• De vloek van de snoek

    De vloek van de snoek

    Elina Ylijaako, geboren in Lapland, is vervloekt. Elke lente móét zij een snoek opvissen uit het moeras vlakbij haar ouderlijk huis. Doet zij dat niet voor 18 juni om 21:00 uur, dan sterft ze. Dit jaar is haar opdracht nog lastiger: Elina wordt namelijk achtervolgd door inspecteur Janatuinen, die haar verdenkt van een moord in Helsinki. Alsof dat nog niet genoeg is, saboteren allerlei mythische wezens Elina’s zoekactie naar de snoek. En wie heeft haar eigenlijk vervloekt? Je zou bijna denken: een queeste, een detective én magisch-realistische elementen, valt dat wel te verenigen in één boek? Juhani Karila flikt het in zijn debuut De jacht op het snoekje.

    Met Finse onderkoeldheid vertelt Karila zijn verhaal, wat een prettig tegenwicht biedt aan het magisch-realistische gehalte. Vooral de dialogen zonder franje zijn gortdroog. Met verrassende metaforen en rake observaties laat de schrijver zien dat de mens aan chronische zelfdestructie lijdt, zowel collectief als individueel. Hoezeer hij ons hiermee ook onttovert, Karila’s les over de liefde betovert des te meer: soms kan alleen pijn je wonden helen.

    ‘Huh?’

    Doorgaans zetten schrijvers van het fantastische genre in op spektakel, grootse gebaren en grootse zinsneden. Hoe anders is dat bij De jacht op het snoekje, waar de personages het schouderophalen tot kunst verheffen. Vanaf de eerste pagina’s zijn de Laplandse bewoners stug, kortaf, zakelijk. Karila doet geen enkele moeite de personages aimabel of grappig te maken, waardoor zij des te meer charmeren en levensecht lijken. Met de dialoogvorm excelleert journalist Karila, de lezer trakterend op gesprekken die maar niet willen vlotten. Ze doen aan als interviews met wereldvreemde types die wars van mediatraining zijn. Wanneer Elina bijvoorbeeld bij oude bekende Keijo een hengel wil kopen om de snoek te vangen, gaat het gesprek als volgt:

    ”Heb je van die gevlochten dingen?’
    ‘Hier verkopen we monofilament.’
    ‘Doe dat dan maar.’
    ‘Dikte?’
    ‘Doe maar die van nul komma vijftien millimeter.’
    Keijo liet de plug op zijn schoot zakken en keek Elina aan. ‘Waarvoor die?’
    ‘Voor ’n snoek.’
    ‘Ben je niet goed bij je hoofd?’
    (…) ‘Da’s toch een prima lijn.’
    ‘Toen ik klein was, hadden we geen lijn.’
    ‘Jaha.’
    ‘En geen hengels.’
    ‘Jahaaa!’’

    Later maakt ook Janatuinen kennis met Keijo, als zij Elina op het spoor is. De winkelier verzwijgt zijn eerdere ontmoeting met de hoofdverdachte van de politiebeambte, maar:

    ‘‘Ik heb politie nodig. Kan jij helpen?’
    ‘Vertelt u me waar het om gaat.’
    ‘Iemand is m’n huis binnengedrongen.’
    ‘Wanneer?’
    ‘Nu. Of nou ja, hij kwam gisteren. En nu is hij daar.’
    ‘Wie?’
    ‘Hij.’
    ‘Hij?’
    ‘Ik weet zijn naam niet. (…) Gaat juffrouw de agent me helpen?’’

    In zijn woning treft ‘juffrouw de agent’ een van de vele magische wezens aan, wiens bestaan de dorpelingen gelaten accepteren. In dit geval gaat het om een dreumel, die doodleuk op de achterbank van Janatuinens auto plaatsneemt om haar te beschermen. Deze ‘monsters’ zijn de Laplanders in elk geval vertrouwder dan onbekende bezoekers van vlees en bloed.

    Automutilatie van de mensheid

    Al snel wordt duidelijk dat de Laplanders niet alleen in contact staan met magische levensvormen. Ook de natuur kent voor hen geen geheimen. Zij koesteren een diep wantrouwen richting stedelingen uit het zuiden, omdat die de geliefde natuur als object behandelen en haar in rap tempo verwoesten. Volgens hen vormt Elina hierop geen uitzondering.

    Hoe dieper Elina doordringt in het Stakenven, domein van de snoek, hoe meer de omgeving haar bevreemdt: ‘Bij iedere voet die ze optilde klonk een scherp gesmak, alsof haar benen zoete lolly’s waren waar het moeras met tegenzin afstand van deed.’ Karila strooit met beeldspraak die nu eens het natuurlijke objectiveert, dan weer het object tot leven wekt. Die objectivering breekt ons op den duur op, waarschuwt Elina’s favoriete lector in de biologie: ‘De mens [doet] iedere dag onvermoeibaar zijn best de levensgemeenschap te vernietigen. (…) laat dieren net zo makkelijk uitsterven als dat hij een bezoekje aan de winkel brengt.’

    In liefdesrelaties vindt diezelfde objectivering plaats. Elina is in haar tienerjaren hopeloos verliefd op Jousia en heeft een knipperlichtrelatie met hem. Om in haar studietijd van hem af te kicken – het is op pijnlijke wijze uitgegaan – zoekt zij naar rebounds, van wie zij ten diepste niet houdt. Over het gezicht van haar tijdelijke vriendje Tuomas schrijft Karila: ‘Dat was als een venster van helder glas (…) tegelijk zag ze haar eigen weerspiegeling.’ En die weerspiegeling slaat om naar een negatief zelfbeeld. Tijdens de jacht op de snoek zinspeelt de schrijver dan ook op Elina’s neiging tot zelfdestructie: ‘Het Achterven werd omzoomd door dichte wilgenstruiken, die witte en rode sneeën maakten in haar blote armen. Dat voelde goed.’

    Professionele hulp

    Voordat ze de snoek kan bemachtigen, moet Elina een nix verslaan. Dit is een androgyne, pesterige waternimf die met één blik kan doden. Het wezen verspert haar de doorgang tot het ven. Aangezien haar overleden moeder een vaardige heks was, brengt de nix Elina niet van haar stuk. Ze roept de hulp in van magiërs, gigant Moker-Olli en lieve peetoom Oehoe, die haar overleden ouders goed gekend heeft. Maar zelfs zij kunnen niet ontdekken wie schuldig is aan de vervloeking van Elina. De onthulling komt, hoe kan het ook anders, van een echte factchecker.

    Nadat eindelijk het mysterie achter Elina’s lijdensweg ontrafeld is, weidt Janatuinen uit over haar ervaringen bij de politie: ‘Ik kom in mijn werk vaak mensen tegen die zichzelf pijn willen doen. Daar is niets vreemds aan. Wat wel vreemd is, is het soort mensen dat dat wil. Mensen die niets ernstigs op hun geweten hebben, willen van de vijfde verdieping springen. Mensen die op grond van hun daden alle reden zouden hebben onder een vrachtwagen te lopen, doen dat gegarandeerd niet.’ Aan welke profielschets voldoet Elina en wat heeft dat met de vloek te maken? Het antwoord ligt in de verbroken relatie met haar jeugdliefde Jousia.

    Vangst van de dag

    Deze magisch-realistische queeste met het verloop van een detective hoeft niet te hengelen naar complimenten. Ze komen de roman toe. De jacht op het snoekje vermaakt met opvallend nuchtere personages, een zintuiglijk decor en een meeslepende plot. De spanning over de moord én de vloek blijft tot het einde toe overeind. Ten slotte leidt de queeste tot een ontdekking over de liefde die het publiek tot lering en vermaak strekt. En dat uitgerekend dankzij degene die het minst in magie gelooft. De werkelijkheid is mooi genoeg.

     

     

  • Oogst week 20 – 2022

    De doden houden we bij ons – Een moord op Harvard en een halve eeuw stilzwijgen

    Aan de prestigieuze en conventionele Harvard Universiteit studeert in 1969 Jane Britton, een jonge vrouw die geheel volgens de dan heersende cultuuromslag een ongebonden leven leidt. Aan de universiteit wordt ze met haar studie archeologie nauwelijks serieus genomen – net zo min als andere vrouwelijke studenten. Op een dag wordt ze vermoord aangetroffen.

    De omstandigheden zijn duister, onderzoek faalt en een dader wordt nooit aangehouden. Maar de geruchten en roddels zijn veertig jaar later nog niet verdwenen. Jane zou vermoord zijn door haar hoogleraar antropologie, tevens haar minnaar, tijdens een mysterieus ritueel.

    Als Becky Cooper aan Harvard gaat studeren raakt ze geïntrigeerd door het verhaal. De hoogleraar loopt vrij rond. Na haar studie werkt Cooper onder meer als redacteur bij The New Yorker. Ze houdt zich ook bezig met onderzoeksjournalistiek en omdat de dood van Jane Britton haar niet loslaat keert ze terug naar Harvard om de onopgeloste moord te onderzoeken.

    Tien jaar lang speurt ze naar wat er is gebeurd en legt haar bevindingen vast in De doden houden we bij ons. Het resultaat is een verbijsterende inkijk in de al eeuwenlang vastliggende machtsverhoudingen binnen een elite-instituut. Jane Britton leren we kennen als een vrouw die droomde van gelijkwaardig functioneren in een mannenbolwerk.

     

    De doden houden we bij ons - Een moord op Harvard en een halve eeuw stilzwijgen
    Auteur: Becky Cooper
    Uitgeverij: De Geus

    De jacht op het snoekje

    De Finse journalist Juhani Karila (1985) won met zijn debuutroman De jacht op het snoekje meteen twee prijzen en was voor een derde genomineerd. Het boek kwam in 2019 in Finland uit en is inmiddels in dertien andere landen verschenen, waaronder nu Nederland.

    De jacht op het snoekje is een noodlottig liefdesverhaal gecombineerd met magische natuur en een zonderling avontuur. In het oosten van Lapland, waar haar geboortehuis zich bevindt, gaat Elina Ylijaako in drie dagen tijd proberen om volgens de jaarlijkse traditie een snoek te vangen. ‘Een ongelukkige opeenvolging van gebeurtenissen had ertoe geleid dat Elina de snoek ieder jaar vóór 18 juni uit het ven moest halen. Haar leven hing ervan af.’
    Uit het meertje waarin de snoek verblijft, verrijst een watergeest die van wat een eenvoudige opdracht leek een ijzingwekkend avontuur maakt. Elina raakt betrokken bij een magische wereld en mysterieuze wezens die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Zelf wordt Elina gezocht voor moord. Een vloek uit haar verleden moet worden verbroken om haar te redden van een strijd op leven en dood.

    Finse en buitenlandse recensenten reppen van grote fantasie en humor, van originaliteit en virtuositeit, van een verbluffend detectiveverhaal.
    Voor De jacht op het snoekje publiceerde Juhani Karila twee verhalenbundels.

    De jacht op het snoekje
    Auteur: Juhani Karila
    Uitgeverij: Koppernik

    Hebben en zijn

    Malodot is dood. Maar toch niet helemaal. Na een auto-ongeluk waarbij hij overlijdt verhuist hij niet meteen naar het land der doden. In Hebben en zijn van Dimitri Verhulst blijkt hij te zijn beland in een ontwenningskliniek om af te kicken van het leven. Pas als dat is gelukt zal Malodot volledig dood zijn.

    Hij deelt een kamer met drie andere bijna-dode mannen. De ene heeft een lamme linkerarm en ‘een tong die ietwat lusteloos uit zijn mond hangt, als wasgoed uit het raam om te drogen.’ De volgende heeft brandwonden, de meeste in zijn gezicht en meldt: ‘Terpentine op de barbecue is nooit een goed idee.’ En de derde heeft een oog dat met een 9 mm Luger is doorboord door een echtgenoot van wie hij de vrouw op de wasmachine nam. En hoe is Malodot aan zijn eind gekomen, willen ze weten. ‘Daar moet hij nog even over nadenken, eigenlijk, hetgeen normaal schijnt te zijn, iedereen heeft in het begin last van een beetje geheugenverlies.’ Er zijn groepstherapieën en individuele gesprekken met een counselor, allemaal bedoeld om van de verslaving aan het leven af te komen. Als de overledenen dat niet voor elkaar krijgen, moeten ze hun totale leven overdoen, op precies dezelfde wijze.

    Dimitri Verhulst biedt een onvervalste, filosofische blik op de eindigheid, op leven en dood. Hij liet zich voor dit boek inspireren door het Franse existentialisme. Hebben en zijn doet dan ook denken aan Met gesloten deuren – ‘De hel, dat zijn de anderen’ – van Jean Paul Sartre. Daarin discussiëren drie overleden personages in een kamer voortdurend met elkaar om te proberen aan hun situatie te ontsnappen.

    Hebben en zijn
    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Paasilinna’s roman leest als het script van een tekenfilm

    Paasilinna’s roman leest als het script van een tekenfilm

    Arto Paasilinna (1942 – 2018) is een Finse schrijver wiens boeken in vele talen zijn vertaald. Hij schreef zo’n 40 romans waarin vaak iemand centraal staat die niet helemaal in de maatschappij past. Dat soort eenlingen wordt zonder pardon of begrip door de gemeenschap uitgestoten is de maatschappij-kritische boodschap die hij aan zijn lezers meegeeft, maar de precieze en vaak humoristische beschrijvingen van de wonderlijke avonturen van zijn protagonisten zorgen daarbij wel voor een pakkend verhaal. Dat geldt ook voor De huilende molenaar, een onlangs door de Wereldbibliotheek heruitgegeven vertaling van één van zijn romans.

    In het Engels luidt de titel The howling millner en niet The crying millner en dat voorkomt het misverstand dat het hier om een snikkende persoon zou gaan. Helaas heeft het Nederlands  – vermoedelijk omdat we weinig wolven kenden – nooit een woord bedacht voor het geluid dat wolven en honden bij volle maan maken. De huilende molenaar huilt namelijk niet, hij zet een keel op die doet denken aan wolvengehuil. 

    Huilen in de nacht

    De boomlange en zwijgzame Gunnar Huttunen komt op een dag aanzetten in een klein Fins dorpje. Hij maakt de in verval geraakte molen in orde en gaat daar ook wonen. Eindelijk kunnen de boeren van het dorp hun graan weer dichtbij laten malen. Daar zijn ze hem heel dankbaar voor. Huttunen lijkt een geaccepteerd lid van deze kleine gemeenschap te worden, ook al omdat hij af en toe kinderen en volwassenen kan vermaken met het imiteren van dieren. Er is één obstakel: geregeld barst hij ’s avonds in luidkeels wolvengehuil uit. De dorpshonden huilen mee en vele dorpelingen worden zo van hun slaap beroofd. Meermalen belooft Huttunen beterschap, maar als dat niet lukt, begint de stemming zich tegen hem te keren. Het geluk dient zich aan als een mooie tuinbouwconsulente op haar fiets de molen bezoekt en hem aanraadt een moestuintje te beginnen. Hij raakt ter plekke verliefd op haar.

    ‘Nog diezelfde avond ploegde Huttunen zijn moestuin om en bij het invallen van de nacht reed hij er een vracht mest op uit. (…) Vroeg in de ochtend besproeide hij zijn stukje grond nog met water en toen pas ging hij slapen. Gelukzalig ging Huttunen liggen. Hij had nu een moestuintje helemaal voor zichzelf. Dat betekende dat het niet lang zou duren of de lieftallige tuinbouwconsulente zou weer bij hem langs komen.’

    Naar het gekkenhuis

    Helaas is hun snel opbloeiende liefde weinig tijd gegund. Huttunen heeft de neiging niets over zijn kant te laten gaan en als er naar zijn smaak wat te veel geklaagd wordt over zijn wolvengehuil reageert hij met acties die de dorpelingen tegen hem in het geweer brengen. Hij gooit vijf zakken graan van boer Vittavaara in de rivier als die bij hem langs komt om ze te laten malen, en en passant klaagt dat het gehuil hem vele nachten wakker heeft gehouden. En van kruidenier Tervola pakt hij na een woordenwisseling de weegschaal af en laat die in de waterput zakken. Geen wonder dat dorpsagent Portimo, die Huttunen eigenlijk wel sympathiek vindt, de opdracht krijgt hem naar het gekkenhuis te brengen, met de diagnose ‘manisch depressief’ die de dorpsdokter hem opgeplakt heeft. Huttunen probeert er het beste van te maken maar na enige tijd is het verblijf in het gekkenhuis niet meer te harden en ontsnapt hij met behulp van een andere bewoner, de zakenman Happola. Deze heeft zich als gek voorgedaan om tijdens de oorlog aan dienst in het leger te ontkomen. Happola heeft een sleutel waarmee hij elke nacht de poort uit kan wandelen om zijn zaken af te handelen en heeft Huttunen herkent als iemand die niet echt gek is, of alleen maar een klein beetje.

    Huttunen schuilt een tijdlang in zijn molen en wordt daar betrapt door agent Portimo die hem aanraadt: ‘”Kunnari, zou je er niet gewoon verstandig aan doen om deze molen te verkopen en naar Amerika te gaan? Naar wat ik ervan gehoord heb, is gek zijn daar geen schande, daar lopen ze vrij rond.”’ Maar Huttunen spreekt geen Engels en besluit zich te verschuilen in de bossen bij het dorp. Daar vindt de romance met de tuinbouwconsulente voortgang: ze omarmen elkaar en hij streelt haar knie.

    Hij gaat ervandoor

    Verder mag hij niet gaan, want al vindt de tuinbouwconsulente hem lief, een kind krijgen van iemand die gek is, of in elk geval een béétje gek, dat durft ze niet aan. Al kan hij goed van het land leven, toch heeft Huttunen af en toe wel geld nodig. Als blijkt dat hij zijn spaargeld niet kan opnemen en zijn molen niet kan verkopen omdat hij ontoerekeningsvatbaar is verklaard slaat hij op tilt en besluit de dorpskerk in de fik te steken. Zodra er actie ondernomen moet worden is hij op zijn best en met toestemming van Jezus die het zelf altijd een lelijke kerk heeft gevonden, steekt hij het gebouw in brand. 

    Als de dorpelingen met emmers water komen aangerend moet hij snel weg: ‘Nu moest hij ervandoor; zo’n grote groep mensen kon hij niet aan, zelfs niet als hij met een wapen zwaaide. Huttunen ademde diep in en spurtte naar het voorportaal, sprong over de sissende brandhaard en daarvandaan in één ruk door naar de buitenlucht met het geweer op zijn rug en de handen voor zijn tranende ogen. De verbijsterde mensenmenigte maakte de weg vrij voor de molenaar. Al snel kon Huttunen weer zo goed zien dat hij het kerkhof over kon rennen. Hij denderde over de grafstenen, sprong over het hek achter de begraafplaats en verdween het bos in.’
    Hoe het verhaal afloopt zal hier niet verklapt worden. Paasilinna’s roman leest als het script van een tekenfilm, waar mensen en dieren zich met hoge snelheid in zevenmijlslaarzen kunnen voortbewegen en harde klappen kunnen oplopen waar zij binnen een seconde weer van herstellen. Dankzij deze voortvarende schrijfstijl is De huilende molenaar een boeiend sprookje geworden waarin de personages tekenfilmtypen zijn waar je met een glimlach naar kijkt.

     

     

  • Oogst week 25 – 2021

    De huilende molenaar

    Een hele rits aan titels heeft hij geschreven, een van Finlands meest bekende auteurs, Arto Paasilinna (1942 – 2018). Een aantal van zijn boeken is in vertaling bij uitgeverij Wereldbibliotheek verschenen maar veelal alleen nog tweedehands verkrijgbaar. Dat is jammer want Passilinna lezen is plezier hebben. Ondanks de thematiek. Passilinna neemt in zijn boeken de Finse moderne samenleving kritisch onder de loep, daarnaast zijn de dood, vrijheidsdrang en wraak belangrijke thema’s in zijn werk, maar hij beschrijft deze op licht-ironische en droogkomische manier.

    In De huilende molenaar gaat het om een eenling die in gedrag afwijkt van de dorpsbewoners. Waren zij eerst blij met zijn komst, – hij blijkt vriendelijk en behulpzaam-, gaandeweg keren zij zich tegen hem. Hij heeft namelijk de bijzondere gewoonte om, als hij somber wordt, te gaan huilen als een wolf.

    Het lijdt geen twijfel of Paasilinna maakt er weer een virtuoze vertelling van.

     

    De huilende molenaar
    Auteur: Arto Paasilinna
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    De meteoriet en het middagdutje

    Vandaag 23 juni 2021 verschijnt bij uitgeverij Boom De Meteoriet en het middagdutje.

    Vijftig zwart-witfoto’s vormen de basis voor De meteoriet en het middagdutje. Aan de hand van die foto’s schreef Maarten Asscher korte, verhalende essays van achthonderd woorden. Het zijn onvermoede geschiedenissen, verrassende details en merkwaardige belevenissen. In de traditie van Rudy Kousbroeks ‘fotosyntheses’ waarin steeds beeld en tekst met elkaar in verbinding staan, roept de auteur zijn eigen verbazende wereld op, waarin een Japanse rotstuin, een neerstortende jachtbommenwerper, mijnwerkers in een liftkooi en een verdwenen watertoren onderling gaandeweg met elkaar verbonden raken.

    Om een indruk te krijgen kunt u hier op Literair Nederland drie fotosyntheses lezen, Personen, Bedrog en Stilleven, van Maarten Asscher in onze eigen, gelijknamige rubriek.
    Andere bijdragen in die rubriek vindt u hier.

    Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays, gedichten en poëzievertalingen. Zijn meest recente boek is Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon (De Bezige Bij, 2020). Voor zijn vertalingen van de 35 Engelse sonnetten van Fernando Pessoa werd Asscher in 2011 genomineerd voor de Filter Vertaalprijs. In 2019 ontving hij de vijfjaarlijkse J.H. Donnerprijs vanwege zijn bijzondere verdiensten voor het Nederlandse boekenvak.

    De meteoriet en het middagdutje
    Auteur: Maarten Asscher
    Uitgeverij: Uitgeverij Boom

    De trotse bedelaars

    Een van de successen van het Schwob-initiatief, ‘de mooiste vergeten klassiekers’ is Albert Cossery. Hij werd geboren in Egypte, woonde het grootste deel van zijn leven in Parijs, maar bleef zich zijn hele leven een Egyptische schrijver voelen.
    Lezers die hem ontdekt hebben willen méér. Gelukkig kan dat. Na het succes van Grote Dieven Kleine Dieven, verscheen al snel De luiaards in de vruchtbare vallei, en nu komt daar ook De trotse bedelaars bij.

    In zijn column ‘Herontdekte meesters‘ schrijft Mathijs van den Berg op deze website dat de boeken van Cossery geschreven zijn in een ‘gebeitelde stijl’ met een ‘humoristische toon en bijtende maatschappijkritiek’.

    Het oevre van Cossery is klein, 10 boeken. De trotse bedelaars verscheen voor het eerst in 1955 in Parijs. Het speelt zich af in de broeierige schaduw van de steegjes, straten en pleinen in een grote Egyptische stad, in het milieu van hele en halve intellectuelen, anarchisten, dichters en revolutionairen, die uit overtuiging bedelaars zijn geworden.
    Voor hen betekent de gewelddadige moord op de prostituee ­Arnaba eigenlijk niet zoveel. Maar wie is de moordenaar? Rechercheur Nour El Dine, gekweld door zijn onfortuinlijke liefdesleven, verdenkt met name de eigenzinnige Gohar. Die houdt zichzelf maar net in leven met het bijhouden van de boekhouding van een bordeel en het schrijven van brieven voor de ongeletterde hoertjes. Gaandeweg groeit niet alleen de verdenking van de rechercheur voor deze zonderlinge figuur, maar ook de fascinatie die hij voor hem opvat

    Vic Veldheer schreef op deze website een recensie over Grote dieven kleine dieven, Rik van der Vlugt besprak hier De luiaards in de vruchtbare vallei.  

    De trotse bedelaars is vertaald door Rosalie Siblesz

    De trotse bedelaars
    Auteur: Albert Cossery
    Uitgeverij: Jurgen Maas
  • Een leven met vele verhalen

    Een leven met vele verhalen

    Frederika en haar man Henrik hebben besloten uit elkaar te gaan, en die breuk is op het oog bedrieglijk liefdevol. Van de laatste keer samen de feestdagen vieren tot Henriks gewoonte ’s ochtends haar koffie te maken, zelfs als het hoge woord er al uit is; alles lijkt op het patroon van een gelukkig getrouwd stel. Dat is het uitgangspunt van Riikka Pulkkinens De kinderplaneet, de roman die in 2018 uitkwam en in 2020 in de Nederlandse vertaling van Annemarie Raas verscheen bij De Arbeiderspers.

    Maar onder de rimpelloze oppervlakte die Pulkkinen schetst, roert zich iets. Het ‘we’ en ‘ons’ dat Frederika bezigt, komt voort uit gewoonte: ze vult in wat Henrik voelt en vindt, ze denkt zoals een koppel in plaats van zoals een individu. ‘We voelen ons goed’, ‘(…) we zouden niet blijer kunnen zijn’, ‘We zouden ons net zo goed in het heelal kunnen bevinden, omdat we los zijn van onze eigen tijd of ons besluit uit elkaar te gaan’. Praten, écht praten over de scheiding doen zij en Henrik niet, totdat ze er uiteindelijk niet meer aan ontkomen. Plotseling gebruikt Frederika het defensieve ‘ik’ en ‘hij’. Henrik verwijt haar dat ze gevoelloos is, dat ze mensen – onder wie hij ook valt – veroordeelt tot iets wat zij verzonnen heeft. ‘Je schrijft een script voor dit soort situaties en beeldt je dan in hoe de mensen moeten zijn,’ zegt hij. In de weken erna raken ze elkaar niet meer aan.

    Frederika’s angst

    Pulkkinen is een meester in het vormgeven van een ogenschijnlijk doorsnee setting: een simpel en vredig eettafereel met geurige zelfgemaakte baksels, of de zon die door de kieren van gordijnen valt herbergen na eerste lezing zo veel meer dan alleen die volmaakt lichte buitenkant. Al snel wordt Frederika’s persoonlijke verslag van de beslommeringen die een scheiding met zich meebrengt – de inhoud van kastjes uitzoeken en haar vondsten droogjes benoemen, meubels verdelen, onderling afspraken maken en schema’s in rastervorm uittekenen – onderbroken door een andere verhaallijn, De geschiedenis van de angst. Een alwetende verteller tekent die op. Af en toe lijkt deze nieuwe stem er een sadistisch genoegen in te scheppen om enkele personages aan hun eigen keuzes ten onder te laten gaan. Die personages zijn onderdeel van Frederika’s verleden: drie studentes, die er met de moed der wanhoop voor proberen te zorgen dat een van hen op tijd wordt behandeld voor haar psychische aandoening.

    Wanneer Frederika kort na haar breuk met Henrik verhuist naar een treurige flat vlakbij ‘Psychiatrisch ziekenhuis Hesperia’, dient zich de vraag aan wie ze nog is zonder degene die ze haar man noemde. Óf ze wel een eigen identiteit heeft. Het is het begin van een periode vol onzekerheid, waarin ze worstelt met de ouderschapsregeling die zij en Henrik na veel discussiëren en ruziën hebben getroffen, waarin ze haar peuterdochter in het gareel moet houden, ze zich afvraagt of ze een slechte moeder is en een mogelijk nog slechtere huisvrouw en waarin ze zich ergert aan die irritante buurman en zijn hond. Dat psychiatrische ziekenhuis op de achtergrond is dramatische ironie: je weet dat er iets is met dat ziekenhuis wat Frederika angst inboezemt, iets met gekte in het algemeen wat haar bang maakt. Waarom is ze zo gefixeerd op de instelling?

    Filosofische bespiegelingen

    Pas later begrijp je welke rol Frederika zelf heeft gespeeld in haar verleden en denk je als lezer te begrijpen waarom ze is geworden wie ze nu is. Iemand die kastjes liever gesloten laat dan uitpluist, die zich te veel aantrekt van wat anderen over haar denken en van haar vinden, die graag de regie voert, overal controle over wil hebben. De scheiding is niet alleen die van haar en Henrik, maar ook die van Frederika’s oude en huidige zelf. De versnippering van verhaallijnen, stemmen en metaforen maakt dat je je als lezer afvraagt hoe veel verschillende verhalen er überhaupt te vertellen zijn. En vooral: welk van die verhalen waar is.

    Die constante twijfel vormt het uitgangspunt voor Frederika’s filosofische bespiegelingen over de mogelijkheden van het bestaan, over de rollen die mensen aannemen ondanks of dankzij de gegeven mogelijkheden en tegenslagen, over de wereld die iemand wil achterlaten voor (hypothetische) kinderen. Zo valt op dat Frederika haar dochtertje standaard ‘de kleine’ noemt, alsof elk kind ter wereld in haar plaats zou voldoen. En dat is juist niet het geval, want Frederika is angstaanjagend veel bezig met het moederschap; hoe ze haar kind opvoedt, of ze het wel genoeg waardeert, koestert en verwent. Die afstandelijke bijnaam, ‘de kleine’, impliceert dat het verhaal over elke ouder zou kunnen gaan en dat alle ouders dezelfde tegenslagen en worstelingen kennen, hoe geïsoleerd en uniek ze zich in hun vertwijfeling ook voelen.

    Weergaloos onbetrouwbare verteller

    Daarmee ontstijgt De kinderplaneet het particuliere verhaal van de huwelijksproblemen van Henrik en Frederika, dat haast enkel een vehikel lijkt te zijn, een opstapje naar een onderzoek betreffende de essenties van het bestaan. Tegelijkertijd is het de kern van de vertelling: samen zijn of alleen zijn staan niet lijnrecht tegenover elkaar, maar worden eerder onderzocht als verschillende mogelijkheden binnen de opvattingen van individuen en maatschappij over relaties. Pulkkinen kaart verschillende andere overkoepelende thema’s aan: waar zijn we thuis, wie zijn ons thuis, wat betekent tijd voor de relaties die we onderhouden, is tijd opofferen aan de ander het ultieme offer? Geef je daarmee iets van jezelf weg, en word je ooit weer ‘heel’? Die vragen resoneren in Frederika’s reflecties. Haar angsten strekken zich uit over alle facetten van het leven en komen in elke periode van haar leven terug.

    Dat is ook meteen de paradox van haar bestaan: er is zo veel om bang voor te zijn dat ze het net zo goed niet zou kunnen zijn. Maar helpt dat besef haar, laat ze haar angsten los? Er is geen catharsis in de strikte zin van het woord. Als lezer blijf je je afvragen wat Frederika verzonnen heeft en wat er echt zo is gebeurd als je het krijgt voorgeschoteld. Ze is een weergaloos onbetrouwbare verteller. Meermaals denk je: hoe kan het dat ik zo ontzettend veel weet over de beweegredenen van dit personage, deze verteller, en haar tegelijkertijd zo slecht ken? Misschien is het antwoord daarop: omdat je ook over jezelf leest, en over ieder ander. In De kinderplaneet wordt de wereld nietsontziend geanalyseerd, soms op hoopvolle, soms op pessimistische toon, maar wordt ook een rigide zelfonderzoek voltrokken.

     

  • Knappe literaire kunstgrepen in desoriënterend en duister verhaal

    Knappe literaire kunstgrepen in desoriënterend en duister verhaal

    De Finse auteur Aki Ollikainen schreef Een zwart sprookje, en noemde het een roman. Het is beslist zwart, maar een sprookje? Er is geen sprake van ‘er was eens’ – die magische formule die met één zwaai de deur opent naar het rijk der mogelijkheden. Maar toch… Het verhaal begint juist met het tegenovergestelde: een krantenbericht uit 1931 over de lugubere vondst van 8 mensenbenen, een hoofd en een heleboel vingers in een meertje. ‘In geen geval afkomstig van de anatomische faculteit’, bezweert de plaatselijke hoogleraar.

    Dan begint het eigenlijke verhaal, met een echtpaar dat door de natuur sjouwt met een in pakpapier gewikkeld ding, dat natuurlijk een afgehakte hand blijkt te zijn, die geheel volgens verwachting, – maar dan gebeurt iets van een andere orde: ‘Ergens vlakbij, op de onderste tak van een berkenboom, zit de geest van een moordenaar. De man en de vrouw zien hem niet, de eerste zonnestralen van de vroege zomerochtend schijnen door hem heen, hij verandert in een vogel, duikt krijsend door het gebladerte en verdwijnt voordat de dag definitief is aangebroken.’ Even ben je bang dat het verhaal ontaardt in gothic kitsch onder de middernachtzon, maar het gaat gewoon verder. Een hoofdstuk later zit de hoofdpersoon lamzakkig in zijn auto te wachten tot een klas scholieren is overgestoken. Hij trekt op. ‘Op het volgende kruispunt raakte ik de weg kwijt en reed ik mijn herinneringen binnen. Ik kwam op een heel andere plek weer naar buiten.’ Andermaal en niet voor de laatste keer: een aangenaam knetterende kortsluiting in het lezersbrein.

    Vonkdoorschoten rook
    De toepaste literaire kunstgrepen doen denken aan Proust en Nabokov. In Nabokov’s Lolita bij voorbeeld vertelt Humbert Humbert hoe hij met zijn vrouw dineerde in een Frans restaurantje, naast de etalage van een kunsthandelaar, die een ‘schitterende, opzichtige, groen-rood-goud met inktblauwe antieke Amerikaanse’ prent tentoonstelde van een ‘locomotief met een reusachtige schoorsteen, grote barokke lampen en een enorme koevanger, die met zijn mauve rijtuigen door de stormige prairienacht trok en een lading vonkdoorschoten zware rook vermengde met de bonte donderwolken. Die barstten open. In de zomer overleed mon oncle d’Amérique en liet me een jaarinkomen van een paar duizend dollar na.’ De prent met de trein heeft in het hele verhaal niets te zoeken, maar heeft de lezer in één zin gebracht waar de schrijver hem wilde hebben: in Amerika, bij een volgende episode, zonder daar causale verbanden, psychologische motivatie of als realisme vermomde geloofwaardigheid voor nodig te hebben.

    Het doorgeven van ongeluk
    Een zwart sprookje springt van het een naar het ander. De korte hoofdstukken gaan over dranksmokkel en alcoholisme, havenstakingen en burgeroorlog, over gezinnen en scheidingen, over generaties en hoe die hun ongeluk aan elkaar doorgeven. En het gaat over duistere rituelen en bezweringsformules. Uiteindelijk komt dat allemaal samen bij een nogal verwaarloosd jongetje, dat in een uiteenvallend gezin opgroeit tot een ontevreden man in een troosteloze wereld. Hij wordt vader, gaat scheiden, drinkt, peinst en schrijft. Zijn verhaal omspant meerdere generaties, en de geschiedenis speelt mee, van de Lapland oorlog en de Finse burgeroorlog tussen de Roden en de Witten (aan het eind van W.O. II), tot de Sex Pistols aan toe.

    Een zwart sprookje is desoriënterend en duister, maar in die duisternis schittert een verhaal in compacte scènes, die met literaire kunstgrepen aaneengeklonken zijn tot een wervelend mozaïek. Het boek eindigt zoals het begon: met een krantenbericht, dit keer uit 1932, met als kop ‘Raadsel van het Tattarisuo opgelost’. De lezer weet wel beter. Hopelijk is het volgende boek van Ollikainen even goed, maar dan dikker.

     

  • Lessen van een knorrige oude man

    Lessen van een knorrige oude man

    Ze bestaan ook in Finland, de oude knarren die handelen en denken zoals ze dat in hun jeugd hebben geleerd en die nooit voldoende redenen hebben gezien om daarvan af te wijken.
    En waarom zouden ze geen gelijk kunnen hebben?
    Dat is zo ongeveer het thema van Vroeger was alles beter van de Finse schrijver Tuomas Kyrö.
    Zijn ruim 80-jarige hoofdpersoon vindt dat de wereld sinds ongeveer 1954 er alleen maar op achteruit gegaan is en tegenwoordig vooral geregeerd wordt door lawaaischoppers.
    Niet dat hij zich daar iets van aantrekt, want hij is een weldenkend mens. Waarvan er heel veel bestaan, meent hij te weten.

     ‘Je vindt ons in Iran, in Noord-Korea, Rusland, Lahti, Oulainen, Opper-Volta en Congo. We staan gewoon niet vooraan te schreeuwen voor een televisie-camera. (…) Weldenkende mensen zitten op de achtergrond koffie te drinken (…) en vragen zich af waarom de rest van de wereld zo’n herrie maakt.

    Aan het uiten van gevoelens doet hij niet, zelfmedelijden kent hij niet. Hij leeft van dag tot dag, netjes en bedaard, zoals het hoort. Zijn voornaamste bezigheid is het dagelijkse bezoek aan de dementerende ‘Moeder de Vrouw’, die een goed mens was en hem en de zoon altijd voorzag van nette kleren en stevig voedsel. In zijn bejaarde ‘Voort Escoort’ naar haar verblijfplaats rijdend kijkt hij naar de veranderende wereld om hem heen met misprijzen en hoofdschuddend.
    Zijn zoon, die hem geregeld bezoekt, hanteert het ‘zeg maar’-idioom en de oude baas kijkt naar hem met een mengeling van ergernis en vaderliefde. De vrouw met wie de zoon getrouwd is, zeg maar de schoondochter, is duidelijk een gevaar voor zijn gemoedsrust, iemand met stellige opvattingen. Die heeft hij zelf al méér dan genoeg, daar hoeft niets aan toegevoegd.
    Kortom een Clint Eastwood, maar dan uit Finland.

    Leven zonder ironie
    Als hij bezig is zijn testament annex necrologie op te stellen, een stuk waarin hij ook zijn opvattingen zal vastleggen, leest hij zijn zoon er een stukje uit voor.

    ‘Ik vroeg aan mijn zoon hoe het tot nu toe klonk. (…) Mijn zoon vond dat de tekst een sterke zuigkracht had. Ik wist niet of hij het meende of dat hij die aangeboren afwijking heeft die kenmerkend is voor zijn generatie, namelijk ironie, een woord dat ik in het leenwoordenboek heb opgezocht. Toen ik jong was, was ironie nog niet eens uitgevonden. Je zei wat je bedoelde en anders hield je je mond. Over lastige kwestie werd in stilte nagedacht, of ze bleven de rest van je leven binnen in je sudderen. Natuurlijk komt er ooit schimmel op te staan in je hoofd, maar dat hoort bij het leven, al kun je schimmel beter niet in je huis hebben. ‘

    Terwijl hij – houtbewerker van beroep – bezig is zijn eigen doodskist te maken (zonde om daar geld aan uit te geven) krijgt hij een ongelukje en komt terecht in het ziekenhuis in Helsinki.
    Als hij daar uit zijn bewusteloosheid wakker wordt maar dat voorzichtigheidshalve nog niet laat merken hoort hij hoe zijn zoon en schoondochter kibbelen over het invullen van een formulier waarin de patiënt zo goed mogelijk omschreven moet worden.

     ‘Vader is niet wat je noemt een traditionele grootvader, zeg maar…’ mijmerde mijn zoon.
    ‘Niet?’ reageerde mijn schoondochter meteen.‘Niet traditioneel? Hervormingsgezind dus? Modern? Ik zou eerder zeggen: een patriarch.’

    Ommekeer – een beetje
    Maar in het ziekenhuis verandert er iets in de oude baas. Noodgedwongen moet hij nu omgaan met andere patiënten en maakt kennis met wat hij noemt ’de beschaafde nozem’.
    Die bezorgt hem een schoottelevisie waar de lezer na enig denken een tablet in herkent. Het bezorgt hem de mogelijkheid om via Skype moeder de vrouw te zien en zijn zoon te instrueren over de wijze waarop zij gevoed moet worden. En al vegend over het scherm opent zich een nieuwe wereld voor hem met nieuws en documentaires en beelden van vreemde landen. Televisie kende hij, maar dit is stukken beter! De nieuwe techniek heeft toch iets goeds opgeleverd, moet hij constateren.
    Maar zijn behoefte om zijn eigen weg te blijven gaan is onverminderd en als zijn zoon en schoondochter hem met zachte aandrang in een verzorgingstehuis willen loodsen, zet hij hen voor een grote verrassing.

    Schrijver Tuomas Kyrö staat in Finland bekend als satiricus en maatschappij-criticus. Die kritiek laten verwoorden door een 80-jarige stijfkop en mensenhater lijkt niet de beste manier om je gelijk te krijgen. Maar het heeft wel geleid tot een amusant en bij wijlen hilarisch verslag van het leven van een voortploeterende oude baas.

     

  • Droogkomisch avontuur als politiek pamflet

    Droogkomisch avontuur als politiek pamflet

    Liefhebbers van gitzwarte humor kunnen zich in de handen wrijven met Haas & bedelaar, de onlangs in vertaling verschenen Finse bestseller van Tuomas Kyrö (1974). Een sterk staaltje maatschappijkritiek opgetekend in een droogkomisch avontuur dat zich het best laat typeren als een bijzondere mix van schelmenverhaal, road trip en modern sprookje. Maar bovenal is het een satire. Geen pagina gaat voorbij of de Finse samenleving wordt op de korrel genomen. Bij tijd en wijle vliegt Kyrö met zijn provocerende statements uit de bocht, maar door de bank genomen heeft hij met Haas & bedelaar een uiterst vermakelijk – en tot nadenken stemmend – boek afgeleverd.

    ‘Uiteraard zouden er alternatieven zijn geweest; onze hoofdpersoon had auto’s kunnen gaan stelen, koperen telefoonkabels kunnen verzamelen of zijn nieren kunnen verkopen. Maar van alle slechte opties was die van Jegor Koegar de beste. Het garandeerde hem een arbeidsovereenkomst van een jaar, vervoer naar de werkplek en ook opdrachten voor zijn zus, met als bonus nieuwe tanden en borstimplantaten.’ De openingsalinea van de roman. Welkom in het met ironie doorspekte rijk van Haas & bedelaar.  

    Vatanescu – een bescheiden, naïeve goedzak zonder angsten en ambities – heeft slechts één grote wens: voetbalschoenen voor zijn zoon. Geen eenvoudige opgave in uitzichtloos Roemenië waar God van de aardbol lijkt verdwenen en geen cent te verdienen valt. Vastberaden als hij is, laat Vatanescu zich door mensenhandelaar Jegor Koegar naar Finland sluizen om daar als bedelaar aan de slag te gaan. Geld bij elkaar sprokkelen, het gedroomde schoeisel scoren en hup terug naar huis om zoonlief te verblijden. Dat is het idee. Fantastisch plan, ware het niet dat alles in werkelijkheid toch net even anders verloopt …

    Alras ontpopt mensenhandelaar Jegor zich als agressieve, zelfzuchtige schurk en ook het  bedelaarschap – ‘mondhoeken naar het zuiden, van je smoel naar je reet’ – blijkt één grote fysieke en financiële martelgang, een hypocriete bende. Time to wake up, Vatanescu, time to break free! Op listige wijze weet Vatanescu zich uit handen van de bruut te werken om in vrijheid zijn missie te vervolgen. Lang blijft hij niet alleen. Onderweg redt hij een haas die eigenlijk een konijntje is (een vette knipoog naar de fabel ‘Haas’ van Kyrö’s grote voorbeeld Arto Paasilinna, overigens niet de enige verwijzing naar zijn held in dit boek). Het blijkt de ideale reisgenoot, dit fabelachtig wezen met bovennatuurlijke krachten dat op onvoorziene momenten in de meest bizarre situaties precies het juiste weet te doen.

    In tien hoofdstukken, alle voorzien van uitvoerige titels -‘hoofdstuk 5: waarin Vatanescu de eerste klasse wil binnengaan, een babbeltje maakt en een Volvo onder zijn kont krijgt’ -, beschrijft Kyrö in ongepolijste rauwe taal en met moordend tempo op onnavolgbare, droogkomische wijze de strijd die Vatanescu – met haas in zijn kielzog – levert om het lot te bestieren. Met zowel de internationale misdaad als politie op de hielen, de spotlights van de media in het gezicht, de talrijke obstakels en zonderlinge mensen op de weg een ware Odyssee door het Finse ongewisse. ‘Ja zoon, Papa regelt voetbalschoenen voor jou.’ Nou en of!

    Uitgekauwde materie, denk je nu wellicht, de Odyssee van de underdog die huis en haard heeft verlaten. Hoe cliché. Mis! In deze roman gaat het in essentie helemaal niet om de bevrijding van de zichzelf en geluk zoekende antiheld maar wordt onder het mom van avontuur en zege stevig politiek bedreven. Of het nu gaat om de armen & de rijken, de sterken & de zwakken, arbeid & kapitaal, liefdadigheid & hebzucht, natuur & milieu, vrijheid & onderdrukking, onbekendheid & beroemdheid, natuur & technologie, autochtoon & allochtoon: Kyrö zet ze stuk voor stuk op de maatschappelijke kaart. Elk item wordt met verve geserveerd en rijkelijk voorzien van een zwart – of geschift – sausje. Tel daar het meervoudig gekozen vertelperspectief, de fabelachtige reisgenoot en het spel met understatements bij op en de clichégedachte kan overboord. Kyrö’s Haas & bedelaar is zonder twijfel originele kost.

    Hoewel ontvlucht, blijft schurk Jegor het hele boek volop in beeld. De bruut krijgt zowaar een eigen stem – fonetisch plat jargon – tussen Vatanescu’s bedrijven door als dagboekfragmenten opgetekend. Het zijn vooral zijn woede en frustratie die worden neergepoot. Daar waar het leven van Vatanescu zich in opwaartse richting beweegt, lijkt Jegor steeds dieper in ellende weg te zinken. Allerminst toevallig is dat met het stijgen van Vatanescu’s roem Jegors toon almaar grimmiger wordt: ‘Godverdegodverdegodverdekut!!! Een mythe? Halloo! Zo’n Vatanescu heb net zo weinig met ’n mythe van doen as de handzeep van de Lidl.’. Vatanescu zelf ontbreekt het aan dialoog, wel worden in cursief zijn gedachten en gevoelens met regelmaat verwoord, waardoor zijn innerlijk extra body krijgt. Ergens halverwege wordt ook nog een alwetende verteller geïntroduceerd, maar díe had Kyrö beter thuis kunnen laten. Het verhaal heeft deze metadimensie helemaal niet nodig. Het helikoptergeluid werkt eerder storend dan dat het iets toevoegt.

    Ontroerend mooi is de kinderlijk lief beschreven verwantschap tussen haas en bedelaar die in schril contrast staat met de doorgaans zo rauw beschreven wereld: ‘Een stapje. Nog een stapje. Loop maar achter me aan, loop zoals ik het doe. Voorzichtig, maar met blind vertrouwen in iets. Er is alleen dit moment. We herinneren ons gisteren niet, weten niets over morgen.’ Om even later onder de sterrenhemel samen in slaap te vallen ‘op een bed van mos, tevreden met zichzelf, hun daden en de hen omringende werkelijkheid.’ Ook relaties weet Kyrö schitterend te typeren: ‘Wanneer Harri Pykström zijn vrouw een godvergeten gehaktbal noemde, was mevrouw Pykström de enige die de onderlinge betekenis van de woorden kende. Liefste, mijn waardevolste. Kom mee het bed verwarmen.’ 

    Terug in de realiteit, na het dichtslaan van Haas & bedelaar, rijst de vraag of Kyrö zichzelf met dit boek heeft willen troosten. Achter het satirisch pantser gaat voelbaar een enorme  woede schuil: de kapitalistische samenleving, de groeiende economische ongelijkheid, de individualisering, het gebrek aan medemenselijkheid, het privacy-schendende internet… Kreeg de schrijver zijn morele verontwaardiging niet meer weggeslikt dus serveerde hij die aan ons? Een smaakvol doch bitter gelag. Het zou niet verbazen als Piketty op zijn nachtkastje prijkt.

    Achtergrond

    ‘Voor de lezers van Arto Paasilinna’ stelt de rode sticker op de kaft van Haas & bedelaar. Een aanbeveling van betekenis! Zo blijkt het boek niet alleen te zijn opgedragen aan Kyrö’s  grote voorbeeld en landgenoot Paasilinna maar zelfs in navolging van diens Haas (1975) te zijn bedacht en opgetekend. Deze in Finland bejubelde en veelgeprezen auteur heeft ruim veertig werken – in 45 talen vertaald, enkele zelfs verfilmd – op zijn naam staan, waarvan Haas (vertaling 1995) en De zelfmoordclub (1990, vertaling 2004) in Nederland het meest bekend zijn.

    Kyrö zelf mag als schrijver ook niet klagen. In Finland worden zijn boeken stuk voor stuk bestsellers en is hij welbeschouwd één van de interessantste auteurs van zijn generatie. In 2005 won hij de De Kalevi Jäntti-prijs, een literatuurprijs die jaarlijks aan veelbelovende jonge schrijvers wordt toegekend en voor zijn belangrijke bijdrage aan de Finse literatuur ontving hij in 2011 een medaille. Naast zijn schrijverschap timmert Kyrö ook als cartoonist aardig aan de weg.

     

  • Flat characters in een roman vol verrassingen

    Flat characters in een roman vol verrassingen

     

    Is het mogelijk om volkomen onbevangen een boek te lezen? Wel een mooi idee, dat je een willekeurig boek in de bibliotheek leent en je mening zuiver en alleen vormt op basis van de tekst. Talloze auteurs zouden op die manier heel wat meer tot hun recht komen; marketing zou niet uitmaken, laat staan recensies, literaire prijzen, de reputatie van de schrijver, etc. Maar de literatuurwetenschap heeft dit idee reeds lang verlaten: een lezer is nóóit onbevangen. De kaft is van belang, de winkel waarin je het boek koopt, de persoon van wie je het boek cadeau krijgt, het lettertype en de lettergrootte, een eventuele opmerking van een kennis, de taal, de titel, de flaptekst, papierkeuze, het humeur van de lezer. Het is dit gebrek aan ‘lezersonbevangenheid’ dat Helse eendjes de das omdoet – je kunt alleen teleurgesteld raken bij het zien van een koning, als je een keizer had verwacht.

    Arto Paasilinna is een illustere naam binnen de Finse literatuur. Zijn werk is in vele talen vertaald en hij won een aantal (ook buitenlandse) prestigieuze prijzen. Slechts een klein deel van zijn romans is in een Nederlandse vertaling verschenen – het meest recent is deze eer te beurt gevallen aan een werk uit 1998, met de hoogst indrukwekkende naam Hirtämmättömien lurjusten yrttitarha, ontnuchterend vernederlandst tot Helse eendjes. Op de coverfoto zien we een hondje met een motorcap en –bril. Dit, tezamen genomen met de achterflaptekst, doet ons blijmoedig denken: dit gaat een uitermate komische maar even zo spannende thriller worden, een roman (want dat staat letterlijk op de voorkant, ‘Roman’) met de literaire kwaliteiten die we van een Scandinavisch grootmeester verwachten mogen en met de noordelijke Kalevala-magie die het Suomi (Fins) natuurlijk zo eigen is…

    Maar dan begint het. We lezen over een geheim agent, Jyllänketo, een veertiger, die zich vermomt als een bio-inspecteur om een kijkje te nemen op een landgoed genaamd Peuravuoma, dat in handen is van de kille eigenares Kärmeskellio. Het landgoed huisvest een biologisch bedrijf waarop o.a. champignons worden verbouwd, en wel in een diep mijnschachtenstelsel. Er gaan geruchten dat er mensen op dit landgoed zijn verdwenen, en Jyllänketo is eropuit gestuurd om dit te onderzoeken. Spanning en sensatie dus. Nu is het jammer dat de oorzaak van deze verdwijningen reeds op de achterflap wordt gegeven. Een auteur moet wel stevig in zijn schoenen staan, als hij aan het begin van een thriller verklapt hoe de vork in de steel zit. Zou de CSI-serie ons nog steeds boeien, als we vanaf de aanvang weten wie de moordenaar is en hoe hij te werk is gegaan?

    Het boek moet ook grappig zijn. Dat impliceren althans de titel (naar welke motorrijdergroep zou die verwijzen?), de coverfoto en verscheidene opmerkingen in de tekst. En toegegeven, bij vlagen is het ook best humoristisch. Het hele thema is wat bizar en sommige personages zijn zulke stereotypen, dat het zo af en toe best tot glimlachen noodt. Maar meer niet. De vermoedelijk als lachwekkend bedoelde passages komen vaak wat gekunsteld, wat onnatuurlijk over; bij vlagen verliezen deze ‘komische’ uitstapjes alle verhaalrelevantie.

    Doch het meest in het oog springend is de karaktertekening. Deze is nagenoeg zwart-wit. Je hebt de ‘goeden’ (de bewoners van Peuravuoma) en buiten het landgoed heb je bijna uitsluitend ‘slechten’: graffitispuiters, motorfanatici, moordenaars, zakenlui, pubers en oude vrouwtjes. Er wordt geen nader onderscheid gemaakt binnen deze laatste groep – het zijn allemaal ‘schurken’ (deze term komt op bijna elke pagina weer bovendrijven). Het is direct duidelijk waar de sympathie van de schrijver ligt. Tegelijkertijd zijn het louter flat characters (de hoofdpersoon niet uitgezonderd): Paasilinna slaagt er niet in dieper door te dringen in de psyche van zijn personages. Of zou hij het juist zo bedoelen? Zou hij juist wíllen dat Jyllänketo en de zijnen simpele marionetjes zijn van de verhaalverteller? De roman lijkt hiertoe geen aanwijzingen te geven, dus het antwoord zal in het verdere proza van Paasilinna moeten worden gezocht. Maar dat voert hier te ver.

    Dit alles neemt niet weg dat men de auteur mag prijzen om zijn verregaande fantasie. Hij tekent een keur aan verrassende situaties die dan wel weinig diepgaand zijn, maar die desalniettemin zorgen voor een levendige lectuur. Paasilinna (of de vertaalster) bedient zich aan de lopende band van clichés, maar daar staat weer tegenover dat dit het lezen aanzienlijk vergemakkelijkt. Concluderend kunnen we dan ook stellen dat Helse eendjes voor de meer ‘literaire’ lezer geen aanrader is, maar dat ieder ander best een poging kan wagen. Aan verrassingen geen gebrek.

     

  • Recensie door: Ina Bieze

    Recensie door: Ina Bieze

    Welke vorm van liefde is echter en kwetsbaarder, die tussen geliefden of die tussen ouders en kinderen? Is liefde altijd onvoorwaardelijk en gelijkwaardig? Pulkkinen zet haar lezers aan het denken als ze het familiegeheim onthult van een ogenschijnlijk heel normaal gezin.

    In haar roman Echt waar is de lezer getuige van een korte, heftige rimpeling in het huwelijk van twee gerespecteerde mensen: Elsa, een gerenommeerd  psychologe, en Martti, een beroemd schilder. Ze hebben een dochter, Eleonoora en twee kleindochters, Maria en Anna. Wanneer Elsa hoort dat ze ongeneeslijk ziek is en niet meer heel lang te leven heeft, menen beide echtlieden dat het tijd is om over hun geheim te vertellen. De lang verzwegen affaire van Martti zet daarna de verhoudingen binnen de familieleden op scherp. Het geheim blijkt pijnlijk en onverwerkt en te groot om niet verteld te worden.

    De toevallige vondst van een jurk in haar kledingkast, biedt Elsa de gelegenheid om haar kleindochter Anna te vertellen over de verzwegen liefdesaffaire van Martti met Eeva, de nanny van het gezin. Het is voor Anna het begin van de zoektocht naar deze geheimzinnige liefde van haar opa.

    Eeva is in 1964 studente in Helsinki. Ze  groeit op in een gezin van eenvoudige, hardwerkende boeren op het platteland van Kuhmo. Het zijn de jaren van de pil, de vrouwenemancipatie, de studentenopstanden en de groeiende kloof tussen ouders en hun kinderen. Als Eeva is aangenomen als oppas in het gezin van Elsa en Martti, moet ze in eerste instantie helemaal niets hebben van de hoogdravendheid en arrogantie van de kunstenaar. Juist die afwijzende  houding zorgt ervoor dat Martti verliefd wordt op de nuchtere, naïeve studente. Het is de vraag hoe oprecht zijn liefde is. Eeva’s liefde is echter onvoorwaardelijk en voor altijd. Juist die ‘bovenmatige liefde’ zal haar noodlottig worden.

    Hun relatie duur tot 1968, daarna pakt het echtpaar de draad van hun huwelijk weer op. Over Eeva wordt verder gezwegen, ook tegenover de  achtjarige  Eleonoora, die opeens haar vertrouwde ‘extra’ moeder moet missen. Pas op het moment dat Anna, vele jaren later, de jurk uit de kast van Elsa kiest, pakt Elsa haar kans om te praten.

    Martti verbreekt zijn stilzwijgen ook, maar dan tegenover een anonieme vrouw, een patiënte, net als Elsa ongeneeslijk ziek, die tegelijkertijd met hem in de wachtkamer van een ziekenhuis zit.

    ‘”En,” vroeg de vrouw, “wat was het moeilijkste?”………. 

     Hij hoorde het zichzelf zeggen. Om de een of andere reden was het helemaal geen probleem om het te zeggen: “Het moeilijkste was om van iemand anders te houden.”‘

    Riikka Pulkkinen heeft haar familiegeschiedenis op een mooie, goed doordachte manier gestructureerd. De onderlinge relaties en het leven van Eeva worden heel gedoseerd, maar scherp blootgelegd. De lezer krijgt regelmatig een inkijkje in de gedachten van de verschillende personages en weet daardoor – soms beter dan de personages zelf – hoe er over elkaar wordt gedacht en waarom bepaalde beslissingen worden genomen.

    In de genummerde hoofdstukken volgen we de verschillende hoofdpersonen, Elsa, Martti, Eleonora, Anna en Maria, en worden de onderlinge relaties en karakters geschetst. Deze verhaallijn wordt doorbroken door gedateerde hoofdstukken waarin Eeva zelf vertelt over haar studententijd in Helsinki, haar tijd bij het gezin Ahlqvist en de tijd na de affaire. Natuurlijk ontbreken de maatschappelijke ontwikkelingen van de roerige jaren zestig niet en is er aandacht voor de vrouwenemancipatie, de pil en het protest van de studenten. Dat Eeva nog een tijd in Parijs doorbrengt, is in dat opzicht heel passend.

    Deze structuur zorgt voor een aangename spanning, het maakt je nieuwsgierig naar wat er zich in de jaren zestig heeft afgespeeld en welke gevolgen dat nog steeds heeft voor de betrokkenen. De afwisseling van het perspectief, van alwetende verteller naar een vertellend ik-perspectief, maakt het verhaal levendig. De personages die Pulkkinnen schetst en hun gevoelens ten opzichte van elkaar, zijn geloofwaardig. Onzekerheid, schuldgevoel, woede, verdriet en heimwee: deze emoties zijn van alle tijden, net als de angst bij het vooruitzicht je ouders te moeten missen en de pijn bij het verlies van een kind. Ondanks hun onzekerheden en hun schuldgevoelens, zijn vooral de vrouwen de sterke karakters in deze roman. Ze zijn goed opgeleid, maken hun eigen keuzes en vertegenwoordigen het hedendaagse beeld van een geëmancipeerde vrouw. Pulkkinen maakt echter wel duidelijk dat echte liefde ook sterke, geëmancipeerde vrouwen kwetsbaar maakt.

    Het verhaal krijgt een extra dimensie als duidelijk wordt dat de geschiedenis zich lijkt te herhalen.

    ‘Een mens kan weglopen uit zijn eigen leven zonder afscheid te nemen, zonder uit te leggen waarom. Hij kan over de drempel stappen terwijl de ander achterblijft, huilend, schreeuwend, dagenlang op de grond in de gang liggend. Het is mogelijk “Tot morgen” te zeggen, ook al weet je dat je elkaar nooit meer zult zien.’ ( blz. 32)

    Echt waar is het tweede boek van de Finse auteur Riikka Pulkkinen. Ze debuteert  in 2006 met de roman De grens, waarvoor ze de prijs voor het populairste debuut van Finland krijgt en waarmee ze internationaal doorbreekt. Ook Echt waar krijgt lovende kritieken. In De Volkskrant van 3 september 2011 verschijnt een groot interview met haar door Arjan Peters, onder de titel ‘Ik ben een Augenblick-girl’. Het blijkt dat een aantal critici reeds spreekt van de ‘typische Pulkkinen-stijl’.

     

    Echt waar

    Auteur:  Riikka Pulkkinen
    Vertaald door: Annemarie Raas
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen (2010)
    Aantal pagina’s: 334
    Prijs: € 19,95, (e-boek: € 15,95)