt is een boek dat je nergens mee kunt vergelijken. Het is knap en mooi geschreven, maar het vraagt ook veel van de lezer. Het is een opgave om de verhaallijn te kunnen volgen. Het verdient aanbeveling om een aantekeningenschriftje bij de hand te houden om notities te maken over de verschillende personages en over wat ze in welke tijd doen. Toch is het de moeite waard om vol te houden. Na de ruim vijfhonderd bladzijden gelezen te hebben, voelt het namelijk toch alsof je ondanks het zwijgzame karakter van de Dunkelblumers tot hun kern hebt kunnen doordringen. 

     

  • Europese Literatuurprijs naar Bosnisch-Duitse schrijver Saša Stanišić

    De jaarlijkse Europese Literatuurprijs bekroont de beste hedendaagse Europese roman die in het voorgaande jaar in het Nederlands verschenen is. Zowel de auteur als de vertaler van de winnende roman wordt bekroond.

    Dit jaar valt de prijs, die voor de elfde keer wordt uitgereikt, op de autobiografische roman Herkomst (Ambo Anthos) van de Bosnisch-Duitse schijver Saša Stanišić (1978). Het boek werd in 2019 al bekroond met de belangrijke Deutscher Buchpreis. In Herkomst schrijft Stanišić over zijn jeugd in voormalig Joegoslavië, zijn vlucht naar Duitsland begin jaren negentig en de jaren daarna.

    Uit het juryrapport: ‘Herkomst is zowel een liefdevolle en persoonlijke geschiedenis verteld vanuit het perspectief van een (klein)zoon, als een moderne en tragische Europese geschiedenis die we niet mogen vergeten. Aan het einde voert Stanišić dit op tot een compositorisch sterk staaltje schrijverschap. Vertaler Annemarie Vlaming heeft deze sprongen en lichtheid feilloos overgebracht uit het Duits. De scherpe woordgrappen en snelle, puntige, erg eigen behandeling van de taal vallen zonder enige moeite samen met het verhaal en de vertelling behoudt ook in het Nederlands overal haar natuurlijke toon.’

    De andere nominaties voor de Europese Literatuurprijs waren De jaren van Annie Ernaux (vertaling Rokus Hofstede); Meisje, vrouw, anders van Bernardine Evaristo (vertaling Lette Vos), Langs de rivier van Esther Kinsky (vertaling Josephine Rijnaarts) en De reparatie van de wereld van Slobodan Šnajder (vertaling Roel Schuyt).

    De uitreiking door juryvoorzitter Manon Uphoff vindt plaats op 6 november tijdens het festival Crossing Border in Den Haag.
    D schrijver ontvangt € 10.000 en de vertaler € 5.000.

  • De reis en de bestemming

    De reis en de bestemming

    Herfst: de bladeren verkleuren. ‘Het wonder duurt niet langer dan een paar dagen, dan wordt het blad bruin, verwelkt en valt af. Maar eerst doorloopt het het volledige spectrum van donkergroen via lichtgroen, geel en oranje naar vuurrood en donkerrood, en dit vlammende kleurspektakel trekt vanuit het noorden over het hele land.’ Het is een herinnering van Gilbert Silvester, hoofdpersoon in De pijnboomeilanden van de Duitse schrijfster en dichteres Marion Poschmann (1969). Gilbert denkt terug aan de tijd dat hij in de VS werkte en zijn vrouw Mathilda hem kwam opzoeken. Om bij hem in de buurt te zijn, maar ook om het blad te zien verkleuren. Nu bevindt Gilbert zich echter aan de andere kant van de wereld, in Japan, juist om afstand te nemen van zijn vrouw.

    In de voetsporen van Bashō
    Gilbert Silvester is wetenschapper, maar het ontbreekt hem aan de kwaliteiten om te excelleren in zijn vak. ‘Terwijl anderen het zich gemakkelijk maakten met hun eigen huizen, gezinnen en dagelijkse sleur, zag hij zichzelf genoodzaakt om idiote en matig betaalde klussen te doen, hem opgedragen door mensen die hij uit de grond van zijn hart verachtte.’ Zijn onderwerp van studie is de baard en de uitbeelding daarvan in films.

    Studie is echter niet de aanleiding om naar Japan te gaan. Hij heeft gedroomd dat Mathilda hem bedriegt en kan dat idee niet meer uit zijn hoofd krijgen. Zonder zijn vrouw iets te laten weten neemt hij daarom het vliegtuig naar Tokio. Aangekomen in Japan koopt hij een aantal klassieke boeken in vertaling waaronder het reisdagboek van de zeventiende-eeuwse dichter Bashō. In navolging van de dichter besluit hij een tocht naar het noorden te maken, naar de baai met de pijnboomeilanden bij Matsushima.

    Onderweg komt hij de student Yosa Tamagotchi tegen. De angst om zijn tentamens niet te halen drijft Yosa ertoe een eind aan zijn leven te willen maken. Alsof Yosa zijn virtuele huisdier is, ontfermt Gilbert zich over hem en probeert hij hem in leven te houden. Hun tocht brengt hen niet alleen naar de plekken die Bashō aandeed, maar ook naar locaties die Yosa heeft uitgekozen voor zijn doel zoals het zelfmoordbos van Aokigahara of de krater van de Mihara-vulkaan. Bij elke nieuwe plek die ze aandoen probeert Gilbert Yosa ervan te overtuigen dat er een betere, waardiger plek is om zich van het leven te beroven.

    Binnenland
    Het lijkt wellicht alsof De pijnboomeilanden een zwaarmoedig verhaal is, maar niets is minder waar. Poschmann schrijft met humor, bijvoorbeeld wanneer Gilbert in een brief aan zijn vrouw schrijft dat ze ook naar de door Yosa gekozen plekken gaan: ‘Helaas liggen deze plaatsen niet op de Bashō-route, ze liggen juist in tegenovergestelde richting, maar nog wel in de omgeving van Tokio, wat eens te meer aantoont dat het bij dit soort suïcidehypes niet bepaald om iets vernieuwends gaat, maar dat men zich domweg de bekende toeristische trekpleisters toe-eigent.’

    In het algemeen weet Poschmann haar roman aangename lichtheid te geven, zonder het oppervlakkig te laten zijn. De pijnboomeilanden heeft veel weg van de omschrijving die Gilbert geeft van zogenaamde theelanden. ‘In koffielanden lagen de dingen aan de oppervlakte. In theelanden speelde alles zich af onder een sluier van mystiek.’ Poschmann geeft subtiele beschrijvingen, met veel aandacht voor natuur, waarachter je bij iedere volgende lezing meer betekenis ontwaart.

    Het reisdagboek van Bashō is vertaald onder de titel De smalle weg naar het verre noorden maar ook als De smalle weg naar het binnenland– waarbij ‘binnenland’ ook overdrachtelijk moet worden begrepen. Aan het begin stond Bashō, zoals hij het zelf noemde, op een tweesprong van illusies. De reis van Gilbert is in alles een echo van de tocht van de Japanse dichter. En net als bij de dichter begon zijn tocht met een illusie.

    Gaat het bij reizen in Europese stijl vaak om het kunnen afvinken van zo veel mogelijk highlights, in deze reis gaat het om een innerlijke ontwikkeling. Wanneer hij in Matsushima aankomt ziet Gilbert het groen van de pijnbomen. En niet alleen dat. Ook de Japanse esdoorn krijgt een karmijnrode kleur.

     

  • Drie vertaalproblemen – Annemarie Vlaming

    Annemarie Vlaming is de vertaalster van Privélessen van Alain Claude Sulzer. Literair Nederland vroeg haar naar de drie lastigste problemen bij het vertalen van dit boek en naar haar oplossingen. Zij maakte daar geen vertaaltechnisch verhaal van, maar een wat persoonlijker relaas. Zij herlas het boek en bij het teruglezen kwam er weer van alles bij haar boven. Annemarie Vlaming: ‘Het is echt een prachtig, stemmig boek.’  

    Mag het misschien wat minder?

    Sulzer heeft, ook in zijn andere boeken, de neiging in detail te treden. Soms denk ik: ja, nou weet ik het wel, mag het wat misschien wat minder? Maar dat is tegelijkertijd Sulzers grote kracht. Juist door die gedetailleerde beschrijvingen wekt Sulzer zijn personages tot leven. Voor Olga bijvoorbeeld, Leo’s oma, die samen met haar hond in een afgelegen heksenhuisje in het bos woont, zijn die details van levensbelang, zo houdt ze zichzelf staande.

    ’Wat ga ik nu doen? Het kostte haar geen enkele moeite om simpele klusjes te vinden, daardoor had ze altijd genoeg te doen. Ze praatte de hele tijd in zichzelf. Zaaien, uitdunnen, verspenen, wieden, spitten, hakken, onkruid trekken en zaairijen verjongen, aanaarden en oogsten […]. Voeren en eieren rapen (de hond, de kippen), iedere ochtend, ’s middags at ze altijd een ei, haast iedere avond spiegeleieren. ’s Morgens luisterde ze naar het getsjilp van de vogels en telde ze de slagen van de kerkklok, als deze niet zweeg omdat niemand zich erom had ontfermd en op de toren was geklommen om het uurwerk op te winden.’

    Ik hoor haar gewoon mompelen, ik zie haar gebukt door haar tuintje schuifelen, redderen tot het tijd is om naar bed te gaan. Zo lang ze bezig is hoeft ze niet na te denken, ze put zichzelf uit, om ’s nachts een paar uur slaap te kunnen vinden waarin ze haar overleden man, haar kinderen, haar kleinkinderen niet mist.

    En dan is er Martha, die binnen haar gezin haar hoofd blijkbaar alleen boven water kan houden door zich vast te klampen aan allerlei futiliteiten.

    ‘Ze moest opstaan, naar de keuken gaan, er mocht niets aanbranden, niets rauw blijven en niets te gaar koken, ze had zich voorgenomen om een onberispelijk diner te bereiden, zoals je het anders alleen in een restaurant kreeg, een diner dat je niet snel zou vergeten (natuurlijk zouden ze het snel vergeten). De rosbief in bladerdeeg stond te garen in de oven. Hij moest vanbinnen rosé blijven. De groente uit blik lag uit te lekken in de zeef (uit het ontbonden huishouden van haar ouders). De rijst stond zachtjes te pruttelen. Het rook er naar boter en jägersaus, naar champignons, verse peterselie en Martha’s parfum, dat Walter haar ook dit jaar weer had gegeven.’ Je ziet het, je ruikt het, je voelt de sfeer van opgelegde vrolijkheid, van gezellig samenzijn. Haar keurslijf van normen en waarden, geen ontsnapping mogelijk, leeg en troosteloos.

    Ja, misschien had het met minder woorden gekund, maar dit is Sulzer ten voeten uit. Ik moet hem vertrouwen, ‘mijn schrijver’ respecteren en zijn tekst geen geweld aandoen door details te schrappen. Elk woord staat waar hij vindt dat het moet staan. Het is zijn eerbetoon aan zijn personages.

    Rustig vaarwater

    Soms vertaal je een boek ademloos. Je vergeet te eten, te drinken, de adrenaline stroomt door je lijf. Je moet door, het voelt alsof je wordt meegesleurd. Nacht voor het feest van Saša Stanišić is zo’n boek. Je hijgt mee met de vos die naarstig op zoek is naar voedsel voor haar kleintjes, je voelt de hectiek en opwinding van de dorpsbewoners in de nacht voor het grote feest, het vertalen wordt een haast lichamelijke aangelegenheid.

    Bij Sulzer niet. Hier geen hevige stroomversnellingen, hooguit wat kleine kolkjes. Sulzers boeken kabbelen voort. Je roeit wat, je dobbert wat en uiteindelijk kom je er ook wel.

    Ook dit is Sulzer, zo schrijft hij. Dus ik dompel me erin onder en laat me meedrijven op zijn woorden. Die afwisseling tussen maalstroom en rustig vaarwater is heerlijk. Bovendien: weinig dynamiek wil nog niet zeggen dat er geen grote gevoelens van levensechte personages in het spel zijn.

    Waar is Mazko?

    Als vertaler word je gedwongen het verhaal keer op keer te doorleven. Dit valt niet altijd mee.

    Zwaar had ik het bijvoorbeeld met het eenzame leven dat Olga leidt in haar vervallen huisje in het bos, pratend in zichzelf en tegen haar hondje Mazko, zichzelf bezighoudend met allerlei klusjes om letterlijk op de been te blijven. Haar kleinzoons zijn het land uit gevlucht, op zoek naar een beter leven; ze gunt hun het beste en berust zelf in haar lot. Maar dan is ook Mazko opeens verdwenen en heeft niks nog zin. Waar is Mazko? blijf ik me gedurende het hele vertaalproces afvragen, al weet ik na de eerste keer lezen natuurlijk hoe het afloopt.

    En dan de leegte van Martha’s bestaan, de verveling… Het opgeruimde huis, de stilte, het wachten, haar man die vreemdgaat, haar kinderen die haar negeren… Martha, doe iets, wil je roepen, gooi de ramen open, schop je man de deur uit, ga met Leo mee! Diezelfde Leo met wie ik zo’n medelijden had vanwege het tenenkrommende gastgezin waar hij na zijn vlucht uit zijn door communisten bezette vaderland terecht komt. Vol goede bedoelingen, die mensen, maar burgerlijk en hypocriet tot op het bot.

    Zomaar een paar voorbeelden van wat me tijdens het vertalen bezighoudt en me soms regelrecht aangrijpt. Je blijft hopen dat het goed komt, blijft zoeken naar een lichtpuntje.

    Maar een vertaalprobleem is dit natuurlijk niet, ik ervaar het als een vertaalvoorrecht. Want zelden tot nooit lees ik een boek voor de tweede of derde keer, laat staan vier of vijf. En wanneer haal je nou alles uit een boek wat de schrijver erin heeft gestopt? Wanneer kruipen personages je zo onder de huid als bij het eindeloos doorlezen, corrigeren, teruglezen? Wat een eer!
    Lees hier de recensie  van Carlijn Brouwer over Privélessen.

  • Als eilanden elkaar tegenkomen

    Als eilanden elkaar tegenkomen

    Na de nodige omzwervingen komt de jonge Leo Heger eind jaren 60 terecht in een gastgezin in een Zwitsers dorp. Waar hij precies vandaan komt, is onduidelijk. We weten enkel dat het communisme, ergens in Oost-Europa, hem niets te bieden had en dat hij instinctief heeft gedaan wat zovelen voor hem deden: je land en familie de rug toekeren en niet meer achterom kijken.

    Maar dat blijkt moeilijk wanneer je terechtkomt in een land dat je vreemd is, waarvan je de taal niet spreekt en waarin je puur als observator leeft. Leo beseft dat de enige manier om aan zijn isolement te ontsnappen het nemen van taallessen is. En dus klopt hij aan bij Martha Dubach, een onopvallende vrouw van in de dertig, die het leven passief aan zich voorbij ziet gaan. Zij zal hem de finesses van de Duitse taal bijbrengen. Hoewel ze het in eerste instantie niet beseffen, is dit voor beiden het begin van een nieuw leven – maar hoe lang dat zal duren en waar het hen brengen zal?

    Van meet af aan wordt duidelijk hoezeer Leo en Martha elkaar nodig hebben: ze zoeken verlossing van hun eenzaamheid en vinden dat in de privélessen. Voor beiden is het een mogelijkheid om te ontsnappen: Leo moet een manier vinden om zijn verleden achter zich te laten, en dankzij de lessen is Martha voor het eerst in staat kritisch naar haar eigen leven te kijken. Taal staat in de roman van Sulzer voor iets veel groters: identiteit. Met een nieuwe taal, of een hernieuwde kritische blik op je eigen taal, opent zich een nieuwe wereld.

    Om Martha’s taal te leren had hij zijn eigen taal de rug toegekeerd, zich aan de nieuwe overgeleverd en overgegeven aan de onbetwistbare autoriteit en niet gemerkt hoe hij daardoor steeds verder van zijn oude taal vervreemdde terwijl de nieuwe bezit van hem nam, samen met zijn lerares (…).’ (pagina 192)

    Taal, of beter gezegd: communicatie, de afwisseling tussen spreken en zwijgen, tussen opbiechten en verborgen houden, is waar Privélessen op gebouwd is. In alle relaties die in het boek beschreven worden is het de afweging spreken of zwijgen die essentieel is. Andreas, de zoon van Martha, komt erachter dat zijn vader, Walter, het niet zo nauw neemt met de huwelijkse trouw. Bovendien vraagt hij zich af of er iets speelt tussen zijn moeder en haar student. Maar wat moet hij doen met deze informatie? Hij kiest de middenweg: hij spreekt er wel over, maar alleen met zijn grootvader, die in een kliniek zit en al tijden met niemand een woord gewisseld heeft. Hoewel er wel degelijk wordt gesproken in deze roman, lijkt het erop dat de personages nergens echt tot elkaar doordringen. Ze leven eerder naast elkaar dan met elkaar. En wanneer ze erin slagen uit hun eenzame cocon te stappen, is dat slechts van korte duur. Uiteindelijk leiden alle personages een bestaan waarin onopvallendheid als noodzakelijkheid wordt gezien. Verenigd in onbeduidendheid:

    ‘Dus deed hij niet meer dan het hoogstnoodzakelijke om niet door de mand, maar ook niet op te vallen.’ (pagina 44, over Andreas)

    ‘Ze kon alleen met zichzelf praten. (…) Niemand leek het op te merken, des te beter.’ (pagina 158-9, over Martha)

    ‘Leo’s aanwezigheid stoorde hen niet, ze gedroegen zich alsof hij lucht was of alsof ze een zwijgende getuige nodig hadden, als de vierde wand in het theater.’ (p. 137)

    Sulzer schetst in Privélessen een wat melancholisch beeld van menselijke relaties: in feite is iedereen alleen en zijn we allemaal eilanden, hoe graag we ook willen geloven dat we deel uitmaken van een groter geheel. We zien dat het communisme, zoals Leo dat gekend heeft, niet de sociale cohesie biedt die ze beoogt. Want om tot het gevoel van eenheid te komen zijn er strenge maatregelen ingevoerd: brieven worden geopend, burgers worden regelmatig aan de tand gevoeld en durven daardoor zich aan niemand meer bloot te geven. Leo voelde zich volledig ontheemd in zijn eigen land, maar vindt ook geen rust in het gedroomde westen. Want ook daar, onder het kapitalisme, ligt het geluk niet voor het oprapen. Ook daar zijn mensen teleurgesteld en hopen ze op een beter leven. Sulzer lijkt te willen bepleiten dat geluk niet vanzelfsprekend is, en dat er vaak een houdbaarheidsdatum aan zit. Hoeveel invloed heb je daadwerkelijk op je eigen geluk?

    De contemplatieve stijl van Sulzer past goed bij deze ietwat melancholieke gedachtegang: Privélessen is geen uitbundig verhaal, wil geen revolutie teweegbrengen. Van meerdere kanten wordt de kortstondige verhouding tussen Leo en Martha belicht, alsof deze hevige verandering in hun beide levens overdacht moet worden. Wat betekent een tijdelijke ontheffing van de dagelijkse sleur? Af en toe draaft Sulzer wat door in zijn beschrijvingen van Martha, hoezeer ze lijdt onder haar liefde voor Leo en hoe zwaar het haar valt het heft in eigen hand te moeten nemen. Het lijkt er wel erg dik op te liggen allemaal:

    ‘Ze was een gevangene van haar onverdraaglijke gevoelens, en zoals ieder mens die in een gevangenis zit, zou ook zij erin blijven tot er iemand kwam die haar bevrijdde.’ (pagina 163)

    ‘Niet omdat ze huilde had ze zich opgelucht gevoeld, maar omdat de drie borden waren gebroken met veel lawaai, en bijna zonder haar toedoen. Alsof haar iets zwaars van het hart was gevallen.’ (pagina 171)

    Tegelijkertijd is er iets te zeggen voor deze wat clichématige woordkeus: wellicht reflecteert die het uitgebluste karakter van Martha.

    Al met al is deze roman van Sulzer, die werd bekroond met de Herman Hesse-prijs, een integer verhaal over ons allemaal. Over hoezeer we soms verlangen naar een ontsnapping aan ons eigen leven, maar hoe moeilijk het blijkt daadwerkelijk alles achter je te laten.  Een mooi verhaal dat laat zien hoezeer iedereen op zoek is naar erkenning, begrip en geluk – en hoe je dat soms op de meest onverwachte momenten tegenkomt.


    Privélessen

    Auteur: Alain Claude Sulzer
    Verschenen bij: Uitgeverij Ambo|Anthos
    Vertaald door: Annemarie Vlaming
    Aantal pagina’s: 221
    Prijs: €19,99