• Niet de oorlog

    Niet de oorlog

    Ik stond in de keuken de spruitje voor in een kikkererwtentaart te halveren. Negen knoflookteentjes lagen op de bakplaat in de oven in hun schilletjes gaar te stoven. Uit het geluidsboxje op de plank boven het aanrecht hoorde ik iemand zeggen dat Marga Minco honderdtwee jaar is. Wow, de honderd al gepasseerd, deze schrijver die altijd in stilte opereerde, is stilletjes ouder geworden. Het was de stem van Annelies Verbeke die het in de aankondiging van de nieuwe podcast van Fixdit noemde. Ook dat Marga Minco de eerste levende schrijver in de podcast over klassiekers geschreven door vrouwen is. Vier schrijvers deelden hun enthousiasme over het werk van Minco en de verhalen in Achter de muur, Verzamelde verhalen. Ik denk Het bittere kruid, het zit erin gebeiteld. En haar terugkeer uit de onderduik toen er niets meer was om naar terug te keren, die sfeer herinner ik me uit haar verhalen. 

    Arnon Grunberg leest het verhaal ‘Iets anders’, waarvan hier alleen de dialoog.
    ‘Waarom deed u het?’
    ‘Ik weet het niet.’
    ‘Hebt u dit al eens meer gedaan?’
    ‘Nog nooit’, zei ze
    ‘Denkt u eens goed na’, zei hij
    Het is werkelijk waar’, zei ze
    Minco lezen is een sprong het diepe in, dan ontstaat langzaamaan een kader, een weten waarover het gaat. Haar dialogen worden geroemd.

    Niña Weijers vertelt dat ze in het Witsenhuis aan het Amsterdamse Oosterpark op de verdieping heeft gewoond waar Minco met haar man Bert Voeten en hun twee dochters van 1949 tot 1960 woonde. Dat Minco de echtelijke slaapkamer, waar net een bed in past, (dat wist Weijers omdat het ook haar slaapkamer was toen ze er woonde) moest ombouwen tot haar werkkamertje. En dat ze, armlastig als ze waren, geregeld in de brede dakgoot klommen, waar ze bleven zitten tot de deurwaarders vertrokken waren. 

    Ik denk aan Marga Minco, die ik enkel uit haar teksten ken,  als een teruggetrokken, bescheiden schrijver. Hoewel je in haar verhalen onderhuidse woede en ongeduld met de dingen proeft. In een interview met Ischa Meijer (deze podcast zet aan tot meer willen weten, Minco uit de kast halen), heeft Minco, die dan al zeventig is, het over Het bittere kruid, dat het met dat tuinpoortje in werkelijkheid anders was. Dat ze het tuinpoortje niet doorging, maar terug naar het huis ging, ‘en bonsde en iemand deed het tuinpoortje open en ik had mijn ster afgerukt – ik ging terug.’ Ze vertelt het verderop in het interview nog een keer, omdat het toch nog anders was. ‘ik had de ster van mijn jas gerukt en liet die trillend aan die mannen zien. Later breng ik dus die jassen naar binnen en vader hield ze aan de praat, (…) toen ben ik weggerend’. Ze ‘huilt een heel klein beetje’, noteert Ischa Meijer.  

    Uit het boxje op de plank boven het aanrecht klinkt de opgenomen stem van Minco, ‘Ik ben niet zomaar gaan schrijven omdat ik iets beleefd heb. Zoals mensen wel zeggen ‘wat ik nou heb beleefd, daar kan ik een boek over schrijven’. Maar je kan net zo goed schrijven vanuit je fantasie. Voor de oorlog schreef ik vanuit mijn fantasie.’ Dat niet de oorlog van haar een schrijver heeft gemaakt, maar dat ze dat al was. Dat wil ze weten.
    Deze podcast laat een Marga Minco zien voorbij Het bittere kruid. Lees haar verhalen, en daarna de kleine roman Nagelaten dagen, waarin alles nog eenmaal bij elkaar komt. Intens proza.

     

     

    Luister hier de Fixdit podcast met: Sanneke van Hassel, Annelies Verbeke, Arnon Grunberg en Niña Weijers.
    Citaten uit: De interviewer, 50 interviews uit 25 jaar interviewen / Ischa Meijer


    inge meijerInge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest, (en hoort).

  • Babystapjes of meer?

    Babystapjes of meer?

    Aan de vooravond van de bekendmaking van de nieuwe Nederlandstalige literaire canon valt het manifest Optimistische woede in de brievenbus. In vergelijking met de top-tien van 2002 staat op de lijst met auteurs een (één!) vrouw, namelijk Hella Haasse, doorgeschoten van plaats zesentwintig in 2002 naar plaats acht nu. Op de lijst met titels prijkt zij op plaats twaalf met Oeroeg. Haar naam wordt de laatste tijd terecht vaak genoemd als de vierde grote Nederlandse schrijver naast de zogeheten ‘Grote drie’: Hermans, Mulisch en Reve.

    En toch blijft er voor het schrijverscollectief Fixdit, de auteurs van Optimistische woede, werk aan de winkel. Veel werk kun je helaas wel zeggen. Fixdit bestaat uit de volgende Nederlandse en Vlaamse schrijvers: Yra van Dijk, Sanneke van Hassel, Rachida Lamrabet, Jannah Loontjens, Munganyende Hélène Christelle, Christine Otten, Gaea Schoeters, Shantie Singh, Fleur Speet, Manon Uphoff en Annelies Verbeke.

    Met twee maten meten

    De titel van het manifest, met het woord ‘woede’ erin, is opvallend. Immers: werd een vrouw niet lang neergezet als onsympathiek als zij kwaad wordt? Woede was lang not done, want een vrouw moet beheerst en liefst gelaten zijn. En aan het andere woord, ‘optimistisch’ werd tijdens een door De Balie in Amsterdam georganiseerde avond ook wat getwijfeld. Daarover straks meer.

    Het boek bestaat uit elf over het algemeen sterke stukken tekst van de schrijvers van Fixdit en het wat schreeuwerig opgemaakte Fixdit Manifest in het hart van de uitgave. Met onderaan de pagina’s doorlopend namen van vrouwelijke auteurs. Wat ontbreekt zijn korte biografieën van de schrijvers, al zijn de meeste namen wel bekend. Misschien valt dit in hetzelfde genre als ‘die vermaledijde verklarende woordenlijsten’ die Rachida Lamrabet de deur uit wil doen, omdat je een roman primair met ‘een literaire blik’ moet lezen? Al is dit natuurlijk geen roman.

    Op de vraag waarom vrouwen zoveel minder literaire prijzen dan mannen winnen (iets waaraan Marja Pruis tijdens genoemde avond in De Balie overigens twijfelde), worden in het boek verschillende antwoorden gegeven: door structureel seksisme of door ‘vooroordelen en beelden die we collectief geïnternaliseerd hebben [over] hoe een schrijver eruitziet’ (Shantie Singh). En ook door de vooroordelen van witte lezers ten aanzien van vrouwelijke auteurs van kleur, zoals Rachida Lamrabet schrijft.
    Ook op een andere vraag, of vrouwen minder goed zouden schrijven dan mannen, volgen verschillende antwoorden: nee, maar er wordt in de literaire kritiek met twee maten gemeten en dit idee is een culturele erfenis van eeuwen. 

    Wat is een vrouwenboek?

    Verschillende auteurs zoeken een andere insteek. Zo vraagt Sanneke van Hassel zich bijvoorbeeld af wat een ‘vrouwenboek’ eigenlijk is en concludeert dat het woord gewist moet worden. Fleur Speet vraagt zich af waarom er zo weinig historische romans zijn met een vrouw als hoofdpersoon. Zij stelt dat dit ‘een verdacht genre’ is en de auteurs vaak als ‘vertelster’ worden geafficheerd. Vervolgens komt ze met de vraag of het komt omdat ‘velen van ons niet weten hoe boeiend de geschiedenis van vrouwen is?’ Misschien leidde dit tot het ontberen van een rijke traditie van verhalen op dat terrein. Ze stelt voor ‘trots te zijn op de onderwerpen en thema’s die vrouwen juist vanuit hun eigenheid in de geschiedenis te berde hebben gebracht’. Manon Uphoff noemt gelukkig heel wat uitzonderingen, zoals Jeanette Wintersons Frankusstein, Anne van Eekerens Mary, Hemelse mevrouw Frederike van Maaike Meijer en Het lied van ooievaar en dromedaris van Anjet Daanje.

    De vooruitgang gaat met babystapjes. Zo is er dit jaar weer een vrouw (Lize Spit) aan de beurt om het Boekenweekgeschenk te schrijven en won als zeventiende vrouw Annie Ernaux dit jaar de Nobelprijs voor Literatuur. Maar, schrijft bijvoorbeeld Gaea Schoeters: begin bij jezelf. Als recensent, als lezer, door meer aandacht te schenken aan vrouwen in de letteren om ‘door hun ogen, op een andere manier naar de wereld te kijken’. Jannah Loontjens doet het in dit manifest. Zij gaat in haar eigen werk perspectieven na en perspectiefwisselingen, van man naar vrouw, of liever naar ‘meer ervaringen die bij vrouwenlevens horen’. Of zoals Munganyende Hélène Christelle, die in haar bijdrage komt met enkele namen van ‘intersectionaliteit’, zoals Gloria Wekker die zowel als vrouw als zwarte wetenschapper op de barricaden klimt. Om het noemen van namen gaat het natuurlijk, zoals Gustaaf Peek terecht opmerkte tijdens de avond in De Balie. Pas als er geen namen meer worden genoemd, is iemand echt dood en vergeten. 

    Avond in De Balie

    Die avond viel op de dag na het lanceren van de nieuwe canon en werd georganiseerd in samenwerking met Fixdit. Zo’n avond is een goede zaak, want de canon is iets om over te blijven discussiëren. Het mag geen gestolde opvatting zijn. Praten over literatuur, gendergelijkheid, diversiteit en inclusie is winst. In De Balie mochten onder anderen drie mensen een naam noemen die zij in de canon hadden gemist. Gustaaf Peek kwam met Dé-Lilah (pseudoniem van Lucie van Renesse), Marja Pruis met Patricia De Martelaere, en Nikki Dekker met Andreas Burnier. 

    Wat deze drie sprekers deden, was opmerken wat Fleur Speet in het manifest schrijft: het werk van vrouwelijke auteurs moet in hun eigenheid worden gelezen, ‘niet in vergelijking tot mannelijke auteurs, niet met de huidige canon als maatlat, maar in vergelijking tot henzelf’. Als ‘autonome kunstenaars’, schrijft Manon Uphoff. Door mannen en vrouwen die zich niets aantrekken van welke canon dan ook. In de uitgeverswereld, door auteurs, de literaire kritiek, docenten, bibliothecarissen en lezers. Dan zijn we meer dan een babystapje verder.

     

  • Oogst week 7 – 2022

    Vergeten reis

    De Argentijnse Silvina Ocampo (1903-1993) stamde uit een zeer bemiddeld bourgeoisgezin, waarin ze zich niet thuis voelde. Ze schopte nog al eens tegen zere benen, voelde zich het zwarte schaap, had liefdesaffaires met mannen en vrouwen, ging schilderkunst studeren bij de surrealist De Chirico en mocht, toen ze eenmaal schreef, Borges tot haar vrienden rekenen. Ze heeft tal van werken op haar naam staan, gedichten, kinderboeken en romans en korte verhalen.

    De eerste bundel met 28 sprookjesachtige vertellingen, Viaje Olvidado, verscheen in 1937 en is er nu in Nederlandse vertaling: Vergeten reis. Geen zoetsappige kost. Er staan nog al wat verhalen in over kinderen die, net als Ocampo zelf, het gevoel hebben er niet bij te horen en niet begrepen worden. Vaak zijn ze het slachtoffer van geweld door volwassenen uit hun eigen kring. In het eerste verhaal bijvoorbeeld, ‘Glazen zoldering’, levert dat zinnen vol angst op als een kind op bezoek is bij een oudtante: ‘Er was die dag niemand in de bovenwoning, behalve de lichte snikken van een meisje (dat ze net welterusten had gekust, maar dat niet wilde slapen) en de schim van een rok vermomd als tante, als een zwarte duivel met voeten verpakt in de bottines van een verdorven gouvernante’. Het schilderij van Munch op het omslag, The Gothic Girl, is dan ook treffend.  Annelies Verbeke verzorgde een nawoord.

    Vergeten reis
    Auteur: Silvina Ocampo
    Uitgeverij: Orlando

    Over de bouwkunst

    In de Middeleeuwen bestonden er geen architecten die als zodanig benoemd werden. De ontwerper en bouwkundige begeleider van een gebouw kon iedereen zijn: de toekomstige eigenaar, de handwerksman of iemand anders die verstand had van materialen en constructies. De Romeinen kenden nog wel een beroep als architect – zie de beroemde Vitruvius die al vóór Chr. over bouwen als kunst schreef – maar die leek voor de Middeleeuwers wel vergeten.

    Dat veranderde in de Renaissance toen Vitruvius werd herontdekt en in zijn spoor het beroep van architect een eigen status kreeg. Eén van de beroemdste Italianen die daarvoor opkwam was Leon Battista Alberti (1404-1472). Vanaf dan kennen we de architect als iemand die speciaal is opgeleid voor het ontwerpen van gebouwen in al zijn aspecten. Zijn beroemde traktaat De Re Aedificatoria verscheen in 2010 in het Nederlands als Over de bouwkunst. Uitgeverij Boom geeft er nu een nieuwe druk van uit onder dezelfde titel.

    Over de bouwkunst
    Auteur: Leon Battista Alberti
    Uitgeverij: Boom

    Hubertina

    De vrouw uit de titel van de nieuwste roman van Kristien Hemmerechts, Hubertina, werd geboren als Anna Hubertina Aretz (1893-1973). De schrijfster hoorde over haar via een archivaris van het Rode Kruis. Hubertina was een raadselachtige vrouw. In de Tweede Wereldoorlog hielp ze Joden in de onderduik, ze belandde ervoor in Ravensbrück en kwam zeer vermagerd terug. En dan zet ze zich een paar jaar later ineens in voor de Vlaamse Beweging waarin veel voormalige collaborateurs zaten. Die wending is nog maar één van de raadsel waar Hemmerechts tegenaan liep. Ze ontdekte dat er veel meer was in haar leven waarbij vraagtekens te zetten waren. Om die te beantwoorden dook de schrijfster de archieven in en las getuigenissen uit Hubertina’s leven. Onwrikbare verklaringen vond ze niet, zodat de romanvorm nodig was om inzicht te krijgen in wat er gebeurd kon zijn.

    Hubertina
    Auteur: Kristien Hemmerechts
    Uitgeverij: De Geus
  • Het voortdurend verlangen geaccepteerd te worden

    Het voortdurend verlangen geaccepteerd te worden

    In de verhalen van Treinen en Kamers van Annelies Verbeke duikt steeds dezelfde constatering op: Of de personages nu onderweg zijn of aangekomen, zich in treinen of kamers bevinden, ze zijn allemaal hartstochtelijk op zoek naar liefde en begrip en stuiten keer op keer op een vijandige wereld. Ieder mens is in wezen eenzaam, al doen we nog zo aandoenlijk ons best, volledig geaccepteerd door onze soortgenoten worden we nooit. ‘Het stemt radeloos’, verzucht de auteur in het eerste verhaal, ‘ten volle te beseffen hoe weinig mensen voor elkaar kunnen betekenen’. Verbeke beschrijft de tragische zoektocht van de mens met humor, wat de boodschap nog wranger maakt. 

    Het verlangen naar eenwording – de orewoet van Hadewijch in één van de verhalen – , deze hunkering naar wederzijdsheid en verzoening mag een diepgewortelde behoefte van de mens zijn, het gebrek aan empathie en de daaruit voorvloeiende confrontatie en competitie staan deze harmonie in de weg. De personages in de verhalen reageren hier verschillend op. De één geeft het op en laat zich vernietigen door het wapen dat hem door de vijand geboden wordt (‘Mantel der liefde’) en een ander verliest het geloof in de mensheid en verandert in een dier (‘Ezel’). Weer anderen blijven zich verzetten, maar zijn gedoemd eenzaam en buitengesloten te blijven, zoals het meisje in ‘Wétiko’. Na een krachtmeting met haar geschiedenisleraar begrijpt ze dat ze zich aan de heersende norm zal moeten aanpassen om niet vermalen te worden. En de ontspoorde jongen in het verhaal ‘Matroesjka’s’ die door het goede te ontmoeten zich bekeert, eindigt als De Vreemdeling van Camus, onbegrepen en onterecht veroordeeld in de gevangenis. Allemaal vreemdelingen met een onstilbaar verlangen om geaccepteerd te worden zoals ze zijn. 

    Vernuftig spel met perspectief

    Ook Verbeke zelf voert dit gevecht. Je werk, dat ‘bekletst en bezoedeld’ kan worden, maakt je kwetsbaar. De wereld kan je afwijzen, vernederen en breken. Maar ook jijzelf kunt jouw schrijverschap aardig ondergraven: Stanislav Poepmans uit het verhaal ‘Deserteren’ is de verpersoonlijking van een vijandschap die in ieder mens zit. Je angst voor falen, voor een writer’s block, kan je doen opgeven, zeker als je het gevoel hebt dat niet alleen jij, maar ook de wereld aan de vooravond van een apocalyps staat.

    ‘Deserteren’ is een knap geconstrueerd, complex verhaal. De auteur, zelf hoofdpersoon, wordt bijgestaan door haar schaduwzijden, de zachte, de zorgzame en de strenge, de eisende en door vijf  tijdreizigers, fictieve en bestaande figuren uit de literatuur. Dan is er nog een in hoogsensitiviteit gespecialiseerde psychologe als gespreksleider. In deze komische Spiegel im Spiegel-setting wordt het schrijverschap, en daarmee het leven, onder de loep genomen.

    Verbeke speelt vernuftig met het perspectief van de personages en van het verhaal. Alles fluctueert en loopt in elkaar over en is afhankelijk van de invalshoek. Zoals de tijdreiziger Goethe: Is hij nu ‘de echte [Goethe] of die van Mann’, vraagt de auteur. Over die vraag is Goethe ‘zelf ietwat … in de war’: Lotte in Weimar (geschreven door Thomas Mann in 1939) ‘is zo’n doorwrochte biografische schets geworden dat [hij] zelf niet meer weet wat klopt en wat niet, en “welke Goethe [hij is]” ‘. 

    Literatuur in de hoofdrol

    Annelies Verbeke zet al schrijvend alles in beweging. Ze verstrengelt fictie met werkelijkheid, beschrijft puntig en met humor een diepe pijn, laat weg wat de lezer zelf kan invullen. Dat betekent wel dat de lezer moeite voor dit boek moet doen. Verbeke plaatst literatuur in de hoofdrol door te putten uit verschillende genres en verhaaltechnieken. Theater of een voorleesverhaal voor kinderen, het poëtisch metrum van Homeros, allegorie, stream of consciousness van een tastende ik-figuur of een tot inleving dwingende ‘jij’, de schrijfster beheerst ze allemaal. Hier en daar schemert onze hedendaagse wereld door de wereldliteratuur heen: de tragedies van vandaag, of het nu de vluchtelingencrisis is, of de actuele pandemie, ze zijn van alle tijden.  

    Een hoofdpersoon in het ene verhaal kan een figurant zijn in een ander verhaal. In ‘Force Majeure’ is de vrouw die in een treincoupé ‘bezig is haar immer aandampende brillenglazen schoon te wrijven’ de hoofdfiguur in ‘Mantel der Liefde’. Deze vrouw blijkt, juist omdat ze inlevend en van goede wil is, ter dood veroordeeld. De mantel keert zich tegen haar.  In ‘Lijst’ leest treinbegeleidster Natasja bij wijze van informatief vermaak haar lijst van opbeurende dingen voor aan de passagiers. Dat is komisch en verdrietig tegelijkertijd. In het verontrustende verhaal ‘Limbo’ is dezelfde Natasja een reddende engel die een zondaar uit het voorgeborchte leidt. Allemaal gekleurde scherfjes in een caleidoscoop die bij elke kleine draaibeweging een nieuwe constellatie vormen. Het plaatje is elke keer weer aangrijpend. 

    Verbeeldingskracht en schoonheid

    Alles is een kwestie van perceptie. Het subject wordt door middel van schrijven een object en krijgt de touwtjes in handen. De eigen angst wordt dan hanteerbaar en Stanislav Poepmans kan weggeblazen worden. Maar bovenal komt zo de weg vrij voor iets dat ‘fundamenteel mooi’ is. Verbeeldingskracht helpt om de geestdodende ‘normaliteit’ te ontstijgen en dichter bij schoonheid te komen. Dat zou als een redding geïnterpreteerd kunnen worden, die literatuur – en kunst in het algemeen –  vermag te brengen. De witte walvis uit het slotverhaal ‘Mer à boire’ illustreert dit beeld. Alle reden dus om jezelf een hart onder de riem te steken:  ‘ce n’est pas la mer à boire’ is de Franse uitdrukking die zoveel betekent als ‘het valt allemaal wel mee’. Met dit geweldige boek, dat de ziel streelt, soms lachwekkend is en ten diepste ontroert, is de redding inderdaad nabij.

     

     

  • Oogst week 23 – 2018

    Tussen Lenin en Lucebert

    Igor Cornelissen (1935) schreef als journalist voor Het Vrije Volk, Het Parool enVrij Nederland over onderwerpen als de sociale strijd, Oost-Europa, communisme, spionage en de Tweede Wereldoorlog.

    In Tussen Lenin en Lucebert schrijft hij over de opmerkelijke Nederlandse kunstcritica en communiste Mathilde Visser (1900 – 1985). Visser werd geboren in een welgesteld joods-liberaal milieu. Voor de oorlog woonde zij na een mislukt huwelijk een tijd alleen in Berlijn. Toen het haar daar te heet onder de voeten werd verhuisde ze naar Parijs waar ze de kunstenaars Pablo Picasso, Salvador Dali en Max Ernst leerde kennen. Die vriendenkring vormde haar verder en was de basis voor haar carrière als kunstcritica.

    Hoewel ze na de oorlog veel geld gaf aan de Communistische Partij van Nederland kostte het haar veel moeite om het lidmaatschap te verkrijgen. De partijleiding vertrouwde de rijke, in bontjas gehulde bourgeoisdame niet helemaal.
    Cornelissen reconstrueerde het levensverhaal van Mathilde Visser aan de hand van brieven, dagboeken en gesprekken met tijdgenoten.

     

    Tussen Lenin en Lucebert
    Auteur: Igor Cornelissen
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Tokio mon amour

    In het eerste hoofdstuk van Tokio mon amour toont Ian Buruma zich nog onzeker:

    ‘…Mijn vlucht met Pakistan International Airlines was geboekt. Ik stond ingeschreven bij de filmacademie van de Nihon-universiteit in Tokio en had een studiebeurs toegekend gekregen van de Japanse overheid, waarmee ik de kosten voor mijn levensonderhoud kon betalen. Ik vond het spannend om voor een flink aantal jaren naar Tokio te verhuizen, maar ook een beetje eng. Zou ik geen heimwee krijgen en me zo eenzaam voelen dat ik de hele tijd brieven ging zitten schrijven aan mensen die zich op bijna tienduizend kilometer van Tokio bevonden? Zou ik binnen enkele maanden terug zijn, vernederd omdat ik een morele nederlaag had geleden? Ik had een Japanse vriendin, Sumie, die mee naar Japan zou verhuizen, maar toch.’ …

    Buruma kwam in 1975 aan in Tokio, en had geen idee wat hem te wachten stond. Hij was in Amsterdam en Parijs gefascineerd geraakt door Japanse films en theater en dus reisde hij naar de bron. In Tokio mon amour doet hij daar verslag van.

    Tokio mon amour
    Auteur: Ian Buruma
    Uitgeverij: Atlas Contact (2018)

    Amsterdam

    Eva Cossee over haar boek:

    ‘Mijn Amsterdam is een stad van immigranten. Dat ik zo denk, is niet zo vreemd. Mijn voorvaderen Cossée waren Hugenoten en kwamen in de zeventiende eeuw vanuit het Loire gebied naar Amsterdam, waar op dat moment bijna 10% van de bevolking van Franse herkomst was. Amsterdam heeft altijd een grote aantrekkingskracht op handelaren en kunstenaars gehad. Nu is Amsterdam de meest multiculturele stad ter wereld met nog meer verschillende nationaliteiten dan New York.

    Amsterdam. Stad van aankomst schetst een beeld van de bevolkingsopbouw na 1945. En Amsterdam is ook altijd een rebelse stad geweest, met rookbommen en protesten, door Harry Mulisch en A.F.Th. van der Heijden prachtig verwoord. De handel op het Waterlooplein wordt beschreven door Saskia Goldschmidt en de spreekwoordelijke vrije liefde in de hoofdstad door Cees Nooteboom, en het multiculturele straatbeeld door Robert Vuijsje. Tot slot krijgen ook de neushoorns en andere bewoners van de diergaarde Artis een stem.’

     

    Amsterdam
    Auteur: Eva Cossée
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee (2018)

    Waarom schrijven?

    De onlangs overleden Philip Roth heeft naast fictie ook veel non-fictie geschreven over een groot aantal onderwerpen, waaronder de schrijvers die hij bewondert, zijn eigen werk, het creatieve proces en de Amerikaanse cultuur. In Waarom schrijven? wordt voor het eerst al dit werk verzameld in één band. Het bevat de eerder verschenen essaybundels Lectuur van mijzelf en anderen en Over het vak, maar ook veel stukken die ofwel herzien zijn, of nooit eerder gepubliceerd. Waarom schrijven? geeft een prachtig beeld van de gedachtewereld van een van Amerika’s grootste schrijvers.

     

    Waarom schrijven?
    Auteur: Philip Roth
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij (2018)

    Tijdschrift Terras

    Terras is een tijdschrift voor internationale literatuur dat gemaakt wordt door medewerkers verspreid over de hele wereld. Het veertiende nummer, Elders, onderzoekt de tegenstellingen van stad en platteland, centrum en periferie, en brengt plekken in kaart waar iets bijzonders aan de hand is en waar op een mooie manier over geschreven kan worden.
    Het nummer bevat nieuwe ontdekkingen, niet eerder in het Nederlands vertaalde proza-auteurs die worden ingeleid door Annelies Verbeke, dichters zoals de Spaanse Sandra Santana en essayisten. Van Jon Fosse, die in het Nederlands taalgebied al naam heeft als toneelschrijver, worden gedichten en een essay gebracht. Daarnaast is er een hommage aan de dichter Charles Simic die dit jaar 80 wordt, verzorgd door K. Michel en Wiljan van den Akker en zijn er bijdragen van onder meer Arno Camenisch, Miek Zwamborn, Tomas Lieske, H.C. ten Berge en Joseph Zoderer. Menno Wigman figureert postuum in dit nummer als vertaler (naast Hélène Gelèns en Elma van Haren) van het Poettrio-project met Sean O’Brien, W.N. Herbert en Fiona Sampson.

     

     

  • De eenheid van verhaal

    De avond had een feestelijk karakter, want er werd een prijs – de J.M.A. Biesheuvelprijs – toegekend en uitgereikt. Dé prijs voor de beste verhalenbundel van het jaar. Een prijs die indirect bijdraagt aan de acceptatie van het korte verhaal als volwaardig literair genre.
    Er werd die avond ook een vrij fundamentele vraag gesteld. Een vraag waar je een hele avond aan zou kunnen wijden. En toch kreeg die vraag niet de aandacht die hij verdiende. Moderator Daan Windhorst stelde hem. Lodewijk Wiener, Ad van den Kieboom en Sander Blom – die aantraden als pleitbezorgers voor de genomineerde bundels van Joubert Pignon, Annelies Verbeke en Vonne van der Meer – probeerden hem te beantwoorden.

    ‘Is een bundel een relevante eenheid?’ Dat was de vraag. Een vraag die een ontsnappingsmogelijkheid biedt. Wie hem beantwoordt, kan nadruk leggen op de relevantie van een zekere thematische verwantschap tussen verhalen die samen een bundel vormen. Die kant ging het die avond vooral op. ‘Het begint bij wat een schrijver wil. Bij Annelies is het uitgangspunt een thema. Op basis van dat thema – in Halleluja is het thema “begin en einde” – kiest of schrijft zij de verhalen die gebundeld worden.’ Dat was de kern van het antwoord van Ad van den Kieboom, als redacteur verantwoordelijk voor het werk van Annelies Verbeke.
    In het verlengde van dat antwoord kwam ter sprake dat het voor het onder de aandacht brengen van een bundel heel handig is dat verhalen iets met elkaar te maken hebben. Een opmerking die nogal wat impliceert en daarom verontwaardiging had moeten oproepen, maar die avond geen enkele ophef veroorzaakte. Blijkbaar waren de aanwezigen reëel genoeg om zich niet tegen deze door de commercie ingegeven realiteit te verzetten.

    Beide antwoorden suggereren dat de kleinste eenheid van verhaal niet het korte verhaal maar de verhalenbundel is. Als dat echt zo is en als een bundel geen verzameling losse verhalen mag zijn (ook dat werd gezegd), dan – merkte Sander Blom, als redacteur betrokken bij de totstandkoming van het werk van Vonne van der Meer, op: ‘ontneem je de schrijver de mogelijkheid om af en toe een kort verhaal te schrijven.’
    Dat is natuurlijk niet waar. Het staat iedere schrijver vrij om af en toe een kort verhaal te schrijven. De vraag is alleen waarom hij dat zou doen als dat ene verhaal niet de aandacht krijgt die het verdient.

    In het kader van de emancipatie van het genre is het mooi dat er een prijs bestaat voor de beste verhalenbundel, maar iemand die incidenteel een (heel) goed verhaal schrijft, schiet daar (helemaal) niets mee op. Zo kun je de vraag van Daan Windhorst ook interpreteren. Als een kleine kanttekening bij een gewaardeerd initiatief.
    Wat het genre naast de J.M.A. Biesheuvelprijs nu alleen nog nodig heeft, is een aanmoedigingsprijs. Een prijs die ook iemand die nog nooit een kort verhaal geschreven heeft weet te verleiden (zoals de Turing Gedichtenwedstrijd mensen aanzet tot het schrijven van een/één gedicht). Een prijs die recht doet aan de eenheid van verhaal: het verhaal.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • J.M.A. Biesheuvelprijs 2018 voor Annelies Verbeke

    J.M.A. Biesheuvelprijs 2018 voor Annelies Verbeke

    Voor de vierde maal werd woensdagavond 21 februari in het Amsterdamse Lloyd Hotel & Culturele Ambassade de J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt. Annelies Verbeke werd met haar verhalenbundel Halleluja (De Geus, 2017) de gelukkige winnaar.  Volgens de jury is: ‘Halleluja is een doorwrochte bundel vol prachtige zinnen, sterke vondsten, geloofwaardige eigenaardigheden en personages om in je hart te sluiten – en soms ver van je vandaan te houden.’

    De Biesheuvelprijs is de eerste literaire prijs voor de beste Nederlandstalige korteverhalenbundel. Aan de prijs was dit jaar een bedrag van € 7.336 verbonden. Dit bedrag is geheel door middel van crowdfunding bijeengebracht – wat uniek voor een literaire prijs is.

    De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs 2018 bestaat uit Babs Gons (schrijver, performer, theatermaker, docent), Marieke de Groot (boekverkoper), Theo Hakkert (journalist, recensent) en Sanneke van Hassel (schrijver).

    Overige genomineerden waren: Vonne van der Meer met Brood, zout, wijn (Atlas Contact 2017) en Joubert Pignon met Mooie lieve schat (Atlas Contact 2017)

     

     

  • Nog niet afgestompt

    Nog niet afgestompt

    Monique Champagne, de hoofdpersoon in het boek Vissen redden van Annelies Verbeke, staat te koken in de keuken en zingt ondertussen uit volle borst met de muziek van de radio of een cd mee. Nummers uit de Tweede Wereldoorlog die over liefde gaan. ‘Ze dreef haar stem tot het uiterste, waardoor haar keel soms dichtkneep en slechts een pijnlijk hoesten voortbracht.’ Het zegt veel over Monique, wier relatie is gestrand en die haar eigen verdriet ontkent, en over de tijd van de Tweede Wereldoorlog. Het leven ging toen zo goed en zo kwaad als het ging door. Je kocht zelfs, las ik eens in een boek van Henk Hofland, Sinterklaascadeautjes bij de Bijenkorf. Je klampte je aan het leven van alledag vast als aan reddingsboei, vol hoop op een toekomst van vrede.

    Het komt nu wellicht vreemd over., maar ook ik heb lang meer op gehad met mensen die na de Tweede Wereldoorlog het roer rigoureus omgooiden. Die braken met dat misschien wat gezapige beeld waarin alles gewoon doorging alsof er niets aan de hand was. Compleet met zoete liedjes en cadeautjes. Ik had meer op met componisten die de tonaliteit de rug hadden toegekeerd en atonale twaalftoonsmuziek schreven. Muziek van de zogenaamde verloren generatie, van componisten die na de Tweede Wereldoorlog doorgingen met componeren in een gematigd-modern vooroorlogs idioom, zei me niet zoveel.
    Tot ik op de autoradio eens een stuk hoorde dat ik niet herkende en dat me in zijn greep hield. Het bleek een van de strijkkwartetten van Lex van Delden te zijn. Een van de componisten van die verloren generatie, die ook nog eens in onze straat woonde en met wiens zoontje ik regelmatig op straat speelde, zodat hij over ons heen moest stappen om zijn huis in te kunnen komen.

    Hij heette anders (Alexander Zwaap), had eigenlijk arts willen worden, zat in het verzet en werd uiteindelijk componist en muziekrecensent. Was vader van nog een zoon, de inmiddels overleden acteur en naamgenoot, die ik in mijn werkzame leven leerde kennen als behoeder van het nalatenschap van zijn vader.
    Misschien is het uiteindelijk zelfs zo, dat in die doorgaande lijn – waarbij de Tweede Wereldoorlog niet als een breuk wordt gezien -, eerder tot uitdrukking komt dat de oorlog niet zomaar uit de lucht is komen vallen. Het gematigd-modernisme van Van Delden drukt dit duidelijk uit. Van nationalisme naar nieuw nationalisme. Ik ervaar het soms als beangstigend dat wij nu, net als rond de Tweede Wereldoorlog, ook gewoon doorgaan met liedjes zingen, cadeautjes kopen, met het leven van alledag, maar misschien zit dat als overlevingsstrategie gewoon in onze genen.

    Gelukkig zijn we als het goed is nog niet zo afgestompt, dat we af en toe ten diepste worden geraakt door een stuk muziek, bijvoorbeeld door een van de drie strijkkwartetten van Lex van Delden.

     

     

     

  • Een kort verhaal is als een schijnwerper

    Een kort verhaal is als een schijnwerper

    Je wordt wakker in een vreemd bed, je hebt geen idee waar je bent. Het gebeurt: Het eerste wat me opviel was het nachttafeltje, het deed oosters aan en was zorgvuldig rood gebeitst. Dit was niet mijn nachttafeltje. Niet mijn slaapkamer. Dit moest de eerste keer zijn dat ik een babydoll droeg. De verwarring neemt toe. De ik-figuur blijkt ook moeder van een kind te zijn dat naar school gebracht wil worden. Ze heeft geen idee waar ze is, maar het kind wijst haar de weg. En door de schooljuf en de ouders van andere kinderen krijgt ze in ieder geval een naam opgeplakt: Renate.

    Meest geslaagde
    Bus 88, zo heet het verhaal over Renate, is opgenomen in de bundel Halleluja van Annelies Verbeke. Van de vijftien verhalen is dit misschien het meest geslaagde. Trefzeker; rechttoe rechtaan verteld in nuchter proza, eerder een journalistiek verslag dan een poëtische opwelling. Het thema is bekend, de totale vervreemding die je soms kan overvallen: waar ben ik? wat is er gebeurd? wie ben ik? Toch zou je iets meer willen weten over de omstandigheden: heeft ze een black-out of is ze echt in een andere wereld verzeild geraakt? Hoe dan? Misschien ook meer over Renate zelf, wat drijft haar, waarom voegt ze zich zonder veel aarzelingen in haar nieuwe identiteit? Geen ontknoping. Een climax ontbreekt. Verbeke beschrijft een reeks uiteenlopende situaties, personages en gebeurtenissen waarmee op de een of andere manier iets buitenissigs gebeurt, maar de verhalen zijn meestal te kort en te schetsmatig om interesse te wekken. Tja, het zal wel, denk je.

    Flitsend idee
    In De beer is een schrijfster tot beer getransformeerd. Een oude, bruine beer. Van het mannelijk geslacht maar impotent, zo meent hij te ontdekken, voorzichtig tastend met zijn kromme klauw. De beer maakt wandelingen, praat met deze en gene, waaronder een worm, en verandert weer terug in mensengedaante. In een ander verhaal brengt een dochter haar oude moeder naar een verzorgingstehuis. De verpleging is in handen van een fraai gevormde robot waar de moeder als een blok voor valt. De waarschuwingen dat hij ‘niet echt’ is, helpen niet. Een robot, lacht de moeder, dan wel een warme met een zacht vel. Het probleem van de dochter, concludeert moeder: je bent jaloers; had zij maar zo’n mooie robot tot haar beschikking. Een hoogleraar barst tijdens zijn afscheidsrede in tranen uit omdat hij denkt dat zijn overleden moeder in het gehoor zit. Of misschien om een andere reden. Een aardig idee, een flits, maar eigenlijk al afgelopen voordat het op gang gekomen is.

    Geen religieuze stemming
    Een kort verhaal is als een schijnwerper: een personage of handeling wordt in het felle licht gezet; anders dan bij een roman is de context ondergeschikt. In de verhalen van Verbeke ontbreekt de schijnwerper, het licht is verspreid, als toeschouwer/lezer weet je niet waarop je geacht wordt je aandacht – in het bijzonder – te richten. Een sprekend voorbeeld zijn de verhalen die draaien om overspel. ‘Vreemdgaan’, in de terminologie van Verbeke. Altijd spannend. Aan het thema zijn in de literatuur ontelbare verhalen gewijd, sommige indringender dan andere. Van Alice Munro en Jhumpa Lahiri kun je je de situaties van ontreddering en eenzaamheid die beschreven worden ook tien jaar na lezing nog scherp herinneren, maar de personages en gesprekken van Verbeke verwaaien al terwijl je nog aan het lezen bent.

    Van een bundel die Halleluja heet, zou je enige religieuze extase verwachten. Maar van zo’n stemming is in de bundel geen sprake. Ook het – op zichzelf fraaie – motto brengt ons niet verder tot de kern van het boek: Hij wilde zich bij iedereen verontschuldigen. En hij wilde iedereen vergeven. Weliswaar ontleend aan de Japanse schrijver Ryûnosuke Akutagawa (1892-1927), maar obscuur. Verbeke heeft, als veel Vlaamse schrijvers, meesterschap over de taal. Op vorm en stijl is dan ook weinig aan te merken, maar de goddelijke inspiratie ontbreekt.

     

     

  • Jan Campert-, F. Bordewijk- en Nienke van Hichtum-prijs toegekend

    Jan Campert-, F. Bordewijk- en Nienke van Hichtum-prijs toegekend

    Ilja Leonard Pfeijffer ontvangt de Jan Campertprijs voor Idyllen, Annelies Verbeke de F. Bordewijkprijs voor Dertig dagen en Anna Woltz de Nienke van Hichtumprijs voor Honderd uur nacht.

    De Jan Campert-prijs voor de beste bundel gaat dit jaar naar Ilja Leonard Pfeijffer (1968) voor zijn bundel Idyllen. In deze bundel schrijft Pfeijffer ‘harde, exuberante verzen over de mens in de hectische wereld van vandaag. Hij is schaamteloos barok en opzichtig retorisch, creëert een bezwerende dreun en schrijft strak ritmische en bijzonder sonore gedichten waarin de prachtige klank vaak botst met de onthutsende inhoud. Idyllen is een waagstuk: het gaat over grote verhalen en problemen. Pfeijffer schuwt daarbij het grote gebaar niet. Het levert een grote bundel grootse poëzie op.’
    Voorgaande jaren ging de prijs naar Piet Gerbrandy (2014), Micha Hamel (2013), Wouter Godijn (2012), Erik Spinoy (2011), Hélène Gelèns (2010), Alfred Schaffer (2009).

     

    index.php-2De F. Borderwijk-prijs is voor Annelies Verbeke (1976) voor haar roman Dertig dagen. De helden van Annelies Verbeke proberen vaker hun medemensen te helpen, maar Alphonse Badji, de hoofdpersoon van deze roman, is de eerste die daar ook werkelijk in slaagt. In een laag tempo met prachtige zinnen verbindt Verbeke in haar meest omvangrijke roman tot nu toe de verhalen van de diverse personages tot een geheel, waarin niemand een anker heeft en iedereen gedesoriënteerd door het land dwaalt – met de in de oude loopgraven bivakkerende vluchtelingen als triest symbool. Dertig dagen is een dappere, maar nooit zoetsappige poging om op papier een wereld te scheppen die mooier is dan de echte: een roman over liefde en het diepe verlangen naar contact waarmee Verbeke alle beloften van haar eerdere werk inlost.’
    De afgelopen jaren ging de prijs naar Jan van Mersbergen (2014), Oek de Jong (2013), Gustaaf Peek (2011), Stephan Enter (2012) Koen Peeters (2010), Marie Kessels (2009).

     
    index.phpAan Anna Woltz (1981) is voor haar jeugdroman Honderd uur nacht de Nienke van Hichtum-prijs 2015 toegekend. Tieners die uit schaamte voor een discutabele daad van hun vader stiekem een ticket naar New York boeken en daar in hun eentje heenreizen, om er midden in de orkaan Sandy terecht te komen: ze bestaan alleen in de literatuur. In de handen van de verkeerde schrijver leveren ze bovendien al snel stof tot een ontsporend verhaal. Anna Woltz schreef met Honderd uur nacht ‘een voorlopig hoogtepunt in haar jonge oeuvre. Zij is erin geslaagd een messcherpe, eigentijdse en psychologisch overtuigende jeugdroman af te leveren, die op subtiele wijze maatschappelijke en ethische kwesties aansnijdt zonder daarbij in moralisme te vervallen.’
    De afgelopen jaren wonnen Jan Paul Schutten (2013), Benny Lindelauf (2011) en Els Beerten (2009).

    Bekend was al dat het gehele oeuvre van Adriaan van Dis (1946) onderscheiden is met de Constantijn Huygens-prijs 2015 (€ 10.000).

    Aan bovengenoemde prijzen is een bedrag van € 5.000 verbonden.
    De jury bestond uit: Erica van Boven, Jeroen Dera, Yra van Dijk, Arjen Fortuin, Aad Meinderts (voorzitter), Jan de Roder en Maria Vlaar.

    De prijsuitreiking vindt plaats op zondag 17 januari 2016, tijdens het Schrijversfeest, de afsluiting van het internationale literatuurfestival Writers Unlimited | Winternachten in het Theater aan het Spui. De prijzen worden uitgereikt door de Haagse wethouder van Cultuur, Joris Wijsmuller.

     

     

  • Veelhoekige ster van kluchtige problemen

    Veelhoekige ster van kluchtige problemen

    Alphonse Badji, een vroegere Senegalese muzikant uit Brussel, werkt als zelfstandig klusser in een klein dorp aan de Belgisch-Franse grens waar hij met zijn (blanke) vrouw Kat sinds een jaar woont. Hoewel Kat af en toe droomt van teruggaan naar de stad, zijn ze er best tevreden. Aan werk heeft Alphonse geen gebrek. De ene klus – meestal schilderwerk – is nog niet achter de rug of de volgende dient zich alweer aan. De klanten bellen of mailen hem. Als hij voor de deur staat wordt hij een enkele keer plotseling geweerd, waarschijnlijk vanwege zijn donkere huidskleur.

    Meestal echter wordt hij verbazend snel in vertrouwen genomen over allerlei persoonlijke besognes van de klanten en vervolgcontacten hierover blijven niet uit. Al deze klanten, door de nuchtere Kat soms ‘patiënten’ genoemd, bellen Alphonse om ondersteuning, en de goedhartige schilder draaft braaf op om naar hen te luisteren, hen naar het ziekenhuis te brengen, hun hond in huis te nemen of de kinderen gerust te stellen. Hij laat zich de hulpvragen welwillend aanleunen, schept genoegen in de rol van reddende engel. Al snel is de klusser die de klanten nog maar een week of wat kennen hun grootste vertrouweling geworden.

    Het verhaal wordt luchtig verteld met mooie gedachten als: ‘Iedereen is een optocht, denkt Alphonse, en daarin neemt er een de leiding, of telkens een andere, afhankelijk van de situatie of van wie er per toeval een ruimte met je deelt. Er zijn tijden geweest waarin hij de wat ongezonde neiging had zich dommer voor te doen dan hij was, nieuwsgierig naar het soort leiders dat in andermans parade op zou staan. In zeldzame gevallen moet je je rug keren naar wat ze je tonen.’ En ironische frasen als ‘… en een café met een portret van de eigenaar die van het plafond op je neerkeek alsof hij in je bier wilde spugen.’ roepen een glimlach op.

    Verbeke heeft alles uit de kast gehaald om een levendig verhaal te schilderen. Achtergrond en interesses van de personages, zijweggetjes over bijvoorbeeld de tirailleurs uit de eerste wereldoorlog, het bezoek van vriend Amadou waarin de Brusselse periode wordt opgehaald en niet te vergeten de couleur locale van het stille dorp dat tegen het einde een onaangename hoofdrol blijkt te spelen, zetten een treffend verhaal neer. Ook de obligate seksscène, plastisch verbeeld met Alphonse in de hoofdrol, ontbreekt niet.

    Dat de klanten blijkbaar geen familie of vrienden hebben om hun problemen mee te bespreken, doet wat gekunsteld aan. De toevallige ontmoetingen van Alphonse met zijn beschermelingen wekken soms bevreemding en voor de lezer is het moeilijk te geloven dat hij als enige hen voor de ondergang kan behoeden. Sommige scènes, zoals die waarin een lompe journalist bij een geïnterviewde schrijfster thuis ‘zijn broek laat zakken’ en op het parket zijn behoefte doet, en, ja hoor, een zwangerschap binnen een ingewikkelde driehoeksverhouding, schieten wel erg door als het om geloofwaardigheid gaat.

    De situaties met de klanten doen aan een klucht denken die je niet al te serieus hoeft te nemen, net als het vechthuwelijk van Kats ouders dat geregeld uitmondt in Who’s afraid of Virginia Woolf-achtige situaties, maar dan lachwekkender. ‘Ze lusten elkaar rauw,’ schrijft Verbeke en zij laat Alphonse zich ‘operetteachtige taferelen’ herinneren ‘waarbij de twee elkaar verbaal en een enkele keer fysiek te lijf gingen’. Alphonse en Kat zelf daarentegen, hun vrienden en later de vluchtelingen die zij trachten te helpen doen wel weer waarachtig aan.

    Vele lijnen tekenen de gebeurtenissen in het dorp. Dertig dagen is een veelhoekige ster waarvan de punten vakkundig met elkaar zijn verbonden. Geen situatie blijft open en alle problemen vinden een soort happy end. Bijna alle, want Verbeke zou de affaires voor de romanlezer te onbevredigend gladjes hebben laten verlopen als er niet ergens iets behoorlijk mis gaat. Dat het noodlot volkomen onverwacht toeslaat, laat zien dat de auteur het plot tot het einde toe goed in de hand heeft. Ondanks de toevalligheden, de extremiteit en vergaande welwillendheid van Alphonse in de rest van het boek, heeft die gebeurtenis een honderd procent overtuigende logica in zich.

     

     

  • Volgens jury BNG Literatuur Prijs was 2012 in literair opzicht een tam jaar

    De genomineerden voor de BNG Literatuurprijs 2012 zijn Auke Hulst (1975) met Kinderen van het ruige land, Christiaan Weijts (1976) met Euforie en de twee Vlaamse schrijversJoost Vandecasteele (1979) met Massa en Annelies Verbeke (1976) met de verhalenbundel Veronderstellingen.

    De jury nomineerde dit jaar uit het aanbod van 21 inzendingen slechts vier auteurs voor de prijs. Er werd door de jury een kanttekening gemaakt over de kwaliteit en de durf van de inzendingen. Volgens het juryrapport: ‘In literair opzicht was 2012 een tam jaar. Niet alleen in absolute zin verschenen er minder romans van jonge schrijvers, ook inhoudelijk gezien maakte de opbrengst een voorzichtige en gedweeë indruk.

    Opvallend vaak was de blik naar binnen gericht; op de kleine beschermde wereld van de personages en hun dikwijls prille gevoelsleven. Kwamen grotere visioenen nauwelijks over het voetlicht doordat ook uitgevers in tijden van crises op safe spelen en derhalve nalaten met lef te investeren?’ De jury heeft ervoor gekozen auteurs te nomineren die laten zien dat zij iets te vertellen hebben over de tijd waarin we leven. ‘Hun werk prikkelt, zindert, gromt en laat zo nu en dan de tanden zien.’

    De BNG Literatuur Prijs is een oeuvreprijs die in 2005 door literair agent Paul Sebes in het leven werd geroepen en is bedoeld om niet doorgebroken jonge auteurs mentaal en financiëel aan te moediging. Kandidaten voor deze prijs moeten Nederlandstalige auteurs zijn, geboren in 1972 of later, twee of meer literaire prozawerken op hun naam hebben staan en nog niet doorgebroken zijn, geen grote literaire prijs hebben gewonnen en waarvan tussen 1 januari 2012 en 31 december 2012 een nieuw boek is verschenen. De winnaar ontvangt 15.000 euro.

    De jury van de prijs, bestaande uit Marja van der Tas, Han Ceelen, Daniëlle Serdijn, Jeroen Vullings en Ward Wijndelts, zegt in een persbericht teleurgesteld te zijn in de kwaliteit van de inzendingen.

    Op donderdag 7 februari 2013 wordt de BNG Nieuwe Literatuur Prijs uitgereikt in de Amstelkerk op het Amstelveld, te Amsterdam.

    Eerdere winnaars van de BNG Literatuur Prijs waren Jan van Mersbergen (2011), Gustaaf Peek (2010), Carolina Trujillo (2009), Rachida Lamrabet (2008), Sanneke van Hassel (2007), Yves Petry (2006) en Esther Gerritsen (2005).

    Meer over de keuze van de jury is hier te lezen.