• Een mooi palet aan literaire kleuren en smaken

    Een mooi palet aan literaire kleuren en smaken

    De zomer is voorbij maar de zomereditie van literair tijdschrift Tirade is er nog. Een editie met veel ruimte voor poëzie, verschillende essays en verhalen. In deze tijd heeft de geest nood aan een breed palet van kleuren en smaken om te beseffen dat het leven niet eenduidig te verklaren is. Toepasselijk is dan ook dat Lodewijk Verduin het in zijn inleidende ‘Redactioneel’ heeft over het verspreiden van literaire ‘spaanders die terechtkomen in humus, andere planten weer doen groeien, of bloeien’. En ‘viert Tirade […] de literatuur met wildgroei van teksten uit alle genrehoeken, geschreven door auteurs van uiteenlopend, veelkleurig pluimage.’

    Het essay, ‘Het demasqué der standpunten’ van Mathijs Sanders komt uit de letterkundige hoek en heeft als uitgangspunt een ontmoeting tussen de twee tijdgenoten Menno ter Braak en F. Bordewijk. Hoe beide schrijvers tezelfdertijd op een bijeenkomst waren om het honderdjarig bestaan van hun uitgeverij Nijgh & Van Ditmar te vieren. Of ze toen werkelijk kennis met elkaar maakten, is niet zeker. ‘Spraken de twee schrijvers elkaar die middag? Ik probeer het mij voor te stellen.’ Naar zo blijkt was de ontmoeting, ‘tussen twee van de belangrijkste prozaschrijvers van het interbellum [..] vooral een ontmoeting op papier’.

    Leessporen

    Via leessporen in de boeken die Ter Braak en Bordewijk van elkaar lazen en die zich in hun huisbibliotheek bevonden – welke sinds enkele jaren ‘gebroederlijk’ naast elkaar in de kelder van de Leidse universiteitsbibliotheek staan – volgt Sanders de aard van de onderzoekingen die beiden in elkaars boeken ondernamen. Een prachtige speurtocht waar de lezer in meegenomen wordt om als een detective de aantekeningen en onderstrepingen in beider boeken te volgen. En de herkenbare twijfels over zijn eigen interpretatie, ‘Lees ik in Ter Braaks potloodaantekeningen iets wat er niet staat? Zie ik bijna een eeuw na dato iets wat de criticus zelf destijds niet onder woorden kon of wilde brengen? Ben ik bevangen door de hoogmoed van de hermeneut, over wie de filosoof Schleiermacher begin negentiende eeuw schreef dat het diens opdracht is om de auteur beter te begrijpen dan hij zichzelf begreep?’ Dit fijne essay is een bewerking van een lezing gehouden door Mathijs Sanders in de Universiteitsbibliotheek van Leiden op 24 nov. ‘22.

    Anja Sicking geeft in ‘Wachten op de clou’, een mooie lezing van de dystopische roman Onder het asfalt (2022) van Maarten van der Graaff. Ze merkt op dat Van der Graaffs ‘fascinatie voor het wegvallen van de bestaande ordening van het landschap’ niet nieuw is in zijn oeuvre, en heeft het onder meer over schrijvers en hun rijbewijs halen, over wat zoal tijdens het rijden wordt waargenomen. Van een rijleraar hoorde zij datvan alle beroepsgroepen, schrijvers het langst erover doen hun rijbewijs te halen. ‘Dat is omdat ze geen onderscheid maken ‘tussen hoofd- en bijzaken, hun aandacht blijft vaak aan iets onbenulligs hangen.’ Zelf slaagde ze na tachtig rijlessen voor haar rijbewijs, op een zaterdagochtend, toen de wegen bijkans leeg waren, ‘op een verdwaald konijn na’. Weet dat een onbenullig detail voor een schrijver van groot belang is.

    Samen zwaluwstaarten

    Van Tomas Lieske drie gedichten met een adelijke Charlotte De Bourbon in de hoofdrol. Het gedicht, ‘Charlotte De Bourbon leest poëzie’, opent meesterlijk met: ‘Vivat Astrid Lampe, vivat Piet Gerbrandy, vivat. // Kunnen die twee niet samen zwaluwstaarten daar moet letterlijk / gesproken iets moois uit groeien van het hardste hout’ / (…) En over de wantsen in het bed van de kasteelvrouw, ‘als kleine letters die zich rennend verbergen’. In het woord ‘zwalustaarten’ ontstaat zonder meer een beeld van bovengenoemde dichters samen, dat daar iets goeds uit voortkomt.

    In vijf gedichten van Lies Gallez gaat het over verlangen, ‘aanraakpunten’ die verbinden en het belang van het benoemen van de dingen. Waaronder het veelzeggende gedicht, ‘Pogingen om een moeder gelukkig te maken’. 

    ‘je moet dit leren: de miserie van je moeder kun je niet oplossen. zelfs niet door
    een eeuwige glimlach met je mee te smokkelen, zelfs niet door voetstappen zo
    licht als het licht zelf op zondagochtend, zelfs niet met koppen koffie’

    Goed verhaal en essaydebuut

    In het goed geschreven verhaal ‘The Timekeepers’ van Jonathan van der Horst gaat het over de tijd. ‘Hoe alles wat vandaag van belang lijkt, morgen alweer verdwenen kan zijn. Opgeslokt door de tijd.’ Over vriendschap waar een uiterste houdbaarheidsdatum op zit. Als twee van de drie oude vrienden elkaar na lange tijd weer ontmoeten, zegt de een, ‘ We gaan het niet over Pepijn hebben. Dat is voorbij. Afgelopen. We zijn hier niet om oude koeien uit de sloot te halen.’
    ‘Wat ben ik dan?’
    ‘Een oude vriend. Dat is iets anders. Een oude koe sterft een langzame dood. Een oude vriend verwaarloos je alleen maar.’ 

    Verder in deze Tirade het essaydebuut ‘Ik geloof dat mensen planten zijn’, van Marijke Vos. Van Sander Kollaard werd de reactie die hij in januari van dit jaar voorlas tijdens een avond in Spui25 over ecokritiek in zijn roman Uit het leven van een hond en in de Nederlandstalige literatuur, opgenomen. Van Kyrke Otto de zeer ritmisch lezende gedichten, ‘Drie gedichten voor Sophia’. Van Rodante van der Waal het gedicht ‘Krijg een kind met mij’ in zes afleveringen. Van Yasmin Namavar drie gedichten. Twee gedichten van Piet Gerbrandy en Lilian van Ooyen met ook twee gedichten. Van Rozalie Hirs staat er met een serie van vijf gedichten, ‘Als je aanwezigheid’ in, en van Pieter Franciscus M. vier gedichten onder de titel, ‘Merlin’. Werner Valk schreef het verhaal ‘Vogelbot’. Kortom een Tirade met niets dan mooie bijdragen die met genoegen gelezen werden.

    De illustraties zijn van Rein Klomp.

     

    Tirade verschijnt vijf keer per jaar.

     

  • Gedachten zijn vrij

    Gedachten zijn vrij

    In de onlangs verschenen Tirade staan alle bijdragen in het teken van ‘Verboden stemmen’, waarmee het reflecteert op de heersende angst- en cancelcultuur. Deze week nog stond er een interview met de Chinees Amerikaans Nederlandse schrijfster Jean Kwok in de Volkskrant. Zij vertelde dat haar boek, Girl in Translation /Bijna thuis uit 2010, in een schooldistrict in Pennsylvania op de zwarte lijst is terechtgekomen. In een jaar tijd zijn er in Republikeinse staten tientallen wetten aangenomen om scholen te beletten te praten over seks, gender, ras of slavernij, alle boeken die daarover reppen, worden weggehaald.
    In haar voorwoord noemt Tirade redacteur en schrijver Anja Sicking enkele schrijvers die op Amerikaanse scholen verboden zijn. Schrijvers als Harper Lee, Margaret Atwood, J.D. Salinger en Toni Morrison. Onvoorstelbaar maar waar. Opmerkelijk in deze, schrijft Sicking, ‘dat vooral mensen die zich verder nooit publiekelijk druk maken over literatuur boeken willen verbieden’. 

    Verdwijnende schrijver

    In zijn bijdrage, ‘Langzaam verdwijn ik uit de tijd’, zoekt Ted van Lieshout naar een manier hoe zich te verhouden tot de huidige cancelcultuur.  Zorgwekkend vindt hij dat van een schrijver verwacht wordt diverser en inclusiever te schrijven maar wel volgens ‘de normen en waarden die door de ouders en verzorgers van die kinderen worden voorgeschreven’. Zo wordt de maker, de schrijver ingeklemd tussen vrijheid enerzijds en beperkingen anderzijds. Lieshout schrijft, ‘Ik merk dat mijn ideaal, het autonoom kunstenaar voor kinderen zijn, onder vuur ligt en ik ervaar dat als verlammend.’ Hij is een maker van kunst ‘die schuurt en aan het denken zet’. Deze schrijver die kinderen wil laten zien dat ‘kunst maken, áltijd beter is dan kapot maken.’, lijkt zich erbij neer te leggen. Zijn laatste zin, ‘Ik moet een pas opzij zetten en verder hoef ik alleen maar te zorgen dat ik niet wegkwijn’, stemt triest. Alsof de vrije, blije schrijver Lieshout op het punt van verdwijnen staat. Komt daarmee de titel van het stuk weer in beeld.

    Bedreigde schrijvers

    PEN Nederland is een schrijversorganisatie die opkomt voor bedreigde schrijvers ‘omdat een vrije samenleving niet kan bestaan zonder vrijheid van meningsuiting en vrijheid van literaire expressie.’ De organisatie presenteert verschillende dichters die in hun vrijheid beperkt worden. Van de Oekraïense dichter en essayist Serhiy Zhadan vertaalde Nina Targan Mouravi het gedicht ‘Vluchtelingen’. Job Degenaar en Annmarie Sauer vertaalden ‘Je wacht op mij in ‘t stof, voor mijn vrouw, die elke dag wacht’, een gedicht van de Chinese mensenactivist en dichter Liu Xiaobo die in 2017 in gevangenschap overleed.

    De Koerdische journalist en dichter Nedim Türfent werd op zesentwintigjarige leeftijd voor het publiceren van een video over de mishandeling van bouwvakkers door de militaire politie van mei 2016 tot november 2022 gevangengezet. Van hem een titelloos gedicht, geschreven in gevangenschap en vertaald door Sytske Sötemann. De eerste zes regels luiden, ‘laat je hart, de aarde, elixer toedienen / aan de aderen vruchtbaarheid schenken aan de grond / uit de bronnen achter de berg Kaf. // laat het ook de aalmoes zijn / van de geoogste gewassen / de zilveren sleutel van het leven.’ 

    Schrijven uit verzet

    De Russische Vera Pavlova, uitgeweken naar Canada, schreef honderden anti-oorlogsteksten die veelvuldig werden gedeeld op social media. Nina Targan Mouravi vertaalde het titelloze gedicht met een zeer persoonlijke geluid. ‘En we schrikken ons lam, begrijpend / onder welke herder we leven. / Mogen onze vulling bekijken / in de bloedkuip van angst en beven, / in het tweestromenland verkwijnen’. 

    Filosoof en schrijver Ken Mangroelal legt in zijn stuk ‘Van verbieden tot verbranden’ het boek Fahrenheit 451 van Ray Bradbury langs de lat van deze tijd. Het voelt van belang zoveel mogelijk regels waaruit de roep om een ommekeer klinkt, te citeren. Van Mangroelal deze, ‘De meeste verboden boeken hebben hun verbod overleefd en hebben zelfs de status van bestsellers verworven; ze worden alom gelezen, want de vrije geest laat zich niet censureren.’ Wat klinkt als een echo van het eeuwenoude lied, ‘Die Gedanken Sind Frei’.

    Van dichteres Sasja Janssen het geweldige, qua omvang en inhoud, ‘Het gedicht en zijn Maximes‘, waaruit deze twee regels:
    ‘door zeggend te spreken: ze denken dat ik gek ben ik ben niet gek / een dichter is pas gek’.

    Thomas Heij schreef het essay ‘Pletters, propagandisten en Poesjkin’, over de nieuwe censuurwetten in Oekraïne waar door de oorlog steeds meer Russische stemmen verboden werden. Maar ‘het lijkt erop’, schrijft Heij, ‘dat de Oekraïense boekenmarkt en Oekraïense literatuur er qua aandacht en interesse op vooruit zijn gegaan.’ 

    Marko van der Wal schreef namens de redactie van Tirade het stuk ‘Tweeduizend namen zijn niet genoeg’, dat betrekking heeft op de actie rondom doodsbedreigingen aan Pim Lammers, en of dat werkt of niet, en dat het enige dat helpt, is te blijven schrijven. Met, ‘Alleen door te schrijven en te publiceren kunnen we voor onze vrijheden gaan staan en ons solidair verklaren met het lot van Pim Lammers.’, sluit Van der Wal zijn pleidooi voor het vrije woord af. Verder zijn er bijdragen van de Russische schrijver Dmitri Bykov, Erik Rozing, Roelof ten Napel, Kerim Göçmen, Emma Ringelding en de illustraties zijn van Loes Faber.
    Mooi is dat Tirade, voor wie goed leest en het echt wil weten, antwoord geeft op de vraag wat vrijheid van meningsuiting ten volste betekent. En ja, koop deze Tirade als je de vrijheid van het woord wilt onderzoeken, dichterbij wilt laten komen.

     

     

  • Techniek tot kunst verheffen

    Techniek tot kunst verheffen

    Dat hotels geschikte verhaaldecors bieden, is een wet van Meden en Perzen. Wie kent niet het Overlook Hotel uit The Shining van Stephen King? Wat te denken van het Grand Hotel Europa? En flirt Khalid Boudou in Het schnitzelparadijs niet met Van der Valk, als de Marokkaanse Nordip zich opwerkt in de Blauwe Gier? De visionair van Anja Sicking bevat eveneens een hotel met de naam van een gekleurd dier: het Roode Hert. In dit hotel vervangen technische innovaties menselijke arbeidskrachten. Het grenzeloze geloof in de technocratie beperkt zich echter niet tot deze plek.

    Hoofdpersoon Roemer, die op een blauwe maandag in het Roode Hert werkte, is stervende. In een ‘vision par derrière’ beziet hij zijn leven. Als tiener zag hij dat heel de wereld moderniseerde, zonder dat er werkelijk vooruitgang werd geboekt. Zelf ontwikkelde hij als puber een dierenoog uit spontane natuurliefhebberij. Later maakte hij hier een E-bril van om emoties van gezichten af te lezen. Vooral met de beeldschone hoteleigenares Eveline Vroman hoopte hij zo contact te maken. Zodra het geld voor dit product begon binnen te stromen, was het gedaan met Roemers idealisme.

    Zo bewijst Sicking dat innovaties niet zozeer door goede wil, als wel door blinde ambitie ontstaan. Meer dan aanvankelijk lijkt, ligt de focus van dit boek bij de geesteswetenschappen, juist omdat het de niet-kopieerbare geest en emoties van de mens viert. Tegelijk getuigt dit verhaal van visie. De schrijfster suggereert namelijk dat robots prachtige verhalen kunnen vertellen. Met een nieuwe vertelinstantie heft zij het onderscheid tussen wetenschap en kunst op: de robotauteur. De kwaliteit van De visionair is dus drieledig. Het levert maatschappijkritiek op technocratie, vereert de menselijke geest en verlegt de grenzen van de literatuur.

    Technocratie: heilstaat of horror?

    De visionair rekent af met het dogma dat technologie intrinsiek neutraal zou zijn. Op basis van dit dogma geloven technocraten namelijk dat de menselijke vooruitgang kunstmatige intelligentie nodig heeft. Weg zijn dan alle vooroordelen, driften en onrecht. Meneer Breeveld, Roemers bevlogen roboticadocent, waarschuwt de klas voor de keerzijde hiervan: ‘Wie de eigenaar is van de meest geavanceerde kunstmatige intelligentie heeft het straks waarschijnlijk voor het zeggen.’ Helaas blijft elke technologie uiteindelijk een product van mensen, met al hun beperkingen, zo predikt de docent.

    Terloops stelt De visionair ons voor nog een genadeloos, voldongen feit. De technologische vooruitgang ten spijt raakt Nederland overstroomd. Op hetzelfde nuchtere toontje waarmee tegenwoordig de Watersnoodramp van ’53 wordt besproken, constateert de Roemer uit de toekomst: ‘Ze zeggen dat de nieuwe kustlijn (…) ter hoogte van Amsterdam komt te liggen.’ Haast schouderophalend accepteert hij de catastrofe. De mensen met het juiste brein gebruikten hun intelligentie voor de verkeerde doeleinden, en dan is dit dus het resultaat, zo sombert hij. Wie de ramp wílden voorkomen, kónden het niet. Wie hem kónden voorkomen, wílden het niet. En Roemer zelf dan? Die was bezig met zijn loopbaan als hooggewaardeerd wetenschapper: ‘Hij droomde ervan de nieuwe Majorana of Hawking te worden, of (…) Einstein.’ Sicking laat zien dat ambitie de mens weliswaar tot grote hoogtes stuwt, maar hem tegelijk kopje onder kan laten gaan.

    Begrijp je?

    De visionair buigt zich over vragen als: wat onderscheidt de mens van kunstmatige intelligentie? Zijn mensen en algoritmes niet allebei een samenraapsel van data? Is het echt zo lastig zelf mensen te creëren, zonder organisch materiaal? Roemers vriendin Zara zegt hierover tegen hem: ‘Je kunt veel namaken, maar het gaat in het leven juist om wat we niet kunnen reproduceren, om wat verloren kan gaan, om wat niet te kennen is.’ Bij monde van Zara weerlegt De visionair de misvatting dat de mens 100% te analyseren valt, hoe stellig de exacte wetenschap ook beweert dat dat wel kan. Ergens veel van weten, is niet hetzelfde als begrijpen. Roemer wandelt door het prachtige duingebied ‘zonder veel af te weten van het netwerk van fijne haarvaatjes van wortels en schimmeldraden onder zijn voeten, maar het mysterie dat hem omringde [was] wel tot hem doorgedrongen.’

    Zoals de natuur de mens in vervoering brengt, doen beeldende kunst en muziek dat ook. Tijdens het pianospel van zijn vader droomt Roemer weg: ‘Terwijl hij luisterde kreeg hij het idee dat er een waarheid in deze muziek doorklonk, al kon hij onmogelijk zeggen welke.’ Wie muziek analyseert, beschrijft haar hooguit, maar vat haar nooit: ‘die bolletjes op die vijf horizontale lijnen waren niet de muziek (…), waarvan mensen soms kippenvel kregen of moesten huilen.’ In feite is De visionair een warm pleidooi voor de kunsten en het geesteswetenschappelijke Verstehen.

    Robotromancier

    Ondanks zijn liefde voor moderne snufjes schrijft Roemer zijn levensverhaal met pen uit op papier: ‘We denken misschien dat we iedere dag meer informatie kunnen opslaan, maar de Steen van Rosetta heeft langer standgehouden dan de meeste devices.’ Die hang naar het eeuwige leven, of in elk geval eeuwige nalatenschap, uit Roemer puur schriftelijk. Geheel kunstmatig van aard is dan weer zijn stervensproces. Als eenentwintigste-eeuwse robot laat hij al zijn organen vervangen door algoritmisch aangedreven protheses, inclusief de lichaamsdelen waarmee hij schrijft: ‘Ik weet niet waar Roemer ophoudt en ik begin.’ Langzaamaan ontstaat een nieuw soort schrijver.

    De Roemer uit de toekomst kijkt al schrijvend terug op het leven van zijn vroegere zelf: hoe hij zijn labiele vader onder zijn hoede nam in plaats van andersom, zich een plekje verwierf op de middelbare school en gepokt en gemazeld de liefde leerde kennen. Deze grensverleggende young-adultroman is het resultaat. Anja Sicking staat bekend om haar essays in Trouw over de schrijfrobot (waar Roemer aan doet denken) en levert hier een kakelvers prototype af van de robotauteur. Hieraan kunnen zelfs de techniekliefhebbers onder de middelbare scholieren hun hart ophalen. Eén van Roemers klasgenoten, Noud, citeert een Amerikaans onderzoek als volgt: ‘De grootste wetenschappers lazen gedurende hun jeugd niet Die Leiden des jungen Werthers, maar The 5th Wave of Into the Fire.’ Laten we bij dezen De visionair aan dat rijtje toevoegen!

     

  • In memoriam Wilbert Cornelissen (1958-2018)

    Vrijdag 19 oktober overleed dichter Wilbert Cornelissen. Wilbert Cornelissen was naast dichter en schrijver van klein proza, filosoof en werkte als poëziedocent aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. In 1998 debuteerde hij met de poëziebundel Ontfermingen (Arbeiderspers), gevolgd door  Kinderlandschappen (2002, Meulenhoff).

    Hoewel Cornelissen veel schreef – van 1 januari 2007 tot 31 december 2016 schreef hij zelfs dagelijks een gedicht – publiceerde hij over een periode van twintig jaar slechts drie dichtbundels. Tien jaar dagelijks een gedicht schrijven, leverde een reeks van 3714 gedichten op die beschouwd kunnen worden als een soort officieuze stadsgedichten van Amsterdam. De dagelijkse gedichten, waarmee hij de geest van de beginnende poëzie probeerde te vangen, schreef Cornelissen onder het heteroniem ‘Mottenfokker’ (nachtvlinderkweker) waaruit dit voorjaar een compilatie verscheen onder de titel Elke dag/Proefsleuven (Arbeiderspers).

    Wilbert Cornelissen was ook danser en had een grote voorliefde voor dansfeestjes in de open lucht. Sinds 2009 organiseerde hij ‘straatdansfeestjes’ om de dans in het dagelijkse leven te laten opgaan. In de afgelopen zomer schreef hij enkele blogs voor Tirade.nu over zijn ziekte onder de titel ‘Klein landschap’ waaruit hieronder een fragment:

    ‘Van al die feestjes is er één overgebleven, en wel het straatdansfeestje dat ik samen met een goede vriend organiseer. Ik wilde dans op straat brengen. Waarom? Ik maakte deel uit van de Amsterdamse danscultuur. Dat had zich zo in de jaren opgebouwd. Ik voelde me bevoorrecht deel van deze wereld te zijn. Waarom dansfeestjes alleen tussen vier muren en in de avonduren houden? Ik begon me steeds meer een zonderling te voelen. Ik hou sowieso van het daglicht. Het hele horeca-idee van een danceparty begon me tegen te staan. Altijd die donkere en vaak bedompte ruimtes. En het kan zo gemakkelijk zijn. Naar buiten, koptelefoontjes op en dansen maar. We begonnen in 2009 ergens in het Amsterdamse Bos. Daarna veranderde het concept naar een maandelijks feestje ergens in de stad. We wilden de dans onder de mensen brengen.’

    Wilbert Cornelissen heeft in de loop der jaren klein proza gepubliceerd in verschillende tijdschriften waaronder Tirade, Revisor, Yang, Dietsche Warande & Belfort (DWB) en Bunker Hill.

    Op Tirade.nu beschrijft Anja Sicking hoe Wilbert Cornellisen door zijn geliefde met een bakfiets naar het Crematorion op Zorgvlied werd vervoerd.

     

    Foto: Merlijn Doomernik

     

  • Een Tirade waardig…

    Een Tirade waardig…

    Wie plaats neemt in de redactie van een literair tijdschrift, doet dit om de schitteringen in de literatuur mede prijs te mogen geven. Aankomend schrijvers die ‘het’ in zich hebben voor het voetlicht te schuiven. Zelfs als ze volledig onbekend zijn. Alles uit liefde voor de literatuur. Want voor een dagelijks goed belegde boterham (of biologische salade) hoef je het niet te doen. Zo liet ook Jeroen Brouwers in 1979 (Kroniek van een karakter, Dl. 1) weten in een lange brief  aan Geert van Oorschot. Een van de redenen dat hij niet in de redactie wilde plaatsnemen was dat er niet genoeg mee te verdienen valt. Een andere, meer doorslaggevender lijkt het, is dat Brouwers niet tevreden is over de koers die Tirade vaart. Hij verwijt Van Oorschot onder meer dat er in Tirade stukken worden opgenomen die evengoed in welk ander blad hadden kunnen staan; Tirade onderscheidt zich te weinig van andere bladen was de grote kritiek van Brouwers. Het was in de volgende bewoordingen dat Brouwers het verzoek van Van Oorschot afwees:
    “Ach Geert! Ik ambieer dat niet, maar ik zou het wél kunnen.(…) Mijn opvattingen zijn anders dan jouw opvattingen. Alle achting en alle vriendschap voor jou, dat weet je wel – maar als ik ‘Tirade’ zou doen, dan zou ik ‘Tirade’ doen, en niet jij-en-ik.”

    Hoe Brouwers dat zou doen, welke bijdragen hij het keurmerk Tirade waardig vindt, zullen we nooit weten. Wel wat de huidige redactie als keuze criteria heeft; Het gaat om het werk en niet om de (gevestigde) naam, schrijft Anja Sicking in een redactioneel stukje. De mailbox van de redactie stroomt elke keer weer vol met werk van debutanten, gevestigde schrijvers en van ‘mensen die nooit zullen worden uitgegeven’. Waarbij opgemerkt wordt dat die laatste categorie het grootst is. Iemand afwijzen is niet een fijn ding, maar wel noodzakelijk. Wat er dan uiteindelijk uit die berg teksten gefilterd wordt en in Tirade verschijnt zijn stuk voor stuk teksten die, zoals gewenst, een Tirade waardig zijn.

    Editie 468 is een nummer met literaire sciencefiction. Zes verhalen van o.a. Anoek Nuyens, Wytske Versteeg, Said El Haji, Renée van Marissing. De verhalen zijn geschreven in opdracht tijdens de workshop De geschiedenis van morgen (februari dit jaar), en georganiseerd door SLAA en Monnik. Mooie verhalen, zelfs voor wie niet van sciencefiction houdt. Van de dichter en prozaschrijver Ian McLachlan (Londen) een zestal (sciencefiction) gedichten in vertaling van Maarten Buser. Die zo prettig lezen dat je je afvraagt of we niet nu al in de tijd vooruit leven, in sciencefiction. 

     

    In Tirade 467 een verhaal, Eindhoven, van Rob van Essen (gevestigd schrijver en recensent) en het essay; Olaf Hendriks, Een essay in de derde persoon, van Tiemen Hiemstra (onbekend). Door de redactie aangemerkt als ‘origineel’. Over een wereld waarin aanslagen en bedreigingen als standaard worden gezien. Horror scenario’s op het netvlies van de jongeman Olaf die lijdt aan hyperventilatie en hartkloppingen en die het woord ‘gootsteen’ gebruikt om zijn angst te bezweren. Want ja, de kans is groter dat je bij het ontstoppen van een gootsteen gewond raakt (‘bij het lostrekken van de plopper achterovervallen en met je hoofd op de rand van het een of ander terechtkomen.’) dan dat je een terroristische aanslag meemaakt. Waarin een voetbalwedstrijd het qua belangstelling, wint van een boekpresentatie. Het leven zoals we dat kennen in beschouwingen en meldingen in de media en inderdaad zeer origineel  in voorbeelden en .
    Een ronduit prachtig verhaal is Meneer Sjandoor van student aan de schrijversvakschool, Ilona Barsony; een zo goed verteller , dat je voor de duur van het verhaal bent weggevoerd.

    In de rubriek Zestig jaar Tirade, verschijnt deze jaargang ter gelegenheid van het zestig jarig jubileum in elke editie van Tirade, een essay of verhaal dat teruggrijpt op de geschiedenis van het blad. In nr. 468 reageert Julie Benschop met het essay De opwaartse kracht van J.J. Voskuil op Hanny Michaelis’ artikel ‘Mirakuleuze herrijzenissen’ uit Tirade 300, over de heropleving van een boek, zoals Bij nader inzien (1963) van Voskuil, dat in 1985 een heropleving kende. Benschop vraagt zich af of herrijzenissen wel zo mirakuleus zijn als Michalis wil doen geloven.

    Schrijver Marijn Sikken inspireerde haar bijdrage, Notities over Huub, in deze rubriek op het stuk Notities, van K. Schippers uit Tirade 200. De koppen boven de (elf )stukken zijn van Schippers. Het verhaal met de titel ‘Geluid’ begint zo: “Het eerste wat wij meekrijgen van Huub, zijn z’n schoenen. Huub draagt gewone sneakers, wit met grijze streep, broer en ik vermoeden dat ze een maat te klein zijn.” Waarmee Sikken de lezer meeneemt  en niet stopt voor de laatste punt is gezet.
    Een mooie Kroniek van een roman van Carel Peeters, die Het einde van de eenzaamheid van Benedict Wells samenvat als, een roman ‘over de gevolgen van het op jonge leeftijd verliezen van je ouders’. Het mooiste verhaal uit beide edities is het toekomstverhaal van Maurits de Bruijn, Het geheugen van smartphones. Waarin de geschiedenis van alles wat we weten verwijderd wordt en de geschiedenis herschreven wordt. Misschien is er nog een weg terug, Na dit gelezen te hebben wens je bijna dat er nog een weg terug is. Misschien wordt dat wel de sciencefiction van de toekomst; een weg terug.

    En De Tirade van… is van Roos van Rijswijk, waarin ze haar enthousiasme over optreden bij leesclubs toelicht en dat je daat eigenlijk niet enthousiast over mag zijn; ‘(…) er zijn lezers die dingen opvallen waar ik zelf helemaal niet aan gedacht had. (…) soms zijn er tien mensen van wie er vijf het boek enigszins hebben gelezen, en van die vijf mensen is er dan altijd één iemand die het helemaal niks vond en de hele tijd heel zuur zit te kijken met haar ogen rolt.’

    Twee edities Tirade, het lezen meer dan waard want, andere inzichten! Te koop bij de betere boekhandel, (de nieuwe editie Nr. 469, ligt overigens al weer klaar), maar misschien is een abonnement beter. En kijk vooral ook op: Tirade.nu.

     

  • Een tros rondborstige… verhalen en kronieken

    Een tros rondborstige… verhalen en kronieken

    Literair criticus Carel Peeters (1944) schrijft tweewekelijks een literaire kroniek voor Vrij Nederland online. Op papier doet hij, na jaren de Republiek der Letteren te hebben gediend, niet meer mee sinds het blad de oplage zag teruglopen. Gelukkig schrijft hij nog vijf keer per jaar de Kroniek van de roman voor Tirade. Een tijdschrift waarmee je iets in handen hebt en dat bij het openslaan de geur van vers papier en drukinkt verspreidt. Geen pagina’s weg klikken maar er doorheen bladerend, naar de bedoelde Kroniek. In deze nieuwe editie doorgrondt Peeters de roman Wil van Jeroen Olyslaegers. Waarbij als eerste de Vlaamse taal van Louis Paul Boon en Hugo Claus wordt geduid als ‘bedacht authentiek’. En dat Olyslaegers een milde variant van Boon beoefent in zijn romanpersonage die uit verschillende personages bestaat. Een personage dat een ’tweezak’ wordt genoemd omdat hij  in oorlogstijd evengoed heult met de vijand als met het verzet. Peeters noemt Olyslaegers roman een snijdende roman om de ‘hoge mate van onverstoorbare neutraliteit die Olyslaegers de oude Wilfried laat betrachten.’ In zijn kronieken kom je van die belangwekkende inzichten tegen waar geen andere criticus het over heeft.

    Verder naar achteren, naar het podium van De tirade van…. Deze keer betreden door romanschrijver en redactielid van Tirade, Anja Sicking. Een tirade over een neiging tot een tirade die maar geen tirade wil worden. De ontvangst op een camping in Italië door een Nederlands echtpaar, Toon en Eefje. Man in een knaloranje korte broek die haar met haar vriendin en kinderen, met ‘zijn vakantievierende handen’ in zijn zij staat op te wachten. Waarna hij en zijn vrouw zich zo voorkomend en behulpzaam opstelden dat het haar woede wekt. Waarvoor ze zich dan weer schaamt. Want ze was toch niet zo iemand ‘die een ander zomaar op z’n gezicht wil timmeren alleen omdat het me niet aanstaat?’ Schaamtevolle situaties rijgen zich aaneen en bieden genoeg momenten om de tenenkrommende vragen en voorstellen van het echtpaar, met een tirade te beantwoorden. Herkenbaar, juist daar waar gezwegen wordt.

    Sipko Melissen, schrijver van de romans Een kamer in Rome en Oud Loosdrecht, werkt  aan een essaybundel over Franz Kafka. In zijn essay Kafka in Merano gebruikt hij o.a. artikelen en essays van W.F. Hermans die geschreven zijn naar aanleiding van een bezoek aan Merano waar hij op zoek was naar verhalen over schrijvers die daar gekuurd hebben of aan tbc waren overleden. Dat Hermans geen sporen van Kafka tegenkwam, die ooit in Merano drie maanden als tuberculose patiënt verbleef, heeft volgens Melissen te maken met het feit dat Hermans daar was op het moment dat er nog geen gedenktekens e.d. geplaatst waren. Mooi samen komt de veronderstelling dat Kafka een zoon heeft gehad (die op kinderleeftijd zou zij overleden) en dat Hermans een meisje in Merano zag dat voor hem een reïncarnatie van Kafka is. Waarbij Melissen zich afvraagt of er niet enig nageslacht van Kafka zou kunnen rondlopen.

    Joost Baars vertaalde de Verschrikkelijke sonnetten van de experimentele en religieuze Britse dichter Gerard Manley Hopkins (1844-1889). In een mooie inleiding tot de sonnetten schrijft Baars over de geloofscrisis waarin Hopkins verkeerde toen hij deze sonnetten schreef. Zes sonnetten die zich niet gemakkelijk laten verklaren maar wel een sterk innerlijke worsteling tonen.

    Sander Kollaard, schrijver van verhalen en de roman Stadium IV vertaalde het verhaal The Death of the Moth, van Virginia Woolf. Verheugend dat er van Woolf een niet eerder vertaald verhaal gepubliceerd wordt. In een inleiding schrijft Kollaard hoe Woolf tot dit verhaal kwam naar aanleiding van een brief van haar zus Vanessa. De inleiding van Kollaard en het verhaal van Woolf, eindigen met vrijwel dezelfde zin: Het ligt stilletjes op de vensterbank, heel netjes, heel bescheiden. ‘O yes, he seemed to say, death is stronger than I am.’ Oh ja, leek het te zeggen, de dood is steker dan ik.

    Misschien gaat hij vanzelf van Anneke van Wolfswinkel vertelt in eenvoudig maar sterk beeldend taalgebruik het verhaal van een oude man en zijn stervende hond. ‘De oude man graaft een kuil. Op het erf, aan de rand van het weitje waar hij elke ochtend even staat (…).’ Die hond wil hij uit zijn lijden verlossen maar telkens wanneer hij zijn vinger om de trekker legt beweegt de hond en wordt het vonnis uitgesteld. ‘Sterven in je slaap is een vorm van genade, maar een hond afmaken in zijn slaap is een laffe, liefdeloze daad.’ Een knap en verstild verhaal.
    Verder werk van onder meer Idwer de la Parra (poëzie), Roos van Rijswijk (redactioneel), Walter Tevis (proza vertaald door Anna Visser), Lia Tilon (proza). De illustraties, waaronder de cover afbeelding, zijn van JurgenWinkler.


    Tirade
    kun je kopen bij de betere boekhandel of neem een abonnement.
    Jaarlijks vijf nummers; € 50,00 (studenten € 35,00)
    Kijk ook op Tirade.nu.