• De kiem van De wand

    De kiem van De wand

    De Oostenrijkse Marlen Haushofer (1920-1970) is bij het grote publiek vooral bekend geworden vanwege haar weergaloze roman De wand (1963). Haar debuutroman uit 1955, Een handvol leven, is onlangs ook in het Nederlands vertaald (door Anne Folkertsma), met een nawoord van Charlotte Remarque. Zij ziet in Een handvol leven al een kiem van De wand, in die zin dat in beide romans sprake is van een vrouwelijk hoofdpersonage dat zich afzondert. Ze heeft daarmee zeker een punt.

    In Een handvol leven keert een vrouw met de naam Betty Russel terug naar het huis waar ze ooit gewoond heeft. De huidige bewoners hebben het te koop gezet en zij is een geïnteresseerde koper, die van ver komt. Ze heeft iets bekends voor de verkopers, maar ze kunnen niet helemaal thuisbrengen wat dat bekende precies is. Betty biedt zonder omwegen de vraagprijs voor het huis en blijft vanwege praktische redenen overnachten in het huis dat binnenkort het hare zal zijn. In haar oude kamer vindt ze een doos met ansichtkaarten en foto’s. Aan de hand van die spullen wordt via allerlei flashbacks duidelijk wie deze Betty in werkelijkheid is en hoe ze tot de keuze is gekomen om het leven dat ze vroeger in dit huis leidde achter zich te laten.

    IJzig koud klooster

    Het leven van Betty begint met een beschrijving van de jonge Lieserl, die op haar vijfde naar familie op het platteland werd gestuurd omdat haar moeder zou gaan bevallen. Het eenzelvige meisje leeft in een wat magisch realistische fantasiewereld en is enorm onder de indruk van een slager die een koe komt slachten. Later heet hetzelfde meisje Elisabeth en zit ze intern op een school bij de nonnen. In het klooster is het vaak ijzig koud (Elisabeth zal de rest van haar leven een afkeer van kou houden) en de nonnen verwijten het nieuwsgierige meisje dat dol is op lezen dat ze een schepsel boordevol fouten is. ‘Ze wist niet precies wat ze had misdaan, maar dat voortdurende schuldgevoel maakte haar ellendig. Een tijdlang probeerde ze zich ervan te bevrijden door zo vaak mogelijk te biechten. Dat zorgde echter slechts even voor verlichting.’

    Na verloop van tijd begint ze bepaalde situaties uit de weg te gaan om conflicten te vermijden. Ze sluit een soort vriendschap met twee andere meisjes, de vrolijke en vriendelijke Käthe en de broodmagere Margot, die godsdienstwaanzinnig wordt en met wie het uiteindelijk slecht afloopt. De driehoeksverhouding tussen de meisjes kost Elisabeth veel energie, ook omdat Margot haar voor zichzelf wil opeisen.

    Vreemdgaan uit pure verveling

    Ook wanneer ze ouder wordt, is het voor Elisabeth moeilijk om zich tot anderen te verhouden. Ze verlooft zich, verbreekt die verloving, trouwt uiteindelijk met Anton (Toni) Pfluger en krijgt een zoon. Ze voelt weinig liefde of waardering voor haar echtgenoot en voelt zich überhaupt ontheemd in het leven: ‘Met het stille cynisme van een vrouw observeerde ze hoe de ene helft van de mensheid stiekem maar onverstoorbaar alles saboteerde wat de andere helft buitengewoon belangrijk vond. Toch wilde ze ook in geen geval in een vrouwenwereld leven, waar nut en verstand regeerden en waar dan wel geen enorme oorlogen of honger waren, maar er ook niets meer te lachen viel.’

    Uit pure verveling begint Elisabeth een verhouding met een zakenpartner van Toni, een man die ze eigenlijk niet eens aantrekkelijk vindt. Na een jaar en drie maanden maakt ze een eind aan de relatie. Ze kijkt naar zichzelf in de spiegel terwijl ze huilt en dan gebeurt er iets bijzonders: Ze voelde een heel onpersoonlijk medelijden met die huilende vrouw en fluisterde iets troostrijks terwijl ze haar tranen droogde. Tegelijkertijd stond achter haar een derde Elisabeth, zij keek bijna een beetje geamuseerd naar de huilende vrouw en dacht: maak er niet zo’n drama van, lieverds.’

    Wanneer ze begint te fantaseren over de dood van haar echtgenoot, kind en minnaar, beseft Elisabeth dat er echt iets moet veranderen in haar leven en neemt ze een ingrijpende beslissing: ze verdwijnt en haar naasten wanen haar dood.

    Stroef personage

    Maar hoe boeiend deze levensloop ook is, het personage Lieserl/Elisabeth/Betty blijft opvallend op afstand. Ze is stroef en eenzelvig, waardoor je moeilijk met haar gedachten en gevoelens kunt meebewegen. In De wand is de eenzaamheid van het hoofdpersonage beter invoelbaar, alhoewel Een handvol leven qua opbouw zeker ook mooie vondsten heeft. Alhoewel sommige delen van het leven van Elisabeth uitgebreid uit de doeken worden gedaan, blijft de periode tussen haar ingrijpende beslissing en de terugkeer naar het huis dat ze ooit verliet in nevelen gehuld. Haushofer laat deze periode bewust onvermeld; dat levert spanning op, maar voelt ook onbevredigend. Wanneer je haar biografie bestudeert, valt op dat ook zij worstelde met zingeving en de geringe invloed die vrouwen indertijd hadden op hun eigen leven. In die zin is Een handvol leven dan ook zeker een feministisch boek te noemen.

    Al met al is het debuut van Marlen Haushofer vooral interessant om te lezen voor wie heeft genoten van De wand. De thematiek van eenzaamheid, het gevoel van de zinloosheid van het leven en de machteloosheid die iemand kan voelen ten aanzien van het bestaan worden fraai beschreven. Het taalgebruik is rijk en beeldend en veel zinnen nodigen uit om nogmaals gelezen te worden. Een handvol leven is geen meesterwerk à la De wand, maar een intrigerend en thematisch rijk debuut dat veel verraadt over Haushofers latere kracht.

     

  • Oogst week 29 – 2025

    Een handvol leven

    Als de eigenaar van een spijkerfabriek en een landhuis overlijdt door een auto-ongeluk willen zijn zoon Toni en echtgenote Käthe in Een handvol leven van Marlen Haushofer het huis verkopen. Op bepaald moment verschijnt Mrs. Betty Russell, een blonde, onpeilbare vrouw op leeftijd met zonnebril die het huis meteen koopt. Zij heeft er vroeger gewoond, maar weigerde de rol van echtgenote en moeder te aanvaarden. Om aan haar sociale leven te ontsnappen zette ze haar dood in scène en verliet man en zoon. Toni, nu tweeëntwintig en Käthe, behalve tweede echtgenote ook vroegere vriendin van Elisabeth, herkennen haar niet.

    Elisabeth overnacht in het huis en bekijkt oude, beschreven prentbriefkaarten. Ze brengen herinneringen aan haar tweestrijd over de hang naar vrijheid en onafhankelijkheid tegenover de geborgenheid van haar huwelijk terug. Haushofer vertelt het in een licht ironische stijl, zonder daarmee de zwaarte van Elisabeths keuze te ondermijnen.

    Marlen Haushofer (1920-1970) was een Oostenrijkse schrijfster wier werk in 2009 werd herontdekt. Haar belangrijkste boek is De wand. Vertaalster Anne Folkertsma op de website van Athenaeum|Scheltema: ‘Net als in haar andere werk ontleedt Haushofer in haar debuut messcherp een kinder- en vrouwenleven. Ze duikt diep in de volstrekt eigen ervaringswereld van Lieschen, vertelt dan hoe de gevoelige Elisabeth op de kloosterschool in een maatschappelijk keurslijf wordt gedwongen, en ze als jongvolwassene steeds meer van zichzelf vervreemd raakt. Tot Elisabeth (…) opeens man en kind verlaat, (…) en onder de nieuwe naam Betty voor zichzelf kiest. Haar naasten wanen haar dood, haar lichaam wordt nooit gevonden, (…).’

     

    Een handvol leven
    Auteur: Marlen Haushofer
    Uitgeverij: Orlando

    Liefde in het licht van de Einsteintelescoop

    In de roman Liefde in het licht van de Einsteintelescoop maakt genoemde telescoop kans in Limburg gebouwd te worden, net als in werkelijkheid. Het apparaat is geen optische telescoop maar een detector van zwaartekrachtgolven die de oorsprong van het universum zou kunnen openbaren. De Euregio Maas-Rijn met zijn stabiele bodem maakt een goede kans de bouwplaats te worden van het ondergronds observatorium, 200 tot 300 meter onder grond, in een driehoekvormige configuratie met tunnels van elk 10 km lang. Grote concurrent is het Italiaanse Sardinië.

    Filosoof, adviseur en schrijver Govert Derix vroeg zich af wat er zou gebeuren als hij van dit gegeven een liefdesroman zou maken. Een van de hoofdpersonen in de roman is Wiek Starmans, de nieuwe ghostwriter van de Limburgse gouverneur Donkers. Hij gaat samenwerken met Gemma, hoofd communicatie in het provinciehuis. Ze krijgen te maken met Diotima Jammer, leider van de Italiaanse concurrentie. Derix plaatst hen in een psychologisch decor van politiek, bestuur, innovatietechnologie en economie. Het getal drie heeft eveneens een rol: drie delen, de drie tunnels van de telescoop, een driehoeksverhouding.

    Voor een nieuw boek dacht Derix aan een jongetje dat zich afvraagt wat een verhaal eigenlijk is. Derix op Youtube: ‘De Einsteintelescoop gaat over waar dat jongetje naar op zoek is, namelijk het geheim van alle verhalen.’ De gebruikelijke weg van de wiskunde zal veel kennis opleveren. Maar er is nog iets heel anders. ‘Einstein had daar oog voor,’ zegt Derix. ‘Wetenschap gaat niet over goed of kwaad, verbeelding wel. Zou de Einsteintelescoop misschien te maken kunnen hebben met ethische kwaliteiten?’

    Liefde in het licht van de Einsteintelescoop
    Auteur: Govert Derix
    Uitgeverij: Magonia

    Wij, aanmaakhout

    Kracht, moed en onderlinge trouw worden door Otoniya J. Okot Bitek (1966) oftewel Juliane Okot Bitek, in de roman Wij, aanmaakhout op de voorgrond geplaatst. In Oeganda was van 1987 tot 2007 het Verzetsleger van de Heer actief. Deze rebellengroep wilde een staat stichten met de Tien Geboden uit de Bijbel als leidraad. Leider Joseph Kony liet kinderen, jongens en meisjes, ontvoeren om in zijn leger te dienen. Zij werden gebruikt als kindsoldaat of seksslavin. Ongeveer 20.000 kinderen ondergingen dit lot.

    In de roman worden Miriam, Helen en Maggie, drie vrouwen van dan eind twintig, opgeleid tot kindsoldaat. Hun ervaringen beschadigden hen psychisch en fysiek. Maar Okot Bitek wil niet de sensationele wreedheid en tragiek benadrukken, maar juist ontroeren met compassie en menselijkheid. Te lezen valt hoe de ontvoeringen plaatsvonden en wat het levensritme voor de oorlog was, met levendige volksverhalen, waardoor heden en verleden worden verweven. De gevaarlijke reis naar huis wordt eveneens belicht.

    Wij, aanmaakhout is het romandebuut van de Canadees-Oegandese schrijfster. Ze schrijft ook poëzie, essays en andere non-fictie en doceert Black Creativity aan Queen’s University in Canada. Ze is als kind van Oegandese vluchtelingen geboren in Kenia en groeide op in Oeganda. Haar vader was een Oegandese dichter, beide ouders moedigden haar aan om te schrijven. Haar eerste gedichten werden gepubliceerd toen Okot Bitek elf jaar was. Ze schreef onder meer de gedichtenbundel 100 days, over de genocide in Rwanda.

     

    Wij, aanmaakhout
    Auteur: Otoniya J. Okot Bitek
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Ode aan een daadkrachtige vrouw

    Ode aan een daadkrachtige vrouw

    In 1967 ontving de Franse verzetsstrijder en neurofysioloog Annette Beaumanoir (1923-2022) de Yad Vashem voor het redden van twee Joodse tieners tijdens de Tweede Wereldoorlog. Later streed ze mee tegen de Franse bezetting van Algerije. Met Annette, een heldinnenepos schreef de Duits-Franse Anne Weber een ode aan haar boeiende bestaan. 

    Het verhaal begint in het heden. Annette ‘is heel oud, en (…) / tegelijk nog ongeboren.’ Want, zo stelt Weber als een ware poëet, Annette zal opnieuw ter wereld komen ‘op dit witte blad.’ Ze gaat terug naar het prille begin van een leven waar verzet als een rode draad doorheen loopt. Annette is van eenvoudige komaf. Ze wordt geboren in een vissershuisje aan het einde van een doodlopend straatje waar ze opgroeit bij liefdevolle, sociaal bewogen ouders en grootmoeder van moederskant. Na een moeilijke start van hun relatie – met een huwelijk beneden zijn stand heeft haar vader alles op moeten geven  – bezorgen haar ouders Annette een gelukkige en stabiele jeugd.

    Dromen van heldendaden

    Annette is zeventien wanneer de Duitsers Frankrijk bezetten. Door een toevallige ontmoeting en kort daarop door haar lidmaatschap van de Franse communistische partij, raakt ze betrokken bij het verzet. Ze studeert medicijnen maar droomt van een ‘lotsbestemming, van offers en heldendaden’ en kan niet wachten om in actie te komen. ‘Kan volwassen-worden misschien ook een tandje / sneller? Hoelang blijft alles nog zo saai en / naar haar smaak veel te dadeloos / doorgaan?’ Op een lentedag in Parijs gaat haar wens in vervulling. Als in een scène uit een film wacht haar mentor, zogenaamd krant lezend, haar op buiten een kiosk. Hij heet Roland. In hem ontmoet Annette haar tegendraadse, non-conformistische evenknie; tegen de strikte regels van de partij in krijgen de twee een relatie. 

    Naast onderlinge relaties is eigen initiatief ook ten strengste verboden, iets wat Annette ook in de wind slaat. In een spontane, risicovolle actie redt ze twee Joodse tieners, broer en zus. In zwierige zinnen sleept Weber de lezer mee in het relaas van ‘drie zwijgende schimmen’ die met bonzend hart op zoek gaan naar veiligheid. Hoewel geslaagd, wordt haar actie niet geaccepteerd; Annette en Roland worden uit de partij gezet, waarna een tragedie op de loer ligt.

    Na de oorlog krijgt Annette kinderen en werkt ze als arts. Haar leven loopt op rolletjes maar voor Annette is een rustig, voortkabbelend bestaan dodelijk. Een vakantie naar Algerije brengt verandering. In de ogen van de bevolking ziet ze haat voor de Franse bezetter. Ze keert huiswaarts met de overtuiging dat ‘Frankrijk binnenkort nog een kolonie / armer zal worden.’ Haar hele leven wordt Annette voortgedreven door een allesoverheersend gevoel van rechtvaardigheid en een hang naar spanning. Dus wanneer ze kans ziet weer in verzet te komen, ditmaal tegen haar vaderland, zegt ze geen nee. Ook al betekent het dat ze voorlopig haar twee kinderen niet zal zien. 

    In nevelen gehulde toekomst

    Weber voerde gesprekken met Annette Beaumanoir en las haar memoires. Bewondering voor haar onderwerp steekt ze niet onder stoelen of banken, toch schuwt ze Annette’s zwakheden niet. Vaak blijkt Annette een naïeve en impulsieve heldin die zich schuldig maakt aan zwart-wit denken. De voor vrijheid vechtende Algerijnen zijn goed; de onderdrukkende, bezettende Fransen zijn slecht. Dat het Algerijnse FLN (Front de libération nationale) zich net zo goed als de Fransen schuldig maakt aan foltering en onderdrukking, komt niet in haar op. Evenmin dat sommigen de Algerijnse zaak financieren vanuit duistere motieven. Maar, zo houdt Weber de lezer terecht voor, achteraf is het makkelijk praten. Vanuit het verleden is de toekomst immers in nevelen gehuld. Soms roept ze vanuit het heden de jonge Annette waarschuwend toe.  ‘Het FLN wil / onafhankelijkheid én het socialisme en islam, / maar dat laatste is in het begin nog niet iedereen / duidelijk. Waarom doe je daaraan mee, Annette, / waarom zet je je leven voor deze mensen op het spel? (…) Annette! Het doel / is slechts een mooi groot hersenspinsel en het heiligt / zeker niet de middelen.’ Met een spreekwoordelijke engel op haar schouder is het ook makkelijk voor Annette om onbevangen te blijven. Altijd blijft ze ongedeerd, observeert haar chroniqueur haast ongelovig, altijd ontspringt ze de dans, is ze net de hoek om als de bom ontploft. 

    Verheffende vorm

    Strak en geraffineerd houdt Weber het verhaal in de hand. Af en toe legt ze het verhaal stil om de lezer te wijzen op het schrijfproces: ‘Maar ho, niet zo snel, anders breekt de spanningsboog.’ Soms neemt ze een zijpaadje, waarvoor ze zich dan weer excuseert. Op gedurfde en bijzondere wijze heeft ze haar heldin vereeuwigd in dit epos, wat haar de Deutsche Buchpreis opleverde. Een epos is een genre dat we vooral kennen uit de oudheid. Odysseus wordt dan ook meerdere malen aangehaald wanneer Weber verhaalt over de uitputtingsslag van Annettes zwerftochten door Frankrijk tijdens de oorlog. Al is de vorm verheffend, de taal die Weber hanteert houdt de lezer stevig verankerd in het alledaagse. Zo krijgt Annette na een donkere periode weer ‘feeling met het leven,’ is iets wel of niet ‘oké’, en kent een huwelijk ‘ups en downs.’ Dit wordt afgewisseld met poëtische taal die mooie beelden oproept, zoals dit over de landing van de geallieerde troepen op het strand van Normandië: ‘Aan parachutes / dalen, stil en zacht als in een droom, duizenden soldaten / op de kuststrook neer, een sprinkhanenzegen, waarop / de meeste hier met smart hebben gewacht.’ Historisch, biografisch, literair: met Annette, een heldinnenepos heeft Anne Weber zowel qua vorm als inhoud een rijke tekst geschreven, die recht doet aan het boeiende leven en wandel van haar onderwerp. Een tekst waaruit bij herlezing ongetwijfeld nog heel veel verborgen pareltjes opduiken. 

     

     

  • Een film van woorden en foto’s

    Een film van woorden en foto’s

    Toen op zondagmorgen 8 april 1945 de geallieerde luchtaanval op Halberstadt begon, zat Alexander Kluge met zijn zusje in de keuken. Het luchtalarm dwong de familie de kelder in te vluchten. Terwijl zijn vader na de aanval probeerde waardevolle spullen te redden uit het brandende huis, zag Alexander de laatste bommenwerperformatie wegvliegen naar het zuiden. Dit dubbele beeld heeft zich verankerd in zijn geest en vormt de basis van zijn in 1977 verschenen boek De luchtaanval op Halberstadt op 8 april 1945. Dit boek geldt als een van de eerste pogingen tot literaire verwerking van de luchtoorlog in Duitsland en is nu opnieuw uitgegeven als eerste deel van het boek Lente met witte vlaggen. In het tweede deel schetst Kluge in acht teksten een beeld van de laatste oorlogsweken in de rest van Duitsland.

    Waarneming

    Hoewel Kluge vooral bekendheid geniet als filmregisseur en scenarioschrijver van de Nieuwe Duitse Film, ziet hij zichzelf toch vooral als schrijver van de zogeheten documentaire literatuur. Zelf zegt hij daarover: ‘Ik verzin bijna niets, maar niet alles wat bij mij tussen aanhalingstekens staat, is echt een citaat’. Het gaat er niet zozeer om of de feiten wel of niet kloppen. Fictie brengt de de werkelijkheid veel scherper in beeld dan de droge feiten. Een voorbeeld hiervan geeft hij in het verhaal ‘Samenhang tussen de gebeurtenissen en de pianoles’. Daarin voert Kluge een jongen op wiens geplande pianoles geen doorgang kan vinden vanwege het bombardement en de verwoesting van zijn piano. Maar de jongen is vast van plan zijn ingestudeerde stuk te oefenen en vindt elders in de stad in een niet gebombardeerde villa een vleugel waarop hij twee uur lang kan spelen. Dit verhaal is autobiografisch, maar van de setting klopt niets. Het draait bij Kluge om het begrip ‘waarneming’, waarneming van onderaf en waarneming van bovenaf.

    De waarneming van de piloot tijdens het bombardement op Halberstadt zijn volstrekt anders dan die van zijn vader. De piloot neemt niets anders waar dan wat radarbeelden. Op zondagmorgen 8 april was het prachtig weer, maar dat doet niet ter zake. De piloot navigeert in formatie, volgens een in een hoofdkwartier opgezet plan, op de radar. Persoonlijke waarneming van de piloot kan hem in verwarring brengen, ethische vragen oproepen en leiden tot gewetensproblemen. Dit kan niet de bedoeling zijn. Om te overleven te midden van de bommenregens ontwikkelen mensen op de grond ook een strategie. Zijn vader tracht te redden uit het brandende huis wat er te redden valt. Zijn strategie is er op gericht eerst de mensen in veiligheid te brengen en dan de persoonlijke bezittingen. Heel navrant verduidelijkt Kluge deze strategie in het verhaal over de moeder die te midden van de bommenregen als een bezetene zich afvraagt hoe zij haar drie kleine kinderen kan redden, die tegen haar aangedrukt op de grond liggen. Alle drie tegelijk zou zij niet kunnen meenemen. Wie van de drie moest ze, als het zover was, het eerste redden? Van oudsher vastgeroeste opvattingen komen dan bovendrijven: ‘Haar jongste misschien, haar zoontje verkiezen boven de minder waardevolle meisjes…..?’

    Pattern art

    Feitelijk is Halberstadt al van de aardbodem weggevaagd op het planningskantoor. Kluge illustreert dit met tekeningen van de bommenwerperformaties van bovenaf, van onderaf en van opzij. De kunstschilder Anselm Kiefer noemt dit een ‘van doodsangst losgezongen patroon, een soort pattern art‘. De door Kiefer genoemde doodsangst wordt door Kluge verbeeld met aangrijpende foto’s van de verwoestende gevolgen van het bombardement op de grond en de in panische angst weg vluchtende mensen. De tekeningen en foto’s vormen zo een onlosmakelijk geheel met de tekst van het boek.

    Halberstadt en Marioepol

    Het is een vreemde ervaring dit boek te lezen en te recenseren in een tijd dat er opnieuw een vreselijke oorlog woedt in Europa en ‘moral bombing’ aan de orde van de dag is.

    Volgens de Britse luchtmachtgeneraal Harris hadden de Duitsers met het bombarderen van onbeschermde steden als Rotterdam en Londen tijdens de tweede wereldoorlog het recht verspeeld om zich te beklagen over de geallieerde bombardementen op Duitse steden aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. ‘Wie wind zaait zal storm oogsten’, was zijn adagium. Het was een geoorloofd strijdmiddel om het moreel van de vijand te breken. Hij deed dit door het leggen van een bommentapijt, waarbij opzettelijk eerst alle mogelijke vluchtroutes werden bestookt. Naast Dresden is Halberstadt hiervan een voorbeeld uit de recente geschiedenis, Marioepol uit het heden. Tegenwoordig wordt het algemeen gezien als een oorlogsmisdrijf. Kon de vraag naar de persoonlijke verantwoordelijkheid van een piloot bij het bombardement op Halberstadt nog gesteld worden, bij Marioepol ligt dit al heel anders. Deze stad wordt gebombardeerd door hypersonische langeafstandsraketten en drones, die worden afgevuurd vanaf een afstand van honderden km weg door een druk op een knop. De werkelijkheid op de grond blijft hetzelfde.

    Verbijsterend

    Hoewel Lente met witte vlaggen geen vrolijk stemmend boek is, is het wel een noodzakelijk boek en bovendien een prachtig boek. De Duitse schrijver Hans Magnus Enzenberger noemt Kluges boek in zijn recensie in Der Spiegel uit 1978 ‘een film van woorden en foto’s’. Kluge heeft daarmee het filosofische vraagstuk van de ‘discrepantie tussen zijn en bewustzijn de literatuur binnen gehaald’. Zo neemt mevrouw Schrader haar verantwoordelijkheid na het bombardement op haar bioscoop door de boel zoveel mogelijk weer aan kant te maken om op tijd te zijn voor de volgende voorstelling. Dat dit niet meer hoeft is nog niet tot haar bewustzijn doorgedrongen. Dat dit hoogst actueel is, zien wij elke dag op de televisie in de ontreddering van de mensen in Marioepol.

    Anselm Kiefer wijst op de schoonheid van het boek, wat voor hem een grote inspiratiebron vormt voor zijn pattern art. Tegenstrijdige werelden die zich tegelijkertijd voordoen aan de mens. De geprogrammeerd vliegende formaties bommenwerpers en de wanhopig met een witte vlag zwaaiende mens op de kerktoren. Lente met witte vlaggen is geen gemakkelijk leesbaar boek. Ogenschijnlijk een onsamenhangend geheel van gebeurtenissen en anekdotes die zich afspelen in een duidelijk afgebakende tijdspanne en ruimte, blijkt, bij herhaaldelijke lezing, een dwingende inhoudelijke samenhang te vertonen, die de lezer uiteindelijk niet alleen met verbijstering slaat in moreel opzicht, maar ook in artistiek opzicht.

  • Een lied van hoger honing

    Een lied van hoger honing

    In één van zijn beroemdste verzen dicht Martinus Nijhoff over een geur van hoger honing. Deze geur verleidt bijen ertoe tuinen en rozen te verlaten en hun geluk in het ijskoude azuurblauw te beproeven. Daar valt niets te bevruchten, waarna ze onverrichter zake door de vallende sneeuw terugkeren en uitgeput neerdwarrelen. Ze sterven tussen de bevroren korven. Waar Nijhoff met Het lied der dwaze bijen het vluchtgedrag van de moderne mens verwoordt, is onlangs het boek der wijze bijen verschenen. Winterbijen van Norbert Scheuer (door Anne Folkertsma vertaald vanuit het Duitse origineel Winterbienen) vertelt het verhaal van underdog én bijenimker Egidius Arimond. Deze ex-docent Klassieke Talen verdient de kost door Joden de Belgische grens over te smokkelen in grote bijenkasten. 

    Winterbijen past in de traditie van de naoorlogse literatuur. De hoofdpersoon is een antiheld, het onderscheid tussen goed en fout is troebel en de afloop is ijzingwekkend. Daar voegt de schrijver nieuwe elementen aan toe. Zo hanteert Scheuer een rijkelijk variërende, opzettelijk ontspoorde schrijfstijl. Daarnaast oppert hij een revolutionair mensbeeld in een prachtige ode aan misschien wel het nuttigste insect van ons ecosysteem.

    Lucht, lust en lafheid

    Het is het jaar 1944 en de Geallieerden teisteren de Eifel voortdurend met bommenwerpers. Aken en Keulen zijn al in de as gelegd. Terwijl Russische krijgsgevangenen het dorp onder de brokstukken vandaan bevrijden, bekommert Egidius zich vooral om zijn epileptische aanvallen. Hij smokkelt weliswaar Joodse vluchtelingen langs de Belgische grens, van edelmoedigheid is echter geen sprake. Hij heeft geld nodig voor zijn medicijnen tegen epilepsie: ‘Het geld komt altijd op de eerste plaats, de moraal pas daarna.’ De instructies voor de vluchtpogingen vindt hij in de dorpsbibliotheek, tussen de folianten van bestofte, nooit geraadpleegde boeken. Hij is maar wat blij dat hij niemand van de verzetsgroep kent, want ‘Als ik verhoord of gemarteld zou worden, zou ik de pijn niet kunnen verdragen en beslist alles verraden’. 

    Zo eerlijk als hij is over zijn opportunisme, zo open is hij eveneens over zijn liefdesleven, dat hij een spel van lust en begeerte noemt. Daar denken zijn aanbidsters anders over. Vooral met ene Maria onderhoudt hij een jojorelatie. Voor nageslacht zijn de vrouwen bij Egidius helaas aan het verkeerde adres. Als epilepticus is hij gesteriliseerd, omdat de nazi’s geen ‘Volksschädlinge’ kunnen gebruiken bij de verwezenlijking van het Duizendjarig Rijk. De enige reden dat hij überhaupt nog leeft, is zijn broer Alfons. Wegens zijn verdiensten als vliegenier hoeft de gewezen classicus geen euthanasie te ondergaan. Hij stort zich op het schrijven van zijn memoires.

    De eclips van de epilepsie

    In eerste instantie lijkt de schrijfstijl eenvoudig. Het boek bestaat uit korte, twee pagina’s tellende dagboekaantekeningen. Egidius houdt bijen, neemt zijn medicijnen op tijd in, slaapt nu eens met Maria, dan weer met Anna of Charlotte en drinkt Ersatzkaffee met een worteltaartje. Slechts éénmaal dreigt het verkeerd met hem af te lopen, wanneer de Gestapo hem afvoert naar het door bommen verwoeste Keulen. Vanuit zijn cel merkt de gevangene op: ‘De gehangenen deinen door de explosies op en neer als vogelverschrikkers in de wind.’ Wat te denken van de volgende observatie: ‘Gisteren is de begraafplaats door verschillende bommen getroffen; de doden werden uit hun graven geslingerd en in net opengereten kraters voor de tweede keer begraven.’ Naast macabere vaststellingen als deze omschrijft Scheuer herhaaldelijk hoe de bijenhouder zijn epilepsie ervaart, een ‘wirwar van flitsen’, een ‘elektrische vonkenregen’, ‘schimmige beelden, grimmige dromen’ en op het laatst alleen ‘vergetelheid’. 

    Toch schuilt het meesterschap van Scheuer niet zozeer in de woordkeuze, als wel in de pagina-indeling en inhoudelijke versnippering van de dagboekaantekeningen. Op zeker moment is Egidius’ medicijn – luminal – op en verliezen zijn notities alle samenhang, eenheid en logica. Bovendien vergeet hij naarmate het boek vordert, de teksten te dateren. Regelmatig doen op één pagina drie of vier onderwerpen aan een soort stoelendans en verdwijnen ze weer naar de achtergrond. Met deze gedachteflarden en extatische uitstapjes maakt de auteur de attaques van Egidius invoelbaar. In Hersenschimmen, waar Maarten Klein wegkwijnt door dementie, maakte Bernlef al eens gebruik van dit virtuoze foefje. In Winterbijen betekent de hersenaandoening van de hoofdpersoon niet het einde. Het gezoem van de bijen brengt Egidius weer terug naar zijn Ik, hoe ver ze ook bij hem vandaan zijn.

    De bij zonder mens is een bijzonder mens

    Menig bijenhouder gelooft dat de mens zich meer zou moeten modelleren naar de bij. Ze zijn namelijk een symbool van puurheid, onbedorvenheid. Egidius onderschrijft deze overtuiging, want ‘bijen zijn niet agressief. Ze zouden nooit andere volken veroveren en onderwerpen; zolang ze zich niet aangevallen voelen, zijn ze vredelievend.’ Zijn voorliefde voor deze dieren komt niet uit de lucht vallen. De geestelijke Ambrosius, voorvader van Egidius, was via de Alpen naar de Eifel getrokken en had daar als bijenhouder gewerkt. In één tekstfragment dat Egidius over zijn voorouder leest, staat geschreven: ‘Ze gold als het enige levende schepsel dat geheel onveranderd, zonder het stigma van de erfzonde, vanuit het paradijs naar onze wereld was gekomen. (…) De Heilige Geest en de natuur werkten samen in het bijenvolk.’ 

    Niet alleen de insecten brengen gezoem voort in Winterbijen. Het boek bevat dertien schematische tekeningen van Amerikaanse en Engelse gevechtsvliegtuigen – een cynische knipoog naar een entomoloog die wel wat beters te doen heeft dan moordmachines in een tekening te vereeuwigen: de werkbijen van de oorlogsindustrie. Zo rustgevend als het geluid van de bijen is, zo wreed klinkt het gebrul van de stalen monsters. Er is nóg een opvallend detail ten opzichte van de mens: bij de bijen speelt de man een ondergeschikte, om niet te zeggen onderdanige rol. Het enige waartoe de darren  (mannetjesbijen) dienen, is de bevruchting van de koninginnenbij. Daarna worden ze in koelen bloede vermoord, omdat hun haantjesgedrag de kolonie alleen maar in gevaar brengt. Voor ego’s is geen plek, iedereen draagt bij aan het algemeen belang en ziet om naar elk lid in de kolonie. En dat is nodig ook: Egidius heeft in de bijenkast 120.000 stuks nodig om één vluchteling aan het oog van de nazi’s te onttrekken! Iedere ongehoorzaamheid is dus fataal.

    Venijn in de staart

    Is er dan helemaal geen balorigheid te bespeuren onder zijn bijen? Jawel! Wanneer Hitler het dorp binnenrijdt, moet hij zijn nazi-groet onderbreken, omdat meerdere bijen pesterig om hem heen zwermen. De toorn van Egidius’ bijenkolonie treft alleen de despoot die een verzwakt, haatdragend volk een geur van hoger honing beloofde. Met zijn mythe van het Germanendom uit het Teutoburger Wald stortte hij Europa in het verderf en degradeerde hij Duitsland andermaal tot een stel dwaze bijen. Norbert Scheuer schreef het boek Winterbijen, opdat zij de mens tot voorbeeld strekken.

     

     

  • Oogst week 38 – 2020

    Het hele leven

    Bart Moeyaert (1964) is een veelzijdig auteur. Hij debuteerde al op negentienjarige leeftijd met Duet met valse noten, dat in meerdere talen werd gepubliceerd. Naast vertalingen, gedichten en toneelstukken schrijft hij zowel jeugdboeken als romans. In 2019 won hij de Astrid Lindgren Memorial Award, ook wel bekend als de Nobelprijs voor Kinderliteratuur. Nu is Het hele leven verschenen, een bundeling van Moeyaerts eerdere cyclus De Schepping, Het Paradijs en De Hemel, geïllustreerd door Peter Van Den Ende. Deze cyclus is ontstaan uit een samenwerking tussen Moeyaert en het Nederlands Blazers Ensemble. Deze muzikaliteit komt terug in de poëtische taal en de illustraties maken het geheel compleet.

    Het hele leven
    Auteur: Bart Moeyaert, Illustraties Peter Van Den Ende
    Uitgeverij: Querido

    Op het eerste gezicht

    Lucy is een tweeënveertige vrouw uit een witte wijk. Ze ligt in scheiding en wordt verliefd op Joseph, die bij de slager werkt. Hij is twintig jaar jonger, een stuk armer en zwart. Hun relatie is niet makkelijk voor hun omgeving en er ontstaan nog meer grenzen wanneer blijkt dat het verhaal zich afspeelt tegen de achtergrond van de brexit. Dat is de inhoud van Op het eerste gezicht, de nieuwe roman van bestsellerauteur Nick Hornby (1959), vertaald door Nico Groen. Hornby won meerdere prijzen en verschillende van zijn boeken zijn verfilmd. De recentste adaptie is High Fidelity, te zien op de streamingdienst Hulu.

    Op het eerste gezicht
    Auteur: Nick Hornby
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Winterbijen

    De Duitse auteur Norbert Scheuer (1951) won in zijn taalgebied meerdere literaire prijzen. Voor het eerst is één van zijn romans in het Nederlands vertaald door Anne Folkertsma: Winterbijen, gebaseerd op een plaatselijke geschiedenis. Egidius Arimond, leraar Latijn, woont in de Eifel en wordt vanwege zijn epilepsie ontslagen. Als hobby houdt hij bijen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog smokkelt hij Joodse vluchtelingen in bijenkisten over de grens met België. Tussendoor heeft hij een affaire met de echtgenote van een prominente nazi. In 1944 komt er nog een dreiging bij: Engelse en Amerikaanse bommenwerpers boven de Eifel. De situatie escaleert wanneer Egidius wordt opgepakt.

    Winterbijen
    Auteur: Norbert Scheuer
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • De kunst van vertalen en vergeten schrijfster in vertaaltijdschrift Pluk

    De kunst van vertalen en vergeten schrijfster in vertaaltijdschrift Pluk

    In de inmiddels vijfde editie van vertaaltijdschrift Pluk is werk van tien buitenlandse schrijvers in vertaling opgenomen, waaronder een vergeten Engelse schrijfster. Een vertaler moet naast taalbeheersing, ook een goede neus hebben om literair waardevol werk naar voren te halen.
    De Engelse schrijfster Barbara Pym (1913-1980) ging de geschiedenis in als de meest onderschatte schrijfster van de vorige eeuw. Ze werd gevonden door vertaalster Engels, Anda Schippers.

    Volgens de New York Times, die in 2017 een artikel aan haar wijdde, is Barbara Pym ’forever being forgotten, and forever revived.’ In 1977 was haar eerste revival en zes jaar later opnieuw, maar echt doorbreken deed ze nooit. Haar boek Excellent Women (1952), is volgens de NYT haar meest perfecte en beroemde roman. In 1980 door Djuke Houweling vertaald als Geweldige vrouwen. Nog twee romans werden van haar vertaald maar ook in Nederland brak ze niet door.
    Daar komt wellicht verandering in nu Anda Schippers een fragment uit Pyms eerste roman Some tame Gazelle, heeft vertaald. Het fragment geeft een typisch Engelse setting weer van het dorpsleven rond een parochie en waarin twee zussen die op het platteland wonen, de hoofdrol spelen. Een roman die om een vertaling vraagt.

    Van de Frans/ Portugese schrijver Valério Romão (1974) is een kort verhaal in vertaling van Anne Lopes Michielsen opgenomen. Het verhaal ’Om je maar niet te zien’ ((uit de verhalenbundel Da família) zou je een typisch Portugees verhaal – voor wie de romans van António Lobo Antunes kent – kunnen noemen. Een zin van achttien regels is niet ongewoon. Interpuncties zijn schaars waardoor je het verhaal wordt ingezogen en er niet eerder van loskomt als de laatste punt gelezen is. Precies, net als bij Lobo Antunes. Het verhaal, waarin een man zijn kinderen bij zijn vrouw weghoudt om duistere redenen, zit onwrikbaar in elkaar.

    Dat er meerdere vertalingen mogelijk zijn van een en dezelfde tekst, laten de vertalers Pieter Scherpenberg en Jorrit Bosma zien. Beiden maakten ze een vertaling van een verhaal van de Amerikaanse kortverhaal schrijver Robert Coover. Deze dubbelvertaling ontstond tijdens een vertaal-slam, waarbij meerdere vertalers zich over een brontekst bogen. Daaruit bleek maar eens dat elke vertaler anders te werk gaat. Dit laat tevens zien dat vertalen zo eenvoudig nog niet is. Beide vertalers lichten hun vertaalkeuze toe waardoor de tekst aan betekenis wint, en soms verliest. Om de vertalers te kunnen volgen is het originele verhaal ook opgenomen: ‘Going for a beer’ dat door de een vertaald is als: ‘Een pilsje pakken’ en door de ander: ‘Even een biertje drinken’.

    Vertaalster Heleen Evenhuis vertaalde drie gedichten van de Chinees/Amerikaanse dichteres Wendy Chen vanuit het Engels. Geklonken poëzie, zoals water door een bedding gaat, een gevoel teweeg brengend van een helder stromen en tegelijk een onvermijdelijke donkere diepte laat zien. Hierbij twee strofen uit: 2 (1967): ‘De velden bolden als een bontdikke vacht / onder de middagzon. Mannen en vrouwen / Sloofden in zijn diepe plooien. // Ma was van streek; het verdriet / straalde van haar gezicht als vloeibaar / over de aarde gegoten maanlicht.’
    De vertaalster schrijft in haar inleiding op de poëzie van Chen, dat ze een dichter is ‘van wie we meer gaan horen’. Wat doet vermoeden dat haar bundel (Unearthing) vertaald zal gaan worden.

    Elke bijdrage in Pluk is als een schot in de roos voor de verwachtingsvolle lezer die geraakt, verrast en meegesleept wil worden. En al lezende komt het besef dat er nog veel moois te ontdekken valt in de onzichtbare boekenkasten van de wereldliteratuur. De vertalers staan in ieder geval klaar, nu de uitgevers nog. Denk overigens niet dat dit vertaaltijdschrift enkel voor vertalers is, bovenal is het voor de lezer die in Pluk zijn eigen literaire vondsten kan doen.

    Aan deze editie werkten nog de volgende  vertalers mee: Lies Lavrijsen, Lore Aertsen, Heleen Oomen, Ymke van de Staay, Myrthe van den Bogaert en het samenwerkingsverband In Triplo. Aan elke vertaling gaat een inleidend stukje vooraf met een kleine biografie van de auteur en een toelichting op het werk. Met grappige illustraties van Jelko Arts.

     

    PLUK verschijnt twee keer per jaar.
    Losse nummers 15 euro
    Voor een abonnement klik hier.

  • Inchecken met een filosoof

    Inchecken met een filosoof

    Het is aangenaam toeven in het grensgebied van de literatuur en de filosofie, die al minstens sinds de klassieke oudheid een innige, maar soms moeilijke verhouding hebben met elkaar. De helaas veel te jong gestorven Vlaamse schrijfster en filosofe Patricia De Martelaere (1957-2009) voelde zich er als een vis in het water; sinds haar overlijden dienden zich niet echt veel Nederlandstalige auteurs aan die zich graag door de wijsbegeerte laten inspireren. Wittgenstein op de luchthaven, de titel die de onlangs in het Nederlands vertaalde roman van de Duitse journaliste Husch Josten (1969) kreeg, laat vermoeden dat er elders in Europa wel nog vruchtbare kruisbestuivingen plaatsvinden.

    Caren, de hoofdpersoon van deze roman, is een in Londen gevestigde journaliste die na de aanslagen van Parijs een vliegtuig wil nemen naar de Franse hoofdstad. Terwijl ze in Heathrow zit te wachten om aan boord te gaan, wordt haar vlucht geannuleerd wegens een anonieme tip over een aanslag. Caren geraakt in gesprek met een man van middelbare leeftijd die een boek van Ludwig Wittgenstein (1889-1951) zit te lezen. Zo barst een verbaal steekspel los tussen de jachtige, vluchtige journalistiek en de tijdloze filosofie.

    Carens hele leven lijkt te worden gedomineerd door toeval. Als bij wonder is ze telkens in de buurt bij elke grote aanslag: het WTC in 1993, vanzelfsprekend 9/11, de Boston Marathon in 2013, Charlie Hebdo, noem maar op. En het houdt niet op: naarmate het gesprek vordert, ontwikkelt zich een bizarre samenloop van omstandigheden die steeds verder op de spits wordt gedreven. Iets te veel toeval om nog geloofwaardig te zijn? Ja, maar dat is precies de bedoeling. Want Wittgenstein, zoals Caren de onbekende man is gaan noemen, legt zijn gesprekspartner op de rooster en dwingt haar om grondig na te denken over de betekenis van toeval (‘Leg me eens uit, zei hij, waarom u niet meer in toeval gelooft’) en de functie van verhalen. Het effect is bevreemdend. Ben je als lezer in een val getrapt? Heb je je laten beetnemen door de ‘leugen’ van de fictie?

    Caren reageert een beetje defensief: ‘Soms gebeuren er dingen die zich niet simpelweg met toeval laten verklaren.’ Dat is begrijpelijk, want zoals in elk mensenleven is willekeurig, wreed toeval – bijvoorbeeld een aanslag – moeilijk te aanvaarden, sluit het zingeving en een hoger doel vaak uit en dwingt het om te berusten in een chaotische, absurde werkelijkheid.

    Zo is er het verhaal van de bankier die op 10 september 2001 zijn kantoor in het World Trade Center ontruimt, maar twee maanden later sterft in een vliegtuigcrash. Het is Wittgensteins taak om Caren te confronteren met die werkelijkheid en het feit dat we daar een verhaal mee construeren: ‘Hebben zulke spookachtige situaties een betekenis, zit er een plan achter of is het universum één enkele zinloze chaos van gebeurtenissen? Het toeval is triviaal nietwaar? We leggen liever verbanden tussen feiten in ons leven omdat we er dan een betekenis in kunnen ontdekken. Dus plakken mensen alles wat hen overkomt aan elkaar tot een narratief, tot hun levensloop, hun identiteit.’

    Met haar jachtige stijl, strakke tempo en variatie tussen langere en zeer korte zinnen recreëert Josten de angstige sfeer en het paranoïde klimaat dat Europa op het hoogtepunt van de aanslagengolf in zijn greep hield en stilaan weer lijkt te zijn overgewaaid: ‘De nasleep van elke aanslag was enkel een voorspel van de volgende ernstige esacalatie van de verschrikking. Terreur als wedstrijd in de media.’

    En dan is er nog Carens niet bepaald rimpelloze liefdesleven: zij schippert tussen de mysterieuze Ben, die zelf openlijk van (minstens) twee walletjes eet, en persfotograaf Julien, die ook al een gezin heeft. Met Ben lijkt alles ogenschijnlijk goed te zijn geregeld: ‘Ze wilden geen alledaagsheid en geen halfslachtige afspraken, ze wilden geen sleur en geen onvermijdelijk hun leven binnensluipende leugens, geen geklets over compromissen die dat niet waren omdat een van de twee eigenlijk toegaf en dat op een gegeven moment alsnog betreurde, en ze wilden niet dat passie zou omslaan in beklemming, hartstocht in verveling of plichtsbesef.’ Dat het niet zo simpel is, beseft Caren zelf ook wel: ‘Hoeveel mensen zijn er niet ongelukkig met hun gepasteuriseerde tweezaamheid, hun schijnheilige constructies?’

    Niet alleen in het geval van de liefde, maar zeker ook na een aanslag is zingeving een heikele zaak. Net dan biedt fictie een uitweg, een mogelijkheid om naar een diepere waarheid te tasten die buiten het bereik ligt van non-fictie of journalistiek, hoe diepgravend die ook zijn. Al wil dat niet zeggen dat dit boek pasklare antwoorden biedt, want die zijn er eenvoudigweg niet: de ongrijpbare realiteit heeft immers de neiging om als los zand door je vingers te glippen wanneer je er vat op probeert te krijgen. Maar ook dat is een belangrijk inzicht. ‘Ik weet slechts één ding: dat ik niets weet,’ zei Sokrates immers al.

     

     

  • Zelfdoorleefde hoop en wanhoop

    Zelfdoorleefde hoop en wanhoop

    In een tijd waarin de status ‘herontdekt’ een boek de beste papieren geeft om een verkoopsucces te worden, verschijnt met Een waanzinnig begin alweer het vijfde boek bij uitgeverij Cossee van de ‘herontdekte’ Duitse schrijver Hans Fallada. Geschreven in de warrige tijd vlak na de Tweede Wereldoorlog, had het niet veel gescheeld of het boek zelf was er niet geweest. De auteur was niet zo met het resultaat in zijn sas. Naast de ‘nederlagen van het dagelijkse leven en de depressies, ziektes en moedeloosheid’ had er ook wat hoopvols tegenover moeten staan. Maar daar is het niet van gekomen, klinkt hij verontschuldigend in zijn voorwoord en daarmee is het boek eigenlijk meer een ‘ziektegeschiedenis’.

    Dat het tóch is gepubliceerd, is vanwege het ‘waarheidsgetrouwe’ karakter. Niet dat het geen roman zou zijn, want niets wat erin beschreven is, is werkelijk zo gebeurd. Maar het had allemaal ‘zo kunnen gebeuren’… En zo laat dit ‘document humain’ goed zien hoe Duitsland zich na de verloren oorlog op het nulpunt bevindt, en hoe het tot wanhoop vervallen volk het opportunisme tot levenskunst verheft. ‘Hoe bijna alle mensen hun geloof kwijtraakten en uiteindelijk toch een klein sprankje moed en hoop terugvonden’. De opflakkeringen van hoop die het hoofdpersonage dr. Doll ten deel vallen zijn vooral aan zijn morfineverslaving te danken. En aan het feit dat diezelfde Doll schrijver is van professie en verrassend veel weg heeft van Fallada zelf, dankt dit boek zijn sterk autobiografische karakter. Maar wat heet autobiografie bij een schrijver wiens leven leest als een roman? De opportunist, alcoholist, flessentrekker en opiumverslaafde die Fallada was, kon in ieder geval ruimschoots uit eigen ervaring putten om zijn hoofdpersoon gestalte te geven.

    Fallada ontziet zijn alter ego allerminst. En op zijn beurt voelt Doll zichzelf –  gelukkig voor de lezer –  slecht genoeg om zich niet boven zijn medemens verheven te voelen. De enigen die een voorbeeldige rol vervullen zijn de Russen. Het Rode Leger wordt hier niet afgeschilderd als een plunderend stelletje groepsverkrachters. Integendeel, ze wijzen je in het donker de weg en zijn niet te beroerd de deur voor je open te houden. Dit smetje, een knieval voor de communistisch gezinde, naoorlogse uitgever van Fallada, ondergraaft natuurlijk enigszins de documentaire waarde van het verhaal. Maar in dit boek komen de bevrijders uit het oosten nauwelijks voor en daarnaast zijn de expliciete verwijzingen naar de politieke crew van Hitler, Churchill of wie dan ook op de vingers van een hand te tellen. De auteur van Kleiner Mann, was nun zweert ook in dit boek weer bij de gewone man. En aangezien Fallada hier zijn eigentijdse wereld beschrijft, blijft de lezer verschoond van obligaat vertoon van research waarmee tegenwoordig menige historische roman wordt ontsierd.

    Het verhaal omvat de periode van eind april 1945 tot juli 1946 waarin in filmische stijl de wederwaardigheden van de sterk op elkaar betrokken 52-jarige dr. Doll en zijn 28 jaar jongere vrouw Alma worden uitgetekend. Na een nachtmerrieachtige ouverture, ziet het er in het begin nog even hoopvol uit. Doll en Alma lijken als enigen in hun Duitse provinciestadje hogere verwachtingen te hebben van de Russen dan van de verdreven nazi’s, als gevolg waarvan ze dan ook door hun stadgenoten met de nek worden aangekeken. Het besef echter evenzeer Duitser, en dus evenzeer deel te hebben aan de slechtheid en misdadigheid van zijn volk, wordt Doll bijgebracht door de wijze waarop Russische officieren zijn ingestuurde welkomstgroet ‘Tovaritsj’ negeren en hem daarbij zelfs aankijken als was hij een ‘verachtelijk dier’. Hij mag dan wel geen gemene zaak met de nazi’s hebben gemaakt, hij behoort intussen niet minder tot dit afzichtelijke volk dat zich door zijn nazimisdaden tot in alle uithoeken van de wereld gehaat heeft weten te maken. Als koeherder respectievelijk zakkendraagster zien we het echtpaar de eindjes van hun schamele bestaan aan elkaar knopen. Maar door ‘een reeks van toevalligheden’ – het verhaal verspringt van scène tot scène –  wordt Doll door de plaatselijke Russische commandant tot burgemeester van zijn stadje benoemd. Daarmee zien zijn medeburgers hun meest gehate man tot hun burgervader gemaakt. Maar Dolls aanpak van profiteurs en zwarthandelaren is weinig succesvol, al tekent Fallada enkele meesterlijk ten voeten uit. Zijn medeburgers zitten niet op zijn politieke standpunten te wachten en keren zich massaal tegen hem. Doll ziet dat het Duitse volk zijn verlies niet naar behoren weet te dragen. ‘Ze hadden niets meer dat de moeite waard was om te verbergen, deze mensen uit een volk dat zijn nederlaag zonder enige waardigheid en zonder de geringste fierheid droeg.’

    Maar in Dolls eigen gedrag is de waardigheid soms ook ver te zoeken: na zijn toespraak namens het nieuwe stadsbestuur van de officieren van het Rode leger, is hij te beschonken om naar huis te lopen. Het morele verval van Duitsland wordt niet met opgeheven vingertje verhaald; het wordt door Doll gediagnosticeerd met de machteloosheid het een wending ten goede te geven en het besef zelf niet veel beter te zijn. ‘Hij was zelf een van die Duitsers, hij was een Duitser, een woord dat overal ter wereld een scheldwoord was geworden. Hij was een van hen, er was niets wat hem van de anderen onderscheidde. (..) hij kon ze niet meer haten, alleen al omdat hij een van hen was. Hem resteerde alleen krachteloze verachting – en zichzelf verachtte hij niet minder dan alle anderen.’ Kon hij zichzelf en de mensen om hem heen eerst nog de kracht toewensen hun lot te dragen, gaandeweg maakt apathie zich van hem meester en grijpt de depressie hem bij de kladden. ‘Nee, hij zat daar gewoon, zonder heldere gedachten. Als hij zijn gemoedstoestand had moeten beschrijven, had hij misschien gezegd dat er in zijn binnenste niets dan mist was, grijze, ondoorzichtige mist, waar niets doorheen kon dringen, geen blik, geen geluid. En verder niets meer…’

    Uit pure machteloosheid zakt Doll in een zware depressie weg. Daarmee kan de ziektegeschiedenis eerst echt los gaan en dient de morfineverslaving zich weldra aan. Zowel bij Doll als bij zijn vrouw, als bij zovele ‘mensen die net als hij wanhopig waren over zichzelf en over Duitsland, mensen die onder de last van alle vernederingen en schaamteloosheid waren ingestort en hun toevlucht hadden gezocht in kunstmatige paradijzen. Allemaal zochten ze – net als hij – de ‘Kleine Dood’. (…) Overal dezelfde vlucht uit het heden, de weigering de last op hun schouders te nemen waarmee de smadelijke oorlog alle Duitsers had opgezadeld.’

    De handeling heeft zich naar Berlijn verplaatst waar Doll en zijn vrouw een woning bezitten. De stad is ondergedompeld in een lugubere sfeer. Hebben ze zich eerst nog verkneukeld bij het vooruitzicht tot rust te komen in hun vertrouwde huis, gaande hun tocht door het nachtelijke Berlijn, tussen kraters en puinhopen, zien ze hun kansen hierop steeds verder slinken. Uiteindelijk treffen ze hun huis weliswaar in redelijke staat aan, maar de verrotting toont zich in zijn nieuwe bewoners aan wie de woning door de Dienst Volkshuisvesting is toegewezen. Deze laten zich niet zomaar uit de woning redeneren en tonen zich gretig slachtoffer van van alles en nog wat en allesbehalve schuldig voor het jammerlijk verdwenen huisraad. De oorlog heeft het echtpaar Doll veel ontnomen, maar van hun beider verslaving komen ze maar niet af. Niet bij machte de misère het hoofd te bieden, laten zij zich verleiden door de morfine en de geborgenheid van een gehospitaliseerd leventje: ‘Nu gaan we in behandeling – we zijn opgebrand -, dus nu gaan we gewoon lekker luieren.’ Zelfmoord wordt nog overwogen: ‘hij verzamelde informatie over cyaankali, morfine, scopolamine, over de doses die gegarandeerd een dodelijke werking hadden (…) hij wilde er klaar voor zijn als hij te eniger tijd genoeg kracht zou bezitten om ‘het’ te doen, om de enige uitweg te benutten die een Duitser vandaag de dag nog overbleef.’

    Maar wonderwel kleurt het verhaal nergens inktzwart. Dat is te danken aan de Fallada’s stijl, die pendelt tussen hoop en wanhoop. Na een klein ontbijtje kan alles er meteen ‘hoopvoller’ uitzien, maar even verder leest men: ‘Het zal allemaal duidelijk worden, al zat het meestal niet mee.’ De Dolls ondervinden steun aan elkaar, al slepen ze elkaar ook mee in hun verslaving. ‘We staan aan de rand van de afgrond’, stelt hij dan ook vast. Beschrijvingen van een wonderlijke stoet morfineverslaafde doktoren en een met zelfdoding flirtende arts, geven het boek hier en daar groteske allure. Maar de toon slaat niet door naar cynisch effectbejag, en aan de andere kant krijgt onverhuld moralisme ook geen kans. In Een waanzinnig begin ironiseert de verteller Dolls doen en laten te zeer om het een eenduidige kant op te sturen. ‘Als hij serieus nog eens aan het werk wilde gaan en iets wilde betekenen, dan kwam het alleen op hemzelf aan: hij moest zelf zijn apathie overwinnen, opstaan, het vuil van zich afkloppen en aan het werk gaan. Maar zover was Doll op dat moment nog lang niet. Toen het eindelijk vrede was, dacht hij nog lang dat iedereen erop zat te wachten om hem weer op de been te helpen.’ Maar zijn herstel gaat met vallen en opstaan. Uiteindelijk wordt hem de helpende hand gereikt door literator Granzow, die al maanden naar Doll zou hebben gezocht en die hem als een verloren zoon verwelkomt. Deze Granzow, gemodelleerd naar de dichter en politicus van de latere DDR, Johannes Becher, houdt Doll voor dat juist híj, schrijver van Wat nu, kleine man? in staat is de ontreddering van de oorlog voor de gewone man te beschrijven. ‘Je zult zien: op een dag schrijf je toch nog dat ene boek waar iedereen op zit te wachten!’ Dat is in dit boek nog toekomstmuziek, want alle goede voornemens ten spijt geeft de hardnekkige verslaving zich niet zomaar gewonnen. Aan het slot zien we hoopvolle tekenen, wanneer Doll en zijn vrouw een nieuwe woning betrekken. In werkelijkheid zou hij inderdaad dat ene boek nog schrijven. Maar die ultieme oorlogsroman, Alleen in Berlijn, zou zijn zwanenzang blijken. Het schrijven had de door verslavingen en ongezonde levenswandel verzwakte auteur zozeer uitgeput dat hij vóór de roman verscheen, in een ziekenhuis was overleden.

    Met Een waanzinnig begin is weer zo’n typisch Falladaboek vertaald, waarin in een soepele en stijlvaste toon de onrust voelbaar is en waarin de lezer het verhaal wordt ingezogen vanwege de tragiek, echter zonder dat de hoop op beter het loodje legt. Naast de kunstmatige paradijzen biedt ook de liefde soelaas. De sterke band tussen Doll en Alma wordt door Fallada goed getroffen. Twee die elkaar blindelings vinden en in hun verslavingen elkaar even blindelings volgen. Deze auteur verstaat de kunst een verhaal met meesterhand te schetsen en zijn personages te bezielen met zelfdoorleefde hoop en wanhoop.

     

    Een waanzinnig begin

    Auteur: Hans Fallada
    Vertaald door: Anne Folkertsma
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 272
    Prijs: € 22,90

  • Wat nu, arme zotlap? 

    Wat nu, arme zotlap? 

    Recentelijk is de wereldliteratuur met maar liefst twee Hansen verrijkt: Hans Keilson en Hans Fallada (pseudoniem van Rudolf Ditzen, 1893 – 1947).

    In beide gevallen gaat het om herontdekkingen. Mocht eerstgenoemde die lof nog in blessuretijd van zijn leven smaken, Hans Fallada’s herwaardering kwam op een moment dat hij al langer dood was dan dat hij ooit geleefd had. Maar daar staat tegenover dat Fallada’s werk tijdens zijn leven reeds een groot debiet kende. Daarna zakte het weliswaar wat in, maar sinds Jeder stirbt für sich allein in 2009 in een nieuwe Engelse vertaling verscheen (bij ons als Alleen in Berlijn), staat deze auteur weer volop in de internationale aandacht. En de vernieuwde vertaling van Fallada’s bestseller uit de crisisjaren dertig Wat nu, kleine man? mocht zich ook in onze huidige crisistijd in hernieuwde belangstelling verheugen.

    Geen wonder dat uitgeverij Cossee zich waagde aan een derde boek van Fallada, De drinker. En omdat zij dit jaar haar tweede lustrum viert, ligt dit boek in een ietwat kleiner formaat met een chique ogend zijden omslag tegen een lage prijs in de boekwinkel. Een spotprijs in verhouding tot de bedragen die de hoofdpersoon van het boek aan zijn drankverslaving spendeert. Want wie De drinker aanschaft in de veronderstelling kennis te maken met een drinkebroer komt niet bedrogen uit. Wie dit boek links laat liggen in de veronderstelling dat wat slechts € 12,50 kost nooit veel soeps kan zijn, bedriegt zichzelf. Het boek ontpopt zich namelijk al gauw tot niets minder dan een pageturner, waarvan het lezen bijna net zo verslavend is als de drankzucht van Erwin Sommer, de onfortuinlijke hoofdpersoon.

    Het eenvoudige verhaal, dat fraai inzet met de zin ‘Ik heb natuurlijk niet altijd gedronken’ komt kort gezegd hierop neer: levensmiddelenhandelaar Erwin Sommer, net de veertig gepasseerd, ziet de laatste tijd de zaken wat minder gaan. De nochtans kleine tegenslagen wil hij echter voor zijn vrouw Magda verbergen, temeer daar hij in zijn huwelijk recentelijk enige koelte van haar kant bespeurt en hij intussen niet op haar bemoeizucht zit te wachten. Na een korte woordenwisseling met zijn vrouw, komt hij erachter hoe goed een paar glazen wijn, uit een ooit van een tevreden klant cadeau gekregen fles, kunnen vallen. Hoe snel echter van het een het ander komt en het van kwaad tot erger kan gaan, laat deze roman overduidelijk zien.

    Niet lang nadat de fles wijn soldaat is gemaakt, staat het leven van Erwin Sommer volledig in het teken van de drank. Zijn zaak en zijn huwelijk laat hij voor wat ze zijn, om volledig op te gaan in zijn door alcoholroes gedomineerde wereldje. Daarbij verliest hij zich in de waan een relatie te hebben met een barmeisje, dat in werkelijkheid slechts uit is op zijn laatste contanten. Ook een onbetrouwbare, Poolse kamerverhuurder, bij wie Sommer zijn intrek neemt, doet wat menselijke slechtheid in deze roman betreft een aardige duit in het zakje, want ook hij slaat munt uit de laveloze hoofdpersoon.

    Sommer zelf is overigens allerminst de onschuld zelve. De lezer heeft hem al leren kennen als een man die sterk op zichzelf is gericht en niet geneigd is zijn wederhelft als bondgenote te zien. En de drank nu stuwt de achterdocht jegens haar tot ongekende hoogte. Daarbij komt Sommer zo diep te zakken dat hij, om maar aan geld voor drank te komen, in zijn eigen huis gaat inbreken. Als het daarbij tot een handgemeen met zijn vrouw komt, dreigt hij haar te vermoorden. Zover komt het echter niet. Sommer maakt zich snel uit de voeten met zijn buit van bijeen gegraaide lijfsieraden en tafelzilver. Vanaf dat moment is het zaak uit handen van de politie te blijven. Wanneer hij echter in het holst van een andere nacht stampei maakt voor zijn gesloten stamkroeg, haalt hij zich diezelfde politie alsnog op de hals en wordt hij weldra in verzekerde bewaring gesteld.

    Ruim een derde van het boek zit er dan op en tot dan heeft de lezer een in pakkende stijl geschreven verhaal gelezen. Daarna wijzigt de toon echter als gevolg van de veranderde plaats van handeling: de gevangenis en, na overplaatsing, een streng bewaakte inrichting. Van een onbetrouwbare verteller gaat de toon over in die van een reporter, die boven alles authentiek verslag lijkt te willen doen. Het doet denken aan Dostojevski’s Aantekeningen uit het dodenhuis, waar de hoofdpersoon ook wegens moord op zijn vrouw zijn straf uitzit. En waarin ook feitelijk verslag wordt gedaan van de lotgevallen van de medegevangenen en –celgenoten evenals van de vele onderlinge intriges (de pikorde, het onderlinge ruilverkeer, het jatten van elkaar). Echter, zo miserabel als het eten (vaak niet meer dan wat in gekookt water zwevende koolslierten) in Fallada’s dodenhuis is, was het in de negentiende-eeuwse Siberische werkkampen niet.

    Het is moeilijk om in Fallada’s verslag niet ook kritiek op het toenmalige gevangenissysteem te lezen. Maar de door gevaarlijke gekken omringde hoofdpersoon koestert tussen alle ellende door ook nog hoop op een verzoening met zijn vrouw, want ze zal toch wel niet eeuwig kwaad kunnen blijven vanwege zijn poging tot doodslag? En op zekere dag krijgt hij zowaar van de opperwachtmeester onverwachts te horen dat zijn vrouw er is om hem te spreken. ‘Mijn handen trilden te erg, mijn hart bonsde wild. Magda op bezoek in dit dodenhuis; het leven kwam me weer opzoeken; ik zou weer gauw bij haar zijn’.

    Het loopt uiteindelijk toch even iets anders… Maar ook dan weet Sommer zich te herpakken en te berusten, en jawel, tot de laatste zin hoop te koesteren op een in alcoholroes gedrenkt stervensuur waarin het hem zal toeschijnen dat zijn leven niet tevergeefs is geweest. Een waardig einde voor een waardig boek.

    Spijtig voor Rudolf Ditzen schreef Hans Fallada met De drinker zijn meest persoonlijke, om niet te zeggen meest autobiografische boek. Want evenals Sommer belandde de auteur zelf in de gevangenis na een poging tot doodslag op zijn vrouw. Dat was in het jaar 1944, een tijd waarin gevangenen en gekken zonder enige vorm van proces konden worden opgesloten. De maanden die de schrijver er doorbracht, benutte hij echter anders dan middenstander Erwin Sommer. Want in de gevangenis kwam het volledige manuscript van De drinker tot stand. Na zijn vrijlating bleek de gezondheid van Fallada door diens jarenlange verslaving aan morfine en alcohol te zeer ondermijnd om hem nog lang van zijn vrijheid te laten genieten. Toen De drinker uiteindelijk in 1950 in boekvorm verscheen, was Fallada al drie jaar dood.

    Waaraan het nu kan liggen dat dit boek zo verdomd goed is, laat zich moeilijk analyseren. Maar vermoedelijk is het antwoord – hoe weinig verrassend – in de stijl te vinden.  Het verhaal wordt in de ik-vorm verteld en gaat hier en daar zelfs over in een inwendige monoloog, waarin de lezer zich soms direct aangesproken kan voelen: ‘Ik zei al dat Magda en ik aan onze bijna dagelijkse ruzies gewend raakten.’ De diverse vooruitwijzingen ‘ik heb toen een grote fout gemaakt, zoals ik pas later begreep’ verlenen het verhaal iets authentieks. Wanneer het vertelmoment, het ‘nu’ van de schrijver (‘o, die heerlijke periode, wanneer ik daar nu aan terugdenk!’) ligt, is niet geheel duidelijk. Wellicht is dat iets wat men Fallada wel verweten heeft: dat hij zich niet de tijd gunde zijn manuscripten nog eens rustig over te lezen, alvorens ze naar de uitgever te zenden. Feit is wel dat dit boek de indruk wekt in de enige juiste toon neergepend te zijn. En die toon is, ondanks het treurige verhaal, van zieligheid gespeend, waardoor de lezer niet met een larmoyante geschiedenis zit opgescheept. Integendeel, het volledig voor rekening van de hoofdpersoon komende verhaal, blijft vervuld van goede moed en drijft op het vertrouwen dat alles zich ten goede zal keren. In het begin blijft hij geloven dat hij zo weer van de drank af kan en zijn oude leven op kan pakken, en later, dat de instanties zullen inzien dat hij gevangen zit vanwege iets dat niet veel meer dan een onschuldig misverstand mag heten. Hoe dan ook, dat optimisme houdt Sommer het hele boek door op de been.

    Haast even makkelijk als dat hij zich tot het alcoholicisme bekeert, blijkt hij zich in gevangenschap zonder de fles staande te kunnen houden. Wellicht tekent dat de opportunist; die zich altijd tot het meest hoopgevende wendt, zoals een kamerplant naar het licht. Sympathiek is ook dat Sommer zijn tekortkomingen niet wegmoffelt: ‘Ik weet dat ik elke seconde van mijn leven een lafaard ben geweest, dat ik nog steeds een lafaard ben, dat ik altijd een lafaard zal blijven.’ Wanneer de hoofdpersoon al niet door dit soort genadeloze zelfanalyse de lezer voor zich in had weten te nemen, dan toch wel door de impliciete humor in een passage als deze, waarin hij door de agenten wordt opgepakt: ‘Hij heeft het goedgevonden dat ik de fles sterkedrank meeneem; ik heb die, met de kurk er losjes op, zo voor het grijpen in de zak van mijn broek. In ruil daarvoor heb ik hem mijn erewoord gegeven dat ik met hem mee zal gaan en geen vluchtpoging zal ondernemen, desondanks heeft hij een dunne stalen handboei om mijn rechterpols geklonken; misschien wantrouwt hij het erewoord van een zotlap toch een beetje.’

    Het mag verwondering wekken, dat in tegenstelling tot het merendeel van Fallada’s werk, deze in 1944 geschreven roman geen enkele referentie naar de tijdgeest van de nazi’s of de Tweede Wereldoorlog kent. Al is het voor een auteur wiens pseudoniem afkomstig is uit de sprookjes van Grimm misschien niet zo vreemd dat hij de maatschappelijke realiteit ook eens buiten de deur verkoos te houden. Net als in De avonden, waarin ook de feitelijke buitenwereld niet direct doordringt, ademt De drinker hierdoor een tijdloze sfeer.

    Het boek is zodanig geschreven dat de lezer er niet aan ontkomt zich zijn eigen voorstelling van Erwin Sommer te maken. En hoewel het verhaal maar liefst tweemaal verfilmd is, weet men al zeker dat de juiste toon van dit boek nooit in enig beeld kan worden getroffen.