• Zomerrubriek – Angèle van Baalen

    Voor degenen die in eigen land met vakantie gaan, kan ik van harte aanbevelen:
    Het huis achter de wilgen van Mariëtte Haveman.
    In de jaren twintig van de vorige eeuw trouwt de Engelse Virginia met Roeland uit Drente. Ze zijn erg verliefd op elkaar. Maar wanneer zij na de huwelijksreis aankomt in zijn geboortedorp Werwolda, het dorp van de rietvlechters bij het Drentse Boschoord, is de ontvangst daar allerminst hartelijk. Van de romantiek tussen de twee gehuwden blijft niets over en Virginia gaat een nare tijd tegemoet. Daarbij ontdekt zij dingen die het daglicht niet kunnen verdragen en waarover iedereen zwijgt. Tot zover het binnenverhaal.

    Marijn Onderland, die in 2015 werkzaam is bij een bureau dat luxe recreatieparken neerzet in bijzondere gebieden, krijgt de opdracht de geschiedenis van dit geheimzinnige, afgelegen gebied te onderzoeken, en daar een goed verkoopbaar verhaal van te maken.
    Marijn raakt meer dan normaal geïnteresseerd in de geschiedenis van Virginia. Heden en verleden raken vervlochten.
    Geschreven in een sober, maar goed verzorgd proza.

    Pier en oceaanHet prachtig geschreven Pier en oceaan van Oek de Jong biedt in romanvorm ongeveer zestig jaar geschiedenis van Nederland. We zien Nederland veranderen door de bril van een alledaagse familie.

     

     

    Het houtWie vakantie houdt in het uiterste zuiden van Limburg, zou Het hout van Jeroen Brouwers moeten lezen. Een werkelijk fantastisch boek dat afrekent met de schijnheilige vroomheid van de geestelijken op zekere internaten.

     

     

    vSchirach TaboeOver de grenzen heen: twee schrijvers van wie ik helemaal gefascineerd ben geraakt: Ferdinand von Schirach. Van zijn boeken De zaak Collini en Taboe heb ik buitengewoon genoten.

     

     

    Mr. GwynnAlessandro Baricco, heeft met het boek Mr Gwyn diepe indruk gemaakt. Mr Gwyn heeft het helemaal gehad met zijn schrijversbestaan en zet daar definitief een punt achter. Maar omdat schrijven voor hem letterlijk van levensbelang is, moet hij wegen zien te vinden om te blijven schrijven zonder te moeten terugkomen op zijn besluit om te stoppen.
    Hij noemt zichzelf kopiist en schrijft vanaf dat moment portretten. In het weinige wat gezegd wordt, valt zoveel moois te lezen….

    _____________

    In de Zomerrubriek 2015 doen recensenten van Literair Nederland suggesties aan de hand van een thema. Actuele boeken, of boeken uit een ver verleden. Proza, poëzie of essayistiek. Alles is mogelijk. 

  • Hoe overleef ik mijn slaven?

    Hoe overleef ik mijn slaven?

    Om elke irritatie die zou kunnen ontstaan bij het lezen van de titel weg te nemen, is het belangrijk om twee zaken te vermelden. Allereerst slavernij bestaat nog steeds! Auteur Jerry Toner: ‘Maar voor we onszelf op de borst kloppen over onze vooruitgang, is het goed te bedenken dat slavernij, ondanks de illegaliteit ervan in alle landen ter wereld, toch op brede schaal blijft bestaan. Dat is tragisch. De NGO Free the Slaves schat dat 27 miljoen mensen onder bedreiging van geweld gedwongen worden te werken. Ze worden niet betaald en hoop op ontsnapping hebben ze niet. Er leven vandaag de dag in onze wereld meer slaven dan er in het Romeinse Rijk op enig moment zijn geweest. 

    Ten tweede hebben we hier natuurlijk niet echt te maken met een handleiding ‘Hoe houd ik zo efficiënt en succesvol mogelijk slaven?‘. Maar daar lijkt het wel op. De beroemde historica Mary Beard, die het voorwoord schreef, merkt op dat als dit boek tweeduizend jaar geleden was verschenen, het in de top tien van managementboeken zou hebben gestaan. Volgens haar is Marcus Sidonius Falx zeer betrouwbaar waar het gaat om een voor Romeinen belangrijk onderdeel van hun traditie: het managen van slaven.

    Wat dit boek ons, een ‘niet-Romeins publiek’, ‘lezers uit een barbaars volk’ (aldus Falx) laat zien, is dat het hebben van slaven bij de Romeinen (en Grieken) misschien wel een van de meest normale zaken was die men zich kon voorstellen. Was Marcus Sidonius Falx niet een verzinsel geweest, dan zouden we hier te maken hebben met een onvervalst, zeer waardevol document van de hand van een rijke grootgrondbezitter die dagelijks omging met slaven van allerlei soort.

    Marcus Sidonius Falx mag dan niet bestaan hebben, grootgrondbezitters zoals hij hebben wel degelijk bestaan en de ideeën die hij in dit boek verkondigt, werden door iedereen in de Romeinse (en Griekse) oudheid gedragen.

    De schrijver Jerry Toner heeft een goed en prettig leesbaar, populair-wetenschappelijk boek geschreven; hoewel hij alle mogelijke authentieke documenten en wetenschappelijke studies bij dit werk gebruikt heeft, is het boek verre van saai. Dat komt omdat hij zelf de rol van commentator op zich genomen heeft en Marcus Sidonius Falx het woord laat doen. Deze Marcus, van adellijke afkomst, lid van een oud senatorengeslacht, diende vijf jaar lang eervol in het zesde legioen, waarna hij terugkeerde naar Rome om zijn zaken te behartigen en zijn uitgestrekte landerijen in Campanië en de provincie Africa te beheren. Zijn familie bezit al talloze generaties heel veel slaven; hij is dus de aangewezen persoon om iets te vertellen over het fenomeen (slaven) dat zo essentieel was ‘dat het bij niemand ook maar opkwam dat het misschien ook niet kon bestaan. Slaven bezitten was de normaalste zaak van de wereld. Jammer genoeg weten we niet wat de slaven zelf dachten: hun mening deed er niet toe. Over wat hun meesters over hen dachten, weten we echter veel.‘ Marcus/Jerry kent zijn ‘klassieken’: wat Marcus in zijn handboek schrijft, heeft hij gehaald uit teksten van beroemde tijdgenoten van hem, zoals Cicero, Petronius, Plinius de Oudere, Plinius de Jongere, Seneca.

    Marcus’ handboek is opgebouwd uit niet al te lange hoofdstukken, in totaal elf. In elk hoofdstuk spreekt hij over een aspect waar de ‘heer en meester’ rekening mee moet houden bij het managen van slaven. Nadat Marcus meestal op vermakelijke en ook leerzame wijze zijn verhaal heeft gedaan, geeft Toner een kort, beargumenteerd commentaar hierop. Tevens vermeldt hij meteen vrij gedetailleerd de authentieke bronnen waaruit Marcus zijn wijsheid haalt. Ook zonder deze vermelding zou een oud-gymnasiast kunnen merken dat Marcus put uit dezelfde brieven, beschrijvingen, verhalen en anekdotes als die hij zelf ooit heeft moeten bestuderen.

    Het eerste hoofdstuk is gewijd aan het kopen van slaven. Van belang was de functie die de slaaf moest gaan vervullen. Een veldslaaf had andere kwaliteiten nodig dan een huisslaaf. Slaven die met hun meester onder één dak woonden en persoonlijke diensten moesten verrichten, werden met grote zorg gekozen. Verder moest de koper goed opletten bij welke slavenhandelaar hij zijn slaven kocht en ‘de verkoper vragen dat de slaaf zich ontkleedt. Die verkopers zijn een hoogst onbetrouwbaar mensensoort. Ze proberen vaak met kleren gebreken letterlijk toe te dekken. Een lange tuniek moet dan bijvoorbeeld   X-benen verbergen, en kleren met stralende kleuren leiden de aandacht af van zwakke, schriele armpjes.‘ Van bijzonder belang was de keuze van een goede voedster, want, zo betoogt Marcus, deze vrouw zal vaak de eerste zijn die door jouw kind mama genoemd zal worden. ‘Als babysit voor mijn kinderen gebruik ik graag slavenkinderen die ik zelf met mijn eigen slavenvrouwen heb. De slaven die het dichtste bij jou als meester staan, zijn zij die in je jeugd voor jou hebben gezorgd.

    In het hoofdstuk over de manier waarop de eigenaar het beste uit zijn slaven kon halen, staat een lange ‘checklist van de plichten van je beheerder, zodat je kunt nagaan of hij doet wat jij wil dat hij doet.

    In het hoofdstuk ‘Slaven en seks’ staat de aanbeveling slaven toe te staan een gezin te stichten, omdat dat naast stabiliteit, ook andere voordelen biedt. Het houdt de slaven tevreden en ze zullen harder werken om hun vrijheid te verdienen. Ouders van slavenkinderen zullen minder snel geneigd zijn om weg te lopen.

    In het hoofdstuk ‘Wat is een goede slaaf?’ gaan commentator en Marcus meer op de filosofische toer. Het is een inwijding in de denkbeelden van het stoïcisme aan de hand van een aantal teksten van de Romeinse filosoof Seneca (opvoeder van de latere keizer Nero). Volgens deze leer is het gegeven dat een slaaf een slaaf is niet relevant. Wat telt is of iemands ziel ‘vrij’ is. Het gaat dus om het innerlijk en niet om de status. ‘Vrijwillig’ slaaf zijn van bijvoorbeeld seks of eten of bezit, dát maakt iemand pas werkelijk tot een slaaf.

    Ook is er een hoofdstuk gewijd aan het bestraffen van slaven, over wat daarbij wel en niet geoorloofd is. Extra aandacht gaat uit naar de bestraffing van weggelopen slaven. In dit hoofdstuk vertelt Marcus het bekende verhaal van ‘Androcles en de leeuw’. De slaaf Androcles had om te ontsnappen aan de dagelijkse zweepslagen van zijn meester zijn toevlucht gezocht in de woestijn. In de afgelegen grot waar hij zich verborgen hield, strompelde een leeuw binnen. Androcles verwijderde een grote splinter uit de zool van de poot van de leeuw en verzorgde de wond goed. Drie jaar deelden zij daarna de grot en het voedsel. Wanneer hij later in Rome voor de wilde dieren, i.c. deze (inmiddels gevangen) leeuw, gegooid wordt, weigert de leeuw hem te verscheuren, vlijt zich aan de voeten van de man: een hartverscheurend tafereel!

    Slavenopstanden bleven, aldus Marcus, gelukkig zeldzaam. Dat een slavenopstand voor de Romeinen hun grootste nachtmerrie was, zal duidelijk zijn. Het aantal slaven in een huishouding of op een landgoed was in veel gevallen vele malen groter dan het aantal vrijgeborenen. Een veel gehoorde uitspraak in dit verband was: ‘Tel je slaven en je weet hoeveel vijanden hebt.‘ Marcus: ‘Hoe betrouwbaar en loyaal jouw slaven ook mogen lijken, als ze de kans krijgen vrij te komen, grijpen ze die bijna allemaal. En dan ben jij de loser.‘ Natuurlijk komt in dit hoofdstuk de slavenopstand onder leiding van Spartacus (73-71 v.Chr.) uitgebreid ter sprake. Toner noemt in dit verband ook de film uit 1960 van Stanley Kubrick met Kirk Douglas in de hoofdrol en wijst op de gevaren van valse voorlichting.

    Over het algemeen zou de weerstand van slaven in de keizertijd zich uiten in kleinigheden als leugens, bedrog, een ziekte voorwenden, ongehoorzaamheid op kleine schaal.

    In het hoofdstuk ‘Slaven vrijlaten’ staat op welke wijze dat gebeurde, en dat het vrijlaten van slaven ook een normaal verschijnsel was. Overigens bleven slaven na hun vrijlating nog altijd in de invloedssfeer van hun ex-meester. Dat hield in dat hij nog steeds bepaalde opdrachten aan hen kon geven, maar ook dat de ex-meester verantwoordelijkheden tegenover zijn vrijgelatenen had.

    Het kwam ook voor dat de relatie slaaf-meester zo goed was dat de slaaf liever niet vrijgelaten werd. (Sommige vrijgeboren dagloners hadden minder te besteden en te eten dan een slaaf in een stedelijk huishouden.)

    In het laatste hoofdstuk merkt Toner op dat het niet klopt dat het christendom inherent positiever stond tegenover slaven dan andere antieke stromingen, zoals het stoïcisme. ‘We hebben de neiging te denken dat de lessen van het christendom de leefomstandigheden van slaven verbeterden. Maar uit de bewaarde bronnen blijkt niet dat christelijke eigenaren hun slaven beter behandelden dan heidenen. (…) Christelijke auteurs gaan ervan uit dat slaven zich immoreel zullen gedragen. De voorbeelden waarin christelijke auteurs het slechte gedrag van hun ‘kudde’ vergelijken met ‘het soort gedrag dat je normaal van slaven verwacht’ zijn dan ook talrijk.

    Herkenning van een (al dan niet op school vertaalde) authentieke tekst kan een bron van vreugde zijn. Minder prettig, ja soms zelfs storend, is het om af en toe uit de mond van Marcus de bijna letterlijke tekst van een van Seneca’s Brieven te horen. Het taalgebruik van Seneca is immers zo anders dan Marcus’ alledaagse, tamelijk populaire manier van spreken.
    Toner heeft met dit goed leesbare boek een belangrijke bijdrage geleverd aan de geschiedschrijving. Hij heeft gebruik gemaakt van heel veel authentieke teksten en door het als een handleiding voor ‘meesters-in-opleiding’ door een ter zake kundig man te presenteren, maakt de lezer van nu op een vanzelfsprekende manier kennis met alle ‘ins and outs‘ van de slavernij in de oudheid. Voor wie nog meer wil lezen over dit onderwerp heeft hij een lijst van boeken en artikelen toegevoegd.

    Wie zich dus niet laat afschrikken door de titel, heeft na het lezen van dit boek, dat op vlotte en humoristische wijze is geschreven door het zeer deskundige ‘duo’ Falx/Toner, (in de goed leesbare vertaling van Patrick De Rynck) een compleet beeld van slavernij, een fenomeen dat eeuwenlang een wezenlijk onderdeel is geweest van de Romeinse maatschappij.

     

    Handboek slavenmanagement

    Auteur: Marcus Sidonius Falx, Jerry Toner
    Vertaald door: Patrick De Rynck
    Verschenen bij: Athenaeum, Polak & Van Gennep
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: € 19,99

  • Schrijnende roman over het leven van contractkoelies

    Schrijnende roman over het leven van contractkoelies

    Waar al zoveel grote schrijvers mooie romans over Nederlands-Indië geschreven hebben, lijkt het ondoenlijk aan die reeks er nog een toe te voegen.
    Njai Inem, Kroniek van een steen is een eenvoudig, chronologisch geordend verhaal over jonge Indiërs die een vel papier tekenen waardoor ze ‘contractkoelie’ worden en daarmee de zeggenschap over hun leven uit handen geven. Voor de zestienjarige Inem en haar twee beste vrienden, het meisje Siti en haar vriend Djoko is dat een gedenkwaardige dag.

    Het verhaal omvat een geringe tijdspanne. Het relaas begint met de beschrijving van een willekeurige dag in Muntilan, een stadje op Midden-Java. De werkeloosheid is groot, men lijdt voortdurend honger. Jongeren hangen wat rond. Er komen twee mannen om koelies (ongeschoolde arbeiders die zwaar werk moeten verrichten) te ronselen voor een rubberplantage op Sumatra. De volgende dag (deel twee) wordt aan vijftig sterke, gezonde mannen en vrouwen, onder wie zich Inem en haar twee vrienden bevinden, een contract van drie jaar aangeboden en een voorschot gegeven. Inem geeft de helft van haar voorschot aan haar vader, zodat haar broertjes en zusjes weer naar school kunnen gaan.
    In deel drie lezen we het verslag van de reis naar Sumatra, waarbij de dagen op de boot de verschrikkelijkste zijn: de koelies zitten, op elkaar gepakt, dagenlang in het maar voor de helft afgedekte ruim, in weer en wind. Na aankomst op de plantage worden Inem en Siti van de groep gescheiden, Inem is bestemd voor de toean (heer, gebieder), de Hollandse baas van de rubberplantage, Siti voor een van de twee assistenten.
    Hoewel nergens in het verhaal de chronologie wordt doorbroken, is het geen droge opsomming, doordat het verhaal verteld wordt enerzijds door een alwetende verteller, anderzijds vanuit het perspectief van Inem of haar meester. Wanneer Inem de ik-verteller is, wordt een ander lettertype gebruikt.

    De delen vier, vijf en zes zijn interessanter dan de eerste drie, omdat daarin Inem en haar meester om de beurt van dezelfde gebeurtenissen of situaties verslag doen, ieder vanuit hun eigen perspectief. Zo betreuren zij zeer de dood van Djoko. (Hij viel een mandoer, een Indische leider van een werkploeg aan toen ‘zijn’ Siti door een van de assistenten meegenomen werd; daarop werd hij door drie mandoers zó mishandeld voor het oog van de net aangekomen groep koelies, dat hij twee dagen later aan zijn verwondingen overleed. Siti mag om onrust te vermijden terug naar haar dorp). Beiden doen dat om verschillende redenen. Inem omdat zij nu helemaal alleen zonder vrienden drie jaar moet zien te overleven als njai (huishoudster/concubine), haar toean omdat dergelijke onnodige wreedheid onrust veroorzaakt bij de andere koelies en omdat, niet onbelangrijk, de regels zijn overtreden. Hij heeft namelijk eindeloos herhaald dat er geen wrede lijfstraffen gegeven mogen worden, dat er genoeg eten en drinken moet zijn voor de koelies. Als Hollander krijgt hij niet echt contact met de inlandse mandoers, ook al worden zij redelijk betaald en behandeld.

    Van de vriendelijke, begripvolle kokkin, leert Inem wat haar meester van haar verlangt: naast een enkele huishoudelijke taak moet zij vooral zorgen voor zijn welzijn, en daar hoort ook bij dat ze het bed met hem deelt. Ongetrouwd seks hebben is voor haar als moslim echter de grootste vernedering die er bestaat.

    Deel zes maakt een sprong in de tijd, de baas kijkt tevreden terug op de eerste zes maanden met Inem: ‘Waarschijnlijk betekent ze meer voor me dan ik me bewust ben. Zij verandert en ik verander mee, waardoor we steeds beter op elkaar afgestemd raken. In bed heeft ze leren aanvaarden. Ze heeft geen angst meer en ze laat duidelijk voelen wat ze prettig en niet prettig vindt.’ Dat het voor hem niet mogelijk is de inlandse geest te doorgronden, blijkt uit hoe Inem over de situatie denkt: ‘Terwijl ik de voordeur op slot doe, moet ik steeds denken aan hoe het verder moet. Dan moet ik altijd oppassen dat ik niet eindeloos ga piekeren en uiteindelijk in huilen uitbarst. (…) Nu zwijg ik over mijn ware verlangens, over mijn wanhoop en mijn schaamte. Alles hou ik binnen, een steen in mijn borst.’

    Alle zes delen worden voorafgegaan door een of meer citaten. Achter in het boek staan een woordenlijst en als addenda een aantal (kranten)artikelen over mensenhandel en slavernij, en een bibliografie.
    Een vlot geschreven kroniek die een overtuigend beeld geeft van het schrijnende bestaan van contractkoelies en njais.

     

    Njai Inem
    Kroniek van een steen

    Auteur: Barney Agerbeek
    Verschenen bij: Uitgeverij In de Knipscheer
    Aantal pagina’s: 176 blz.
    Prijs: € 17,50

  • Treurnis, weemoed en melancholie in adembenemend proza

    Treurnis, weemoed en melancholie in adembenemend proza

    Gajto Gazdanov was een van de bekendste Russische emigrantenschrijvers in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Een avond bij Claire verscheen in 1929 in Parijs, gevolgd door nog enkele romans en verhalen, waaronder de roman Het fantoom van Alexander Wolf. In 1992 verscheen Een avond bij Claire in een vertaling van Helen Saelman. Zij heeft die vertaling voor deze heruitgave volledig herzien.

    De schrijver Gazdanov en het hoofdpersonage Kolja lijken in bepaalde opzichten op elkaar. Beiden kiezen op jonge leeftijd (Kolja was 16 jaar) in de Russische Revolutie de kant van de Witten. Van Kolja weten we dat hij dat niet uit overtuiging deed, want als zijn oom Vitali, een oud-officier, hem probeert tegen te houden door te zeggen dat de vrijwilligers (de Witten) de oorlog gaan verliezen, denkt hij: ‘De vraag of de vrijwilligers de oorlog zouden winnen of verliezen interesseerde mij niet zo. Ik wilde weten wat oorlog was, (…). Ik trad toe tot het Witte leger omdat ik me op het grondgebied daarvan bevond, omdat iedereen dat deed’.
    Zoals de schrijver zelf belandt ook Kolja, gedwongen te vluchten omdat de communisten de oorlog gewonnen hebben, na lange omzwervingen in Parijs. Daar ziet hij Claire terug, op wie hij in het Rusland van voor de Revolutie hopeloos verliefd was en die hij uit het oog verloren was ten gevolge van een nogal onhandige toenaderingspoging en die hij ‘nergens en nooit had kunnen vergeten’.

    Claire is inmiddels getrouwd met een rijke zakenman die vaak en langdurig op reis is, zoals ook het geval is op het moment dat het verhaal een aanvang neemt. Kolja bezoekt de zieke Claire iedere avond tot hij van haar ontvangt waarnaar hij tien jaar verlangd heeft, maar ’toen ze ingeslapen was, draaide ik me met mijn gezicht naar de muur en werd bevangen door mijn oude droefheid.’ Treurnis, weemoed, melancholie voeren de boventoon in de roman. In die bewuste nacht, bij Claire, realiseert Kolja zich dat aan het weemoedig verlangen naar Claire nu een einde is gekomen en dat besef leidt tevens tot een keerpunt in het verhaal. Vanaf dat moment namelijk begint Kolja zich geleidelijk alles voor de geest te halen wat voorafging aan de avonden bij Claire. Hij voert ons mee naar zijn bepaald niet ongelukkige jeugd die echter wreed verstoord werd door de dood van zijn bijzondere vader, de man die hem leerde hoe hij in zijn dromen wereldreizen kon maken als commandant van een toverschip. Ook zijn leven als gymnasiumleerling passeert de revue. Het valt hem op dat hij meer dan anderen van zijn innerlijk leven houdt, dat zijn aandacht getrokken wordt door ‘kleinigheden waaraan ik eigenlijk geen belang had moeten hechten’, en dat belangrijke gebeurtenissen (lees veldslagen, doden en gewonden) ‘nauwelijks effect’ op hem hadden en voor hem pas veel later, in zijn herinnering, de betekenis krijgen die ze hadden moeten hebben toen ze plaatsvonden.

    Deze roman laat een onuitwisbare indruk na, niet alleen door wat Kolja beschrijft, maar ook en misschien wel vooral door hóe hij het beschrijft. Adembenemend en in bijna poëtische bewoordingen weergegeven is de reis van de pantsertrein. Deze trein, waarmee  Kolja, zijn kameraden en de officieren naar het front vervoerd worden, brengt hem in contact met lieden van allerlei slag. (Later bij de aftocht van de Witten ’trok de pantsertrein over de rails van de Taurus en de Krim, als een door honden opgejaagd en door jagers omsingeld wild dier.’) In geuren en kleuren schildert Kolja laffe officieren – van wie een zich tijdens een zwaar gevecht onder een hoop lijken verschool en pas op stond toen het gevecht was afgelopen – en heldhaftige soldaten. Zelfs dat hij als soldaat van het artilleriecommando naar een observatiepost wordt gestuurd die zich in een boomtop in een bos bevindt, en dat hij daar alleen gelaten wordt, wordt voorgesteld als iets moois, iets waar je bijna jaloers op zou kunnen zijn: ‘De bladeren ruisten in de wind, een sprinkhaan, die god mag weten waarvandaan gekomen was, tsjirpte beneden op de grond en verstomde toen plotseling, alsof iemand een hand voor zijn mond hield. Alles was zo mooi en transparant (…) dat ik vergat dat ik de mondingsvlammen en de bewegingen van de vijandelijke cavalerie in de gaten moest houden, (…) en vergat dat er in Rusland een burgeroorlog aan de gang was en dat ik aan die oorlog deelnam.’ Met dit soort opvallende vergelijkingen en beschrijvingen weet de schrijver de lezer steeds weer te verrassen!

    Bijna een eeuw later is Gazdanov nog steeds in staat de lezer de werkelijkheid te doen vergeten met zijn fantastische (in de ware zin van het woord!) vertelling, fraai gekozen beelden en prachtige stijl.

    Een avond bij Claire

    Auteur: Gajto Gazdanov
    Vertaald door: Helen Saelman
    Verschenen bij: Uitgeverij Wereldbibliotheek
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 18,90

  • Leestips voor de decembermaand – Angèle van Baalen

    De volgende boeken hebben mij op een of andere wijze zeer geraakt. De titels staan in willekeurige volgorde.

     Anna. Ode aan een kattenstaart door Ru de Groen
    Deze prachtige debuutroman verhaalt van een allesbepalende eerste, grote liefde. Adri Altink: ‘Een genot vormt de soepelheid van taal die Ru de Groen gebruikt. De soepele stijl is doorspekt met humor en woordspelletjes. (…) een duidelijk met plezier geschreven verhaal over de ontwikkeling van twee pubers die verliefdheid en de valkuilen daarvan ervaren, op weg naar zelfkennis.’

    Een verhaal van liefde en duisternisKom hier dat ik u kus door Griet op de Beeck
    De Vlaamse schrijfster heeft een betoverend, maar ook schrijnend verhaal geschreven over Mona.
    Achterflap: ‘Een verhaal over waarom we worden wie we zijn, geschreven met humor, scherpte en veel schaamteloze eerlijkheid. Over ouders en kinderen. Over kapotte mensen en hoe zij ongewild anderen ook kapotmaken. (…) Over de gevaren van sterk zijn. Over vergeten en niet kunnen vergeten. Over jezelf durven redden. En natuurlijk ook nog over de liefde. Omdat dat alles is wat we hebben, of toch bijna.’

    Wacht op mijWacht op mij! door Michele Serra
    Roman over een vader die de generatie van zijn puberzoon probeert te begrijpen.
    Dit boek ademt uit al zijn poriën de liefdevolle toewijding van een vader én de niet aflatende ergernis over de schijnbare onverschilligheid van de puberzoon. Met veel humor, tederheid en ironie geschreven.

     

    De vluchtDe vlucht door Jesús Carrasco
    Dit boek heeft enorme indruk op mij gemaakt. Een jongen, een kind nog, is op de vlucht. Pas tegen het einde van de roman wordt duidelijk waarom de jongen op de vlucht is, waardoor grote spanning gecreëerd wordt. Daarnaast worden de ontberingen en gruwelijke omstandigheden bijna tastbaar beschreven. In mooi proza geschreven.

     

    Door Angèle van Baalen

  • Betoverend mooi

    Betoverend mooi

    ‘Ik wilde mijn oude leven niet meer. Ik had me verheugd op een nieuw leven. Ik had gedaan alsof het een leven met haar zou zijn.’

    De Duitse jurist en schrijver Bernard Schlink laat opnieuw zien dat verbeeldingskracht in combinatie met goed verzorgd proza kan leiden tot een weergaloos mooie en betoverende roman.

    De roman heeft een heldere opbouw: het eerste deel zet boeiend uiteen wat voorafgegaan is aan het moment dat het hoofpersonage voor het eerst na veertig jaar het schilderij ‘De vrouw op de trap’ ziet. Hoewel het grotendeels verhalend van karakter is, wordt het toch nergens saai, wat mede te danken is aan het heen en weer flitsen tussen veertig jaar geleden en het heden in het verhaal.

    Een niet meer zo jonge Duitse advocaat met een glansrijke carrière is voor juridische onderhandelingen in Australië en krijgt het verzoek een schilderij te komen bekijken. Dit schilderij is na veertig jaar zoek te zijn geweest onlangs in bruikleen gegeven aan de Art Gallery in Sydney. Irene, de ‘eigenaresse’ van dit beroemde schilderij, brengt niet zonder reden het doek naar buiten: zij, de geportretteerde jonge vrouw die naakt de trap afdaalt, is terminaal ziek. Ze weet dat de drie mannen die vroeger een grote rol hebben gespeeld in het conflict met betrekking tot het schilderij èn de afgebeelde vrouw, gretig op het schilderij zullen afkomen; en dat zij er alles aan zullen doen om haar te vinden. De mannen om wie het gaat zijn: haar toen al wat oudere echtgenoot, de succesvolle zakenman Gundlach, die de opdracht voor het schilderij had gegeven en het niet kon verkroppen dat Irene er met de schilder vandoor ging en daarom keer op keer ‘De vrouw op de trap’ vernielde; de schilder Schwind, die later wereldberoemd zou worden en er geen moeite mee had zijn minnares te verruilen voor zijn schilderij; verder de beginnende, ambitieuze advocaat die het contract van deze ‘ruil’ opstelde en die Irene – op wie hij inmiddels hopeloos verliefd was geworden – op de hoogte stelde van de gesloten overeenkomst tussen man en minnaar. Dank zij de hulp van de advocaat ontsnapt Irene met het schilderij en vanaf dat moment is en blijft zij spoorloos.

    Hevig ontroerd na het zien van het schilderij laat de advocaat uitzoeken waar Irene zich bevindt. Hij annuleert zijn terugvlucht, want hij wil niets liever dan deze vrouw opnieuw zien en van haar horen waarom zij hem zonder een woord te zeggen, heeft laten zitten. In afwachting van wat dit onderzoek oplevert, geeft hij zich over aan zijn herinneringen: zijn eerste kennismaking met Irene, met de kinderlijke schilder en de cynische echtgenoot; de diefstal van het schilderij en de vlucht van Irene; zijn huwelijk waarvan hij op dat moment nog niet inziet dat het geen succes was. (Toen hij van de politie vernam dat zijn vrouw zich had doodgereden tegen een boom, terwijl zij dronken achter het stuur zat, snapte hij in al zijn rechtlijnigheid niet waarom zijn vrouw aan de drank was. Hij had toch altijd het meest verkieslijkste gedaan? Had hij zijn kinderen niet voor hun eigen bestwil naar een internaat in Engeland gestuurd?)

    In het tweede deel waarin de spanning meteen wordt opgevoerd, wordt een eerste aanzet gegeven tot de karakterontwikkeling van de advocaat. Hij komt als eerste aan in de baai, waar Irene zich teruggetrokken heeft, een uur varen vanuit de ‘bewoonde’ wereld. Hun eerste gesprekken verlopen uiterst moeizaam. Tenslotte vertelt Irene waarom zij besloot te verdwijnen: zij had er genoeg van zich een rol te laten opdringen. ‘Nu sprak ze met openlijke minachting. “Voor Gundlach was ik de jonge, blonde, fraaie trofee waarvan alleen de verpakking van belang was. Voor Schwind was ik inspiratie, ook daarvoor volstond de verpakking. Toen kwam jij. De derde stompzinnige vrouwenrol; na het vrouwtje en de muze kwam de in gevaar verkerende prinses die door de prins wordt gered. Opdat ze niet in handen van de schoft valt, neemt de prins haar in zijn handen. Want in de handen van een man hoort ze nu eenmaal.”‘
    Een paar dagen later arriveren Gundlach en Schwind. Het geruzie over het schilderij begint hier weer van voren af aan en al gauw blijkt dat schilder en ex-echtgenoot geen haar veranderd zijn en nog meer dan vroeger van zichzelf overtuigd zijn. Dat Irene ernstig ziek is, lijkt hen niet te raken. En zodra zij hun duidelijk maakt dat er bij haar niets te halen valt (zij heeft het schilderij inmiddels geschonken aan het museum), maken de twee zich snel uit de voeten. De advocaat daarentegen laat zijn hart spreken en gaandeweg, terwijl hij haar liefdevol verzorgt en zij zich laat verzorgen, bloeit er iets moois op tussen hen. Mooi en ontroerend zijn de passages waarin een trap voorkomt: ‘Ze keek mij aan en ik sloeg mijn rechterarm om haar heen, ondersteunde haar met mijn linker en hielp haar de trap op.’
    (Inmiddels zijn we in het derde deel beland.)
    De twee naderen elkaar zo dicht als mogelijk is gegeven de omstandigheden, totdat Irene sterft en de advocaat in alle eenzaamheid achterblijft. De schrijver heeft er dan inmiddels wél voor gezorgd dat de lezer de advocaat een plaatsje in zijn hart heeft gegeven.

    Zonder het al te dik erbovenop te leggen heeft Schlink in zijn roman elementen van een klassieke tragedie gelegd, waarbij vooral dit element in het oog springt: de (anti-)held die buiten zijn schuld, maar door zijn karakter en het daaruit voortvloeiende gedrag in het ongeluk wordt gestort, en helaas pas tot inzicht komt als alles verloren is. In de roman is de advocaat onze (anti-)held. Op juridisch terrein wordt alles wat hij aanpakt een groot succes. Maar op het menselijk vlak brengt hij niets klaar. Doordat hij de mensen in zijn onmiddellijke omgeving niet begrijpt en slechts kan oordelen en veroordelen (hij had liever rechter willen worden), verliest hij zijn vrouw, heeft hij geen contact met zijn kinderen en is hij zonder vrienden. De lezer is getuige van het pijnlijke proces dat de advocaat doormaakt wanneer het eindelijk tot hem doordringt dat zijn leven tot dan toe ongelukkig is geweest en dat hij zelf daarvoor verantwoordelijk is. (‘Van meet af aan was er een glazen ruit die ervoor zorgde dat ik de anderen niet werkelijk bereikte, niet mijn vrouw, niet mijn kinderen, niet mijn vrienden. Ik was altijd op mijzelf geweest. Ik moest alweer – maar de vorige avond had ik al genoeg gehuild.’)

    In een tijdsbestek van veertien dagen – hij maakt expliciet melding hiervan wanneer hij zich realiseert dat sinds zijn aankomst in de baai en de dood van Irene, precies veertien dagen zijn verstreken – heeft de advocaat door de gesprekken met Irene zichzelf leren kennen en weet hij één ding zeker, namelijk dat hij zijn oude leven niet meer wil.

    Thuisgekomen in Duitsland gaat de advocaat verder op de ingeslagen weg: ‘Vandaag zou ik naar het kerkhof gaan en met mijn vrouw praten. Ik wilde om vergeving vragen.’

    Alle lof ook voor de vertaalster Gerda Meijerink die een prachtige vertaling maakte waardoor niets van de stijl en de sfeer van het origineel verloren is gegaan.