Twintig jaar lang vroeg schrijver en filosoof Dirk van Weelden zich af wat hij moest doen met alle oude papieren die zijn overleden ouders hadden nagelaten: ‘Brieven, dagboeken, scheepspapieren, opschrijfboekjes met adressen en boodschappen, loonadministratie, publiciteitsmateriaal van theaters en kerken, voorlichtingsfolders van burgerlijke en militaire overheden.’ Hij besloot de brieven te gaan lezen. Het boek dat eruit voortkwam, Het voorbeeld van hun liefde, beslaat behalve het leven van zijn ouders en Van Weeldens relatie tot hen, ook zijn eigen leven als jongere en beginnend schrijver. In de vorm van een brief aan zijn dochter, in het boek Chris genoemd, vertelt hij het verhaal.
Ze weet nog niet of het liefde is
De brieven van zijn ouders Ank en Gerrit beslaan de periode van 1948, hij negentien jaar, zij zeventien, tot en met 1950. Gerrit heeft als administrateur aangemonsterd op de grote vaart, Ank zit thuis in Rotterdam bij haar moeder en weet nog niet ‘of het liefde is’ wat ze voor hem voelt. In haar brieven laat zij hem weten dat ze graag wil dat hij gaat studeren zodat hij een betrouwbare man zal zijn met een degelijke baan. Ze is op zoek naar zekerheid. ‘Het briefschrijven tussen Ank en Gerrit is een innerlijke aangelegenheid.’ meent Van Weelden. ‘Al dat geschrijf speelt zich af binnen de denkbeeldige wereld van wat deze twee mensen voor elkaar zijn. Wat zijn ze als hij terugkeert? Kennissen, vrienden, geliefden, verloofden? Met iedere brief die arriveert, gaat het vertrek in het hart open waar de ander logeert.’ Maar het komt goed. Ank krijgt haar zekerheid, Gerrit zijn liefde en samen krijgen ze een gezin.
Schrikbeeld
De ouders hebben allebei zo hun problemen, die doorwerken in huwelijk en gezin. Ank was als meisje ‘de slaaf van haar labiele moeder’ en wilde absoluut niet op haar lijken. Ze studeerde maatschappelijk werk, ging daarna werken en bleef dat doen. Gerrit kreeg een drie jaar durende depressie toen Dirk twaalf was. Met dat schrikbeeld voor ogen keerde Van Weelden zich min of meer van de wereld af door zich enkel bezig te houden met lezen en schrijven, muziek en film. Het leven van zijn vader, diens werkkring, verantwoordelijkheden en depressie en de angsten en innerlijke woede van zijn moeder, maakten dat hij geen behoefte had aan een baan, niet mee wilde doen aan ‘het systeem’, nooit ergens bij wilde horen. Het enige wat hij wilde was schrijven en schrijver worden.
Dat is gelukt. Van Weelden schrijft romans, novellen, essays en artikelen over kunst, literatuur, architectuur en media. En hij is redacteur van literair tijdschrift De Gids. Maar aan het begin van zijn carrière ging het schrijven met veel geworstel en onzekerheid gepaard. Misschien bestaat die onzekerheid nog steeds, want in een interview met Marcel Möring in maart bij boekhandel Donner over Het voorbeeld van hun liefde zegt Van Weelden: “Ik wilde meer doen dan het verhaal vertellen, ik wilde mezelf ook op een bepaalde manier op de proef stellen. Ik heb nog nooit zo’n soort boek gemaakt. (…) Ik wilde dat het een meeslepend, krachtig, kort boek was, wat er toe doet, nú, wat kun je nou leren van het voorbeeld van die liefde, wat kun je nou opsteken van al die strijd.”
Weerspiegeling
Met voorbeeld bedoelt hij het leven van zijn ouders als maatschappelijk voorbeeld van mensen in die tijd, hun bezigheden, vragen en zielenstrijd. Tijdens het lezen van de brieven en de herinneringen die ze oproepen ziet Van Weelden zijn eigen angst en twijfel in Ank en Gerrit weerspiegeld.
Martin Bril, met wie Van Weelden zijn eerste boek publiceerde (Het ABC van Bril &Van Weelden, 1987), schijnt ooit tegen hem te hebben gezegd dat hij meer vanuit zijn hart moest schrijven. Met Het laatste jaar (2013) hoopte hij daarvan ‘een glimp te laten zien, waaruit dat zou kunnen bestaan’. Het laatste jaar heeft het predicaat fictie en handelt over de literaire en persoonlijke vriendschap van twee studenten die schrijver willen worden, allebei zoeken naar de zin van het schrijverschap en samen vier boeken publiceren. Maar fictie of niet, Bril en Van Weelden zijn te herkennen in tal van autobiografische fragmenten. De auteur vertelt het verhaal vanuit het perspectief van een aantal schrijfmachines. Of hij er daarmee in is geslaagd meer vanuit zijn hart te schrijven, blijft de vraag.
Ratio
Ook Het voorbeeld van hun liefde heeft ondanks de beschrijving van Anks en Gerrits en ook zijn eigen gevoelens iets afstandelijks. Van Weelden streeft ernaar het dagelijkse te overstijgen. Op zoek naar de essentie ontstaat er een soms haast onstuitbare woordenvloed: ‘Er zijn ongeveer acht miljard mensen nu, stoere en slappe, excentrieke en gewone, slimme en domme, deftige en volkse, depressieve en psychotische, grappige en gemene, muzikale en amuzikale, Russische en Nigeriaanse, passieve en avontuurlijke mensen. Niemand kan onder die acht miljard de Mens, de Vrouw of de Man een hand geven. Wie om zich heen kijkt ziet dat geen menselijk lichaam symmetrisch is en dat niemand normaal is en het in ieder leven ergens wringt.’ De alinea’s die volgen zijn even vol met van alle kanten belichte redeneringen, met even zo vele opsommingen. De filosoof in hem wil zo compleet mogelijk zeggen wat hij bedoelt teneinde elk misverstand uit te sluiten. Misschien is het dat wat de schrijver nogal ongrijpbaar maakt. De zinnen zijn rationeel, komen uit het hoofd en laten het hart van zowel personages als lezer onberoerd.
In zijn dankwoord spreekt Van Weelden over ‘dit lange en ongewisse avontuur’, wat het schrijven van Het voorbeeld van hun liefde voor hem was. Het kwam neer op radicale keuzes en een versimpelde versie van ‘de geschiedenis, de familie, de karakters en de levens van de betrokkenen, mezelf incluis.’ Voor de lezer is het niet chronologische verhaal af en toe lastig te volgen, is niet altijd duidelijk in welke tijd gebeurtenissen zich afspelen. Eigenlijk zou nog een keer lezen van dit “krachtige, korte” boek de beste manier zijn om de levens van Dirk van Weelden en zijn ouders, hoe versimpeld dan ook, helder op het netvlies te krijgen.
Sinds het succes in 2008 van Les années (De jaren, 2020), is ook hier bekend dat de Franse schrijfster Annie Ernaux zichzelf en haar levenservaringen tot onderwerp van haar boeken maakt. Ook in het pas opnieuw verschenen Het voorval verwerkt zij haar abortus uit 1964, een trauma dat ze jarenlang onderdrukte, dat wil zeggen: er niet een compleet boek aan wijdde.
Al vanaf 1974, toen Ernaux debuteerde met Les armoires vides (Lege kasten, 1990), tekent zij op wat er in haar leven omgaat en wat dat met haar doet. Geboren in een kleinburgerlijke omgeving bleek ze door haar intelligentie bestemd voor een meer dan gemiddelde ontwikkeling, waardoor ze vanzelf in een hoger milieu terechtkwam.
Op school kreeg ze eerst te maken met vernedering en minachting en ervoer ze steeds meer het onderscheid tussen haar thuis en de wereld van het onderwijs.
Ze haalde hoge cijfers, maar de schaamte over haar ouders, hun triviale gedrag en gewoonten die Annie al snel ontgroeide, verliet haar nooit. De enige manier om er controle over te krijgen was blijkbaar door erover te schrijven. Over haar kindertijd en adolescentie, over haar ouders, haar vader die haar moeder wilde vermoorden, over haar huwelijk, over haar moeders Alzheimer, aftakeling en overlijden. Over haar onvermogen zich op haar gemak te voelen bij mensen van hogere komaf, over haar borstkanker. Alles moest worden vastgelegd, geanalyseerd en begrepen. Ook bij bondige registraties van het leven van alledag, zoals in De jaren en in De blik naar buiten, is het Ernaux’ beleving ervan die met de lezer wordt gedeeld: ‘Ik laat de mensen, hun leven, in me binnendringen, als een hoer.’ In al haar werk wordt haar wedervaren uitgeplozen, raakvlakken zijn overal te vinden.
Allesomvattende blik
Het taalgebruik dat zij voor haar geschriften kiest toont dat de introspectie verder gaat dan een eenvoudig “van zich af schrijven”. Ernaux bedrijft een soort sociologie: beheerst, afstandelijk, authentiek en altijd met scherpe, allesomvattende blik. Zo onderzoekt ze in Mémoire de fille (2016), (Meisjesherinneringen, 2017 en 2022) welk meisje ze ooit is geweest, het meisje dat ze eigenlijk wilde vergeten. Ze heeft het dan over het ‘grote herinneringsvermogen van de schaamte, dat minutieuzer, onverzettelijker is dan enige andere vorm van herinnering.’ En we zien dat ze, jong nog, haar eigen directe ervaringen plaatst in het grote geheel van mens en samenleving.
‘Er zijn mensen die worden overweldigd door de werkelijkheid van anderen,’ zo begint Meisjesherinneringen, ‘door hoe ze praten, hun benen over elkaar slaan, een sigaret opsteken. Die verzinken in de verhevigde aanwezigheid van anderen. Op een dag, of eerder op een nacht, worden ze meegesleept in de begeerte en de wil van één enkele Ander. Wat ze meenden te zijn vervliegt, […]. Ze lopen steeds achter op de wil van die Ander. Die wil is hun steeds vóór. En inhalen doen ze nooit.’
In Lege kasten overpeinst de hoofdpersoon na een abortus de toekomst. Ze kijkt terug op haar jeugdjaren, wordt heen en weer geslingerd door gevoelens van afschuw en schuld jegens haar ouders die er toch alles voor over hadden om haar te laten studeren. Dan al, in 1974, dringt de herinnering aan de abortus zich steeds op.
In 2000, in L’Événement (Het voorval, 2004 en 2022) werkt Ernaux deze belevenis van de in 1964 nog illegale abortus volledig uit. Het trauma dat haar leven lang in haar sluimerde moest eindelijk eens gedetailleerd onder ogen worden gezien. Ze kijkt terug op de zomerrelatie met P. die al lang bekoeld was. Hij wordt door haar per brief op de hoogte gesteld van de zwangerschap en van de voorgenomen abortus, al weet ze dat de laatste mededeling bij hem alleen maar tot opluchting zal leiden. Voor haar toestand weigert ze de woorden ‘ik ben in verwachting’ of ‘ik ben zwanger’ toe te laten. Ze zoekt in Rouen, waar ze studeert, naar mensen die haar kunnen helpen – ‘Ik had geen enkele aanwijzing, geen enkel spoor’ – iemand te vinden die de abortus wil uitvoeren, want, schrijft ze, ‘Ik ben wanhopig. Dat ding moet weg.’
Mannelijke overheersing
Door het verhaal van toen heen plaatst Ernaux gedachten die ze heeft op het moment van schrijven, zoals: ‘En wanneer ik geen gedetailleerd verslag zou doen van deze ervaring, draag ik ertoe bij dat de werkelijkheid van vrouwen versluierd wordt en schaar ik mij aan de kant van de mannelijke overheersing van de wereld.’
Het was vanuit een zekere naïviteit dat Ernaux het gevaar niet zag van de samenhang tussen seks en zwangerschap, dat ze niet kon geloven dat haar dit zou overkomen. Ze wijt dit aan haar afkomst. ‘Vaag legde ik het verband tussen de sociale klasse waaruit ik afkomstig was en hetgeen me overkwam. […] Ik werd door mijn verleden ingehaald en wat er in mij groeide was in zekere zin mijn maatschappelijke mislukking.’
Eenzaam zoekt ze naar een arts die haar wil helpen. ‘Onmogelijk te zeggen waarom ik die chique wijk was ingelopen […]. Het werd al donker en misschien wilde ik niet terug naar huis gaan zonder iets geprobeerd te hebben.’ Ze belt aan, wordt ontvangen. Het woord abortus valt niet. ‘… ik smeekte hem alleen er tot iedere prijs voor te zorgen dat ik weer ongesteld werd. […] Meisjes als ik vergalde de dag van de dokters. Zonder geld en moederziel alleen – anders waren ze niet op goed geluk bij hen terechtgekomen -, dwongen ze hen om zich de wet te herinneren die hen in de gevangenis kon doen belanden […].’ De arts schrijft injecties voor en Ernaux vraagt een medicijnenstudente om ze haar te geven. Later blijkt dat de arts haar met een middel tegen miskramen heeft opgescheept.
Een vruchtafdrijving gebeurt dan ook niet en vertwijfeld gaat Ernaux zichzelf met een breinaald te lijf waar ze vanwege de pijn die dat oproept al snel mee ophoudt. ‘Niets. Gewoon onmogelijk. Ik huil en ik ben het zo zat.’
Uiteindelijk komt ze via een kennis in contact met een vrouw die zelf een abortus heeft ondergaan en haar het adres geeft van een ‘engeltjesmaakster’. In een sjofele kleine woning in Parijs krijgt Ernaux een sonde in en bij gebrek aan resultaat een paar dagen later een andere. Minutieus beschrijft ze wat er gebeurt als de vrucht loskomt. In haar studentenflat heeft ze inmiddels een vage vriendin in vertrouwen genomen en ‘was zij het die mij die nacht als enige terzijde stond in de geïmproviseerde rol van vroedvrouw’. Ze huilen beiden. De bloeding stopt niet en Ernaux komt in het ziekenhuis terecht, waar ze geconfronteerd wordt met de heersende klassenverschillen. De coassistent die haar heeft gecuretteerd komt langs en ‘leek slecht op zijn gemak. Ik dacht dat hij zich schaamde omdat hij me er in de operatiekamer zo van langs had gegeven. […] Hij schaamde zich alleen maar […] omdat hij bij gebrek aan informatie over mij een studente van de faculteit der letteren had behandeld als een textielarbeidster of een verkoopster bij de Monoprix.’
Trots op het vereffenen van de schuld
Helder beschrijft Ernaux hoe een meisje dat in die tijd zwanger werd en een illegale abortus onderging, door de meeste mensen behandeld werd als een misdadigster, als iemand die zich diende te schamen voor haar misstap.
Als ze weer helemaal is opgeknapt, is ze veranderd. ‘Ik kijk naar mijn door de zon beschenen benen in een zwarte panty, het zijn de benen van een andere vrouw.’ In Rouen loopt ze over straat ‘met het geheim van de nacht van 20 op 21 januari als iets heiligs in mijn lichaam. […] Ik voelde trots. […] het gevoel dat je verder bent gegaan dan anderen ooit zullen doen. Dat ik dit verhaal heb opgeschreven hangt ongetwijfeld voor een deel samen met die trots.’
Met het schrijven van Het voorval heeft Ernaux een schuld vereffend, schrijft ze, ‘de enige schuld die ik ten aanzien van dit voorval ooit heb gevoeld: dat het me is overkomen en dat ik er niets mee heb gedaan. […] En het echte doel van mijn leven is misschien alleen dit: dat mijn lichaam, mijn gevoelens en mijn gedachten tot geschriften worden, dat wil zeggen tot iets wat begrijpelijk is en algemeen, mijn bestaan volledig opgelost in de hoofden en levens van de anderen.’
Beter had Annie Ernaux haar levensdoel niet kunnen verwoorden.
In een graf ligt een dode man. Ernaast staat een andere man die met de dood van de eerste te maken heeft en zichzelf geen moordenaar voelt. Dat valt te lezen op de eerste twee pagina’s van Mannenmaal, de tweede roman van Rinkse Hillen. Pagina’s die vanaf dat moment intrigeren. De overledene is Ben, een beroemde kunstschilder, de ander is Wout, neonatoloog en echtgenoot van kunstjournalist Eva. Zij heeft Ben, haar vroegere geliefde, recentelijk aan een serie diepte-interviews onderworpen.
In afwisselende hoofdstukken volgen we de degelijke, betrouwbare Wout en de wat zweverige Eva. In haar ogen is hun huwelijk mat, spanningsloos. In een subtiele formulering geeft Hillen Eva’s blik op haar man weer: ‘Op de trap stonden zijn schoenen. Nette, zwarte schoenen, met kerven, naadjes, vouwen voor de neus en kleine afgesleten stukken aan de punt. De soevereiniteit van zijn lichaam, van zijn karakter, maar zijn schoenen stonden hier op deze tree, onbeholpen en achtergelaten. Zijn onvermogen zat in deze schoenen, met hun ijverige stappen.’ Schoenen met ijverige stappen, hoe mooi kun je een karakter weergeven.
De ontbrekende opwinding vindt Eva terug bij Ben, als ze voor het eerste interviewgesprek komt. De seksuele aantrekkingskracht is er onmiddellijk weer, of nooit weggeweest in de tien jaar dat ze elkaar niet hebben gezien. Behalve geïnterviewd worden wil Ben Eva ook schilderen. Naakt. Daarmee begint hij bij het tweede interviewbezoek en Eva beleeft dan ook al een orgasme, zij het niet door toedoen van Ben. Kort ervoor had Eva tegen Wout tijdens de seks gefluisterd: ‘Wil je niet een keer met een ander naar bed?’ Wout voelt daar niets voor maar begrijpt wel dat Eva’s ex een rol speelt in de opmerking. Hillen brengt hiermee een erotiek in het boek die vervolgens dominant aanwezig blijft.
Doodzieke baby
Ondertussen worstelt Wout in het ziekenhuis met het feit dat hij ‘het meisje met de blaarziekte’, een doodzieke, pijn lijdende baby na haar geboorte in leven heeft gehouden. Daar komt bij dat internationale kranten hem belasteren omdat hij euthanasie bij pasgeborenen mogelijk wil maken. ‘If you travel to Holland, don’t bring your children.’ ‘Mengele is still alive and lives in the Netherlands.’ Maar baby Josefien moet hij met een morfinepomp aan haar ouders mee naar huis geven. Als Eva hem over haar gevoelens voor Ben vertelt, wil Wout het allemaal ruimdenkend laten gebeuren, wat niet voorkomt dat de stress in hun huwelijk oploopt. Wout besluit Ben op te zoeken en er ontstaat een merkwaardige driehoeksrelatie.
Auteur Rinske Hillen (1975, studies rechten, filosofie) werkte als griffier, schreef voor verschillende media en wijdde zich aan haar kinderen alvorens zich fulltime op het schrijverschap te richten. In haar verhalen heeft ze de behoefte om pijnlijke zaken bloot te leggen, vertelt ze in een interview in Vrij, bijlage van enkele Noord-Hollandse dagbladen. In Mannenmaal zijn dat grote thema’s zoals de vrijheid om te leven zoals iemand wil – hoewel die vrijheid in dit geval beperkt blijft tot de liefde, in casu seks – en euthanasie bij pasgeborenen. Wat dat laatste betreft werd Hillen geïnspireerd door het Groningen-protocol, dat voorziet in richtlijnen en criteria waarmee artsen zonder gevaar voor strafvervolging het leven van een pasgeborene kunnen beëindigen in het geval van ondraaglijk en uitzichtloos lijden.
Als Wout tegenover de ouders van Josefien zijn twijfel heeft uitgesproken, zegt arts-assistent Saar: ‘Hebben die mensen daar wat aan, dat je toegeeft dat je twijfelt over je keuzes?’ […] Wout: ‘Ik geloof in twijfel en het toegeven daaraan. Als het erop aan komt willen mensen de waarheid weten. Die hebben ze nodig. Als ze boos op me willen zijn, mag dat. Dat geeft ze iemand om zich op af te reageren. Maar wat ze verdienen is de realiteit. De realiteit is dat er doodzieke kinderen worden geboren die niet meteen sterven. De realiteit is dat mensen makkelijk oordelen en flauwekul schrijven in de krant. De realiteit is dat mensen kinderen maken, fouten maken en dat kinderen sterven. Als je de realiteit niet kunt omarmen, wat doe je hier dan?’ En met hier bedoelt hij de mensen op deze wereld.
Onvolkomenheden
Voor haar eerste roman Houtrot (2017) werd Hillen geïnspireerd door de instorting van twee grachtenpanden aan de Keizersgracht in Amsterdam in 1998. In de roman zijn de gevolgen van een verrotte fundering van een grachtenpand het decor voor ingewikkelde menselijke relaties. Familieloyaliteit, niet geuite wensen, te hoge verwachtingen, verraad, het komt allemaal voorbij. Personage Wenksterman wordt omringd door een dochter, een minnares en een echtgenote in een psychiatrische inrichting, en door gebrek aan geld voor de renovatie van zijn pand. Een familiegeheim komt aan het licht en alle relaties raken in verval, net als Wenkstermans huis. Jammer van een paar ongerechtigheden in het boek: Iemand trekt haar schoenen uit terwijl ze dat een paar pagina’s eerder ook al deed, en er wordt op een feestje een boek van een tafeltje gepakt waarna de personages zich naar een ander deel van de kamer verplaatsen en daar wederom datzelfde boek van een tafeltje pakken. Je vraagt je af waar redacteuren toe dienen.
In Mannenmaal overtuigt het personage Eva niet helemaal. Ze wordt enerzijds geprofileerd als een kwetsbare vrouw met kinderlijke trekjes, die bijvoorbeeld tijdens een levensgevaarlijke verkeerssituatie in een gladde haarspeldbocht haar tong in de autospiegel bekijkt, in plaats van haar man te helpen bij het oplossen van het probleem. En als Wout in hun slaapkamer het bed verschoont en hij Eva vraagt te helpen, zegt zij: ‘Dat vind ik moeilijk.’ Een volwassen vrouw die het ‘moeilijk’ vindt om een bed op te maken?
Hillen geeft Eva een soort naïviteit mee die niet strookt met de weloverwogen beslissingen en redeneringen over de omgang met Ben, niet met haar stellige optreden als het om haar zoontje gaat, niet met haar werk, en ook niet met de gedachte ‘Natuurlijk had Ben het haar niet gezegd, niets willen zeggen, ze had hem nooit toegestaan te sterven.’ In het licht daarvan wordt Eva een naar egoïsme neigende vrouw die vooral naar vrije seks verlangt maar tegelijkertijd iemand anders zijn persoonlijke vrijheid ontzegt.
Wat een beetje stoort is het voortdurende gebruik van de naam Ben. Aan vrijwel alles wat Eva zegt of vraagt voegt ze zijn naam toe, en later doet Wout hetzelfde. Dat in Bens laatste maanden geen sprake is van enig ander individu, en alleen Wout en Eva – afzonderlijk van elkaar – in een ondoorzichtig bondgenootschap betrokken en verantwoordelijk zijn, doet onwaarachtig aan.
Filosofische meerwaarde
Niettemin zijn de minder geloofwaardige keuzes ondergeschikt aan Hillens vermogen om met een boeiend boek te komen. Zij weet een thrillerachtige spanning op te bouwen en tot het einde toe vast te houden, zelfs al is de afloop in haar beide romans niet heel verrassend. De scènes zijn levendig, goed getimed en de personages levensecht. De filosofische visies die Hillen in de boeken legt vormen een meerwaarde zonder dat de filosofie nadrukkelijk aanwezig is. Dat de kunst van het schrijven haar in het bloed zit, is wel bewezen.
Els van Swol (1952) blogt sinds 2012 op haar eigen website over muziek, toneel, film, literatuur, filosofie, beeldende kunst en nog veel meer, kortom over alles wat raakt aan cultuur en cultuurgeschiedenis. Wat haar boeit zijn de tegenstelling tussen goed en kwaad en de kunstenaars die zich op de grens daarvan bewegen.
Minimaal een keer per week plaatst ze op haar website een blog. Sinds 2015 schrijft ze recensies voor Literair Nederland. Ze recenseert eveneens voor NBD Biblion, een organisatie die bibliotheken ondersteunt en het lezen wil bevorderen, en voor cultuurwebsite 8WEEKLY. Daarnaast schreef zij zeven boeken, waarvan Tien boeken, tien deugden, over Philippe Claudel, een paar maanden geleden verscheen.
Wat drijft jou om te schrijven? Je produceert best veel.
‘Ik heb zelf niet het gevoel dat het veel is. Van de recensies, ook voor Literair Nederland, hangt het af van met welke andere zaken ik nog bezig ben, een cursus of zo, of van wat ik toegestuurd krijg. Alleen voor 8WEEKLY schrijf ik iedere maand. Ik bezoek dan een tentoonstelling en vertel er wat over. En ik schrijf voor Kerk in Mokum, een tijdschrift voor kerk, cultuur en samenleving van de Protestantse Kerk Amsterdam. Ik ervaar het niet als veel schrijven, het is een hobby. Wat mij drijft is creatief bezig zijn. Zo heb ik ook als vrijwilliger een keer per maand een muziekclubje waar ik dan een lezing geef. Ik duik in de muziekgeschiedenis, zoek van alles bij elkaar over een bepaald muziekstuk of een componist, vertel er wat over en hoop dat mensen dan zeggen: Wat heb ik een heerlijke middag gehad. Soms gaan ze een cd kopen van een componist waar ze voorheen nooit van hadden gehoord. Dan is mijn middag goed.’
Els van Swol deed de opleiding tot muziekbibliothecaris aan de vroegere Frederik Muller Academie en studeerde later Kunst en Cultuurwetenschappen bij de Open Universiteit. Daar was muziek een vak, net als beeldende kunst, literatuur, filosofie en cultuurgeschiedenis. Ze studeerde af op het filosofische Het kwaad denken van Susan Neiman en de roman Het verslag van Brodeck van Philippe Claudel. Van Claudel was ze zo onder de indruk dat ze zelf een boek over hem en tien van zijn romans ging schrijven: Tien boeken, tien deugden (2021).
Wat trok je aan in zijn boeken, wat is de gemene deler?
‘Hij schuurt. Er zit een soort dialectiek in. Goed en kwaad, licht en donker, in een vaak heel bloemrijke taal. Die schuurt met het thema waar hij over het algemeen over schrijft, het kwaad, en dat vind ik interessant. Dat is de gemene deler die mij in een kunstwerk aanspreekt, in boeken, muziek of wat dan ook. Ook in beeldende kunst ja. Ik herinner me dat ik voor het eerst met vakantie in Vlaanderen was. Het regende, ik had te weinig boeken bij me en ging een boekwinkel binnen. Toen is mijn liefde voor de Vlaamse literatuur geboren. Zowel de beeldende kunst die je daar ziet als de literatuur zijn wat rauw. Die heeft ook heel bloemrijke taal en toch schuurt het. Die twee kanten zitten ook in Claudel, en trouwens ook bij Shakespeare, waar ik ook een groot fan van ben, dat komische en het tragische. Componisten als Carl Nielsen en Francis Poulenc hebben het ook.
Zelf ben ik een boek over Claudel gaan schrijven omdat ik het zo interessant vond wat hij schrijft. Er waren toen tien romans van hem vertaald en ik dacht, tien is een mooi getal, wat kan ik daarmee? Toen stuitte ik toevallig op het boekje Tien waarden om in te geloven van Bernard Luttikhuis en heb ik dat als kapstok gebruikt voor de boeken van Claudel, zodat er een mooie structuur ontstond en mijn verhaal meer werd dan een uittrekselboek.’
Een ander boek van Van Swol is Mythe, mysterie, mystiek, (2019), een “kennismaking en een in memoriam” over de in 2016 overleden theoloog Henk Vreekamp, die zichzelf ook wel als “heiden christelijke” voorganger omschreef.
Wat was de aanleiding om dat boek te schrijven?
‘Er was een studiedag in de synagoge in Zwolle over het werk van Vreekamp die toen een jaar eerder overleden was. Ik kende hem en zijn vrouw en ik kende de serie van de Vereniging voor Theologie en Maatschappij – die inmiddels door KokBoekencentrum wordt uitgegeven – en het leek me leuk om Vreekamp daarin te laten opnemen. Aan zijn vrouw heb ik gevraagd: zou je medewerking willen verlenen als ik voorstel om dat te gaan schrijven? Dat vond ze enig. Ik kreeg de volle medewerking, maar heb zijn archief niet mogen raadplegen omdat zij erop stond dat het echt alléén mijn visie op zijn werk was die ik zou weergeven. Daarom wilde ze ook niet dat ik een hoofdstuk Receptie zou toevoegen, waarin ik in zou gaan op reacties op zijn werk anders dan die van mijzelf. Verder was het een hele leuke samenwerking. Nee, ik heb niet overwogen om het dan maar niet te schrijven, ik wilde het toch graag doen.’
Uit dat boek en uit andere van je teksten blijkt dat je nogal wat Bijbelkennis hebt.
‘Die heb ik niet bij de Open Universiteit opgedaan, het is altijd mijn persoonlijke interesse geweest. En dan voornamelijk de joodse uitleg van de Bijbel, waar Vreekamp ook erg sterk in was. Ik heb in verschillende commissies op dat terrein gezeten, kerkenraadcommissies en zo, ben er altijd wel mee bezig geweest. Als puber niet, ik ben wel christelijk opgevoed, maar keek toen kritisch naar de kerk. In Leeuwarden, waar ik een tijd gewoond heb, ging ik praktisch niet naar de kerk. Maar toen mijn ouders daar ook kwamen wonen ging ik samen met mijn vader, dat was gezellig.’
Vanwaar de interesse voor de joodse kant van de Bijbel?
‘Die is meer concreet, de joodse uitleg van de bijbel, meer op het aardse gericht. Geen dogma’s van dit of dat moet je geloven, gewoon praktisch doen, het geloof in praktijk brengen, letterlijk. Daar gaat het in het jodendom om, er handen en voeten aan geven. In het Hebreeuws zijn woord én daad een en hetzelfde woord: dabar. “Geen woorden maar daden” klinkt daarom in mijn oren dus vreemd. Denk aan de zeven werken van barmhartigheid: hongerigen voeden, dorstigen water te drinken geven, vreemdelingen opnemen, naakten kleden, zieken bezoeken, gevangenen bezoeken en doden begraven. Het gaat erom de wereld beter te maken.’
De Bijbelteksten die je onder andere aanhaalt in het boek over Vreekamp en ook in dat over Claudel, en die ook wel in je blogs voorkomen, ken je die uit je hoofd?
‘Bij Claudel heb ik heel weinig aangehaald en met enige schroom, want ik was me erg bewust van het feit dat hij humanist is. Maar door die opvoeding zit er zoveel bagage dat er al snel een koppeling met zo’n tekst in me opkomt. En soms heb ik ook wel eens een klepel waar ik de klok even voor moet opzoeken. Leve het internet hè.
Nee, de allernieuwste vertaling van de Bijbel heb ik niet gekocht. Dat wordt te gek ook. Ik heb er laatst iemand uit horen voorlezen, vond ik wel mooi, maar om nou nog weer een vertaling te kopen… Ik heb er al een paar en ben geen theoloog. Ik heb een paar jaar Ivriet gedaan, het moderne Hebreeuws, en kan in het oude Hebreeuws sommige dingen wel plaatsen. Over vertalingen zijn hele hetzes gevoerd. Dan denk ik, ja ach…’
Je schreef ook twee boeken over muziek, waaronder Dialoog in muziek (Panta Rhei, 1997) over de invloed van de joodse muziek op de westerse muziekgeschiedenis. Hoe zit dat precies?
‘Die invloed is er, vanf het Gregoriaans, tot nu toe. Maar dat weten weinig mensen, eigenlijk heel vreemd. De invloed kwam vanuit wat we nu Israël noemen naar hier, mensen gingen over en weer. Bij Monteverdi zijn er veel invloeden, die zat in het getto in Venetië en heeft daar de joodse muziek gehoord. Er zijn ook twintigste-eeuwse componisten die zich bewust hebben laten beïnvloeden, niet-Joodse componisten. Je kunt het soms horen, in bepaalde uitvoeringstradities van het Gregoriaans die daar echt op gestoeld zijn en bij Monteverdi in bepaalde versieringstechnieken. Je vindt de invloed ook terug in de getallensymboliek in allerlei werken van J.S. Bach. Vervolgens bij de joods-christelijke componist Mendelssohn-Bartholdy, in werken van Schubert en vooral in Russische muziek van met name Rimski-Korsakow en Sjostakovitsj.’
Je schreef ook een boek over je moeder.
‘Het is een biografie van mijn moeder. De titels van de hoofdstukken zijn ontleend aan de delen uit Dieterich Buxtehude’s cantate Membra Jesu Nostri. Mijn vader en ik hoorden dat stuk tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht, niet lang nadat mijn moeder was overleden. Het maakte een verpletterende indruk. Vandaar de keus voor de hoofdstuktitels als kapstok voor de indeling. In het boekje kijk ik door de ogen van mijn moeder naar de kunst waar zij van hield: beeldende kunst, (binnenhuis)architectuur, literatuur, klassieke en jazzmuziek. Ik probeerde deze voorliefdes psychologisch te duiden. Op deze manier ontstaat ook een tijdsbeeld en gaat het ook over kunstgeschiedenis. En bepaalde kanten van het karakter van mijn moeder ben ik al schrijvende steeds beter gaan begrijpen.’
Voor Shakespeare heb je een grote liefde. Wanneer is die ontstaan en wat trekt je in hem aan?
‘Dat was in 1993. Ik zat tv te kijken, zapte wat en toen kwam er een opvoering van Hamlet voorbij, opgenomen in het Hilversumse raadhuis onder regie van Dirk Tanghe en Berend Boudewijn. En toen was ik verkocht! Ik dacht, dit is wel zo iets moois! Ik heb Shakespeare natuurlijk op de middelbare school gehad, maar toen drong het nog niet zo tot me door, het hoorde gewoon bij de les. De opvoering was zo mooi gedaan dat ik er meer van wilde weten. Sindsdien ga ik altijd als Shakespeare ergens opgevoerd wordt. Ik ben gek genoeg om er ook voor op reis te gaan. Vrienden van me zijn ook grote fans, we delen die liefde. Een van hen is een Engelse toneelspeler. Ze sturen weleens linkjes door over opvoeringen in Engeland en dan ga ik daar ook naar kijken. Het is een totaal andere opvoeringstraditie dan in Nederland. Het grootste verschil zit er misschien in dat Engelse regisseurs meestal dichter bij het origineel blijven en Nederlandse niet altijd. De eerste opvoering van een Shakespearestuk vond in Nederland pas halverwege de negentiende eeuw plaats. Bovendien kent Nederland regisseurstoneel: de visie van een regisseur op een bepaald stuk is nadrukkelijk aanwezig. Het is heel leuk om kennis te nemen van dat verschil.
Ik ben ook een paar keer in Stradford-upon-Avon geweest, maar heb daar geen opvoering bijgewoond. Wel in Londen. Wat me trekt is misschien toch ook wel weer die dialectiek, goed, kwaad, tragedie, komedie ineen. En het mengen van dingen. Grensgangers zijn het eigenlijk, dit soort kunstenaars en in die verschillende stijlen. Dat is denk ik wel een kenmerkend woord.’
Je blogs op je website zijn heel verschillend. Soms zijn het recensies, soms boekaankondigingen of een verhaal over iets anders, met veel boektitels en auteursnamen. Heb je die associaties allemaal paraat?
‘Soms moet ik wel wat nazoeken, maar iemand heeft ooit tegen me gezegd: “Dat is een hele leuke soort kortsluiting in jouw hersenen.” Dat vond ik het mooiste compliment dat ik ooit gehad heb. Wanneer ik over literatuur aan het schrijven ben, schiet me vaak meteen een schilderij te binnen of een stuk muziek. Dat is de cultuurwetenschap in praktijk gebracht. Ik denk dat ik dat altijd heb gehad, door de studie misschien aangewakkerd. Maar het zat altijd al in me.’
Terugkerende thema’s in De hemel is altijd paars, de debuutroman van de in Iran geboren en sinds 2015 in Nederland wonende Sholeh Rezazadeh, zijn kleuren, glimlachen en dansen, en een grote plaats is ingeruimd voor bomen. En voor liefde, of het gebrek daaraan. Hoofdpersoon en ik-figuur Arghavan heeft in Amsterdam een winkel in tweedehands spullen, inkoop en verkoop. Kleding en andere dingen repareert ze voordat zij ze weer te koop aanbiedt. Ze houdt van haar winkel en vindt het ‘leuk als mensen de dingen waar ze ooit van hielden in mijn winkel laten staan en zelf vertrekken.’ Een van de vaste klanten is danseres Anna, die een vriendin wordt. Een ander personage is de oudere Johan die met een cassetterecorder en bandjes naar de winkel komt. Op de bandjes staan zijn stem en het geluid van de bomen waartegen hij praatte. Als Mees haar winkel komt bezoeken, wordt Arghavan verliefd op hem.
Poëtisch en zintuigelijk
Tussen het relaas over Arghavans bestaan in Nederland en de verliefdheid door ontvouwt zich het verhaal van haar vroegere leven in Iran, hoe ze er is weggegaan nadat haar vader aan opium verslaafd raakte en haar moeder, die haar eigenlijk toch al niet had willen hebben, weer eens vertrok, dit keer voorgoed. Ze herinnert zich hoe haar vader voor haar zorgde toen ze ziek was, de wandelingen en het eten samen met hem en ook dat hij zei dat ze niet zo’n overgevoelig meisje moest zijn. ‘Anders zul je het niet redden in deze wereld.’
De natuur weerspiegelt de gevoelens van de hoofdpersoon. Zo doet sneeuw op de Iraanse bergtoppen de ene keer denken aan bloemen, de andere keer aan een wond. In de poëtische en zintuiglijke taal herkennen we de dichter die Rezazadeh ook, of liever gezegd op de eerste plaats, is. Als Mees vraagt ‘Wat mis je dan?’ laat de auteur haar personage denken: ‘Bergen, taal, mensen, smaken, geuren, straten, lucht, wolken, brullende rivieren, alles, wil ik zeggen, maar ik ben bang dat, zodra die woorden uit mijn mond springen, ik emotioneel word en wat is er erger dan emotioneel worden bij mensen die je net hebt ontmoet.’
Tijdens een interview bij Boekhandel Broese in Utrecht vertelde Sholez Rezazadeh dat de hoofdpersoon vooral troost zoekt. ‘Die kan ze in de bomen vinden en de bomen staan symbool voor het leven van de mens, hoe ze ook moeten wortelen en soms van hun plek worden gehaald.’ De vader in het boek is ook haar vader, zegt ze. Eenmaal de Nederlandse taal machtig voelde Rezazadeh meer vrijheid om te schrijven. In het Nederlands. Alle woorden die ze al jarenlang in haar hoofd had durfde ze nooit tegen iemand uit te spreken, ‘laat staan schrijven’. Nederlands bevat als vreemde taal voor haar nog geen emotie, waardoor het gemakkelijker was de herinneringen op te schrijven.
Diepe angst
Als er meerdere afspraken en wandelingen met Mees volgen beschouwt Arghavan hun vriendschap als een relatie. Desondanks kun je je afvragen of daar echt sprake van is; de aanrakingen beperken zich tot handen en een schouder, een gezicht. Seks is niet aan de orde, althans, de schrijfster laat het haar personages niet beleven. ‘Ik wil dat Mees mijn haar aait terwijl ik hem vertel over mijn onvermogen om mezelf te uiten, over mijn diepe angsten voor de wereld […].’ Mees vindt haar interessant en leuk maar ook vreemd en wil op gelijkwaardige wijze met haar omgaan. Voor een beschermende en steunende positie voelt hij niets, zo valt al snel te concluderen.
Ondertussen danst Anna, danst de geur van koffie, dansen kruinen van bomen. Bomen wortelen en praten onder de grond met elkaar, praten met hun bladeren en takken. ‘Weet je dat het lijk van een boom in tegenstelling tot dat van een mens jarenlang in een hoekje mooi kan blijven staan?’ zegt Johan. Glimlachen doen alle personages doorlopend, ondanks de ernst van hun gedragingen en gedachten. Kleuren worden voortdurend benoemd, rood, paars, geel, blauw, groen, van bloemen, van bergen, luchten, kelims, van de sjaals en jurken van Anna.
Wortelen
Dat deze thema’s Rezazadeh na aan het hart liggen, komt duidelijk naar voren als Arghavan een brief van de gemeente krijgt waarin de kap van twee bomen tegenover haar winkel wordt aangekondigd, en daarop reageert met: ‘Ik heb nooit begrepen waarom de mens belangrijker is dan wie of wat dan ook. Waarom draait alles om het geluk van mensen?’
Dat bomen inderdaad met elkaar communiceren kan inmiddels bekend zijn uit het boek Het verborgen leven van bomen van Peter Wohlleben. De verfilming ervan draait in de bioscopen. Het is niet uitgesloten dat Rezazadeh bekend is met het boek. Gezien de belangrijke plaats die de bomen in het verhaal innemen, lijkt wat ze erover schrijft niet louter uit haar fantasie ontsproten te zijn. Haar kleine, fijne roman toont dat de natuur haar lief is en dat ‘wortelen’ – begrijpelijk – een cruciale aangelegenheid is.
En passant krijgen we beelden mee van het leven (van vóór 2015) van jongeren in Iran op school, in cafés, met boeken lezen, liedjes op radio en tv, groepen vrienden en nachtbussen. Een gewoon leven zoals we het hier kennen, met dagelijkse taferelen die moeilijk te rijmen zijn met de associatie die wij meestal met Iran hebben.
Soms doet de poëtische taal wat gekunsteld aan, zoals ‘De maan leunde vermoeid tegen het kussen van de hemel.’ Maar mooi is weer de metafoor van de adelaar die kan sterven als hij stil op de top van een berg blijft zitten, voor de vader die zich met zijn opium heeft teruggetrokken in een tuinhuis. Van een auteur die na enkele jaren in Nederland de taal zo goed weet te gebruiken, mogen we in volgende boeken nog veel verwachten.
In de tweede roman van Emma Curvers, Melktanden, gaat ik-verteller Lon samenwonen met Philip, iets waar haar moeder, gescheiden van haar vader en wat mannen betreft aardig gedesillusioneerd, weinig heil in ziet. Het stel is eind twintig en verhuist naar een nieuw appartement met geheel nieuwe huisraad, wat de opmaat naar een langdurige en standvastige relatie moet zijn.
Aan hun voorliefdes geven ze zich graag gezamenlijk over. Philip (componist en geluidsontwerper) heeft een zwak voor all-you-can-eat-restaurants en Lon (filmstudent) voor achtbanen. Ze delen alles samen, waaronder hun wensen. De achtbanen worden een ‘bindmiddel’ en Lon wil naar het ‘belangrijkste land op het gebied van achtbanen’, de Verenigde Staten, een plan dat door Philip wordt omarmd. ‘Hoe groter het idee dat ik opwierp, hoe aantrekkelijker het hem leek. “Natuurlijk moeten we naar Amerika, de bakermat van all-you-can-eat. We moeten eigenlijk alle achtbanen van Amerika testen.”‘ Een maand lang zullen ze de honderd belangrijkste achtbanen aandoen waarvan de auteur de namen aansprekend opsomt. Met de lichtvoetigheid van twee tieners stellen ze vast wie wat op reis doet.
Auteur Emma Curvers heeft inderdaad met een vriendin een reis langs een aantal Amerikaanse pretparken en achtbanen gemaakt. In een interview in De Groene Amsterdammer van mei dit jaar zei ze over de vergelijking tussen de twee parken Disneyland en Six Flags: ‘Ik hou van de kunstmatige wereld van Disneyland. Six Flags heeft echt geweldige martelmachines van achtbanen. Maar het is een vreselijk, vies park vol tongzoenende pubers en goor eten.’ De opgedane ervaringen heeft ze vakkundig in Melktanden verwerkt.
Barstjes, onzekerheden, weerstand
Ondertussen bepaalt Philip hun leven. Lon volgt, is bang dat ze ‘zal tegenvallen’, wellicht overgehouden aan een gezinsproblematiek waarover Curvers eerder schreef in haar, gedeeltelijk autobiografische, eerste roman Iedereen kan schilderen. Philip houdt van feesten, is vaak ’s avonds weg. Lon houdt er niet van, werkt overdag en hoopt dat met het samenwonen hun dag- en nachtritmes synchroon gaan lopen. Om hun leven meer gezamenlijke structuur te geven nemen ze een hond. ‘En zoals elke mascotte, zou de hond er ook voor ons zijn als er even geen samenhang tussen ons leek te bestaan.’
Curvers schetst een relatie met alle vrijheid en mogelijkheid tot ontplooiing voor een man en vrouw die ondanks hun verschillen een sterke band lijken te hebben. Ze laat zien hoe er kleine barstjes ontstaan, waar de onzekerheid binnensluipt en toont de – vooral door Lon ervaren – onderdrukte weerstand tegen een wens van de ander.
Lollig bedoeld?
Philip maakt een bucketlist van leuke dingen die hij nog wil doen voor hij oud is en Lon constateert dat het allemaal dingen zijn waarin zij geen enkele rol speelt, vooral omdat de lijst steeds langer wordt en zelfs het woord trio verschijnt. ‘Philip en zijn lijst zouden misschien wel verdergaan zonder mij, de vrouw zonder wensen.’
Lon ontfermt zich behalve over het huishouden ook over hond Frans. Ze is zorgzaam, geeft hem wat hij nodig heeft. Daarom stoort het als Curvers het eerst denigrerend over ‘het lekkende beest’ heeft als Frans nog niet zindelijk is. Later geeft Lon hem een dikke, met de post gekomen envelop om op te kauwen. De envelop met een vrouwelijk handschrift was aan Philip gericht, een onheilsteken voor Lon. Curvers beschikt over een behendige pen en originele stijl waar de humor niet ontbreekt, maar dit doet wat vreemd aan. Is het lollig bedoeld om een hond op een pak papier te laten kauwen?
Ze had al sloffen aan
Op de feestjes waar Philip heengaat is ook een Andere Vrouw. Lon is boos en verdrietig, wat ze behalve met af en toe een misprijzende opmerking niet uit. De illusie moet in stand blijven, praten zou die verstoren, minnares Xenia wordt knarsetandend aanvaard. Via Philips browsergeschiedenis zoekt Lon informatie over de rivale. ‘Hoe meer ik over haar te weten kwam, hoe meer het voelde alsof ze bij Philip en mij in huis was komen wonen. Ze zat op onze nieuwe hoekbank, ze had al sloffen aan. Ze droeg een huispak van velours. Ze praatte over haar stage […] ze haalde met gemak ieders sterrenbeeld aan om gebeurtenissen te verklaren. En ik deed niets, behalve afwachten.’
Eigenaardige wending
Via een vrijwilligersorganisatie komt ze in aanraking met de oma van Xenia. Dat biedt een opening naar een mogelijkheid tot wraak. Niet Philip maar de oma, Louise, gaat mee naar de Amerikaanse pretparken want deze dame zal autorijden in plaats van Philip. Zelf rijdt Lon niet. Helaas zet Curvers de zevenenzeventigjarige nogal clichématig neer: Afhankelijk, met een rollator in een aanleunwoning, ziektes en pillen, klagerig, en aan het begin van de reis botst ze met de gehuurde auto op een andere. Nogal tegenstrijdig met hoe Louise op reis op gegeven moment haar eigen gang gaat en zich weinig aan Lon gelegen laat liggen. De irritatie slaat bij beiden dan ook toe.
Op het einde van het boek nemen de gebeurtenissen een eigenaardige, in eerste instantie onbegrijpelijke, wending. Lon wordt door de schrijfster neergezet als een soort misdadigster die haar medereiziger aan grote gevaren heeft blootgesteld. Alsof een scherp denkende vrouw, ook al is ze oud, niet in staat is haar eigen beslissingen te nemen en weloverwogen keuzes kan maken over wat wel of niet binnen haar bereik ligt.
Kunstgreep
Curvers weet helder te schetsen hoe twee mensen vrolijk een relatie aangaan, hoe er ondanks alle goede bedoelingen en voornemens toch de klad in komt, hoe mensen elkaar niet goed genoeg blijken te kennen en elkaar onvermijdelijk teleurstellen. De manier waarop ze vervolg geeft aan de neergang van de relatie is echter een kunstgreep die ze niet in de hand houdt. Het verhaal over de Amerikaanse pretparken en achtbanen lijkt belangrijker dan het verdiepen van de karakters of het einde van een relatie. De personages blijven aan de oppervlakte en samen met de vreemde afloop laat het verder prettig lezende boek een onvoldaan gevoel achter.
Elte Rauch van Uitgeverij HetMoet is geen reguliere uitgever. Ze kiest voor literatuur met een stuwende kracht en blijft liever klein en persoonlijk dan dat ze mee zou gaan in de commerciële ratrace. Kwaliteit staat bij het uitgeven voorop en Rauch peinst er niet over daarvan af te wijken.
Een platbodem uit 1927, gelegen aan het Oosterdok in de Amsterdamse museumhaven, is het onderkomen van HetMoet, de enige varende uitgeverij in Nederland. Op de zonnige dag dat ik aan boord van de lage, bruinhouten woonboot stap komt hond Robin me tegemoet, blaffend, want ze weet nog niet of ik goed volk ben. Uitgever Elte Rauch stelt haar gerust. Manoeuvrerend over de smalle ruimte langs de kajuit loop ik naar voren waar Elte me opwacht en het trapje af gaat naar de gezellige woonruimte, half onder de waterlijn. Er staat een tafel met een laptop, lp’s langs de wand, een kachel, een zitbank, stoelen en kussens en een keukenblok, alles wat nodig is voor een prettig thuis. Het zonlicht valt door de ruiten. Hond Robin wordt door manlief meegenomen voor een wandeling.
Elte Rauch (1980) maakte in een vorige baan een bloemlezing van het werk van een Nederlandse schrijver, alsmede een jubileumuitgave. Ze ontdekte dat ze het hele proces van samenwerken met drukker, vormgever en uitgeverij ontzettend leuk vond, vooral omdat iedereen zo gepassioneerd te werk ging.
Ze ontmoette Simon Mulder, dichter en artistiek leider van Stichting Feest der poëzie (organisator van onder meer poëzie- en muziekevenementen), die graag een bloemlezing wilde maken van het werk van Henriëtte Roland Holst, in 2019 honderdvijftig jaar eerder geboren. De twee verzamelden wat mensen om zich heen die Roland Holst nog hadden gekend of veel van haar wisten en besloten: ‘We gaan het doen.’
En zo ontstond HetMoet?
‘Ik werd geconfronteerd met kanker en dacht, ik kan hier gaan zitten wachten maar ik kan ook een boek maken en me bezighouden met poëzie en literatuur die me altijd al, mijn hele leven kracht hebben gegeven. Ik zette alles op alles om dit boek te maken, met de mensen die erbij betrokken waren. Het werd een prachtige biografische bloemlezing. Niet iedereen kent Henriëtte Roland Holst meer, dus we hebben een boek gemaakt waarin mensen niet alleen met haar werk kennismaken, maar ook met haar als persoon. Simon Mulder noemde haar een “hipster avant la lettre”. Ze was vegetarisch, politiek geëngageerd, wat voor een vrouw in die tijd niet zo gewoon was. Er kwam net een boek uit van Rosa Luxemburg, een vriendin van haar met wie ze ook had geschreven, van wie ook een gedicht in onze bundel staat.’ Het resultaat was De zachte krachten zullen zeker winnen, de eerste uitgave van HetMoet, waarmee Rauch zich inmiddels had geregistreerd.
Waar komt de naam HetMoet vandaan?
‘Het was een beetje een grapje naar DasMag, ze konden er gelukkig om lachen. Ik zei nee, het moet. Mijn vader, hij leeft niet meer, heeft het logo, het mammoetje ontworpen. Dat was een schot in de roos. De literatuur die wij uitgeven heeft ook die stuwende kracht, een beetje eigenwijs, een beetje tegendraads, creatief. Ik ben absoluut geen reguliere uitgever, ga mijn eigen weg. De kern van de uitgeverij is dat het boeken zijn die moeten. Ook boeken waarvan wij vinden dat ze weer de aandacht moeten krijgen, of weer moeten worden vertaald, of soms vanwege een speciale of memorabele gelegenheid.’
Wij, betekent bij Rauch alle mensen met wie ze samenwerkt. De redacteuren, vormgevers en drukkers verdienen in Rauchs ogen evenveel aandacht als de schrijver en kunnen net zo goed als zijzelf suggesties voor uitgaven doen. Binding met alle medewerkers is belangrijk en ‘prettig omdat iedereen er uiteindelijk net zo gepassioneerd in staat als ik.’
HetMoet wil klein blijven en geeft boeken uit zonder commerciële instelling en in series zoals Open Archief, Biografische Bloemlezingen en de Singersteek Serie. De boeken worden mooi gedrukt en vormgegeven, de omslagen in boekdruk gedrukt en zijn vaak handgebonden.
‘Open Archief zijn boeken die ook moeten en die meer over actuele thematiek gaan,’ vertelt Rauch, ‘bijvoorbeeld Over ziek zijn, met onder meer het gelijknamige essay van Virginia Woolf. We maken nu een Engelse uitgave waarin de Nederlandse teksten van Lieke Marsman en Mieke van Zonneveld in het Engels worden vertaald en waarin nog meer bijdragen worden opgenomen, zoals van Nadia de Vries. Ik werk veel met agenten en schrijvers en kleine uitgeverijen in Ierland en Engeland.’
Het is nogal divers, wat je uitgeeft. Hoe komt die keuze tot stand?
‘Iemand komt met een idee, ik kijk of het binnen ons fonds van de drie series past. Als het daarin past, dan zeg ik meestal ja. Uiteraard moet het wel een bepaalde literaire kwaliteit hebben. Samen met onafhankelijke redacteuren kijk ik daarnaar, ik beslis er niet alleen over. De series ontstonden om de uitgeverij en de boeken duidelijk te profileren. Ik kies er niet voor om alles wat los en vast zit uit te geven. Ik wilde iets ethisch neerzetten, iets ambachtelijks en iets eigenwijs. Misschien wat heftige woorden, maar daardoor werd ik wel gedreven. Ik ga een beetje mijn eigen gang. Ik ben niet bang voor nieuwe en ook niet voor klassieke literatuur, maar de uitgaven moeten wel op een bepaalde manier gerepresenteerd worden. Zo zijn mijn eerste drukken binnen Open Archief altijd hard back. Dan zul je altijd de eerste druk herkennen. De boekjes uit de Singersteek Serie zijn jubileum- of gelegenheidsuitgaven. De naam van de serie komt van de wijze waarop ze zijn gebonden: zonder rug en genaaid met een naaimachine. Je krijgt dan wel kritiek, zo van, ‘het heeft geen rug’. Nee, het heeft geen rug. We hebben nu al een hele serie en op een gegeven moment herken je ze wel.’
Onlangs verscheen in de meestal tweetalige Singersteekserie, Het gif/Le poison van Charles Baudelaire, die dit jaar 200 jaar geleden geboren werd. Rauch nam contact op met vertaler Peter Verstegen die bereid was zijn favoriete decadente gedichten van Baudelaire uit te kiezen voor een mooie bloemlezing in de serie.
‘Ik heb er vierhonderd van laten drukken. Ze zijn best goed verkocht in de boekhandels. Net als bij Roland Holst heeft Stichting Feest der poëzie er een programma aan gewijd – door corona een beetje anders – met muziek, theater, film, voordracht en een heuse poëziebar. Er wordt van alles uit de kast gehaald om die poëzie neer te zetten. Baudelaire is blijkbaar nog populair genoeg. Sommige boekhandels hadden een hele Baudelaire-tafel ingericht, zoals Atheneum. Bij zo’n uitgave is het criterium: hoe urgent is het, moet het, moet het nu? Ja, dit moest nu.’
‘Het boek Ik kies Elena (uit de serie Open Archief) is onder de coronawolk terechtgekomen. Het is het debuut van schrijver en essayist Lucia Osborne-Crowley. Niet alle Nederlanders lezen gemakkelijk Engels en dit boek zou ook een meisje van vijftien moeten kunnen lezen, daarom heb ik het laten vertalen.’
Hoe kwam je op het idee van deze uitgave?
‘Ik was op een literair festival in het boekdorp Hay-on-Wye, waar ik lang heb gewoond en het boekje viel me gewoon in handen. Ik heb het in één ruk uitgelezen en dacht, heel intuïtief, dit moet ik uitgeven. Er was destijds een discussie gaande over misbruik binnen de sportwereld, vooral bij turnmeisjes. Daar gaat dit boek ook over. Maar het is geen slachtofferboek, het gaat voornamelijk over haar herstel. Wat voor mij heel belangrijk is in dit boek, en ook bij mijn andere uitgaven, is de dialoog met de wereld en de literatuur. Osborne-Crowley las de boeken van Elena Ferrante, de poëzie van Rupi Kaur en andere krachtige literatuur en daaruit putte zij kracht in haar hersteltijd. Ze gaven haar bijna een sense of being. De dialoog tussen de literatuur en het leven zelf is een soort dialectiek die dan ontstaat. Ik vind dat heel erg krachtig en mooi en dit soort literaire non-fictie is in Nederland nog vrij onpopulair. Met andere schrijvers ben ik bezig om die in Nederland een plek te geven. Bijvoorbeeld Nadia de Vries schrijft zo ook, of Lieke Marsman. Dat is een van mijn criteria. Ik geef geen zelfhulpboeken uit of “mijn verhaal in zestien delen”, het moet die beweging, dat reiken naar literatuur hebben.’
Elte Rauch schreef zelf in 2020 in het kader van 75 jaar bevrijding, Vormen van vrede, korte verhalen met herinneringen aan haar Indische familie en de Tweede Wereldoorlog.
‘Daar maak ik geen sport van hoor, om eigen werk uit te geven. Nu gebeurde het gewoon zo. Ik gaf het samen uit met de vertaling van de Jiddische dichter Mordechai Gebirtig, de boeken horen ook echt bij elkaar. Er waren een documentaire en een podcast aan gekoppeld, allemaal over 75 jaar bevrijding.’
Er komt nu ook weer een jubileumuitgave aan?
‘Ja, een ontzettend leuke opdracht van het Nias (Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences, A.M.) over writers in residence, ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het Nias. Met schrijvers als Tommy Wieringa, Hagar Peters en Lieve Joris, totaal zo’n dertien auteurs die schrijven over het thema Belonging, ergens bijhoren, thuiskomen. Het Nias wil een authentieke uitgave, iets wat mooi gedrukt is. Ik werk samen met beeldend kunstenaar Octavie Wolters, zij maakt de omslagillustratie, in linosnede. Ik ken haar via mijn drukker, een van de laatste der Mohikanen die nog in boekdruk drukt.’
Rauch doet alles zelf. Ze heeft geen apart kantoor maar werkt thuis. Met een armgebaar geeft ze aan dat zich achter in het ruim een bibliotheek en een werkkamer bevinden. Daar ligt ook de voorraad boeken van HetMoet opgeslagen. In het voor- en najaar wordt er gevaren.
‘We zijn net weer terug. Rotterdam, Gouda, over de IJssel. Dan maak ik ook contact met lokale boekhandels. Heel soms komen er ook schrijvers langs of wordt er aan boord voorgedragen. We doen kleine evenementen, niet te groot want we wonen hier ook. We vervoeren de boeken, hebben altijd literatuur aan boord en dat promoten we. Ik heb aanvankelijk veel hulp gehad van het collectief De Vrije Uitgevers die mij ook met bepaalde drukkers hebben verbonden. Maar ik ga heel intuïtief af op wat ik zelf prettig en mooi vind.’
De meeste mensen kunnen zich waarschijnlijk niets voorstellen bij een varende uitgeverij. Zijn de eerste contacten die je legt met boekhandels?
‘Ja. Ik heb bijvoorbeeld een heel leuk contact met boekhandel ’t Spui in Vlissingen. Die volgen ons op de voet. Als we daar zijn kom ik altijd wat brengen. Op 5 mei hadden ze een stapeltje Vormen van vrede neergelegd. Ik kom uit Zeeland, dus dat vonden ze extra leuk. Het is allemaal low key. Ik woon en werk hier, we zijn geen evenementenboot, maar het is een mooi en romantisch idee dat je je eigen boeken onder zeil vervoert. Als varende uitgeverij is het leuk om iets te doen met andere literaire activiteiten.’
Voor een vaartocht deelt Rauch het plan daarvoor op sociale media en stuurt af en toe een nieuwsbrief uit waarin de aanlegplaatsen worden vermeld. Vorig jaar had ze een boek met gedichten van de Zeeuw P.C. Boutens uitgegeven, in Zeeland kwam een dichter deze gedichten aan boord voordragen. Volgend jaar gaat HetMoet samenwerken met de Vrijbuiter uit Zierikzee, ook een zeilende platbodem en Rauch wil ook een zomer-zeil- schrijfcursus aanbieden. Deelnemers moeten dan een ‘Mammoetje’ (een manifest, gedicht, essay) schrijven waarvan het beste stuk online gepubliceerd wordt.
Is zo’n uitgeverij met heel specifieke uitgaven rendabel?
‘Ik ben wel met een uitstervend beroep begonnen. Daar maak ik me nog wel eens zorgen over. Er wordt weinig gelezen in Nederland en de omloopsnelheid van boeken is niet bij te houden. Ik ga daar ook niet in mee, ik ga niet mee in die commerciële ratrace want dat haal ik niet in mijn eentje. Mijn boeken zijn tijdloos en ik bied ze steeds opnieuw aan. Het is nog niet rendabel en elke keer als ik quitte speel denk ik, hé, ik heb niets verloren, ik kan weer een boek maken. Collega-uitgevers zeggen: het is veel te duur, je moet het daar en daar laten drukken. Maar het is mijn keuze dat het om het boek en het proces gaat en de kwaliteit die daaraan vastzit. Daar wijk ik niet vanaf zolang ik mijn boterham kan betalen. Ik blijf liever klein, kwalitatief en persoonlijk bereikbaar. Die ambitie houd ik voor ogen.’
‘Ondertussen is het verdomde moeilijk om je hoofd boven water te houden in de grote boze boekenwereld, bij wijze van spreken. Ik kan het me niet veroorloven een tafel op de beurs te huren. Ik moet het hebben van initiatieven, leg veel contacten met culturele podia zogauw het weer kan, zoek de mensen op. Sociale media vind ik zelf niet belangrijk maar voor mijn bedrijfje is het een manier om zichtbaarheid te genereren. Mijn ambitie is klein zijn, maar wel zichtbaar. Dat is wel een uitdaging. Er wordt zóveel gepubliceerd, ik heb daar een dubbel gevoel bij. Er komen wel drieduizend boeken per maand van de pers. Waar gaat dat heen? Ik lig niet met Herman Koch-achtige stapels bij Scheltema, maar ik bel Scheltema wel op met de vraag: kunnen we een keer iets doen in de boekhandel?’
Het is niet meer bij te houden wat er allemaal uitkomt.
‘Nee, precies. Ik ga me daar ook niet aan meten want dan word ik gek en kan ik wel stoppen. Een vriendin van me die een keer met ons meevoer, zei: alles vertraagt hier. En zo is het. In Gouda gingen we de haven uit, dat is een kwartier lopen en wij deden er met de boot anderhalf uur over. Omdat we door sluizen moesten, wachten, onder bruggen door, weer wachten. En ik hou daarvan! Ik hou van die vertraagdheid en het accepteren daarvan. Daarin zit zo’n kwaliteit van leven. Dat heb ik ook met mijn boeken. Een essay van honderd jaar geleden combineren met essays van nu, daar zit een tijdcapsule van een eeuw in en toch is het met elkaar in gesprek. Dat komt doordat we erbij stilstaan, het blijft actueel. Ziek zijn is nou eenmaal ook een thema, of je het nou leuk vindt of niet. Ik wil juiststilstaan bij dingen die er al zijn en bij dingen die nog moeten komen, op een soort ontluikende en zachtaardige manier. Niet snel, snel en nu, en veel.’
‘Ik heb ontzettend veel geluk gehad, heb een beetje subsidie gekregen van het Letterenfonds. Het is moeilijk om daar tussen te komen als kleine uitgeverij. Ik vind het ook ontzettend sportief van het Letterenfonds, dat ze een kleine maar kwalitatieve uitgeverij hebben gezien tussen alle paperassen. Ik ben ze daar dankbaar voor. Ik ken daar niemand maar geef ze wel aandacht in mijn nieuwsbrief en op sociale media. Want alleen kan ik het niet, een boek maak je altijd samen. Aan de mensen achter de coulissen wil ik ook meer zichtbaarheid geven, de vertalers, de redacteuren, de illustratoren. Die zijn voor mij bijna net zo belangrijk als de auteur. Wat de vormgever van de serie Open Archief altijd doet is dit:’ Elte Rauch pakt het boek Over ziek zijn, haalt het papieren omslag met de tekening van Virginia Woolf eraf en toont de harde kaft, waarop dezelfde tekening nogmaals gedrukt is. ‘Dat vind ik zo’n mooi detail! Heel chic. Het was niet mijn idee, maar van boekontwerper Steven Theunis van Armée de Verre bookdesign. Geweldig hè!’
In Onze kinderen van Renée van Marissing, haar vierde roman, moeten de zussen Mia en Iris in een Fries dorp het huis opruimen van hun vader die kort daarvoor is overleden. Van Marissing is ook toneel- en hoorspelschrijver, performer en regisseur. Daaraan zal het te danken zijn dat de gebeurtenissen in de roman in bondige, snelle scènes en veelal korte zinnen zijn verwerkt.
De ouders van de Amsterdamse Mia en Iris zijn al lang geleden gescheiden. De vader, Nico, was een man met een drankprobleem. In flashbacks vertelt ik-persoon Mia het verloop van de relatie met hun vader. In het heden speelt Mia’s relatie met Sally die zwanger is van hun eerste kind. Sally is de rots in de branding. Ze zit rustig en vrolijk zwanger te zijn, overziet situaties, is geduldig en begripvol en zegt verstandige dingen.
Ook als Mia afwezig is bij zwangerschapscontroles want druk, druk, druk, en niet weet wat een geboorteplan is, berust Sally met slechts een enkele opmerking. Zelf had Mia niet de behoefte haar DNA door te geven. ‘Ik zie mijn genen bij bosjes op slot gaan, een steeds gemankeerder lichaam, en ik vervloek de epigenetica.’ Als Mia ergens in het boek denkt ‘Ik krijg een kind’ dan komt dat ietwat bevreemdend over omdat zij er biologisch niet aan te pas komt, al is de beleving vanuit haar standpunt begrijpelijk.
Slechte herinneringen
Voor het opruimen van Nico’s woning heeft Iris een container gehuurd. Die is hoog, er is een trap nodig om de spullen erin te deponeren en Mia worstelt zelfs in haar eentje om een bank buiten te krijgen, tegen de trap omhoog te duwen en over de rand te kiepen. Wat niet lukt. Zo’n hoge container om huisraad in te laten afvoeren is een nogal onrealistische keuze van de auteur en lijkt alleen bedoeld om drama te kunnen toevoegen. Als de zussen samen in het huis zijn (Mia lijkt het meeste werk alleen te doen), verwijt Iris haar zus dat ze het voor hun vader opneemt, terwijl zijzelf vooral boos is en weinig woorden wil wijden aan de slechte herinneringen. Mia probeert echter begrip op te brengen voor de man die worstelde met het leven: ‘… mijn vader is altijd meer alleen geweest dan mijn moeder’.
Kundig verweven feiten
Tot doorleefde problematiek komt het in het boek echter niet. Of het nou het opruimen betreft, de zwangerschap of het verleden, het blijft bij situatieschetsen zonder veel diepgang. Nico heeft kanker gehad toen zijn dochters nog kinderen waren, raakte door de lange ziekte zijn werk kwijt en had na de scheiding nog een paar relaties, feiten die door Van Marissing kundig door het verhaal worden geweven. Maar de vader wordt niet echt een karakter. Er ontstaat een beeld van een man die ondanks de drankverslaving zijn dochters toch af en toe een uitje wil bieden of thuis hartelijk ontvangen, wat door het egoïsme dat een verslaafde eigen is meestal verkeerd uitvalt.
Ruim voorbij de helft van het boek wordt het verhaal beschouwender – en daarmee interessanter – onder meer aan de hand van de ervaringen en het alcoholisme van Marguerite Duras. Mia peinst: ‘…mijn drinken is een ander soort dan dat van mijn vader en Marguerite Duras. Het niet kunnen stoppen, je leven inrichten naar alcohol, ja, dan ben je verloren. Het was ondenkbaar dat er geen bier in mijn vaders huis aanwezig was, en hij wist op elke onbekende locatie in een mum van tijd een café te vinden.’
Less is more voldoet niet
Spijtig genoeg blijft Van Marissing bij geen enkele essentiële scène lang stilstaan, waardoor de gebeurtenissen voorbijgaan als dingen die nu eenmaal gebeuren met mensen die allemaal wel een groter of kleiner probleem hebben. Het geeft een beetje het gevoel dat de auteur een drama vertelt zonder te willen ingaan op de gevoelens die daarmee gepaard gaan. Sommige passages lijken er met de haren bijgesleept, zoals de ruim twee pagina’s over de film Eternal Sunshine of the Spotless Mind waarin de hoofdpersonages herinneringen aan elkaar hebben laten wissen. De auteur vertelt dit met geen andere reden dan dat Mia aan die film denkt nadat ze hem een paar dagen eerder ‘voor de zoveelste keer’ had bekeken. Natuurlijk kan de lezer daar zelf van alles bij invullen, maar less is more voldoet hier niet. En de op zich mooie scène van de eend die plotseling binnenshuis op Nico’s tafel staat en vervolgens weer buiten belandt, komt voorbij met dezelfde portee als wanneer de ik-figuur een kop koffie had gedronken.
Leed komt er niet uit
Het zijn mooie en ook treffende zinnen die Van Marissing schrijft, maar dat maakt nog niet dat verdriet en pijn in Onze kinderen invoelbaar worden. Misschien is dat het gevolg van de keuze voor drie onderwerpen binnen een kleine roman: het verleden met Nico, het heden met het opruimen en de zwangerschap. En misschien hoeft het ook niet, situaties op gevoelsniveau uitspinnen, ware het niet dat de lezer meer betrokken zou raken als zwaarwegende gebeurtenissen dieper zouden zijn uitgewerkt. Bijvoorbeeld wanneer Mia opnieuw terugdenkt aan een situatie met haar vader:
Ze is zestien en logeert twee nachten bij hem in een huis aan de Vecht van afwezige vrienden. Ze gaan naar een feestje en bij thuiskomst parkeert de dronken vader de auto van de vrienden tegen een boom. Met moeite waggelt hij langs de Vecht naar het huis. Even later laten ze de hond uit. Mia loopt voor haar vader uit en fantaseert hoe zij het niet zal horen als hij in het water valt omdat de hond net op dat moment hard blaft. Dat laat zien hoe de situatie haar bedrukt, maar daar blijft het dan ook bij. Angst, ontzetting, leed, hetzij van de vader, hetzij van de dochter, komen er niet uit.
Qua verloop zit Onze kinderen goed in elkaar en is het verhaal efficiënt verteld. Het boek leest vlot weg, aan de juiste woorden ontbreekt het Van Marissing niet. Jammer alleen van het gebrek aan pieken en dalen. Daardoor blijft het toch een beetje bij vertier met een donkergrijs randje.
Wat dichter en filosoof Henk van der Waal met zijn eerste roman De uitbraak precies beoogt, wordt niet snel duidelijk. Hij roert wereldproblemen als klimaat, vluchtelingen, gender, een doorgeschoten economie en voortrazende technologie aan en het lijkt erop dat hij liefde in de ruimste zin van het woord propageert als oplossing. Een universele liefde van en voor iedereen en alles, inclusief de kosmos. Het is nogal wat, wat de lezer in dit boek te verstouwen krijgt.
De uitbraak bestaat uit drie delen. In het eerste, Het Rijk, wonen de sterfelozen, fellows genaamd, in een ‘intens gestabiliseerde samenleving’. Zij zijn niet op de gebruikelijke manier geconcipieerd maar ontworpen en worden met technische middelen gelukkig gehouden. Om de zoveel jaar krijgen ze een ‘regeneratieboost’ om hun sterfeloosheid te revitaliseren. Maar niet iedereen is altijd gelukkig. Er ontstaan ‘eigengereiden’ en ‘binnenvetters’ die met data-analyse, therapieën en farmaca gecorrigeerd moeten worden.
Mislukte boost
De tweeslachtige hoofdpersoon en ik-verteller Gustav is regeneratiespecialist en begeleidt de probleemgevallen. Behalve met de gangbare behandelingen denkt hij dat ‘reflectie en interpretatie op betekenisniveau geldige inzichten omtrent de werkelijkheid opleveren’. Die mening wordt in Het Rijk nauwelijks gedeeld. Als hij zelf weer een boost ondergaat komt hij daar niet zoals gepland en gewenst doorheen. Er daagt het besef dat hij een biologische moeder heeft en hij gaat haar zoeken. Als hij haar, Moon, gevonden heeft breken ze samen door de Glazen Wand, de grens van Het Rijk en een legering van silicium, terbium en goud. De natuurkundigen onder ons zullen weten wat dat oplevert, de doorsnee lezer duizelt het al snel van Van der Waals inventieve technische termen en fantasierijke bewoording van plaatsen, materialen en handelingen.
Baby’tjes
In deel twee van het boek komt Gustav terecht op Het Eiland, de geboorteplaats van Moon. Daar wonen de sterfelijke ‘menselijken’. Over mensen heeft de auteur het niet, noch over mannen en vrouwen. Met Alexis, de vrouwelijke (maar ook hermafrodiet) die hij er als eerste ontmoet komt het tot pathetische liefde. ‘Ik wil me slechts met haar bevruchten. Vlak boven haar vel strijk ik zonder haar te raken mijn handen over haar warmteaura heen. Het is een zegening, eerbiediging en liefdesdaad ineen.’ En even later: ‘We zijn niet meer te houden.’
De eilanders leven geweldloos en in gemeenschap, wat wil zeggen dat alles van en voor iedereen is, inclusief de kinderen. Baren en zogen vindt gelijktijdig door meerdere vrouwelijken plaats – waarbij Van der Waal het steeds over baby’tjes heeft, niet over baby’s of kinderen. De leefgemeenschap wordt geleid door de lamme filosoof, een potsierlijke figuur die – als bij de pietà – op Alexis’ schoot hangt. Hij kwijlt, tettert en schettert en tijdens het tribunaal waarvoor de twee geliefden met hun ‘exclusieve liefde’ moeten verschijnen, hangt hij tussen twee dragers. De veroordeelden worden verbannen naar De Zone, deel drie van het boek.
Kapstok voor verhaal
Door het hele boek heen spelen de lust en de liefde. Voordat Gustav op het eiland belandt zijn er al twee uitgebreide seksscènes gepasseerd en meerdere zullen volgen. Buiten Het Rijk ervaart hij geregeld een ‘liefdevolle gloed’ in de ogen van de vrouwelijken. Hij is een willoze figuur die zich laat overdonderen en leiden door de vrouwen op zijn pad, Moon, Alexis en later Bitya. Ook de gidsen die in het boek voorkomen zijn vrouwen aan wie Gustav zich gedwee onderwerpt, al laat Van der Waal hem voor de vorm wat tegensputterende gedachten hebben. Vreemd is een zekere animositeit die voortdurend in competitieve dialogen tussen Gustav en de vrouwen opklinkt. Ze is niet logisch, er is geen reden voor. Misschien dat Van der Waal probeert via dit spel van aantrekken en afweren spanning te creëren, maar dat werkt niet. Het doet kinderlijk aan. De personages zijn plat en eigenlijk oninteressant. Hun gedrag wordt vervat in clichés als ‘staart onbestemd in de verte’, ’tovert een lachje op haar gezicht’, en ‘als door een wesp gestoken’. Wellicht zijn de personages bedoeld als kapstok waaraan de auteur het grote onderliggende verhaal kan ophangen: het belang van leven en dood, deel zijn van het universum, leven in overeenstemming met de natuur en de natuurwetten.
Overtuigend beschreven in deel een is Gustavs eigen bewustzijn als hij nog in de baarmoeder zit, en dat geldt ook voor de steekhoudende aanklachten en pleidooien tijdens het tribunaal in deel twee. En in deel drie formuleert de auteur scherp: ‘Technologie heeft de neiging om te woekeren. Voor je het weet ben je niet veel meer dan een brok energie om die woekering te voeden. Als dat eenmaal zo ver is, trekt die woekering zich niets meer van je aan en is je autonomie de illusie die ze altijd al dreigde te zijn.’ Andere frasen zijn moeilijk te doorgronden omdat de auteur lastig herkenbare leefsituaties in onbekende substantie voorschotelt, zoals het leven van de menselijken in glaslemen bollenraten in de bomen. Sommige zinnen zijn wonderlijk, bijvoorbeeld dat iemand op mos op zijn tenen naar een slapende toesluipt. Op je tenen sluipen op mos?
Ideale samenleving
Om zijn verhaal de ruimte te geven heeft Van der Waal een heel arsenaal aan interpretatiemogelijkheden van levensbeschouwingen ontsloten. Er zijn elementen van science fiction, sprookjes, new age en esoterie. Een grote plaats is ingeruimd voor androgynie en tweeslachtigheid. Ook metafysica, ruimte-/tijdmaterie en filosofie zijn erin verwerkt. Zo kan de lezer stuiten op Spinoza, Sartre, Newton en Descartes, en ongetwijfeld is er nog veel meer filosofisch en natuurkundig gedachtegoed door het verhaal verweven. Interessant voor wie het herkent, de niet-ingewijden zal het ontgaan.
De Zone lijkt het ideaal waar het Van der Waal om te doen is. De menselijken leven in bollenraten van glasleem in de bomen. Doden worden opgenomen in de boomkruinen en vandaar in de kosmos. Alle menselijken zijn er tweeslachtig, er wordt gepaard en gebaard met en door iedereen, maar zwangerschappen duren lang en zijn beperkt. Tegenstrijdig is dan wel weer dat de exclusieve liefde tussen twee menselijken als het hoogste wordt gezien.
Het is een indrukwekkend maar moeilijk boek dat Van der Waal via zijn bewonderenswaardige verbeeldingskracht opdist en sommige scènes zijn lastig serieus te nemen. Uiteindelijk lijkt zijn verhaal toch te gaan om liefde tussen twee mensen en de voortplanting. Met als extraatje een allesomvattende liefde voor leven en dood en verbondenheid met het universum in een ideale samenleving. Een respectabel idee, maar in het hier en nu blijft het tobben met de mens.
Wat betekent het een vrouw te zijn, wat betekent het een man te zijn? Kunnen vrouwen zich beschermen tegen de slechte kant van mannen? Waarin schuilt de menselijke zwakte? Na vier romans laat de Amerikaanse schrijfster Nicole Krauss met de bundel Een man zijn zien hoe lastig het is licht op deze hachelijke vragen te werpen. Beeldende en soms vervreemdende verhalen spelen zich af in de huidige tijd en overal ter wereld. De mannen zijn verleiders, minnaars, vaders, kinderen en zelfs echtgenoot. Een oude professor neemt zijn pasgeboren kleinkind mee naar het dakterras van een appartementengebouw. Een jong meisje heeft van een zakenman een briefje van 500 franc gekregen waarop het nummer van zijn hotelkamer vermeld stond. Een danseres is zo verregaand gefascineerd door de acteur Homayoun Ershadi in zijn rol in de film Taste of cherry dat ze ervan overtuigd is hem te moeten behoeden voor de zelfmoord die hij in die film pleegt. Krauss plaatst haar personages overal, van Zwitserland tot Japan en Zuid-Amerika. Alle leeftijden zijn paraat, evenals levenservaringen met macht, sex, zelfkennis, passie en ouder worden. Sommige van deze meeslepende verhalen verschenen eerder in tijdschriften als Esquire en The New Yorker.
Auteur: Nicole Krauss
Uitgeverij: Ambo|Anthos
Walging
Jean Paul Sartres wereldberoemde Walging (La Nausée) verscheen voor het eerst in 1938 en is sindsdien vele malen herdrukt en heruitgegeven. De belangstelling voor filosoof Sartre en het existentialisme is nog altijd groot. Uitgeverij Atheneum heeft Walging nu opnieuw uitgegeven.
De verteller, historicus Antoine Roquentin, heeft zich uit de wereld teruggetrokken om een studie te schrijven over een achttiende-eeuwse markies. Teruggeworpen op zichzelf ziet hij zich geconfronteerd met niet alleen zijn eigen existentie maar met het hele bestaan, de hele wereld. Alles roept walging bij hem op, een walging die Sartre zintuiglijk beschrijft. Illusies heeft Roquentin na een bewogen leven al lang verloren. In zijn isolement gaat hij twijfelen aan zijn eigen gewaarwordingen, aan het verschil tussen dingen en mensen en aan de betekenis van het menselijk bestaan. Zijn zelfherkenning is hij kwijt. Het verhaal over de markies verdwijnt naar de achtergrond en Roquentin geeft zich over aan observaties van anderen. Het trachten te duiden van alles en iedereen doet hem tot de conclusie komen dat de mens een overtollig wezen is. Sartre schreef het werk na bestudering van de fenomenologie.
Auteur: Jean-Paul Sartre
Uitgeverij: Athenaeum
Het lichtje in de verte
Ook eenzaam en alleen in een totaal verlaten bergdorp leeft Antonio Moresco’s hoofdpersoon in Het lichtje in de verte (2013). De dakpannen van zijn onderkomen vallen van het dak, deuren in leegstaande woningen sluiten niet meer, luiken klapperen. In huis hoort de man vreemde geluiden, hij voelt de aarde bewegen. Hij is nietig tegenover het universum en heeft daar vrede mee. Zwervend door het bos voert hij een dialoog met bomen, luchtwortels, vogels, dassen, vuurvliegjes en alle andere levende wezens en vraagt hij zich af wat mens en dier bindt. Hij piekert over het bestaan. ‘Waar kan ik heen om die ravage niet langer te zien, die onherstelbare, blinde wringing die ze leven hebben genoemd?’ Maar iedere nacht ziet hij op hetzelfde tijdstip aan de andere kant van de vallei een lichtje branden. Het intrigeert hem en uiteindelijk gaat hij op onderzoek uit, om een jonge jongen, een kind nog, te vinden die alleen in een huis in het bos woont. Wie of wat is dit kind? Op ontroerende en bespiegelende wijze toont Moresco de pijn van de wereld, en het niets, het absolute en het mysterieuze. In 2018 werd het boek verfilmd. Antonio Moresco speelde zelf de hoofdrol.
In De naam van de wereld (2000) van de Amerikaanse auteur Denis Johnson (1949-2017) werkt universitair docent Geschiedenis Michael Reed bij de faculteit Geesteswetenschappen in het midwesten van de VS, en gaat hij ‘ogenschijnlijk verlamd of onverschillig’ door het leven, nadat hij vier jaar eerder zijn vrouw en dochter verloor door een auto-ongeluk. Hij bleef doen wat hij al jaren deed. ‘Ik kwam opdagen waar ik was uitgenodigd. Ik las heel wat af in de bibliotheek. Ik ging in mijn eentje naar de film. Ik keek naar de schaatsers op het campusmeertje. Heel wat vaker dan ik aan de grote klok zou willen hangen had ik denkbeeldige gesprekken met ene Bill’. Bill is suppoost bij een museum en wisselt zelden een woord met bezoeker Michael.
In het begin van het boek ontmoet hij tijdens een dinertje onder anderen Heidi Franklin, een historica van de kunstacademie. Ook aanwezig is een jonge studente die voor de aanwezigen cello speelt. Tien pagina’s verder gaat Michael naar het Schone Kunstengebouw om Heidi op te zoeken. Hij wordt verwezen naar een ruimte waar een ‘Cannon Performance’ gaande is. ‘…op een klein podium zat een vrouw met haar benen wijd op een tafel, haar linkervoet opgetrokken naast haar […] die bezig was haar ingezeepte venusheuvel te scheren.’ Dan schrijft Johnson: ‘Het duurde even voordat ik de jonge vrouw herkende die ik […] had ontmoet als Heidi Franklin, dat wil zeggen, de aangeschoten celliste in de blauwe fluwelen jurk.’ Maar bij dat dinertje is Heidi niet de aantrekkelijke roodharige in een blauwe fluwelen jurk (dat is de studente/celliste) maar een ‘vriendelijke maar onbeholpen vrouw, nauwgezet en wanhopig… niet moeders mooiste,’.
Storende twijfel
Enkele pagina’s verder schrijft Johnson dat Michael, als hij weer buiten staat, Heidi Franklin straal vergeten was. Ze komt inderdaad in het hele boek niet meer voor. De studente/celliste daarentegen wordt de pijler waarop het verhaal rust. Het is moeilijk voor te stellen dat Johnson met zijn handelskenmerk van trefzekere stijl en precieze zinnen hier een vergissing gemaakt heeft. Bovendien heeft hij er een handje van om zijn personages van een onduidelijke achtergrond te voorzien. Meerdere paspoorten, gevaarlijk werk en al of niet aanverwante dubieuze bezigheden, illegale plannen en vage doelen, doemen veelvuldig op in zijn verhalen en soms zelfs de vraag of iemand überhaupt bestaat. Johnson laat altijd reden tot twijfel. In De naam van de wereld laat hij Michael denken: ‘Zelfs feiten die dingen betroffen bevielen me niet, en op een heimelijke manier kreeg ik een hekel aan de waarheid zelf.’ Als de verwisseling van Heidi en de celliste al een bedoeling had, blijft die tot op het einde een raadsel. En eigenlijk stoort dat.
Spel
Steeds “toevallig” komt Michael ergens de kunststudente/celliste tegen. Ze blijkt de merkwaardige naam Flower Cannon te bezitten, waar ze later een verklaring voor geeft. Ze vertelt hoe ze als kind eens, via een man die haar meenam, terechtkwam in een huisje van peperkoek en dat daar wel of geen blind meisje aanwezig was. Van het blinde meisje overpeinst Michael of het misschien de geest van zijn overleden dochtertje was. Zo haspelt Johnson wederom personages door elkaar.
Na de eerste toevallige ontmoeting denk je als lezer, nee, het zal niet waar zijn, niet de banaliteit van jonge vrouw – oudere man, na de regelrechte verwijzing naar het seksuele tijdens de performance en kort daarna als hij haar toevallig als stripper ziet optreden. Maar jawel, steeds duikt Flower Cannon weer op in losse situaties en scènes waarin een spel van aantrekking en afstoting lijkt te worden gespeeld. Het maakt de indruk van een zwaktebod van de auteur, iets wat niet des Johnsons is. Het is ook niet de bijna-seks met Flower die tot Michaels catharsis zal leiden. Schrijver Auke Hulst heeft het in zijn haast lyrische nawoord over de ‘diepere lagen’ van hun ontmoetingen. En die zijn nou juist ongeloofwaardig, want nietszeggend en semi-vertrouwelijk. De diepgang mag de lezer er zelf bij bedenken.
Kerkzang
Denis Johnson vindt zichzelf een christelijke schrijver die zich afvraagt hoe het zit met de existentie van God in een onrustige wereld, zo memoreert de New York Times in mei 2017 de dan net overleden schrijver: ‘Ik heb het gevoel dat God ons nogal grappig vindt. Maar dat is alles wat ik uit naam van God kan zeggen. Hij houdt zich niet met mij bezig.’ Dit zien we terug in De naam van de wereld. Nadat Michael Flower Cannon vanuit een supermarkt volgt komt hij in een grote kerk bij een sekte terecht. De volgende pagina’s worden gedomineerd door de kerkdienst en de aanwezigheid van Flower, en komt Johnsons idee van God naar buiten. ‘… ik had er inmiddels al behoorlijke tijd grondig de pest aan, aan die moordenaar, die dader, in wiens wezenloze zilveren ogen niemand te onbetekenend was, te onopmerkelijk, te onschuldig en klein om over het hoofd te worden gezien bij het uitdelen van drama.’ Dit ‘almachtige ding’ dat Michael ‘als een duisternis en een last’ beschouwde verdwijnt tijdens de kerkzang waaraan hij zelf ook meedoet. Hij is bevrijd van zijn lijden, er is geen God. Maar Johnson zou Johnson niet zijn als niet ook dit boek getuigt van zijn fijnzinnige onderkoelde humor. ‘Ik ben zo iemand die denkt dat hij wijs kan houden, en dus zong ik mee, en niemand snoerde me de mond. Tot even over zes […] loofden we het lege universum. Ik voelde onze harten almaar omhooggaan in een eindeloze interval zonder dat ze iets in de weg werd gelegd. Heel mijn gelukzalige bevrijde ziel kwam mijn keel uit.’
Stem van de schrijver
Na de bijna-seks ziet hij Flower Cannon niet meer. De rouw wordt minder. Zijn baan is hij inmiddels kwijt want zijn contract werd niet verlengd. De laatste twee pagina’s van De naam van de wereld doen denken aan andere boeken van Denis Johnson. Michael laat zich dan inhuren om als journalist naar oorlogsgebieden te gaan, waarmee we weer op vertrouwd terrein zijn. In exotische oorden, geweld, avontuur, risico, misdaad, de zelfkant van de maatschappij, overlevingsstrategieën en illegaliteit, prevaleert de stem van de schrijver die zich niet liet kennen. In scherpe zinnen blootgelegd menselijk tekort en weemoed zijn in Johnsons verhalen nooit afwezig. Rauwheid in De gulheid van de zeemeermin, drugs in Jezus’ zoon, oorlog en spionage in De lachende monsters en Tree of smoke. En juist daar, in de hardheid van het leven lijkt Johnsons ongrijpbare ziel te wonen. Niet in de banaliteit die maar niet wil wijken in De naam van de wereld, ondanks de prachtig gestileerde zinnen. Het maakt dit boek een beetje teleurstellend.
Dit opmerkelijke, eigentijdse boek, Frankusstein van Jeanette Winterson, begint met de verregende vakantie in 1816 van Mary Shelley en haar echtgenoot de dichter Percy Bysshe Shelley, haar wat simpele halfzus Claire die tevens de minnares is van dichter Lord Byron, en diens arts Polidori, beiden ook aanwezig. Uit verveling besluiten ze een griezelverhaal te bedenken, voor Mary Shelley de aanloop naar Frankenstein.
In de tweede verhaallijn, de hedendaagse, klinkt de stem van transgender en arts Ry Shelley, geboren als vrouw (Mary) maar op weg man te worden. Tot het einde van het boek wisselen de twee verhalen elkaar af, ieder met een eigen stem: die van de negentiende-eeuwse Mary en die van de hedendaagse Ry. Deze Ry wordt verliefd op professor Victor Stein, expert op het gebied van kunstmatige intelligentie en geobsedeerd door de cryogenetica (cryoneren = het vriesdrogen van een lichaam). Hij droomt ervan ingevroren lichamen weer tot leven te wekken en van het kunnen uploaden van de inhoud van het menselijk brein in een computer.* Data zonder lichaam, geest zonder materie ziet hij als een ideaal toekomstbeeld.
Seksrobots
Stein is het equivalent van Frankenstein; beiden willen levenloze lichamen tot leven wekken. Ook de andere personen uit de negentiende eeuw worden gespiegeld in het nu. Voor Lord Byron staat Ron Lord, een zakenpartner van Stein en een nogal botte, vrouwonvriendelijke ondernemer. Hij verhuurt opvouwbare vrouwelijke sekspoppen die verrijkt met de kunstmatige intelligentie van Stein tot leven komen. Dan is er de zeer vrome christelijke Claire die na aanvankelijke weerzin tegen Rons business wel brood ziet in een christelijke seksrobot voor naar zinnelijke lust hunkerende mannen.
De dialogen tussen Ron en Claire zijn geestig en ook in de rest van het boek valt te glimlachen om Wintersons humor. Een hilarische scène is die wanneer op een officiële ontvangst Ron per ongeluk een van zijn seksrobots activeert, waarna deze luid en duidelijk haar erotische vermogens verbaal ten gehore brengt. Ondanks de nonchalante humor en de luchtige sfeer van de gebeurtenissen heeft het boek een koele ondertoon. En als Stein de anderen meeneemt diep een nucleaire bunker in, waar onder andere het licht uitvalt, de vloer onverklaard volstroomt met water en Stein zijn gecryoniseerde hoofden toont, wordt de sfeer bepaald dystopisch.
Ondergeschikt aan verhaal
In 1816 krijgt Mary Shelley het idee voor haar beroemde gothic novel Frankenstein, de arts die een monster creëert. In het nu merkt Victor Stein op: ‘Kunstmatige intelligentie is niet sentimenteel, ze zoekt naar de best mogelijke oplossingen. Het menselijk ras is niet de best mogelijk oplossing.’ De Shelley’s, zowel Mary als Percy, zijn bekende historische figuren en kunnen het als personage in dit geval wel zonder veel diepgang stellen. Anders is het met de hedendaagse personages: zij blijven aan de oppervlakte en zijn ondergeschikt aan het verhaal. Maar Wintersons weergave van de nabije toekomst is boeiend en verdient op zich al bewondering.
Liefdesverhaal?
In alles heeft Winterson de tegenstelling gezocht en dat heeft ze knap gedaan: man vrouw, geest lichaam, heden verleden, utopie dystopie, kunst technologie, liefde horror.
De ondertitel van Frankusstein is Een liefdesverhaal. Over de liefde tussen Mary en Percy Shelley hoeft geen twijfel te bestaan, die van Ry en Victor ziet er ondanks de lichamelijke relatie een stuk koeler uit. Vooral Ry blijft een onbewogen, afstandelijk type. In een interview met The Guardian geeft auteur Winterson aan dat zij zichzelf man noch vrouw en misschien zelfs geen mens voelt. Dat zien we terug in Ry. Ze levert Victor illegaal lichamen voor zijn experimenten, behalve uit liefde ook uit eigen interesse voor wat kunstmatige intelligentie allemaal vermag.
Hedendaagse thema’s
Jeanette Winterson is een Britse schrijfster, geboren in 1959. Met haar eerste boek Sinaasappels zijn niet de enige vruchten uit 1985 won ze al meteen de Whitbread Prize. Het fors autobiografische boek gaat over een lesbisch meisje dat opgroeit in een streng religieuze gemeenschap. Winterson schreef tot nu toe zo’n twintig boeken, waaronder verhalen, romans, non-fictie, kinderboeken en essays. Haar thema’s zijn (gender)identiteit, fictie en werkelijkheid, tijd en ruimte, en ze gebruikt ideeën uit de natuurwetenschappen waarmee haar verhalen een science fiction-achtige uitstraling krijgen. In 2006 werd ze benoemd tot ‘Officer of the British Empire’ voor haar verdiensten voor de literatuur. In 2011 schreef ze een ‘echte’ autobiografie.
Onsterfelijk
In The Guardian verklaart Winterson dat zij (nog steeds) een enthousiaste christen is. ‘Maar dat is wie ik ben, dus ik moet het gebruiken.’ Religie en geslacht hebben haar gevormd en in de robotica zag ze dit samenkomen. ‘Ik dacht ineens, wacht even, dit komt allemaal samen. Hebben we niet altijd gezegd dat de lichamen zullen wegvallen, de geest doorgaat, er daarbuiten een eeuwigheid is? Dit is nu wat de wetenschap belooft, dat we de inhoud van onze hersenen zullen uploaden of onszelf zullen uitbreiden met slimme implantaatgenen. […] …langzaam vorderend tot dit punt, waar we onsterfelijk konden worden, zoals we altijd wilden zijn, en altijd dachten dat we waren.’ Wie technologie en toekomst fascineren, die leze Jeanette Winterson.
* Meer informatie: Alcor Life Extension Foundation op internet.