• Stadsschrijvers

    Stadsschrijvers

    Redmond O’Hanlon was de derde writer in residence in Almere. Stephan Sanders en Renate Dorrestein gingen hem voor. In De groene stad doet hij op voor zijn volgers vertrouwde wijze verslag van de drie jaar durende reis door de stad in wording die Almere na ruim veertig jaar nog altijd is. Na Sanders’ memoir – Iets meer dan een seizoen gaat behalve over Almere ook over Anil Ramdas – en Dorresteins dystopische, maar ondanks dat hoopgevende roman – Weerwater is een echte Dorrestein – voegt O’Hanlon een reisverhaal toe aan de serie Almere Verhalen. Daarmee draagt hij bij aan wat de initiatiefnemers voor ogen staat: ‘op literaire wijze reflecteren op de stad en bewoners’.

    Net als in beide voorgaande ‘gevallen’ stelde de PVV ook naar aanleiding van O’Hanlons gastschrijverschap schriftelijke vragen aan het college van burgemeester en wethouders. Kritische vragen, want de PVV vindt Almere Verhalen een belastinggeldverslindend ‘onzinproject’.
    Stephan Sanders werd voornamelijk verweten ondermaatse kwaliteit te leveren en van Renate Dorrestein kon men zich niet voorstellen dat zij na haar ‘boude uitspraken’ over Almere in staat zou zijn op positieve wijze bij te dragen aan de beeldvorming over de stad. Dezelfde kritiek gold Redmond O’Hanlon, terwijl de PVV daar eenvoudiger had kunnen scoren: O’Hanlon schrijft niet in het Nederlands, en dat is een voorwaarde die aan de writer in residence gesteld wordt.

    Zoals het een keurig college betaamt, beantwoordde ook het huidige alle door de PVV gestelde vragen zo serieus mogelijk. Nee, de mening van de PVV mening werd niet gedeeld, al verbaasde de kritiek van O’Hanlon het college wel, ‘omdat hij eerder in de media juist erg positief was over de stad’.
    Dat Renate Dorrestein Almere ‘een spuuglelijke stad’ vond en Redmond O’Hanlon met ‘by far de lelijkste stad ooit gebouwd’ nog een stap verder ging, was hun goed recht en valt onder de vrijheid van meningsuiting.
    Aan een oordeel over de kwaliteit van de afzonderlijke Almere Verhalen wensen de diverse colleges zich niet te wagen. Zij huldig(d)en het Thorbeckiaans principe ‘dat de overheid geen beoordelaar van kunst is of hoort te zijn. Iedere stap die ons verder weg brengt van dit principe is een bedreiging voor onze vrijheid’.

    Ik weet niet wat ik gewaagder vind: een schrijver die zich voor het karretje van een stad laat spannen of een stad die denkt via een writer in residence ‘literatuur, als onderdeel van de Nederlandse cultuur, letterlijk en figuurlijk dichter bij Almere en de Almeerders te brengen’.

    Literatuur en lezers onttrekken zich aan de wetten van citymarketing. Hoe prominent de rol en/of hoe positief het beeld van een stad in een literair werk – fictie of non-fictie – ook is: een lezer stapt als het boek uit is niet onmiddellijk in de auto of de trein om de stad te bezoeken.
    Omgekeerd kan ik me in het geval van Almere ook niet voorstellen dat wie nauwelijks leest naar de boekwinkel gerend is om Iets meer dan een seizoen, Weerwater of De groene stad te kopen.

    Dat vooraanstaande schrijvers hun naam aan een stad willen verbinden, dat is waar een stad goede sier mee kan maken. Dat moet voor bestuurders en volksvertegenwoordigers voldoende zijn.

     

    Illustratie: het schiereiland Utopia in het Weerwater

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Het extreemrechtse drama

    Het extreemrechtse drama

    Ik had me de wereld anders voorgesteld, gebundelde stukken uit twintig jaar schrijverschap van opiniemaker Anil Ramdas (1958-2012) bevat tal van interessante inzichten. Zo is er bijvoorbeeld zijn mening dat Paul Scheffers bekende essay ‘Het multiculturele drama’ uit het begin van deze eeuw, vooral door de handig gekozen titel en door de timing school heeft gemaakt; het paste in de tijdgeest. Ramdas wijst erop dat de koppeling van de woorden ‘multicultureel’ en ‘drama’ iets losmaakte: ‘we leven in melodramatische tijden, we leven in tijden waarin je elkaar niet overtuigt met argumenten en inzichten maar met emoties en gevoelens. Het gaat allang niet meer om kennis, het gaat om drama.’

    Hiermee diskwalificeert Ramdas het gevoel, dat blijkbaar minder waarde heeft dan het verstand, terwijl in 2007, – de tijd dat hij dit schreef – neurologische bevindingen (van onder meer Damasio) over de wederzijdse beïnvloeding tussen (of verstrengeldheid van) emotie en ratio al vrij algemeen bekend waren en zeker niet overtuigend weerlegd.
    Ramdas wijst hier op een soort hersenloos elkaar napraten en vol branie schelden en spotten dat vanaf de millenniumwisseling standaard is geworden in tijden dat de poortwachters (redacteuren, journalisten, historici) uit de traditionele media op bepaalde locaties op het internet omzeild kunnen worden. We leven tegenwoordig in een cultuur van Nieuwe Hufterigheid. Waar de mutatie daarvan: ‘Nieuwe politiek’ (die niet zo ‘nieuw’ was omdat men in feite zestig jaar terug in de tijd wilde) weer wat op de achtergrond is geraakt, is de cultuur van Nieuwe Hufterigheid blijvend. De geest is uit de fles en neemt steeds spookachtiger vormen aan.

    Slecht voorbeeld
    Politicoloog Pieter Hilhorst stelt in zijn adequate inleiding bij Ramdas’ stukken: ‘Het gevaar van politieke correctheid is dat beleefdheid het wint van eerlijkheid. Maar nu is het helemaal de andere kant op geschoten. De vrijheid van meningsuiting wordt massaal gebruikt om mensen eens flink de waarheid te zeggen.’
    Er is geen barrière of rem meer, waardoor alles onder het mom van ‘het vrije woord’ geuit moet worden, want elke mening zou evenveel waard zijn. Kwetsen is niet erg. Ramdas legt de schuld hiervan deels bij onverantwoordelijke politici, maar vestigt er ook de aandacht op dat het volk uit zichzelf al ‘rare gedachten’ heeft en dat politici daar slechts munt uit slaan. Toch lijkt het zo te zijn dat invloedrijke politici (na ondernomen kiezersonderzoek) xenofobe tendensen onder bepaalde bevolkingsgroepen aanzwengelen, terwijl het hun taak zou moeten zijn deze juist te bestrijden of op zijn minst in goede banen te leiden. Wat Ramdas iemand als Frits Bolkestein (bekend van zijn tirades tegen vluchtelingen in de jaren negentig) kwalijk neemt is dat deze laatste een rol aannam die hem als politicus niet paste; hij zou als politicus een andere taak hebben gehad dan het ondermijnen van regels en conventies of het ontwrichten van de maatschappij uit eigen electoraal gewin. Dat was onverantwoordelijk.

    Gemis
    In de in een literaire stijl geschreven essays en columns toont Ramdas zich een belezen intellectueel, vol ironie en ambivalentie. Ramdas was een man die deels kritisch was over de multiculturele samenleving, maar ook erg schrok van de ontsporing van het publieke debat, van het extreemrechtse drama dat zich in de Nederlandse maatschappij (en elders in de Westerse wereld) heeft voltrokken. Hij maakte zelf een einde aan zijn leven. Het is hier niet de plaats voor gepsychologiseer over de oorzaken van deze keuze. Het is hoe dan ook verschrikkelijk dat een beleefde en beminnelijke intellectueel blijkbaar in een uitzichtloze geestesnacht is terecht gekomen. Feit is dat Ramdas in het debat node gemist wordt.

    Nostalgie
    De hele bundel in al zijn gevarieerdheid recht doen is lastig. Een aantal thema’s behoeft nadere bespreking. Bijvoorbeeld Ramdas’ negatieve duiding van het fenomeen nostalgie. ‘Nostalgie als excuus voor het eigen falen is misselijkmakend’ schrijft Ramdas in navolging van V.S. Naipaul en hij meent ook dat nostalgie ‘een ongelooflijk dom instrument [is] omdat men ervaringen van anderen uit het verleden overplant naar het eigen machteloze bestaan in het heden. Het collectieve geheugen wordt omgezet in een persoonlijk geheugen, herinneringen van vroegere generaties worden toegeëigend, en dat kan nooit meer opleveren dan banale leugens.

    Ramdas komt tot deze negatieve visie omdat hij een bepaalde vorm van nostalgie viseert. In de complexe werkelijkheid zijn er echter vele soorten ‘nostalgieën’ die naast elkaar bestaan, zo blijkt uit de moderne literatuur over dit onderwerp. Sommige van deze soorten zijn positief te waarderen, andere negatief. Deze literatuur kon Ramdas in 1992, toen hij dit schreef, nog niet kennen; ze was er nog niet. Hij ziet de politiek verdachte vorm van nostalgie blijkbaar als de enige vorm en in dat licht is zijn oordeel te volgen. Wel heeft hij positieve aandacht voor persoonlijke vervormde herinneringen die niet door het collectief worden bepaald:

    Schrijvers moeten voor ons het verleden terugvinden, waarmee wij aan ons heden zin kunnen geven. Migranten moeten hun verleden verzinnen, niet door erover te liegen, of het te verheerlijken en te romantiseren, maar door het literair te verwerken en op die manier dat verloren verleden zinvol te maken.’

    Dit kan als individuele nostalgie worden gekenschetst en past beter bij Ramdas’ weerzin tegen collectiviteit. Vraag is waarom het individueel vervormen van het verleden – Ramdas’ postmoderne levensmotto was een tijdje (naar een filmposter) ‘If this story ain’t true, it shoulda been –  wél mag. Het zou ook interessant zijn geweest wat hij gemaakt zou hebben van hedendaagse fenomenen als ‘post-truth’ en ‘alternative facts’.

    Nationalisme en identiteit
    Een ander thema in deze essays is nationalisme. In een artikel uit 2010 gaat Ramdas in op de denkbeelden van de antropoloog Benedict Anderson over ‘imagined communities.’ Ramdas’ weergave van Andersons these lijkt niet helemaal juist. Anderson beweert dat mensen denkbeeldige gemeenschappen, naties, konden vormen door verschijnselen uit de moderniteit, met name de boekdrukkunst. Het nationalisme kon ontstaan omdat men zich verbonden kon voelen met mensen die men niet kende, door gezamenlijke taal en teksten. De excessen van het nationalisme werden zo ook mogelijk. Ramdas meent echter dat in Andersons visie deze excessen (‘genocide, xenofobie, pogroms, racisme, uitsluiting, afbakening, begrenzing’) premodern nationalisme zijn en dat diens moderne nationalisme daarvan afwijkt omdat het niet zou uitsluiten, maar ‘inclusief’ is. Het moderne nationalisme zou dan verbinden, in plaats dus van een exclusieve benadering. Nationalisme hangt samen met identiteit. Identiteit is, net als nostalgie en nationalisme, een veelvormig begrip.

    Ramdas bespreekt in zijn stukken de Westerse identiteit en de migrantenervaring. Hij koppelt deze aan de begrippen relativisme en universalisme. Ruwweg staat Westers (cultuur)relativisme voor het in hun waarde laten van andere volkeren en culturen, zelfs als zij tot excessen komen en universalisme voor het respecteren van algemene basisrechten (bijvoorbeeld de universele rechten van de mens). Dit zijn beide respectabele posities die elkaar echter uitsluiten. Ramdas komt in zijn essays niet tot een oplossing aangaande de manier waarop deze twee begrippen te verenigen zijn. Dat valt hem niet aan te rekenen; het gaat om misschien wel de ingewikkeldste thematiek van de moderne tijd. Ramdas spreekt ook over het westerse morele superioriteitsgevoel en over tolerantie, waarin een situatie die men afgekeurd en zou kunnen veranderen, toch accepteert. Ook de kwestie of de westerse waarden beter zouden zijn dan die van niet-westerlingen (die bijvoorbeeld stenigen), lost Ramdas in zijn zoekende essays (natuurlijk) niet op. Hij biedt vooral stof tot nadenken en maakt duidelijk waarom het zo belangrijk is dat intellectuelen als hij zich in het debat roer(d)en.

    Politieke (in)correctheid
    Zoals gezegd, was Ramdas kritisch over multiculturalisme en ook over het fenomeen ‘politieke correctheid’. Hij meent echter dat men in de reactie erop is doorgeschoten. Hij omschrijft de ‘wrevel’ onder bepaalde Nederlandse intellectuelen over deze politieke correctheid ook als de angst om saai te zijn: ‘Een politiek correct persoon is nooit ondeugend, ironisch, stoutmoedig, uitdagend, speels of verrassend.’. Dit lijkt een juiste analyse. Tegenwoordig is het innemen van een politiek incorrecte positie echter standaard geworden. Het gaat niet meer om de inhoud, maar om het schoppen ‘om het schoppen’. Iedereen is nar. Wat politieke incorrectheid op zijn beurt weer niet zo vernieuwend meer maakt. Het gaat mensen erom eens lekker fel te zijn. Als de meeste mensen zo zijn, dan krijg je een verziekte samenleving. Mensen met weinig culturele of geestelijke bagage kan men dergelijke standpunten moeilijker kwalijk nemen dan intellectuelen. Men zou dan ook van het verraad der intellectuelen (een verwijzing naar Julien Benda’s boek uit 1927) kunnen spreken. Zij zwijgen of brengen begrip op voor extreemrechts. Politieke incorrectheid is zo standaard geworden dat deze voortaan juist als het nieuwe ‘politiek correct’ zou moeten worden omschreven. De bevolkingsgroep(en) waarbinnen men een dergelijke polariserende benadering kiest, schrijft Ramdas definitief af; een debat tussen hufterigheid en beleefdheid levert immers weinig op. Hij ziet wél wat in betere educatie om nog te vormen kinderen en jongeren inleving bij te brengen en, zo zou men eraan kunnen toevoegen, misschien zelfs mediawijsheid.

    Politieke (in)correctheid hangt sterk samen met de positie die men inneemt ten opzichte van geloof, waarbij men met geloof meestal de islam bedoelt. Ramdas maakt onderscheid tussen ‘geloof’ en ‘godsdienst’. Het eerste is persoonlijk, bij het tweede gaat het om ‘een collectieve gebeurtenis’. De eerste vorm wil Ramdas ongemoeid laten, maar over godsdiensten is hij sterk negatief: ‘Godsdiensten zullen nog lang blijven bestaan, vrees ik. Er zijn nu eenmaal mensen die het prettig vinden zich te verenigen onder een bepaalde gedachte, waangedachte of niet. Maar de liberale democratie, waarin de meesten van ons willen leven, mag godsdienstvrijheid niet hoger stellen dan persoonlijke vrijheid. Persoonlijke geloofsvrijheid is voldoende. Ruim voldoende zelfs.’ Hier heeft Ramdas een punt, maar een dergelijke mening lijkt moeilijk te verenigen met andere posities die hij inneemt. Hij is sterk ambivalent, wat de teksten literair en gelaagd maakt, maar soms ook diffuus. Dit komt natuurlijk ook door het gegeven dat teksten uit een periode van twintig jaar gebundeld zijn, een periode waarin zowel Ramdas als de maatschappij veranderde. Waar Ramdas eerst in zekere zin rechtser was dan gebruikelijk, werd hij in de loop van de tijd linkser dan gebruikelijk, omdat de maatschappij in extreme mate verrechtste. Ramdas voelde zichzelf en zijn posities irrelevant worden en vond het moeilijk daarmee om te gaan, zo blijkt al uit een essay uit 1999, met de titel ‘Mul-ti-cul…’ Beleefdheid en milde ironie lijken te hebben afgedaan in een samenleving waarin botheid een cultus is en schreeuwen het nieuwe denken.

     

     

  • In memoriam Anil Ramdas (1958-2012)

    Op donderdag 16 februari heeft de Surinaams-Nederlandse journalist, essayist en schrijver Anil Ramdas op 54 jarige leeftijd een einde aan zijn leven gemaakt. Anil Ramdas was de zoon van een onderwijzer en een radiomaakster. Hij groeide op in Suriname en vertrok in 1977 naar Amsterdam om te studeren. Ramdas was politiek en maatschappelijk een zeer betrokken persoon en stelde zich op als voorvechter van de multiculturele samenleving van Nederland.

    In 1989 werd Anil Ramdas redacteur bij De Groene Amsterdammer en in 1992 ging hij als columnist, essayist en reisverslaggever werken voor NRC Handelsblad. Vanaf 1994 presenteerde hij verschillende programma’s voor de VPRO waaronder, In mijn vaders huis, (serie interviews met denkers over de botsing van culturen en de rol van de wetenschap en media daarin), Zilte stranden en sinds september 2010 het opninie programma Z.O.Z.. Woensdag 15 februari werd (naar later bleek) de laatste uitzending van Z.O.Z. met Ramdas opgenomen. Naar de VPRO liet weten, was Ramdas zelf erg trots op deze aflevering.

    In 1993 hield Anil Ramdas de Den Uyl-lezing. Van 2000 tot 2003 was hij correspondent voor NRC Handelsblad in New Delhi. Voor hem waren zijn jaren in India het hoogtepunt van zijn turbulente loopbaan als journalist, schrijver. Terug in Nederland was hij van 2003 tot en met 2005 directeur van debatcentrum De Balie in Amsterdam. In 2007 ging hij voor  een jaar naar Paramaribo om er een boek te schrijven waarover hij zelf zei:  “Een serieus reisverhaal vereist een intensieve kijk op de wereld. Dat vergt het risico om ergens een jaar te gaan zitten. Dat deed ik met Paramaribo, maar het was geen aangename ervaring.”
    In 2009 verscheen het boek Paramaribo. De vrolijkste stad in de jungle.
    “Dit boek is de droevige en soms hilarische neerslag van zijn indrukken en ervaringen”, zo is de omschrijving van Wim Brands, presentator van het programma Boeken waarvan hier de weergave van het gesprek met Ramdas over zijn boek Paramaribo.

    Vorig jaar debuteerde Anil Ramdas als romanschrijver met Badal. Daarover zei hij in een interview (29-07-11) met Elsbeth Ettty dat Badal naar zijn eigen beeld was geschapen: ‘Ik volg in de roman de Wikipedia-gegevens van Anil Ramdas, ik gebruik veel van zijn reizen en indrukken, maar ik heb ze verdraaid of uitvergroot.’
    Op 22 december 2011 schreef Ramdas zijn laatste bijdrage voor de rubriek ‘De reizende commentator’ van NRC Handelsblad.

     

     


    Werken van Anil Ramdas:

    1985De factor arbeid op Curaçao: een analyse in histories perspectief in: Brasia vol. 6 nr. 5
    1987 – De dans en de dansers: biografiese vertellingen uit Curaçao over voorstellingen van man-vrouw verhoudingen
    1987 – Goden en marionetten. Een verkenning van ideologie, discours, subjectiviteit afstudeerscriptie (zonder publicatie)
    1987 – Zekerheid en eenzaamheid in het huishouden; Mannen en vrouwen in de productie en de consumptie onderzoeksverslag (zonder publicatie)
    1988 – De strijd van de dansers, biografische vertellingen uit Curaçao uitgeverij SUA (verkorte versie herdrukt door Rainbow Pocketboeken / Maarten Muntinga BV, 1994)
    1988 – Laclau/Mouffe en de Marxisten: een verhouding van liefde en haat. s.n. (voor tijdschrift ‘Krisis’)
    1992 – De papegaai, de stier en de klimmende bougainvillea, essays, De Bezige Bij.
    1992 – Tussen de regels: vluchtelingen en detentie met Thomas Spijkerboer, in: NJCM-bulletin; vol. 17, afl. 1, pag. 15-34
    1993 – In Mijn Vaders Huis, deel 1 Mets
    1994 – In Mijn Vaders Huis, deel 2 Mets
    1994 – Het besluit van Mai novelle, De Bezige Bij.
    1995 – Een Surinaamse Ballade:’wel de snack maar niet de saus’, verslagen en foto’s (van Fred van Dijk) van reizen naar Suriname, De Bezige Bij
    1996 – De beroepsherinneraar en andere verhalen, essays en verhalen, De Bezige Bij
    1996 – De kracht van cultuur: onze creatieve verscheidenheid; Commentaren bij het Rapport van de Wereldcommissie voor Cultuur en Ontwikkeling (met anderen) Koninklijk Instituut voor de Tropen
    2000 – Het geheugen van de stad levensverhalen van migrantenfamilies, in opdracht van Wereldmuseum Rotterdam, uitgeverij Balans
    2004 – Zonder liefde valt best te leven, correspondentie uit India opstellen over de rol van de journalist in vreemde culturen, De Bezige Bij
    2005 – Culturele diversiteit en de media, Katholiek Instituut voor Massamedia (KIM)
    2008 – Weg uit Babylon, verhalen en essays over culturele miscommunicatie, samengesteld door Rachida Azough en Anil Ramdas, uitgeverij Augustus
    2009 – Paramaribo: de vrolijkste stad in de jungle De Bezige Bij. Vijfde druk 2010
    2011 – Badal De Bezige Bij

     


    Lees hier een bespreking  (interview) met Anil Ramdas over zijn debuutroman Badal op Recensieweb.nl.

    Foto: Katrijn Van Giel