• Op zoek naar de verloren tijd maar dan anders

    Op zoek naar de verloren tijd maar dan anders

    Wat weten we nu van de dood. Willen de doden echt herinnerd worden, zoals we plegen te denken, of smachten ze naar vergetelheid en rust. Waarom kan het ons wat schelen hoe we na de dood herinnerd worden, wat is überhaupt een herinnering. Wie dit soort vragen niet schuwt moet De aanwezigheid van de doden van Emmanuel Berl beslist lezen. In een meanderende mijmering langs zijn leven probeert hij hartstochtelijk tegenstrijdigheden met elkaar te verzoenen. Présence des morts dateert uit 1956. Pas dit jaar is dit boek onder de titel, De aanwezigheid van de doden in het Nederlands uitgebracht – vertaald, geannoteerd en voorzien van een uitvoerig nawoord door Maarten Elzinga.

    Dodenboek

    De aantekeningen, maar zeker het nawoord zijn beslist geen overbodig luxe voor de Nederlandse lezer van deze vierenzestig jaar oude tekst. Niet voor iedereen klinkt de naam Emmanuel Berl (1892-1976) bekend in de oren en de periode waaraan hij in zijn boek refereert, vooral de eerste helft van de negentiende eeuw, mag wel wat toegelicht worden. Maarten Elzinga doet dit vakkundig, vol begrip en empathie. Hij is sinds twintig jaar de vaste vertaler van Patrick Modiano. Het is trouwens vermoedelijk via Modiano, die de vierentachtigjarige Berl in 1976 aan een Interrogatoire onderworpen heeft, dat Elzinga bij Berl is terecht gekomen. In zijn nawoord borduurt hij voort op dit boek van Modiano, het werk van Berl en licht ze toe. In zekere zin had het ook een voorwoord kunnen zijn – de lezer kwam dan wat beter beslagen ten ijs. Maar kreeg wellicht dan niet zo navoelbaar het tastende karakter van Berls parcours door het labyrint van zijn geheugen mee. 

    Allemaal tijdelijke passagiers

    Emmanuel Berl (1892-1976), geboren in een welgesteld, Joods-Frans, bourgeois milieu, behoorde tot de intellectuele elite en was bevriend met menig beroemdheid van zijn tijd (o.a. Proust, Malraux, Colette, Mitterrand). Als journalist, essayist en politiek denker deed hij verslag van dat roerige tijdperk. Zijn verzoenend pacifisme, onpartijdigheid en het te allen tijde opzoeken van een dialoog hebben niet altijd goed voor hem uitgepakt. In de tweede helft van de twintigste eeuw heeft hij zich uit de schijnwerpers teruggetrokken en zich uitsluitend gewijd aan het schrijven van autobiografische literaire non-fictie.
    Echter zijn voor Berl autobiografische elementen slechts aanleiding om op existentiële vragen een diepte-analyse en een ijzeren logica los te laten. Zo ook in De aanwezigheid van de doden.

    Aan de vooravond van een zware operatie kan de schrijver niet anders dan nadenken over de dood en de doden die hij gekend heeft. Daarbij laat hij als het ware ook zijn geheugen een chirurgische ingreep ondergaan, waarbij herinneringen laagje voor laagje ontleed en in verschillende categorieën gesorteerd worden. Hij realiseert zich dat er doden zijn die vrij spoorloos lijken te zijn verdwenen, terwijl anderen tot een extract gereduceerd zijn van wat  ze – misschien maar even en onder bepaalde omstandigheden – geweest zijn. Er zijn ook doden, die blijven spoken. Komt dit misschien omdat hun leven onverwacht is afgebroken en zij hun lot niet hebben mogen voltooien? 

    Waarom verschillen de doden zo van elkaar. Volgens Berl komt dat ‘doordat mijn geheugen mijn verleden niet bewaart, maar het constant schift en omvormt’. Wat overblijft, zijn niet ‘de dingen zelf, maar hun symbolen, en niet de reis,[…], maar alleen het logboek’. Dat is de ‘de onstuitbare vluchtigheid van alle dingen’.

    Eeuwige pendelbeweging

    Hoe moet je met de doden omgaan. Moet je ze herdenken of met rust laten. Willen de doden wel herdacht worden, of ervaren ze het als een tactloze verstoring van hun rust? Vergetelheid brengt misschien wel de sereniteit en vrijheid, die je als levende nooit hebt. Wat je als levende ook doet, het kan altijd als ‘verraad’ bestempeld worden, met schuldgevoel als gevolg. Antwoorden blijven ambigu en roepen onmiddellijk een zwerm nieuwe vragen op. 

    De titel van het boek is daar een mooie illustratie van. Zijn doden niet per definitie juist de afwezigen? Bij nader inzien hangt het af van de invalshoek, niets blijkt eenduidig of standvastig. Elk concept heeft een tegenpool die de ander neutraliseert en waartussen je heen en weer gekaatst wordt. Alles is met elkaar verbonden, fluctueert en beïnvloedt elkaar en leidt per definitie tot een paradox. Dit besef drijft Berl tot wanhoop.

    Vrede sluiten

    Totdat hij, eenmaal terug uit het ziekenhuis en langzaam herstellende, een geheimzinnige dame ziet op haar balkon tegenover zijn appartement, en die hem een mogelijke aanwijzing uit deze impasse lijkt te geven. Is het misschien mogelijk om gemoedsrust te vinden en vrede te sluiten, ook met de doden, wanneer je accepteert dat tegenstrijdigheden inherent aan het leven zijn, er geen stabiele kern of eenduidig antwoord bestaat? 

    Al is Emmanuel Berl geen Patrick Modiano, hij is wel een interessante denker die voor de lezer een dwaaltocht langs boeiende vraagstukken heeft uitgezet. Wanneer die zich er doorheen laat loodsen, komt men wellicht ook tot diepere inzichten.

     

     

  • Grimlachend op weg naar het einde 

    Grimlachend op weg naar het einde 

    Jannetje Koelewijn is schrijver, maar in de eerste plaats journalist. En zo schrijft ze ook haar nieuwe boek Fresia’s voor mevrouw Brak: als objectieve buitenstaander neemt ze waar, stelt vragen maar spreekt niet tegen, geeft geen sturing, uitleg of commentaar, benoemt hoogstens en registreert vooral. Zij is een betrokken, maar autonome toeschouwer, die met enkele rake dialogen een scherpzinnige en – ondanks de tragiek van de situatie – vaak komische schets tekent, die de lezer zelf mag inkleuren. Dat is beslist knap. Niet alleen omdat Koelewijn hier zo goed in slaagt, maar ook omdat er ergens iets schuurt. Want hoe doe je dat, betrokken zijn en toch afstand bewaren. Hoe lukt het je om meelevend te zijn en toch smakelijke anekdotes te vertellen. Zouden deze niet verloren gaan wanneer er door de schrijver ingegrepen, tegengesproken, gecorrigeerd werd?

    Het onderwerp in dit boek zijn Koelewijns ‘oude en hulpbehoevende ouders’, die ze tevens wil behandelen als ‘personages in een verhaal dat zich voor [haar] ogen afspeelde’. Ze publiceerde eerder De hemel bestaat niet, over het leven van haar ouders en wilde met dit vervolg over hun laatste jaren een waardige afsluiting schrijven. Fragmenten uit dit tweede boek verschenen dit jaar in NRC Handelsblad. In het bijzonder intrigeren Koelewijns vragen of en hoe haar ouders van elkaar gehouden hebben, waarom hun huwelijk mislukt is en welke rol de godsdienst daarin gespeeld heeft.

    ‘U noemt mij meneer Brak?’

    De wereld draait om de vader, zeker in zijn beleving. Het is een zeer intelligente, welbespraakte man, aller charmantst voor de buitenwereld, streng en autoritair voor zijn naasten. Trots op zijn indrukwekkende sociale stijging en, gewend om alles naar zijn hand te zetten is hij ook een onuitstaanbare narcist, zelfgenoegzaam en heerszuchtig. Karakteristieken als potentaat, man van principes, oude calvinist beschouwt hij enkel als complimenten. Hans Schouten, de gereformeerde predikant, die zich op zijn tachtigste tot priester liet wijden, typeerde zijn vroegere vriend Wim Koelewijn als een typische kuyperiaan: analytisch, zwart-wit, gelovend in de letterlijkheid van de bijbel en dus compromisloos. Voor Schouten bood het katholicisme troost, ‘kans…om het goed te maken’, die hij miste in het orthodoxe protestantse geloof. In de ogen van meneer Koelewijn was zijn bekering niets anders dan een onvergeeflijk verraad.

    Voor emoties, zeker voor die van anderen, heeft hij geen oog. Met name zijn dochters doen moeite om aan zijn wensen tegemoet te komen, maar dat ziet hij niet, vindt het vanzelfsprekend of beschouwt het als een gunst van hem. Zo reizen ze met hem en zijn scootmobiel per trein naar Parijs om daar Kerst door te brengen, werken mee aan allerlei uitjes naar uitspanningen en naar voor hem nostalgische plekken, verzorgen ziekenhuisbezoeken en andere reddingspogingen wanneer er weer eens een volstrekt eigenwijze actie door hem wordt ondernomen. Maar deze vader heeft in al zijn zelfgenoegzaamheid en zelfoverschatting ook iets aandoenlijks. En hij heeft een zwakke plek: dat is Renske Brak.

    De man is het hoofd van de vrouw

    Mevrouw Brak blijft voor iedereen ongrijpbaar. Haar man zal hun hele gezamenlijke leven lang geen vat op haar krijgen, ondanks zijn dominante aard en bemoeizuchtigheid, ondanks hun zes kinderen. Ook voor hen blijft hun moeder een raadsel. ‘Ze is er nooit voor ons geweest’, vat dochter Rinskje het samen. Het lijkt alsof deze vrouw geen verbinding heeft gemaakt met haar omgeving, alsof er iets ontbrak.

    Dochter Jannetje wil dolgraag begrijpen wat er met moeder aan de hand is. Ze ondervraagt familieleden en kennissen, komt in contact met artsen en psychiaters, bij wie haar moeder tijdens haar langdurige en zware depressie in behandeling was. Steeds meer wordt haar vermoeden bevestigd: deze vrouw mist elke echte emotie. Hoe is het zo gekomen. Is het erfelijkheid, emotionele verwaarlozing of zelfs mishandeling door haar eigen moeder, de heerszucht van haar man, de vanzelfsprekendheid van het zich moeten schikken naar een dwingend geloof en als gevolg daarvan zichzelf volkomen uitzetten? Verdrietig – voor haar… ‘en voor ons’, zegt dochter Rinskje.

    Over de vijftien jaar dat moeder gescheiden van haar man leefde komen we niets te weten. Ze lijkt er trouwens zelf geen enkele herinnering aan te hebben en blijft tot het bittere einde aan haar man gekluisterd. Eerder door een soort machteloze angst, dan door enig affect.  Hij klaagt bij zijn dochters, dat hij geen vrouw heeft gehad, ‘in de zin van een echtgenote met wie je lief en leed deelt’. ‘Wij hadden geen moeder’, antwoorden deze. Mevrouw Brak blijft ook de lezer ontglippen.

    Psalmen in de oude berijming

    Het zullen voornamelijk vijftigplussers zijn, bekend met het fenomeen ‘stervende ouders’ die zich in menige situatie zullen herkennen. Bijvoorbeeld het moment dat je de deur van de afdeling achter je dicht trekt, terwijl je ouder roept: ‘Jullie sluiten me op… Ik heb het heus wel in de gaten’. Hoewel – de meeste anekdotes zijn ongetwijfeld ook voor een groter publiek amusant: de ouder, die zich groot houdt ‘achter een blik van kan-mij-wat-schelen’ wanneer hij zijn splinternieuwe opvouwbare en behoorlijk kostbare scootmobiel ophaalt, is ontroerend en grappig tegelijk. Dat is ook het geval wanneer vader na veel moeite erin slaagt om met zijn nieuwe iPhone per ongeluk een verbinding te maken en concludeert, dat Siri hem al kent: ‘Ze doet precies wat ik zeg.’

    Je moet als lezer wel een zekere affiniteit met de Nederlandse orthodox christelijke wereld van de afgelopen eeuw hebben, wil je je enigszins kunnen inleven. De nadruk in het boek ligt op de opeenvolging van scènes en niet op nieuwe inzichten of interessante overpeinzingen. Een lach en een traan is ook hier een aansprekende combinatie en het gevoel van spijt dat je je ouders niet meer aandacht gegeven hebt, is de meesten van ons vertrouwd.

     

     

  • Vreemdeling in het land van anderen

    Vreemdeling in het land van anderen

    De Frans-Marokkaanse schrijfster Leïla Slimani brak door met het ijzingwekkende verhaal van de moordende oppas in Een zachte hand / De perfecte oppas, dat in 2016 met de Prix Goncourt werd bekroond en een bestseller werd. Begin dit jaar verscheen het eerste deel van een groots en ambitieus werk, de trilogie Het land van de anderen. Deze trilogie is én een  familiesaga, losjes gebaseerd op Slimani’s eigen familiegeschiedenis, én een overzichtsschets van Marokko vanaf het einde van de tweede wereldoorlog tot vandaag. Dit eerste deel, dat eindigt in 1956 met de onafhankelijkheidsverklaring van Marokko en daarmee het einde van het Franse protectoraat beslaat een periode van grote verwarring en ingrijpende veranderingen, waarin, zoals Slimani in een interview zegt, alles op losse schroeven kwam te staan en de kaarten opnieuw geschud werden. 

    In het Frans draagt dit eerste deel, waarvan de Nederlandse vertaling door Gertrud Maes trouwens in  recordtempo tot stand kwam, de titel La guerre, la guerre, la guerre. Deze titel ontleent Slimani aan de woorden ‘War, war, war’, waarmee de verwende Scarlett O’Hara in de film Gone with the wind het dreigende gevaar van de Burgeroorlog wegwuift. Slimani vindt deze titel toepasselijk voor de eindeloze worsteling van de mens om te overleven, deze alomtegenwoordige oorlog op wereld-, koloniaal of individueel niveau. 

    Een exotisch sprookje

    Het boek begint in 1946, het jaar dat de jonge Marokkaanse officier Amine Belhaj, gedecoreerd voor zijn verdiensten in het Franse leger, de 20 jarige Mathilde ontmoet. Hij is een held, die met zijn regiment de Elzas bevrijd heeft. Zij is een jonge vrouw die droomt van groots en gepassioneerd leven. Ze doet denken aan een jongere zus van Madame Bovary, ze houdt van lezen en mooie dingen, is wars van conventies, zelfs tegendraads en begrijpt niet ‘wat het leven voor zin heeft… als je niet wordt gezien’. Haar leven, dat ze tot dan toe als plat en triviaal ervaren heeft, moet door het huwelijk met de mooie stoere Amine  een exotisch sprookje worden, waarin haar dromen uitkomen.  Ze ziet zichzelf al als een soort Karen Blixen in haar statige ‘Farm in Africa’. 

    Slimani laat dit stel, geïnspireerd op haar eigen grootouders – de strijd met de vorige en toekomstige generaties aangaan. Mathilde vertrekt uit haar geboortestreek, het bekrompen maar vertrouwde Elzas, naar een land vol beloftes en wordt daar een ’nassrania’, een vreemdelinge. Er blijkt weinig exotisch aan keihard werken op onvruchtbaar land in de zinderende hitte, omgeven door viezigheid en armoede, volkomen losgescheurd van het vertrouwde thuisland en sociale posities. 

    Deze ontworteling, het nergens meer thuishoren, en niet mengen met het vreemde, eigen aan de banneling, wordt al in het motto van het boek, ontleend aan woorden van William Faulkner, aangekondigd. Het is ook op de hardwerkende doorzetter Amine van toepassing. Hij keert terug naar Marokko als held en bevrijder van Frankrijk, maar dit én zijn huwelijk met een Française marginaliseert hem en maakt hem tot verrader en dissident in zijn geboorteland.

    Status van vreemdeling

    Na eindeloze tegenslagen in de gedaante van sprinkhanen, armoede, droogte, onvruchtbare dorre grond lukt het hun om hun onvruchtbare land tot een zekere welvaart te brengen. Maar de status van vreemdeling in ‘het land van de anderen’ leidt tot wederzijdse verwijten en schaamte en brengt spanningen in hun relatie. Ook hun dochter Aïsha lijdt onder deze ‘onzuiverheid, zij is ‘niet helemaal inheems, maar ook niet een van de Europese meisjes – dochters van boeren, avonturiers of ambtenaren van het koloniale bestuur… Zij wist niet wie ze was, dus bleef ze alleen, tegen de warme muur van het klaslokaal’.

    Het woord ‘indigène’, vertaald als inheems, heeft in het Frans een paradoxale betekenis, afhankelijk van het perspectief dat je inneemt. Je wordt het pas, als een ander je zo bestempelt. Die ander, die in feite zelf de buitenlander is, ziet jou als anders, als vreemd. Maar het werkt natuurlijk ook de andere kant op, vandaar de ambiguïteit. Waar je ook heen gaat, je blijft een vreemdeling in ‘Het land van de anderen’. 

    Ondanks dat Mathilde en Amine van elkaar houden, is er in de eerste plaats onbegrip tussen hen. Ze vinden ‘elkaar in hun streven naar vooruitgang voor de mens: minder honger, minder pijn’. Mathilde wijdt zich op een steeds professionelere manier aan de arme zieken die haar komen opzoeken. Amine pioniert in de ontwikkeling van nieuwe zaden en gewassen en in de verbetering van de vruchtbaarheid van de grond.  

    Onafhankelijkheid 

    In veel opzichten blijven ze verscheurd, gevangen in de wereld waar hun wortels liggen, met een groot verlangen om daar weer bij te horen en angst voor het anders zijn. Onafhankelijkheid is dan ook een belangrijk thema in dit boek. Het gaat om de onafhankelijkheid van een Marokko, dat zich losmaakt van Frankrijk. En de onafhankelijkheid van de vrouw die zich van de onderwerping aan de man wil bevrijden. Een ‘vrije’ vrouw is in de ene cultuur een ‘verloren’ vrouw, terwijl het in de andere de zelfstandige, geletterde vrouw, met gelijke rechten aan die van de man zal worden. Onafhankelijkheid impliceert grenzen overschrijden, rollen omdraaien, verschillende entiteiten met elkaar mengen. En dat op zijn beurt brengt ambiguïteit met zich mee met vragen als ‘wie ben je?’ en ‘waar hoor je bij?’

    Wanneer Amine in zijn uitvindersdrift probeert  om een citroentak op een sinaasappelboom te enten, ontstaat een mooie metafoor voor het mengen, het confronteren van culturen. De ‘citrange’ (citron en orange) , waarin trouwens, leuk detail, het woord ‘étrange’(vreemd, van buiten) in doorklinkt, blijkt te bitter en dus oneetbaar. Het bastaarderen loopt, in ieder geval hier, uit op een mislukking. Maar zo wil Slimani dit niet interpreteren. Zij ervaart het als een compliment als dit boek als een ‘roman métisse’, een mengvorm, gekarakteriseerd wordt: half Frans, half Marokkaans, een mix van fictie en geschiedenis, een mengelmoes van culturen, een citrange kortom.

    Aan elkaar geregen scènes 

    Dit boek ontving in Frankrijk direct veel lof en de welbespraakte Slimani verscheen in talloze interviews en literaire programma’s. Maar er waren ook reserves. Haar boek kan ook geïnterpreteerd worden als een roman over een transplantatie die niet werkt. Anderen verdenken haar ervan om een format voor een televisieserie geschreven te hebben. Dat is niet zo vreemd, want er wordt nogal wat ingezoomd op details en de onophoudelijke stroom van aan elkaar geregen scènes doet inderdaad filmisch aan.

    Van de plastische beschrijvingen als ‘er groeien stugge witte haren uit een moedervlek onder een rechter neusgat’, ‘een mollige hals geurt naar boter’, ‘moeder-overste, die onder het luisteren met haar rasperige tong langs haar lippen ging en er met haar tanden kleine velletjes af trok’, ‘een vettige mannelijke vriendschap’ of ‘er schemeren dikke benen met paarse spataderen door een tuniek’ moet je houden. Beeldend en suggestief zijn ze wel.

    Soms worden de vlezige beschrijvingen de lezer te veel, het klinkt overbodig en stoot eerder af dan dat het een sterk beeld oproept. Deze emotionele achtbaan maakt dat irritatie, maar zeker ook de verveling kan toeslaan. Soms komt het verhaal in een onverwachte stroomversnelling en wordt het zonder verdere uitleg afgekapt, als afgehandeld weggezet. De heftigheid valt weg. Waarschijnlijk daarom dat het wel lukt om de lelijkheid en onrechtvaardigheid van de situaties in te zien, maar niet om de pijn van de personages te voelen.
    De kleine Aïsha moet in het tweede deel het stokje van haar moeder Mathilde overnemen. Of wij lezers dan uit de achtbaan van heftige scènes mogen stappen en er meer rust, afstand en tijd voor reflectie komt is, gezien de laatste scène van dit deel, maar de vraag.

     

  • Groot menselijk drama in kleine levens

    Groot menselijk drama in kleine levens

    Vriendschap en liefde hebben veel met elkaar gemeen en daar zijn al veel verhalen over geschreven. Een liefdesrelatie of een vriendschap veronderstelt wederkerigheid. Dat is, hoe fijn het ook in het echte leven is, niet altijd interessant in de literatuur. Relaties waarin het evenwicht om wat voor reden dan ook verstoord raakt, komen hard aan en zijn de moeite waard om geënsceneerd te worden. Dat is precies wat Eric Schneider, die een gevestigde naam als acteur, toneelschrijver en regisseur heeft, doet in de dubbelnovelle Een relaas van vriendschap en liefde. In 2013 debuteerde hij met Een tropische herinnering, gesitueerd in zijn geboorteland Nederlands-Indië. Nu is het decor het naoorlogse Nederland.

    Drama’s achter de duinen

    De ‘twee heel bijzondere drama’s achter de duinen van Scheveningen’ zijn Eric Schneider naar eigen zeggen ‘tot op de dag van vandaag bijgebleven’. Waren het ‘faits divers’, waar hij ooit over gehoord, gelezen heeft? In ieder geval heeft hij ze opgetekend als grote menselijke drama’s in een klein leven.

    In de eerste novelle, ‘Het relaas van een liefde’, dat zich afspeelt in het streng gelovige milieu van de Bible Belt in Zuid-Holland, worstelt de jonge vrouw Theo met de onbarmhartige God van haar vader, de dominee. Daardoor plaatst zij zichzelf buiten de gemeenschap, met een hartverscheurende eenzaamheid tot gevolg. Door zijn chronische bronchitis is Job, zoon van collega-dominee van Theo’s vader, eveneens een buitenstaander. Deze twee eenzame zielen vinden elkaar en zijn een tijdlang samen sterk en zelfs even gelukkig. Totdat ze door de schuldvraag, of toch door de wrekende God, ingehaald worden. Job eindigt verlamd en verslagen, Theo ziet uiteindelijk in dat ‘er aan iedere eenzaamheid grenzen zijn’. Dit waren ooit de woorden van haar moeder, de enige liefhebbende persoon in de steile gemeenschap, beheerst door zondebesef en straf. ‘Onbaatzuchtig, zonder handreiking en in stilte’ jezelf wegcijferen houdt ooit op, al kost het je vrijheid – dat is de les die Theo leert. Een diep verdrietig en beklemmend verhaal. 

    In de tweede novelle, ‘Het relaas van een vriendschap’ zien twee voormalige vrienden, elkaar na twintig jaar weer terug. Terwijl Rüdinger een succesvolle carrière en een gelukkig persoonlijk leven heeft opgebouwd in Canada, is Ben in het door hem zorgvuldig gerestaureerde decor van zijn ouderlijk huis gebleven, met zijn twintig jaar oude herinneringen aan de intense vriendschap. Ze werden ooit boezemvrienden omdat ze buurjongens waren. Ondanks, of juist dankzij grote tegenstellingen – Rüdinger van half-Duitse komaf met een grootmoeder met nazi-sympathieën, en Ben uit een steenrijke joodse juweliersfamilie in Den Haag. De energie die Rudi na de oorlog kon investeren in een nieuw begin, heeft Ben, getraumatiseerd en eenzaam, besteed aan het koesteren van een verloren gegane harmonie. Als ‘slaaf van een verleden’ blijft hij in het schimmenrijk, terwijl zijn vriend heeft mogen leven.

    Toneeltekst versus literaire teksten

    De toneel- en filmwereld heeft het schrijverschap van Eric Schneider sterk beïnvloed. Zijn blik en schrijven zijn filmisch. Dat levert mooie beelden op, zoals de scène waarin Job en Theo elkaar stiekem op het balkon van het ouderlijk huis in Rotterdam ontmoeten met als decor het bombardement van mei 1940.
    ‘Er dreigde weer een bommenwerper aan te vliegen. Ze wilde naar binnen vluchten, maar hij hield haar vast, drukte haar tegen de muur met zijn handen op haar oren, terwijl de immense schaduw over hen heen schoof.’

    Verteltechnieken die effectief zijn in een toneelstuk of film, werken niet altijd in op papier. Zo kun je met flashbacks of flashforwards in de film sprongen maken in tijd en plaats zonder dat de kijker noodzakelijkerwijs de verhaallijn kwijt raakt. Deze strategie is moeilijker toe te passen in een boek. Met name in het eerste relaas valt het voor de lezer niet mee om de chronologie te reconstrueren en niet gedesoriënteerd te raken. In het tweede relaas zijn er veel toneeldialogen. Op toneel, dat het doorgaans zonder een alwetende verteller doet, zijn het de acteurs, met elkaar  pratend, die de informatie aan de toeschouwer verstrekken. Op papier daarentegen doet dit bij vlagen ronduit gekunsteld aan.

    Decor als fundament voor verhaal

    ‘Ik beschouw decorontwerpers eigenlijk als de echte regisseurs’ zei Schneider in een interview in het NRCHet decor is inderdaad het fundament waarop de beide vertellingen rusten. In beide verhalen zijn het aan elkaar grenzende herenhuizen die via een geheime doorgang op zolder met elkaar verbonden zijn. Voor Theo en Job dient het als vluchtroute naar elkaar toe, weg van de verstikkende familie, voor Rudi en Ben als speelplek waar de vriendschap groeide. Later werd het voor Ben een onderduikplek waar hij als enige van zijn gezin de oorlog overleefde. Herinneringen daaraan koestert hij, ‘Herinnering is voor mij zoiets als een film die je even stopzet, herstelt waar nodig, of vernietigt als hij onbelangrijk is’. Het herenhuis is voor hem ook letterlijk een decor waarin de tijd van vlak voor de oorlog lijkt te zijn stilgezet en zo weer tot leven gewekt kan worden, als het treintje in de jongenskamer dat door het aangaan van het licht het station uitrijdt.

    In deze setting vindt dan ook de voor zijn vriend Rudi zorgvuldig geënsceneerde terugkeer naar vroeger plaats. Een poging die op een teleurstelling uitloopt. Voor Theo wordt ‘het grote houten huis aan het einde van de Dorpstraat,’ waar ze met Job na de bruiloft is gaan wonen, de stormachtige locatie waar ze tot het inzicht komt dat verbinding de eenzaamheid niet per sé buitensluit.
    Deze en andere interessante tegenstellingen als schuld en vergeving, goed en kwaad, clementie en strengheid, geven de lezer alle stof tot nadenken, maar voor een volledig inlevingsvermogen zal een bescheidener mise-en-scène beter uitpakken.

     

     

  • Autobiografische roman over een trektocht door het Himalaya gebergte

    Autobiografische roman over een trektocht door het Himalaya gebergte

    Met zijn nieuwe boek Zonder de top te bereiken pakt Paolo Cognetti de draad op van zijn roman De acht bergen, waarmee hij in 2017 internationaal is doorgebroken. Niet dat dit boek een rechtstreekse voortzetting is van de reis van de twee vrienden Pietro en Bruno  door Nepal, maar thematisch sluit het er naadloos op aan. Ook in dit boek stelt hij zich vragen als ‘wat betekent vriendschap’ ‘wat is eenzaamheid’ en ‘waarin schuilt levensgeluk’ Maar hier is het Cognetti zelf die met deze vragen worstelt, zonder een romanpersonage als intermediair. Misschien dat het daarom lijkt alsof hij dichtbij een bevredigend antwoord komt.

    Het kristallen klooster

    Deze autobiografische roman beschrijft een trektocht door het Himalaya gebergte in Dolpo, een regio in Nepal, grenzend aan China. Paolo Cognetti, die sinds een jaar of tien teruggetrokken leeft in een dorpje in het Aosta-dal in Noord-Italië en zich voornamelijk aan zijn schrijverschap wijdt, weet twee vrienden, Nicola en Remigio, te bewegen om mee te gaan. Zij zullen gedurende de reis, ieder op hun eigen manier, een klankbord vormen voor Cognetti in zijn zoektocht naar inzicht. Zij gaan op pad met een zevenenveertig- koppige karavaan, inclusief keukenploeg, gidsen, dragers, muildieren en een tiental Westerse toeristen. De rondreis van zo’n vijfhonderd kilometer voert door het Himalaya gebergte met als uiterste punt en hoofddoel van de expeditie de Shey Gompa, het kristallen klooster, dat het laatste overblijfsel van het oude, verdwenen Tibet zou zijn. Tijdens de veeleisende tocht wordt Cognetti regelmatig gekweld door de hoogtedemon, zoals hij zijn hoogteziekte noemt en die hem boven de 3000 meter zwaar op de proef stelt. Maar ook zijn grote gevoeligheid voor het niet tastbare houdt hem in zijn greep. 

    De Sneeuwluipaard

    Zo is er Peter Matthiessen,  voor Cognetti een soort spirituele leider. Matthiessen schreef in 1978 zijn bestseller  De Sneeuwluipaard naar aanleiding van een expeditie die hij samen met een bevriende bioloog ondernam om de hoog in de Himalaya levende bharal, de blauwschaap, te bestuderen. Hij beschrijft de reis als een ‘pelgrimstocht naar de laatst overgebleven enclave van pure Tibetaanse cultuur op aarde’, precies datgene wat Cognetti fascineert en hem  tot zijn reis geïnspireerd heeft. Matthiessen wordt voor hem de belangrijkste reisgenoot, al heeft hij hem nooit ontmoet. Hij leest en herleest diens boek als een reisgids voor zijn eigen leven en inspireert zijn eigen notitieboek met kaarten, tekeningen en dagboek op dat van zijn inspirator.

    Het ongrijpbare en onbepaalde is misschien wel het hoofdthema van dit boek. Uit alles om hem heen maakt Cognetti op dat niets vast ligt, alles in beweging is, voorbij gaat en dus vluchtig is. De eeuwenoude bergen van Dolpo ontstijgen tijd en ruimte. De sneeuwluipaard, een solitair en mysterieus dier, staat soms voor het boek van Peter Matthiessen, dan weer voor de auteur zelf, hoewel deze zich evengoed kan openbaren in de zwerfhond Kanji, die zich bij de karavaan aansluit. De Nepalezen begrijpen niets van ‘die vreemde, geconcentreerde, dik ingepakte, met uitrusting beladen wezens die ervoor betaalden om zwoegend te voet [hun] land te doorkruisen’. Zij glimlachen en lijken hun lot te aanvaarden, zonder hogere doelen te willen bereiken. Dat maakt ze wederom ondoordringbaar voor de Westerlingen. Er schuilt een diepe melancholie in het ongrijpbare.

    In het lopen zelf ligt de essentie

    Cognetti beseft dat in het accepteren van deze ongrijpbaarheid juist de diepe wijsheid ligt waarnaar hij op zoek is. Niet het bereiken van een doel – of, letterlijker, van een top – brengt geluk, maar de (wandel)tocht ernaar toe. In het lopen zelf ligt de essentie van het bestaan. De westerse zienswijze staat tegenover de boeddhistische met illustratieve tegenstellingen als bergtop bedwingen – door bergen wandelen, alpinist – reiziger, winnen -verliezen, vinden – zoeken. Raadsels als “hoe klinkt één klappende hand? ” behoeven geen antwoord, maar nodigen uit tot meditatie.
    De pelgrims naar de Gompa van Shey, het belangrijkste klooster en spirituele centrum van Dolpo  lopen met de wijzers van de klok de rituele kora rondom de Kristalberg . Door deze cirkelende beweging, vol aandacht voor het moment, bereiken ze een versmelting met de omgeving en een gevoel van puurheid. Dat geldt ook voor de reiziger die met het stijgen en dalen tijdens zijn bergtocht en ‘zonder de top te bereiken’ doordringt tot een diepere waarheid, dichter bij levensgeluk.

    Gelukkig zijn omdat je geen keus hebt

    Paolo Cognetti heeft de neiging om stilistisch erg volledig te willen zijn, waardoor zijn proza soms aan vaart en helderheid verliest. Inhoudelijk echter weet hij de essentie van zijn verhaal pakkend over te brengen. En die is zeer de moeite waard.
    Zodra de daling inzet en daarmee de puurheid van de bergen en helderheid van denken verlaten wordt, vertroebelt alles, de kracht ebt weg en de betovering is verbroken. Dat is ook het moment waarop er bij de lezer een gevoel van heimwee opkomt. Heimwee naar een avontuur dat op zijn einde loopt, heimwee krijgt naar het zojuist gelezen boek. De schrijver raakt een herkenbare snaar en slaagt erin te ontroeren.